CConstaterende datBernheze
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting BP Langstraat 21 Nistelrode

Commissie Ruimtelijke Zaken 3 april 2024, gemeente BernhezeBij agendapunt: Bestemmingsplan 'Langstraat 21, Nistelrode'12.113 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Pagina 39 van 56

Figuur 4.7: Uitsnede Risicokaart [risicokaart.nl]

4.7

Bodem

Algemeen Bij functiewijzigingen is in de planologische procedure van belang dat de beoogde functiewijziging plaats kan vinden op een locatie waar de milieuhygiënische bodemgesteldheid dit toelaat. De Wet bodembescherming en de Bouwverordening staan niet toe dat er gebouwd wordt op verontreinigde grond. Toetsing Pagina 40 van 56

In de omgeving van het plangebied zijn geen bodem- of grondwaterbeschermingsgebieden aanwezig. Er hebben zich geen calamiteiten of activiteiten voorgedaan waardoor de bodem mogelijk verontreinigd is. De locatie kan derhalve als onverdacht aangemerkt worden. Het plan voorziet niet in de oprichting van nieuwe milieugevoelige objecten. Het betreft een functieverandering naar statische opslag, waar mensen gemiddeld minder dan 2 uur per dag verblijven. Er worden geen belemmeringen verwacht ten aanzien van het milieuhygiënische bodemgebruik en het beoogde gebruik ter plaatse. Rondom de huidige woning en de te slopen paardenstal is betonverharding aanwezig waarvan niet bekend is wat hieronder aanwezig is. Indien hieronder grond met ondefinieerbaar puin aanwezig is, moet hier een verkennend asbestonderzoek conform NEN 5707 uitgevoerd worden ter bepaling of er een asbestverontreiniging in aanwezig is. Ook kan bij aanwezigheid van puin niet uitgesloten worden dat er geen sterke verontreinigingen met onder andere zware metalen in de grond aanwezig zijn, waardoor de grond ook chemisch onderzocht dient te worden conform de NEN 5740. Beide onderzoeken dienen onder andere ter bepaling van aanwezige gezondheidsrisico’s bij blootstelling aan dit puin en ter bepaling of grondroerende werkzaamheden uitgevoerd gaan worden in een geval van ernstige bodemverontreiniging (>100 mg/kg d.s.

asbest aanwezig in de grond, of >25 m3 grond sterk verontreinigd boven de interventiewaarde van de parameters uit het standaardpakket A grond). Wanneer meer dan 50% (v/v) puin in de grond aanwezig is, spreekt men formeel gezien niet meer van bodem en valt dit daarom buiten het ‘bodemadvies’. Echter, de ODBN wil er wel op wijzen dat het verstandig is dan alsnog onderzoek uit te laten voeren (asbest in puin conform NEN 5897) om te bepalen of in het puin asbest aanwezig is ter bepaling van blootstellingsrisico’s als men ermee in aanraking komt. Conclusie Op basis van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat het aspect bodem geen belemmering vormt voor het onderhavige initiatief.

4.8

Bedrijven en milieuzonering

Algemeen In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het wenselijk dat er tussen verschillende functies en bestemmingen voldoende afstand wordt gerealiseerd. Dit om te waarborgen dat er tussen bedrijven en woningen geen onnodige hinder wordt veroorzaakt. In de ruimtelijke ordening wordt de VNG brochure Bedrijven en milieuzonering, gehanteerd als referentie voor de afstand die tussen de verschillende functies en activiteiten in acht dient te worden genomen. In de VNG brochure worden hiervoor indicatieve richtafstanden gegeven. Toetsing In de VNG publicatie (pagina 30) is vermeld: “Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd.”. Het is duidelijk dat de planlocatie onder deze definitie valt. Er is dan ook sprake van het Pagina 41 van 56

