CConstaterende datBernheze
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting BP Langstraat 21 Nistelrode

Commissie Ruimtelijke Zaken 3 april 2024, gemeente BernhezeBij agendapunt: Bestemmingsplan 'Langstraat 21, Nistelrode'12.113 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

GEMEENTE BERNHEZE

BESTEMMINGSPLAN BUITENGEBIED BERNHEZE, HERZIENING LANGSTRAAT 21 NISTELRODE TOELICHTING

BESTEMMINGSPLAN BUITENGEBIED BERNHEZE, HERZIENING LANGSTRAAT 21 NISTELRODE

Titel: toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied, Langstraat 21 Nistelrode’ IMRO NL.IMRO.1721.bp.langstraat21.NTR.VG01 Versie: vastgesteld door de raad Datum: 19 april 2024 Beknopte inhoud: herbestemming agrarische bedrijfslocatie naar een bestemming Bedrijf voor statische opslag

Inhoud 1.

2.

3.

4.

5.

Inleiding ......................................................................................................................................... 3

1.1

Aanleiding ............................................................................................................................. 3

1.2

Ligging en begrenzing plangebied ..................................................................................... 4

1.3

Vigerend bestemmingsplan................................................................................................. 5

Het plan ......................................................................................................................................... 7 2.1

De omgeving......................................................................................................................... 7

2.2

De bestaande situatie .......................................................................................................... 8

2.4

De beoogde ontwikkeling .................................................................................................... 9

Beleid ........................................................................................................................................... 13 3.1

Rijksbeleid ........................................................................................................................... 13

3.2

Provinciaal beleid ............................................................................................................... 13

3.3

Gemeentelijk beleid ............................................................................................................ 20

Omgevingsaspecten .................................................................................................................. 25 4.1

Flora en fauna .................................................................................................................... 25

4.2

Geluid .................................................................................................................................. 30

4.3

Geur ..................................................................................................................................... 30

4.4

Luchtkwaliteit...................................................................................................................... 33

4.6

Externe veiligheid ............................................................................................................... 35

4.7

Bodem.................................................................................................................................. 40

4.8

Bedrijven en milieuzonering.............................................................................................. 41

4.9

Waterhuishouding .............................................................................................................. 42

4.10

Cultuurhistorie en archeologie.......................................................................................... 46

4.11

Verkeer en parkeren ........................................................................................................... 47

4.12

Kabels en leidingen ............................................................................................................ 47

4.13

Volksgezondheid en veehouderijen .................................................................................. 48

4.14

Spuitzones gewasbeschermingsmiddelen ........................................................................ 49

4.15

M.e.r.-beoordeling .............................................................................................................. 49

Uitvoerbaarheid .......................................................................................................................... 51 Pagina 1 van 56

6.

7.

5.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid ................................................................................... 51

5.2

Omgevingsdialoog ............................................................................................................. 51

5.3

Economische uitvoerbaarheid ........................................................................................... 51

5.4

Grondexploitatie ................................................................................................................. 52

5.5

Conclusie ............................................................................................................................. 52

Juridische toelichting ................................................................................................................. 53 6.1

Aanleiding ........................................................................................................................... 53

6.2

Regels................................................................................................................................... 53

6.3

Verbeelding ......................................................................................................................... 53

De procedure .............................................................................................................................. 54 7.1

Vooroverleg ......................................................................................................................... 54

7.2

Te volgen procedure ........................................................................................................... 54

BIJLAGEN: Bijlage 1: Landschappelijke inpassingsplan en LIR berekening Bijlage 2: Te verwijderen bebouwing en erfverharding Bijlage 3: Verslag omgevingsdialoog Bijlage 4: Digitale watertoets

Pagina 2 van 56

1. Inleiding 1.1

Aanleiding

Initiatiefnemer is voornemens om de huidige agrarische bedrijfsbestemming van de locatie Langstraat 21 in Nistelrode om te zetten naar een bestemming Bedrijf ten behoeve van statische opslag. Tevens is er de wens om een camperplaats aan te leggen voor 15 campers en een mantelzorg woning voor de ouders te realiseren op het bouwperceel. Het vigerende bestemmingsplan Buitengebied biedt op deze locatie geen directe mogelijkheid voor de beoogde ontwikkeling. Dit betekent dat voor de wijziging van de functie het bestemmingsplan partieel herzien dient te worden. De gemeente Bernheze heeft bij brief van 15 februari 2023 aangegeven in principe medewerking te willen verlenen aan de functiewijziging van agrarisch naar Bedrijf. Aan deze medewerking zijn de volgende voorwaarden verbonden door de gemeente: - Het plan mag de belangen van derden niet onevenredig schaden. Daarnaast moet een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in de woning worden gegarandeerd. - De toelichting op het ruimtelijke plan gaat onder andere in op alle gevolgen van het plan voor de omgeving. - Enkel inpandige stalling/statische opslag is toegestaan. - Er is geen vestiging van solitaire bedrijven toegestaan. - Parkeren dient op eigen terrein plaats te vinden. - Nadere uitwerking van de vereiste kwaliteitsverbetering. - Behalve het bestaande achterhuis zijn geen nieuwe (vrijstaande) bijgebouwen meer toegelaten.

- Belanghebbenden moeten vroegtijdig worden betrokken en geïnformeerd bij het maken van het omgevingsplan (omgevingsdialoog). In deze toelichting wordt het plan nader uitgewerkt en gemotiveerd. Verder is aangegeven dat medewerking aan de camperplaats alleen mogelijk is voor een tijdelijke periode van 10 jaar. Voor de aanleg van de camperplaats bij de locatie wordt derhalve een tijdelijke omgevingsvergunning aangevraagd. Vanwege de tijdelijkheid wordt die omgevingsvergunning in een separate procedure via het traject van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) aangevraagd. De mantelzorg woning kan op basis van het regime van het Besluit omgevingsrecht (Bor) onder voorwaarden vergunningsvrij opgericht worden. Deze twee ontwikkelingen maken derhalve geen deel uit van de herziening van het bestemmingsplan. Voor het bieden van het totaalbeeld en de integrale benadering worden deze beide ontwikkelingen (tijdelijke camperplaats en mantelzorg) wel benoemd in de nieuwe situatie, maar maken geen deel uit van dit bestemmingsplan. De nadere ruimtelijke motivering en afweging voor deze twee ontwikkelingen worden bij de betreffende vergunningsaanvraag gemaakt. Pagina 3 van 56

1.2

Ligging en begrenzing plangebied

De planlocatie is gelegen in het buitengebied van de gemeente Bernheze, ten westen van de kern Nistelrode. De percelen zijn kadastraal bekend als gemeente Heesch sectie G, nummers 507 en 852. Deze hebben tezamen een oppervlak van 10.545 m2. Het betreffende bouwvlak waar deze herziening op ziet is kleiner, namelijk 8.290 m2.

