Toelichting Bestemmingsplan Eggerlaan ong. Vorstenbosch
Tekst van het document
4.3.2 Cultuurhistorie Beleidskader Volgens de Erfgoedwet, die per 1 juli 2016 van kracht is geworden, dient bij nieuwe ontwikkelingen rekening te worden gehouden met het aanwezige cultureel erfgoed. Samen met de nieuwe Omgevingswet (of het overgangsrecht totdat deze in werking is getreden) maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. De gemeente Bernheze heeft een eigen Cultuurhistoriekaart. De kaart is in 2014 vastgesteld en geldt als toetsingskader voor ruimtelijke plannen. Consequenties Op de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) van de provincie Noord-Brabant is te zien dat in het plangebied geen cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. Een uitsnede van de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) is hieronder opgenomen, de ligging van het plangebied is met een rode cirkel aangeduid.
Bestemmingsplan ‘Eggerlaan ong. Vorstenbosch’ – 18 april 2024
29
Op de kaart is ook zichtbaar dat in de nabijheid van het plangebied wel sprake is van cultuurhistorische waarden. In het hart van de kern Vorstenbosch bevindt zich molen ‘Windlust’. De molen bevindt zich op een afstand van circa 200 meter van het plangebied en is daarmee in de molenbiotoop (400 meter rondom de molen) gelegen. De molenbiotoop beschermd de functie van de molen als werktuig en zijn waarde als landschapsbepalend element. Op basis van de Cultuurhistorische Waardenkaart 2014 van de gemeente Bernheze is zichtbaar dat het plangebied is gelegen langs een oud wegtracé met redelijk hoge waarde en dat het plangebied is gelegen in een gebied dat is aangeduid als ‘oude akker (esdek)’. Zie de uitsnede van de kaart hieronder, waarop de ligging van de planlocatie met een rode cirkel is aangegeven. Ook molen ‘Windlust’ en de bijbehorende molenbiotoop zijn op de gemeentelijke Cultuurhistorische Waardenkaart opgenomen.
Met het planvoornemen wordt agrarische bedrijfsbebouwing gesloopt. Hiervoor in de plaats komen 16 nieuwbouwwoningen die worden ingepast in de omgeving. Het oud wegtracé met redelijk hoge waarde blijft volledig gehandhaafd. Het planvoornemen maakt hogere bebouwing (11 meter) mogelijk dan op basis van de formule voor het berekenen van de hoogte van bebouwing in de nabijheid van de molen is toegelaten (op 200 meter afstand, 7 meter). Toch vormt het planvoornemen geen belemmering voor de molen, omdat de windvang van de molen in de richting van het plangebied (noordwestelijke richting) in de huidige situatie al wordt beperkt. Het gaat o.a. om hoogopgaand groen tussen de 15 en 25 meter hoogte binnen een afstand van 100 meter van de molen, waardoor in de praktijk sprake zal zijn van een turbulente windaanstroom vanuit de richting van dit groen. Dit betekent dat het op circa 200 meter hogere bebouwing realiseren dan volgens de molenbiotoopformule toelaatbaar is, is niet per se sprake van een achteruitgang van de molenbiotoop.
Bestemmingsplan ‘Eggerlaan ong. Vorstenbosch’ – 18 april 2024
30
Verder is in het gebied geen oude akker/ esdek meer aanwezig, het plangebied is namelijk vrijwel geheel bebouwd. Eveneens blijken uit het archeologisch bureau- en booronderzoek in het plangebied hiervoor geen archeologische indicatoren. Uit voorgaande blijkt dat door het planvoornemen geen sprake is van aantasting van de cultuurhistorische waarden in en rondom het plangebied. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de aspecten archeologie en cultuurhistorie geen belemmeringen vormen voor het planvoornemen. 4.4 Bedrijven en milieuzonering Beleidskader Voor de milieuzonering van bedrijven in ruimtelijke plannen geldt in het algemeen geen wettelijk kader. Wel is het in het kader van een goede ruimtelijke ordening van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies, zoals woningen: • ter plaatse van de woning(en) een goed woon- en leefmilieu wordt gegarandeerd; • rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Consequenties Voor het aspect bedrijven en milieuzonering is de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering de richtlijn die algemeen wordt gehanteerd. In deze brochure wordt onderscheid gemaakt tussen de verschillende omgevingstypen waarbinnen een plangebied gelegen kan zijn: rustige woonwijk/rustig buitengebied of gemengd gebied.
Een eerste stap in de beoordeling of in het kader van het aspect bedrijven en milieuzonering sprake is van een goede ruimtelijke ordening is het vaststellen van het omgevingstype waarin het plangebied is gelegen, zodat bepaald kan worden van welke richtafstanden tussen gevoelige functies en bedrijvigheid kan worden uitgegaan. In de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering is voor beide type gebieden een omschrijving gemaakt. Rustige woonwijk/rustig buitengebied: een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied. Gemengd gebied: een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied.
Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Het plangebied ligt in het hart van de kern Vorstenbosch, een van oudsher agrarisch georiënteerde kern. Oude (al dan niet voormalige) boerderijen zijn zichtbaar in het dorp, maar naast een enkel bedrijf zijn deze niet meer agrarisch in gebruik. Echter wel voor andere typen bedrijvigheid, zoals een timmerbedrijf. Daarnaast is in het hart van de kern nog allerlei andere bedrijvigheid aanwezig, zoals
Bestemmingsplan ‘Eggerlaan ong. Vorstenbosch’ – 18 april 2024
31
een kerk, peuterspeelzaal en een administratiekantoor. Daarnaast wordt gewoond. Op basis hiervan is het duidelijk dat sprake is van functiemenging. Gezien meer andere functies voorkomen dan alleen wijkgebonden voorzieningen kan de omgeving waarin het plangebied is gelegen getypeerd worden als ‘gemengd gebied’. Hiervoor gelden de navolgende in de tabel opgenomen in acht te nemen richtafstanden tussen bedrijvigheid en gevoelige functies. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
Richtafstand in omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
Onderstaande tabel geeft de bedrijvigheid in de omgeving van het plangebied weer inclusief de bijbehorende richtafstanden en de (kortste) werkelijke afstand tussen het bestemmingsvlak van de nabijgelegen functie en het bouwvlak van de gevoelige functies in plangebied. Type
Milieucategorie
Werkelijke afstand
Machinaal timmerbedrijf – SBI 203, 204, 205 en 162 Hondstraat 3 Vorstenbosch Agrarisch perceel - overig agrarisch bedrijf Kapelstraat 11 Vorstenbosch Eenmanszaak Timmerbedrijf – Bedrijfsbestemming maximaal categorie 2 Kapelstraat 10 Vorstenbosch Fortasse (administratiekantoor) – SBI 74, 63, 69 t/m 71, 73, 74, 77, 78, 80 t/m 82 Kapelstraat 1 Vorstenbosch Sint-Lambertuskerk – SBI 9131, 9491 Kerkstraat 2 Vorstenbosch Peuterspeelzaal – SBI 853, 8891 Eggerlaan 6a Vorstenbosch