omgevingstype ‘gemengd gebied’, waardoor de richtafstanden met één afstandsstap verminderd mogen worden (met uitzondering van het aspect gevaar). Voor de functieverandering van de locatie moet worden beoordeeld of dit inpasbaar is binnen een aanvaardbaar woonklimaat voor de bestaande woningen in de omgeving. Op de planlocatie vestigt zich een caravanstalling. In de VNG brochure is hiervoor geen specifieke categorie opgenomen. Het bedrijf laat zich het best vergelijken met een ‘Opslaggebouwen (verhuur opslagruimte)’ (SBI-2008: 52109, nummer B). Met dien verstande dat een caravanstalling minder impact zal hebben aangezien de verkeersbewegingen op jaarbasis zeer beperkt zijn. Op basis van de VNG brochure wordt een dergelijk bedrijf aangemerkt als een categorie 2 bedrijf. De richtafstanden voor een dergelijk bedrijf bedragen 10, 0, 30 en 0 meter in verband met respectievelijk geur, stof, geluid en gevaar. Vanwege de ligging in ‘gemengd gebied’ mogen deze afstanden met één stap terug gebracht worden. Dit betekent dat de minimale afstand tot naast gelegen woonpercelen tenminste 10 meter dient te bedragen. In de omgeving van de locatie bevinden zich op meer dan 20 meter de meest nabij gelegen woonpercelen aan de Langstraat 19 en 25. De gevel van deze woningen ligt op minimaal 45 meter afstand van de bedrijfsbestemming.

Voor deze woningen vormt de ontwikkeling derhalve geen belemmering. Aan genoemde richtafstanden kan voldaan worden. Conclusie Milieuzonering vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.9

Waterhuishouding

Beleid Met betrekking tot de waterhuishouding zijn diverse beleidsstukken relevant. Genoemd kunnen worden: Waterbeheersplan Waterschap Aa en Maas, Nationaal Bestuursakkoord Water, de Europese Kaderrichtlijn Water, Waterbeleid in de 21e eeuw WB21, Beleidsbrief regenwater en riolering. Centraal in het waterbeleid is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. De waterhuishouding legt daarmee een ruimteclaim waaraan voldaan moet worden. Daarbij zijn de volgende strategieën leidend: • vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); • voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Sinds 1 november 2003 is de zogenaamde Watertoets verplicht. Dat wil zeggen dat in elk ruimtelijk plan gemotiveerd moet worden aangegeven hoe met het water in het gebied wordt omgegaan en wat de ruimtelijke veranderingen voor de waterhuishouding betekenen. Ook is het overleg met de waterbeheerder onderdeel van deze watertoets. Het advies van de waterbeheerder wordt als afzonderlijk schrijven bijgevoegd.

Pagina 42 van 56

Het plangebied valt onder het beheersgebied van het Waterschap Aa en Maas. Het beleid van het waterschap is gericht op duurzaam omgaan met water. Voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen hanteert het waterschap de volgende beleidsuitgangspunten om te komen tot het duurzaam omgaan met water: • scheiding van vuil water en schoon hemelwater; • doorlopen van afwegingsstappen ‘hergebruik-infiltratie-buffering-afvoer’; • hydrologisch neutraal ontwikkelen; • water als kans; • meervoudig ruimtegebruik; • voorkomen vervuiling; • wateroverlastvrij bestemmen; • waterschapsbelangen. Tevens dienen voor alle waterhuishoudkundige werken waarvoor op grond van de Keur ontheffing noodzakelijk is, dit aangevraagd te worden bij het waterschap. Waterbeheerplan Waterschap Aa en Maas Op 19 november 2021 is het nieuwe waterbeheerplan van waterschap Aa en Maas vastgesteld. In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 20222027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het plan geldt van 22 december 2021 tot en met 21 december 2027. Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende drie programma’s: 1. Waterveiligheid; Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas en het regionale watersysteem. 2.

Klimaatbestendig en gezond watersysteem; Het programma ‘Klimaatbestendig en gezond watersysteem’ draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch). 3. Schoon Water; In het programma ‘Schoon Water’ speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol. Voor bebouwde gebieden heeft het waterschap specifieke doelen geformuleerd. In bebouwd gebied werkt het waterschap toe naar een klimaatrobuust watersysteem waarin: - schoon water niet naar de zuivering gaat, maar het grondwater voedt; - de waterkwaliteit geen risico’s geeft voor de volksgezondheid en geschikt is voor een goede ontwikkeling van flora en fauna, maar ook voor recreatie en evenementen; - de kans op wateroverlast en problemen door droogte en hittestress acceptabel is; - de betrokkenheid en het waterbewustzijn van inwoners, bedrijven en andere stedelijke partners is toegenomen. Pagina 43 van 56

Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap: Keur, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen.