Figuur 1.1: Situering plangebied [Topografische Dienst)

Pagina 4 van 56

Figuur 1.2: kadastrale situatie, bouwvlak rood omkaderd [Kadaster]

1.3

Vigerend bestemmingsplan

Voor het plangebied geldt het bestemmingsplan ‘Buitengebied Bernheze’ uit 2014, alsmede het bestemmingsplan ‘Vrijkomende Agrarische Bebouwing Bernheze 2018’ uit 2019 en de herziening hiervan uit 2020. Het plangebied heeft de bestemming ‘Agrarisch’ en is voorzien van een bouwvlak met de functieaanduiding ‘agrarisch bedrijf’. Het bouwvlak kent een omvang van 0,83 hectare en er is één bedrijfswoning toegestaan. Tevens geldt voor het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie 3’.

Pagina 5 van 56

Figuur 1.3: Uitsnede verbeelding bestemmingsplan Buitengebied Bernheze [ruimtelijkeplannen.nl]

Pagina 6 van 56

2. Het plan 2.1

De omgeving

Ruimtelijke hoofdstructuur: De planlocaties is gesitueerd in het buitengebied van de gemeente Bernheze. De bebouwde kom van Nistelrode ligt op een afstand van circa 2,5 kilometer van de locatie. De omgeving is een agrarisch cultuurlandschap. Geomorfologisch is de locatie gesitueerd op een dekzandrug in een dekzandlandschap (vlakte) dat ingeklemd ligt tussen de beekdalen van de Groote Wetering en de Leigraaf. Ruimtelijkvisueel heeft de omgeving een vrij open karakteristiek (van middenschalig niveau), met een vrij rationele verkavelingsstructuur (grote, rechthoekige kavels) en veelal verspreid gelegen bebouwing. De locatie sluit in oostelijke richting aan op de Loosbroekseweg, en via het stelsel van lokale ontsluitingswegen met een geringe verkeersintensiteit op de hoofdwegenstructuur.

Figuur 2.1: luchtfoto omgeving plangebied [google.nl]

Pagina 7 van 56

Functioneel: Het gebied is als ontginningsgebied oorspronkelijk vooral gericht op agrarische dynamiek. Tegelijkertijd is er een ontwikkeling waarneembaar waarbij steeds meer agrarische bedrijven de keuze maken om de bedrijfsvoering te stoppen. Dit betekent ook dat de agrarische dynamiek in dit gebied verandert en er ook ruimte ontstaat voor niet-agrarische functies, zeker op de locaties van de stoppende veehouderijen.

Figuur 2.2: ruimtelijk-functionele structuur omgeving plangebied [Topografische Dienst]

2.2

De bestaande situatie

Deze planlocatie is gesitueerd aan de Langstraat 21 in Nistelrode. Op deze locatie is van oudsher het agrarisch bedrijf van initiatiefnemer gevestigd geweest. De agrarische bedrijfsactiviteiten zijn een aantal jaren geleden gestaakt. Momenteel is er een caravanstalling en worden er hobbymatig paarden gehouden. Dit vindt plaats binnen de aanwezige bedrijfsbebouwing. Aan de oostzijde is nog een agrarisch perceel van ruim 2 hectare in eigendom, dat een agrarisch gebruik kent. Op het perceel is de volgende bebouwing aanwezig: 1. Bedrijfswoning met 270 m2 aanbouwen 2. Caravanstalling: 336 m2 3. Werkplaats/statische opslag: 426 m2 4. Paardenstal/hooiopslag: 279 m2 Naast de bedrijfswoning en bijbehorende bouwwerken is er dus nog ruim 1.000 m2 aan bedrijfsgebouwen aanwezig. Pagina 8 van 56

Aan de voorzijde bij de woning is een onoverdekte paardenrijbak van bijna 1.200 m2 (nummer 5).

Figuur 2.3: bestaande situatie

De bedrijfswoning wordt bewoond door de (schoon)ouders van initiatiefnemers, dit zijn de huidige bewoners van de locatie. Rondom de bedrijfswoning is een tuininrichting aanwezig. De bebouwing is grotendeels groen omkaderd op de perceelsgrenzen met een bossingel. De aangrenzende gronden zijn in gebruik als agrarisch cultuurland. De locatie ligt niet direct aan de weg en wordt ontsloten via een eigen oprit van circa 75 meter naar de Langstraat.

2.4

De beoogde ontwikkeling

Functioneel De nieuwe ontwikkeling op het bedrijf betreft de beëindiging van de agrarische functie van het bedrijf. Deze wordt omgezet naar een bedrijfsmatige functie voor statische opslag zoals voor de stalling van caravans. De bedrijfswoning wordt in gebruik genomen door initiatiefnemers. Pagina 9 van 56

Daarnaast is er het plan om (via een tijdelijke omgevingsvergunning) een camperplaats te realiseren voor circa 15 campers. Deze worden aangelegd op het terrein gedeelte waar voorheen de varkensstal en voervoorzieningen stonden. Deze zijn reeds verwijderd. Ten behoeve van de camperplaats wordt ook een sanitaire voorziening gerealiseerd binnen de aanwezige bebouwing, alsmede de benodigde leidingen voor elektra. Voor de ouders van initiatiefnemers (de huidige bewoners) wordt vergunningsvrij een mantelzorg voorziening gerealiseerd. Deze mantelzorgvoorziening wordt circa 100 m2 groot, en wordt gesitueerd op de noordoost zijde van het perceel, bij de huidige paardenbak (nr. 5). Deze beide ontwikkelingen maken echter geen deel uit van dit bestemmingsplan. Deze worden via een separate (tijdelijke) omgevingsvergunning aangevraagd. Bebouwing en inrichting In de nieuwe situatie wordt de paardenstal (nr. 4) gesloopt. Dit betreft circa 279 m2 aan bedrijfsbebouwing. Tevens wordt 1.610 m2 betonverharding verwijderd. De bedrijfswoning en de overige bedrijfsbebouwing blijft als zodanig gehandhaafd. De bestaande opstallen 2 en 3 worden in gebruik genomen voor statische opslag, totaal 762 m2. Een deel van de aanbouw van de bedrijfswoning (nr. 1) dient als ondersteuning van de bedrijfsfunctie (ontvangstruimte, serviceruimte).

In totaal is de bebouwde oppervlakte van de bedrijfsfunctie circa 880 m2 groot.

Figuur 2.4: te slopen bebouwing

Pagina 10 van 56

Dit houdt in dat het bouwvlak verkleind kan worden tot een omvang van circa 3.000 m2. De gedeeltes van het bouwvlak die komen te vervallen behouden de agrarische bestemming zonder verdere bouwmogelijkheden. Deze dienen voor agrarisch gebruik en landschappelijke inpasing.

Toekomstige camperplaats

Toekomstige mantelzorg

Bedrijf: statische opslag

Figuur 2.5: nieuwe situatie bouwvlak Landschappelijke inpassing

In de bestaande situatie is het perceel ingepast met een bossingel op de perceelsgrenzen. Deze singel bestaat uit een mix van bomen (Eik, Beuk, Els) en struiken (Lijsterbes, Hazelaar). Deze inpassing blijft behouden en wordt verder aangevuld. Verder wordt voorzien in de aanleg van een beukenhaag rond de resterende bedrijfsgebouwen. Dit ook als afscheiding naar de beoogde camperplaats. Op het zuidelijk deel van het perceel worden nieuwe bomen geplaatst om het perceel geheel groen in te kaderen. Aanleg en instandhouding van de landschappelijke inpassing wordt planologisch geborgd in de regels door middel van een voorwaardelijke bepaling. Het landschappelijk inpassingsplan is als bijlage bijgevoegd. Pagina 11 van 56

Toekomstige camperplaats

Toekomstige mantelzorg

Figuur 2.6: landschappelijke inpassing

Verkeer en parkeren De ontsluiting van de locatie blijft via de bestaande toegangsweg verlopen. Parkeren gebeurt op eigen terrein.

