Toelichting bestemmingsplan Gouverneursweg 3a Heeswijk-Dinther
Tekst van het document
Toelichting bestemmingsplan Gouverneursweg 3a Heeswijk-Dinther
1 mei 2024
Colofon Rapport: Gouverneursweg 3a Heeswijk-Dinther Rapportnummer: 5520BS01 Status: Vastgesteld Datum: 01-05-2024
Opdrachtnemer Geling Advies Postbus 12 5845 ZG Sint Anthonis www.gelingadvies.nl
Contactpersoon Geling Advies Drs. S. de Crom Adviseur ruimtelijke ontwikkeling 0493 – 597 500 SdeCrom@gelingadvies.nl
© MEI 2024
GELING ADVIES
ALLE RECHTEN VOORBEHOUDEN. NIETS UIT DEZE UITGAVE MAG WORDEN VERVEELVOUDIGD DOOR MIDDEL VAN DRUK, FOTOKOPIE, MICROFILM, GELUIDSBAND, ELEKTRONISCH OF OP WELKE ANDERE WIJZE DAN OOK, EN EVENMIN IN EEN GEAUTOMATISEERD GEGEVENSBESTAND WORDEN OPGESLAGEN, ZONDER VOORAFGAANDE SCHRIFTELIJKE TOESTEMMING VAN GELING ADVIES. AAN DE INHOUD VAN DIT RAPPORT KUNNEN GEEN RECHTEN WORDEN ONTLEEND. GELING ADVIES VERWERPT ELKE AANSPRAKELIJKHEID VOOR EEN ANDER GEBRUIK VAN DEZE TEKST DAN VOOR DE SITUATIE WAARVOOR DEZE WORDT UITGEBRACHT. DE INFORMATIE IN DEZE TEKST IS ONDER VOORBEHOUD EN KAN VERANDERD WORDEN ZONDER VOORAFGAANDE KENNISGEVING.
2
7
1 INLEIDING 1.1 Achtergrond 1.2 Doel 1.3 Plangebied 1.4 Vigerend bestemmingsplan 1.5 Leeswijzer
5 5 6 6 7 8
2 BESCHRIJVING SITUATIE 2.1 Ruimtelijke en functionele structuur 2.2 Planbeschrijving
9 9 11
3 BELEIDSKADER 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Gemeentelijk beleid
21 21 26 44
4 OMGEVINGSASPECTEN 4.1 Milieu 4.2 Water 4.3 Natuur 4.4 Cultuurhistorie 4.5 Archeologie 4.6 Mobiliteit 4.7 Feitelijke belemmeringen
57 57 76 86 89 92 95 99
5 JURIDISCHE PLANTOELICHTING 5.1 Opbouw 5.2 Herziening
100 100 100
6 UITVOERBAARHEID 6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
102 102 103
PROCEDURE
104
3
Bijlagen Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7 Bijlage 8 Bijlage 9 Bijlage 10 Bijlage 11 Bijlage 12 Bijlage 13 Bijlage 14 Bijlage 15 Bijlage 16
Principeuitspraak Overzicht bebouwing Onderbouwing onderlinge verhoudingen functies Situatieschets Landschappelijk inpassingsplan Bodemonderzoek Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Advies Veiligheidsregio Brabant Noord / Brandweer Gezondheidsadvies GGD Berekening ammoniak- en stikstof Quickscan Flora en Fauna Archeologisch bureau- en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek) Berekening kwaliteitsverbetering Omgevingsdialoog Zienswijzennota Besluit hogere grenswaarden
4
1 1.1
INLEIDING
ACHTERGROND Onderhavige toelichting heeft betrekking op de locatie Gouverneursweg 3a te Heeswijk-Dinther, gelegen in het buitengebied van de gemeente Bernheze. Op de locatie Gouverneursweg 3a bevindt zich momenteel een melkveehouderijbedrijf met schuren/opstallen en een bedrijfswoning. De initiatiefnemer is voornemens om te stoppen met het melkveehouderijbedrijf en een nieuwe functie op het perceel uit te oefenen. Dit omdat er geen bedrijfsopvolger is en de locatie niet geschikt is voor een toekomstbestendige veehouderij. De initiatiefnemer wenst op het perceel acht woon-zorgunits, een gezamenlijke ruimte met twee B&B’s, een dierenweide en een natuurpoel te realiseren, de bestaande agrarische loods te behouden voor akkerbouw en het stallen van landbouwvoertuigen en een bestaande ruimte te benutten voor het hobbymatig houden van 26 stuks jong(vlees)vee. In het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied Bernheze’ heeft het perceel aan de Gouverneursweg 3a te Heeswijk-Dinther de enkelbestemming ‘Agrarisch met waarden – Leefgebied dassen’ en de dubbelbestemmingen ‘Waarde - Archeologie 2’ en ‘Waarde - Natte natuurparel’. Tevens heeft het perceel de functieaanduidingen ‘Specifieke vorm van waarde – cultuurhistorisch vlak’ en ‘Agrarisch bedrijf’. Binnen deze bestemming in het niet toegestaan om de genoemde activiteiten te realiseren.
Om dit mogelijk te maken is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk. 5
De gemeente Bernheze heeft aangegeven in principe medewerking te verlenen aan dit initiatief. Voor de principeuitspraak van de gemeente Bernheze wordt verwezen naar bijlage 1.
1.2
DOEL Voorliggend bestemmingsplan “Gouverneursweg 3a Heeswijk-Dinther” verder het plan genoemd, heeft betrekking op de juridisch-planologische regeling voor de omzetting van de huidige agrarische bestemming naar een maatschappelijke bestemming. Hiermee is de gewenste functie mogelijk op de locatie.
1.3
PLANGEBIED Het plangebied omvat het perceel gelegen aan de Gouverneursweg 3a te Heeswijk-Dinther, kadastraal bekend gemeente Heeswijk-Dinther, sectie E, nummer 1173 (deels) en 2536 (deels). Het plangebied is gelegen in het buitengebied tussen de kernen HeeswijkDinther en Middelrode. Aan de oostkant ligt de kern Heeswijk-Dinther en aan de westkant Middelrode. Ten oosten van het plangebied is Kasteel Heeswijk gelegen. Figuur 1 Topografische ligging plangebied (rode cirkel)
6
1.4
VIGEREND BESTEMMINGSPLAN Voor de locatie vigeert het bestemmingsplan “Buitengebied Bernheze” dat onherroepelijk is geworden d.d. 8 oktober 2014. Het perceel is in het vigerende bestemmingsplan bestemd als ‘Agrarisch met waarden – Leefgebied dassen en het perceel heeft de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 2’ en ‘Waarde – Natte natuurparel’. Tevens bevinden zich op het perceel de functieaanduidingen ‘Specifieke vorm van waarde ‘cultuurhistorisch vlak’ en ‘Agrarisch bedrijf’ en gebiedsaanduidingen ‘Groenblauwe mantel’ en Reconstructiewetzone – extensiveringsgebied’. Binnen deze bestemming is het realiseren van de gewenste nieuwe functie niet mogelijk. Hiervoor is een herziening van het vigerende bestemmingsplan nodig, waarbij de agrarische bedrijfsbestemming op het perceel omgezet zal moeten worden naar een maatschappelijke bestemming. Figuur 2 Uitsnede verbeelding bestemmingsplan ‘Buitengebied Bernheze’.
7
1.5
LEESWIJZER In het vervolg van deze toelichting wordt eerst ingegaan op de huidige situatie in het plangebied en de voorgenomen ontwikkeling (hoofdstuk 2). Vervolgens komt in hoofdstuk 3 de relatie van het plan met het algemene en specifieke rijks-, provinciale en gemeentelijk beleid voor de fysieke omgeving van het plangebied aan bod. Hoofdstuk 4 geeft inzicht in alle relevante aspecten van dit plan. Het te realiseren plan dient te passen binnen het betrokken gebied, waarbij gemotiveerd moet worden aangegeven hoe het plan zich verhoudt tot de aanwezige functies en waarden in dat gebied. Aan de hand van een beschrijving van alle relevante aspecten (onder andere water en milieu komen aan de orde), wordt de planologische aanvaardbaarheid van het plan onderbouwd. Hoofdstuk 5 bevat de conclusie en hoofdstuk 6 gaat in op de uitvoerbaarheid en procedure van het bestemmingsplan.
