Toelichting bestemmingsplan Gouverneursweg 3a Heeswijk-Dinther
Tekst van het document
Het kan gaan om ondersteuning bij het aankleden en boodschappen doen, maar ook intensievere vormen waarbij meer begeleiding nodig is, bijvoorbeeld bij persoonlijke verzorging, medicijnen en fysiotherapie. De zorg kan geboden worden door de partner van de zorgbehoevende. Maar ook door een mantelzorger die niet op de locatie woont (familie, vrienden) of professionele zorgverleners. Het is nadrukkelijk niet de bedoeling dat de er verzorgers (mantelzorg of anders) op de locatie komen wonen. De verzorgers komen naar de locatie op de momenten dat dit noodzakelijk is. De zorgactiviteiten is de hoofdfunctie op het perceel. Naast deze woonfunctie worden gezamenlijk ondergeschikt aan de zorgwoningen de volgende functies uitgeoefend: -
Akkerbouwtak; de bestaande akkerbouwloods met een oppervlakte van 333 m2 zal behouden blijven, voor het opslaan van akkerbouwproducten, zoals aardappelen, maïs, bieten en granen. Deze producten zijn verbouwd om als voer te dienen voor het vee maar worden ook afgezet naar lokale afnemers van bijvoorbeeld het graan om deze te verwerken in hu producten. In de nieuwe situatie zal dit gehandhaafd blijven. De 26 stuks jong(vlees)vee zullen deels gevoerd worden met zelf verbouwde producten. De initiatiefnemer heeft 25 37
hectare akkerbouwgronden in eigendom aansluitend gelegen aan het perceel. De akkerbouwtak is qua omvang ondergeschikt aan de zorgwoningen. -
Twee bed en breakfastkamers; deze vormen ook een aanvulling op de zorgwoningen, omdat deze gebruikt kunnen worden door bezoekers van de woningen. Het voordeel is dat bezoekende familieleden van de voorzieningen gebruik kunnen maken als zij wat langere tijd bij hun familie willen verblijven. Daarnaast zal de ruimte die gebruikt wordt voor de gezamenlijke activiteiten van de bewoners van de zorgwoningen dienen als ontbijtruimte voor de bed en breakfast. Mocht de bed en breakfast niet bezet zijn door de bezoekers van de zorgwoningen wordt deze als reguliere ben en breakfast gebruikt. Dit als nevenactiviteit bij de woning.
-
Hobbymatig houden van dieren; in de bestaande stal op het perceel worden 26 stuks jong(vlees)vee gehouden. Dit aantal is dusdanig gering dat sprake is van een hobbymatige activiteit. De dieren zullen beweid worden op de gronden in eigendom en aansluitend gelegen aan het perceel. Het vee wordt hobbymatig gehouden, waarbij de bewoners kunnen helpen om het vee te verzorgen (dit hoeft natuurlijk niet) en etensresten kunnen aan de dieren gevoerd worden (bijvoorbeeld aardappelschillen). De dieren staan het overgrote deel van het jaar buiten in de wei. Alleen in natte periodes komt het vee naar binnen om te voorkomen dat het land kapot gelopen wordt. De natte periodes vallen merendeels in de winter, als de mensen minder buiten zijn. In de zomerperiode staan de dieren buiten in de wei. Het beeld van het vee in de wei draagt bij aan de belevenis van het wonen in het buitengebied.
De bedrijfswoning blijft in de nieuwe situatie behouden en is essentieel voor een goede uitvoering van het zorgconcept. De bedrijfswoning wordt ook in de nieuwe situatie bewoond door de eigenaar van de locatie, als beheerder van het terrein. Deze kan hiermee direct toezicht houden op de bewoners van de woon-zorgunits (zorg/gezondheid), de aanwezige 26 stuks (jong)vee op het perceel (welzijn en gezondheid dieren) en de bezoekers van de bed and breakfastkamers (verwelkomen gasten en indien nodig beantwoorden vragen), welke geëxploiteerd worden door de eigenaar. Het zorgconcept is geborgd in een anterieure overeenkomst tussen initiatiefnemer en de gemeente Bernheze, waarin onder meer is vastgelegd wat aantoonbaar zorgbehoevend is, wat de zorg inhoudt en wie de zorg uitvoert.
38
Ad 2c Opslag, zoals de opslag van landbouwvoertuigen, en stalling vindt in zijn geheel plaats binnen bestaande gebouwen. Ad 2d Het perceel is van voldoende omvang voor de nieuwe functies. Er is voldoende verharding aanwezig. Er is voldoende omvang aan gebouwen aanwezig voor de toekomstige ontwikkeling van de nieuwe functies. Ad 3a De nieuwe maatschappelijke bestemming op het perceel met acht stuks woon-zorgunits vormt een kleinschalige woonzorgvoorziening. Ondergeschikt hieraan worden hobbymatig dieren gehouden en twee B&B’s geëxploiteerd. Zoals gesteld worden deze activiteiten ondergeschikt aan de maatschappelijke functie uitgeoefend, wat betekent dat dit kleinschalige ontwikkelingen betreffen. De woonzorgfunctie in combinatie met het hobbymatig houden van dieren maakt dat het bedrijf passend is in een gemengd gebied in het buitengebied. De planlocatie ligt aan een lint dat aansluit op de reeds gerealiseerde ruimte-voor-ruimte woningen welke aansluiten op de kern Heeswijk-Dinther. De genoemde kleinschalige functies op het perceel met de woonzorgwoningen als hoofdfunctie is niet passend op een bedrijventerrein. Ad 3b Er is op de locatie geen sprake van een detailhandelsvoorziening.
Ad 3c Er is op de locatie sprake van een voorziening ten dienste van vrije-tijd en zorg in de vorm van 8 stuks woon-zorgunits, gezamenlijke ruimte en het hobbymatige houden van 26 stuks jong(vlees)vee en (kinder)boerderijdieren en akkerbouw. De totale oppervlakte aan bebouwing die hiervoor gebruikt wordt bedraagt slechts 1.792 m2. Het plan betreft een kleinschalige woonzorgvoorziening. 3.2.6
Omgevingsverordening Noord-Brabant In de recent vastgestelde Omgevingsverordening zijn in artikel 5.78 de navolgende voorwaarden gesteld aan de vestiging van een niet-agrarische activiteit binnen een bestaand bouwperceel.
39
Artikel 5.78 Niet-agrarische activiteiten 1 Een omgevingsplan van toepassing op Landelijk gebied kan bepalen dat de ontwikkeling van een niet-agrarische activiteit binnen een bestaand bouwperceel mogelijk is als: a. dit past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied, bedoeld in artikel 5.12 ; b. aanwezige, overtollige bebouwing wordt gesloopt; en c. dit geen betrekking heeft op: 1. een kantoor met baliefunctie; 2. het toelaten van een nieuwe lawaaisport ; en 3. een toename van de bestaande gebruiksoppervlakte voor mestbewerking. 2 Het omgevingsplan borgt dat de niet-agrarische activiteit, ook op langere termijn, past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied als bedoeld in artikel 5.12 en stelt regels: a. over een bij de omgeving passende omvang en publieksaantrekkende werking; b. welke specifieke gebruiksactiviteit is toegestaan; c. dat opslag en stalling van voorwerpen of materialen plaatsvindt in gebouwen, behalve als de activiteit de opslag van zand, grond en grind betreft; d. dat de ontwikkeling verplaatst naar een passende locatie als deze niet langer past binnen de toegelaten omvang, bedoeld onder a. 3 Als uitgangspunt voor een bij de omgeving passende omvang als bedoeld in het tweede lid geldt voor: a. bedrijvigheid, dat deze kleinschalig is en past binnen een gemengde omgeving waardoor het niet doelmatig is om deze te vestigen op een bedrijventerrein; b.