Pagina 12 van 56

3. Beleid 3.1

Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte De Structuurvisie bevat het ruimtelijk beleid van het Rijk. De structuurvisie is vastgesteld op 13 maart 2012. Hierin worden de ruimtelijke ambities voor Nederland geformuleerd voor de periode tot 2040, afgestemd op (inter)nationale ontwikkelingen die de ruimtelijke en mobiliteitsopgaven bepalen in die periode. Uitgangspunt voor het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid is de realisering van een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. Het plangebied maakt geen deel uit van gebieden waar Rijksbelangen op het gebied van ruimte en mobiliteit direct doorwerken. Het onderhavige bestemmingsplan heeft geen directe raakvlakken met het rijksbeleid en is daarmee dan ook niet in strijd. Ladder duurzame verstedelijking Naast de hoofddoelen uit de Structuurvisie wordt een zorgvuldig gebruik van de schaarse ruimte bevorderd. Hiervoor is een ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is opgenomen in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Dit houdt in dat voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen eerst moet worden gekeken of er vraag is naar een bepaalde nieuwe ontwikkeling. Vervolgens wordt er gekeken of het bestaande stedelijk gebied of bestaande bebouwing kan worden hergebruikt alvorens er sprake kan zijn van nieuw ruimtebeslag.

In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is opgenomen dat gemeenten en provincies verplicht zijn om in de toelichting van een ruimtelijk besluit de zogenaamde 'ladder voor duurzame verstedelijking' op te nemen, wanneer een ruimtelijk besluit een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt. De ladder duurzame verstedelijking is in deze niet van toepassing. Het betreft hier een ontwikkeling die passend is in het buitengebied op bestaande bouwpercelen. Door hergebruik van een bestaand bouwperceel in het buitengebied, wordt aangesloten op de uitgangspunten voor zuinig ruimtegebruik. Het plan leidt niet tot uitbreiding van ruimtebeslag.

3.2

Provinciaal beleid

Structuurvisie Ruimtelijke ordening Het provinciale ruimtelijke beleid is vastgelegd in de ‘Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2010, partiële herziening 2014’ (vastgesteld 2-7-2014). In de Structuurvisie wordt het provinciaal op hoofdlijnen weergegeven. Binnen de visie ligt de locatie in het gebied Gemengd Landelijk Gebied. Binnen het Gemengd Landelijk Gebied wordt gestreefd naar een gemengde plattelandseconomie, waar naast agrarische bedrijvigheid ruimte is voor andere functies als wonen, recreatie en andere vormen van bedrijvigheid.

Pagina 13 van 56

De beoogde ontwikkeling (beëindiging agrarisch bedrijf en herbestemming naar bedrijvigheid) past binnen de beleidsuitgangspunten van de Structuurvisie. De vertaling hiervan in concrete regels en voorwaarden vindt plaats in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant.

Figuur 3.1:

Structuurvisie Ruimtelijke Ordening, structurenkaart

Omgevingsvisie Noord-Brabant (2018) Door de komst van de Omgevingswet moeten gemeenten, provincies en rijk ieder een eigen Omgevingsvisie vaststellen. Veel verschillende regels en visies bepalen nu de kwaliteit van de Brabantse fysieke leefomgeving. Deze regels en visies zijn vastgelegd in verschillende plannen. Dat maakt het lastig om een goede afweging te maken over wat goed is voor die fysieke leefomgeving. Eén visie die al die losse regels en visies vervangt, maakt de afweging gemakkelijker, en geeft meer duidelijkheid over mogelijkheden en voor maatwerk. De Provincie Noord-Brabant heeft in december 2018 de Brabantse Omgevingsvisie vastgesteld met als doel antwoord te geven op de vraag hoe de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit zou moeten zien. En waar de provincie in 2030 tenminste moet staan om die lange termijndoelen van 2050 te halen. De visie benoemt daarbij een vijftal hoofdopgaven: • De basis op orde: veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit zijn van essentieel belang om goed te kunnen wonen, werken en leven in Brabant. • Brabantse energietransitie: om Brabant op termijn energieneutraal te maken moeten we minder energie gebruiken en meer duurzame energie op gaan wekken. Pagina 14 van 56

Klimaatproof Brabant: als gevolg van klimaatverandering krijgen we meer extremen in temperatuur en neerslag. Dit heeft gevolgen voor hoe we onze leefomgeving vormgeven. • Slimme netwerkstad: de manier waarop we ons verplaatsen verandert en Brabanders stellen andere eisen aan steden. Dit heeft gevolgen voor hoe het netwerk van steden en dorpen functioneert en verder vorm krijgt. • Concurrerende, duurzame economie: we willen top kennis- en innovatieregio blijven, waarbij we de omslag naar een verregaande circulaire economie maken en digitalisering steeds belangrijker wordt. De Omgevingsvisie krijgt een doorvertaling in een Omgevingsverordening en omgevingsprogramma’s. Tot die zijn vastgesteld blijven bestaande beleidsplannen voor natuur, ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer en milieu en water van kracht. •

Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant (2019) Naast één Omgevingsvisie moet de provincie ook één Omgevingsverordening vaststellen voor haar grondgebied. In de Omgevingsvisie staat beschreven wat de provincie wil bereiken en wat ze wil doen om dat te bereiken. Soms vraagt dat om een nadere uitwerking van beleid en maatregelen in een (beleids)programma, soms zijn er regels nodig om de ambities te realiseren. Als er regels nodig zijn dan worden die opgenomen in de Omgevingsverordening. Een verordening is een wet die regels bevat waaraan anderen zich moeten houden. Daarom wordt de verordening vastgesteld door Provinciale Staten. Net zoals de Omgevingswet een groot aantal wetten vervangt, zo vervangt de Brabantse omgevingsverordening een aantal provinciale verordeningen (zoals de provinciale Milieuverordening, de Verordening natuurbescherming en de Verordening ruimte). De omgevingsverordening bevat straks alle provinciale regels op het gebied van de fysieke leefomgeving. Dat betekent dat er regels in komen die vrijwel alle beleidsvelden van de provincie raken. Behalve regels bevat de omgevingsverordening ook omgevingswaarden. Dat zijn normen die voor de kwaliteit van de fysieke omgeving gelden. De Brabantse Omgevingsvisie, programma’s en Omgevingsverordening horen bij elkaar.