3.2
Ca. 86 meter
Grootste richtafstand voor geluid, stof en geur in gemengd gebied 50 meter
2
Ca. 30 meter
10 meter
2
Ca. 36 meter
10 meter
1
Ca. 40 meter
0 meter
2
Ca. 50 meter
10 meter
2
Ca. 43 meter
10 meter
De werkelijke afstand tussen de bestemmingsvlakken van de bedrijven en de bouwvlakken van gevoelige functies in het plangebied zijn groter dan de in acht te nemen richtafstanden voor de toegelaten en gevestigde bedrijvigheid tot aan gevoelige functies. Omdat de richtafstanden worden gehaald, vormt bedrijven en milieuzonering voor wat betreft deze bedrijvigheid geen belemmering
Bestemmingsplan ‘Eggerlaan ong. Vorstenbosch’ – 18 april 2024
32
voor de gevoelige functies in het plangebied. Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Andersom vormen de gevoelige functies geen belemmering voor de bedrijfsvoering van deze bedrijvigheid. Conclusie Bedrijven en milieuzonering belemmert een goed woon- en leefklimaat in en rondom het plangebied niet. Ook geldt dat bedrijven in de omgeving van het plangebied door het planvoornemen niet in hun bedrijfsvoering worden belemmerd. 4.5 Bodem Beleidskader Vastgelegd is dat in ruimtelijke plannen moet worden beschreven wat de bodemkwaliteit van het betreffende gebied is. Voor het betrekken van bodeminformatie bij het opstellen van bestemmingsplannen zijn enkele vragen relevant: • is er bodemverontreiniging die de functiedoelen kan frustreren; • zijn er gezondheids- of ecologische risico's en gebruiksbeperkingen voor de beoogde functies; • wat zijn de mogelijkheden om er tijdig iets aan te doen in termen van resultaten, kosten en kostendragers. Consequenties Ter plaatse van het plangebied is door Van Oort Bodemonderzoek een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, zie bijlage 3 van deze toelichting. Hieruit blijkt de volgende samenvatting en advies. “Het doel van het onderzoek is het vastleggen van de kwaliteit van grond en grondwater en te beoordelen of er milieutechnische bezwaren zijn tegen een bestemmingswijziging en toekomstige nieuwbouw.
Bij de uitvoering van het onderzoek is gebruik gemaakt van de NEN 5740 en NEN 5707. De onderzoeksstrategie is afgestemd op het vooronderzoek (historie). Het veldwerk is uitgevoerd op basis van de BRL SIKB 2000 en de protocollen 2001, 2002 en 2018. De grond- en grondwateranalyses zijn uitgevoerd door SGS Environmental Analytics BV (AS3000) en de asbestanalyses door Eurofins Analytico BV. Zintuiglijk zijn tijdens de veldwerkzaamheden in de bodem geen verontreinigingen, bijmengingen of andere bijzonderheden waargenomen. Met laboratoriumonderzoek is aangetoond dat de bovengrond plaatselijk licht verontreinigd is met PAK (>Aw). In de ondergrond zijn geen verontreinigingen waargenomen (<Aw). Het grondwater is licht verontreinigd met barium (>Sw). Ter plaatse van de onbedekte druppelzone van de huidige stal is in de toplaag geen asbestgehalte aangetoond tot boven de helft van de interventiewaarde. Er is geen sprake van een ernstige asbestverontreiniging. In het kader van het tijdelijk handelingskader voor PFAS is zowel de boven- en als ondergrond beoordeeld als toepasbare grond (bij toepassing als landbodem). De meetwaarden voldoen aan de landelijke achtergrondwaarde. Op basis van het totaal aan onderzoeksgegevens behoeft de bodemkwaliteit naar ons inziens geen belemmering te vormen voor een woonbestemming en nieuwbouw van woningen. Er is geen aanleiding tot een vervolgonderzoek.”
Bestemmingsplan ‘Eggerlaan ong. Vorstenbosch’ – 18 april 2024
33
De gemeente Bernheze is bevoegd gezag, het onderzoeksbureau heeft slechts een adviserende taak. Het bevoegd gezag bepaalt dan ook of het onderzoek volstaat en/of aanvullend onderzoek noodzakelijk is. Het bevoegd gezag heeft het uitgevoerde verkennende bodemonderzoek beoordeeld en heeft hierop de volgende opmerkingen gemaakt: - “Uit de resultaten blijkt dat in de bodem een lichte verontreiniging met PAK is aangetroffen. In de bovengrond is geen verhoogd gehalte PFAS aangetroffen. Het grondwater is licht verontreinigd met barium. Ter plaatste van de koeienstal waar in het verleden (tot circa 10 jaar geleden) asbest golfplaten hebben gelegen is geen noemenswaardige verontreiniging met asbest aangetroffen. - Van Oort Bodemonderzoek is niet gecertificeerd voor SIKB protocol 2018, wat verplicht is voor onderzoek volgens NEN 5707 (asbest in grond onderzoek). - Uit de resultaten van het NEN 5707 onderzoek blijkt dat er een totaal gehalte asbest is aangetroffen van 14 mg/kg ds. Dit is onder de tussenwaarde, dus nader onderzoek is niet noodzakelijk geacht. - Strikt gezien had er ook een analyse op PCB’s uitgevoerd moeten zijn. PCB’s worden vaak gevonden in de druppelzone onder asbestdaken waarbij een coating gebruikt is tegen verwering.
Echter aangezien het al 10 jaar geleden is dat de asbestplaten op de schuur gelegen hebben is het in het kader van de bestemmingplanwijziging niet noodzakelijk nader onderzoek uit laten voeren. - In het kader van de omgevingsvergunning bouwen dient mogelijk nog een aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden van de bovengrond. Asbest en PCB’s zijn dan een aandachtspunt. Het onderzoek moet dan uitgevoerd worden door een bedrijf wat gecertificeerd is volgens protocol 2018.” Conclusie Bodem vormt geen belemmering voor de bestemmingswijziging. In het kader van de aanvraag omgevingsvergunning moet een aanvullend bodemonderzoek aangeleverd worden waarin asbest en PCB’s zijn onderzocht. Het aanvullend bodemonderzoek moet uitgevoerd worden door een bedrijf dat gecertificeerd is volgens protocol 2018.
4.6 Externe Veiligheid Beleidskader Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn: - Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); - Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); - Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: Het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Risiconormering In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico: Plaatsgebonden risico (PR)
Bestemmingsplan ‘Eggerlaan ong. Vorstenbosch’ – 18 april 2024
34
Het plaatsgebonden risico geeft de kans op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente).
Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Wanneer verantwoorden? Bron Inrichtingen (Bevi) Buisleidingen (Bevb)
Spoor-, rijks- en waterwegen (Bevt)
Wanneer groepsrisicoverantwoording? Altijd wanneer binnen invloedsgebied ruimtelijk besluit wordt genomen. Wanneer sprake is van toename van het groepsrisico of overschrijding van de oriëntatiewaarde. Wanneer sprake is van toename van het groepsrisico of overschrijding van de oriëntatiewaarde.
Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het ‘restrisico’ dat overblijft nadat de benodigde veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn. Beleidsvisie externe veiligheid De gemeente Bernheze beschikt over een beleidsvisie externe veiligheid (2008). Hierin wordt invulling gegeven aan de gemeentelijke omgang met externe veiligheid. De beleidsvisie bevat geen gebiedstypering of uitgangspunten die gehanteerd kunnen worden voor de verantwoording van het groepsrisico. Overige wet- en regelgeving Tot slot moet in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening' (art. 3.1 Wro) ook getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit bijvoorbeeld het Activiteitenbesluit, effectafstanden uit de 'Circulaire effectafstanden LPG-tankstations', enz..
Bestemmingsplan ‘Eggerlaan ong. Vorstenbosch’ – 18 april 2024
35
Consequenties In het plangebied worden 16 nieuwe kwetsbare objecten toegevoegd (nieuwe woningen), de bestaande voormalige agrarische bedrijfswoning die wordt omgeschakeld naar een burgerwoning is geen nieuw beperkt kwetsbaar object en hoeft daarom niet beoordeeld te worden. Om de externe veiligheidsrisico’s voor het plangebied te inventariseren is de risicokaart geraadpleegd. Zie onderstaand de uitsnede van de risicokaart waarop het plangebied met rode stippen is aangegeven.
Uit de risicokaart blijkt dat het plangebied niet is gelegen binnen een plaatsgebonden risicocontour (PR10-6/jaar). Ook is het plangebied niet gelegen binnen het invloedsgebied van inrichtingen en buisleidingen. Het plangebied is wel gelegen binnen het invloedsgebied van een transportroute over de weg. Op circa 3.800 meter afstand van het plangebied ligt het Basisnet-wegtraject A50 (knooppunt Paalgraven- afrit 14 (Zeeland), wegvak B80). Over deze weg worden onder andere gevaarlijke stoffen uit de stofcategorie GT4 vervoerd. GT4 heeft een invloedsgebied van >4.000 meter. Omdat het
Bestemmingsplan ‘Eggerlaan ong. Vorstenbosch’ – 18 april 2024
36
plangebied niet binnen 200 meter van de transportroute af ligt, kan er worden volstaan met een beperkte verantwoording voor het scenario toxisch. Een beperkte verantwoording van het groepsrisico gaat in op de zelfredzaamheid van personen binnen het plangebied bij een calamiteit en de mogelijkheden tot het bestrijden van de gevolgen van een calamiteit binnen het plangebied. In samenwerking met de Veiligheidsregio Brabant-Noord is een standaard verantwoording groepsrisico (beperkt) toxisch opgesteld. Deze is hieronder opgenomen. Verantwoording groepsrisico Vanwege de ligging van de planlocatie in het invloedsgebied van een risicobron waarvan een toxische wolk het maatgevende scenario is, dient een beperkte verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. Hierbij is de Veiligheidsregio om advies gevraagd. Het advies is verwerkt in de verantwoording. Scenario(‘s) Het relevante scenario voor het plangebied i.r.t. het transport van gevaarlijke stoffen is het overdrijven van een toxische wolk. Door bijvoorbeeld een incident tijdens de verlading of door een mechanische impact op de tank ontstaat een gat waardoor in korte tijd een groot deel van de toxische stof vrijkomt en met de wind mee wordt verspreidt. De kans op een dergelijk ongeval is bijzonder klein. De gevolgen voor personen zijn afhankelijk van de concentratie en blootstellingstijd aan de stof.
Mogelijkheden tot bestrijdbaarheid van een calamiteit Bij het scenario toxische wolk zal de brandweer proberen de toxische wolk neer te slaan. Bij een snelle verspreiding van de toxische wolk zal dit echter beperkt effect hebben. De bestrijdbaarheid wordt om deze reden als matig beoordeeld. De mogelijkheden tot zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar. Het zelfredzame vermogen van personen is een belangrijke voorwaarde om grote aantallen slachtoffers bij een incident te voorkomen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen binnen bebouwing en ontvluchten van het plangebied. De mogelijkheden ten aanzien van de zelfredzaamheid zijn goed. Er worden geen niet- of verminderd zelfredzame mensen in het plangebied gehuisvest. De aanwezigen zijn normaal gesproken in staat om zelfstandig conform instructies bijvoorbeeld via NL-Alert te reageren. Het aantal mensen in het plangebied is beperkt. Behalve de vraag of zelfredding mogelijk is, zijn de fysieke eigenschappen van gebouwen en omgeving van invloed op de vraag of die zelfredding optimaal kan plaatsvinden. Vanuit de hierboven geschetste mogelijkheden is het dus van belang, dat het plangebied: - goed te alarmeren is; - goed te schuilen is; - goed te ontvluchten is. Alarmering In geval van een calamiteit zal NL-Alert worden ingezet.
NL-Alert is een aanvullend alarmmiddel van de overheid voor de mobiele telefoon. Met NL-Alert kan de overheid mensen in de directe omgeving van een noodsituatie met een tekstbericht informeren. In het bericht staat specifiek wat er aan de hand is en wat je op dat moment het beste kunt doen. Schuilmogelijkheden Schuilen in de afgesloten bebouwing zal in beginsel de beste manier zijn om de calamiteit met het scenario toxische wolk te overleven. Schuilen voor een toxische wolk is mogelijk binnen de bebouwing
Bestemmingsplan ‘Eggerlaan ong. Vorstenbosch’ – 18 april 2024
37
op de planlocatie. Om veilig schuilen binnen de bebouwing mogelijk te maken dient de bebouwing aan bepaalde veiligheidseisen te voldoen. Als gevolg van energieprestatie-eisen zijn nieuwe woningen goed geïsoleerd en bieden daarom een goede bescherming. Eventuele aanwezige ventilatieopeningen moeten afgesloten kunnen worden. Vluchtmogelijkheden Mocht vluchten noodzakelijk zijn, dan is het plangebied naar meerdere zijden te ontvluchten. Ontvluchten kan in alle gevallen van de risicobron af. Conclusie Er bestaat vanuit het oogpunt externe veiligheid geen bezwaar tegen de gewenste ontwikkeling. De Veiligheidsregio ziet geen reden tot het geven van een nader advies ten aanzien van de zelfredzaamheid van personen binnen het plangebied en de bestrijdbaarheid van een ramp op de wegen. 4.7 Natuur Beleidskader De Wet natuurbescherming is op 1 januari 2017 in werking getreden en vervangt sindsdien de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet, en de Boswet. De wet bevat regels voor de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten en de belangrijkste natuurgebieden in Nederland. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. Soortbescherming De Wet natuurbescherming bevat een algemene zorgplicht voor alle in het wild levende dieren en planten.