8
2 2.1
BESCHRIJVING SITUATIE
RUIMTELIJKE EN FUNCTIONELE STRUCTUUR Situatie 1904 In 1904 werd het plangebied grotendeels als bouwland gekarteerd. In de noordoosthoek van het plangebied werd een bebouwing gekarteerd; dit betreft een wachthuisje van de stroomtram. Het plangebied maakt in 1904 deel uit van een noordwest-zuidoostgerichte rug met bouwland. Ten noordoosten en zuidwesten van deze rug bevonden zich lager gelegen gebieden met gras- en hooiland in het dal van de Leigraaf en de Aa. Karakteristiek De landschappelijke context is te kenschetsen als een oud bouwland aan de rand van het beekdal van de Aa. Historische schets Tot in 1928 veranderde weinig; in 1928 werd een nagenoeg identieke situatie als in 1904 gekarteerd. In de periode rond de Tweede Wereldoorlog werden bebouwingen in het plangebied (ten zuidwesten van het voormalige tramhuisje) en op het ten noordwesten gelegen buurerf gerealiseerd. Op de rug met bouwland werden bomenrijen tussen percelen gerooid. In het dal van de Aa werden de houtwallen en bomenrijen langs de percelen met grasen hooiland voor een groot deel gerooid. Het landschap onderging een sterke verkaling. In de zestiger en zeventiger jaren is een verschuiving in het bodemgebruik te constateren; het bouwland wordt in toenemende mate als grasland gekarteerd. Het van oorsprong gemengde agarische bedrijf focust op de rundveehouderij.
Tegen het einde van de zeventiger jaren werd een ruilverkaveling doorgevoerd. De bebouwing in het plangebied werd uitgebreid met stallen, aan de noordoostkant werd een nieuwe bedrijfswoning gebouwd. Het tramhuisje verdween uit de kaarten. In de 9
21ste eeuw werd de melkveestal in zuidelijke richting uitgebreid en werd een berging aan de zuidkant gerealiseerd. Conclusie De eerste bebouwing in het plangebied dateert waarschijnlijk uit de 19e eeuw en betreft een wachthuisje van de stroomtram. Dit vormde de basis voor de vestiging van een agrarisch bedrijf in de periode rond de Tweede Wereldoorlog. In de loop van de zestiger en zeventiger jaren kwam de nadruk op de rundveehouderij te liggen en werden de stallen en bijgebouwen gaandeweg uitgebreid. Aan de noordoostkant werd een nieuwe bedrijfswoning gerealiseerd. In de 21ste eeuw wordt de stal in zuidelijke richting uitgebreid en wordt een berging aan de zuidkant gerealiseerd.
Figuur 3
Huidig ruimtelijk kader Het ruimtelijk kader wordt gevormd door: laanbeplanting langs de Gouverneursweg en de Aalmoezenier Francis L. Sampsonlaan; bebouwing en beplanting op de omliggende buurerven; een bosje, de groensingel en de bomengroepen ten zuidwesten van het plangebied.
Aanzicht perceel Gouverneursweg 3a Heeswijk-Dinther
H e e s
10
Huidige situatie Het plangebied bestaat uit een melkveestal en een parallel gelegen jongveestal, aan de noordoostkant bevindt zich de bedrijfswoning, ten zuidoosten van de bedrijfswoning is een varkensstal gelegen. Aan de zuidweskant van het plangebied is een open berging aanwezig. Figuur 4 Kaart huidige functies plangebied uit LIP van Guido Paumen Tuin & landschapsarchitect Bnt
Voor de oppervlakten van de verschillende bebouwing wordt verwezen naar bijlage 2.
2.2
PLANBESCHRIJVING Met onderhavig plan worden acht woon-zorgunits, een gezamenlijke ruimte met twee B&B’s, een dierenweide en een natuurpoel gerealiseerd. Daarnaast wordt de bestaande agrarische loods en open berging behouden voor de tak akkerbouw respectievelijk het hobbymatig houden van dieren. Twee bestaande stallen en twee sleufsilo’s zullen worden gesloopt. Per saldo
11
is er een aanzienlijke afname van het bebouwde oppervlakte binnen het plangebied. Figuur 5 Kaart nieuwe situatie plangebied uit LIP van Paumen Tuin & landschapsarchitect Bnt
12
Van de acht woon-zorgunits worden vijf woon-zorgunits nieuw gebouwd. In het te behouden gebouw worden drie woon-zorgunits met daarin een fietsenstalling en een stal voor de huisvesting van 26 stuks jong(vlees)vee en de opslag van landbouwvoertuigen gerealiseerd. Ten opzichte van de zorgactiviteiten zijn zowel de oppervlakte, de inkomsten en de uitstraling van de akkerbouwtak en de bed en breakfast gezamenlijk ondergeschikt aan de zorgwoningen. Voor de onderbouwing van de onderlinge verhoudingen tussen de functies wordt verwezen naar bijlage 3. Woonzorgunits De ontwikkeling van de woon-zorgunits gaat uit van wonen, waarbij een zekere mate van zorg kan worden aangeboden. Er is sprake van een afhankelijkheid tussen de woonfunctie en de behoefte aan zorg, de units zijn niet voor iedereen beschikbaar. De personen die gebruik maken van de woon-zorgunits hebben een (beperkte) zorgvraag. Zij kunnen ervoor kiezen om gezamenlijk zorg in te kopen bij een door de bewoners te kiezen partij (bijvoorbeeld bij Patijn). Het is niet de bedoeling dat de zorgverleners (tenzij het de partner van de zorgbehoevende is) op de locatie komen wonen om de zorg te verlenen (de zorgverleners kunnen wel af en toe gebruik maken van de B&B, maar zeker niet permanent).
Het doel is dat de bewoners zo lang mogelijk op de locatie kunnen blijven wonen, waarbij er door de bewoners zelf, al naar gelang hun zorgbehoefte, zorg geregeld wordt. Verder dient sprake te zijn van een gedeeltelijk gezamenlijke huishouding (de gezamenlijke ruimte, gezamenlijk tuin, en de inkoop van zorg en eventueel het schoonmaken van de units) en is er sprake van onderlinge verbondenheid. Dit laatste is bijvoorbeeld naar gelang van de interesse van de bewoners. De een zal meer behoefte hebben om een in de gezamenlijke tuin te werken, terwijl de ander graag de gezamenlijke activiteiten organiseert. Verder is het wonen gecombineerd met zorg- en welzijnsvoorzieningen (gezamenlijke ruimte, inkoop zorg, activiteiten, buitenruimte). Doordat er sprake is van verhuur is het onderhoud van de units geregeld en hoeven de bewoners hier geen rekening mee te houden, wat eveneens bijdraagt aan het zo lang mogelijk op de locatie laten wonen van de bewoners. De intiatiefnemer van onderhavig plan wordt hierbij tevens het aanspreekpunt voor de bewoners over het dagelijks beheer van de locatie. Het voordeel voor de bewoners ten opzichte van een normale woning is dat er gezamenlijke activiteiten worden georganiseerd, de zorg voor meerdere personen tegelijk geregeld kan worden en er sprake is van een bepaalde mate van sociale controle en contacten.