De verordening helpt bij het realiseren van de opgaven en doelen die in de visie en programma’s zijn opgenomen. Daarom stelt de provincie eerst de omgevingsvisie op. Daarna volgen een uitwerking van beleid en maatregelen in de programma’s en de Omgevingsverordening. Voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt de definitieve Brabantse Omgevingsverordening vastgesteld. Daarin worden zowel aanpassingen vanwege de Omgevingswet meegenomen, als ook beleidswijzigingen gebaseerd op programma’s. Vooruitlopend hierop is er een Interim Omgevingsverordening vastgesteld (25 oktober 2019, later meermaals gewijzigd en geactualiseerd). Deze Interim Omgevingsverordening is grotendeels een beleid neutrale omzetting van (onder meer) de Verordening ruimte NoordBrabant en de overige provinciale verordeningen.

Pagina 15 van 56

De Omgevingsverordening kent een aantal rechtstreeks werkende regels (zoals ten aanzien van de bescherming van grondwater, bodem, natuur, milieu, water). En er zijn instructieregels voor gemeenten, waaraan zij zich moeten houden bij het opstellen van nieuwe plannen of het toestaan van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Bij deze instructieregels geldt een aantal basisprincipes (artikel 3.5 t/m 3.9 van de IOV) die gehanteerd worden, uitgaande van een zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit: • Zorgvuldig ruimtegebruik; • Toepassing van de lagenbenadering; • Meerwaardecreatie; • Kwaliteitsverbetering landschap. Bij de beoordeling van ruimtelijke ontwikkelingen dient uitgegaan te worden van deze basisprincipes. De regels zijn vastgelegd in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. Een toets van het voorliggende plan aan de genoemde basisprincipes kan als volgt gemaakt worden. Zorgvuldig ruimtegebruik De ontwikkeling vindt plaats op een bestaand bouwperceel waar een functieverandering plaats vindt van een agrarische bedrijfsfunctie naar een niet-agrarische bedrijfsfunctie in de vorm van statische opslag (caravanstalling). Deze herbestemming vindt plaats op een kleiner ruimtebeslag dan wat het huidige bestemmingsplan aan bouwmogelijkheden biedt voor het hier gevestigde agrarische bedrijf.

De planontwikkeling ziet op sloop van een deel van de aanwezige bebouwing en hergebruik van bestaande bebouwing. Het bouwvlak wordt in omvang verkleind en leidt niet tot nieuw of uitbreiding van ruimtebeslag. Het oorspronkelijke agrarische bouwperceel van 0,83 hectare wordt verkleind naar een bedrijfsperceel van 0,3 hectare. Op deze wijze wordt invulling gegeven aan het basisprincipe van zorgvuldig ruimtegebruik. Toepassing van de lagenbenadering De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd. De lagenbenadering omvat de effecten op: a. de ondergrond, zoals de bodem, het grondwater en archeologische waarden; b. de netwerklaag, zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer. c. de bovenste laag zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu. In dit geval is toepassing van de lagenbenadering maar beperkt mogelijk. Er is sprake van een bestaand bouwperceel waar een functieverandering plaatsvindt.

Deze functieverandering leidt tot een extensivering van het gebruik, waardoor de impact op de ondergrond zeer beperkt is en niet toeneemt in vergelijking tot huidige planologische situatie. Een caravanstalling heeft een zeer beperkte impact op de netwerklaag. Het aantal verkeersbewegingen is namelijk zeer laag en weinig frequent. De bestaande wegenstructuur is hiertoe voldoende toegerust. De effecten van een caravanstalling op de bovenste laag is eveneens zeer beperkt. De ontwikkeling Pagina 16 van 56

vindt plaats op een bestaand bouwperceel, leidt tot vermindering van bebouwing, emissies en externe effecten. En de locatie is reeds voorzien van een goede landschappelijke inkadering met de bestaande singelbeplanting. Deze blijft behouden en wordt verder aangevuld. Iedere nieuwe ruimtelijke ontwikkeling dient bij te dragen aan de kwaliteitsverbetering van de omgeving. Dit is uitgewerkt in paragraaf 3.3 van deze toelichting aan de hand van de Regeling kwaliteitsverbetering. Meerwaardecreatie Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder: a. de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren waardoor er meerwaarde ontstaat; b. de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit, bedoeld in Artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap kan deel uitmaken van de meerwaardecreatie. In dit geval wordt de meerwaardecreatie gerealiseerd door een combinatie van economische en sociale aspecten. Dit door de locatie een nieuwe economische functie te geven, waarbij de jongere generatie het overneemt van de ouders in onderlinge samenhang.

Figuur 3.2: Uitsnede Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant: basiskaart Landelijk Gebied [Provincie NoordBrabant] Pagina 17 van 56

De planlocatie is gesitueerd binnen het Gemengd Landelijk Gebied. In het gemengd landelijk gebied bestaan mogelijkheden voor agrarische ontwikkelingen en andere aan het buitengebied gerelateerde functies. Er wordt gestreefd naar een gemengde plattelandseconomie. Daarnaast valt de locatie binnen het Stalderingsgebied en Bescherming Natura2000. Deze beide aanduidingen hebben betrekking op de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijen. Op deze locatie is dat niet van toepassing. Artikel 73, lid 1 van de IOV maakt de vestiging van een niet-agrarische functie op een

bestaand bouwperceel in het landelijk gebied mogelijk onder de volgende voorwaarden: a. de vestiging past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied waarbij de volgende aspecten zijn betrokken:

1. een gebiedsgerichte benadering welke activiteiten en functies passen in de omgeving; De vestiging van niet-agrarische functies past binnen de

ontwikkelingsrichting van het gebied. Er is sprake van een gemengd gebied

zoals in paragraaf 4.8 van deze toelichting nader gemotiveerd is. In dergelijke gebieden wordt, ook op basis van provinciaal beleid, gestreefd naar een

gemengde plattelandseconomie. In de bestaande situatie is in de omgeving van de planlocatie reeds sprake van menging van functies: agrarisch, bedrijven,

wonen. Met deze herbestemming wordt invulling gegeven aan een passende herbestemming van een stoppend agrarisch bedrijf. Ook het gemeentelijk

ruimtelijk beleid zoals vastgelegd in het VAB beleid voorziet in de mogelijkheid

om op deze locatie een niet-agrarische functie te vestigen. Hoewel niet gelegen

binnen een aangewezen ‘woonwerkontwikkelingsgebied’ acht de gemeente deze functieverandering op deze locatie in een gemengd gebied passend. Dit

vanwege het bestaande gemengde karakter van de omgeving en de zeer

beperkte ruimtelijke impact van het plan op de omgeving. Er is daarmee sprake van een passende herbestemming van een agrarische locatie in het gemengd landelijk gebied.

2. welke effecten de mogelijke ontwikkeling heeft op andere aspecten,

waaronder mobiliteit, agrarische ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand

elders; In deze toelichting zijn de andere aspecten onderzocht en beoordeeld.

Hieruit blijkt dat het plan ziet op een ontwikkeling met beperkte effecten op de mobiliteit welke passend is in het lokale verkeersbeeld. Het plan draagt bij aan de vitalisering van het platteland door een passende herbestemming te geven aan een stoppend agrarisch bedrijf in het buitengebied. Het plan heeft geen

beperkende of belemmerende effecten op andere (agrarische) bedrijven in de Pagina 18 van 56

omgeving. Voor de nadere onderbouwing hiervan wordt verwezen naar de betreffende paragrafen in deze toelichting.