een detailhandelsvoorziening, een omvang van het verkoopvloeroppervlak van ten hoogste 200 m²; c. een voorziening ten dienste van vrijetijd en zorg, een omvang van de bebouwing van ten hoogste 1 hectare. 4 Een omgevingsplan kan voorzien in een redelijke uitbreiding van een bestaande niet-agrarische activiteit, met uitzondering van een activiteit als bedoeld in artikel 5.75 Mestbewerking, als dat vanuit een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving qua omvang, effect op omliggende functies en ontsluiting past in de omgeving. Navolgend wordt kort ingegaan op de in de Omgevingsverordening gestelde voorwaarden aan de vestiging van een niet-agrarische functie. 40
Ad 1a Artikel 5.12 Ontwikkelingsrichting Een omgevingsplan dat de uitbreiding mogelijk maakt van een bestaande activiteit of dat een nieuwe functie of activiteit toedeelt in Landelijk gebied, bevat een onderbouwing dat zo'n ontwikkeling past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied. Een ontwikkelingsrichting wordt opgesteld met toepassing van de basisprincipes, bedoeld in paragraaf 5.1.2, en gaat in ieder geval in op de volgende aspecten: a.
welke activiteiten en functies vanuit een gebiedsgerichte benadering passen in de omgeving; b. welke effecten de ontwikkeling van die activiteiten en functies heeft op andere aspecten, waaronder een veilige en gezonde leefomgeving, de te beschermen waarden, bedoeld in afdeling 5.2, mobiliteit, agrarische ontwikkeling, stedelijke ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders; c. op welke wijze de omgevingskwaliteit in het gebied versterkt kan worden, mede gericht op de toepassing van artikel 5.11 Kwaliteitsverbetering landschap; en d. op welke wijze de sloop van overtollige bebouwing wordt gerealiseerd. Onderhavige locatie ligt in agrarisch gebied met in de omgeving agrarische bedrijven en betreft een voormalige agrarisch melkveebedrijf. Aan het lint, de Gouverneursweg bevinden zich veelal woonboerderijen met enkele agrarische bedrijven en andere functies zoals een beeldentuin en nog te realiseren winkel met streekproducten. De nieuwbouw van 8 woon-zorgunits worden aan het lint aansluitend aan het stedelijk gebied gerealiseerd. De nieuw te bouwen woon-zorgunits liggen hiermee op korte afstand van de kern, wat maakt dat het voor de bewoners van de woningen aantrekkelijk is om op deze locatie te verblijven.
Verder worden ondergeschikt aan de woon-zorgunits hobbymatig 26 stuks jong(vlees)vee in de bestaande stal op het perceel gehouden en wordt een dierenweide gerealiseerd waar boerderijdieren kunnen verblijven. Hierdoor blijft het perceel een agrarisch karakter behouden wat passend is in het buitengebied. De vestiging van de twee B&B’s op de locatie zijn ondergeschikt aan de woon-zorgunits, welke niet belemmerend voor agrarische bedrijven in de omgeving zijn doordat de intensiteit van de B&B’s gering is aangezien slechts sprake is van twee B&B’s die voor kortverblijf van bezoekers ter beschikking worden gesteld. Bovendien is de Gouverneursweg een zeer geschikte ontsluitingsweg om de verkeersbewegingen op te vangen.
41
Om onderhavige ontwikkeling mogelijk te kunnen maken worden bestaande stallen gesloopt. Tevens wordt een bestaande stal verbouwd waar een deel van de woon-zorgunits in worden ondergebracht. De sloop van de bebouwing, de verbouw van de bestaande stal en de komst van de nieuwbouw dragen positief bij aan de ruimtelijke omgevingskwaliteit van het gebied. Bij de vormgeving van de nieuwe woon-zorgunits en B&B’s /gemeenschappelijke ruimte is rekening gehouden met het landschappelijke karakter van het gebied. Met onderhavig plan wordt leegstand tegengegaan en draagt hiermee bij aan de leefbaarheid van het gebied en een duurzaam en vitaal platteland. Het plangebied is volledig landschappelijk ingepast. Voor het landschappelijk inpassingsplan wordt verwezen naar bijlage 5. In hoofdstuk 4 is de ontwikkeling uitvoerig getoetst aan de verschillende ruimtelijke en milieu hygiënische aspecten die een rol spelen. Hieruit zijn geen belemmeringen naar voren gekomen. Met het beëindigen van het melkveehouderijbedrijf ter plaatse is vooral sprake van een verbetering van de leefomgeving. Er wordt voorzien in een uitvoerige landschappelijke inpassing van het perceel en de bebouwing. Hiermee vindt er een belangrijke kwaliteitsverbetering van het landschap ter plaatse plaats. Ten behoeve van de ontwikkeling worden twee bestaande stallen met twee sleufsilo’s gesloopt.
Een bestaande stal wordt heringericht om onder meer de nieuwe woon-zorgfuncties mogelijk te maken en een bestaande stal wordt behouden voor de opslag van landbouwvoertuigen. Er is geen sprake van overtollige bebouwing. Ad 1b Twee bestaande stallen met sleufsilo’s worden gesloopt. Gebouwen die behouden blijven worden hergebruikt en behouden hun functie of krijgen een nieuwe functie. Ad 1c De ontwikkeling heeft geen betrekking op genoemde functies. Ad 2 en 3 Zie voorgaande paragraaf waarin dezelfde voorwaarden reeds getoetst zijn. Ad 4 De ontwikkeling betreft geen uitbreiding van een bestaande niet-agrarische activiteit, het betreft de herontwikkeling van een voormalige melkveehouderij. Met de landschappelijke inpassing van de nieuwe functies op het perceel wordt voorzien in een goede omgevingskwaliteit. De 42
ontwikkeling heeft verder geen nadelige invloed en past qua omvang, effect op omliggende functies en ontsluiting in de omgeving. Conclusie Blijkens voorgaande beantwoording van de gestelde voorwaarden in de (Interim) Omgevingsverordening, kan geconcludeerd worden dat de gewenste functie en bebouwing passend is. De ontwikkeling voldoet hiermee aan de regels uit de (Interim) Omgevingsverordening.
3.2.7
Kwaliteitsverbetering van het landschap In de Interim omgevingsverordening is vastgesteld dat een bestemmingsplan dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied, een verantwoording bevat van de wijze waarop financieel, juridisch en feitelijk is verzekerd dat de realisering van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een aantoonbare en uitvoerbare fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap of cultuurhistorie of van de extensieve recreatieve mogelijkheden van het gebied waarop de ontwikkeling haar werking heeft. De provincie Noord-Brabant heeft de concept Handreiking ‘Kwaliteitsverbetering van het Landschap, de rood met groen regeling’ gepubliceerd. Het doel van deze handreiking is informatie bieden om invulling te geven aan de ‘kwaliteitsverbetering van het landschap’ uit de Structuurvisie ruimtelijke ordening en de Interim omgevingsverordening. De handreiking is een hulpmiddel om invulling te geven aan de Interim omgevingsverordening en geen verplichte regel of beleidskader. De handreiking bepaalt niet wat ruimtelijke kwaliteit is en stelt ook geen regels over de aanvaardbaarheid van ontwikkelingen. Dat is de bevoegdheid van gemeenten, rekening houdend met de daarvoor geldende kaders.
In de handreiking wordt wel aandacht gegeven aan de noodzaak van het opstellen van een kwaliteitskader voor de uitvoering van ruimtelijk kwaliteitsbeleid. Onderhavige ruimtelijke ontwikkeling betreft een wijziging van de bestemming waarbij de agrarische bedrijfsbestemming op het perceel omgezet zal moeten worden naar de bestemming Maatschappelijk. In het schrijven van de provincie ‘Stand van zaken Kwaliteitsverbetering landschap’ van 9 juli 2012 en ‘Afspraken voor uitwerking en toepassing kwaliteitsverbetering van het landschap (10-01-2013)’, welke op 2 december 2015 is herzien, is vastgelegd dat een dergelijke ontwikkeling onder een categorie 3 ontwikkeling valt. Voor een dergelijke ontwikkeling is naast inpassing een berekende kwaliteitsverbetering van het landschap benodigd. Hier wordt in voorzien, zie bijlage 13. Middels de landschappelijke inpassing van de locatie wordt beantwoord aan de vereiste verantwoording in de
43
Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Ter zekerstelling van de landschappelijke inpassing is in de regels behorende bij dit bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen, waarmee zeker gesteld is dat de kwaliteitsverbetering zal worden uitgevoerd.
