CConstaterende datBernheze
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting BP 'T Dorp 54, Heesch

Raadsvergadering 27 januari 2022, gemeente BernhezeBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan 't Dorp 54, Heesch" *19.953 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

De gemeente wil haar woningvoorraad aantrekkelijker maken door het aanpassen van bestaande woningen. Ook wil de gemeente sterker inzetten op het duurzaam aantrekkelijk houden van de huidige woningvoorraad. Dat kan via het levensloopgeschikt maken van woningen, maar ook door het vergroten van de energiezuinigheid. De gemeente Bernheze is een voorstander van gasloos bouwen. Hierbij moet er gezocht worden naar creatieve oplossingen. De gemeente Bernheze heeft om haar woonbeleid te formuleren de volgende vier speerpunten opgesteld: ▪ Inspelen op de woonwensen; ▪ Betaalbare wonen voor wie dat nodig heeft; ▪ Onbezorgd wonen; ▪ Een duurzame woningvoorraad. Voor de periode 2016-2021 heeft de gemeente de ambitie om maximaal 900 woningen toe te voegen aan de voorraad (exclusief taakstelling statushouders) en minimaal 5% van de nieuwbouwplannen te reserveren voor Collectief Particulier Opdrachtgeverschap (CPO) en vrije kavels. In de Woonvisie wordt een gewenste woningbouwrichting gegeven voor de kernen binnen de gemeente Bernheze. Het plan is om voor de periode 2016 tot 2021 de woningvoorraad in Heesch uit te breiden met 395 woningen. Vanuit het gemeentelijk beleid wordt in Heesch tevens ingezet op het bieden van goedkope koopwoningen voor starters en het bieden van kleinschalige vormen van wonen met zorg bij zorglocaties. Daarnaast wordt ingezet op bieden van 100 sociale huurwoningen.

De gemeente wil tevens de mogelijkheden onderzoeken van nieuwbouw in de vrije huursector. Conclusie In Heesch zijn tot aan 2021 nog 395 woningen benodigd. De afgelopen jaren zijn al veel woningen gebouwd om te voorzien in deze behoefte. Het initiatief voorziet in de ontwikkeling van acht woningen, waarmee wordt bijgedragen aan het vergroten van de woningvoorraad in de kern Heesch. Deze acht woningen zijn passend binnen de restopgaaf aan woningen. Uit de woonvisie komt naar voren dat vooral starters op zoek zijn naar goedkope grondgebonden koopwoningen (tot €275.000). Voor deze doelgroep is het aanbod in Bernheze beperkt. Ook blijkt behoefte aan gestapelde koopwoningen (tot €275.000). Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in een mix van koopappartementen en grondgebonden halfvrijstaande woningen. Het initiatief ziet toe op twee grondgebonden halfvrijstaande woningen en zes koopappartementen. Het initiatief moet voor 80% een bijdrage leveren aan de woningbouwopgave. De overige 20% valt binnen de vrije ruimte.

Vastgesteld

24

Tabel 3. Verdeling volkshuisvesting

Type Prijs

Halfvrijstaande woningen onder € 267.394,=

Aantal

2

Koopappartementen tussen € 222.618,= € 323.366,= 4

Koopappartementen Boven € 323.366,= 2

De twee halfvrijstaande woningen en de vier “goedkope” appartementen voldoen aan de woningbouwopgave. De prijsklasse van de koopappartementen voldoet niet aan de woningbouwopgave, maar valt onder de vrije ruimte die maximaal 20% van het totale woningbouwplan mag bedragen. Hiermee sluit het initiatief aan bij de gemeentelijke woonvisie.

Vastgesteld

25

5 RANDVOORWAARDEN / RESULTATEN ONDERZOEKEN Met de herontwikkeling van het terrein dient rekening gehouden te worden met (milieu-)aspecten vanuit de omgeving en op de omgeving. Het onderzoek naar de milieuaspecten bodem, milieuzonering, geluid, lucht, externe veiligheid voor het plangebied wordt in de navolgende paragrafen beschreven. Eveneens is gekeken naar de gevolgen van het initiatief voor de aspecten archeologie, leidingen en infrastructuur, natuur, waterhuishouding en verkeer. De hieruit voortkomende bevindingen worden in onderstaande paragrafen toegelicht.

5.2 Milieuaspecten 5.2.1

M.e.r.-beoordeling

Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r. wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 20091. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst C en D zit, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij kleine bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.beoordeling nodig is. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r. nodig is. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een m.e.r. nodig.

Beoordeling noodzakelijkheid m.e.r.(-beoordeling) Om te bepalen of een m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk is dient bepaald te worden of het project voorkomt in lijst C of lijst D van het Besluit, of de drempelwaarden worden overschreden, of het project in een kwetsbaar gebied ligt en of er belangrijke milieugevolgen zijn. Drempelwaarden Lijst C en D In het plangebied worden zes appartementen en twee halfvrijstaande woningen gebouwd. Het realiseren daarvan komt niet voor in bijlage C van het besluit m.e.r.. Er is dus geen sprake van de verplichting om een m.e.r. procedure te doorlopen. Op grond van categorie D11.2 geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht voor onder andere de aanleg of wijziging van ‘een stedelijk ontwikkelingsproject’, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1. Een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. Een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen bevat, of 3. Een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Blijkens de nota van toelichting bij het Besluit m.e.r.2 kan het bij een stedelijk ontwikkelingsproject gaan om ‘bouwprojecten als woningen, parkeerterreinen, bioscopen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan’.

1

HvJ EG 15 oktober 2009, zaak C-255/08 (Commissie tegen Nederland)

2

Staatsblad 2011, nr. 102

Vastgesteld

26

Uit jurisprudentie blijkt dat een “beperkt” aantal woningen niet wordt aangemerkt als stedelijk ontwikkelingsproject (zie de uitspraken van de Raad van State: ECLI:NL:RVS:2020:729 (rechtsoverweging 6.1 e.v.) en ECLI:NL:RVS:2020:100 (rechtsoverweging 14 e.v.), beide gaan over 12 woningen. Uit de uitspraken blijkt dat er in deze gevallen geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject zodat een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling niet nodig is. Aangezien het initiatief in dit geval betrekking heeft op maximaal 8 woningen (6 appartementen en 2 halfvrijstaande woningen) wordt het initiatief niet gezien als stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. en is (vormvrije) m.e.r.-beoordeling niet noodzakelijk. 5.2.2

Bodemkwaliteit

Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Dit betekent dat het aspect bodemkwaliteit voor vrijwel alle ruimtelijke plannen relevant is en daarom onderzocht, beoordeeld en beschreven moet worden. De mate waarin beoordeling van de bodemkwaliteit aan de orde is, is met name afhankelijk van aard en omvang van het initiatief. Vanwege de onderhavige bestemmingswijziging is derhalve een verkennend bodemonderzoek3 conform de NEN 5740 uitgevoerd. Tijdens de veldinspectie op de locatie zijn geen waarnemingen gedaan die wijzen op de aanwezigheid van bodemverontreiniging of bronnen van verontreiniging. In het opgeboorde bodemmateriaal zijn in de bovengrond plaatselijk zintuiglijke bijmengingen waargenomen. Uit de analyseresultaten blijkt dat de bovengrond licht verhoogd is met Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen (PAK 10-VROM) en zink. In de ondergrond zijn geen gehalten gemeten verhoogd ten opzichte van de achtergrondwaarde. In het freatisch grondwater is geen van de onderzochte componenten aangetroffen in een gehalte verhoogd ten opzichte van de streefwaarde. De resultaten van dit bodemonderzoek geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.

Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond vrijkomt, kan de grond mogelijk niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast. Ten aanzien van hergebruik van deze grond elders is het Besluit Bodemkwaliteit van toepassing. 5.2.3 Bedrijven en milieuzoneringen Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving. Bedrijven en instellingen zijn verplicht te voldoen aan de eisen uit het Activiteitenbesluit, dan wel een omgevingsvergunning te hebben voor de exploitatie van het bedrijf, waarbij rekening gehouden dient te worden met omliggende woonbebouwing. Door middel van de milieuwet- en regelgeving wordt (milieu)hinder in woongebieden zoveel mogelijk voorkomen. Indien woningbouw wordt gerealiseerd in de directe omgeving waar milieugevoelige objecten zijn toegelaten, dan dient rekening gehouden te worden met de bestaande rechten van deze bedrijven.

3

Aeres Milieu, verkennend bodemonderzoek ’t Dorp 54 te Heesch, 20 augustus 2020, projectnummer: AM20108

Vastgesteld

27

Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), in samenwerking met de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Economische zaken, in 2009 een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld. Om een milieuzonering in een concrete situatie te kunnen uitwerken bevat de VNG publicatie bouwstenen. De drie belangrijkste bouwstenen zijn de richtafstandenlijst, twee omgevingstypen; en een lijst van toelaatbare activiteiten in gemengd gebied met het oog op functiemenging. De belangrijkste bouwstenen voor milieuzonering zijn de twee richtafstandenlijsten die zijn opgenomen in bijlage 1 van de VNG publicatie. Dit zijn afstanden ten opzichte van een rustig buitengebied (of een vergelijkbaar omgevingstype). In de bijlagen wordt onderscheid gemaakt naar richtafstanden voor de ruimtelijke relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van deze vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie. Om tot een optimale invulling van de ruimte te komen worden diverse omgevingstypen onderscheiden. Het achterliggende idee is dat de gevoeligheid van een gebied mede afhankelijk is van het omgevingstype.

De gevoeligheid van een gebied kan daarom aanleiding zijn om af te wijken van de standaardafstanden in de bedrijvenlijst die uitgaan van de ligging in een rustig buitengebied. Afhankelijk van het type gebied kan een correctie worden toegepast op de afstanden die zijn genoemd in de standaardlijst en wel per hinderaspect (geluid, stof, stank en dergelijke) dat in de lijst is genoemd. In de omgeving van het plangebied zijn de volgende milieubelastende activiteiten relevant: Aan ’t Dorp zijn naast woningen ook enkele bedrijven aanwezig. Het gaat hierbij om lichte bedrijvigheid, welke vallen binnen categorie 1 van de Lijst van Bedrijfsactiviteiten en hebben daardoor een maximale richtafstand van 10 meter. Ook deze afstand kan door de ligging in gemengd gebied teruggebracht worden naar 0 meter en vormt daarmee geen belemmering voor de nieuwe woningen. Tevens biedt het bestemmingsplan “Centrum Heesch” voor nieuwvestiging van bedrijven alleen mogelijkheden in categorie 1. Alleen bestaande bedrijven in categorie 2 blijven mogelijk. Dit houdt in dat de richtafstand op basis van het bestemmingsplan dus niet groter kan worden dan 10 meter. Geconcludeerd wordt dat er geen milieucontouren over het plangebied zijn gelegen. De herontwikkeling zelf bevat eveneens geen milieucontouren die mogelijk andere gevoelige objecten kunnen belemmeren.

Het initiatief is in het kader van bedrijven en milieuzonering acceptabel. 5.2.4 Geluid Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van een geluidsgevoelig object dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. Per 1 januari 2007 is de Wijzigingswet Wet geluidhinder (modernisering instrumentarium geluidbeleid, eerste fase) in werking getreden. In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt, dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer en spoorwegen. In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg een geluidszone heeft, met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidsgevoelige objecten binnen een geluidszone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidbelasting op deze gebouwen of terreinen.

Vastgesteld

28

In het kader van de ontwikkeling van het plangebied is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai4 uitgevoerd. Het akoestisch onderzoek is niet noodzakelijk in het kader van de Wgh omdat het plangebied niet is gelegen binnen een zone van een gezoneerde weg. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het akoestisch onderzoek wel uitgevoerd. De wegen ’t Dorp, Binnenpas en Grenadiersstraat zijn in het onderzoek meegenomen. ’t Dorp ▪ Er is sprake van een 30 km/uur zone, zodat niet hoeft te worden getoetst aan de Wgh. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt de weg wel beschouwd en wordt ook het toetsingskader van de Wgh gehanteerd. ▪ In een aantal waarneempunten zijn gevelbelastingen vastgesteld hoger dan de voorkeursgrenswaarde. ▪ De geluidbelasting ten gevolge van deze weg is minimaal 63 dB, zonder aftrek artikel 110 g. Zou die aftrek wel worden gehanteerd, dan is de geluidbelasting 58 dB waarmee deze boven de voorkeursgrenswaarde zou liggen wanneer getoetst zou worden aan de Wgh. De maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. ▪ Omdat geen sprake is van een gezoneerde weg, hoeft ook geen hogere waarde ten aanzien van deze weg te worden aangevraagd. ▪ Formeel hoeven ten gevolge van deze weg geen maatregelen te worden getroffen aan de gevel.

Uit het oogpunt van wooncomfort en gezondheid wordt echter geadviseerd wel maatregelen te treffen om een binnenniveau van 33 dB te garanderen. Binnenpas ▪ Er is sprake van een 30 km/uur zone, zodat niet hoeft te worden getoetst aan de Wgh. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt de weg wel beschouwd en wordt ook het toetsingskader van de Wgh gehanteerd. ▪ De voorkeursgrenswaarde wordt niet overschreden, zou getoetst worden aan de Wgh. geluidbelasting ten gevolge van deze weg is ten hoogste 53 dB, zonder aftrek artikel 110 g. Zou die aftrek wel worden gehanteerd, dan is de geluidbelasting 48 dB waarmee deze waarde onder de voorkeursgrenswaarde ligt. ▪ Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat. Grenadiersstraat ▪ Er is sprake van een 30 km/uur zone, zodat niet hoeft te worden getoetst aan de Wgh. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt de weg wel beschouwd en wordt ook het toetsingskader van de Wgh gehanteerd. ▪ De voorkeursgrenswaarde wordt niet overschreden, zou getoetst worden aan de Wgh. De geluidbelasting is ten hoogste 36 dB (excl. Artikel 110 g Wgh). Zou de aftrek gehanteerd mogen worden is de geluidbelasting 31 dB waarmee deze waarde onder de voorkeursgrenswaarde ligt. ▪ Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat. 5.2.5

Luchtkwaliteit

Effect op luchtkwaliteit Op basis van de Wet luchtkwaliteit, als onderdeel van de Wet milieubeheer, gelden kwaliteitseisen voor de luchtkwaliteit. Deze kwaliteitseisen zijn door middel van grenswaarden voor de diverse luchtverontreinigingscomponenten vastgelegd. Deze grenswaarden gelden overal in de buitenlucht. Er wordt onderscheid gemaakt tussen projecten die ‘Niet in betekende mate’ (NIBM) en ‘In betekende mate’ (IBM) bijdragen. Projecten die NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit kunnen zonder verdere toetsing aan de grenswaarden uitgevoerd worden. Als een initiatief ervoor zorgt dat de concentratie PM10 of NO2 met meer dan 3% van de grenswaarde verhoogd (oftewel meer dan 1,20 µg/m³ bijdraagt) draagt het project IBM bij aan de luchtkwaliteit en dient een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd te worden om de precieze effecten op de luchtkwaliteit in beeld te brengen.