3. hoe de vestiging bijdraagt aan het versterken van de omgevingskwaliteit,

waaronder een bijdrage aan de sloop van overtollig en leegstaand vastgoed in het Landelijk gebied; met de sloop van gebouwen en het verwijderen van verhardingen en de landschappelijke inpassing wordt bijgedragen aan de

ontstening van het buitengebied en de kwaliteitsverbetering van het landschap. b. er vindt geen splitsing plaats van het bouwperceel; dit is niet aan de orde. De

ontwikkeling vindt plaats op het bestaande bouwperceel en er vindt geen splitsing plaats.

c. overtollige bebouwing wordt gesloopt; de bestaande bedrijfsbebouwing wordt volledig

gesloopt. Dit betreft in totaal circa 279 m2 stal. Ook wordt alle overtollige erfverharding op het perceel verwijderd worden, totaal circa 1.600 m2.

d. de vestiging heeft geen betrekking op: 1. een kantoor met baliefunctie; 2. lawaaisport; 3. mestbewerking. Dit is niet aan de orde. Het plan voorziet niet in deze functies.

Artikel 73, lid 2 bepaalt dat het bestemmingsplan dat de vestiging mogelijk maakt, borgt dat de functie, ook op langere termijn, past binnen de ontwikkelingsrichting en stelt daartoe regels:

a. over een bij de omgeving passende omvang en publieksaantrekkende werking; b. welke specifieke gebruiksactiviteit is toegestaan; c. dat opslag en stalling plaatsvindt in gebouwen; d. dat de ontwikkeling verplaatst naar een passende locatie als deze niet langer past binnen de maximaal toegestane omvang.

Aan deze voorwaarde wordt invulling gegeven door het bestemmingsplan te voorzien van een passende planologische regeling qua bouwen en gebruik. In de regels wordt expliciet

opgenomen welke gebruiksactiviteiten zijn toegestaan en wordt de maximale omvang van de Pagina 19 van 56

bebouwing opgenomen. Ook wordt hierin geregeld dat opslag en stalling alleen in gebouwen mag plaatsvinden. Met de herbegrenzing van het bouwperceel worden de grenzen van de

nieuwe situatie planologisch geborgd. Verdere uitbreiding wordt met dit plan niet mogelijk gemaakt.

In artikel 3.73, lid 3 is bepaald dat als een binnen de omgeving passende omvang geldt voor: a. bedrijvigheid, dat deze kleinschalig is en past binnen een gemengde omgeving

waardoor het niet doelmatig is om deze te vestigen op een bedrijventerrein; Deze ontwikkeling past binnen het beoogde gemengde karakter van de omgeving. De kleinschaligheid en milieu-effecten naar de omgeving blijkt uit het toegestane

bedrijfstype (statische opslag) en de beperkte omvang van de bebouwing.

b. een detailhandelsvoorziening, een omvang van het verkoopvloeroppervlak van ten hoogste 200 m²; dit is niet aan de orde.

c. een voorziening ten dienste van vrije-tijd en zorg, een omvang van de bebouwing van ten hoogste 1 hectare. Dit is niet aan de orde.

Conclusie Geconcludeerd kan worden dat aan de voorwaarden uit de Interim Omgevingsverordening voldaan kan worden.

3.3

Gemeentelijk beleid

Structuurvisie Buitengebied De gemeente Bernheze beschikt over een Structuurvisie uit 2010. De Structuurvisie bestaat uit een Ruimtelijk Casco, met daarin de integrale lange termijn visie van de gemeente en uit een Uitvoeringsprogramma met projecten voor korte/middellange termijn. In het ruimtelijk casco ligt de planlocatie in het Open Landschap.

Pagina 20 van 56

Figuur 3.3:

Structuurvisie Bernheze, ruimtelijk casco

Het open landschap bestaat uit jonge ontginningen, kent een grootschalige, rationele verkaveling ten behoeve van de landbouw. Langs de wegen is plaatselijk opgaande beplanting aanwezig, maar verder wordt het gebied gekarakteriseerd door een grote mate van openheid. Hier is relatief weinig bebouwing los van de dorpen aanwezig. De grootschalige openheid voegt een kwaliteit toe aan het landschap en dient om die reden geconserveerd te worden. Verdichting van het landschap moet zoveel mogelijk worden voorkomen. Vrijkomende gronden, bij stoppende bedrijven, worden voornamelijk aangewend voor de groei van duurzame bedrijven met een goed toekomstperspectief. Groei staat ook synoniem voor Pagina 21 van 56

innovatie en duurzaamheid. Nieuwe landgebruiksvormen kunnen een plek krijgen, al dan niet in combinatie met verbreding van inkomsten uit nevenactiviteiten. Ontwikkelingen dienen hierbij wel te passen in de aanwezige grootschalige openheid van het gebied. Regeling Kwaliteitsverbetering In 2010 is de regeling ‘Kwaliteitsverbetering van het landschap’ uit de (toenmalige) Verordening ruimte in werking getreden. De Notitie toepassingsbereik vormt het basisdocument voor het afsprakenkader van de provincie met de gemeenten in de regio Brabant Noordoost. Deze notitie bevat de categorie-indeling voor de niet-planmatige ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied en de bijbehorende tegenprestatie. Basis voor de regeling is de indeling in 3 categorieën voor niet-planmatige ontwikkelingen in het buitengebied: 1. Ontwikkelingen met geen, verwaarloosbare of zeer geringe impact. 2. Ontwikkelingen met een beperkte impact. 3. De buitencategorie, ontwikkelingen met een grote impact. Analoog hieraan, kan ook de tegenprestatie worden ingedeeld: - Ontwikkelingen waarbij geen landschappelijke inpassing of tegenprestatie wordt geëist; - Ontwikkelingen waarbij een goede landschappelijke inpassing voldoende is. - Ontwikkelingen waarbij een forse kwaliteitsverbetering van het landschap vereist is.

In regionaal verband is afgesproken, dat hierbij gewerkt wordt met een forfaitair bedrag op basis van 20% van de grondwaardevermeerdering (bestemmingswinst). De wijziging van een agrarische bestemming naar een bedrijfsbestemming is in de regeling aangemerkt als een categorie 3 ontwikkeling. Dit betekent het volgende voor de planlocatie. Langstraat 21 Nistelrode Bestaand Agrarisch bouwvlak Nieuw Bedrijf statische opslag Agrarisch onbebouwd Waardestijging 20% bijdrage

Waarde/m2

Oppervlak

Bedrag

€20,-

9.296 m2

€185.920,-

€80,€5,50

2.946 m2 6.350 m2

€235.680,€34.925,€270.605.€84.685,€16.937,Pagina 22 van 56

Aan deze bijdrage voor kwaliteitsverbetering wordt als volgt voldaan: - Landschappelijke inpassing - Sloop van paardenstal en erfverharding. In de bijlagen is de verantwoording hiervoor opgenomen. Maatregel kwaliteitsverbetering Sloop paardenstal Verwijderen betonverharding Landschappelijke inpassing totaal

prestatie 279 m2 á €20,-/m2 1.610 m2 á €5,-/m2 Zie bijlage

Bedrag €6.975,€8.050,€4.823,€19.848,-

Met de landschappelijke inpassing en de sloop van de stallen/erfverharding wordt voldaan aan de gevraagde bijdrage voor kwaliteitsverbetering. Dit betekent dat voorzien moet worden in een goede landschappelijke inpassing, alsmede de borging ervan van uitvoering en beheer. Hiervoor is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld, waarvan de realisering geborgd is in de regels van het bestemmingsplan door middel van een voorwaardelijke bepaling. Het landschappelijk inpassingsplan is als bijlage bijgevoegd. Hetzelfde geldt voor de sloop van de paardenstal en verwijdering van de erfverharding.