Waterhuishoudkundige situatie De planlocatie is gelegen in bodemtype Hn21 (veldpodzolgronden; leemarm en zwak lemig fijn zand met grondwatertrap IV. De gemiddeld hoogste grondwaterstand GHG bedraagt 4080 cm -mv. Rond de planlocatie is een stelsel van kavel- en bermsloten aanwezig. Ten zuiden van de locatie ligt een primaire watergang. De sloten wateren af naar de Groote Wetering. Bescherming van deze waterlopen wordt via de Legger en Keur van het Waterschap geregeld. Deze beschermingszones liggen niet op de gronden van de planlocatie.

Figuur 4.8: Leggerwatergang [Waterschap Aa en Maas]

Beoogde ruimtelijke ontwikkeling Het voorliggende plan ziet op een functieverandering binnen bestaande bebouwing. Hierbij wordt circa 279 m2 stal gesloopt en 1.610 m2 erfverharding verwijderd. Per saldo is er derhalve een afname van bijna 1.900 m2 aan verhard oppervlak op de locatie.

Pagina 44 van 56

Uitwerking uitgangspunten watertoets Scheiding van vuil water en schoon hemelwater De planlocatie is aangesloten op het drukrioleringstelsel. Hierop wordt het huishoudelijke afvalwater geloosd. Het schone hemelwater wordt afgekoppeld, dit mag niet geloosd worden op het rioleringstelsel. Daarmee wordt het vuile water en het schone hemelwater gescheiden. Afweging hergebruik-infiltratie-berging-afvoer Het hemelwater is afgekoppeld en spoelt af naar de tuin en aangrenzende eigen agrarische gronden. Het hemelwater wordt op die manier opgevangen, geïnfiltreerd en niet rechtstreeks geloosd op het watersysteem. Hiermee wordt bijgedragen aan het duurzaam omgaan met water, passend binnen de beleidsuitgangspunten van het Waterschap. Hydrologisch neutraal ontwikkelen Het waterschap heeft per 1 maart 2015 in de Keur, een nieuwe normering voor het gehele beheersgebied van het waterschap, die gehanteerd wordt voor alle watertoetsplichtige plannen. Hydrologisch neutraal ontwikkelen houdt in dat de oppervlaktewaterstand en – stroming gelijk blijft, de grondwaterstand en –stroming gelijk blijft en er geen onaanvaardbare wateroverlast plaatsvindt. Voor nieuwe ontwikkelingen geldt een vrijstellingen wanneer die ruimtelijke ontwikkeling minder dan 2.000 m2 bedraagt. Als dat het geval is worden er geen eisen aan retentie gesteld. In deze situatie is dat het geval.

Met de sloop en verwijdering van 1.880 m2 aan verharding is sprake van een hydrologisch positieve ontwikkeling. Er worden derhalve geen eisen aan retentie gesteld. Water als kans/meervoudig ruimtegebruik Niet aan de orde. Voorkomen van vervuiling Verder is van belang dat bij de uiteindelijke uitvoering van de bouwplannen aandacht besteed zal worden aan het materiaalgebruik. Dit ter bescherming van de bodem en het grond- en oppervlaktewatersysteem. Daarom zal zoveel mogelijk gebruik gemaakt worden van bouwmaterialen die niet uitlogen of uitspoelen. Wateroverlastvrij bestemmen Gezien de situering van het perceel en de grondwaterstanden valt het plangebied niet in een mogelijk overstromingsgebied. Wateroverlast is dan ook niet aannemelijk. Waterschapsbelangen Het plangebied valt niet binnen de beschermingszone van primaire watergang of andere beschermde gebieden. Overleg Waterschap Pagina 45 van 56

De waterparagraaf wordt normaliter in het kader van het vooroverleg voor advies en ter beoordeling voorgelegd aan het Waterschap Aa en Maas. Met behulp van de digitale watertoets is beoordeeld dat met het plan er geen belangen van het waterschap in het geding zijn. Het plan hoeft daarom niet voor advies voorgelegd te worden aan het waterschap.