4

K+, AO ’t Dorp Heesch optredende gevelbelastingen, 14 september 2020, rapportnummer: Rm200457aaA0

Vastgesteld

29

Woningbouw draagt pas IBM bij aan de luchtkwaliteit als er meer dan 1.500 woningen gebouwd worden. Het voorliggend initiatief voorziet in de realisatie van zes appartementen en twee halfvrijstaande woningen in de kern Heesch. Met het oprichten van de woningen wordt derhalve ruimschoots onder het 3% criterium gebleven. Er kan dan ook worden geconcludeerd dat het plan NIBM bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Achtergrondwaarden In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden bezien of de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende is voor de realisatie van de woningen. Rondom het plangebied bevinden zich diverse wegen als emissiebronnen van luchtverontreinigende stoffen (uitlaatgassen van verkeer). Deze bronnen zijn opgenomen in de achtergrondconcentraties, zoals die door het RIVM jaarlijks in kaart worden gebracht. Normaal gesproken zijn er in het oosten en zuiden van Nederland geen knelpunten op het gebied van de luchtkwaliteit met betrekking tot fijn stof en stikstofdioxide te verwachten. De grootschalige concentratiekaart Nederland (GCN) geeft per km-vak de huidige achtergrondconcentraties weer. Volgens de kaarten van het RIVM bedraagt momenteel de concentratie fijn stof (PM2,5) ter plaatse 11,5 µg/m³, de concentratie fijn stof (PM10) 19,0 µg/m³ en de concentratie stikstofdioxide (NO2) 20,5 µg/m³.

In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM2,5 25 µg/m³, terwijl de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 40 µg/m³ bedraagt. Voor NO2 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde eveneens 40 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende voor de realisatie van de woningen. 5.2.6 Geur Geur kan hinder veroorzaken in de leefomgeving. Wanneer deze hinder inderdaad ondervonden wordt, kan dit zelfs invloed hebben op de gezondheid. Geurhinder dient daarom zoveel mogelijk beperkt te worden door regels te stellen aan de uitstoot van geuremissies en bepaalde afstanden aan te houden ten opzichte van geurgevoelige objecten. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) kent bescherming toe aan geurgevoelige objecten. De Wet geurhinder en veehouderij stelt de gemeente in staat om middels gemeentelijk geurbeleid te sturen op geuremissies afkomstig uit stallen bij veehouderijen en daarmee op de geurbelasting op de omgeving. Op 12 december 2013 heeft de gemeente Bernheze de ‘Verordening Geurhinder en Veehouderij gemeente Bernheze 2013’ vastgesteld. En op 12 oktober 2015 heeft de gemeente Bernheze de ‘Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder gemeente Bernheze 2013’ vastgesteld. De geurverordening bevat de geur- en afstandsnormen waaraan getoetst wordt in het kader van vergunningverlening.

De geurgebiedsvisie bevat de onderbouwing bij deze normen en de uitgangspunten van het gemeentelijke geurbeleid. De gemeente verdeelt het grondgebied van de gemeente in gebieden en hanteert per soort gebied een eigen geurnorm. Met het geurbeleid wil de gemeente zowel de bescherming van de agrarische ondernemers borgen als de doorgang van gewenste ruimtelijke ontwikkelingen. Op basis van de normenkaart ligt de locatie in een bestaand woongebied. In bestaande woongebieden geldt een geurnorm van 3 OU/m3 (voorgrondbelasting). De geurbelasting kan uitsluitend berekend worden van een veehouderij waar dieren met geuremissiefactoren worden gehouden (dit betreffen doorgaans de intensieve veehouderijen). Bij een veehouderij waar dieren zonder geuremissiefactoren worden gehouden geldt een minimale vaste onderlinge afstand van 25 meter (gevel stal) en 50 meter (emissiepunt stal). Voor wat betreft geurhinder van veehouderijen moet bekeken worden of er geen veehouderijen in hun bedrijfsvoering worden beperkt (belang omliggende veehouderijen) en of er ter plaatse van de nieuwe woningen een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd (belang geurgevoelig object).

Vastgesteld

30

Gelegen in het centrum van Heesch liggen binnen een straal van 500 meter geen veehouderijen. Geconcludeerd kan worden door de grote afstanden tot de veehouderijen dat ter plaatse geen sprake kan zijn van een aantasting van het woon- en leefklimaat door geur. Conclusie Ter plaatse is sprake van een goed woon- en leefklimaat voor wat betreft het aspect geur. Oprichting van de woningen is wat dat betreft mogelijk. Daarnaast hebben de woningen geen nadelige gevolgen voor de bedrijfsvoering van omliggende veehouderijen. Andere bestaande woningen zijn namelijk dichterbij deze veehouderijen gelegen, waardoor deze altijd maatgevend zijn voor de bedrijfsvoering van betreffende veehouderijen.

5.3 Externe veiligheid Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden te worden met het aspect externe veiligheid. Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico’s vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn: ▪ Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); ▪ Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); ▪ Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR.

Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijke harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verwantwoord door het bevoegd gezag. Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico’s in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal bij de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer.

In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht.

Vastgesteld

31

Tabel 4. Wanneer verantwoorden?

Bron Inrichtingen (Bevi) Buisleidingen (Bevb) Spoor-, Rijks- en waterwegen (Bevt)

Wanneer groepsrisicoverantwoording? Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen Wanneer sprake is van toename van het groepsrisico of overschrijding van de oriëntatiewaaarde

Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde de veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn. Overige wet- en regelgeving Tot slot wordt in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening' (art. 3.1 Wro) getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit, Barro, effectafstanden uit de 'Circulaire effectafstanden LPGtankstations', enz.. Inventarisatie risicobronnen Volgens de Risicokaart van Nederland liggen er in de omgeving een drietal risico’s. Ten eerste vindt over de A59 vervoer van gevaarlijke stoffen plaats, ten tweede is op de locatie ’t Dorp 118 een LPG-tankstation gelegen en ten derde is op de locatie Nistelrodeseweg 3 eveneens een LPG-tankstation gelegen.

A59

Tankstation

Tankstation

Afbeelding 15. Uitsnede risicokaart Nederland (plangebied oranje omcirkeld)

Ongeveer 450 meter ten westen van het plangebied, aan ’t Dorp 118, is een LGP-tankstation gelegen. Op deze locatie zijn een vulpunt, reservoir en afleverinstallatie aanwezig. Voor het vulpunt en de reservoir bedraagt het plaatsgebonden risicocontour 25 meter. Voor de afleverinstallatie bedraagt het plaatsgebonden risicocontour 15 meter. Voor het vulpunt en de reservoir is tevens een invloedsgebied van 150 meter vastgesteld. Het plangebied is buiten de plaatsgebonden risicocontouren en buiten het invloedsgebied van dit tankstation gelegen.