VAB beleid Door de gemeenteraad van Bernheze is op 14 december 2017 de ‘Beleidsnotitie aanpak VAB Bernheze, Toe te passen beleidsregels’ vastgesteld. Hoofduitgangspunt voor de beleidsnotitie is het tegengaan van verrommeling van voormalige agrarische bedrijfslocaties in het buitengebied. In de gemeentelijke beleidsvisie wordt een drieledige aanpak voorgesteld: 1. Het opzetten van een sloopbonusregeling om sloop te stimuleren 2. Ruimere herbestemmingsmogelijkheden 3. Toepassen van tijdelijke vergunningen om uiteindelijk sloop te financieren. Het gemeentelijk VAB-beleid is juridisch verankerd in de bestemmingsplanregels van het parapluplan ‘Vrijkomende Agrarische Bebouwing Bernheze 2018’ uit 2019 en de herziening hiervan uit 2020. Dit bestemmingsplan is een herziening op het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied Bernheze’, waarbij de regels op enkele onderdelen zijn gewijzigd dan wel aangevuld. In het VAB beleid is opgenomen dat het omschakelen naar een agrarisch verwant- of nietagrarisch bedrijf mogelijk is als het bedrijf binnen de gebiedsaanduiding “Woonwerkontwikkelingsgebied” ligt. Dat is voor deze planlocatie niet het geval. In de beleidsnota is een maatwerk oplossing opgenomen. Hiermee is er de mogelijkheid om mee te werken aan ontwikkelingen die niet passen binnen de bestemmingsplanregels, bijvoorbeeld de ligging Pagina 23 van 56

buiten woonwerk- of recreatieontwikkelingsgebied. Dit kan dan alleen met een herziening van het bestemmingsplan voor deze situaties, met vaststelling door de Raad. Wel zal de ontwikkeling moeten passen binnen de regels van de Omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant. Aangezien de locatie niet in het woonwerkontwikkelingsgebied gesitueerd is, dient voor medewerking aan het plan een separate planprocedure doorlopen te worden. Middels dit bestemmingsplan wordt hierin voorzien.

Pagina 24 van 56

4. Omgevingsaspecten 4.1

Flora en fauna

Wet natuurbescherming De bescherming van de natuur (gebieden en soorten) is geregeld in de Wet natuurbescherming. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen aangewezen Vogel- en Habitatrichtlijngebieden of Natura2000 gebieden. Deze beschermde gebieden zijn op grote afstand gelegen van het plangebied. De meest nabij gelegen beschermde natuurgebieden zijn Natura2000 gebied Bossche Broek en de Kampina, beide op meer dan 15 kilometer afstand van de planlocatie. Gelet op de grote afstand tot de Natura2000 gebieden en de extensivering van de activiteiten die plaatsvinden met deze bestemmingsplan herziening, zijn er geen significante effecten te verwachten op deze beschermde gebieden. Het aantal verkeersbewegingen bij een caravanstalling zijn minder dan die bij een agrarisch bedrijf. De hiermee samenhangende emissie van stikstof zal dan ook lager zijn dan bij een agrarisch bedrijf. Andere effecten op Natura2000 gebieden (zoals betreding, versnippering, bemesting en dergelijke) zijn niet aan de orde gezien de grote afstand tot deze gebieden.

Pagina 25 van 56

Figuur 4.1: Situering t.o.v. Natura2000 gebieden [Synbiosys Alterra]

Het Natuur Netwerk Brabant (NNB) is een samenhangend netwerk van natuurgebieden en landbouwgebieden met natuurwaarden van (inter-)nationaal belang. Voorbeelden van dergelijke gebieden in Brabant zijn: de bossen, de heide en vennen, de stuifduinen, de schraalgraslanden en wateren zoals rivieren en beken. Het doel van het NNB-beleid is het veiligstellen van ecosystemen en het realiseren van leefgebieden met goede condities voor de biodiversiteit. Deze leefgebieden zijn belangrijk voor dier- en plantensoorten. Het Natuur Netwerk Brabant hangt samen met het Natuur Netwerk in de andere delen van Nederland en met het Europese net van natuurgebieden, bekend onder de naam Natura 2000. Het NNB bestaat uit: • bestaande natuur- en bosgebieden; • gerealiseerde nieuwe natuur. Dit zijn gronden die met subsidie uit het Natuurbeheerplan zijn gerealiseerd als nieuwe natuur en waar de landbouwfunctie of een andere nietnatuurbestemming is verdwenen; • nog niet gerealiseerde nieuwe natuur. Dit zijn meestal agrarische gronden die in het Natuurbeheerplan zijn aangewezen als nieuwe natuur, maar waar de gewenste natuurfunctie nog niet is gerealiseerd. De oude functie of bestemming is nog aanwezig; • ecologische verbindingszones.

Pagina 26 van 56

In de omgeving van de planlocaties is het beekdal van de Groote Wetering en enkele kleine houtopstanden onderdeel van het NNB. Daarnaast enkele groenstructuren die als ecologische verbindingszone functioneren.

Figuur 4.2: Situering t.o.v. Natuur Netwerk Brabant [Provincie Noord-Brabant]

Gezien de afstand tot deze gebieden en de aard van het plan, zijn er voor de beschermde gebieden geen significante negatieve effecten te verwachten als gevolg van het plan. Soortenbescherming De soortenbescherming is in Nederland geregeld in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende diersoorten en vaatplanten. Hiervoor geldt een algemene zorgplicht die inhoudt dat schade aan flora en fauna zoveel mogelijk voorkomen dient te worden. Op basis van deze wet geldt een ontheffingsregime. Toetsing Het voorliggende plan ziet op een functieverandering binnen bestaande bebouwing op een bestaand bouwperceel. Er wordt een paardenstal met open overkapping gesloopt. Deze stal is niet geschikt als verblijfplaats voor vogels of vleermuizen. Er zijn geen waarnemingen bekend dat deze als broedplaats voor uilen of andere vogels dient. Voor de daadwerkelijke sloop van de stal (buiten het broedseizoen van half maar tot half juli) zal dit nog bevestigd worden middels een visuele verkenning. Rondom de locatie en in de directe omgeving is veel beplanting aanwezig die dient als schuil- en rustplaats voor vogels. Voor vleermuizen is deze schuur niet geschikt vanwege het ontbreken van spouwmuren, het open karakter van deze schuur (tocht) en het licht doorlatende dak (zie foto’s hieronder). Pagina 27 van 56

De locatie heeft geen specifieke biotoop voor beschermde planten of dieren. Geconcludeerd kan worden dat de beoogde ontwikkeling geen significant negatief effect zal hebben op de natuurwaarden binnen het plangebied of directe omgeving. De natuur- en landschapswaarden worden positief versterkt door het verwijderen van verharding, de handhaving en aanvulling van bestaande erfbeplanting. Met de aanvulling van nieuwe landschapselementen op het terrein wordt bijgedragen aan versterking van de natuur- en landschapswaarden. Tevens geldt de algemene zorgplicht op grond van de Wet natuurbescherming.