Daarnaast voorziet de wet in strikte verboden die gelden voor aangewezen beschermde inheemse diersoorten, waaronder alle van nature in Nederland voorkomende soorten vogels. Dus zowel vogels in de tuin als op de Veluwe zijn beschermd. De wet werkt volgens het 'nee-tenzij' principe ten aanzien van beschermde inheemse soorten: schadelijke handelingen zijn verboden, tenzij er een uitzondering voor is gemaakt. Het is niet toegestaan om vogels te doden, vangen, verwonden, verstoren, bezitten, verhandelen, de nesten en eieren te verstoren of te vernietigen. Uitzonderingen op deze verboden zijn onder voorwaarden mogelijk, onder andere voor veiligheid, schadebestrijding of onderzoek. De wet regelt ook de jacht in ons land. Gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming bevat specifieke regels voor de aanwijzing, het beheer en de bescherming van Natura 2000-gebieden, waaronder een groot aantal gebieden die als essentieel leefgebied dienen voor vogels. Het belangrijkste rechtgevolg van de aanwijzing als Natura 2000-gebied is dat er een vergunningplicht geldt voor alle activiteiten die mogelijk schade kunnen toebrengen aan een gebied. Voor dergelijke schadelijke activiteiten kan alleen een vergunning worden verleend als er geen alternatief is en als het gaat om een dwingende reden van groot openbaar belang. De kokkelvisserij in de Waddenzee is nu bijvoorbeeld verboden.
Er kon namelijk niet worden aangetoond dat er géén schade zou ontstaan aan de natuur, en er was geen van de andere redenen aanwezig om toch een vergunning te verlenen. De wet biedt geen bescherming aan andere natuurgebieden, maar vereist wel van provincies dat zij gebieden aanwijzen voor het natuurnetwerk Nederland en verleent hen de bevoegdheid om bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen aan te wijzen. De Minister van Economische Zaken kan daarnaast op grond van de wet nationale parken aanwijzen die vooral een
Bestemmingsplan ‘Eggerlaan ong. Vorstenbosch’ – 18 april 2024
38
educatieve en communicatieve functie hebben. De voormalige beschermde natuurmonumenten zijn met bijbehorende doelen opgeheven met de inwerkingtreding van de Wet natuurbescherming. Consequenties Soortbescherming Voor het planvoornemen is door Adviesburo Eceau een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Het onderzoek is als bijlage 4 bij deze toelichting gevoegd en kent de navolgende samenvatting en conclusie: “Samenvatting Ten aanzien van de beoogde ontwikkeling aan de Kapelstraat 7 te Vorstenbosch is een ecologische quickscan uitgevoerd. Het kadastraal splitsen, herontwikkelen van het perceel en alle bijbehorende werkzaamheden leiden, behoudens algemene broedvogels en vrijgestelde soorten, niet tot aantasting van functionele leefomgevingen, vaste rust- en/of verblijflocaties, natuurgebieden of andere krachtens de Wet natuurbescherming beschermde zaken. Voor vleermuizen is het voldoende als er rekening gehouden wordt met de eventuele aanwezigheid in de omgeving. Voor rugstreeppad is het voldoende als voorkomen wordt dat de locatie gekoloniseerd kan worden ten tijde van de uitvoering. - Ten aanzien van algemene grondgebonden zoogdieren is enkel de Algemene Zorgplicht van toepassing - Ten aanzien van vleermuizen zijn geen essentiële vliegroutes, foerageergebieden of vaste rusten/ of verblijfslocaties aanwezig.
Desondanks passeren en foerageren vleermuizen aannemelijk op of rondom de locatie en worden door (foutief toegepaste) bouwverlichting mogelijk verstoord indien toegepast - Ten aanzien van vogels met jaarrond beschermde nestlocaties en/of leefgebieden zijn geen verdere maatregelen of vervolgstappen benodigd - Ten aanzien van algemene vogels kunnen broedsels en nesten verstoord worden gedurende het broedseizoen in het groen rondom het plangebied - Ten aanzien van rugstreeppadden dient voorkomen te worden dat de locatie gekoloniseerd wordt gedurende de uitvoering van de ontwikkeling. Ten aanzien van overige amfibieën wordt de aanwezigheid van vrijgestelde soorten verwacht, voor deze soorten dient de Algemene Zorgplicht in acht genomen te worden - Voor vlinders, libellen, ongewervelde, reptielen en vissen met een beschermde status krachtens de Wet natuurbescherming is geen geschikt leefgebied aanwezig - Standplaatsen en geschikte omstandigheden ten aanzien van beschermde vaatplanten zijn niet aangetroffen - Er is geen sprake van effecten op houtopstanden onder bescherming van de Wet natuurbescherming - Gelet op de afstand tot beschermde gebieden, de aard van de werkzaamheden en de tussengelegen inrichting van het gebied worden geen (negatieve) effecten verwacht Conclusie Er zijn geen aanleidingen aangetroffen die het noodzakelijk maken dat vervolgstappen of aanvullend onderzoek
uitgevoerd moet worden. Voor een aantal soorten is het voldoende als er tijdens de uitvoering rekening wordt gehouden met de eventuele aanwezigheid: - Voor vleermuizen dient rekening gehouden te worden met mogelijk foeragerende of passerende individuen middels het juist toepassen van bouwverlichting óf door te werken buiten de schemerende en donkere dagdelen in de periode april t/m oktober. Voorbeelden van juiste verlichting: amber-/roodkleurige verlichting, beperkte hoogte van lichtmasten en verlichting naar beneden gericht en convergeren - In verband met de potentie voor algemene vogelsoorten zoals winterkoning, turkse tortel, merel en overige kleine zangvogels werkzaamheden buiten het broedseizoen uitvoeren, medio maart
Bestemmingsplan ‘Eggerlaan ong. Vorstenbosch’ – 18 april 2024
39
-
-
-
t/m medio juli. Indien de werkzaamheden opgestart en uitgevoerd worden binnen het broedseizoen dient de locatie ongeschikt gemaakt te worden alvorens de aanvang van het broedseizoen. Indien nodig kan ook binnen het broedseizoen gewerkt worden door de planlocatie vlak voorafgaand aan de werkzaamheden te laten controleren op de aanwezigheid van in gebruik zijnde nesten Om te voorkomen dat de rugstreeppad de bouwlocatie koloniseert gedurende het voortplantingsseizoen dienen maatregelen getroffen te worden. Zorgen dat tijdelijke poelen en plassen niet kunnen ontstaan door de locatie regelmatig af te vlakken óf een amfibieënscherm plaatsen waardoor rugstreeppadden de locatie niet kunnen bereiken óf zorg dragen dat zanderig/braakliggend terrein niet aanwezig is in de voortplantings- of migratieperiode van rugstreeppadden (begin april t/m eind juli) Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (puin, takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om dieren die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, zich te laten verplaatsen naar een schuilplaats buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden In het kader van de Algemene Zorgplicht dient voorzichtig gehandeld te worden met alle aanwezige flora en fauna”
Gebiedsbescherming Binnen 10 kilometer van het plangebied zijn geen Natura 2000 gebieden gelegen. Geen sprake is dan ook van directe aantasting of externe werking van de ontwikkeling op het Natuur Netwerk Brabant. Het plangebied ligt buiten beschermde Natura 2000-gebieden. Omdat het plangebied buiten beschermde gebieden ligt zijn directe effecten, zoals areaalverlies en versnippering, uitgesloten. Tevens kunnen ook verstoring en verandering van de waterhuishouding worden uitgesloten. Wel moet nog aangetoond worden dat indirecte effecten niet aan de orde zijn. Berekend moet worden of het planvoornemen in zowel de gebruiks- als aanlegfase geen negatief effect (stikstofdepositie) heeft op Natura 2000-gebieden. Dat de gebruiksfase moet worden berekend is vastgelegd in de Wet stikstofreductie en natuurverbetering. Voor de aanlegfase (bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten om het planvoornemen te realiseren) is hierin een vrijstelling opgenomen. Deze vrijstelling is op 2 november 2022 echter tenietgedaan via de uitspraak van de Raad van State inzake Porthos (ECLI:NL:RVS:2022:3159). Sindsdien geldt de vrijstelling niet meer en moet ook voor de aanlegfase een berekening gemaakt worden. Voor zowel de aanleg- als gebruiksfase is voor deze ontwikkeling een aeriusberekening uitgevoerd en een notitie van de invoergegevens opgesteld.