Vastgesteld

32

Op circa 440 meter ten oosten van het plangebied, aan de Nistelrodeseweg 3, is eveneens een LPG-tankstation gelegen. Bij dit tankstation zijn het LPG-vulpunt en de ondergronds reservoir gelegen op een afstand van circa 300 meter ten noorden van het tankstation. Voor het vulpunt is een plaatsgebonden risicocontour opgenomen van 40 meter en een invloedsgebied van 150 meter. Het plaatsgebonden risicocontour van de reservoir bedraagt 25 meter en het invloedsgebied bedraagt 150 meter. Voor de afleverinstallatie bedraagt het plaatsgebonden risicocontour 15 meter. Het plangebied is buiten de plaatsgebonden risicocontouren en buiten het invloedsgebied van het tankstation gelegen. Transport gevaarlijke stoffen Risicovol transport kan plaatsvinden over A59 die circa 400 meter ten noorden van het plangebied is gelegen. De weg is niet voorzien van een plaatsgebonden risicocontour. Over deze weg worden onder andere LT1 en LT2 stoffen vervoerd. LT1 heeft een invloedsgebied van 730 meter en LT2 van 880 meter. Het plangebied ligt dus binnen het invloedsgebied van beide stoffen. Omdat het plangebied niet binnen 200 meter van de transportroute af ligt, kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico waarvan een toxische wolk het maatgevende risico is.

De Veiligheidsregio Brabant Noord dient advies uit te brengen over de zelfredzaamheid van personen en bestrijdbaarheid van de gevolgen van een calamiteit (toxisch scenario). Vanwege de grote afstand van de bron tot het plangebied (>200 meter) en het toxische scenario geeft de Veiligheidsregio in samenwerking met de Omgevingsdienst Brabant Noord (ODBN) hiervoor een standaardadvies (zie bijlage 2). Bestrijdbaarheid Bij het scenario toxische wolk zal de brandweer proberen de toxische wolk neer te slaan. Bij een snelle verspreiding van de toxische wolk zal dit echter beperkt effect hebben. De bestrijdbaarheid wordt om deze reden als matig beoordeeld. Zelfraadzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. Het zelfredzame vermogen van personen is een belangrijke voorwaarde om slachtoffers bij een incident te voorkomen. De mogelijkheid voor personen om zichzelf in veiligheid te brengen bestaan uit schuilen en ontvluchten. De mogelijkheden ten aanzien van de zelfredzaamheid zijn goed. Er worden geen niet- of verminderd zelfredzame mensen in het plangebied gehuisvest. De aanwezigen zijn normaal gesproken in staat om zelfstandig conform instructies, bijvoorbeeld via NL-Alert, te reageren. Het aantal mensen in het plangebied is beperkt.

Behalve de vraag of zelfredding mogelijk is, zijn de fysieke eigenschappen van gebouwen en omgeving van invloed op de vraag of die zelfredding optimaal kan plaatsvinden. Vanuit de hiervoor geschetste mogelijkheden is het dus van belang, dat het plangebied: ▪ goed te alarmeren is; ▪ goed te schuilen is; ▪ goed te ontvluchten is. Risicovolle buisleidingen Het transport van gevaarlijke stoffen middels buisleidingen is gebaseerd op het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Dit besluit verplicht gemeenten en provincies om buisleidingen op te nemen in het bestemmingsplan, inclusief een belemmerende zone. Het Bevb gaat niet uit van bebouwings-, veiligheids- of toetsingsafstanden, maar van grenswaarden voor plaatsgebonden risico en een verantwoordingsplicht voor groepsrisico, vergelijkbaar met het Bevi. In de wijde omgeving rond het plangebied is er geen sprake van de aanwezigheid van risicovolle buisleidingen. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt derhalve geen belemmering voor de herontwikkeling van het plangebied. Vastgesteld

33

5.4 Ecologie Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming het geldend wettelijk kader wanneer het gaat om natuurbescherming. Deze wet heeft drie wetten vervangen, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, Boswet en de Flora- en faunawet. De beleidsmatige natuurbescherming die voorheen was vastgelegd in de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is opnieuw vastgelegd, maar heeft een andere naam gekregen namelijk Natuur Netwerk Nederland (NNN). Daarnaast is de specifieke soortenbescherming geëvalueerd en gemonitord. Op basis daarvan is de soortbescherming voor sommige soorten gewijzigd. Sommige soorten worden daardoor beter beschermd, andere soorten komen in een lager beschermingsregime of worden nieuw toegevoegd. De algemene zorgplicht blijft bestaan voor alle inheemse flora- en fauna. (Nieuwe) ontwikkelingen kunnen namelijk negatieve gevolgen hebben voor beschermde flora- en faunasoorten. Bij negatieve effecten van ontwikkelingen kan onder andere gedacht worden aan: optische verstoring door het toevoegen van bebouwing, verlies van oppervlakte, verdroging of vernatting, vermesting en verzuring, verstoring door licht, geluid, trilling en dergelijke. Bij ruimtelijke planvorming is daarom een toetsing aan de natuurwetgeving verplicht. 5.4.1

Gebiedsbescherming

Natura 2000 Het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied betreft de Rijntakken, gelegen op een afstand van 14,6 kilometer van het plangebied. In de Wnb is voorgeschreven dat voor alle activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op Natura2000-gebieden een Wnb-vergunning vereist is. Over een afstand van 14,8 km of meer zijn negatieve effecten vanuit het plangebied op de Natura2000-gebieden uit te sluiten, behoudens wat betreft verzuring en/of vermesting. Verzuring en vermesting zijn een van de mogelijk negatieve effecten van een initiatief op een Natura2000-gebied en kan een groot bereik hebben daar stikstof (in de vorm van NOx of NH3), welke verzuring en vermesting veroorzaakt, door de atmosfeer kan neerslaan in een Natura2000-gebied. Voor ieder habitattype binnen een Natura2000-gebied dat gevoelig is voor verzuring en/of vermesting is een kritische depositiewaarde (KDW) vastgesteld. De KDW geeft de grens aan waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van het habitat significant wordt aangetast door de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische stikstofdepositie. Door middel van het rekeninstrument AERIUS Calculator wordt de stikstofdepositie op Natura2000-gebieden als gevolg een initiatief berekend. Met onderhavig bestemmingsplan worden zes appartementen en twee halfvrijstaande woningen opgericht.