Te slopen paardenstal

Pagina 28 van 56

Pagina 29 van 56

Conclusie Op basis van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat het aspect natuur geen belemmering vormt voor het onderhavige initiatief.

4.2

Geluid

Wet geluidhinder Voor het aspect geluid is binnen het plangebied de Wet geluidhinder van toepassing. De Wet geluidhinder kent voor weg- en railverkeer alsmede voor gezoneerde industrieterreinen voorkeursgrenswaarden op nieuwe bestemmingen. De Wet geluidhinder gaat uit van zones langs (spoor)wegen en zones bij industrieterreinen die aandachtsgebieden voor mogelijke geluidhinder begrenzen. Toetsing De geluidsbelasting op de gevels van nieuwe geluidgevoelige objecten mag in beginsel op grond van de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet overschrijden. Akoestisch onderzoek naar verkeerslawaai is noodzakelijk indien binnen de geluidzones van spoor- of verkeerswegen sprake is van projectie van geluidsgevoelige bebouwing zoals bijvoorbeeld woningen. Het plan ziet niet op de oprichting van een nieuw gevoelig object in de zin van de Wet geluidhinder beschouwd. De bestaande bedrijfswoning behoudt haar functie. De nieuwe bedrijfsactiviteiten zijn niet geluidgevoelig. Het betreft een vorm van statische opslag, waarbij mensen minder dan 2 uur per dag verblijven. Een akoestisch onderzoek op grond van de Wet geluidhinder is daarmee niet noodzakelijk. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat er akoestisch geen belemmeringen zijn voor de beoogde planontwikkeling.

4.3

Geur

Voor het aspect geur is van belang de wet en regelgeving van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). In de Wgv wordt onderscheid gemaakt tussen geurgevoelige objecten binnen en buiten de bebouwde kom, behorende bij een veehouderij of niet bij een veehouderij en gelegen in concentratiegebieden of niet-concentratiegebieden zoals gedefinieerd in de Meststoffenwet. De geuremissie van de dierverblijven dient overeenkomstig de Wgv echter individueel benaderd te worden. Bij de beoordeling van de aanvraag omgevingsvergunning dient de geurbelasting op omliggende burgerwoningen niet hoger te zijn dan de hiervoor geldende normen, de normen kunnen per gemeente verschillend zijn, dit is vastgesteld middels een gemeentelijke geurverordening, danwel rechtsreeks voortkomend uit artikel 3 van de Wgv. Pagina 30 van 56

Voor de verspreidingsberekeningen wordt gebruik gemaakt van het verspreidingsmodel Vstacks vergunning. V-stacks vergunning is een computerprogramma voor het berekenen van geur rond dierenverblijven. Aan de hand van V-stacks vergunning wordt de geurbelasting berekend en getoetst. Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv). Voor dieren zonder geuremissiefactoren gelden minimaal aan te houden afstanden (50 meter in het buitengebied). De gemeente Bernheze beschikt over een eigen geurverordening, waarin gewijzigde normen zijn opgenomen en is gelegen in een mest concentratiegebied. Voor de direct omliggende woningen zijn de normen gewijzigd ten opzichte van de landelijke regelgeving en bijgesteld van 14,0 naar 10.0 ouE/m3. De vraag is het plan leidt tot beperkingen voor omliggende veehouderijen en of ter plaatse van de planlocatie sprake is van een aanvaardbaar leefklimaat. Toetsing De functieverandering van agrarische bedrijfsfunctie naar een bedrijfsfunctie, leidt niet tot beperkingen voor omliggende veehouderijen. De bestaande bedrijfswoning blijft als (voormalige) bedrijfswoning dezelfde bescherming genieten. De minimaal benodigde afstand van 50 meter ten opzichte van andere veehouderijen wordt in deze situatie gehaald.

De bestaande bedrijfswoning ligt op meer dan 100 meter afstand van de veehouderijen aan de Langstraat 8 en Langstraat 15.

Pagina 31 van 56

Figuur 4.3: veehouderijen in de omgeving Wat betreft het aspect aanvaardbaar leefklimaat is van belang dat er geen sprake is van een nieuw geurgevoelig object. De bedrijfsactiviteiten ter plaatse in de vorm van statische opslag worden niet als zodanig aangemerkt, hier verblijven mensen minder dan 2 uur per dag. Wanneer naar de achtergrondbelasting gekeken wordt (atlas.odzob.nl, juni 2023) is zichtbaar dat de kwaliteit van de leefomgeving slecht is ter hoogte van het bestaande woonhuis (28-35 OU). Volgens de ‘Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder gemeente Bernheze 2013’ is bij een dergelijke achtergrond belasting van geur, geen sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat (>20 OU). In dit geval is sprake van een voormalige agrarische bedrijfswoning bij een veehouderij. De functie als bedrijfswoning blijft gehandhaafd. Aangezien sprake is van een bestaande situatie die redelijkerwijs niet veranderd kan worden, wordt dit als een aanvaardbare situatie voor het leefklimaat beschouwd. Initiatiefnemers zijn hiervan op de hoogte en accepteren deze situatie. Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering. Pagina 32 van 56

Figuur 4.4: achtergrondbelasting geur (ODZOB, juni 2023)

4.4

Luchtkwaliteit

Wet luchtkwaliteit De ‘Wet luchtkwaliteit’ voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Een project draagt ‘niet in betekende mate’ bij aan de luchtverontreiniging als de 3% grens niet wordt overschreden. De grens is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 µg/m3 voor zowel PM10 als NO2. Pagina 33 van 56

Toetsing Uit de Atlas voor de leefomgeving van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) blijkt dat in 2020 in de omgeving de concentratie fijnstof (PM10) tussen 16 en 18 µg/m³ bedraagt, en de concentratie stikstofdioxide (NO2) tussen 10 en 12 µg/m³. In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 en NO2 40 µg/m³. De waarden ter plaatse liggen ver onder de grenswaarde van 40 µg/m3 . De planologische sanering van de veehouderij en de herbestemming naar een bedrijfsfunctie voor statische opslag is in het kader van de Wet luchtkwaliteit geen probleem. Met de beoogde omschakeling neemt de fijnstofemissie vanuit de locatie af. Het initiatief draagt niet in betekende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.

Figuur 4.5: Grootschalige Concentratiekaart fijn stof 2020 (Atlas leefomgeving)

Pagina 34 van 56

Figuur 4.6: Grootschalige Concentratiekaart NO2 2020 (Atlas leefomgeving)

Conclusie Op basis van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat zowel vanuit de Wet milieubeheer als vanuit een goede ruimtelijke ordening de luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor het onderhavige initiatief.

