Toelichting bestemmingsplan Gouverneursweg 3a Heeswijk-Dinther
Tekst van het document
Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende voor een goed woon- en leefklimaat. Conclusie Met onderhavig plan is sprake van een voormalige melkveehouderij. De initiatiefnemer wenst het perceel te herontwikkelen. In de nieuwe situatie worden acht woon-zorgunits gerealiseerd met ondergeschikt daaraan het hobbymatig houden van 26 stuks jong(vlees)vee en het oprichten van twee B&B’s met een gemeenschappelijke ruimte/ontbijt waar de bezoekers van de bewoners van de woningen gebruik van zullen maken. Dit betekent dat het initiatief ‘niet in betekende mate’ bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Het plan leidt enkel tot een verbetering van de luchtkwaliteit en het woon- en
64
leefklimaat ter plaatse en in de omgeving. Het uitvoeren van een luchtkwaliteitsonderzoek op deze locatie is dan ook niet aan de orde.
4.1.5
Geur
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) en het Activiteiten besluit milieubeheer vormen het toetsingskader bij vergunningverlening voor geur veroorzaakt door dierenverblijven van veehouderijen. Indirect hebben de Wgv en het Activiteitenbesluit ook consequenties voor de ruimtelijke ordening, dit wordt wel de omgekeerde werking genoemd. Van belang is dat door ontwikkelingen in het voorliggende plan geen belemmeringen ontstaan voor de omliggende (agrarische) bedrijven en de bedrijfsontwikkeling van deze bedrijven. Bij het beoordelen van het aspect geur zijn twee vragen van belang: 1. Worden omliggende bestaande agrarische bedrijven als gevolge van voorgenomen nieuwe ontwikkelingen gehinderd in hun bedrijfsvoering? 2. Is en blijft er sprake van een goed woon- en leefklimaat? De Wgv bevat een aantal standaardnormen. In artikel 3 van de Wet geurhinder en veehouderij is de volgende regel gesteld. In afwijking van het eerste lid bedraagt de afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object dat onderdeel uitmaakt van een andere veehouderij, of dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij: a.
ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en b. ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. De gemeenten zijn vrij om binnen een wettelijk bepaalde bandbreedte van deze standaardnormen af te wijken door zelf een geurbeleid vast te stellen, dat is afgestemd op de plaatselijke situatie. De gemeente Bernheze heeft de Verordening Geurhinder en Veehouderij gemeente Bernheze 2013 vastgesteld. Hierin is in artikel 4 een andere waarde voor de vaste afstanden opgenomen. Op grond van artikel 6, lid 3 van de Wet en in afwijking van artikel 4, lid 1 van de Wet, bedraagt de afstand tussen een geurgevoelig object en een 65
veehouderij waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor op grond van de Wet geen geuremissiefactor is vastgesteld: 1. ten minste 50 meter indien het geurgevoelig object is gelegen binnen de bebouwde kom als bedoeld in de Wet en is gelegen binnen het gebied dat is aangeduid op de bij deze verordening behorende kaart ‘Kaart B halvering vaste afstanden’. 2. ten minste 25 meter indien het geurgevoelig object is gelegen buiten de bebouwde kommen als bedoeld in de Wet en is gelegen binnen het gebied dat is aangeduid op de bij deze verordening behorende kaart ‘Kaart B halvering vaste afstanden’. Figuur 14
Uitsnede Kaart B: halvering vaste afstanden verordening 2013.
Omliggende agrarische bedrijven Onderhavige locatie is gelegen buiten de bebouwde kom en binnen het gebied dat is aangeduid op de bij de verordening behorende kaart ‘Kaart B halvering vaste afstanden’. Om deze reden geldt een vaste afstand van 25 meter. Aan de Gourverneursweg 8, 8a is een agrarisch bedrijf gelegen. De afstand van het bouwvlak van de planlocatie tot het bouwvlak van dit agrarisch bedrijf bedraagt circa 280 meter. Hiermee wordt ten alle tijden voldaan aan de richtafstand voor geur van 25 meter. Aan de Gouverneursweg 1c is een rundveebedrijf gelegen. Ook hier geldt dat deze op ruim voldoende afstand (circa 380 meter) ligt ten opzicht van de planlocatie. De overige agrarische 66
bedrijven in de omgeving liggen op meer dan 370 meter ten opzichte van de planlocatie. Hiermee wordt aan de richtafstanden voor geur van 25 meter ruimschoots voldaan. De wijziging naar een maatschappelijke bestemming zal aldus niet belemmerend zijn voor de omliggende agrarische bedrijven. Goed woon en leefklimaat Voor de beantwoording van vraag twee, dat er sprake is van een goed woonen leefklimaat, is kaart 2 Beoordeling leefklimaat op basis van de achtergrondbelasting geraadpleegd. Op deze kaart is af te lezen dat de planlocatie ligt in een gebied dat is geclassificeerd als ‘goed’. Met onderhavig plan komt het melkveehouderijbedrijf op de locatie te vervallen. Hiervoor in de plaats worden 8 woon-zorgunits met 2 B&B’s gerealiseerd. Dit komt het woon- en leefklimaat op het betreffende perceel en in de omgeving ten goede. Conclusie \Voldaan wordt aan de normen en afstanden uit de Wet geurhinder en veehouderij en de Verordening geurhinder van de gemeente Bernheze. Het geuraspect vormt geen belemmering voor de voortgang van het plan. Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Figuur 15
Uitsnede Kaart achtergrondbelasti ng ODZOB, maart 2022. Locatie is rood omcirkeld.
67
4.1.6
Geluid Op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) zijn er drie geluidsbronnen waarmee bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening gehouden dient te worden: wegverkeers-, railverkeers- en industrielawaai. In de omgeving is geen spoor gelegen. Er is geen sprake van railverkeerslawaai. Met onderhavige ontwikkeling worden acht woon-zorgunits (woningen) opgericht, welke geluidsgevoelige objecten in de zin van de Wet geluidhinder zijn. Er is dan ook een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. In bijlage 7 is de complete rapportage opgenomen. Hieronder worden de conclusies en aanbevelingen uit het onderzoek weergegeven. Conclusies en aanbevelingen Bespreking resultaten en aanbevelingen WGH In opdracht van de initiatiefnemer is een berekening wegverkeerslawaai uitgevoerd voor een bestemmingswijziging aan de Gouverneursweg 3a te Heeswijk-Dinther Het project betreft de herontwikkeling van het perceel aan de Gouverneursweg 3a Heeswijk-Dinther. De melkveehouderij op het perceel is gestopt. De herontwikkeling op het perceel betreft de realisatie van 8 woon-zorgunits, een gezamenlijke ruimte met 2 B&B’s, dierenweide, natuurpoel en het behoud van een agrarische loods. Op basis van de beschikbaar gestelde verkeersgegevens is er een rekenmodel opgezet en is de gevelbelasting berekend op de gebouwen als gevolg van de Gouverneursweg en de Fokkershoek.