Als gevolg van onderhavig initiatief kan de emissie van stikstof vanuit het plangebied toenemen vanwege, in dit geval, het gebruik van de woningen en het verkeer van en naar de locatie. Volgens AERIUS Calculator leidt de realisatie van een zes appartementen en twee halfvrijstaande woningen tot een emissie NOx van 8,9 kg/jaar. Voor het bepalen van de verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van de CROW-publicatie 317 ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’. Er is uitgegaan van de volgende gegevens: ▪ Functie: o Koop, appartement, midden (6x) o Koop, huis, twee-onder-een-kap (2x) ▪ Gebiedstype: Centrum in matig stedelijk gebied

Vastgesteld

34

Op basis van de kencijfers genereert één appartement per etmaal minimaal 4,7 en maximaal 5,5 verkeersbewegingen. Uitgaande van een worst-case benadering genereert het appartementencomplex dagelijks 33 verkeersbewegingen, veroorzaakt door 16,5 voertuigen (elk arriverend voertuig vertrekt weer en genereert dus per saldo 2 verkeersbewegingen). Op basis van de kencijfers genereert één twee-onder-een-kap woning per etmaal minimaal 6,9 en maximaal 7,7 verkeersbewegingen. Uitgaande van een worst-case benadering genereren de twee halfvrijstaande woningen dagelijks 15,4 verkeersbewegingen, veroorzaakt door 7,7 voertuigen. Vanwege het karakter van het initiatief wordt verondersteld dat de voertuigen van en naar de locatie lichte voertuigen betreffen (personenauto’s). Uit de ingevoerde gegevens blijkt dat door de toename van het verkeer de emissie NOx met 0,7 kg/jaar toeneemt vanuit de locatie.

Afbeelding 16. Uitsnede berekening gebruiksfase AERIUS Calculator

De stikstofemissie neemt door het initiatief toe met 9,6 kg NOx per jaar. Dit leidt op basis van AERIUS Calculator niet tot een toename van stikstofdepositie ter plaatse van de Natura2000-gebieden (zie bijlage 1: AERIUS-berekening gebruiksfase). Het initiatief leidt derhalve niet tot extra verzuring of vermesting in Natura2000-gebieden. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van natuurgebieden en landbouwgebieden met natuurwaarden van (inter)nationaal belang. Het doel van het NNN-beleid is het veiligstellen van ecosystemen en het realiseren van leefgebieden met goede condities voor de biodiversiteit. Voor het Natuurnetwerk Nederland geldt op basis van het Rijksbeleid (Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening) de verplichting tot instandhouding van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied. Dit betekent dat (nieuwe) plannen, projecten of handelingen niet zijn toegestaan indien zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten. Het Natuurnetwerk Nederland is veelal weer opgedeeld in provinciale natuurgebieden, zo ook Natuurnetwerk Brabant.

Vastgesteld

35

660 meter

Afbeelding 17. Uitsnede kaart Natuurbeheerplan met daarop weergegeven het NNB

Ten noorden van het plangebied zijn de dichtstbijzijnde onderdelen van het Natuurnetwerk Brabant (NNB) gelegen. Dit betreffen voornamelijk droge bossen met productie. Het dichtbij zijnde onderdeel van het NNB is gelegen op 540 meter afstand. Het plangebied maakt zelf geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Brabant, dus ook niet van het Natuurnetwerk Nederland. Daar de nieuwe woningen niet worden opgericht in het NNN vormt het initiatief derhalve geen belemmering voor de aanleg of instandhouding van het NNN. 5.4.2 Soortenbescherming Om het voorkomen van flora en fauna in het plangebied aan te tonen en het effect van de bouw c.q. het gebruik van de appartementen en woningen hierop te onderzoeken is een quickscan flora- en fauna5 uitgevoerd. Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën In het plangebied komen mogelijk zoogdieren en amfibieën voor, die onder de Wnb zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde A-soorten), waarvoor in de provincie Noord-Brabant een algemene vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud. Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een ontheffing voor is verkregen. Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 1.11 Wnb); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen.

Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst. Vleermuizen: aanvullend onderzoek en compensatie vooraf De woning en de aanbouw bevatten mogelijk vleermuisverblijven. Het slopen van deze gebouwen kan daarom leiden tot verstoring of vernietiging van vleermuizen en hun verblijven. Omdat alle vleermuissoorten streng zijn beschermd, dient het voorkomen van dergelijke verblijven conform het vleermuisprotocol (Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus en Zoogdiervereniging, 2017) te worden onderzocht. Aanvullend onderzoek6 naar het voorkomen van vleermuizen heeft in dat kader plaatsgevonden (zie bijlage 3). Tijdens de vier onderzoeksmomenten (26 mei, 18 juni, 16 augustus en 5 september 2021) zijn binnen het plangebied geen zwermgedrag of in- en uitvliegende vleermuizen waargenomen. Vleermuisverblijven zijn in het plangebied dus zeker afwezig. Iedere ronde vloog er een klein aantal Gewone dwergvleermuizen op enige afstand van het plangebied. Overige soorten werden niet waargenomen. 5 6

Aeres milieu, Quickscan Natuurwetgeving ’t Dorp 54 te Heesch, 6 juli 2020, projectnummer: AM20108 Faunaconsult, Vleermuizenonderzoek locatie ’t Dorp 54 te Heesch, 12 oktober 2021

Vastgesteld

36

In het plangebied bevindt zich geen vleermuizenverblijf. Tijdens de sloop van de huidige bebouwing hoeft er daarom geen rekening met vleermuizen te worden gehouden. Vogels In de opgaande vegetatie in het plangebied komen mogelijk beschermde vogelnesten voor tijdens het broedseizoen. Het gaat om vogels waarvan het nest niet jaarrond wordt beschermd of als strenger beschermd wordt beschouwd. Hiervoor zijn maatregelen die negatieve effecten voorkomen wel verplicht. Verstoring van broedvogels en vernietiging van vogelnesten kan worden voorkomen door de werkzaamheden buiten de periode 15 maart – 15 juli (het broedseizoen van de meeste vogels) uit te voeren. Door naleving van deze maatregel worden ten aanzien van vogels geen overtredingen op de Wet natuurbescherming begaan.

5.5 Water Het plangebied ligt binnen het beheergebied van Waterschap Aa en Maas. De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is dat de waterbelangen evenwichtig worden meegewogen bij de totstandkoming van een ruimtelijk plan. Deze waterparagraaf is een onderdeel van de watertoets. De waterparagraaf beschrijft zowel de huidige als toekomstige waterhuishoudkundige situatie (oppervlaktewater, grondwater, hemelwater en afvalwater). 5.5.1 Beleid In deze paragraaf is het relevante vigerende beleid opgenomen. Het Nationaal Waterplan Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016-2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, voldoende en schoon water en diverse vormen van gebruik van water. Op basis van de Wro heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie. Het Provinciaal Waterplan Noord-Brabant 2016-2021 Dit plan bevat het strategische waterbeleid van de provincie Noord-Brabant voor de periode 2016-2021. Naast beleidskader is het Provinciaal Waterplan ook toetsingskader voor de taakuitoefening van lagere overheden op het gebied van water.