4.10 Cultuurhistorie en archeologie Uit de Cultuurhistorische Waardenkaart 2006 van de provincie blijkt dat de locatie en directe omgeving geen bijzondere cultuurhistorische waarde heeft. Het plangebied zelf maakt geen deel uit van een gebied met bijzondere cultuurhistorische waarden. Alleen de Langstraat zelf wordt als historische geografische lijn aangeduid. Het vormt onderdeel van de ten westen van Nistelrode gesitueerde wegen met een begeleidende beplanting en aangrenzende houtwallen met hakhout van zomereik, daterend uit 1895-1920. Het plan heeft verder geen impact op de cultuurhistorische kenmerken van de omgeving. Uitvoering van het plan leidt dan ook niet tot aantasting van deze waarden.

Figuur 4.9: Cultuurhistorische waardenkaart [Provincie Noord-Brabant]

Pagina 46 van 56

De planlocatie heeft een middelhoge archeologische verwachtingswaarde. Per deelgebied gelden regels inzake bouwen en het roeren van de gronden. Deze zijn overgenomen in het bestemmingsplan Buitengebied door de dubbelbestemming: Waarde – archeologie 3. In het gedeelte met deze bestemming vinden geen nieuwe werkzaamheden plaats die leiden tot het roeren van de ondergrond. Er vinden geen graafwerkzaamheden dieper dan 40 cm plaats met een oppervlakte van meer dan 2500 m2. Er is sprake van een functieverandering binnen bestaande bebouwing. Een archeologisch onderzoek is daarmee niet noodzakelijk, omdat de ondergrond niet meer wordt verstoord. Voor het gehele gebied geldt de wettelijke zorgplicht en blijf de beschermende regeling uit het bestemmingsplan Buitengebied van kracht. Daarmee worden de archeologische belangen afdoende beschermd.

4.11 Verkeer en parkeren Het bestaande verkeersbeeld zal als gevolg van het plan niet wezenlijk veranderen. Een en ander is inpasbaar in de omgeving, waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande ontsluitingsroutes. Door de functieverandering zal er geen wezenlijke verandering optreden in het aantal verkeersbewegingen. Een caravanstalling is geen bedrijf met een grote verkeers- of publieksaantrekkende werking, er zal daarom geen sprake zijn van belemmeringen op het gebied van mobiliteit. Op de locatie zelf blijft voldoende manoeuvreerruimte voor het verkeer en parkeergelegenheid. Derhalve is er geen overlast naar de omgeving te verwachten of problemen voor de verkeersafwikkeling. Op grond van de CROW normen geldt voor arbeids- en bezoekersextensieve bedrijven in het buitengebied een parkeernorm van 0,8-1,3 parkeerplaats per 100 m2 bvo. Bij een bedrijfsoppervlakte van 800 m2 betekent dit het volgende: • 800 * 0,8-1,3 = 6,4-10,4 parkeerplaatsen. In dit geval kan uitgegaan worden van het minimale aantal parkeerplaatsen voor de bedrijfsfunctie, gelet op het karakter van een caravanstalling. Bezoekers komen slechts enkele keren per jaar voor het halen en brengen van de caravan en dit gebeurt altijd op afspraak. Parkeren vindt plaats op eigen terrein. Op het eigen perceel is voldoende ruimte beschikbaar voor een parkeervoorziening voor bezoekers.

4.12 Kabels en leidingen De omgeving is aangesloten op gangbare technische infrastructuur zoals nutsvoorzieningen (riolering, water, gas en elektra). De uitbreiding van het plangebied wordt aangesloten op de bestaande infrastructuur. Hiervoor hoeven geen structurele aanpassingen plaats te vinden. Pagina 47 van 56

In de omgeving van het plangebied zijn geen zakelijke rechtstroken in verband met de aanwezigheid van ondergrondse leidingen die planologische bescherming behoeven. Evenmin bevinden er zich binnen een afstand van 2 kilometer afstand van de locatie hoogspanningslijnen.