De notitie en berekeningen zijn bijgevoegd bij deze toelichting (bijlage 5). De conclusie hiervan is als volgt: “Uit de AERIUS-berekeningen volgt dat zowel door de realisatie- als de gebruiksfase van het planvoornemen geen sprake is stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. De AERIUS-berekeningen hebben aangetoond dat de stikstofdepositie gelijk is aan 0,00 mol N/ha/jaar. Dat betekent dat het project niet leidt tot stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied. Op basis van het resultaat van de berekeningen hoeft er geen verder onderzoek naar stikstofdepositie ten gevolge van het planvoornemen uitgevoerd te worden en is het niet nodig een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming aan te vragen.” Conclusies Het planvoornemen zal geen nadelige invloed hebben op flora en fauna (soorten) op de locatie en de toestand van flora en fauna in de directe omgeving. Het planvoornemen leidt niet tot effecten op nabijgelegen Natura-2000 gebieden. Voor wat betreft het aspect gebiedsbescherming is geen sprake van strijdigheid met de Wet natuurbescherming.
Bestemmingsplan ‘Eggerlaan ong. Vorstenbosch’ – 18 april 2024
40
4.8 Bomen Over hoe omgegaan wordt met bomen in de gemeente heeft de gemeente het Bomenbeleidsplan Gemeente Bernheze 2017-2027 vastgesteld. Hierin is opgenomen dat bomen belangrijk zijn voor het groene imago van de gemeente. Het zijn belangrijke vormgevingselementen, vervullen een belangrijke ecologische functie en verbeteren de luchtkwaliteit. Daarnaast zorgen de aanwezigheid van groen en bomen voor waardestijging van onroerend goed en daling van het aantal gezondheidsklachten. Er is een diversiteit aan uitdagingen en kansen waarvoor de gemeente staat op het gebied van van groen en bomen. Ondergronds is steeds minder ruimte beschikbaar en boomwortels drukken verhardingen op. De klimaatverandering noodzaakt tot het hebben van meer open grond om water te kunnen infiltreren. Dit biedt kansen om bomen betere, duurzamere groeiplaatsen te bieden. Het planten van bomen kan helpen om het urban heat island effect in de kernen te temperen en de terugloop van de bijenstand tegen te gaan. In de forse woningbouwopgave waarvoor de gemeente staat is het een uitdaging om een goede rood-groenverhouding te houden. De beleidsambities van de gemeente zijn geënt op: -
Toepassing van een vuistregel die zorgt voor een goede rood-groen-blauw balans bij nieuwe ontwikkelingen; Het werken met een groenparagraaf die laat zien hoe wij keuze maken ten aanzien van groen en natuur bij nieuwe ontwikkelingen; Toekomst- en omgevingsgericht ontwerpen; Een goede balans tussen het behouden van bomen en het tegemoetkomen aan wensen; Een goed onderhoud van de openbare ruimte met specifieke aandacht voor boomonderhoud en beheersing van verhardingsopdruk door boomwortels; Het gericht werken naar het ‘wensbeeld bomen’; Het werken aan respect en waardering voor bomen.
Binnen het plangebied is een monumentale boom aanwezig. Deze staat op het erf van de om te schakelen bedrijfswoning naar een burgerwoning (Kapelstraat 7). Gezien de boom midden op dit erf staat en het erf zelf fysiek niet verandert en hier ook geen nieuwe planologische bouwmogelijkheden worden gecreëerd heeft het planvoornemen geen effect op deze boom. Te allen tijden gelden voor deze boom de regels die zijn opgenomen in de Verordening Fysieke Leefomgeving (kapverbod), het bomenbeleidsplan en handboek bomen. En daarmee ook de bomenposter ‘Werken rondom bomen’. De eigenaar dient zich te houden aan de opgenomen voorwaarden en verplichtingen uit deze documenten. Zo moet er voor alle bomen waar binnen de beschermde boomzone een activiteit plaatsvindt een boomeffectanalyse (BEA) worden opgesteld.
4.9 Kabels en leidingen Naar verwachting zijn in de directe omgeving van het plangebied geen kabels en leidingen aanwezig die een belemmering vormen voor de nieuwbouw. In het vigerende bestemmingsplan worden geen kabels- en leidingen beschermd. Mochten er grondwerkzaamheden plaats gaan vinden dan zal te zijner tijd voorafgaand aan de werkzaamheden een KLIC-melding opgevraagd moeten worden bij de betrokken netwerk/leidingbeheerders. 4.10 Luchtkwaliteit Beleidskader Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer. Op 15 november 2007 is het onderdeel luchtkwaliteit van de Wet milieubeheer in
Bestemmingsplan ‘Eggerlaan ong. Vorstenbosch’ – 18 april 2024
41
werking getreden. Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hierin staat wanneer en hoe overschrijdingen van de luchtkwaliteit moeten worden aangepakt. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen, zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma, hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen (grenswaarden) voor luchtkwaliteit. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. Ook projecten die 'niet in betekenende mate' (NIBM) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. In het besluit NIBM is vastgelegd dat na vaststelling van het NSL of een regionaal programma een grens van 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 µg/m³ NO2 of PM10) als 'niet in betekenende mate' wordt beschouwd. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, infrastructuur, kantoor- en woningbouwlocaties en activiteiten of handelingen) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook indien aannemelijk gemaakt kan worden dat een gepland project NIBM bijdraagt, kan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit achterwege blijven.
Voor woningen wordt hierbij een ondergrens van 1500 woningen aangehouden voor locaties waarbij sprake is van één ontsluitingsweg. Grenswaarden luchtkwaliteit Voor de meest voorkomende stoffen zijn de luchtkwaliteitsnormen als volgt:
Gekeken naar de voorspellingen voor deze stoffen met behulp van de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN) van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)1 blijkt dat (ruim) voldaan wordt aan deze grenswaarden. Uitsneden van de kaarten ter hoogte van het plangebied zijn hieronder opgenomen.