4.6

Externe veiligheid

Algemeen Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn: - Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). - Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). - Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Pagina 35 van 56

Risiconormering Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit en kent geen vaste norm, maar een oriëntatiewaarde (= ‘1’). Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente).

Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde de veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn.

Pagina 36 van 56

Tabel: wanneer verantwoording groepsrisico Beleidsvisie externe veiligheid Door de gemeente Bernheze is een beleidsvisie externe veiligheid opgesteld met als doel het verduidelijken en nader invullen van het beleidsthema externe veiligheid. Zij doet dit door middel van het afbakenen van het beleidsveld externe veiligheid, het inzichtelijk maken van knelpunten, het inzichtelijk maken van wettelijke eisen en ambities van de gemeente, de toedeling van verantwoordelijkheden tussen verschillende actoren en het inschatten van de toekomstige ontwikkelingen en de omvang van het gemeentelijke takenpakket. De ambitie is het streven naar het optimaliseren van externe veiligheid in de gemeente. Overige wet- en regelgeving Tot slot wordt in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening ‘(art. 3.1 Wro) getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit, Barro, effectafstanden uit de ‘Circulaire effectafstanden LPG-tankstations’, enz. Toetsing Volgens de Risicokaart van de provincie bevinden zich in de directe omgeving van de locatie objecten of terreinen met een extern veiligheidsrisico. Op circa 3500 meter afstand van het plangebied ligt het Basisnet-wegtraject A50 (knooppunt Paalgraven- afrit 14 (Zeeland), wegvak B80). Over deze weg worden onder andere gevaarlijke stoffen uit de stofcategorie GT4 vervoerd.

GT4 heeft een invloedsgebied van >4000 meter. Omdat het plangebied niet binnen 200 meter van de transportroute ligt, kan er worden volstaan met een beperkte verantwoording voor het scenario toxisch. Een beperkte verantwoording van het groepsrisico gaat in op de zelfredzaamheid van personen binnen het Pagina 37 van 56

plangebied bij een calamiteit en de mogelijkheden tot het bestrijden van de gevolgen van een calamiteit binnen het plangebied. In samenwerking met de Veiligheidsregio Brabant-Noord is een standaard verantwoording groepsrisico (beperkt) toxisch opgesteld. Deze is hieronder toegevoegd om het scenario toxisch te verantwoorden. In de omgeving van de locatie zijn verder geen inrichtingen die vallen onder de werkingssfeer van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI). Het plangebied valt niet binnen de plaatsgebonden risico contour van gevaarlijke installaties of inrichtingen en in het plan worden geen nieuwe risicobronnen mogelijk gemaakt. Deze bevinden zich op meer dan 500 meter van de planlocatie. Verder ligt ten westen van de planlocatie een leidingentracé van de Gasunie op meer dan 600 meter afstand. Het plan zelf leidt niet tot de realisering van nieuwe risicobronnen die gevaar opleveren of de veiligheid van de omgeving aantasten. Ook is er geen sprake van nieuwe risicogevoelige objecten zoals woningen. De feitelijke situatie van de bedrijfswoning blijft namelijk ongewijzigd en er is geen toename van kwetsbare objecten of personen.

Verantwoording groepsrisico Verantwoording groepsrisico (beperkt) toxisch Vanwege de ligging van de planlocatie in het invloedsgebied van een risicobron waarvan een toxische wolk het maatgevende scenario is, dient een beperkte verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. Hierbij is de Veiligheidsregio Brabant Noord om advies gevraagd. Het advies is verwerkt in de verantwoording. Scenario(‘s) Het relevante scenario voor het plangebied in relatie tot het transport van gevaarlijke stoffen is het overdrijven van een toxische wolk. Door bijvoorbeeld een incident tijdens de verlading of door een mechanische impact op de tank ontstaat een gat waardoor in korte tijd een groot deel van de toxische stof vrijkomt en met de wind mee wordt verspreid. De kans op een dergelijk ongeval is bijzonder klein. De gevolgen voor personen zijn afhankelijk van de concentratie en blootstellingstijd aan de stof. Mogelijkheden tot bestrijdbaarheid van een calamiteit Bij het scenario toxische wolk zal de brandweer proberen de toxische wolk neer te slaan. Bij een snelle verspreiding van de toxische wolk zal dit echter beperkt effect hebben. De bestrijdbaarheid wordt om deze reden als matig beoordeeld. De mogelijkheden tot zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar.

Het zelfredzame vermogen van personen is een belangrijke voorwaarde om grote aantallen slachtoffers bij een incident te voorkomen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen binnen bebouwing en ontvluchten van het plangebied. Mogelijkheden zelfredzaamheid Pagina 38 van 56

De mogelijkheden ten aanzien van de zelfredzaamheid zijn goed. Er worden geen niet- of verminderd zelfredzame mensen in het plangebied gehuisvest. De aanwezigen zijn normaal gesproken in staat om zelfstandig, conform instructies bijvoorbeeld via NL-Alert, te reageren. Het aantal mensen in het plangebied is beperkt. Is het gebied voldoende ingericht om de zelfredzaamheid te kunnen faciliteren? Behalve de vraag of zelfredding mogelijk is, zijn de fysieke eigenschappen van gebouwen en omgeving van invloed op de vraag of die zelfredding optimaal kan plaatsvinden. Vanuit de hierboven geschetste mogelijkheden is het dus van belang, dat (in) het plangebied: - goed te alarmeren is. - goed te schuilen is. - goed te ontvluchten is. Alarmering In geval van een calamiteit zal NL-Alert worden ingezet. NL-Alert is een aanvullend alarmmiddel van de overheid voor de mobiele telefoon. Met NL-Alert kan de overheid mensen in de directe omgeving van een noodsituatie met een tekstbericht informeren. In het bericht staat specifiek wat er aan de hand is en wat je op dat moment het beste kunt doen. Schuilmogelijkheden Schuilen in de afgesloten bebouwing zal in beginsel de beste manier zijn om de calamiteit met het scenario toxische wolk te overleven. Schuilen voor een toxische wolk is mogelijk binnen de bebouwing op de planlocatie.

Om veilig schuilen binnen de bebouwing mogelijk te maken, dient de bebouwing aan bepaalde veiligheidseisen te voldoen. Als gevolg van energieprestatie-eisen zijn nieuwe woningen goed geïsoleerd en bieden daarom een goede bescherming. Eventuele aanwezige ventilatieopeningen moeten afgesloten kunnen worden. Vluchtmogelijkheden Mocht vluchten noodzakelijk zijn, dan is het plangebied naar meerdere zijden te ontvluchten. Ontvluchten kan in alle gevallen van de risicobron af. Conclusie Er bestaat vanuit extern veiligheidsoogpunt geen bezwaar tegen de gewenste ontwikkeling. Er is geen reden voor nader advies. De Veiligheidsregio Brabant Noord ziet geen reden tot het geven van een nader advies ten aanzien van de zelfredzaamheid van personen binnen het plangebied en de bestrijdbaarheid van een ramp op de wegen. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat externe veiligheid geen belemmering vormt voor het plan. Een verdere uitwerking van de veiligheidsparagraaf is dan ook niet noodzakelijk.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Bernheze&id=a33848c7-e0ba-47e9-8fc9-84c1f301e308