3.2.8
Afweging provinciaal beleid De ligging in het landelijk gebied waar veelal woonfuncties i.c.m. agrarische functies maakt dat een omschakeling naar een maatschappelijke functie mogelijk is, mits er voorzien wordt in een voldoende inpassing van het bouwperceel/bestemmingsvlak door middel van een landschappelijk inpassingsplan. Hier wordt in voorzien. Er zijn geen waarden in het geding. Als gesteld in de structuurvisie is het de opgave om de ontwikkelingen in het landelijke gebied zodanig vorm te geven dat er sprake is van een duurzaam en vitaal platteland, naast de opgave om rekening houdend met de draagkracht van het Brabantse landschap de transitie naar nieuwe vormen van duurzame energiewinning te realiseren. Gelet op de ligging, is er ruimte voor onderhavige ontwikkeling. De bestaande bebouwing op het perceel wordt heringericht voor de nieuwe functies op het perceel (907 m2) en worden bestaande stallen gesloopt (2.023 m2) die plaatsmaken voor nieuwbouw (885 m2). Het te slopen oppervlak is omvangrijker dan dat er nieuw gebouwd wordt en het bouwvlak blijft gelijk. Hiermee is sprake van zuinig ruimtegebruik. De gewenste functie op het perceel en de bebouwing is passend en voldoet aan de regels uit de (Interim) omgevingsverordening.
3.3
GEMEENTELIJK BELEID
3.3.1
Structuurvisie Bernheze Op 1 februari 2010 heeft de gemeenteraad van Bernheze de Structuurvisie Bernheze vastgesteld. In deze Structuurvisie wordt de gewenste ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente beschreven. De Structuurvisie is een visie op hoofdlijnen en vormt daarmee een belangrijk (toetsing)kader voor het initiëren, beoordelen, afwegen en vaststellen van nieuwe ruimtelijke plannen, zoals bestemmingsplannen en projecten. In de Structuurvisie staan de belangrijkste ruimtelijke ontwikkelingen voor de komende jaren beschreven. De Structuurvisie bestaat uit twee delen, te weten: Het ruimtelijke casco (Deel A) en het uitvoeringsprogramma (deel B). In deel A wordt vanuit een
44
bondige analyse een visie geformuleerd op het plangebied. Deze visie bestaat uit het ontwikkelingskader (bestaand en nieuw beleid) en droombeeld (mission statement) voor de lange termijn en komt tot stand door een locatie overstijgende discussie. Het Ruimtelijk Casco beoogt de samenhangende structuren naar boven te halen en hieraan logische strategieën te koppelen, waarmee het een casco vormt voor concrete projecten en plannen. Het is een afwegingskader, maar tegelijkertijd ook een inspiratiekader voor ruimtelijke ontwikkeling. Het Ruimtelijk Casco geeft richting zonder te spreken over een programma. Het geeft de mogelijkheden weer en is flexibel wat betreft de exacte invulling op de korte termijn. In deel B worden de ruimtelijke opgaven voor de korte en middellange termijn benoemd en de meest geschikte locaties hiervoor aangewezen. Daarnaast formuleert de gemeente welke concrete projecten en plannen op korte termijn richting uitvoering worden gebracht en hoe deze gerealiseerd gaan worden. Het uitvoeringsprogramma zal periodiek worden geactualiseerd en geeft daarmee steeds voor een bepaalde periode weer, op welke wijze het droombeeld tot uitvoering wordt gebracht. Onderhavige planlocatie is gelegen in Halfopen landschap en Cultuurhistorisch waardevol landschap tussen de kern Heeswijk-Dinther en het kasteel Dinther als cultuurhistorisch landgoed.
In de beekdalen en op de dekzandruggen rond de historische bebouwingsconcentraties heeft het agrarische gebruik van het open landschap geleid tot een halfopen landschap met oude bouwlanden, boscomplexen en kronkelende wegen. Het halfopen landschap wordt voor het grootste deel gebruikt als landbouwgrond. Door de variatie in dit halfopen landschap is er een coulisselandschap gevormd. Het voegt een kwaliteit toe aan het beeld van de gemeente Bernheze en dient geconserveerd te worden. Verandering aan dit landschap moet hier ook zoveel mogelijk worden voorkomen. In het Cultuurhistorisch waardevol landschap komen authentieke (agrarische) elementen (akkers, reliëf, verkavelings-, begroeiings- en wegenpatronen) voor die op zichzelf en in hun onderlinge samenhang een bijzondere betekenis hebben voor de herkenbaarheid van de occupatiegeschiedenis. Zij hangen als ‘systeem’ nauw samen met cultuurhistorische waarden binnen de kernen en de aanwezige kastelen- en landgoederenstructuur langs de Aa en vormen zij hiermee een onderdeel van de regionale cultuurhistorie. Het is van belang dat cultuurhistorische waarden behouden en beschermd worden om hun betekenis voor de toekomst te behouden. Ontwikkelingen zijn mogelijk indien zij bijdragen aan een versterking van het landschap.
Met onderhavige plan zullen de nieuwe woon-zorgunits en B&B’s worden ingepast in het landschap, wat zorgt voor een ruimtelijke kwaliteitsverbetering. Deze kwaliteitsbijdrage wordt versterkt door de aanleg van een dierenweide als rustpunt voor recreanten, welke openbaar 45
toegankelijk is. In het uitvoeringsprogramma wordt aangegeven dat gelden uit het Fonds worden verstrekt aan woningbouwprojecten in de sociale sector van groot maatschappelijk belang, in het bijzonder voor de doelgroepen senioren en starters, alsmede de ‘aandachtsgroep’ (in het kader van betaalbaarheid) en kwetsbare groepen. Deze bijdrage uit het Fonds dient ter dekking van een tekort dat binnen zo’n woningbouwproject aangetoond kan worden als het gevolg van het specifiek bouwen voor deze doelgroepen of vanwege de complexiteit van het project. Tevens wordt in de visie aangegeven dat gekeken moet worden naar de mogelijkheden om stallen in het buitengebied om te bouwen tot wooneenheden voor senioren of starters met een variatie aan kleinschalige detailhandel en andere vormen van kleinschalige bedrijvigheid. Deze detailhandel/bedrijvigheid speelt in op het toerisme en biedt streekproducten of diensten (B&B’s, campings) aan. Op basis hiervan kan worden gesteld dat de gemeente Bernheze kansen ziet in het bouwen van zorgwoningen voor doelgroepen zoals senioren met een beperkte zorgvraag, zoals in onderhavig plan. Figuur 10 Uitsnede kaart Structuurvisie Bernheze (locatie is zwart omcirkeld).
3.3.2
Gebiedsvisie ‘Bebouwingsconcentraties Bernheze’ De gemeente Bernheze heeft de Gebiedsvisie ‘Bebouwingsconcentraties Bernheze’ opgesteld (d.d. 13 september 2021). Deze gebiedsvisie heeft betrekking op uitsluitend de bebouwingsconcentraties in de gemeente Bernheze. Gezien de toenemende druk op het buitengebied door agrarische schaalvergroting, ruilverkaveling en grootschalige naoorlogse woningbouw is de ruimtelijke 46
kwaliteit van de kernen en het buitengebied alsook de bebouwingsconcentraties zichtbaar veranderd. Het is van belang dat gebieden een eigen identiteit behouden met hun karakteristieke kenmerken. De visie voor bebouwingsconcentraties vraagt dan ook om maatwerk, aangezien iedere kern en iedere bebouwingsconcentratie uniek is, met haar eigen mix aan functies en kwaliteiten, maar ook met specifieke kenmerken en historische identiteit. De visie beschrijft dan ook het ideale Figuur 11 Uitsnede kaart Gebiedsvisie ‘Bebouwingsconcentraties Bernheze’ – vier landschapstypen (locatie is rood omcirkeld).
wensbeeld voor de bebouwingsconcentraties en vormt hiermee een toetsingskader voor initiatieven en ontwikkelingen.