In vergelijking met een verzorgingstehuis kan de partner er altijd bij blijven wonen en is er meer zelfstandig- en vrijheid voor de bewoners. 13
Doelgroep Er is sprake van een toenemende vraag naar wonen waarbij een zekere mate van zorg geboden kan worden. Ook in dit segment is er vraag naar verschillende woonsoorten. Dit plan richt zich op mensen dit op zoek zijn naar een kleinschalige maatschappelijke woonvorm. Hierbij richt de initiatiefnemer zich op zorgbehoevenden in de leeftijd 55+ die, ondanks deze zorgbehoefte, zelfstandig willen blijven wonen. Hierbij hebben de zorgbehoevenden wel de behoefte aan gezamenlijke activiteiten en de gemeenschappelijke inkoop van zorg. Zorgvraag De zorgvraag van de bewoners kan zeer divers zijn. Het kan gaan om ondersteuning bij het aankleden en boodschappen doen, maar ook intensievere vormen waarbij meer begeleiding nodig is, bijvoorbeeld bij persoonlijke verzorging, medicijnen en fysiotherapie. De zorg kan geboden worden door de partner van de zorgbehoevende. Maar ook door eenn mantelzorger die niet op de locatie woont (familie, vrienden) of professionele zorgverleners. Het is nadrukkelijk niet de bedoeling dat de er verzorgers (mantelzorg of anders) op de locatie komen wonen. De verzorgers komen naar de locatie op de momenten dat dit noodzakelijk is. Opzet units De units zijn levensloopbestending uitgevoerd en worden verhuurd. Iedere unit krijgt een oppervlakte van circa 130 m2. Als gezamenlijke ruimte wordt de gezamenlijke ruimte voor de recreatieve tak gebruikt.
De bewoners kunnen deze ruimte ook huren voor privéaangelegenheden. Aangezien de doelgroep de 55+ is, zullen er maximaal 2 personen per unit woonachtig zijn op de locatie. Dus in totaal zal het gaan om maximaal 16
Figuur 6 Ontwerp zorgunits architecten
woonFD
14
personen die op de locatie zullen gaan verblijven. Voor de opzet van het plan wordt verwezen naar bijlage 4 situatieschets en Landschappelijk inpassingsplan (LIP) in bijlage 5.
15
Vormgeving vijf woon-zorgunits
Vormgeving drie woon-zorgunits met bestaande stal
Relatie met recreatieve tak De B&B is beperkt tot twee kamers. De bed en breakfast zijn in die zin ook een aanvulling op de zorgwoningen, omdat deze gebruikt kunnen worden door bezoekers van de woningen. Het voordeel is dat bezoekende familieleden van de voorzieningen gebruik kunnen maken als zij wat langere tijd bij hun familie willen verblijven. Daarnaast zal de ruimte die gebruikt 16
wordt voor de gezamenlijke activiteiten van de bewoners van de zorgwoningen dienen als ontbijtruimte voor de bed en breakfast. Mocht de bed en breakfast niet bezet zijn door de bezoekers van de zorgwoningen wordt deze als reguliere ben en breakfast gebruikt. Dit als nevenactiviteit bij de woning. De bed en breakfast wordt geëxploiteerd door de initiatiefnemer. De feitelijke ruimte voor de B&B is beperkt tot 125 m2. Vormgeving gezamenlijke ruimte/ontbijt en B&B’s Figuur 7 Ontwerp gezamenlijke ruimte en B&B’s FD architecten
Hobbymatig houden van dieren In de bestaande stal op het perceel worden 26 stuks jong(vlees)vee gehouden. Dit aantal is dusdanig gering dat sprake is van een hobbymatige activiteit. De dieren zullen beweid worden op de gronden in eigendom en aansluitend gelegen aan het perceel. Het vee wordt hobbymatig gehouden, waarbij de bewoners kunnen helpen om het vee te verzorgen (dit hoeft natuurlijk niet) en etensresten kunnen aan de dieren gevoerd worden (bijvoorbeeld aardappelschillen). De dieren staan het overgrote deel van het jaar buiten in de wei. Alleen in natte periodes komt het vee naar binnen om te voorkomen dat het land kapot gelopen wordt. De natte periodes vallen merendeels in de winter, als de mensen minder buiten zijn. In de zomerperiode staan de dieren buiten in de wei. Het beeld van het vee in de wei draagt bij aan de belevenis van het wonen in het buitengebied. De ruimte voor het houden van het vee is beperkt in oppervlakte en is aan te merken als een ondergeschikte activiteit. De oppervlakte bedraagt circa 250 m2. Van de 15 stuks volwassen vee worden er per jaar tien verkocht. De verkoopprijs van een stuk vee bedraagt 1.200 euro per stuk. Hiervan is 200 euro per stuk inkomen. Per jaar geeft dit een inkomen van 2.000 euro.
17
Het houden van 26 stuks (jong)vee dient tevens te voldoen aan de Rvoregelgeving voor hobbymatig houden van dieren. Voor particulieren geldt een maximale hoeveelheid mest die op de grond gebruikt mag worden. De mest die hobbydieren produceren tijdens het beweiden tellen daarbij ook mee. Op basis van de Tabellen voor mest van het Rvo dient een onderverdeling gemaakt te worden in de 26 stuks (jong)vee met de betreffende aan te houden fosfaatnormen:
11 stuks (jong)vee tot 1 jaar met een aan te houden fosfaatnorm van 9,6 kg fosfaat (11x9,6 kg = 105,6 kg fosfaat) 15 stuks (jong)vee van 1 jaar en ouder met een aan te houden fosfaatnorm van 21,9 kg fosfaat (15x21,9 kg = 328,5 kg fosfaat).
Dit komt dit neer op een totale omvang van 434,1kg fosfaat. De initiatiefnemer beschikt over 25 ha akkerbouwgronden, waarover de mest verdeeld kan worden. Per hectare zou dan 17 kg mest uitgereden worden. Deze hoeveelheid is onvoldoende om de gehele akkerbouwgronden mee te bemesten. Gezien deze geringe hoeveelheid fosfaat kan gesteld worden dat voldaan kan worden aan de bemestingsnorm binnen de meststoffenwet en hiermee aan de Rvo-regelgeving voor het hobbymatig houden van dieren. Akkerbouw De bestaande akkerbouwloods met een oppervlakte van 333 m2 zal behouden blijven, voor het opslaan van akkerbouwproducten, zoals aardappelen, maïs, bieten en granen. Deze producten zijn verbouwd om als voer te dienen voor het vee maar worden ook afgezet naar lokale afnemers van bijvoorbeeld het graan om deze te verwerken in hu producten. In de nieuwe situatie zal dit gehandhaafd blijven. De 26 stuks jong(vlees)vee zullen deels gevoerd worden met zelf verbouwde producten. De initiatiefnemer heeft 25 hectare akkerbouwgronden in eigendom aansluitend gelegen aan het perceel. De akkerbouwtak is qua omvang ondergeschikt aan de zorgwoningen. Aanvulling De initiatiefnemer is een liefhebber van dieren, in het bijzonder rundvee. Het runnen van een melkrundveehouderij heeft de familie tot de dag van vandaag altijd met veel plezier gedaan.
Echter veranderende regelgeving, het bedrijf de komende jaren flink zou moeten investeren in combinatie met de behoefte tot flexibelere werktijden heeft hen doen besluiten om andere activiteiten op het perceel te ontwikkelen. Het aanbieden van zorgwoningen voor mensen met een (beperkte) zorgvraag in combinatie met het kleinschalig kunnen houden van dieren op de locatie maakt het plaatje voor hen compleet. Op deze manier kan initiatiefnemer toch nog dieren houden, weliswaar hobbymatig. Deze gecombineerde functies zullen geen hinder
18
opleveren voor de omgeving (is reeds aangetoond in ruimtelijke onderbouwing) en zijn hiermee passend in de omgeving. De wens bestaat om in combinatie met de zorgboerderij 26 stuks jong(vlees)vee te houden. De dieren zullen verzorgd worden door de eigenaar met hulp van de cliënten. De eigenaar wenst de 26 stuks jong(vlees)vee zoveel mogelijk te voeren met zelf verbouwde producten (25 ha akkerbouwgronden). De omliggende graslanden worden onderhouden door middel van het toepassen van agrarisch natuurbeheer. Dit houdt in dat het gras op een natuurlijke manier wordt bemest, waardoor geen gebruik gemaakt hoeft te worden van kunstmest of gewasbescherming. Hier zijn veel arbeidsuren voor benodigd. In de eerder aangehaalde winstberekening m.b.t. het hobbymatig houden van dieren is een winst berekend van €200,- per verkocht dier. Dit is echter een zeer gunstig scenario. In deze berekening zijn namelijk de kosten voor arbeid, afschrijvingen, onderhoud stal, dierverzorging (hygiëne dieren) e.d. niet meegenomen. Deze kosten zouden nog van de winst in mindering gebracht moeten worden. Gesteld kan worden dat de verwachte kosten hoger zullen liggen dan de verwachte baten en een winst van €2.000 per jaar niet haalbaar/realistisch is. Het gaat de eigenaar bovendien niet om de winst en heeft hierin geen commerciële doeleinden.