De gevelbelasting is getoetst aan de WGH. Ter plaatse van de gevels van de gebouwen A en C bedraagt de geluidbelasting afkomstig van de Gouverneursweg inclusief correctie van artikel 110g ten hoogste 53 dB. Derhalve wordt niet voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB, wel wordt voldaan aan de maximale ontheffingswaarde van 53 dB. Ter plaatse van de gevels van de gebouwen bedraagt de geluidbelasting afkomstig van de Fokkershoek inclusief correctie van artikel 110g ten hoogste 26 dB. Derhalve wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Maatregelen Allereerst dient gekeken te worden naar mogelijke bronmaatregelen. Het verlagen van de verkeersintensiteit en maximale snelheid van de Gouverneursweg zou een bronmaatregel kunnen zijn. De Gouverneursweg betreft echter een doorgaande weg, het verlagen van de verkeersintensiteit lijkt daarmee niet realistisch en roept bezwaren op van verkeerskundige 68
aard. Ook het verlagen van de maximale snelheid wordt niet realistisch geacht. Een andere mogelijke bronmaatregel is de aanleg van een stiller wegdek voor de Gouverneursweg. Echter, voor een project van een kleine omvang zoals in dit geval, wordt de aanleg van een wegdek met geluidsreducerend asfalt niet realistisch geacht. Deze maatregel staat niet in verhouding met het voorgenomen plan en stuit op financiële bezwaren. Maatregelen in de overdracht kunnen worden getroffen in de vorm van geluidsschermen/wallen. Een scherm zou dan gerealiseerd moeten worden tussen de Gouverneursweg en de noord-oostgevel van de gebouwen. Het betreffende gebouw A is echter dicht gelegen aan de Gouverneursweg waardoor het plaatsen van een afschermende voorziening op deze plek niet realistisch wordt geacht. Omdat uit het bovenstaande blijkt dat maatregelen bij de bron of in de overdracht op diversen bezwaren stuiten dient gekeken te worden naar maatregelen bij de ontvanger. Hierbij valt te denken aan een dove gevel. In dit geval zouden 3 gevels dove gevels moeten worden, 1 van deze gevels (T09 gebouw A zuid-oost 1) is echter een gevel waarin ook toegangsdeuren tot wooneenheden bevinden. Hierdoor is het realiseren van een dove gevel niet realistisch. De berekende geluidbelasting afkomstig van de Gouverneursweg voldoet wel aan de maximale ontheffingswaarde van 53 dB.
Aangezien eventuele maatregelen stuiten op bezwaren en niet realistisch worden geacht wordt verzocht om een hogere waarde vast te stellen voor het geluidsniveau op delen van de gevels van de gebouwen C en A vanwege het wegverkeerslawaai:
Bespreking geluidsbelasting i.r.t. Bouwbesluit Binnen het Bouwbesluit is geregeld dat een waarde van 33 dB in de woning als gevolg van omgevingslawaai moet zijn gewaarborgd. Tevens wordt in het Bouwbesluit vermeld dat de karakteristieke geluidwering van geveldelen (GA;k) voor woningen ten minste 20 dB bedraagt. In het geval van nieuwbouw ligt de gevelwering heden ten dage tussen de 25 en 30 dB. De geluidbelasting op de gebouwen afkomstig van het wegverkeer exclusief aftrek van artikel 110g bedraagt ten hoogste 58 dB. Met een gevelwering welke ten minste 20 dB (het betreft nieuwbouw) zal op basis van het
69
Bouwbesluit het binnen niveau ten hoogste 38 dB bedragen waarmee niet wordt voldaan aan de eisen van het Bouwbesluit. Doormiddel van een gevelweringonderzoek dient aangetoond te worden dat een voldoende karakteristieke geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructies (GA,K) gerealiseerd kan worden om aan een binnenniveau van 33 dB te voldoen. Bespreking goede ruimtelijke ordening Ten aanzien van de buitenruimte en verblijf in de tuin dan wel terras aan de achterzijde dan wel zijkanten van de gebouwen kan verondersteld worden dat er een overwegend matig tot goede geluidskwaliteit heerst. Hierdoor kan worden verondersteld dat het aspect geluid een goede ruimtelijke ordening niet in de weg staat. Conclusie Ter plaatse van de gevels van de gebouwen bedraagt de geluidbelasting afkomstig van de Gouverneursweg inclusief correctie van artikel 110g ten hoogste 53 dB. Derhalve wordt niet voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB, wel wordt voldaan aan de maximale ontheffingswaarde van 53 dB. Verzocht wordt om een hogere waarde vast te stellen voor de betreffende gevels van de gebouwen. Er wordt dan ook een procedure hogere grenswaarde doorlopen. De geluidbelasting op de gebouwen afkomstig van het wegverkeer exclusief aftrek van artikel 110g bedraagt ten hoogste 58 dB.
Met een gevelwering welke ten minste 20 dB (het betreft nieuwbouw) zal op basis van het Bouwbesluit het binnen niveau ten hoogste 38 dB bedragen waarmee niet wordt voldaan aan de eisen van het Bouwbesluit. Doormiddel van een gevelweringonderzoek dient aangetoond te worden dat een voldoende karakteristieke geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructies (GA,K) gerealiseerd kan worden om aan een binnen niveau van 33 dB te voldoen. Ten aanzien van de buitenruimte en verblijf in de tuin dan wel terras aan de achterzijde dan wel zijkanten van de gebouwen kan verondersteld worden dat er een overwegend matig tot goede geluidskwaliteit heerst. Hierdoor kan worden verondersteld dat het aspect geluid een goede ruimtelijke ordening niet in de weg staat. 4.1.7
Externe veiligheid Vanuit een goede ruimtelijke ordening is het van belang te kijken naar gevaar leverende functies in of in de nabijheid van het plangebied. Daartoe moeten de risico’s voor de bevolking, die verbonden zijn aan gevaar veroorzakende activiteiten in beeld worden gebracht. 70
Het aspect externe veiligheid beschrijft risico’s die ontstaan als gevolg van opslag van, of handelingen met, gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen of op transportroutes. Op beide categorieën is verschillende wet- en regelgeving van toepassing. Voor bedrijven is het Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen (Bevi) van toepassing. In het kader van het Bevi komen kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten bescherming toe ten aanzien van ongelukken met gevaarlijke stoffen. Risicocontouren Gemeente en provincie kunnen veiligheidsafstanden (plaatsgebonden risicocontour) en invloedsgebieden (groepsrisico) rond risicovolle inrichtingen of activiteiten (BEVI) bepalen op grond van berekende risico’s. Binnen de veiligheidsafstanden (PR-contour) mogen geen kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten liggen of komen te liggen. Binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit dient het groepsrisico nader te worden bepaald. Een risicocontour (ofwel plaatsgebonden risico) geeft aan hoe groot in de omgeving de overlijdenskans is door een ongeval met een risicobron: binnen de contour is het risico groter, buiten de contour is het risico kleiner.
Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de berekende kans per jaar, dat een persoon overlijdt als rechtsreeks gevolg van een ongeval bij een risicobron, aangenomen dat hij op die plaats permanent en onbeschermd verblijft. Het plaatsgebonden risico wordt gebruikt bij de toetsing of een risicovolle activiteit op een bepaalde plek mag plaatsvinden en wat in de directe omgeving ervan gebouwd mag worden. Uit de provinciale risicokaart blijkt dat het plangebied in geen enkele plaatsgebonden risicocontour is gelegen. Er worden derhalve geen grenswaarden overschreden. Groepsrisico Het groepsrisico geeft de kans aan dat in één keer een groep mensen die zich in de omgeving van een risicosituatie bevindt, dodelijk door een ongeval wordt getroffen. Groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij groepsrisico is het dan ook niet een contour die bepalend is, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt. Welke kans nog acceptabel geacht wordt, is afhankelijk van de omvang van de ramp. Een ongeval met 100 doden leidt tot meer ontwrichting, leed en emoties, dan een ongeval met 10 dodelijke slachtoffers. Aan de kans op een ramp met 100 doden wordt dan ook een grens gesteld, die een factor honderd lager ligt dan voor een ramp met 10 71
doden. In het Bevi wordt verder een verantwoordingsplicht voor het groepsrisico rond inrichtingen wettelijk geregeld. De verantwoording houdt in dat wordt aangegeven of risico's acceptabel zijn en welke maatregelen worden genomen om de risico's te verkleinen. Beleidsvisie externe veiligheid De gemeente Bernheze beschikt over een beleidsvisie externe veiligheid (2008). Hierin wordt invulling gegeven aan de gemeentelijke omgang met externe veiligheid. De beleidsvisie bevat geen gebiedstypering of uitgangspunten die gehanteerd kunnen worden voor de verantwoording van het groepsrisico. Overige wet- en regelgeving Tot slot moet in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening‘ (art. 3.1 Wro) ook getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit bijvoorbeeld het Activiteitenbesluit, effectafstanden uit de ‘Circulaire effectafstanden LPG-tankstations’. Voldaan wordt aan de in het activiteitenbesluit opgenomen veiligheidsafstanden. Zo is er in de nabijheid van de planlocatie geen opstelplaats van een gasdrukmeet- en regelstation gelegen en ook zijn er geen propaantanks tot en met 13 kubieke meter binnen de grootste bijbehorende veiligheidsafstand van 25 meter tot onderhavige planlocatie gelegen. Toetsing aan de voorwaarden van de beleidsvisie en de normen uit overige wet- en regelgeving geeft geen belemmering voor het plan.