Bovendien dient het plan als structuurvisie voor het aspect water op grond van de Wro. Waterplan Bernheze Als algemeen streefbeeld voor de gemeente voor 2030 is gesteld: ‘Het hebben en houden van een veilige, kwalitatief hoogwaardig leefbare gemeente, waarin een gezond en veerkrachtig watersysteem aanwezig is en duurzaam met water wordt omgegaan. Hierbij is 100% compensatie belangrijk. Daarnaast versterken de Aa, Leijgraaf en Groote Wetering, als herkenbare beeksystemen met een natuurlijk karakter, enerzijds de leefbaarheid en identiteit en anderzijds de (water)recreatieve en toeristische positie van Bernheze”. De volgende thema’s zijn in het waterplan opgenomen: ▪ Schoon water: Hierbij geldt de voorkeurstrits: voorkomen - scheiden – zuiveren; ▪ Zuinig met water; ▪ Water in de bebouwde omgeving: Hier geldt de voorkeurstrits: vasthouden - bergen – afvoeren; ▪ Boeiend water;

Vastgesteld

37

▪ Samenwerking. Bovenstaand beleid betekent onder andere dat er ‘hydrologisch neutraal’ (100% compensatie) moet worden gebouwd, conform de uitgangspunten ‘hydrologisch neutraal ontwikkelen’ van het waterschap. Dit houdt in dat het hemelwater dat op daken en verharding valt, in principe niet versneld mag worden afgevoerd. Er zal moeten worden gezocht naar vormen van hergebruik, vasthouden of bergen van hemelwater. Vermenging van vuil en schoon (hemel-)water wordt niet wenselijk geacht. Onderhavig plangebied ligt binnen het beheergebied van het Waterschap Aa en Maas. Het waterschapsbeleid is onder meer beschreven in: Het Waterbeheerplan 2016-2021 Dit plan maakt inzichtelijk wat het waterschap de komende jaren gaat doen. Het doel is om het watersysteem en de afvalwaterketen op orde te houden. Het beheer van water door het waterschap bepaalt mede of mensen en dieren in Noordoost-Brabant leven in een veilige, schone en prettige omgeving. Brabant Keur Voor de beheergebieden van de waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel geldt dezelfde keur: Brabant Keur. De keur bevat regels ter bescherming van de waterwerken die nodig zijn voor een goed waterbeheer (kwantiteit) en voor de bescherming van het gebied tegen hoog water. Bij veel projecten is sprake van een toename van het verharde oppervlak. Hieromtrent is in de Algemene regels bij de keur het volgende opgenomen: 1.

Bij een toename van het verharde oppervlak van minder dan 500 m² stelt het waterschap geen nadere eisen aan de verwerking van het hemelwater. Hiervoor geldt het gemeentelijke beleid. 2. Bij een toename van het verharde oppervlak van meer dan 500 m² maar minder dan 10.000 m² moeten compenserende maatregelen ten aanzien van de verwerking van het hemelwater worden getroffen conform de rekenregel: benodigde compensatie (in m3) = toename verhard oppervlak (in m2) * gevoeligheidsfactor * 0,06 (in m). 3. Bij een toename van het verhard oppervlak van meer dan 10.000 m² is een watervergunning nodig. De beleidsnota ‘Uitgangspunten watertoets waterschap Aa en Maas’ De beleidsnota bevat acht uitgangspunten, die alle zijn gehanteerd bij het opstellen van onderhavig bestemmingsplan: 1. Wateroverlastvrij bestemmen 2. Hydrologisch neutraal ontwikkelen 3. Voorkomen van vervuiling 4. Gescheiden houden van schoon en vuil water 5. Doorlopen van de afwegingsstappen: "hergebruik - infiltratie - buffering - afvoer" 6. Meervoudig ruimtegebruik 7. Water als kans 8. Waterschapsbelangen 5.5.2 Watersysteem Bodemgesteldheid De locatie zelf is aangeduid als ‘bebouwing’, maar de bodem om de ‘bebouwing’ wordt getypeerd als hoge zwarte enkeerdgrond, laarpodzolgronden en veldpodzolgronden. Allen bestaande uit leemarm en met zwak lemig (fijn) zand.

Op basis van de leggerkaart van het waterschap Aa en Maas is er geen sprake van oppervlaktewater binnen het plangebied. Er heeft geen specifiek onderzoek plaatsgevonden naar de infiltratiecapaciteit van de bodem. Oppervlaktewater

Vastgesteld

38

Voor het waterschap is de legger, samen met de keur, het instrument om te zorgen voor veilige dijken, droge voeten, voldoende en schoon water. De legger bestaat uit een set van kaarten. Daarop staat welke rivieren, beken, vennen en regenwaterbuffers, lijnvormige elementen, waterkeringen en kunstwerken (stuwen, sluisdeuren en kademuren) het waterschap in beheer heeft en waar ze liggen. De legger bevat ook een register waarin staat wie waar en waarvoor het onderhoud moet doen. Tot slot bevat de legger zones (zoneringen) voor toekomstige ontwikkelingen en bescherming van het watersysteem. Op de leggerkaarten van waterschap Aa en Maas is te zien dat binnen het plangebied geen oppervlaktewater ligt. Rond het plangebied zijn verschillende watergangen gelegen. Zo zijn er een Primaire watergangen (A-watergangen) ten noorden, oosten en westen van het plangebied gesitueerd. Op basis van de Keur mag binnen een zone van 5 meter van de insteek van de watergang met beschermingszone A niet zonder vergunning van het waterschap worden gebouwd. Het plangebied bevindt zich ruimschoots buiten deze zones. Een vergunning van het waterschap is derhalve niet benodigd. Grondwater Het plangebied is niet gelegen in een grondwaterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied, zoals vastgelegd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.

Waterschapsbelangen Het plangebied ligt niet in of nabij een gebied waarin waterschapsbelangen een rol spelen, zoals waterkering, waterberging of waterwinning. Hemelwater Bij toename van verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat de plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal uitgevoerd moeten worden wat betekent dat voorkomen moet worden dat als gevolg van de uitbreiding versneld op het watersysteem wordt geloosd. Voor lozingen op het oppervlaktewater eist de nieuwe Keur een vervangende berging (compensatie) die de extra afvoer neutraliseert. Volgens artikel 3.6 van de Keur is het verboden om zonder vergunning neerslag door toename van verhard oppervlak tot afvoer naar oppervlakte waterlichaam te laten komen. Volgens de algemene regels van de Keur 2015 kan hiervoor vrijstelling verleend worden indien de toename van het verhard oppervlak minder dan 500 m2 bedraagt. Indien het verhard oppervlak toeneemt met meer dan 500 m2 maar minder dan 10.000 m2 kan hiervoor vrijstelling verleend worden indien er compenserende maatregelen worden getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan. Bij een toename van meer dan 10.000 m2 verhard oppervlak zal maatwerk geleverd moeten worden.

Het waterschap stelt geen verdere eisen voor de verwerking van het hemelwater bij ontwikkelingen met een toename van het verhard oppervlak van minder dan 500 m², hiervoor geldt dan het gemeentelijk beleid. De gemeente Bernheze conformeert zich ten aanzien van de omgang met hemelwater in principe aan het beleid van het waterschap maar stelt dat een ontwikkeling te allen tijde hydrologisch neutraal dient plaats te vinden (HNO). De benodigde bergingscapaciteit is berekend uitgaande van een bui van 60 mm (eis waterschap Aa en Maas). Onderhavig plan resulteert in een verhard oppervlak van circa 890 m². Voor onderhavig plan betekent dat een watervolume van 890 m² * 0,06 mm = 53,4 m³ geborgen/geïnfiltreerd dient te worden. Het hemelwater wordt conform het beleid afgekoppeld van het rioleringsstelsel. Het is nog niet exact bekend hoe deze afkoppeling exact plaatsvindt. Dit kan door middel van een open dan wel een gesloten infiltratievoorziening worden gerealiseerd in de vorm van een vijver, verlaging in het erf (wadi) of bijvoorbeeld door een grindkoffer of -krat. Bij de aanvraag omgevingsvergunning dient initiatiefnemer aan te tonen dat zij voldoen aan de gestelde voorwaarden.