Een winst van €2.000 is bovendien nauwelijks noemenswaardig te noemen. De initiatiefnemer vindt het belangrijk dat de dieren diervriendelijk gehouden worden. Dat wil zeggen dat de dieren in de zomer buiten in de wei staan en in de natte periodes (winter) binnen in de stal. Ook moeten de dieren op een zachte, schone ondergrond in de stal kunnen staan. Hiervoor zijn houtkrullen nodig, welke in de houtindustrie van afvalhout vervaardigd worden. Dit natuurlijke product brengt echter ook de nodige kosten met zich mee. Ook deze kosten zouden nog op de eerder berekende winst in mindering gebracht moeten worden. Resumerend kan worden gesteld dat de initiatiefnemer graag kleinschalig dieren wil blijven houden op hun perceel. Het hobbymatig houden van de dieren in combinatie met de zorgtak levert geen hinder op voor de omgeving. De initiatiefnemer heeft hierin geen winstoogmerk of commerciële doeleinden. Aangezien de kosten hoger zullen liggen dan de verwachte opbrengsten zal hier weinig tot geen winst uit gegenereerd worden en is het houden van 26 stuks jong(vlees)vee dan ook niet als bedrijfsmatig aan te merken. Bovendien is sprake van een geringe hoeveelheid fosfaat en kan hiermee worden voldaan aan de bemestingsnorm binnen de meststoffenwet en hiermee tevens aan de Rvo-regelgeving voor het hobbymatig houden van dieren. 19
Uit jurisprudentie is gebleken dat er geen ‘harde’ grens is voor het aantal dieren of gesproken kan worden over wel of niet hobbymatig houden van dieren of dat het bedrijfsmatig is. Als voorbeeld kan het project aan de Graafsedijk 36 te Vianen aangehaald worden, waar sprake is van een woonbestemming met de aanwezigheid van 50 dieraantallen (tevens runderen) op het perceel, bestaande uit jongvee, zoogkoeien, overig rundvee en enkele paarden. De gemeente heeft in dit geval destijds vastgesteld dat het houden van de 50 dieraantallen als hobbymatig aangemerkt moet worden. Locatie De locatie is gelegen in de nabijheid van het kasteel en de kern Nistelrode. Vanuit de locatie is er uitzicht op de Aa-dal. Aan de overzijde van de weg wordt een streekproducten winkel geopend en kan men een kop koffiedrinken. Dit alles maakt het een aantrekkelijke woonomgeving voor de beoogde doelgroep. Ontsluiting en zonering De woonzorgunits en de B&B zullen middels de bestaande verharding worden ontsloten. In het plan zijn 3 inritten opgenomen, voor het ontsluiten van de stallen, de nieuwe woningen en de B&B. In het plan zijn in totaal 32 parkeerplaatsen opgenomen, waarvan vijf bestaande parkeerplaatsen.
20
3
BELEIDSKADER
3.1
RIJKSBELEID
3.1.1
Nationale Omgevingsvisie Duurzaam perspectief voor onze leefomgeving Het Rijk heeft op 11 september 2020 de Nationale Omgevinsvisie (NOVI) vastgesteld, waarin een langetermijnvisie wordt gegeven op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. In Nederland spelen complexe maatschappelijke opgaven, zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Deze spelen zowel lokaal als regionaal, nationaal en internationaal, welke Nederland zullen veranderen. Met de NOVI wordt perspectief geboden om de complexe grote opgaven aan te pakken, waarbij voortgebouwd wordt op het bestaande landschap en de (historische) steden. Omgevingskwaliteit staat hierin centraal, dat wil zeggen ruimtelijke kwaliteit én milieukwaliteit, waarbij maatschappelijke waarden en inhoudelijke normen voor bijvoorbeeld gezondheid, veiligheid en milieu inachtgenomen worden. De NOVI stuurt in dat samenspel van normen, waarden en collectieve ambities op samenwerking tussen alle betrokken partijen. Met de NOVI wordt uitgegaan van een intergrale aanpak, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, met meer regie vanuit het Rijk. De aandacht van het Rijk gaat uit van de volgende prioriteiten: -
Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio’s; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Zowel voor de lange als de korte termijn zijn hier maatregelen voor nodig, die in de praktijk voortdurend op elkaar inspelen. 21
Eén van die maatregelen is dat door de langere periodes van droogte in Nederland het urgent is om het watergebruik beter te gaan afstemmen op het beschikbare water en water langer vast te houden. Een andere maatregel is dat de stikstofproblematiek zowel het landelijk gebied als diverse economische sectoren zwaar raakt. Hierdoor staan onze natuur, het landschap en de toekomst van de landbouw onder druk. Verbetering van de biodiversiteit vraagt om aanpak. Het Rijk werkt voor de lange termijn aan een geleidelijke en zorgvuldige herindeling van het landelijk gebied, waaronder kringlooplandbouw in evenwicht met natuur en landschap. Het Rijk streeft naar een landelijk gebied waar het prettig wonen, werken en recreëren is, waarin ruimte is en blijft voor economische vitale landbouw als belangrijke drager van het platteland. 3.1.2
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. In deze Structuurvisie wordt een samenhangende visie gegeven op het Nederlands Rijk tot 2040. Kernwoorden in het SVIR zijn concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. De belangrijkste verandering is het terugtreden van de rijksoverheid op het gebied van ruimtelijke ordening. Lagere overheden, waaronder provincies en gemeenten krijgen een grotere rol volgens het principe ‘decentraal, tenzij…’. De gebruiker moet weer centraal komen te staan. Het Rijksbeleid richt zich daarom op het vereenvoudigen van de regelgeving en heeft dertien rijksbelangen benoemd waar het Rijk de verantwoordelijkheid houdt. Het Rijk verwacht dat medeoverheden zich eveneens inzetten voor meer eenvoud en integratie op het gebied van ruimtelijke regelgeving. Hierdoor zal de bestuurlijke druk afnemen en ontstaat ruimte voor regionaal maatwerk. De verantwoordelijkheid voor de afstemming tussen verstedelijking en groene ruimte op regionale schaal laat het Rijk over aan de provincies. Het Rijk versterkt de samenhang tussen de verschillende modaliteiten en tussen ruimtelijke ontwikkelingen en mobiliteit. Het Rijk heeft drie doelen geformuleerd en per doel een aantal nationale belangen.
Voor deze nationale belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil zij resultaten boeken op de middellange termijn (2028). De provincies dienen deze nationale belangen te verankeren in hun eigen structuurvisies. Via de provinciale belangen en de provinciale Verordening wordt het beleid vastgelegd voor het gemeentelijk ruimtelijk beleid. De gemeenten zijn vervolgens gehouden om het provinciale kader te vertalen in hun eigen beleid.
22
3.1.3
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) vormt het sluitstuk van Rijkszijde van het nieuwe stelsel van ruimtelijke ordening, zoals dat in 2008 met de nieuwe Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking is getreden. De eerste tranche, dat in januari 2010 voor advies naar de Raad van State gezonden is, bevat een beleidsneutrale omzetting van bestaand beleid. De kaders zijn afkomstig uit PKB’s, Nota Ruimte, Derde Nota Waddenzee, Structuurschema Militaire Terreinen en Project Mainportontwikkeling Rotterdam. De tweede tranche zou het meer recente rijksbeleid bevatten dat moet doorwerken tot in de ruimtelijke plannen van andere overheden. Op 30 juni 2011 zijn alle ontwerpstukken van het Barro als bijlage bij de nieuwe Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) gepubliceerd. Op 30 december 2011 is het Barro in werking getreden. Het Barro is ook wel bekend als de AMvB Ruimte. Op 1 oktober 2012 is het Barro uitgebreid met nieuwe projecten, zoals reserveringen voor infrastructuur. De onderwerpen geregeld in het Barro moeten op provinciaal niveau vertaald worden. Doen de provincies dat niet dan schaden zij de nationale belangen. Het Barro werkt in deze hetzelfde als de provinciale verordeningen ruimte voor gemeenten. Conclusie Op het plangebied als zodanig wordt in het Rijksbeleid niet specifiek ingegaan.