Risicokaart Onderstaand is planlocatie binnen de risicokaart weergegeven. Hieruit blijkt dat het plangebied niet aangeduid wordt als risicovolle inrichting. Daarnaast is het plangebied niet gelegen in risicocontouren (PR 10-6 contour en invloedsgebied) van inrichtingen en buisleidingen. Wel is de N279 wegvak B74 gelegen op circa 727 meter afstand. Over deze transportweg worden onder andere gevaarlijke stoffen uit de categorie LT1 en LT2 vervoerd. LT1 heeft een invloedsgebied van 730 meter en LT2 heeft een invloedsgebied van 880 meter. Omdat het plangebied niet binnen 200 meter van de transportroute ligt, kan worden volstaan met een beperkte verantwoording voor het scenario toxisch. De beperkte verantwoording van het groepsrisico gaat in op de zelfredzaamheid van personen binnen het plangebied bij een calamiteit en de mogelijkheden tot het bestrijden van de gevolgen van een calamiteit binnen het plangebied voor het scenario toxische wolk. 72
De kans op het plaatsvinden van dit type incident; toxische wolk, is zeer gering als gevolg van een relatief beperkt aantal transporten van deze stoffen over deze weg en de veiligheidsmaatregelen rondom het vervoer van gevaarlijke stoffen. Bij het scenario toxische wolk zal de brandweer proberen de toxische wolk neer te slaan. Bij een snelle verspreiding van de toxische wolk zal dit echter beperkt effect hebben. De bestrijdbaarheid wordt door de brandweer om deze reden als matig beoordeeld. Hierbij dient extra aandacht te worden besteed aan de verminderd zelfredzaamheid van de bewoners van de woonzorgunits. De woonzorgunits hebben als doelgroep 55+ers met een beperkte zorgvraag, waarbij de bewoners in principe zelfstandig wonen. Het plangebied valt buiten het bereik van de WAS sirenes. Personen aanwezig in het plangebied kunnen via NL Alert en andere social media worden gealarmeerd en geïnstrueerd. Gezien de aard en de activiteiten van de bestemming mag aangenomen worden dat de mate van zelfredzaamheid van de personen van het plangebied voldoende is en zij in staat zijn om zelfstandig op de juiste manier te reageren bij een dreiging, te weten: binnen blijven, ramen en deuren sluiten. Hieromtrent is de Veiligheidsregio Brabant Noord ingevolge artikel 7 en 9 van het Bevt om advies gevraagd.
In dit advies worden de volgende maatregelen geadviseerd om de zelfredzaamheid in het plangebied te verhogen: 3 van de 8 woonzorgunits worden samen met de B&B in een bestaand gebouw gesitueerd. Geadviseerd wordt om extra aandacht te besteden aan de detaillering van afdichtingen in deze ruimtes. Ventilatieopeningen moeten eenvoudig af te sluiten zijn. De initiatiefnemer wordt geïnformeerd over het aanwezige risico en handelingsperspectief, in verband met bewustwording hierover en in dreigende situaties de aanwezige cliënten, voor zover nodig, kan ondersteunen. Voor het volledige advies van de Veiligheidsregio Brabant Noord / Brandweer wordt verwezen naar bijlage 8. De genoemde maatregelen zullen door de initiatiefnemer worden opgevolgd. Ten aanzien van externe veiligheid zijn er geen belemmeringen.
73
Figuur 16 Uitsnede risicokaart Externe veiligheid, Gouverneursweg 3a (rode cirkel).
4.1.8
Hoogspanningslijnen Het plangebied is op een afstand van circa 1,9 kilometer gelegen van een hoogspanningslijn. Gelet op de afstand tussen het plangebied en de hoogspanningslijn vormt dit aspect geen belemmering.
4.1.9
Volksgezondheid De Handreiking veehouderij en volksgezondheid is door het ondersteuningsteam geactualiseerd (versie 30 april 2018). Het ondersteuningsteam is een samenwerkingsverband van partners vanuit de drie omgevingsdiensten in Noord-Brabant, de GGD, de provincie NoordBrabant en enkele gemeenten: Provincie Noord-Brabant; Omgevingsdienst Brabant Noord; Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant; Omgevingsdienst Zuidoost Brabant; Team Gezondheid, Milieu en Veiligheid, GGD’en Brabant; Gemeente Bernheze; Gemeente Someren; ABG-gemeenten (Alphen-Chaam, Baarle-Nassau en Gilze en Rijen). 74
In deze update van de handreiking is het stappenplan, waarmee besloten kan worden of een beoordeling of advisering door de GGD gewenst is, aangepast ten opzichte van de eerdere versie. De volgende aspecten worden in het opgenomen stroomschema (zie ‘Stappenplan 2.0’) meegenomen in de afweging of voor een specifieke situatie er een dusdanig verhoogd risico voor de volksgezondheid bestaat dat advisering vanuit de GGD wenselijk is: 1) voor varkens en pluimveebedrijven: endotoxine richtafstand (= afstand waarbinnen naar alle waarschijnlijkheid de gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine wordt overschreden); 2) toename in emissies van geur en/of fijnstof en/of ammoniak; 3) de wijze waarop met geurbelasting wordt omgegaan voor een aanvaardbaar woon-/leefklimaat; 4) bij meerdere bedrijfsmatig gehouden diersoorten, de aanwezige diersoort(en) binnen een veehouderij; 5) geitenhouderij binnen een straal van 2 kilometer van een gevoelige bestemming; of pluimveebedrijven binnen een straal van 1 kilometer van een gevoelige bestemming; of overige veehouderijen binnen een straal van 250 meter liggen woon- of verblijfsruimten van derden; 6) de aanwezigheid van mestbe- en verwerking; 7) ongerustheid bij omwonenden. Na doorlopen van het stappenschema blijkt dat niet alle aspecten met nee beantwoord kunnen worden.
In een straal van 2 km (circa 1,5 km) van de planlocatie ligt aan de Meerstraat 29 een geitenhouderij. Binnen dit gebied bevinden zich reeds veel burgerwoningen. Bovendien ligt de geitenhouderij op een veel kortere afstand (circa 535 meter) van de kern Heeswijk-Dinther. Mocht uit het vervolgonderzoek op het landelijk RIVM onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden V (VGO1+2) blijken dat er wel degelijk gezondheidsrisico’s en daarmee een verhoogde kans op longontsteking aanwezig is voor mensen die binnen een straal van circa 2 km rond geitenhouderijen wonen en dat hieromtrent maatregelen genomen moeten worden, is aannemelijk dat de betreffende geitenhouderij in de toekomst stalaanpassingen zal moeten doorvoeren om emmissiereductie te bewerkstelligen en/of niet zal mogen uitbreiden. Gezien de relatief grote afstand van de geitenhouderij ten opzichte van de planlocatie en de kortere afstand tot het bestaand stedelijk gebied kan gesteld worden dat op dit moment het verhoogde gezondheidsrisico aanvaardbaar wordt geacht. Verder is hieromtrent advies aangevraagd bij de GGD. In dit advies wordt de volgende eindconclusie gegeven: 75
Voor het woon- en leefklimaat van de beoogde woningen geldt dat: • De achtergrondgeurbelasting onder de gezondheidskundige advieswaarde voor het buitengebied (10 OU/m3) ligt. Het percentage geurgehinderden ligt daarmee onder de 20% op basis van de algemene dosis responsrelatie uit het GGD/ IRAS onderzoek 6. De afstand van de woningen tot de rand van het dichtstbijzijnde bedrijf waar dieren zonder emissiefactor worden gehouden, is groter dan 100 meter en voldoet aan de door de GGD aangehouden richtlijn. • De fijnstofconcentratie (PM10, PM2,5) voldoen niet aan de meest recent aangescherpte gezondheids-kundige advieswaarde. Dit geldt voor grote delen van Nederland. De bijdrage van het plan leidt niet tot een substantiële bijdrage aan de fijnstofconcentratie. De woningen liggen niet in de directe nabijheid van snelwegen/ drukke wegen; hetgeen positief is met betrekking tot de luchtkwaliteit. • De woningen liggen in de buurt van een geitenhouderij. Er is sprake van een verhoogd risico op longontsteking. Er is geen sprake van het bouwen naar de geitenhouderij toe. Het advies is de toekomstige bewoners te informeren over het verhoogd risico op het krijgen van longontsteking. Specifiek is dit van belang voor mensen die reeds luchtwegklachten hebben. • De geluidsbelasting op de gevel van de gebouwen A en C ligt boven de gezondheidskundige advieswaarde.