Vastgesteld

39

Afvalwater Voor de afvoer van het huishoudelijk afvalwater van de appartementen en de woningen zal een aansluiting gemaakt worden op het bestaand gemeentelijk rioleringsstelsel. De belasting op het bestaande riool van het huishoudelijk afvalwater van twee woningen en zes appartementen zal gering zijn. Er zijn derhalve geen aanpassingen noodzakelijk aan het bestaande riool. Waterkwaliteit Er zijn geen bijzondere maatregelen genomen om vervuiling van het oppervlaktewater te voorkomen. Overeenkomstig de eis van het waterschap worden in principe geen uitlogende materialen toegepast.

5.6 Kabels, leidingen en straalpaden Grotere kabels en leidingen krijgen in een bestemmingsplan veelal een planologische beschermingszone door middel van een dubbelbestemming. Hiermee wordt de bedrijfszekerheid en de veiligheid van de betreffende leiding gewaarborgd. Op basis van het vigerende bestemmingsplan is er geen sprake van een dergelijke dubbelbestemming in of in de nabijheid van het plangebied. Blijkens kaarten van Gasunie, TenneT en Brabant Water bevinden er zich in of in de nabijheid van het plangebied geen belangrijke (ondergrondse) leidingen. Een straalpad is een denkbeeldige lijn tussen twee bouwwerken ten behoeve van telecommunicatie. Binnen een straalpad dient rekening gehouden te worden met de maximale bouwhoogte voor zover dat het verboden is enig bouwwerk op de gronden te bouwen met een grotere hoogte dan de hoogte van een straalpad. Verspreid over Nederland staat een aantal militaire- en burgerradarstations. Deze dienen voor de beveiliging van het nationale luchtruim en over de veilige afhandeling van het militaire en het civiele luchtverkeer. Objecten hoger dan 65 m +NAP binnen 15 nautische mijl (circa 28 km) van dit radarstation kunnen aanleiding geven tot verstoring van het radarbeeld en kunnen derhalve niet worden toegestaan, tenzij uit onderzoek is gebleken dat de mate van verstoring aanvaardbaar is.

Hiervoor dient een radarverstoringsonderzoek te worden uitgevoerd. Het appartementencomplex en de woningen zijn nooit hoger dan 65 m +NAP. De maximale bouwhoogte van het appartementencomplex is vastgelegd op 10 meter. De maximale bouwhoogte van de halfvrijstaande woningen is vastgelegd op 10 meter. De locatie ligt op circa 10,8 m +NAP. De totale hoogte van de woning ligt daarom rond de 20,8 m +NAP. Een radarverstoringsonderzoek is om die reden niet noodzakelijk. Het appartementencomplex en de halfvrijstaande woningen hebben geen negatieve effecten op het radarbeeld.

5.7 Archeologie en cultuurhistorie 5.7.1 Archeologie Sinds 1 september 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg in werking getreden. De Wet op de Archeologische Monumentenzorg is de Nederlandse uitwerking van het Verdrag van Malta (1992). De wet is een raamwet die regelt hoe rijk, provincie en gemeente bij hun ruimtelijke plannen rekening moeten houden met het erfgoed in de bodem. Om te kunnen voldoen aan het gestelde in de Wet op de Archeologische Monumentenzorg dienen de gemeenten te beschikken over archeologiebeleid en een archeologische beleidskaart.

Vastgesteld

40

De nota archeologiebeleid van de gemeente Bernheze geeft het archeologiebeleid van de gemeente weer. In de nota wordt een toolkit aangereikt en dient daarmee vooral als een beslisdocument. De archeologische beleidskaart vormt de ruimtelijke verbeelding voor dit beleid. De waarden en verwachtingen op de beleidskaart zijn voorzien van archeologische beleidscategorieën die aangeven vanaf welke verstoringsoppervlakte en -diepte archeologisch vooronderzoek dient plaats te vinden. Op de archeologische beleidskaart is het plangebied gelegen in categorie 5, gebieden met een middelhoge archeologische verwachting. Deze verwachtingswaarde kent een onderzoeksplicht wanneer de bodem voor een oppervlakte van meer dan 2.500 m2 en dieper dan 0,4 m verstoord wordt. In het vigerende bestemmingsplan is dan ook de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’ aan de locatie toegekend.

Afbeelding 18. Uitsnede Archeologische beleidskaart van de gemeente Bernheze met het plangebied rood omrand

Deze ondergrens wordt met de herontwikkeling niet overschreden. Derhalve is thans geen archeologisch onderzoek uitgevoerd. Om de archeologische waarde echter te blijven borgen is de vigerende archeologische dubbelbestemming opnieuw voor het plangebied van toepassing verklaard. 5.7.2 Cultuurhistorie Op de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) van de provincie Brabant is te zien waar belangrijk Brabants erfgoed ligt. Dit erfgoed is belangrijk voor de regionale identiteit van de provincie. De CHW is in 2010 opgesteld en in 2016 herzien. Conform de CHW ligt het plangebied in de regio ‘Peelrand’. De Peelrand bestaat uit een ring van middeleeuwse dorpen op enige afstand van het voormalige veengebied van De Peel. Deze oude dorpen worden gekenmerkt door akkercomplexen, schaarse groenlanden en voormalige heidevelden. De heidevelden zijn in de negentiende en twintigste eeuw ontgonnen en grotendeels omgezet in landbouwgrond, waardoor er een waardevol mozaïek is ontstaan van oude en jonge ontginningen. Dragende structuren voor het gebied rondom Nistelrode en Heesch in de vorm van oude zandontginningen met akkercomplexen.

Vastgesteld

41

Met onderhavig initiatief is zowel sprake van herontwikkelen als van inbreiding. Aan ’t Dorp is sprake van het herontwikkelen van een oude en vervallen woning en aan de Binnenpas is sprake van het afronden van het bebouwingslint. Doordat de locatie aan alle zijden ligt ingeklemd tussen andere bebouwing worden de cultuurhistorische waarden van de regio niet belemmerd.

5.8 Verkeer en parkeren Het toevoegen of wijzigen van een functie heeft in veel gevallen een effect op het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen er optreden en of dit effect heeft op het wegverkeer en het parkeren. Verkeer Het appartementencomplex zal worden ontsloten via ’t Dorp. Voor het bepalen van de verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van de CROW-publicatie 317 ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’. Gekeken wordt naar centrum in een matig stedelijk gebied. De appartementen zullen 4,7 – 5,5 motorvoertuigen per appartement per etmaal genereren. In totaal worden zes appartementen opgericht. Het appartementencomplex zal in totaal 28,2 – 33 motorvoertuigen per etmaal genereren. Gezien het profiel van de weg zal deze de toename van het aantal verkeersbewegingen goed kunnen verwerken. De halfvrijstaande woningen zullen worden ontsloten middels de Binnenpas. De halfvrijstaande woningen zullen 6,9 – 7,7 motorvoertuigen per woning per etmaal genereren. De twee woningen zullen in totaal 13,8 – 15,4 motorvoertuigen per etmaal genereren. Gezien het profiel van de weg zal deze de geringe toename van het aantal verkeersbewegingen goed kunnen verwerken. Parkeren Om de nieuwe parkeerbehoefte te berekenen is gebruik gemaakt van de parkeernormen van de gemeente Bernheze.