Het rijksbeleid heeft geen specifieke gevolgen voor het plangebied en biedt mogelijkheden voor nieuwe ontwikkelingen. Het Rijk streeft met haar beleid naar het zorgdragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woningbehoeften. In dit geval worden woon-zorgunits in het buitengebied toegevoegd aan de woningvoorraad, die in de zorgbehoefte voorzien en hiermee een belangrijke bijdrage aan het plaatselijke zorglandschap leveren. Geen van de nationale belangen wordt met onderhavig plan aangetast of beïnvloed. Het initiatief als zodanig past binnen de uitgangspunten van het ruimtelijke beleid van de nationale overheid. Er worden zorgwoningen voor mensen met een beperkte zorgvraag toegevoegd aan het woningenbestand van Nederland.
3.1.4
Nationaal Water Programma 2022-2027 Het rijk heeft op 18 maart 2022 het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027 vastgesteld. In het NWP beschrijft het Rijk de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en – vaarwegen. Naast het bieden van een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein in het NWP, wordt ook nieuw ontwikkeld beleid vastgelegd. Het Rijk streeft naar een schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is, waarbij ook de aandacht uitgaat 23
naar de raakvlakken van water met andere sectoren. Voor het waterdomein liggen grote opgaven: Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering; Nederland moet blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte; Nederland moet haar aandacht richten op de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening. Tevens zijn allerlei functies van water afhankelijk, zoals de scheepvaart, de landbouw en de natuur. Het NWP laat raakvlakken zien tussen water en landbouw, landschap, bodem en het energie- en klimaatbeleid. Het programma biedt daarmee een overzicht en inzicht van wat Nederland nu en in de toekomst te wachten staat. 3.1.5
Het Nationaal Milieubeleidsplan 4 (NMP4) In 2001 verscheen de kabinetsnota ‘Een wereld en een wil: werken aan duurzaamheid’, beter bekend als het vierde Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4). In dit beleidsplan licht het kabinet het te voeren milieubeleid toe. Het NMP4 wil een einde maken aan het afwentelen van milieulasten op de generaties na ons en op mensen in arme landen. Want met de huidige manier van produceren en consumeren schuiven we nog steeds onze milieulasten door naar anderen. Volgens het NMP4 moet het lukken binnen 30 jaar te zijn overgestapt naar een duurzaam functionerende samenleving.
3.1.6
Ladder Duurzame verstedelijking Per 1 oktober 2012 is in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening een lid 2 ingevoegd waarin een motiveringsplicht is opgenomen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen (hieronder worden ook functiewijzigingen verstaan) in bestemmingsplannen. Per 1 juli 2017 is het tweede lid gewijzigd en luidt deze als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Wat betreft de toets van de ontwikkeling aan de Ladder voor duurzame verstedelijking kan het volgende worden geconstateerd: wat onder nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan is in het Besluit ruimtelijke ordening opgenomen. Een stedelijke ontwikkeling is volgens het besluit ‘een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van
24
kantoren, detailhandel, voorzieningen’.
woningbouwlocaties
of
andere
stedelijke
Conclusie Met onderhavige ontwikkeling is sprake van een functieverandering van een perceel in het buitengebied, waarbij onder meer 8 zorg-woonunits en 2 B&B’s worden gerealiseerd. Dit betreft een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1 onder i van het Bro. Met het plan wordt een kleinschalige woon-zorgvoorziening beoogd om in te passen in gemengd landelijk gebied waar veelal sprake is van agrarische functies die afgewisseld worden met woonfuncties. De provincie streeft naar behoud, versterking en belevingsmogelijkheden van het landschap met natuur- en cultuurhistorische waarden. Zij vindt het van belang om zorg te dragen dat er voldoende keuzemogelijkheden in woonvormen zijn die aansluiten op de wensen van de inwoners. Deze provinciale visie is in het gemeentelijk beleid van de gemeente Bernheze door vertaald in de Woonvisie 2016-2021. De prognose van de provincie geeft een indicatie van de huisvestingsopgave (behoefte) op het vlak van wonen met zorg in Bernheze 2012-2029. Voor verzorg wonen (woningen) geldt een opgave van 140 woningen in de periode van 2012-2024 en 45 woningen in de periode van 2024-2029. Dit beleid is door vertaald in de Notitie Woonzorginitiatieven gemeente Bernheze (2015). In de visie van de gemeente Bernheze wordt wat betreft dorpsontwikkeling ingezet op het behoud van de diversiteit van de kernen en linten.
Het afwisselende karakter van kleinschalige bedrijvigheid, agrarisch gebruik en woningbouw zorgt dat het gebied dynamisch blijft. Om te voorkomen dat zowel senioren als jongeren de gemeente verlaten, wordt door de gemeente Bernheze ingezet op kleinschalige woningbouw met passende woningtypen. Voor de gemeente is deze kwalitatieve woningbehoefte leidend bij de locatiekeuze. Echter dienen waardevolle doorzichten naar het buitengebied behouden te blijven. In de visie wordt benadrukt dat het landelijk wonen nabij een verstedelijkte omgeving een kwaliteit is van de gemeente. Onderhavige ontwikkeling sluit hier qua aard en omvang naadloos op aan en wordt landschappelijk ingepast met behoud van een doorzicht naar het achterliggende gebied. Uit het gemeentelijk beleid is af te leiden dat er behoefte is aan deze vorm van wonen met zorg binnen de gemeente Bernheze. Binnen de gemeente Bernheze is reeds een vergelijkbare ontwikkeling mogelijk gemaakt aan de Maxend in de kern van Nistelrode. Deze vorm van wonen met zorg is tevens zeer gewenst in Heeswijk-Dinther, waarbij bij senioren (55+’ers) met een beperkte zorgvraag binnen de gemeente Bernheze tevens de wens bestaat om zo lang mogelijk zelfstandig in een rustige omgeving in het landelijk gebied te kunnen wonen.
25
Met de ontwikkeling is rekening gehouden dat de ontwikkeling niet leidt tot leegstand in de kern. Gezien het feit dat er op zowel korte als lange termijn grote vraag is naar woningen en deze tot op heden in kernen onvoldoende beschikbaar is zal gekeken moeten worden naar alternatieven. Om in de behoefte van senioren (55+’ers) met een beperkte zorgvraag die graag willen wonen in een rustige omgeving in het landelijk gebied tegemoet te kunnen komen is de transformatie van de bestaande stallen tot woonzorgunits in een gemengd landelijk gebied een optimale kans. Met de ontwikkeling is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik en is een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse mogelijk. Het plangebied is op relatief korte afstand van de kern Heeswijk-Dinther met haar voorzieningen gelegen en wordt ontsloten middels de Gouverneursweg, welke voldoende capaciteit heeft om de geringe verkeersbewegingen op te vangen. De goede ontsluiting van het plangebied wordt versterkt door de aanwezigheid van een bushalte bij de locatie. Dit maakt het een extra aantrekkelijke locatie voor senioren om te wonen. Resumerend kan worden gesteld dat er op lange termijn behoefte is aan deze vorm van wonen, waar geen harde plancapaciteit voor beschikbaar is die in deze behoefte kan voorzien.
Met de ontwikkeling is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik waar leegkomende stallen hergebruikt worden voor een nieuwe functie. Hiermee wordt leegstand en daarmee verrommeling van het buitengebied voorkomen en is een versterking van de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse mogelijk.
3.1.7
Afweging rijksbeleid Op het plangebied als zodanig wordt in het Rijksbeleid niet specifiek ingegaan. Het rijksbeleid heeft geen specifieke gevolgen voor het plangebied en biedt mogelijkheden voor nieuwe ontwikkelingen, waarbij wel geldt dat een watertoets uitgevoerd dient te worden. Geen van de nationale belangen wordt met onderhavig plan aangetast of beïnvloed. Het plan is getoetst aan de Ladder voor duurzame verstedelijking. Het initiatief als zodanig past binnen de uitgangspunten van het ruimtelijke beleid van de nationale overheid.