Maatregelen om de geluidsbelasting terug te dringen worden geadviseerd (zie geluid). Omdat geluid ook beneden de normen tot hinder kan leiden, is communicatie met bewoners en het adequaat oppakken van klachten belangrijk. Concluderend kan worden gesteld dat naar aanleiding van de toetsing aan de gezondheidskundige advieswaarden door de GGD voor de nieuw te bouwen woningen een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Voor het volledige advies van de GGD wordt verwezen naar bijlage 9. Verder zullen toekomstige bewoners tijdig op het verhoogde risico worden gewezen.
4.2
WATER Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met water kan verdroging en wateroverlast voorkomen worden en kan ook de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.
76
De waterbeheerder voor de planlocatie is het waterschap Aa en Maas. Het beleid van dit waterschap is erop gericht dat nieuwe ruimtelijke en/of stedelijke ontwikkelingen geen negatieve invloed hebben op de bestaande watersystemen. Bij nieuwe plannen dient onderzocht te worden hoe omgegaan wordt met het schone regenwater. Hierbij gelden de navolgende uitgangspunten welke nagevolgd zullen worden: Voorkomen van vervuiling Wateroverlastvrij bestemmen Hydrologisch neutraal Ontwikkelen (HNO) Vuil water en hemelwater scheiden Hergebruik > infiltratie > buffering > afvoer Waterschapsbelangen Meervoudig ruimtegebruik Water als kans Op 1 maart 2015 is de nieuwe Keur van het Waterschap Aa en Maas in werking getreden. Er wordt hierbij geen gebruik meer gemaakt van de HNOtool. Er is een nieuwe rekensystematiek opgenomen voor het uitrekenen van de benodigde waterberging (art. 15 van de Algemene regels resp. art. 13 van de Beleidsregels). Voor een toename aan verharding < 500 m2 geldt een vrijstelling. Voor een toename > 10.000 m2 dient een watervergunning aangevraagd te worden.
Bij een toename van verhard oppervlak tussen 500 m2 en 10.000 m2 dienen compenserende maatregelen te zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale compensatie conform de rekenregel: Benodigde compensatie (in m3) = toename verhard oppervlak (in m2) x gevoeligheidsfactor x 0,06 (in m) De gevoeligheidsfactor is af te lezen van de kaart in bijlage 1 van de Keur.
77
Op de kaart van de Keur van Waterschap Aa en Maas is af te lezen dat het plangebied is gelegen binnen een attentiegebied. Figuur 17 Uitsnede kaart Keur Waterschap Aa en Maas
Gelet hierop is in het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied Bernheze‘ op de planlocatie de dubbelbestemming ‘Waarde – Natte natuurparel’ opgenomen. De voor 'Waarde - Natte Natuurparel' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor het behoud, beheer en herstel van de waterhuishoudkundige situatie, gericht op het verbeteren van de condities voor de natuur(waarden). Op deze aangewezen gronden mogen in afwijking van hetgeen elders in deze regels is bepaald ten aanzien van het bouwen krachtens de overige bestemmingen van deze grond, uitsluitend worden gebouwd bouwwerken ten behoeve van deze bestemming. Bij toename van het verhard oppervlak is "hydrologisch neutraal bouwen" het uitgangspunt. Voor een toename van het verharde oppervlak van 250 m2 is een advies van de waterbeheerder vereist. Keur De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt beleids- en algemene regels. 78
Legger De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn Figuur 18 Ligging A en Bwatergangen
onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven. Op meer dan 160 meter van het plangebied zijn een A en B-watergang gelegen. Deze watergangen kennen een beschermingszone. Het plangebied valt echter ruimschoots buiten deze beschermingszone. Binnen de beschermingszone vinden voor onderhavig initatief derhalve geen werkzaamheden plaats en worden de waterschapsbelangen gewaarborgd. Uitgangspunten watertoets waterschap Aa en Maas: Bij ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder ver- en nieuwbouwplannen, hanteert het waterschap een aantal uitgangspunten ten aanzien van het duurzaam omgaan met water, die van belang zijn als vertrekpunt van het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient de initiatiefnemer hier invulling aan te geven:
79
1. Wateroverlastvrij bestemmen Bij de locatiekeuze voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met de norm uit het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW). In eerste instantie zal bij de locatiekeuze van een ontwikkeling gezocht moeten worden naar een plek „die hoog en droog genoeg‟ is. Mocht dit echter niet mogelijk of wenselijk zijn, dan zal in de compenserende of mitigerende sfeer gezocht moeten worden naar maatregelen die het gewenste beschermingsniveau tegen wateroverlast helpen realiseren. Liever nog dan mitigeren of compenseren, wordt bij voorkeur gebouwd op locaties die als gevolg van hun ligging nú al voldoen aan de NBW-norm voor de toekomstige functie. Het betreft de herontwikkeling van een bestaand agrarisch perceel, waarbij een melkveehouderij wordt beëindigd. Hiervoor in de plaats worden acht woon-zorgunits, een gezamenlijke ruimte met twee B&B’s, een dierenweide en een natuurpoel gerealiseerd, de bestaande agrarische loods wordt behouden voor akkerbouw en het stallen van landbouwvoertuigen en er wordt een bestaande ruimte benut voor het hobbymatig houden van 26 stuks jong(vlees)vee. Een andere locatiekeuze is niet aan de orde. Bouwpeilhoogtes Het plangebied is gelegen in een attentiegebied van het beekdal. Om deze reden is bij het waterschap advies gevraag over de bouwhoogte van het plangebied.
De reactie van het waterschap was hierbij als volgt: Naar de huidige inzichten verwachten wij op deze planlocatie geen risico op inundatie vanuit het beekdal De Aa. Dit leiden wij af uit de hoogteligging van het bouwperceel waar de nieuwe bebouwing wordt gerealiseerd ter plaatse van voormalige stallen. (voor het bouwplan zoals dat bij ons op basis van het conceptbestemmingsplan bekend is, en de hoogtekaart ter illustratie op basis van de AHN: zie navolgende figuur). Het bouwvlak kent een hoogte variërend van 7,7 tot 7,9 m NAP; het waterpeil van de Aa ligt op ca. 6 m NAP; een aanzienlijk hoogteverschil. De Gouverneursweg ligt op ca 7,65 m NAP (bron: AHN-viewer). Hiervan kan worden uitgegaan, tenzij bij het uitvoeren van een meting op de kruin van de weg anders blijkt. Het peil van de bebouwing komt hiermee uit op 7,85 m NAP (+20 cm).