Op basis van de kaart uit de Gebiedsvisie Bebouwingconcentraties Bernheze – vier landschapstypen is af te lezen dat het plangebied is gelegen binnen het beekdallandschap grenzend aan de dekzandrug. De beekdalen hebben een halfopen en kleinschalig karakter en vormen een duidelijk zichtbare laag in het landschap gelegen beken. Het vormt een relatief open, vrij gaaf beekdal met verspreide loofbosjes die dekzandruggen markeren, oude meanders en vochtige graslanden. Aan de zuidwestzijde van de kern Heeswijk-Dinther zijn karakteristieke verspreide boscomplexen met
47
populieren aanwezig. Bijzondere elementen in dit landschap zijn onder andere kasteel Heeswijk, met slotgracht en lanenstelsel, Huis Zwanenburg en Kildonkse Molen. Verder liggen verspreid in het buitengebied een aantal bebouwingsclusters en –linten. De aanwijzing van deze clusters en linten komt voort uit de Structuurvisie van de gemeente Bernheze. Deze aanwijzing van clusters en linten is geen harde begrenzing voor bebouwingsconcentraties, maar is een hulpmiddel om een gewogen afweging op basis van concrete initiatieven mogelijk te kunnen maken. Het plangebied is niet gelegen binnen zo’n aangewezen bebouwingsconcentratie. Wel ligt het plangebied dicht tegen de indicatieve contour kernrandzone aan en ligt het plangebied aan een bebouwingslint ‘Gouverneursweg’. Figuur 12 Uitsnede kaart Gebiedsvisie ‘Bebouwingsconcentraties Bernheze’ – kernrandzonebebouwingsconcentratie/lint (locatie is rood omcirkeld).
Ook is binnen het plangebied geen sprake van een gebied wat nader is aangeduid als landschapsvenster, omdat geen sprake is van open ruimtes die onderdeel zijn van een aangeduide bebouwingsconcentratie. Daar waar geen landschapsvenster is aangegeven is op basis van de landschappelijke kwaliteit in beginsel bebouwing toegestaan. Het toevoegen van bebouwing kan in een sterkere landschapsbeleving resulteren. Gesteld kan worden dat onderhavig plan bijdraagt aan het creëren van een landschapsvenster, het open gebied tussen de Gouverneursweg 3 en 3a wordt met het plan in tact gelaten. Verder ligt het plangebied in het deelgebied ‘Entree West’. Dit deelgebied maakt onderdeel uit van de rondom de kern Heeswijk-Dinther opgedeelde 48
vijf deelgebieden. Het deelgebied ‘Entree West’ loopt van het historisch lint van Heeswijk (Gouverneursweg) westwaarts richting Middelrode en volgt hiermee de dekzandrug langs de Aa. Het gebied wordt gekenmerkt door een veelheid aan functies variërend van gerenoveerde woonboerderijen tot kleinschalige bedrijvigheid. Ook zijn er nog enkele grondgebonden agrarische bedrijven zichtbaar. Het gebied heeft een afwisselend en groen karakter met een goede balans tussen ruimte en massa. Het verder Figuur 13 Uitsnede kaart Gebiedsvisie ‘Bebouwingsconcentraties Bernheze’ – deelgebieden (locatie is rood omcirkeld).
verdichten van deze linten is niet wenselijk. Zichtbaar is dat de voormalige hoeves landschappelijk zijn ingepast met omvangrijke, groene tuinen. Rondom agrarische bedrijven is hiervan geen sprake en is de landschappelijke inpassing matig (kaal). In dit gebied zijn voor onderhavige uitgangspunten op hoofdlijnen van belang:
ontwikkeling
de
volgende
Het beleefbaar houden van de oude akker in relatie tot de (agrarische) linten door waardevolle doorzichten vanaf de weg te behouden en hier geen nieuwe bebouwing toe te staan. Eventuele toevoeging van kleinschalige bebouwing is mogelijk in de oostwest gerichte hoofdlinten. Niet aan de secundaire noordzuid gerichte wegen. Het landschappelijk inpassen van storende bebouwing (stalcomplexen). Het doorzetten van de laanbeplanting langs de Gouverneursweg en Fokkershoek tot in de kern Heeswijk. Daarnaast is het voor de dorpsontwikkeling van belang dat wordt ingezet op behoud van de diversiteit van de kernen en linten. Het afwisselende karakter van kleinschalige bedrijvigheid, agrarisch gebruik en woningbouw zorgt dat het gebied dynamisch blijft. Om te voorkomen dat zowel senioren als jongeren de gemeente verlaten, wordt ingezet op kleinschalige woningbouw met passende woningbouwtypen. 49
Met onderhavige ontwikkeling wordt aangesloten op bovenstaande uitgangspunten. Er is geen sprake van verdere verdichting van het historische lint Gouverneursweg. Momenteel zijn de bestaande voerplaat, twee sleufsilo’s, melkveestal en varkensstal zichtbaar vanaf de Gouverneursweg. Deze opstallen en voorzieningen zullen met onderhavige ontwikkeling komen te vervallen. Hiervoor in de plaats worden acht woonzorgunits ingepast met een gezamenlijke ruimte met twee B&B’s. De omvang in bebouwing en verharding neemt hierdoor flink af. De nieuwe bebouwing verkrijgt een maximale hoogte van 6,5 meter. Door het wegvallen van de melkveestal en op deze plek een minder breed gebouw terugkomt met vijf woonzorgwoningen erin opgenomen met een nokhoogte van circa 5,3 meter verkrijgt het perceel een minder kolossale (robuuste) uitstraling. Hierdoor worden meer doorzichten naar het achterliggende landschap mogelijk gemaakt, wat de relatie met het landschap versterkt. De vervangende nieuwbouw is kleinschalig en vindt plaats aan de Gouverneursweg, een historisch lint in oost-westelijke richting. Hier liggen mogelijkheden voor de toevoeging van kleinschalige bebouwing.