3.2
PROVINCIAAL BELEID
3.2.1
Omgevingsvisie Noord-Brabant Op 14 december 2018 heeft de provincie Noord-Brabant de Omgevingsvisie Noord-Brabant "De kwaliteit van Brabant" vastgesteld. De omgevingsvisie bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de 26
komende jaren. Dat gaat om ambities op gebied van de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. De omgevingsvisie geeft ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan. Met de omgevingsvisie wil de provincie vast aansluiten bij en gaan werken volgens de uitgangspunten van de nieuwe Omgevingswet. Samen met andere overheden, initiatiefnemers en andere betrokken partijen wordt actief gezocht naar praktijken waarin deze nieuwe manier van werken centraal staat. De Omgevingsvisie gaat over twee vragen: Hoe moet de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit zien? Wat moet in 2030 voor elkaar zijn om dat toekomstperspectief te verwezenlijken? De doelstelling die Noord-Brabant heeft voor 2050 is dat zij in dat jaar welvarend, verbonden en klimaatproof zijn. De welvaart wil de provincie bereiken door te investeren in een gezonde en sterke concurrentiepositie door het goede vestigingsklimaat voor bedrijven en kenniswerkers, maar ook door de voortrekkersrol in de transitie naar een innovatieve en duurzame economie. De provincie ziet welvaart niet alleen als economische bestaanszekerheid, maar ook als geluk, gezondheid en veiligheid van mensen.
In dat kader stelt de provincie dat in 2050 bestaande problemen in de fysieke leefomgeving zijn opgelost en dat het robuuste natuurnetwerk uitstekend functioneert. Dankzij investeringen in natuur, verdrogingsbestrijding, bodem, waterkwaliteit, een groene (natuurrijke) inrichting van woon- en werkgebieden en het terugdringen van emissies uit landbouw en industrie wil de provincie zowel de menselijke leefomgeving als die voor flora en fauna verbeteren. Dit leidt tot een goed welbevinden en een grote soortenrijkdom. Voor wat betreft de verbondenheid is het streven van de provincie dat Brabant de centrale ligging uitstekend weet te benutten door goede verbindingen op zowel fysiek als op sociaal-maatschappelijk (digitaal) gebied. Daarbij is een van de doelen dat de logistieke bedrijvigheid nog steeds een topsector is, maar dan op een schonere en slimmere manier. Daarnaast bieden nog zichtbare historische waarden, erfgoed en landschappelijke verscheidenheid een verbinding met het verleden. Deze elementen dienen te blijven behouden voor een aantrekkelijke omgeving als uitloopgebied voor de inwoners van steden en dorpen en voor recreatie.
27
Met betrekking tot het streven klimaatproof te zijn wil de provincie in 2050 geheel energieneutraal zijn. Dit willen zij bereiken door alleen nog duurzame energie te gebruiken. Daarnaast wil de provincie verdere klimaatverandering tegengaan door de uitstoot van koolstofdioxide en de uitstoot van methaan uit de landbouw fors terug te dringen. Daarnaast wil de provincie goed om kunnen gaan met de klimaatverandering en de effecten daarvan. Hierbij staat duurzaam, gezond en klimaatbestendig bouwen centraal. Daarnaast dient voldoende ruimte beschikbaar te zijn om water op te vangen en vast te houden in tijden van droogte en om wateroverlast te voorkomen. Op basis van deze doelstellingen heeft de provincie vier hoofdopgaven geformuleerd: Werken aan de Brabantse energietransitie; Werken aan een klimaatproof Brabant; Werken aan de slimme netwerkstad; Werken aan een concurrerende, duurzame economie. Deze opgaven worden niet los van elkaar gezien, maar zijn vanuit de basis met elkaar verbonden. Hierbij wordt gekeken vanuit een gebiedspecifieke benadering om de kansen en bedreigingen van de opgaven te benoemen en rekening te houden met de kansen vanuit andere hoofdopgaven. De provincie vindt het belangrijk te investeren in het behoud, versterking en belevingsmogelijkheden van het landschap met zijn natuur- en cultuurhistorische waarden.
Verder vindt de provincie het van belang dat gezorgd wordt dat er voldoende keuzemogelijkheden zijn in woonvormen, die aansluiten op de wensen van de inwoners en recreatiemogelijkheden. Onderhavig plan sluit hier naadloos op aan. Er worden woon-zorgunits gerealiseerd voor personen van 55 jaar en ouder met een beperkte zorgvraag, die graag zo lang mogelijk zelfstandig willen wonen met de voorkeur voor een woning in het buitengebied. Tegenover de planlocatie bevindt zich een beeldentuin en wordt een streekproducten winkel geopend met de mogelijkheid om een kop koffie te drinken. Onderhavige maatschappelijke ontwikkeling sluit hier mooi bij aan.
3.2.2
Structuurvisie 2010 – Herziening 2014 De Structuurvisie 2010 – Herziening 2014 is op 7 februari 2014 door de Provinciale Staten van de provincie Noord-Brabant vastgesteld. Met dit document legt de provincie de hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid tot 2025 vast. Het is de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening biedt.
28
De autonome ontwikkelingen in het landelijk gebied (agrarische bedrijven die stoppen versus schaalvergroting en intensivering) vragen om ontwikkelingsruimte in het landelijk gebied. De provincie wil daar meer dan voorheen ruimte aan bieden, maar wel met aandacht voor een versterking van de landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van Brabant. Daarnaast gaat de provincie in op de intrinsieke ruimtelijke kwaliteiten die Noord-Brabant heeft. Ook hieruit komen opgaven voort die om een ruimtelijke keuze op provinciaal niveau vragen. De opgaven zijn de volgende: ruimtelijke kwaliteit staat onder druk; veranderend klimaat; achteruitgang biodiversiteit; veranderend landelijk gebied; toenemende behoefte aan duurzame energie; toenemende concurrentie tussen economische regio’s; afnemende bevolkingsgroei; toenemende mobiliteit. Trends en ontwikkelingen Voor onderhavig plan is voornamelijk het aspect veranderd landelijk gebied van belang. Het Brabantse landelijke gebied verandert snel. De land- en tuinbouw in Noord-Brabant zit in een belangrijke transitiefase. De wereldmarkt en het Europese beleid (o.a. de POP plattelandsontwikkeling 2013) bepalen dit voor een groot deel. Er zijn twee verschillende ontwikkelingsrichtingen te onderscheiden.
De eerste is de ontwikkeling van een gebiedseconomie met een verdergaande menging van functies en verbreding van agrarische activiteiten met streekproducten, zorgverblijven, recreatief verblijf en landschapsbeheer. Deze ontwikkeling sluit aan op de toenemende vragen vanuit de samenleving (de stad) om het buitengebied meer te kunnen gebruiken voor andere functies. Maar ook bij de behoefte aan het behoud van voorzieningen die belangrijk zijn voor de leefbaarheid van het landelijk gebied voor haar bewoners. Een tweede ontwikkelingsrichting in het landelijk gebied is een toenemende specialisatie met schaalvergroting van de landbouw. Dat doet zich in NoordBrabant vooral voor bij glastuinbouw, intensieve veehouderij, rundveehouderij, akkerbouw, vollegronds tuinbouw en boomteelt. Het wordt in toenemende mate lastiger om deze twee ontwikkelingen in het landelijk gebied met elkaar te combineren. Het leidt tot confrontaties tussen ontwikkelingen onderling en tussen de grootschaligheid en het fijnmazige en afwisselende landelijk gebied van Noord-Brabant.