80
grondwateroverlast Ook de algemene ambitie uit ons waterbeheerplan om in de beekdalen de grondwaterstanden op termijn te verhogen met 10 à 15 cm, exacte hoogte toekomst hier nog niet bekend) gaat daar naar verwachting geen problemen opleveren met ontwateringsdiepte. De GHG ligt hier volgens de modellen nu tussen 75 en 90 cm – mv, NB wel een voorbehoud: het betreft hier ‘de randen’ van het model. Voor bebouwing wordt doorgaans een ontwatering van 70 cm aangehouden. Figuur 19 Hoogte ligging plangebied op basis van AHN.
Concluderend kan gesteld worden dat de ligging in het attentiegebied beekdal geen belemmering geeft voor de ontwikkeling van het plan. 2. Gescheiden houden van vuil water en schoon hemelwater Het streefbeeld is het afvoeren van het vuile water via de riolering en het binnen het plangebied verwerken van het schone hemelwater. Afhankelijk van de omstandigheden ter plaatse kan een compromis gesloten worden, waarbij de minimale inzet (in bestaand bebouwd gebied) is om het vuile en het schone water gescheiden aan te bieden op het (reeds aanwezige) gemengde rioolstelsel. Het waterschap zal echter niet akkoord gaan met de aanleg van nieuwe gemengde rioolstelsels. Het hemelwater afkomstig van het dakoppervlak van de nieuwe woningen, de B&B’s, gezamenlijke ruimte en de bestaande bebouwing zal worden afgekoppeld op de ten zuidwesten gelegen nieuw te realiseren infiltratiepoel om het hemelwater vast te houden en te infiltreren.
81
Volgens de Basisregistratie voor de Ondergrond (BRO) varieert de GHG binnen het plangebied van 74 tot 94 cm onder maaiveld. Met onderhavig plan neemt het verhard oppervlak flink af. In de huidige situatie bedraagt het verhard oppervlak afkomstig van bebouwing 2.930 m2. In de nieuwe situatie zal het verhard oppervlak afkomstig van bebouwing 1.792 m2 bedragen. Voor een overzicht van de bebouwing wordt verwezen naar bijlage 2 en figuur 20. De omvang van de erfverharding rondom de bebouwing neemt in de nieuwe situatie af ten opzichte van de huidige situatie (345 m2). -Erfverharding bestaande situatie: 2321 m2. -Erfverharding nieuwe situatie: 1976 m2. Figuur 20 Situatieschets met oppervlakten bebouwing/verharding
In de berekening van het nieuwe totale verhard oppervlak worden slechts de oppervlakten van de nieuwe parkeerplaatsen meegenomen. De parkeervakken bestaande uit halfverharding zal een oppervlakte van circa 400 m2 beslaan. In de berekening van het nieuwe totale verhard oppervlak moet hiervan 50% worden meegenomen. Dit komt neer op een nieuw verhard oppervlak van 1.992 m2. Hiermee is sprake van een afname van het verhard oppervlak van 938 m2. Er hoeft dan ook geen compensatie plaats te vinden. De woning is hierbij buiten beschouwing gelaten. De Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) ligt tussen de 74-94 cm mv.
82
De gemeente heeft aangegeven dat hemelwater geborgen moet worden op eigen perceel, waarbij gerekend moet worden met 60 mm per m2 verhard oppervlak. Voor de ontwikkeling zal een infiltratiepoel in de groenvoorziening aangelegd worden om het hemelwater vast te houden en te infiltreren. Dit betekent dat er in totaal 0,06 x 1.992 m2 = 119,52 m3 regenwater geborgen moet kunnen worden. De poel dient dus 74 cm diep en 161,51 m2 groot te zijn. De infiltratiepoel verkrijgt een oppervlakte van 210 m2, waardoor deze van voldoende omvang is om het hemelwater tijdelijk te bergen en infiltreren. Bij een hevigere regenbui zal het water uitstromen over het achterliggende land in eigendom van de initiatiefnemer. Voorafgaand aan de uitvoering van onderhavig plan / infiltratiepoel zal nog een keur- of omgevingsvergunning aangevraagd worden, indien blijkt dat dit volgens de regels van het keur nodig is. Het water afkomstig van inritten zal in het omliggende groen infiltreren, zoals in de bestaande situatie ook het geval is. De parkeervakken zullen bestaan uit halfverharding. Het water dat valt op de parkeervakken zal hierdoor tijdelijk geborgen worden en uiteindelijk langzaam wegvloeien in het omliggende groen. Het huishoudelijk afvalwater afkomstig van de nieuwe woningen zal, overeenkomstig de bestaande situatie, worden afgevoerd naar het gemeentelijke rioleringsstelsel.
Hiertoe is reeds een aansluiting aanwezig. Gelet op bovenstaande kan gesteld worden dat door de aanleg van een infiltratiepoel en het toepassen van halfverharding hydrologisch neutraal gebouwd wordt en het plan hiermee positief bijdraagt aan het behoud van een goede waterhuishoudkundige situatie waarbij bestaande water- en natuurwaarden in acht zijn genomen. Bovendien is sprake van een flinke afname van het verhard oppervlak binnen het plangebied wat de natuurwaarden ten goede komt. 3. Doorlopen van de afwegingsstappen: “hergebruik - infiltratie - buffering afvoer” In aansluiting op het landelijke beleid (NW4, WB21) hanteert het waterschap het beleid dat bij nieuwe plannen altijd onderzocht dient te worden hoe omgegaan kan worden met het schone hemelwater. Hierbij worden de afwegingsstappen “hergebruik - infiltratie - buffering - afvoer” (afgeleid van de trits “vasthouden - bergen - afvoeren”) doorlopen. Hergebruik van hemelwater wordt voornamelijk overwogen bij grootschalige voorzieningen
83
als scholen, kantoorgebouwen ed. Voor particuliere woningen wordt dit, ook gezien de landelijke ervaringen met grijswatersystemen, niet gestimuleerd. Binnen grondwaterbeschermingsgebieden kunnen door de grondwaterbeheerder (provincie) aanvullende kwalitatieve eisen gesteld worden in de Provinciale Milieu Verordening. Ook kan een vergunning nodig zijn van de grondwaterbeheerder. Het plangebied is niet gelegen binnen een grondwaterbeschermingsgebied. Het water afkomstig van het dakoppervlak ten behoeve van de bestaande en nieuwe bebouwing zal tijdelijk worden geborgen in een infiltratiepoel, waarna het hemelwater langzaam zal wegvloeien in de bodem. Dit water kan niet hergebruikt worden. 4. Hydrologisch neutraal ontwikkelen Nieuwe ontwikkelingen dienen te voldoen aan het principe van hydrologisch neutraal ontwikkelen, waarbij de hydrologische situatie minimaal gelijk moet blijven aan de uitgangssituatie. Hierbij mag de natuurlijke GHG (Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand) niet verlaagd worden en mag bijvoorbeeld bij transformatie van landelijk naar bebouwd gebied de oorspronkelijke landelijke afvoer in de normale situatie niet overschreden worden. Het waterpeil sluit aan bij optimale grondwaterstanden en in poldergebieden worden seizoensfluctuaties toegestaan.