Bovendien verkrijgt het gehele perceel een moderne uitstraling met een meer groen karakter, waarbij de bestaande bomen en beplanting veelal behouden blijven en versterkt worden door de aanplant van gebiedseigen bomen, hagen en beplanting. Voor het landschappelijk inpassingsplan wordt verwezen naar de bijlagen. Verder is met onderhavig plan sprake van een versterking van de landschapswaarden in het gebied door: De planlocatie maakt onderdeel uit van een dorpslint als historische cultuur; Er is geen sprake van verdichting op het bouwvlak (minder verhard oppervlak); De doorzichtlijnen naar het achterliggende landschap worden geborgd en versterkt; De agrarische functie komt te vervallen (daarmee verschraling en verkaling); Een goede balans tussen ruimte en massa en ruimte is waardevol en wordt behouden; De kleinschalige nieuwe bebouwing wordt landschappelijk ingepast; Voor de afvoer van het hemelwater afkomstig van de nieuwe bebouwing is binnen het plangebied een infiltratiepoel in de groenvoorziening opgenomen, waardoor het hemelwater binnen het plangebied vastgehouden kan worden en infiltreren. Het hemelwater afkomstig van erfverhardingen (inritten) zal in het omliggende groen infiltreren. Hiermee wordt met onderhavig plan 50
hydrologisch neutraal gebouwd en wordt met het plan een positieve bijdrage geleverd aan het behoud van een goede waterhuishoudkundige situatie waarbij bestaande water- en natuurwaarden (Natte Natuurparel) in acht zijn genomen. Door deels bestaande bebouwing te hergebruiken en kleinschalige nieuwe bebouwing toe te voegen op het perceel wordt verrommeling van het landschap voorkomen. Ook blijft het in de nabijheid gelegen waardevolle beekdal onaangetast, doordat hier geen bebouwing wordt gerealiseerd. Er wordt met onderhavig plan zelfs een positieve bijdrage geleverd aan de beekdalontwikkeling, doordat initiatiefnemer gronden achter bij de beek heeft verkocht aan het waterschap Aa en Maas voor de herinrichting van de beek de Aa. Met de herinrichting van de Aa wordt een klimaatbestendig beekdal van de Aa beoogd, waar functies op het gebied van water, natuur, landbouw, recreatie, cultuurhistorie en landschap elkaar versterken. Hiermee wordt met onderhavig plan bijgedragen aan een versterking van de landschapswaarden in het gebied. 3.3.3
Visie recreatie en toerisme Bernheze 2018-2022 De gemeente Bernheze heeft de ‘Visie recreatie en toerisme Bernheze 20182022’ opgesteld (d.d. juli 2018). De gemeente Bernheze acht een gezonde vrijetijdssector van belang en zet voor de komende jaren in op recreatie en toerisme als speerpunt van beleid. Hiervoor is een heldere en strategisch leidraad voor nodig. De Visie recreatie en toerisme Bernheze 2018-2022 geeft hier invulling aan. Binnen de gemeente Bernheze zijn een aantal natuur- en cultuurparels zichtbaar, zoals kasteel Heeswijk nabij Heeswijk-Dinther en meerdere, kleinere cultuurhistorische pareltjes in een mooie omgeving, zoals natuurgebied de Maashorst aan de oostzijde van de gemeente. Uit de visie komt naar voren dat het voornaamste doel van het recreatie- en toerismebeleid is om zorg te dragen voor een kwalitatief sterk en samenhangend toeristisch-recreatief product. Daarbij ligt de primaire focus op de dagrecreant en de verblijfsrecreant die in de (ruime) omgeving van Bernheze verblijft, ze te enthousiasmeren Bernheze te bezoeken en daar meer te besteden. De gemeente heeft op basis van deze ambitie de volgende vier speerpunten in haar beleid opgenomen: 1. Optimalisatie van de route infrastructuur; Het gaat hierbij om acties die zorgen voor een optimale recreatieve verbinding binnen en tussen de verschillende ‘recreatieve zones’ in de gemeente en daarbuiten. 51
2. Marketing, promotie en informatievoorziening; Het gaat hierbij om acties die ervoor zorgen dat de toerist en/of recreant de verschillende parels en gebieden binnen de gemeente weet te vinden en op de juiste wijze geinformeerd en geinspireerd wordt over het aanbod. 3. Kwaliteitsimpuls huidige aanbod; Het gaat hierbij om acties die huidige ondernemers en voorzieningen helpen om zich verder kwalitatief door te ontwikkelen, zodat het aanbod nog beter aansluit op de vraag en de gemeente zich echt kan onderscheiden op het gebied van kleinschalige, authentieke en kwalitatief hoogwaardige producten. 4. Versterking van de samenhang; Het gaat hierbij om acties die ervoor zorgen dat zowel binnen de gemeente als buiten de gemeentegrenzen de optimale samenwerking wordt gestimuleerd, zodat een voor de toerist zo veel mogelijk samenhangend en elkaar versterkend product wordt geboden. Onderhavige plangebied is gelegen binnen de toeristisch-recreatieve zone 1. Dit is het gebied rondom Heeswijk-Dinther waar de belangrijkste kernwaarde de (cultuur)historie ligt. De gemeente ziet hier belangrijke kansen voor verdere versterking en doorontwikkeling van deze kernwaarden, om tevens de relatie met Den Bosch verder te versterken.
Onderhavige ontwikkeling, waarbij sprake is van een mix van functies, recreatie (B&B), zorgwoningen voor senioren, extensief agrarisch gebruik zorgen voor een kwaliteitsimpuls van het huidige aanbod. De twee Bed & Breakfast kamers kunnen gebruik gemaakt worden door bezoekers van de huurders van de zorgwoningen. Kijkende naar omliggende cultuurhistorische en recreatieve functies, zoals het in de directe nabijheid ten westen gelegen kasteel Heeswijk, zijn er kansen om de Bed & Breakfast functie voor bezoekers van de zorgwoningen breder te trekken naar een recreatieve functie voor de omgeving. In kasteel Heeswijk vinden regelmatig omvangrijke evenementen en concerten plaats, waar vele bezoekers op af komen. Voor deze bezoekers is voldoende parkeergelegenheid en slaapgelegenheden benodigd. Met onderhavig plan is het mogelijk hier een positieve bijdrage aan te leveren. Enerzijds zullen de landbouwgronden rondom het perceel aan de Gouverneursweg 3a dienst doen als parkeergelegenheid voor bezoekers van kasteel Heeswijk. Anderzijds zullen twee Bed & Breakfastkamers een belangrijke bijdrage leveren in het aanbieden van een slaapgelegenheid voor bezoekers van de activiteiten en evenementen in Kasteel Heeswijk. Hierover zijn reeds afspraken vastgelegd en geborgd.
Door deze samenwerking aan te gaan is een relatie gelegd tussen de cultuurhistorische functie van kasteel Heeswijk met het aanbod van Bed & 52
Breakfastkamers als recreatieve functie. Hierdoor ontstaat een unieke combinatie van functies, waarmee de gebruikswaarde van de locatie die voorheen enkel agrarisch werd gebruikt wordt verhoogd en hiermee in samenhang wordt ontwikkeld. Met de ontwikkeling wordt een toeristisch-recreatief product binnen de gemeente Bernheze toegevoegd en wordt aangesloten op de ontwikkelingsrichting van kasteel Bernheze, wat een belangrijke cultuurhistorische functie binnen de gemeente Bernheze vormt en behouden moet worden. Om de cultuurhistorische functie van het gebied stand te kunnen houden is het belangrijk het gebied recreatief aantrekkelijk te houden. Onderhavige ontwikkeling draagt hieraan positief bij door onder meer de ligging van het plangebied in de directe nabijheid van Kasteel Heeswijk, waar veel fietsers en wandelaars langs komen die op weg zijn naar het kasteel, het onderbrengen van gasten in Bed & Breakfastkamers, te faciliteren in parkeergelegenheid en het versterken van de belevingswaarde van de extensieve agrarische functie op het perceel in een groene omgeving. De maatschappelijke, recreatieve en extensieve agrarische functie worden hiermee volledig opgenomen in een groene omgeving, waarmee een versterking van het landschap mogelijk is. De locatie verkrijgt hiermee een eigen identiteit. 3.3.4
Omgevingsvisie Bernheze 2040 De gemeente Bernheze heeft op 7 maart 2024 de Omgevingsvisie Bernheze 2040 vastgesteld. Met deze visie richt te gemeente zich op het behoud van de omgevingskwaliteit en het richting geven aan nieuwe ontwikkelingen voor onze fysieke leefomgeving voor de lange termijn voor de periode tot 2040, met een doorkijk naar 2050. Het is van belang dat gestreefd wordt naar samenhang tussen ruimte, gezondheid, water, milieu, natuur, landschap, verkeer en vervoer, infrastructuur, recreatie, landbouw en cultureel erfgoed. In deze visie wordt een verkenning gedaan hoe deze verschillende functies zich in de toekomst ontwikkelen en waar ruimte voor ontwikkeling is. In de omgevingsvisie staan de volgende vijf thema’s centraal: 1. 2. 3. 4. 5.
Gezonde leefomgeving; Leefbare kernen; Klimaatbestendig en (herstel) biodiversiteit; Vitale en duurzame landbouw en economie; Kwaliteit landschap en erfgoed.
53
Bovenstaande vijf thema’s zijn nader uitgewerkt voor de verschillende deelgebieden binnen de gemeente Bernheze. Onderhavig plangebied ligt binnen het Beekdallandschap van de Aa en Leijgraaf. Voor onderhavige ontwikkeling zijn meerdere thema’s van toepassing. Met het plan is sprake van een mix van functies op het perceel, waarbij passende woningen voor senioren met een beperkte zorgvraag (thema’s 1 en 2) en twee bed&breakfastkamers als recreatieve functie mogelijk worden gemaakt (thema 4) en is sprake van extensief agrarisch gebruik door op het terrein hobbymatig dieren te houden, welke verzorgd worden door de cliënten zelf, waardoor deze functie ook nog een maatschappelijke functie vervult (thema 4). Op deze manier verkrijgt het van oorsprong agrarische perceel een nieuwe identiteit door deze samenhangende mix van functies. Het wegvallen van agrarische bebouwing en het hiervoor in de plaats toevoegen van moderne kleinschalige nieuwbouw zorgt voor een ruimtelijke kwaliteitswinst.