29
De opgave is om de ontwikkelingen in het landelijke gebied zodanig vorm te geven dat er sprake is van een duurzaam en vitaal platteland. Figuur 8 Uitsnede Structurenkaart provincie NoordBrabant
Het plangebied ligt in het kader van de Structuurvisie in een Mozaieklandschap. De provincie wil het Mozaieklandschap van het Brabantse zand versterken door menging van functies die de afwisseling en kleinschaligheid versterken. Nieuwe stedelijke ontwikkelingen spelen in op de karakteristieken van de verschillende Brabantse landschappen. De provincie vindt het van belang dat bij ruimtelijke ontwikkelingen ook de cultuurhistorische waarden worden betrokken. Landschappen met hoge cultuurhistorische waarden moeten op gebiedsniveau worden behouden en versterkt. Binnen het mozaieklandschap van het zand zijn er verschillen tussen de Brabantse wal, de Baronie, de Kempen en De Meijerij. Met ruimtelijke ontwikkelingen zal moeten worden ingespeeld op breuklijnen en hoogteverschillen, zodat deze beeldbepalende structuren richting geven aan de verdere ontwikkeling van het landschap. Het gaat daarbij om het behoud van het reliëf zelf en behoud van het zicht op en vanaf de reliëfvormen. Het plangebied ligt binnen De Meijerij op gronden met een cultuurhistorische waarden. De ontwikkeling wordt in het landschap ingepast, waarbij bij de vormgeving van de plannen rekening is gehouden met het landelijke karakter en cultuurhistorische waarden in het gebied.
30
Structurenkaart Het plangebied ligt in het kader van de Structuurvisie in de structuur ‘Groenblauwe mantel’. Figuur 9 Uitsnede Structurenkaart provincie NoordBrabant
De groenblauwe mantel is een gebied wat overwegend bestaat uit gemengd landelijk gebied met belangrijke nevenfuncties voor natuur en water. Het betreffen gebieden die grenzen aan het kerngebied natuur en water die bijdragen aan de bescherming van de waarden in het kerngebied. Een belangrijke opgave binnen de groenblauwe mantel is het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, water (-beheer) en landschap. Voor de ontwikkeling van groene en blauwe waarden zijn vormen van grondgebonden agrarisch grondgebruik belangrijk. Ook liggen binnen dit gebied kansen voor recreatie en toerisme. De mogelijkheden die geboden worden zijn nader bepaald en beschreven in de Interim Omgevingsverordening. 3.2.3
Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016-2021 In het Provinciale Milieu- en Waterplan (PMWP) is vastgelegd hoe de provincie Noord-Brabant de komende jaren gaat werken aan een duurzaam schone en veilige fysieke leefomgeving. Doelen van het PMWP betreffen: Voldoende water voor mens, plant en dier; Schone en gezonde leefomgeving (bodem, water en lucht); Bescherming van Brabant tegen overstromingen en externe risico’s; Verduurzaming van onze grondstoffen-, energie- en voedselvoorziening. 31
Onderhavige locatie heeft de functie ‘Water voor de groenblauwe mantel’. Dit gebied bestaat uit gemend landelijk gebied met belangrijke nevenfuncties voor natuur en water. De mantel heeft als doel de waarden in de EHS, de ecologische verbindingszones en de wateren met een functie voor waternatuur te beschermen en betekenisvol zijn voor biodiversiteit, water en landschap. Groene gebieden door en nabij de stedelijke omgeving zijn tevens onderdeel van deze groenblauwe mantel. Binnen de mantel is ruimte voor recreatie en multifunctioneel landgebruik. Randvoorwaarden zijn de verplichtingen uit de Kaderrichtlijn Water en afstemming met de maatregelen voor de Natura 2000-gebieden en de Natte natuurparels. Voor het overige geldt geen specifiek beschermingsbeleid.
3.2.4
Regionaal Water en Bodem Programma 2022-2027 (RWP) Op 3 december 2021 heeft de provincie Noord-Brabant het Regionaal Water en Bodem Programma 2022-2027 (RWP) vastgesteld. Dit programma is de opvolger van het Provinciaal Milieu en Waterplan en heeft als doel een klimaatadaptief Brabant met veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem te realiseren. De opgaven zijn tevens van belang voor de andere beleidsopgaven van de provincie ten aanzien van wonen en werken, infrastructuur en mobiliteit, landbouw en voedsel, natuur en biodiversiteit, erfgoed, een concurrerende en duurzame economie en de energietransitie. In het waterbeleid is generaties lang ingezet op het voorkomen van wateroverlast en water zo snel mogelijk af te voeren. In Nederland, en dus ook in Brabant is zichtbaar dat het klimaat verandert. Het wordt warmer, droger, natter en de zeespiegel stijgt. Het gaat sneller dan gedacht. De afgelopen jaren, 2018, 2019, 2020, waren droge zomers, wat betekent dat Brabant verdroogt. Het is duidelijk geworden dat we in de toekomst anders met water om zullen moeten gaan. Het is dermate van belang dat in Nederland zuinig met water en de bodem wordt omgegaan en het water- en bodemsysteem ingericht moet zijn op natte én droge tijden.
De provincie Noord-Brabant streeft met haar RWP naar een klimaatbestendig en veerkrachtig water- en bodemsysteem in 2050, welke bestand is tegen extremen. Bij de planvorming van onderhavige ontwikkeling is rekening gehouden met het wateraspect. Hiervoor wordt verwezen naar paragraaf 4.2.
32
3.2.5
Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant Op 25 oktober 2019 is de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant vastgesteld door Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant. De Interim omgevingsverordening is tot stand gekomen door de verschillende regelingen op provinciaal niveau over de fysieke leefomgeving samen te voegen. Dit betekent dat de regels betrekking hebben op milieu, natuur, ruimtelijke ordening, water, bodem en wegen. De Interim omgevingsverordening is daarbij een eerste stap op weg naar een omgevingsverordening, die op grond van de Omgevingswet wordt vastgesteld en die verplicht is voor provincies. Provinciale Staten hebben de nieuwe Omgevingsverordening Noord-Brabant op 17 maart 2022 vastgesteld. Deze verordening treedt gelijktijdig met de Omgevingswet in werking, naar verwachting per 1 januari 2023. In paragraaf 3.2.4 wordt nader ingegaan op de voorwaarden in deze verordening. De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er alleen inhoudelijke wijzigingen zijn doorgevoerd als die rechtstreeks voortvloeien uit vastgesteld beleid, zoals bijvoorbeeld het diep, rond en breed kijken van de omgevingsvisie.
Omdat de Interim verordening beleidsneutraal is en vooral is bedoeld om bestaande regelingen samen te voegen, heeft er ook (nog) geen expliciete afweging plaatsgevonden of de inzet van de verordening voor een bepaald thema gecontinueerd moet worden. Uitgangspunt van deze Interim omgevingsverordening is dat de huidige regels met het huidige beschermingsniveau zijn gehandhaafd. In het algemeen geldt daarbij dat de inzet van de verordening in de provincie Noord-Brabant is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor het vanuit provinciale belangen nodig is om regels in te zetten of waarvoor het vanuit de wet verplicht is om regels te stellen in de verordening. Plangebied Het plangebied is, zoals eerder gesteld, gelegen in de Groen/blauwe mantel, cultuurhistorisch waardevol gebied en attentiezone waterhuishouding. Op de planlocatie ligt een verbod uitbreiding veehouderij. Dit omdat de locatie gezien haar ligging met natuur- en waterwaarden niet geschikt is voor een grootschalige veehouderij. Onderhavige ontwikkeling betreft een functieverandering. Artikel 3.73 stelt regels voor vestiging niet-agrarische functie in landelijk gebied. Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied kan voorzien in de vestiging van een niet-agrarische functie op een bestaand bouwperceel als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
33
a.
de vestiging past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied waarbij de volgende aspecten zijn betrokken: 1. een gebiedsgerichte benadering welke activiteiten en functies passen in de omgeving; 2. welke effecten de mogelijke ontwikkeling heeft op andere aspecten, waaronder mobiliteit, agrarische ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders; 3. hoe de vestiging bijdraagt aan het versterken van de omgevingskwaliteit, waaronder een bijdrage aan de sloop van overtollig en leegstaand vastgoed in het Landelijk gebied. b. er vindt geen splitsing plaats van het bouwperceel; c. overtollige bebouwing wordt gesloopt; d. de vestiging heeft geen betrekking op: 1. een kantoor met baliefunctie; 2. lawaaisport; 3. mestbewerking. Lid 2 Het bestemmingsplan dat de vestiging mogelijk maakt, borgt dat de functie, ook op langere termijn, past binnen de ontwikkelingsrichting en stelt daartoe regels: a.
over een bij de omgeving passende omvang en publieksaantrekkende werking; b. welke specifieke gebruiksactiviteit is toegestaan; c. dat opslag en stalling plaatsvindt in gebouwen; d. dat de ontwikkeling verplaatst naar een passende locatie als deze niet langer past binnen de maximaal toegestane omvang. Lid 3 Als een binnen de omgeving passende omvang geldt voor: a.
bedrijvigheid, dat deze kleinschalig is en past binnen een gemengde omgeving waardoor het niet doelmatig is om deze te vestigen op een bedrijventerrein; b. een detailhandelsvoorziening, een omvang van het verkoopvloeroppervlak van ten hoogste 200 m²; c. een voorziening ten dienste van vrije-tijd en zorg, een omvang van de bebouwing van ten hoogste 1 hectare. Navolgend wordt kort ingegaan op de in de Interim omgevingsverordening gestelde voorwaarden aan de omzetting naar een in hoofdzaak nietagrarische functie.