Hemelwater afkomstig van het dakoppervlak van de bestaande en nieuwe bebouwing zal tijdelijk worden geborgen in een infiltratiepoel, waarna het hemelwater langzaam zal wegvloeien in de bodem. 5. Water als kans ”Water” wordt door stedenbouwkundigen bij inrichtingsvraagstukken vaak benaderd als een probleem (“er moet ook ruimte voor water gecreëerd worden, en m2 zijn duur”). Dat is erg jammer, want “water” kan ook een meerwaarde geven aan het plan, bijvoorbeeld door gebruik te maken van de belevingswaarde van water. Zo is „wonen aan het water‟ erg gewild, een mooie waterpartij met bijbehorend groen wordt door vele inwoners gewaardeerd etc. Er wordt een infiltratiepoel gerealiseerd om het hemelwater afkomstig van de bestaande en nieuwe bebouwing op af te voeren. 6. Meervoudig ruimtegebruik “Er moet ruimte voor water gecreëerd worden, en m2 zijn duur”. Maar door bij de inrichting van een plangebied ruimte voor twee of meer doeleinden te gebruiken, is het “verlies” van m2 als gevolg van de toegenomen ruimtevraag vanuit water te beperken. Zo is het in bepaalde gevallen 84
mogelijk om het flauwe talud ook te gebruiken als onderhoudsstrook. Flauwe taluds geven veel ruimte voor buffering van water, maar zijn ook te gebruiken voor recreatieve doeleinden (een fietspad dat af en toe niet te gebruiken is). Er is voldoende ruimte. Meervoudig ruimtegebruik is niet aan de orde. 7. Voorkomen van vervuiling Bij de inrichting, het bouwen en het beheer van gebieden wordt het milieu belast. Vanuit zijn wettelijke taak ten aanzien van het waterkwaliteitsbeheer streeft het waterschap ernaar om nieuwe bronnen van verontreiniging zoveel mogelijk te voorkomen. Deze bronaanpak is ook verwoord in het Emissiebeheersplan. Het waterschap besteedt hier reeds aandacht aan in de fase van de watertoets, zodat dit aspect als randvoorwaarde kan worden meegenomen in het verdere ontwerpproces. Er worden geen uitlogende materialen toegepast, verontreiniging van het hemelwater plaats kan vinden.
zodat
geen
Dit maakt dat er geen vervuiling van het grondwater plaats zal vinden, en alleen schoon hemelwater zal worden geïnfiltreerd. 8. Waterschapsbelangen Er zijn „waterschapsbelangen‟ met een ruimtelijke component. Dit betreft het volgende: a. b. c. d. e.
ruimteclaims voor waterberging ruimteclaims voor de aanleg van natte EVZ‟s en beekherstel aanwezigheid en ligging watersysteem aanwezigheid en ligging waterkeringen aanwezigheid en ligging van infrastructuur en ruimteclaims tbv de afvalwaterketen in beheer van het waterschap.
De ontwikkeling raakt de waterschapsbelangen niet. Er wordt een infiltratiepoel aangelegd voor de afvoer van het hemelwater afkomstig van het dakoppervlak van bestaande en nieuwe bebouwing. De infiltratiepoel is gesitueerd op het bedrijfsperceel, waar voldoende ruimte voor een poel aanwezig is. Samenwerking met de waterbeheerder De waterparagraaf is door de gemeente Bernheze aan waterschap Aa en Maas voorgelegd.
85
Conclusie Concluderend kan gesteld worden dat er geen waterhuishoudkundige consequenties door onderhavig plan zijn.
4.3
nadelige
NATUUR Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met eventuele ecologische waarden in of nabij het plangebied. De voorgenomen ontwikkelingen mogen geen negatieve effecten hebben op de aanwezige beschermde soorten zoals aangewezen in de Wet natuurbescherming. Indien hiervan sprake is moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Tevens mogen de ontwikkelingen geen negatieve effecten hebben op aangewezen gebieden zoals Natura 2000-gebieden. Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds-en soortenbescherming.
4.3.1
Gebiedsbescherming In Nederland is gebiedsbescherming geregeld middels de Wet natuurbescherming, waarin alle gebiedsbeschermende internationale afspraken en richtlijnen zijn geïmplementeerd. Met betrekking tot gebiedsbescherming is de situering ten opzichte van Natura2000-gebieden van belang. Bij negatieve effecten kan onder andere gedacht worden aan: optische verstoring door het toevoegen van bebouwing, verlies van oppervlakte, verdroging of vernatting, vermesting en verzuring, verstoring door licht, geluid, trilling, en dergelijke. Door de voorgenomen ontwikkeling, het beëindigen van de melkveehouderij, is er een afname van de ammoniakdepositie op de omliggende Natura2000-gebieden. Het dichtstbijzijnde Natura2000 gebied is de Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek. In bijlage 10 is een berekening opgenomen, waarbij de ammoniak- en stikstofemissie in de boogde situatie ten opzichte van de feitelijke situatie is berekend. Uit deze berekening komt naar voren dat de grootste toename van depositie 0,00 mol/ha/j bedraagt, er is zelfs sprake van een grootste afname van depositie van 0,11 mol/ha/j. Dit betekent dat de beoogde situatie niet zal leiden tot significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura2000-gebieden en Beschermde natuurmonumenten in de omgeving.
Tevens is een berekening opgenomen voor de bouwfase, waaruit blijkt dat de toename van depositie op de omliggende Natura2000-gebieden niet toeneemt.
86
Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) (voorheen: ecologische hoofdstructuur (EHS) is een samenhangend netwerk van natuurgebieden en landbouwgebieden met natuurwaarden van (inter)nationaal belang. Het doel van het NNN-beleid is het veiligstellen van ecosystemen en het realiseren van leefgebieden met goede condities voor de biodiversiteit. Voor het Natuurnetwerk Nederland geldt op basis van het Rijksbeleid (Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening) de verplichting tot instandhouding van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied. Dit betekent dat (nieuwe) plannen, projecten of handelingen niet zijn toegestaan indien zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten. In onderstaande afbeelding is de ligging van het plangebied weergegeven op de kaart van de provincie Noord-Brabant. De locatie is op voldoende afstand gelegen (circa 80 meter) van het natuurnetwerk Brabant en zal niet leiden tot negatieve effecten. Figuur 21 Ligging plangebied t.o.v. NNB
4.3.2
Soortenbescherming De Wet natuurbescherming regelt de bescherming en instandhouding van planten- en diersoorten die in het wild voorkomen. Daarnaast dienen alle in het wild levende planten en dieren in principe met rust te worden gelaten. 87
Eventuele schade aan in het wild levende planten en dieren dient beperkt te worden middels het nemen van mitigerende maatregelen. Als mitigatie niet voldoende is om schade te voorkomen is het verplicht de resterende schade te compenseren. De aanwezigheid van beschermde planten en dieren is sterk gerelateerd aan de aanwezigheid van bepaalde kleine landschapselementen (bosjes, wielen/poelen, heggen/hagen e.d.) De bebouwing aan de Gouverneursweg 3a betreft voormalig agrarische bedrijfsgebouwen t.b.v. de melkveehouderij. Twee bestaande stallen zullen ten behoeve van de ontwikkeling worden gesloopt. Er is dan ook een QuickScan flora en fauna uitgevoerd. In onderstaande worden de conclusies weergegeven. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar bijlage 11. Conclusies Voor de bepaling van de effecten en voor de beantwoording van de vraag of men in strijd komt met de Wet natuurbescherming, wordt de relatie gelegd tussen het initiatief met deze wet door waar mogelijk antwoord te geven op de volgende vragen: 1. Welke wettelijk beschermde soorten komen in het plangebied voor? Welke status hebben deze soorten? 2. Welke invloed heeft de geplande ingreep in het betreffende gebied op de beschermde soorten en de staat van instandhouding? 3.