1
Bron: http://geodata.rivm.nl/gcn/
Bestemmingsplan ‘Eggerlaan ong. Vorstenbosch’ – 18 april 2024
42
Bestemmingsplan ‘Eggerlaan ong. Vorstenbosch’ – 18 april 2024
43
Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. Om aan te tonen dat in onderhavige situatie sprake is van een NIBM-project is de NIBM-tool ingevuld, welke hieronder is weergegeven. In de tool is ervoor gekozen de verkeersaantrekkende werking van vóór saldering met de vigerende situatie als uitgangspunt te nemen, zodat het worst-case effect inzichtelijk is.
Uit de uitkomsten van de NIBM-tool blijkt dat geen sprake is van een bijdrage van het planvoornemen aan de luchtkwaliteit. Conclusie
Bestemmingsplan ‘Eggerlaan ong. Vorstenbosch’ – 18 april 2024
44
Het planvoornemen heeft geen nadelige invloed op de luchtkwaliteit omdat het niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit, daarnaast is sprake van een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat ten aanzien van luchtkwaliteit. Het aspect luchtkwaliteit vormt dan ook geen belemmerende factor. 4.11 Water Een belangrijk ordenend principe bij ruimtelijke plannen is het waterbeheer: de zorg voor veiligheid tegen overstromingen en voor voldoende en gezond oppervlaktewater. De gemeente dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijke planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het waterschap Aa en Maas, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer van regionale wateren. Beleidskader Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's. Waterbeheerplan 2022-2027 In het waterbeheerplan 2022 – 2027 staan de doelen van waterschap Aa en Maas beschreven en hoe zij die doelstellingen gaan halen.
De centrale missie van Waterschap Aa en Maas hierbij is als volgt: “Het ontwikkelen, beheren en in stand houden van gezonde, robuuste en veerkrachtige watersystemen, die ruimte bieden aan een duurzaam gebruik voor mens, dier en plant in het gebied, waarbij de veiligheid is gewaarborgd en met oog voor economische aspecten.” De doelen en maatregelen waar het waterschap voor staat en gaat, zijn onderverdeeld in drie programma’s: 1. Waterveiligheid Het programma Waterveiligheid draait om de bescherming tegen verstromingen vanuit de Maas en het regionale watersysteem. Hiervoor moeten de waterkeringen (dijken en kunstwerken) periodiek worden getoetst aan de veiligheidsnormen. Daarnaast omvat het programma de zorgplicht voor de instandhouding van deze waterkeringen met alle activiteiten die daarbij horen, inclusief gegevens- en informatiemanagement en een goede afstemming tussen beheer en inrichting. 2. Klimaatbestendig en gezond watersysteem Dit programma draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij wordt gelet op de kwantiteit (goede waterpeilen, waterconservering, en het omgaan met wateroverlast en droogte) en op de kwaliteit (chemisch en ecologisch).
Het gaat daarbij niet alleen over het watersysteem zelf, maar ook over hoe er met het watersysteem en met de aanpak en manier van (samen)werken kan worden bijdragen aan bijvoorbeeld een vitaal platteland, gezondheid, goede biodiversiteit en aan mogelijkheden voor recreatie. 3. Schoon water In dit programma worden de doelen en activiteiten binnen de afvalwaterketen beschreven. Het zuiveren van afvalwater speelt hierin een centrale rol. Met goed gezuiverd afvalwater wordt immers een belangrijke bijdrage geleverd aan een gezond en natuurlijk watersysteem. Dit geldt voor het werkgebied van Waterschap Aa en Maas, maar ook voor de Maas, die een bron is voor de drinkwatervoorziening van West-Nederland.
Bestemmingsplan ‘Eggerlaan ong. Vorstenbosch’ – 18 april 2024
45
Keur De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt beleids- en algemene regels. Het waterschap maakt bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote (toename verhard oppervlak groter dan 10.000 m2) en kleine plannen (toename verhard oppervlak tussen de tussen de 500 m2 en 10.000 m2). Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Dit heeft ertoe geleid dat voor kleine plannen kan worden volstaan met het toepassen van een eenvoudige rekenregel voor het bepalen van de compensatie-eis, namelijk 60 mm waterberging per m2 verhard oppervlak. Voor plannen met een toename van het verharde oppervlak minder dan 500 m2 geldt geen compensatie-eis. Legger De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven.
Digitale Watertoets De watertoets moet ervoor zorgen dat bij ruimtelijke plannen en besluiten voldoende rekening wordt gehouden met water en watervoorzieningen. Slim gebruik van water en ruimte kan de leefomgeving van mens en dier verbeteren. En het verkleint de kans op problemen zoals onvoldoende veilige dijken, wateroverlast of een slechte waterkwaliteit. Het resultaat is een ruimtelijk plan dat waterbestendig is. Waterschap Aa en maas doet een eerste toets via www.dewatertoets.nl. Daar kan voor ieder plan een vragenlijst ingevuld worden op basis waarvan direct het waterbelang wordt aangegeven. Er zijn drie mogelijke uitkomsten: 1. geen waterbelang: Er is een functiewijziging zonder relevante wateraspecten; 2. verkorte procedure: U heeft een klein plan met weinig relevante wateraspecten; 3. normale procedure: U heeft een groot plan met meerdere relevante wateraspecten. Als de uitkomst geen waterbelang of verkorte procedure is worden geen aanvullende zaken meer van de initiatiefnemer verwacht en kan het plan o.b.v. water doorgang vinden. Als de uitkomst normale procedure is dient de waterparagraaf nader uitgewerkt te worden, overleg gevoerd te worden met het waterschap en zal het waterschap teneinde een advies uitbrengen.
Beleid gemeente Bernheze In het ‘Gemeentelijk Rioleringsplan 2020 t/m 2023’ staat omschreven dat de gemeente Bernheze een niet-verplichtende - verwachting uitspreekt dat inwoners van de gemeente hemelwater zoveel mogelijk zelf opvangen en bergen. De hydrologische uitgangspunten van de Brabantse waterschappen zoals bovenstaand omschreven worden door de gemeente Bernheze in principe nageleefd maar zijn niet leidend; de gemeente Bernheze is het bevoegde gezag aangaande het verwerken van hemelwater. De ondergrens van de toename van het verharde oppervlak met 500 m2, waarbij volgens de Keur van de Brabantse waterschappen geen compensatie noodzakelijk wordt geacht, wordt door de gemeente Bernheze bijvoorbeeld niet gehanteerd. In Bernheze geldt conform het ‘Gemeentelijk Rioleringsplan 2020 t/m 2023’ dat bij (her)ontwikkeling in de vorm van ver- of nieuwbouw het gehele plan aan 60 mm berging dient te voldoen.