34
Ad 1a De locatie is gelegen in gemengd agrarisch gebied met in de omgeving veelal woonboerderijen en agrarische bedrijven met andere gemengde functies zoals een beeldentuin of een streekproducten winkel (laatstgenoemde is in ontwikkeling). Onderhavige locatie betreft een voormalig agrarisch melkveebedrijf. Met onderhavig plan worden 8 woonzorgunits gerealiseerd. Ondergeschikt aan de woon-zorgunits worden hobbymatig 26 stuks jong(vlees)vee in de bestaande stal op het perceel gehouden en wordt een dierenweide gerealiseerd waar boerderijdieren kunnen verblijven. Gelet hierop blijft het perceel een agrarisch karakter behouden wat passend is in het buitengebied. Daarbij is de vestiging van de twee B&B’s op de locatie ondergeschikt aan de woon-zorgunits. De kamers worden beschikbaar gesteld voor kortverblijf van bezoekers. De nieuwe functie op het perceel is hiermee niet belemmerend voor agrarische bedrijven in de omgeving. Bovendien is de Gouverneursweg een zeer geschikte ontsluitingsweg om de verkeersbewegingen op te vangen. Om de ontwikkeling van de woon-zorgunits en de B&B’s mogelijk te kunnen maken worden bestaande stallen gesloopt. Tevens wordt een bestaande stal verbouwd waar een deel van de woon-zorgunits in worden ondergebracht. Er wordt meer bebouwing gesloopt dan er nieuw gebouwd wordt.
De sloop van de bebouwing, de verbouw van de bestaande stal en de komst van de nieuwbouw dragen positief bij aan de ruimtelijke omgevingskwaliteit van het gebied. Bij het ontwerp van de nieuwe woon-zorgunits en B&B’s /gemeenschappelijke ruimte is rekening gehouden met het landschappelijke karakter van het gebied. De ontwikkeling gaat hiermee leegstand tegen en draagt positief bij aan de leefbaarheid van het gebied. Het plangebied is volledig landschappelijk ingepast. Voor het landschappelijk inpassingsplan wordt verwezen naar bijlage 5. Ad 1b Er vindt geen splitsing plaats van het bouwperceel. Er is geen sprake van een bouwvlakvergroting. Ad 1c Als gesteld worden twee bestaande stallen en twee sleufsilo’s gesloopt. De gebouwen die behouden blijven worden (her)gebruikt en behouden hun functie of verkrijgen een nieuwe functie. Ad 1d De vestiging heeft geen betrekking op genoemde zaken.
35
Ad 2a De omvang van de bedrijvigheid wijzigt, doordat het huidige melkveehouderijbedrijf komt te vervallen en hiervoor in de plaats acht woonzorgunits met twee B&B’s / gezamenlijke ruimte wordt gerealiseerd. Er is geen sprake van een bouwvlakvergroting. De milieuintensiteit van de nieuwe functie ten opzichte van de oude functie op het perceel neemt juist af. Dit gezien het feit dat hier sprake is van een zeer geringe publiek aantrekkende functie, omdat sprake is van slechts twee B&B’s die voor kortverblijf van bezoekers ter beschikking worden gesteld. Bovendien zal het zorgpersoneel naar het woonzorgcomplex komen op momenten dat dit nodig is. Verder worden ondergeschikt aan de maatschappelijke functie slechts 26 stuks jong(vlees)vee gehouden, welke door de eigenaar zelf of bewoners van de woon-zorgunits worden verzorgd. De woonfunctie i.c.m. ondergeschikte activiteiten zijn passend in een gemengd gebied. Ad 2b De toe te stane functies betreffen een maatschappelijke functie met daaraan ondergeschikt de B&B’s/gezamenlijke ruimte, akkerbouw en het hobbymatig houden van het jong(vlees)vee en (kinder)boerderijdieren. In het zorgconcept wordt uitgegaan van de ontwikkeling van woon-zorgunits welke dienen voor wonen, waarbij een zekere mate van zorg kan worden aangeboden.
Er is sprake van een afhankelijkheid tussen de woonfunctie en de behoefte aan zorg, de units zijn niet voor iedereen beschikbaar. De personen die gebruik maken van de woon-zorgunits hebben een (beperkte) zorgvraag. Zij kunnen ervoor kiezen om gezamenlijk zorg in te kopen bij een door de bewoners te kiezen partij (bijvoorbeeld bij Patijn). Het is niet de bedoeling dat de zorgverleners (tenzij het de partner van de zorgbehoevende is) op de locatie komen wonen om de zorg te verlenen (de zorgverleners kunnen wel af en toe gebruik maken van de B&B, maar zeker niet permanent). Het doel is dat de bewoners zo lang mogelijk op de locatie kunnen blijven wonen, waarbij er door de bewoners zelf, al naar gelang hun zorgbehoefte, zorg geregeld wordt. Verder dient sprake te zijn van een gedeeltelijk gezamenlijke huishouding (de gezamenlijke ruimte, gezamenlijk tuin, en de inkoop van zorg en eventueel het schoonmaken van de units) en is er sprake van onderlinge verbondenheid. Dit laatste is bijvoorbeeld naar gelang van de interesse van de bewoners. De een zal meer behoefte hebben om een in de gezamenlijke tuin te werken, terwijl de ander graag de gezamenlijke activiteiten organiseert. Verder is het wonen gecombineerd met zorg- en welzijnsvoorzieningen (gezamenlijke ruimte, inkoop zorg, activiteiten, buitenruimte).
Doordat er sprake is van verhuur is het onderhoud van de units geregeld en hoeven de 36
bewoners hier geen rekening mee te houden, wat eveneens bijdraagt aan het zo lang mogelijk op de locatie laten wonen van de bewoners. De intiatiefnemer van onderhavig plan wordt hierbij tevens het aanspreekpunt voor de bewoners over het dagelijks beheer van de locatie. Het voordeel voor de bewoners ten opzichte van een normale woning is dat er gezamenlijke activiteiten worden georganiseerd, de zorg voor meerdere personen tegelijk geregeld kan worden en er sprake is van een bepaalde mate van sociale controle en contacten. In vergelijking met een verzorgingstehuis kan de partner er altijd bij blijven wonen en is er meer zelfstandig- en vrijheid voor de bewoners. Doelgroep Er is sprake van een toenemende vraag naar wonen waarbij een zekere mate van zorg geboden kan worden. Ook in dit segment is er vraag naar verschillende woonsoorten. Dit plan richt zich op mensen dit op zoek zijn naar een kleinschalige maatschappelijke woonvorm. Hierbij richt de initiatiefnemer zich op zorgbehoevenden in de leeftijd 55+ die, ondanks deze zorgbehoefte, zelfstandig willen blijven wonen. Hierbij hebben de zorgbehoevenden wel de behoefte aan gezamenlijke activiteiten en de gemeenschappelijke inkoop van zorg. Zorgvraag De zorgvraag van de bewoners kan zeer divers zijn.