Daarnaast wordt met onderhavige ontwikkeling ingespeeld op het thema ‘Kwaliteit landschap en erfgoed’ (thema 5), doordat onder meer een samenwerking is aangegaan met het cultuurhistorisch waardevol kasteel Heeswijk, zoals eerder aangehaald in de ‘Visie recreatie en toerisme Bernheze 2018-2022’ en het nabijgelegen waardevolle beekdal behouden blijft en ontwikkeld wordt door het afstoten van landbouwgronden aan het waterschap voor de beekdalontwikkeling (thema 3), zoals eerder aangegeven in de ‘Gebiedsvisie Bebouwingsconcentraties Bernheze’. Hiermee sluit het plan aan op de ontwikkelingsrichting van de vijf thema’s uit de omgevingsvisie. 3.3.5
Welstandsnota Bernheze ‘Regels ter bescherming van cultuurhistorie’ Op 1 oktober 2015 heeft de gemeente Bernheze de Welstandsnota Bernheze ‘Regels ter bescherming van cultuurhistorie’ opgesteld. De gemeente Bernheze heeft de welstandsnota opgesteld om de regeldruk voor inwoners en bedrijven in Bernheze te verminderen. Dit wordt gedaan door de welstandstoets voor grote delen van de gemeente af te schaffen. Binnen de gemeente Bernheze worden veel gebieden welstandsvrij. Voor enkele locaties blijft welstandstoezicht wel van belang. Dit geldt voor cultuurhistorische waardevolle gebieden die het bijzondere karakter van Bernheze bepalen. Binnen de gemeente Bernheze zijn de volgende welstandscriteria gebieden opgenomen: het agrarische cluster, het historische dorpscentrum; de woningbouw uit de wederopbouwperiode.
54
Het agrarische cluster: Het agrarische cluster kent een agrarische oorsprong en is vaak ontstaan aan een belangrijke weg of kruising van wegen. De clusters ontstonden op de hogere gronden, op de overgang naar lager en natter gebied. De meest voorkomende en karakteristieke bebouwing is de langgevelboerderij. De langgevelboerderij is functionele bebouwing, gericht op doelmatig en veelzijdig agrarisch gebruik. Dit uit zich in een eenvoudige opzet en sobere detaillering. Het historisch dorpscentrum De dorpen hebben een agrarische oorsprong. Door de strategische ligging hebben deze nederzettingen zich ontwikkeld tot dorp. In het dorp is een concentratie van wonen aanwezig. De agrarische oorsprong is in de kernen van Bernheze nog duidelijk te herkennen door de aanwezigheid van boerderijen in de dorpsstructuur. De weide- en akkervelden om de boerderijen zijn in de loop van de tijd volgebouwd. Aan het dorpslint is zo bebouwing ontstaan met een mix van bouwstijlen en uit verschillende tijdsperioden. De concentratie van bebouwing in de dorpscentra begon rond de vorige eeuwwisseling. Tot halverwege de 20ste eeuw was de dorpsontwikkeling gericht op het concentreren van bebouwing aan bestaande dorpslinten. De woningbouw uit de wederopbouwperiode Tijdens de wederopbouwperiode na de tweede helft van de 20ste eeuw, zijn in Bernheze de eerste planmatige uitbreidingen gerealiseerd.
De woningbouwplannen liggen dan niet meer aan het dorpslint. De woningbouw heeft een planmatige opzet en er wordt voor het eerst seriematig gebouwd. De ontwikkelingen zijn nog steeds kleinschalig. De woningen hebben een traditionalistische architectuur (Delftse school) en bij sommige gebouwen zijn invloeden van de Bossche school te zien. Plangebied De planlocatie is niet gelegen in de drie hierboven genoemde welstandscriteria gebieden. Bij het ontwerp van de woon-zorgunits en gemeenschappelijke ruimte/ontbijtruimte en B&B’s is rekening gehouden met het landschappelijke karakter van het gebied. De nieuwe woonzorgunits verkrijgen een flauwe dakhelling en goot- en nokhoogte van circa 3 meter respectievelijk 5,5 meter. Bij de gemeenschappelijke ruimte/ontbijtruimte en B&B’s bedragen deze circa 2,6 meter respectievelijk 6,5 meter. Bij het ontwerp van de nieuwe bebouwing is veelal gebruik gemaakt van natuurlijke materialen (hout) en veel glas. Gezien de hoogte en het veelvuldig toepassen van houten elementen en glas verkrijgt de nieuwe bebouwing een uitstraling als een schuurwoning/gebouw wat uitermate 55
geschikt is in het buitengebied. De ontwikkeling zorgt hiermee voor een ruimtelijke kwaliteitswinst binnen het gebied. 3.3.6
Beleid woonzorginitiatieven gemeente Bernheze De zorg verandert en dat heeft ook invloed op het wonen. Er komen steeds meer initiatieven voor woonvormen waarin op kleine schaal zorg kan worden verleend. Er is in de maatschappij een breed draagvlak voor de ontwikkeling en bouw van kleinschalige woonvormen die vanuit het landelijk zorgbeleid niet meer worden beschouwd als maatschappelijke voorziening, maar als een woonvoorziening. Ook in de gemeente Bernheze zijn ontwikkelingen terug te zien in de verzoeken voor nieuwe kleinschalige woonzorgvormen. De behoefte bij de beoordeling van woonzorginitiatieven in gemeente Bernheze is om ‘grip’ te krijgen op de diversiteit van woonvormen. Voor het buitengebied is de strategie dat voor de bebouwingsclusters het hergebruik van voormalige agrarische bedrijfslocaties voor niet-agrarische functies alsmede (beperkte) toevoeging van nieuw bouwvolume is toegestaan. In onderhavig geval vindt een afname van ‘rood’ plaats met uitvoering van onderhavig initiatief. Belangrijke randvoorwaarde voor de verruimde mogelijkheden is een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit in brede zin. Hier wordt aandacht aan besteed in paragraaf 2.2. Er is voor de woon-zorgunits aan de Gouverneursweg 3a gekozen voor een kleinschalige woonvorm voor een specifieke doelgroep een aanduiding maatschappelijk te geven.
De woon-zorgunits komen beschikbaar voor personen van 55+ met een beperkte zorgvraag. De ontwikkeling van de woon-zorgunits gaat uit van wonen waarbij een zekere mate van zorg kan worden aangeboden. Er is sprake van een afhankelijkheid tussen de woonfunctie en de behoefte aan zorg, de units zijn niet voor iedereen. De personen die gebruik maken van de woon-zorgunits hebben een (beperkte) zorgvraag. Zij kunnen ervoor kiezen om gezamenlijk zorg in te kopen bij een door de bewoners te kiezen partij (bijvoorbeeld bij Pantein). Het is nadrukkelijk niet de bedoeling dat de zorgverleners, al dan niet in het kader van mantelzorg, op de locatie komen wonen.