4.13 Volksgezondheid en veehouderijen Uit de VGO-rapporten die afgelopen jaren zijn gepubliceerd door het RIVM komt naar voren dat er een relatie wordt gevonden tussen veehouderijen en de gezondheid van omwonenden. Deze relatie is door de onderzoeker op verschillende manieren vastgesteld. Daarbij komt dichtheid van veehouderijbedrijven en afstand tot bepaalde type individuele veehouderijen concreet naar voren als factoren die van invloed zijn op de gezondheid van omwonenden. Verder blijkt uit VGO-onderzoek dat er in een straal van twee kilometer rond geitenhouderijen een verhoogde incidentie van longontstekingen (ca. 25-30% hoger) voorkomt. De oorzaak van het verhoogde risico op longontsteking rond geitenbedrijven is vooralsnog onbekend en onderwerp van vervolgonderzoek. Op dit moment kan er geen enkele bron-effect relatie worden beschreven tussen de verhoogde longontsteking incidentie en de uitstoot vanuit geitenhouderijen. Wel is er een causaal verband geconstateerd waarbij de associatie sterker is naarmate de afstand tot een geitenhouderij kleiner is. Tot er meer duidelijkheid is over de bron van de verhoogde incidentie longontstekingen kan niet worden geadviseerd over beschermde maatregelen. Afstand houden en goed informeren is de enige maatregel die de GGD op dit moment adviseert.

In afwachting van het vervolgonderzoek heeft de provincie besloten dat geitenstallen uitbreiden of in gebruik nemen niet meer is toegestaan. Het moratorium is in beginsel tijdelijk. Als de uitkomsten van het vervolgonderzoek bekend worden, wordt er gekeken of er redenen zijn het besluit in te trekken of aan te passen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het bevoegd gezag verplicht om alle bekende risico's bij een nieuwe ontwikkeling af te wegen. Er is geen sprake van een omgekeerde werking van het moratorium (met andere woorden de 'stop' op uitbreidingen van geitenbedrijven zorgt niet voor een stop op ontwikkelingen binnen de 2 km straal van een geitenhouderij), maar wel van een risico dat beoordeeld en meegewogen moet worden bij nieuwe ontwikkelingen. Het verantwoorden van dit verhoogde risico is aan het bevoegd gezag, in casu de gemeente. Deze geeft een oordeel over en maakt een afweging of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat (m.b.t. onder andere gezondheid & geitenhouderijen). Toetsing In dit geval is geen sprake van een ontwikkeling voor een nieuwe gevoelige bestemming. Het plan ziet op de beëindiging van een veehouderij die omgezet wordt naar een bestemming Bedrijf ten behoeve van statische opslag. De reeds bestaande bedrijfswoning blijft gehandhaafd.

Een dergelijke ontwikkeling leidt niet tot een verhoogd gezondheidsrisico of verslechtering van het leefklimaat. Pagina 48 van 56

4.14 Spuitzones gewasbeschermingsmiddelen In de omgeving van het plangebied zijn agrarische gronden gelegen. Op basis van het geldende bestemmingsplan is het niet uitgesloten om de gronden te gebruiken voor tuinbouw met open grondteelt, fruitteelt en/of bestaande boom- en sierteelt waarbij bestrijdingsmiddelen worden ingezet. Op basis van vaste jurisprudentie wordt een zone van 50 meter aangehouden ten opzichte van nieuwe milieugevoelige bestemmingen. Dit ter bescherming van bewoners zodat die niet worden blootgesteld aan drift van gewasbeschermingsmiddelen. Uitzondering hierop is het bestaande gebruik. Het bedrijfsperceel inclusief bedrijfswoning, ligt binnen deze 50 meter zone. In de bestemmingsplanpraktijk wordt in de regel een afstand van 50 meter tussen boomgaard en een gevoelig object, zoals een woning, in acht genomen. Bij deze afstand wordt ervan uitgegaan dat enerzijds de bedrijfsvoering van de fruitteler niet wordt belemmerd en anderzijds dat er geen nadelige effecten optreden voor de gezondheid van omwonenden. De belendende agrarische cultuurgronden rondom het plangebied zijn al lange tijd in gebruik voor de teelt van gras en andere reguliere akkerbouwgewassen en in eigendom van initiatiefnemer. Op de percelen heeft nooit boomteelt plaatsgevonden en de percelen zijn nooit gebruikt als boomgaard. Thans vindt er al jaren grasteelt plaats.