Bestemmingsplan ‘Eggerlaan ong. Vorstenbosch’ – 18 april 2024
46
Naast het ‘Gemeentelijk Rioleringsplan 2020 t/m 2023’ heeft de gemeente op 1 november 2021 de ‘Verordening fysieke leefomgeving’ vastgesteld. Hierin is met betrekking tot het onderwerp hemelwater opgenomen dat per m2 toevoeging aan verharding 20 mm berging gerealiseerd moet worden. Consequenties Het planvoornemen heeft geen verhardings toe- of afname tot gevolg voor het perceel kadastraal bekend gemeente Nistelrode sectie E nummer 2644 van het plangebied (Kapelstraat 7). Hier vindt slechts een functionele wijziging plaats (omschakeling bedrijfs- naar burgerwoning), waarbij de huidige situatie volledig wordt gehandhaafd. Op het gedeelte van het plangebied dat is gesitueerd op de Eggerlaan (kadastraal bekend gemeente Nistelrode sectie E nummer 2643) is in de huidige situatie bedrijfsbebouwing aanwezig. Hierbij is ca. 842,80 m2 verhard. In de beoogde situatie is er sprake van een oppervlakte van ca. 2.327,17 m2 aan verharding. Dit betekent dat er met het planvoornemen een verhardingstoename van ca. 1.484,37 m2 is. Vanuit het gemeentelijk- en waterschapsbeleid dient hemelwater op eigen terrein geborgd te worden. Het planvoornemen voorziet hierin. De rekensom om het te bergen en infiltreren m3’s hemelwater te berekenen is gebaseerd op het waterschapsbeleid, omdat meer de hoeveelheid verharding met meer dan 500 m2 toeneemt.
De rekensom is als volgt: compensatie-eis verhard oppervlak (60 mm) x verhard oppervlak. In onderhavige situatie betekent dat, dat 2.327,17 (verharde oppervlakte nieuwe situatie) - 842,80 (verharde situatie huidige situatie) = 1.484,37 x 60 mm = 89,06 m3 hemelwater op eigen terrein tijdelijk moet worden geborgen en vervolgens geïnfiltreerd. Zie voor de volledige berekening bijlage 9 bij deze toelichting. Op het perceel is voldoende ruimte aanwezig voor een hemelwatervoorziening die ten minste 89,06 m3 tijdelijk bergt. Daarnaast is ook de GHG (gemiddeld hoogste grondwaterstand) en K-waarde in het plangebied geschikt voor diverse vormen van tijdelijk berging en infiltratie van hemelwater. De initiatiefnemer heeft gekozen voor de aanleg van een infiltratievoorziening op eigen terrein in de vorm van een wadi en infiltratiekratten (combinatie), waar het hemelwater dat in het plangebied valt naartoe geleid wordt. De hemelwaterbergingsoplossing is schematisch uitgewerkt in bijlage 10 van deze toelichting. De wadi en kratten zullen tijdelijk 91,67 m3 aan hemelwater bergen dat vervolgens langzaam in de grond infiltreert. Voor hevige regenval wordt een overstort/ overloop op de erfgrens gecreëerd die ervoor zorgt dat wanneer er meer hemelwater valt dan er op eigen terrein verwerkt kan worden het extra water bij de openbare ruimte wordt aangeboden en verwerkt.
De specifieke infiltratievoorziening is onderdeel van de aanvraag omgevingsvergunning activiteit ‘Bouwen’ en wordt in dat kader nader uitgewerkt en voorgelegd aan de gemeente ter goedkeuring. Voor het planvoornemen is op www.dewatertoets.nl e.e.a. ingevuld. De uitkomst hiervan was als volgt: normale procedure. De samenvatting en watertoets zijn als bijlage 6 bij deze toelichting gevoegd. De verhardingstoename en/of -afkoppeling is meer dan 500 m2 en overschrijdt daarmee de ondergrens voor compensatie van 500 m2. Het plangebied valt buiten de ruimtelijk begrensde waterbelangen. Het planvoornemen is in het kader van het wettelijk vooroverleg aan het waterschap aangeboden. Het waterschap heeft ingestemd met de voor het planvoornemen beoogde hemelwatervoorziening en dit bestemmingsplan. Afvalwater Aangaande de afvoer van afvalwater is de gemeente bevoegd gezag. Er moet gescheiden (afvalwater apart van overstort/ overloop hemelwater) worden aangeboden.
Bestemmingsplan ‘Eggerlaan ong. Vorstenbosch’ – 18 april 2024
47
De initiatiefnemer en de gemeente hebben afspraken gemaakt over de aansluiting van de nieuwe woningen op het gemeentelijk riool. De initiatiefnemer is ervoor verantwoordelijk dat hij een dwa (droogweerafvoer) rioolstelsel aanlegt. Daarnaast is hij ervoor verantwoordelijk dat dit wordt aangesloten op het hoofdriool. Hierbij is hij ook aan zet voor de daarvoor benodigde voorzieningen en de eventueel benodigde aanpassingen op de bestaande voorzieningen buiten het plangebied. Een en ander ter realisering en aansluiting in overleg met de gemeente. Voor de te realiseren rioolaansluiting moet de initiatiefnemer een aansluitvergunning aanvragen. Conclusie Uit het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat de waterhuishouding geen belemmering vormt voor het planvoornemen. 4.12 Geur Beleidskader Belangrijkste voorwaarden voor de ontwikkeling van geurgevoelige bebouwing in de omgeving van veehouderijen is dat voor de (toekomstige) bewoners een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd en dat andere belanghebbenden (veehouders en derden) niet onevenredig in hun belangen worden geschaad. Op grond van de vervallen brochure Veehouderij en Hinderwet en circulaire Veehouderij en Stankhinder was sprake van stankcirkels waarbinnen, volgens constante jurisprudentie, geen stankgevoelige bebouwing mocht worden gebouwd. Deze regeling is in 2007 opgevolgd door de Wet geurhinder en veehouderij.
Op 1 januari 2007 is de Wet geurhinder en veehouderij (Wvg) in werking getreden. Deze wet biedt de gemeente de mogelijkheid om een eigen geurhinderbeleid op te stellen. Door de gemeente Bernheze is in 2013 de beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder Bernheze vastgesteld. Consequenties In het plangebied is sprake van één voormalige agrarische bedrijfswoning. Dit is geen nieuw geurgevoelig object. Verder worden 16 nieuwe geurgevoelige objecten opgericht. Voor wat betreft het aspect geurhinder afkomstig van veehouderijen wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgrondbelasting, vaste afstanden en de achtergrondbelasting. Deze worden hieronder ieder apart beschouwd. Voorgrondbelasting De planlocatie is ingevolgde de kaart van de “Verordening Geurhinder en Veehouderij gemeente Bernheze 2013” aangewezen als bebouwde kom. In dit gebied geldt ten aanzien van de voorgrondbelasting een geurnorm van 3 ou/m³. Omdat er geen veehouderijen met dieren waarvoor een emissiefactor geldt in de directe omgeving liggen, is het aannemelijk dat wordt voldaan aan deze norm. Verder zijn tussen het plangebied en veehouderij in de wijde omgeving andere geurgevoelige objecten aanwezig die voor die veehouderij maatgevend zijn, de nieuwe geurgevoelige objecten in het plangebied belemmeren die veehouderijen dus niet in hun bedrijfsvoering.