56
4
OMGEVINGSASPECTEN
4.1
MILIEU
4.1.1
M.e.r.-plicht In deze paragraaf wordt ingegaan op de relevante milieuaspecten en bekeken in hoeverre er sprake is van belemmeringen voor de voortgang van het plan. Met deze herziening van het bestemmingsplan worden twee bestaande stallen gesloopt, de bouw van vijf woon-zorgunits, twee B&B’s en een gemeenschappelijke ruimte/ontbijt in nieuw te bouwen gebouwen mogelijk gemaakt en een bestaande stal heringericht voor de vestiging van drie zorgwoonunits i.c.m. hobbymatig houden van dieren (26 stuks jong(vlees)vee) en (kinder)boerderijdieren. Dit ten opzichte van de bestaande situatie. Dit kan leiden tot een m.e.r.(beoordelings)-plicht. Of een m.e.r.-procedure of m.e.rbeoordeling noodzakelijk is, hangt af van het feit of de ontwikkeling (activiteit) is opgenomen in lijst C en D van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). Per 7 juli 2017 is een wijziging van het Besluit m.e.r. in werking getreden. Wanneer de voorgenomen de ontwikkeling (activiteit) is opgenomen in lijst C en D van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) moet getoetst worden of er sprake is van nadelige milieugevolgen en moet wanneer hier sprake van is een vormvrij m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen worden. Conclusie De voorgenomen activiteiten komen niet voor als activiteit in Bijlage D van het Besluit m.e.r.. Er is geen sprake van een m.e.r.(beoordelings)-plichtige activiteit.
Er is geen m.e.r.(beoordelings)-procedure noodzakelijk. Er hoeft geen vormvrij m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen te worden.
57
4.1.2
Bedrijven- en milieuzonering Een goede ruimtelijke ordening beoogt het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten van bestaande en toekomstige bedrijvigheid om zodoende kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Op grond van de Wet milieubeheer zijn bedrijven en instellingen verplicht te voldoen aan de eisen uit het Activiteitenbesluit, dan wel een omgevingsvergunning te hebben voor de exploitatie van het bedrijf, waarbij rekening gehouden dient te worden met de omliggende woonbebouwing. Doormiddel van de milieuwet- en regelgeving wordt (milieu)hinder in woongebieden zoveel mogelijk voorkomen. Om te komen tot een verantwoorde, ruimtelijk relevante toetsing in milieuhygiënisch opzicht van bedrijfsvestigingen, wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde milieuzonering. Hieronder wordt verstaan het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen, anderzijds milieugevoelige functies als (bedrijfs)woningen, zorginstellingen, onderwijsinstellingen, kinderopvang e.d. Daarnaast is de milieuwetgeving van toepassing.
In de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ (2009), die voor het eerst in 1986 verscheen en daarna een aantal malen is geactualiseerd, is een omvangrijke lijst van bedrijven opgenomen, waarin per bedrijf voor een aantal aspecten de mate van ruimtelijk relevante hinderlijkheid is weergegeven. Per bedrijfstype zijn voor elk van de aspecten geur, stof, geluid en gevaar minimale afstanden aangegeven die in de meeste gevallen kunnen worden aangehouden tussen een bedrijf en woningen om hinder en schade aan mensen binnen aanvaardbare normen te houden. Deze richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype. Indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt, kunnen gemotiveerd kleinere richtafstanden worden aangehouden bij het omgevingstype gemengd gebied, dat gezien de aanwezige functiemenging of ligging nabij drukke wegen al een hogere milieubelasting kent. In een gemengd gebied kunnen de richtafstanden met één afstandstap worden verlaagd zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat. Locatie De ontwikkeling betreft woon-zorgunits. Deze categorie is niet als zodanig opgenomen in de richtafstanden tabel van de VNG zoals opgenomen in bedrijven en Milieuzonering. De categorie die het dichtste in buurt komt is en verzorgingsthuis.
De richtafstand voor een dergelijke functie is 10 meter voor geur, 0 meter voor stof, 30 meter voor geluid en 0 meter voor gevaar. De grootst te hanteren afstand bedraagt dus 30 meter. Binnen 30 meter rondom de locatie zijn geen gevoelige objecten gelegen. Het 58
dichtstbijzijnde gevoelige object is gelegen op een afstand van 35 meter gemeten van grens bestemmingsvlak tot grens bestemmingsvlak. Hiermee wordt aan de richtafstanden voldaan. In de omgeving liggen veelal agrarische bedrijven. Aan de Gourverneursweg 8, 8a is een agrarisch bedrijf gelegen. De afstand van het bouwvlak van de planlocatie tot het bouwvlak van dit agrarisch bedrijf bedraagt circa 280 meter. Hiermee wordt ten alle tijden voldaan aan de richtafstanden. Aan de Gouverneursweg 1c is een rundveebedrijf gelegen. Ook hier geldt dat deze op ruim voldoende afstand (circa 380 meter) ligt ten opzichte van de planlocatie. De overige agrarische bedrijven in de omgeving liggen op meer dan 370 meter ten opzichte van de planlocatie. Hiermee wordt ruimschoots aan de richtafstanden voldaan. Verder is aan de Gouverneursweg 6a een beeldentuin gelegen. De afstand van het bouwvlak van dit bedrijf tot aan het bouwvlak van de planlocatie bedraagt circa 55 meter. Hiermee wordt tevens aan de richtafstand voldaan. Op het aspect geur wordt in paragraaf 4.1.4 nader ingegaan.
Omliggende landbouwgronden Toetsingskader Hoewel in geen enkele wettelijke regeling in acht te nemen afstanden zijn opgenomen voor spuitzones tussen gevoelige bestemmingen enerzijds en percelen met open teelt waarop gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, dient op basis van het criterium goede ruimtelijke ordening (artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening) wel te worden beoordeeld of het gebruik van die middelen onaanvaarbare gevolgen heeft voor het woon- en leefklimaat. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt als vuistregel dat een afstand van 50 meter tussen het perceel waarop de teelt plaatsvindt en te realiseren nieuwe gevoelige functies zoals woningen kan worden gehanteerd. Kortere afstanden zijn ook mogelijk, indien dat blijkt uit een locatiespecifiek onderzoek. In de praktijk blijkt dat vaak mogelijk voor andere teeltvormen dan fruitteelt, zoals bijvoorbeeld de teelt van bomen, vaste planten, bloemen, bloembollen, groente in de volle grond of andere vormen van akkerbouw. Voor zo'n locatiespecifiek onderzoek zijn de volgende aspecten van belang:
de toedieningswijze van het gewasbeschermingsmiddel (handmatig of machinaal, in druppelsvorm of vernevelen, op- en zijwaarts of neerwaarts spuiten, etc); het type teeltgewas; de frequentie van het spuiten; het toegepaste bestrijdingsmiddel; de overheersende windrichting; 59
de aanwezigheid van driftreducerende omstandigheden, zoals hagen, watergangen of andere relevante objecten tussen de akker en de gevoelige functie.