Hoe dient omgegaan te worden met eventuele negatieve effecten van het plan op wettelijk beschermde planten- en diersoorten, en welke vervolgstappen zijn nodig? Het voornemen zoals opgenomen in de inleiding en de daarbij behorende werkzaamheden, zal naar verwachting geen negatief effect hebben op de staat van instandhouding van beschermde soorten. Binnen het plangebied zijn geen (verblijfplaatsen van) strikt beschermde soorten aangetroffen die door de werkzaamheden worden beïnvloed. Uit de effectenbeschrijving blijkt dat er geen onevenredige directe of indirecte gevolgen zijn van de voorgenomen activiteiten op de voortplanting en instandhouding van beschermde dieren of plantsoorten. Lokaal zullen mogelijk algemene soorten uit het plangebied trekken op zoek naar een vervangende biotoop. De werkzaamheden dienen bij voorkeur buiten het broedseizoen plaats te vinden. Voor aanvang van de werkzaamheden dient derhalve geen aanvullend onderzoek plaats te vinden. Een ontheffing voor het onderdeel
88
soortenbescherming uit de Wet natuurbescherming met betrekking tot aantasting van beschermde soorten is niet nodig. De werkzaamheden kunnen leiden tot een beschadiging of vernietiging van mogelijke verblijfplaatsen en/of verstoring van eventueel aanwezige algemene soorten. Een algehele vrijstelling op basis van de Verordening voor ruimtelijke ontwikkelingen is hierop van toepassing. De algemene zorgplicht blijft onverminderd van toepassing. Nestkasten plangebied In oktober/november 2022 is voor de huismus 1 nestkast met drie openingen opgehangen. In het ‘kennisdocument huismus’ (BIJ12, 2022) is opgenomen dat openingen minimaal 50 cm uit elkaar moeten liggen of dat de verschillende ingangen niet in elkaars zicht liggen. In onderhavige situatie is dit niet het geval, wat betekent dat de reeds geplaatste nestkast enkel gezien kan worden als één alternatieve nestplaats. Volgens het kennisdocument moeten voor elk nest dat zijn functie niet kan vervullen, minimaal twee alternatieve nestplaatsen te worden geplaatst. In dit geval zal aanvullend aan de reeds geplaatste nestkast nog een alternatieve nestkast worden opgehangen.
4.4
CULTUURHISTORIE Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Cultuurhistorisch erfgoed moet worden beschermd. Het gaat dan om erfgoed in brede zin; in cultuurlandschappelijke, stedenbouwkundige en bouwhistorische betekenis. Voorgaande is sinds 1 juli 2016 vastgelegd in de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een
89
aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Het beschermingsniveau zoals die in de oude wetten en regelingen golden blijven gehandhaafd.
Figuur 22
Op de Cultuurhistorische Waardenkaart Brabant (figuur 22) is af te lezen dat het plangebied is gelegen binnen een Cultuurhistorisch waardevol gebied/landschap het ‘Groene Woud’. Dit gebied ligt tussen de
Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart Brabant
Gouverneursweg en de Zuid-Willemsvaart en bestaat uit bossen, landbouwgronden en lanen rondom kasteel Heeswijk. In de structuurvisie van de gemeente Bernheze zijn de landschappelijke kwaliteiten beschreven, die tevens de cultuurhistorische drager van het gebied zijn. Onderhavige planlocatie is gelegen in Halfopen landschap en Cultuurhistorisch waardevol landschap tussen de kern Heeswijk-Dinther en het kasteel Dinther als cultuurhistorisch landgoed (zie paragraaf 3.3.2). Op de Cultuurhistorische Waardenkaart van de gemeente Bernheze (zie figuur 23) is af te lezen dat het plangebied is gelegen aan een oud wegtracé van ‘redelijk hoge waarde’ en aan een ‘oude hoofdverbinding’. Binnen dit gebied zijn ontwikkelingen mogelijk indien zij bijdragen aan een versterking van het (cultuurhistorisch) landschap. Met onderhavige plan zullen de nieuwe woon-zorgunits en B&B’s worden ingepast in het landschap, wat zorgt voor een ruimtelijke kwaliteitsverbetering. De ontwikkeling draagt bij aan en past in dit karakteristieke historische
90
Figuur 23 Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart gemeente Bernheze
landschap, doordat met de vormgeving van de nieuwe woon-zorgunits en gezamenlijke ruimte rekening is gehouden met de landelijke uitstraling. Voor het landschappelijk inpassingsplan wordt verwezen naar bijlage 5. De bedrijfswoning met bestaande bebouwing zelf hebben geen cultuurhistorische waarde. Verder kan vermeld worden dat het perceel niet behoord tot een beschermd stads- of dorpsgezicht ex artikel 35 van de Monumentenwet 1988. De bedrijfswoning op de locatie komt ook niet voor op de lijst van monumenten en cultuurhistorisch waardevolle panden Bernheze. Concluderend kan gesteld worden dat de cultuurhistorische waarden niet aangetast worden.
91
4.5
ARCHEOLOGIE Op grond van het Verdrag van Malta en de daaruit vloeiende Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz), dient bij de opstelling en de uitvoering van ruimtelijke plannen rekening te worden gehouden met bekende archeologische waarden en de te verwachten archeologische waarden. Het uitgangspunt hierbij is dat het archeologisch erfgoed moet worden beschermd op de plaats waar het wordt aangetroffen. De gemeente Bernheze heeft ervoor gekozen, in het kader van voornoemde wetgeving een eigen archeologie-beleid te formuleren. Dit archeologiebeleid is op 3 februari 2011 door de gemeenteraad vastgesteld en bestaat uit de ‘Nota Archeologiebeleid gemeente Bernheze’ en de ‘Archeologische Verwachtings- en Beleidsadvieskaart Gemeente Bernheze’.
Figuur 24 Uitsnede Archeologische beleidskaart gemeente Bernheze
92
Op de gemeentelijke archeologische beleidskaart (zie figuur 24) is af te lezen dat het plangebied ligt in een zone met een hoge archeologische verwachting. In het bestemmingsplan Buitengebied heeft de locatie de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’. Op basis van de landschappelijke ligging en de daaraan gekoppelde hoge verwachting geldt in dit geval een onderzoekverplichting indien grondroerende werkzaamheden plaatsvinden met een oppervlak groter dan 250 m² en dieper dan 40 cm beneden het maaiveld. Er heeft dan ook een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek plaatsgevonden. Hieronder worden de conclusies en aanbevelingen uit het rapport weergegeven. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar bijlage 12. Conclusies en aanbevelingen De in paragraaf 3.1 gestelde onderzoeksvragen in de rapportage kunnen op basis van de bereikte resultaten als volgt worden beantwoord: - Wat is de geomorfologische situatie en de geologische en bodemkundige opbouw van het plangebied? De ondergrond bestaat uit dekzand (Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden). Het pakket betreft de C-horizont, er zijn geen aanwijzingen voor bodemvorming aanwezig. In boringen 1, 2 en 4 wordt de C-horizont afgedekt door een intact plaggendek. Hier is sprake van de op basis van het bureauonderzoek verwachte hoge zwarte enkeerdgronden.
In boring 3 en 5 bevindt zich boven de C-horizont een omgewerkt en opgebracht pakket. - Is sprake van een natuurlijke (intacte) bodemopbouw of is deze (deels) verstoord? Indien sprake is van verstoringen, wat is de diepte en omvang van de verstoring? In boringen 1, 2 en 4 is de top van de C-horizont relatief intact. Er zijn geen sporen van podzolering of een akkerlaag waargenomen. Indien een podzolprofiel aanwezig was is dit vermoedelijk opgenomen in het bovenliggende plaggendek. In boringen 3 en 5 is de bodem tot dieper in de C-horizont verstoord. - Zijn er archeologisch relevante geo(morfo)logische eenheden of lagen aanwezig in het plangebied? De top van het dekzand, die in boringen 1, 2 en 4 relatief intact aanwezig is, vormt een potentieel archeologische niveau. De grondwaterspiegel bevond zich gedurende het booronderzoek in de top van de C-horizont. Weliswaar 93
wijst dit bodemprofiel op relatief ondiepe grondwaterstanden, maar er is geenszins sprake van zeer natte gronden die de aanwezigheid van bewoningssporen uitsluiten. De hoge grondwaterstand hangt waarschijnlijk samen met de periode van uitvoering (januari) en de natte omstandigheden op het moment. Uit het eerder uitgevoerde milieukundig onderzoek (in april 2022) blijkt dat het grondwater een stuk lager (ca. 155 cm -mv) staat.28 Hieruit wordt geconcludeerd dat het gebied niet gedurende het hele jaar natte omstandigheden kent en wel degelijk aantrekkelijk kon zijn voor bewoning in het verleden. - Zo ja, op welke diepte ten opzichte van maaiveld en NAP? De top van de C-horizont bevindt zich tussen 55 en 85 cm -mv (6,61 en 6,71 m + NAP) - Alhoewel niet het doel van een verkennend booronderzoek, zijn er desondanks toch archeologische indicatoren aangetroffen? Deze zijn niet aangetroffen. - In welk opzicht kan op basis van het veldonderzoek de archeologische verwachting worden bijgesteld? De archeologische verwachting kan ter plaatse van boringen 1, 2 en 4 worden gehandhaafd. Dit geldt met name voor de verwachting van grondsporen uit het Neolithicum tot en met de Vroege Middeleeuwen. Gezien het ontbreken van een podzolprofiel is de kans op resten uit het LaatPaleolithicum en het Mesolithicum klein.