In alle redelijkheid zijn derhalve op beide percelen geen wijzigingen van het huidige agrarisch gebruik als grasland te verwachten binnen de planperiode van onderhavig bestemmingsplan. Het plan voorziet verder in een robuuste landschappelijke inpassing, die planologisch geborgd is. Dit zorgt voor een groene buffer tussen deze gronden en het bedrijfsperceel. Aangezien hier sprake is van een bestaande bedrijfswoning en het plan niet voorziet in nieuwe woningen of andere gevoelige bestemmingen, vormt het aspect spuitzones geen belemmering voor het plan.

4.15 M.e.r.-beoordeling Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt de milieugevolgen van een plan in beeld voordat er een besluit over wordt genomen. In een milieueffectrapport worden de gevolgen voor het milieu beschreven. Zo kan de overheid die het besluit neemt de milieugevolgen bij haar afwegingen betrekken. Het doel van m.e.r. is om het milieu een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over plannen en projecten. In een m.e.r.-beoordeling kijkt het bevoegd gezag of een project mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Als dat zo is, moet een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Voor sommige projecten is het vanwege de mogelijke impact op het milieu verplicht om een milieueffectrapport op te stellen. De milieueffectrapportage is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. De m.e.r.procedure is gekoppeld aan de 'moederprocedure'. Dit is de procedure op grond waarvan de Pagina 49 van 56

besluitvorming plaatsvindt, bijvoorbeeld omgevingsvergunningsprocedure.

de

bestemmingsplanprocedure,

of

een

De m.e.r.-plicht of beoordelingsplicht geldt als een activiteit in kolom 1 van onderdeel C of D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage staat en de bijbehorende drempelwaarde genoemd in kolom 2 van onderdeel C of D wordt overschreden. Indien dat het geval is, moet de milieueffectrapportage of m.e.r.-beoordelingsnotitie als bijlage aan deze aanvraag worden toegevoegd. In dit geval worden de nieuwe activiteiten vernoemd in de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage, maar worden de genoemde drempelwaarden niet overschreden. Dit betekent dat een vormvrije m.e.r.-beoordeling gemaakt moet worden. In deze toelichting van het bestemmingsplan zijn de gevolgen voor het milieu afdoende beschreven en beschouwd en blijken er geen belemmeringen te zijn.

Pagina 50 van 56

5. Uitvoerbaarheid 5.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

In het kader van de openbare voorbereidingsprocedure wordt het plan in procedure gebracht en is er voor eenieder de gelegenheid om kennis te nemen van het plan. In het kader van deze procedure bestaat er de mogelijkheid om op de plannen te reageren via de gangbare bezwaaren beroepsprocedures. Bij de voorbereiding van dit plan is niet gebleken dat er planologische of maatschappelijke belemmeringen zijn voor de realisering van dit plan.

5.2

Omgevingsdialoog

Voor het plan heeft een zogenaamde omgevingsdialoog plaatsgevonden op 27 april 2023 met belanghebbenden in de directe omgeving van de planlocatie. Dit betreft de aangrenzende adressen Langstraat 10, 17, 19, 25, 27 en 29. Al deze adressen zijn persoonlijk benaderd door initiatiefnemers en geïnformeerd over dit initiatief om de agrarische bestemming te wijzigen naar een bedrijfsbestemming ten behoeve van statische opslag. Door alle belanghebbenden is positief gereageerd op het initiatief. De omgevingsdialoog heeft dan ook niet geleid tot aanpassing van de planopzet. Tijdens de planvoorbereiding in 2023 is besloten om de beoogde camperplaats voor circa 15 campers niet in dit wijzigingsplan op te nemen, maar via een tijdelijke omgevingsvergunning mogelijk te maken. In de omgevingsdialoog van 2023 is dit niet expliciet vermeld in de communicatie met de omgeving. Daarom heeft op 14 februari 2024 initiatiefnemer opnieuw de omgeving benaderd en hen geïnformeerd over deze ontwikkeling. Daarbij zijn de adressen Langstraat 10, 19, 25, 27 en 29 persoonlijk benaderd. Door alle omwonenden is positief gereageerd op het initiatief. De omgevingsdialoog heeft dan ook niet geleid tot aanpassing van de planopzet. Van deze dialoog en de verkregen reacties, is verslag opgemaakt en met de betrokkenen gedeeld. Het verslag is als bijlage bijgevoegd.