Toetsing De afstand tussen de maatschappelijke bestemming (en wonen) van het plangebied en omliggende akkers waarop gewasbeschermingsmiddelen kunnen worden toegepast, bedraagt meer dan 50 meter. Op de akkers in de omgeving van het plangebied is echter geen sprake van bomenteelt of andere bijzondere teelten die vragen om bijzondere besproeiing met gewasbeschermingsmiddelen. Rondom de planlocatie zijn veelal grasweides gelegen. Daarnaast zijn de gronden rondom in eigendom van de initiatiefnemer. Deze draagt er zorg voor dat er gesproten wordt met drifreducerende technieken, waarmee de te hanteren afstand verder bepekt wordt. Gezien het voorgaande kan daarom redelijkerwijs worden gesteld dat binnen het plangebied geen onevenredig nadelige gevolgen voor het woonen leefklimaat zullen ontstaan en waardoor strijdigheid met een goede ruimtelijke ordening ontstaat. Bovendien zal sprake zijn van een verbetering van het woon-leefklimaat voor de omgeving door het verdwijnen van lawaai producerende activiteiten (ventilatoren) ten behoeve van de melkveehouderij. Gesteld kan worden dat er sprake is van een voldoende woon- en leefklimaat. Daarmee zijn er geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling op grond van milieuzoneringen. 4.1.3
Bodem In het kader van de Wro dient aangegeven te worden of de bodemkwaliteit geschikt is voor de nieuwe functie, of er in het verleden bronnen aanwezig zijn geweest welke een bodemverontreiniging kunnen hebben veroorzaakt en hoe eventuele toekomstige bodemverontreiniging kan worden voorkomen. Voor onderhavige ontwikkeling is een bodemonderzoek uitgevoerd. Voor de gehele rapportage wordt verwezen naar bijlage 6. De volgende conclusies en aanbevelingen worden in het rapport gedaan. Conclusies en aanbevelingen Op basis van het vooronderzoek wordt uitgegaan van een verdachte nietlijnvormige locatie (VED-HE-NL, tabel 9.1). De dieseltank en de werkplaats met olieopslag worden als verdacht beschouwd (VEP, tabel 5) De druppelzone van de rundveestal en van de afhang worden als asbestverdacht en PCB verdacht beschouwd. 60
Zintuiglijke waarnemingen verkennend bodemonderzoek Tijdens het verrichte veldwerk zijn bijmengingen van baksteen, beton en plastic aangetroffen in de opgeboorde grond. De bijmenging wordt niet als asbestverdacht beschouwd. Analyseresultaten (meng-)monsters In mengmonster BG1 van de bovengrond ter plaatse van de werkplaats zijn geen gehaltes aan onderzochte stoffen gemeten boven de achtergrondwaarden. In monster BG2 van de bovengrond ter plaatse van de bovengrondse dieseltank is geen gehalte aan minerale olie gemeten boven de achtergrondwaarde. In mengmonster BG3 van de baksteen en plastic houdende bovengrond is een gehalte aan PCB’s gemeten boven de achtergrondwaarde. In mengmonster BG4 van de beton en baksteen houdende bovengrond zijn gehaltes aan PAK en minerale olie gemeten boven de achtergrondwaarden. De aangetoonde verhoogde gehaltes aan PCB’s, PAK en minerale olie zijn gerelateerd aan het gebruik van de locatie door de jaren heen en de aangetroffen bijmenging van baksteen, beton en plastic. De concentraties vormen geen aanleiding voor nader onderzoek. In mengmonster BG6 van de druppelzone van stal 1 is een gehalte aan PCB’s gemeten boven de achtergrondwaarde. In mengmonster BG7 van de druppelzone van stal 2 is geen gehalte aan PCB’s gemeten boven de achtergrondwaarde.
In mengmonsters BG5 en BG8 van visueel schone bovengrond zijn geen gehaltes aan onderzochte stoffen gemeten boven de achtergrondwaarden. In mengmonsters OG1 en OG2 van plaatselijk plastic houdende ondergrond zijn geen gehaltes aan onderzochte stoffen gemeten boven de achtergrondwaarden. Analyseresultaten grondwater In het grondwater ter plaatse van de werkplaats (peilbuis 1) zijn gehaltes aan koper en barium gemeten boven de streefwaarden. In het grondwater ter plaatse van de dieseltank (peilbuis 5) is een gehalte aan barium gemeten boven de streefwaarden. De aangetoonde gehaltes aan zware metalen kunnen beschouwd worden als natuurlijk verhoogde gehaltes. 61
De concentraties vormen geen aanleiding voor nader onderzoek. Veldwaarnemingen asbestonderzoek Tijdens inspectie van maaiveld van stal 1 is geen asbestverdacht plaatmateriaal visueel waargenomen. Het maaiveld van stal 2 is door aanwezigheid van vegetatie niet inspecteerbaar. Dit is een afwijking van de werkwijze. Gezien de geringe lengte van de druppelzone wordt de invloed op de resultaten van het verrichte onderzoek gering geacht. Analyseresultaten asbest in grove en fijne fracties Tijdens inspectie van maaiveld en gaten is geen asbestverdacht plaatmateriaal visueel waargenomen. Analyse van de fractie kleiner dan 20mm heeft plaatsgevonden. In het geanalyseerde grondmengmonster mm1 van de druppelzone van stal 1 is een concentratie asbest aangetroffen. Uit de berekening van het gewogen gehalte blijkt een gehalte van 4,6 mg/kgds. Dit gehalte vormt geen aanleiding voor nader asbestonderzoek. Tijdens de analysewerkzaamheden is een fractie kleiner dan 0,5 mm aangetoond. Als gevolg van de asbestanalyse in grond is een aanvullende SEM-analyse verricht. Uit de analyse blijkt een gehalte aan respirabele vezels van 15 mg/kgds. Een gehalte boven 10 mg/kgds wordt beschouwd als humane risico’s voor blootstelling aan niet-hechtgebonden asbestvezels. In het geanalyseerde grondmonster mm2 van de druppelzone van stal 2 is geen asbest aangetoond.
Conclusie en advies De resultaten van het onderzoek stemmen grotendeels overeen met de gestelde hypotheses. Geadviseerd wordt de toplaag naast stal 1, tot een meter uit de stalmuur, te saneren als gevolg van het aangetoonde gehalte aan respirabele asbestvezels. Het gaat hierbij om circa 4,5 m³ sterk verontreinigde grond. Deze asbestverontreiniging zal spoedig worden gesaneerd. Na sanering van de druppelzone van stal 1, bestaat op basis van dit onderzoek geen belemmering voor de beoogde bestemming. Voorafgaand aan de aanvraag omgevingsvergunning voor de bouw van de zorgwoningen en de gemeenschappelijke ruimte, ter plaatse van de beide gesloopte stallen zal een aanvullend grondonderzoek van de bovengrond
62
worden uitgevoerd, om na te gaan of de bodem ter plaatse niet additioneel verontreinigd is geraakt door de sloopwerkzaamheden.
4.1.4
Lucht Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden. Deze wet vervangt het Besluit luchtkwaliteit 2005. Sinds 15 november 2007 staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Hiermee is het Besluit luchtkwaliteit 2005 vervallen. Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; een project draagt 'niet in betekenende mate' bij aan de luchtverontreiniging; een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Het Besluit NIBM In de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. Per 1 augustus 2009 geldt als NIBM 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2).
Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijn stof en NO2. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. In het Besluit NIBM is geregeld dat binnen de getalsmatige grenzen van de Regeling een project altijd NIBM is. Er zijn immers alleen categorieën van gevallen aangewezen, waarvan aannemelijk is dat de toename van de concentraties in de betreffende gevallen niet de 3% grens overschrijdt. Wanneer een categorie eenmaal is aangewezen, mag er zonder meer van worden uitgegaan dat deze bijdrage NIBM is. Indien een project boven de 63
getalsmatige grenzen uitkomt is een project in betekenende mate (IBM), tenzij alsnog aannemelijk te maken is dat de bron minder dan 3% bijdraagt aan de concentratie. Behoort een project tot een niet in de Regeling NIBM genoemde categorie dan zal steeds met behulp van onderzoek dienen te worden aangetoond of het project NIBM is. De Regeling NIBM geeft vooralsnog invulling aan de volgende categorieën: woningbouw- en kantoorlocaties, alsmede een combinatie daarvan (artikel 3 en bijlage C); inrichtingen (artikel 1 en bijlage A). Hieronder vallen landbouwinrichtingen en spoorwegemplacementen. Veehouderijen van beperkte omvang zijn nog niet in de Regeling NIBM opgenomen, dit zal op een later moment wel gebeuren. Daarnaast is een voorschrift gereserveerd voor defensie-inrichtingen, maar hieraan is nog geen invulling gegeven. In de Regeling NIBM is opgenomen dat een plan van 1.500 woningen (bij 1 ontsluitingsweg) niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Goed woon en leefklimaat Het RIVM maakt jaarlijks kaarten met grootschalige concentraties (in vaktermen GCN) en deposities (GDN) in Nederland in het kader van natuuren milieubeleid. De kaarten zijn gebaseerd op een combinatie van modelberekeningen en metingen en zijn bedoeld voor het geven van een grootschalig beeld van de luchtkwaliteit en depositie in Nederland zowel voor jaren in het verleden als in de toekomst.
Ter hoogte van het plangebied gelden voor het jaar 2021 de volgende waarden: -
Fijn stof 16,89 µg/m3 (grenswaarde 40 µg/m3 jaargemiddelde) Stikstof 12,37 µg/m3 (grenswaarde 40 µg/m3 jaargemiddelde)