Resten uit deze perioden manifesteren zich door middel van een vondstenstrooiing en ondiepe grondsporen. Deze zullen zijn opgenomen in het plaggendek. Ter plaatse van boringen 3 en 5 komt de verwachting te vervallen. - In hoeverre worden de (mogelijk aanwezige) archeologische waarden bedreigd door toekomstige planontwikkeling? De mogelijk aanwezige resten kunnen worden verstoord door de toekomstige ontwikkeling. Dit geldt voor verstoringen dieper dan 55 cm mv ter plaatse van de natuurpoel en dieper dan 60 cm -mv ter plaatse van de gezamenlijke ruimte/B & B’s. Ter plaats van de bestaande stallen is de bodem verstoord en komen geen archeologische resten in het gedrang. - Is het plangebied voldoende onderzocht en zo nee, welke vorm van nader archeologisch onderzoek kan worden geadviseerd?
94
Geadviseerd wordt om ter plaatse van de natuurpoel en de gezamenlijke ruimte/B & B’s een proefsleuvenonderzoek uit te voeren. Aanbeveling ADC ArcheoProjecten adviseert om op de locaties waar de toekomstige poel en de gezamenlijke ruimte/B & B zijn gepland een inventariserend veldonderzoek uit te voeren door middel van het aanleggen van proefsleuven (IVO-P). Het doel van dit onderzoek is het onderzoeken van de aanwezigheid van archeologische resten alsook de gaafheid, omvang, datering en conservering daarvan. De exacte invulling van de werkzaamheden dient voorafgaand aan het veldwerk te worden vastgelegd in een door de bevoegde overheid goed te keuren Programma van Eisen (PvE). Wij wijzen erop dat de bevoegde overheid op basis van dit rapport een selectiebesluit neemt. De mogelijkheid bestaat dat dit selectiebesluit afwijkt van het door ons opgestelde advies. Met betrekking tot eventuele toekomstige ontwikkelingen blijft de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ gehandhaafd en gelden voornoemde ondergrenzen voor archeologisch onderzoek. Te allen tijde geldt wel meldingsplicht bij het aantreffen van archeologische toevals-vondsten op basis van art. 5.10 van de Erfgoedwet. Bodemvondsten kunnen telefonisch worden gemeld bij het Meldpunt Provinciaal Depot Bodemvondsten Noord-Brabant.
4.6
MOBILITEIT Verkeer en ontsluiting Het plan wordt ontsloten via de Gouverneursweg, welke de kern HeeswijkDinther verbindt met de kern Middelrode. De Gouverneursweg waar een maximum snelheid geldt van 60 km/uur beschikt aan weerszijden over een vrijliggend fietspad. In het plan zijn 3 inritten opgenomen, voor het ontsluiten van de stallen, de nieuwe woningen en de B&B (zie figuur 25).
95
Figuur 25 Kaart met inritten en parkeerplaatsen ingetekend (bron: LIP Guido Paumen Tuin- en Landschapsarchitect BNT).
Huidige situatie De functies op het perceel in de huidige situatie zijn:
Functie Melkvee
Parkeerplaatsen 2
Akkerbouw
2
Bedrijfswoning Totaal
3 7
Verkeersgeneratie per dag 6,0 (4,0 vrachtwagens) 8,0 (6,0 landbouwvoertuigen) 8,8 22,8
Voor de melkveetak en de akkerbouwtak zijn geen specifieke kencijfers beschikbaar. De aantallen zijn op basis van ervaring van de initiatiefnemer. De verkeersbewegingen voor deze twee takken bestaan voornamelijk uit vrachtverkeer (melkvee) of verkeer met landbouwvoertuigen. Voor de bedrijfswoning is uitgegaan van de kencijfers voor een vrijstaande woning in het buitengebied, hiervoor geldt een parkeernorm van maximaal 96
2,8 en een verkeersgeneratie van maximaal 8,8 bewegingen per dag, volgens de CROW publicatie ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie (publicatie 317)’. Ontwikkeling Het doel van het plan aan de Gouverneursweg 3a te Heeswijk is om 2 B&B kamers te realiseren. Daarnaast worden op het terrein 8 woon-zorgunits gerealiseerd, deels in bestaande bebouwing. De akkerbouwtak blijft aanwezig op het perceel, net als een hobbymatig aantal dieren en de bedrijfswoning. Het melkvee zal komen te vervallen. De parkeerplaatsen krijgen een breedte van 2,5 meter en een lengte van 5 meter. Recreatie In totaal zijn er twee verblijfseenheden (twee kamers voor B&B). Voor de B&B zijn geen kencijfers beschikbaar zijn, er is aangesloten bij een vakantiewoning, zoals opgenomen in de CROW publicatie ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’. Er komen twee kamers. Volgens de publicatie ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’ is er per kamer een parkeerbehoefte van twee parkeerplaatsen. Dit maakt dat binnen het plangebied tenminste vier parkeerplaatsen voor de twee B&B kamers aanwezig moeten zijn. Deze parkeerplaatsen komen aan de zuidoostzijde van het terrein. Volgens de zelfde publicatie bedraagt de verkeersaantrekkende werking per B&B kamer 2,8 bewegingen per dag. Bij twee kamers is de verkeersgeneratie 5,6 verkeersbewegingen. Deze bewegingen zullen bestaan uit lichte voertuigen.
Functie 2 B&B
Parkeerplaatsen 4,0
Verkeersgeneratie per dag 5,6
Woon-zorgunits Met het plan worden 8 woon-zorgunits gerealiseerd. Een woon-zorgunit kan worden aangemerkt als een aanleunwoning. De verkeersgeneratie bedraagt per aanleunwoning 3,0 verkeersbewegingen. De verwachting is dat de verkeersaantrekkende werking groter is. Dit omdat er sprake is van een zorgcomponent. Bij een aanleunwoning wordt de zorg over het algemeen geleverd door het aangrenzende zorgcomplex. Daarvan is hier geen sprake. De zorgverlener zal de locatie moeten bezoeken. Bovendien richt men zich op het hogere segment, waarbij het autobezit en daarmee de mobiliteit van de bewoner hoger zal zijn dan bij een aanleunwoning. Er wordt rekening gehouden met een verkeersgeneratie van 8,2 per woning (gelijk aan een
97
vrijstaande woning). Dit geeft in totaal een verkeersgeneratie van 66 verkeersbewegingen (8 x 8,2). Voor een aanleunwoning wordt een parkeerbehoefte van 0,6 aangehouden. Dit komt overeen met de aanleunwoning. De verwachting is dat de parkeerbehoefte hoger is, zie voor de motivering het onderdeel verkeer. Om deze reden is er gekozen om 1,8 parkeerplaatsen aan te houden per woning en daarnaast nog 1 parkeerplaats voor een zorgverlener per woning (2,8 per woning). In totaal is er voorzien in 23 parkeerplaatsen (8 x 2,8) voor de woonzorgunits. Iedere unit krijgt een parkeerplaats bij de woning dit voor eigen gebruik is (8 stuks). Daarnaast worden er 15 parkeerplaatsen gerealiseerd voor bezoekers en de zorgverleners.