5.3

Economische uitvoerbaarheid

Het plan zal geheel in particuliere handen uitgevoerd worden. Voor de gemeente zijn er geen financiële consequenties aan verbonden. Pagina 51 van 56

5.4

Grondexploitatie

Op grond van artikel 6.12 Wro is de gemeente verplicht een exploitatieplan vast te stellen bij bouwplannen, zoals vastgelegd in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Op grond van artikel 6.12, lid 2 Wro kan de gemeente besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden anderszins verzekerd is. Tussen gemeente en de initiatiefnemer is daartoe een zogenaamde anterieure overeenkomst inzake de grondexploitatie gesloten. In deze overeenkomst zijn bepalingen over onder meer de plankosten, grondexploitatie, landschappelijke inpassing, civieltechnische kosten en planschade tussen gemeente en initiatiefnemer opgenomen. Met deze overeenkomst is het verhaal van de kosten van grondexploitatie voldoende verzekerd en hoeft er geen exploitatieplan vastgesteld te worden.

5.5

Conclusie

Er is sprake van een uitvoerbaar plan omwille van de volgende redenen: • tussen gemeente en initiatiefnemer is een anterieure overeenkomst afgesloten, waarin bepaald is dat eventuele planschade voor rekening van initiatiefnemer komt; • de kosten voor uitvoering van het plan komen voor rekening van de initiatiefnemer; • de gronden waarop de bestemmingswijziging ziet zijn in eigendom van initiatiefnemer; • er is niets gebleken van reële financiële, planologische of maatschappelijke belemmeringen.

Pagina 52 van 56

6. Juridische toelichting 6.1

Aanleiding

Dit plan betreft een partiële herziening van het bestemmingsplan “Buitengebied” (en de daarna volgende herzieningen) van de gemeente Bernheze voor de locatie Langstraat 21 te Nistelrode. Aanleiding is de noodzaak om de herbestemming van deze locatie planologisch correct te regelen vanwege de functiewijziging. Dit houdt in dat met de beëindiging van de agrarische bedrijfsfunctie de aanduiding ‘agrarisch bedrijf’ wordt verwijderd, en de locatie van een passende herbestemming wordt voorzien.

6.2

Regels

De herbestemming voorziet in een bestemmingsregeling voor een bedrijfsbestemming voor statische opslag (zoals caravanstalling). De planregels bevatten regels met betrekking tot het bouwen en gebruiken van grond en gebouwen. Met de planregels wordt aangesloten op de regels van het vigerende bestemmingsplan Buitengebied van de gemeente Bernheze. Ten behoeve van de uitvoering en instandhouding van de beoogde sloop en landschappelijke inpassing is in de regels een voorwaardelijke bepaling opgenomen. Hiermee is dit planologisch geborgd.

6.3

Verbeelding

Op de verbeelding wordt de planlocatie voorzien van een bedrijfsbestemming voor een caravanstalling. Het agrarische bouwvlak van deze locatie komt daarmee te vervallen, alsmede de functie aanduiding ‘agrarisch bedrijf’. Het oorspronkelijke bouwvlak wordt in omvang verkleind tot een bij de bestemming passende omvang. Het resterende deel van het oorspronkelijk agrarisch bouwvlak dat niet wordt omgezet, behoudt de agrarische bestemming, maar dan zonder bouwmogelijkheden. Alle dubbelbestemmingen en aanduidingen uit het vigerende bestemmingsplan worden overgenomen en blijven van kracht.

Pagina 53 van 56

7. De procedure 7.1

Vooroverleg

In het kader van het wettelijk vooroverleg is het plan aangeboden aan de provincie NoordBrabant en het Waterschap Aa en Maas. Door provincie en waterschap is het plan akkoord bevonden. Daarbij zijn enkele kleine inhoudelijke opmerkingen gemaakt, die verwerkt zijn in dit plan.

7.2

Te volgen procedure

Het ontwerp bestemmingsplan is gedurende 6 weken ter inzage gelegd met bijbehorende stukken van 21 december 2023 tot en met 1 februari 2024. Gedurende de termijn van de ter inzage legging is eenieder de gelegenheid geboden een zienswijze in te dienen. Er zijn geen zienswijzen ingediend op dit plan.

Pagina 54 van 56

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Bernheze&id=a33848c7-e0ba-47e9-8fc9-84c1f301e308