De gemeente heeft haar parkeerbeleid vastgelegd in de ‘Parkeernormennota gemeente Bernheze’, d.d. juli 2015. Voor (eenpersoons)woningen met een oppervlakte van minder dan 60 m2 geldt een parkeernorm van 1,3 parkeerplaatsen. Voor grotere woningen, met een oppervlakte van meer dan 60 m2, geldt een parkeernorm van 1,8 parkeerplaatsen in het centrumgebied van Heesch. Van de zes te realiseren appartementen hebben er vijf een gebruiksoppervlakte van meer dan 60 m2. Dit betekent dat bij het appartementencomplex er (5 * 1,8) = 9 + 1,3 = 10,3, afgerond 11 parkeerplaatsen moeten worden gerealiseerd. Bij het appartementencomplex worden in totaal 12 parkeerplaatsen opgericht, hiermee wordt voldaan aan de parkeernorm. De gebruiksoppervlakte van de twee halfvrijstaande woningen overschrijdt eveneens de oppervlakte van 60 m2. Dit betekent dat per woning 1,8, afgerond 2 parkeerplaatsen moeten worden gerealiseerd. Bij de oostelijk gelegen woning worden op eigen terrein 2 parkeerplaatsen gerealiseerd. Bij de westelijk gelegen woning wordt op eigen 1 parkeerplaats gerealiseerd. Naast de achtertuin van de halfvrijstaande woningen wordt een loopverbinding gerealiseerd van de woningen naar het parkeerterrein van het appartementencomplex gerealiseerd. De extra parkeerplaats op het parkeerterrein wordt daarmee ingezet als de tweede parkeerplaats bij de westelijk gelegen woning.

Een toekomstig bewoner parkeert daarmee op het parkeerterrein en kan via de loopverbinding gemakkelijk naar zijn / haar woning lopen. Alle parkeerplaatsen worden daarmee op eigen terrein gerealiseerd, zoals het gemeentelijk parkeerbeleid voorschrijft.

Vastgesteld

42

Afbeelding 19. Situering parkeerplaatsen ten opzichte van de bebouwing

De wegbeplanting aan de Binnenpas is aangewezen als een monumentale boombeplanting. Om het effect van de nieuwe opritten en parkeerplaatsen van de twee te realiseren woningen op deze monumentale boombeplanting te onderzoeken is een boomeffectenanalyse7 uitgevoerd. Op basis van de uitgevoerde analyse wordt geen nadelige invloed verwacht bij de betrokken bomen. Om betreffende bomen te behouden luidt het advies om deze bomen bovengronds te beschermen tegen mechanische schade door graafmachines. Het toepassen van stambescherming en het voorkomen van bereiden van de wortelkluit is hier een voorwaarde voor uitvoering.

5.9 Volksgezondheid Het RIVM doet onderzoeken naar de effecten van veehouderijen op de gezondheid van omwonenden, veehouders, de gezinnen van veehouders en mensen die op de veehouderij werken. Dieren kunnen ziekteverwekkers bij zich dragen waar mensen ziek van kunnen worden zoals Q-koorts of Salmonella. Daarnaast kunnen fijnstof en endotoxinen (celwandbestanddelen van bepaalde bacteriën) gezondheidsproblemen veroorzaken. Ook kan het voorkomen dat mensen hinder ondervinden van de stank die afkomstig is van de mest uit de veehouderijen. In 2016 zijn de resultaten gepubliceerd van het onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO). In dit onderzoek is gekeken naar de gezondheidseffecten bij omwonenden van ziekteverwekkers en luchtverontreiniging afkomstig van veehouderijen. In 2017 is er een tweede rapport ‘Veehouderij en gezondheid omwonenden – aanvullende studies’ gepubliceerd. Daarin zijn nieuwe analyses gedaan om de eerdere resultaten nog eens extra bevestigd te krijgen.

7

Pius Floris, Boom Effect Analyse ’t Dorp 54 te Heesch, 4 maart 2021, kenmerk: 03P20103346

Vastgesteld

43

In de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 van 30 april 2018 is een stappenplan opgenomen om te beoordelen of er knelpunten worden gevonden voor een bestemmingsplan en of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. Dit stappenplan is voor het te realiseren plan doorlopen. 1.

2.

3.

4.

5.

Edotoxine (varkens- / pluimveehouderijen) Op basis van het ‘Endotoxine toetsingskader 1.0’ kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Het is van belang dat ter plaatse van de ontwikkeling sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden. De dichtstbijzijnde varkenshouderij is gelegen aan de Heikampstraat 15 in Oss. De fijnstofemissie voor dit bedrijf bedraagt PM10: 370 kg/jaar. Derhalve dient een afstand te worden aangehouden van 123 meter, de huidige afstand (hemelsbreed) is 1,59 kilometer. De dichtstbijzijnde pluimveehouderij is gelegen aan de Bosschebaan 27 in Heesch. De fijnstofemissie voor dit bedrijf bedraagt PM10: 3.027 kg/jaar. Derhalve dient een afstand te worden aangehouden van 176 meter, de huidige afstand (hemelsbreed) is 1,78 kilometer. Als gekeken wordt naar de afstanden dan ligt het plangebied buiten de endotoxine risicocontouren van pluimvee- en varkenshouderijen. Emissies Uit het VGO onderzoek komt naar voren dat diverse gezondheidseffecten gerelateerd lijken te zijn aan de blootstelling van omwonenden aan de emissie van fijnstof, micro-organismen en ammoniak (via de bijdrage aan secundair fijnstof) afkomstig van veehouderijen. Gekeken dient te worden of sprake is van een toename van deze emissies.

Onderhavig plan voorziet in het oprichten van een appartementencomplex en twee halfvrijstaande woningen. Het oprichten van de woningen leidt niet tot een toename van emissies van geur en/of fijnstof en/of ammoniak. Wijze waarop met overbelasting geur wordt omgegaan 3a. Wettelijke uitgangspunten Op grond van de Wet geurhinder veehouderij kan bij een ontwikkeling sprake zijn en blijven van een overbelaste geursituatie. Het uitgangspunt hierbij is dat er geen sprake is of blijft van een overbelaste situatie voor geur (voorgrond of achtergrond). De ontwikkeling vindt niet plaats in een gebied met een overbelaste geursituatie (zie paragraaf 5.2.6). Met het initiatief is daarnaast geen sprake van een toename van geuremissie. 3b. Gezondheidskundige uitgangspunten Naast een toets op de wettelijke aspecten kan ook gekozen worden voor een gezondheidskundige beoordeling ten aanzien van het aspect geur. Toetsing vindt dan plaats aan de door de GGD gehanteerde gezondheidskundige advieswaarde. De GGD hanteert het standpunt dat het onderzoek van Geelen et al. (2015). De op grond van het onderzoek van Geelen hierbij behorende geurbelasting is weliswaar niet juridisch houdbaar aangezien dit niet is opgekomen binnen het gemeentelijk beleid. Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat als gevolg van de geursituatie in het gebied.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Bernheze&id=4b64226b-bcc5-4c53-8d2b-d8aee44cc987