Vaste afstanden In artikel 4 van de Wet geurhinder en veehouderij is bepaald met welke vaste afstanden rekening moet worden gehouden. De gemeente kan bij verordening bepalen om de vaste afstand te halveren. De gemeente Bernheze heeft aanvullende regels gemaakt ten aanzien daarvan. Zie artikel 4 van de verordening Geurhinder en Veehouderij Bernheze, waarin de gebieden waarvoor halvering geldt zijn
Bestemmingsplan ‘Eggerlaan ong. Vorstenbosch’ – 18 april 2024
48
aangewezen. Onderhavige locatie is gelegen in de bebouwde kom met een gehalveerde vaste afstand op basis van de Wet geurhinder en veehouderij. Dat betekent dat tussen veehouderijen waarvoor een vaste afstand geldt en woningen met een afstand van 50 meter rekening moet worden gehouden. Binnen 50 meter rondom het plangebied is geen veehouderij met dieren gelegen waarvoor een vaste afstand geldt. Achtergrondbelasting Uit de gegevens van de ODZOB (geurkaart) blijkt dat de beoordeling van het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied goed is en dat omliggende veehouderijen niet zullen worden beperkt in hun bedrijfsvoering. Hieronder is een uitsnede van de kaart en legenda opgenomen.
Conclusie Uit bovenstaande blijkt dat voor de nieuwe geurgevoelige objecten in het plangebied voldaan kan worden aan de Verordening Geurhinder en Veehouderij van de gemeente Bernheze. Sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en veehouderijen worden niet in hun bedrijfsvoering belemmerd. Het aspect geurhinder afkomstig van veehouderijen vormt geen belemmering voor het initiatief. 4.13 Milieueffectrapportage (M.e.r.) Beleidskader De m.e.r.-regelgeving is bedoeld om de milieuaspecten in een vroeg stadium, integraal en compleet in de plan- en besluitvorming mee te nemen. Centraal in de m.e.r.-procedure staat het milieueffectrapport waarin alle milieuaspecten voor minimaal één alternatief geanalyseerd en beoordeeld worden ten opzichte van de referentiesituatie. Een dergelijke procedure is van toepassing bij activiteiten waarvan vaststaat dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. In deze paragraaf is getoetst of sprake is van een m.e.r.-(beoordelings)plicht. De te beoordelen activiteiten met bijbehorende drempelwaarden staan weergegeven in onderdeel C van het Besluit m.e.r. Naast de directe plicht tot een dergelijke procedure zijn in het Besluit m.e.r. ook activiteiten met bijbehorende drempelwaarden aangegeven waarvoor eerst moet worden beoordeeld of sprake is van mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen.
Deze activiteiten en drempelwaarden staan benoemd in onderdeel D van het Besluit m.e.r. Voor deze activiteiten dient - als ze boven de drempelwaarde uitkomen - een zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden.
Bestemmingsplan ‘Eggerlaan ong. Vorstenbosch’ – 18 april 2024
49
Sinds 16 mei 2017 is ook een m.e.r.-aanmeldnotitie nodig voor alle ruimtelijke ontwikkelingen die voorkomen in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. maar die onder de drempelwaarden blijven. Er is – bij wetgeving - geen ondergrens wat betreft het plan zelf meer, wat betekent dat zelfs bij een klein plan zoals de ontwikkeling van één woning in principe een m.e.r.-aanmeldnotitie nodig is geworden. Consequenties De omschakeling van een voormalige agrarische bedrijfswoning naar een burgerwoning en de oprichting van zestien nieuwe woningen is valt onder “De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject” zoals opgenomen in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). De omvang van de ontwikkeling valt onder de drempelwaarde. Dit betekent dat een m.e.r.-aanmeldnotitie aan de orde is op basis waarvan het bevoegd gezag beoordeelt of een m.e.r.(beoordelings)-plicht van toepassing is. Voor onderhavige ontwikkeling is een dergelijke notitie opgesteld. De notitie kent de volgende conclusie: de potentiële effecten van het project, in relatie tot de kenmerken en de plaats van het project zijn dusdanig beperkt van aard en omvang dat geen belangrijk nadelige milieugevolgen veroorzaakt worden die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken.
Conclusie Door het bevoegd gezag is naar aanleiding van de m.e.r.-aanmeldnotitie beoordeeld (en besloten) dat voor onderhavige ontwikkeling/ ruimtelijk besluit geen milieueffectrapportage is vereist.
4.14 Volksgezondheid Gezondheid is in de ruimtelijke ordening steeds meer een thema. Er is echter geen specifieke wet- en regelgeving dan wel beleidskader voor het meenemen van het aspect gezondheid in bestemmingsplannen of andere ruimtelijke besluiten. Van belang is dat een ruimtelijk besluit voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Hiervoor is het belangrijk dat ter plaatse van de ruimtelijke ontwikkeling sprake is van een goed woon- en leefklimaat en bedrijven en dergelijke door een ruimtelijke ontwikkeling niet in hun belangen/ bedrijfsvoering geschaad worden. In dit bestemmingsplan zijn diverse thema’s die van invloed zijn hierop en daarmee mogelijk ook op de gezondheid aan de orde gekomen. Aspecten die nog niet aan bod zijn gekomen, maar mogelijk wel van invloed zijn op de gezondheid van mens, dier en natuur komen in deze paragraaf nog aan de orde. Geitenhouderijen Binnen een straal van 2 km rondom het plangebied is een geitenhouderij aanwezig (op een afstand van ca. 840 meter van het plangebied). Pluimvee- en varkenshouderijen Binnen 1 km van het plangebied zijn geen pluimveehouderijen gelegen. Het plangebied is niet binnen 250 meter van overige veehouderijen gelegen. Spuitzones In de omgeving van het plangebied liggen geen gronden waarbij mogelijk sprake is van een spuitzone.
Advisering GGD De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 (versie mei 2018) bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. Het stappenplan kan worden gebruikt bij het afgeven van milieuvergunningen. Het stappenplan kan ook gebruikt worden voor bestemmingsplannen. Als er meerdere ‘ja’s’ uit volgen is het een overweging om bij de GGD een advies aan te vragen om de cumulatie te bespreken.
Bestemmingsplan ‘Eggerlaan ong. Vorstenbosch’ – 18 april 2024
50
Stap 1 In deze stap moet beoordeeld worden of de ontwikkeling voldoet aan de endotoxine ‘richt-afstand’ tussen een veehouderij en gevoelige bestemming. Het gaat daarbij om varkens- en pluimveehouderijen, waarvoor respectievelijk een afstand van circa 200 en 500 meter geldt. Binnen deze afstanden laten de metingen en berekeningen zien dat overschrijding van de door de Gezondheidsraad gegeven advieswaarde van 30 EU/m3 mogelijk is, als een ontwikkeling buiten deze afstanden zijn gelegen is het aannemelijk dat de waarde van 30 EU/m3 niet wordt overschreden. Op 210 meter van het plangebied ligt het dichtstbijzijnde emissiepunt van het zeugenbedrijf dat aan Hondstraat 16 is gelegen. Op 500 meter van het plangebied ligt het dichtstbijzijnde emissiepunt van het vleesvarkensbedrijf aan Hondstraat 25. Verder is er in de ‘nabijheid’ nog een zeugenbedrijf gelegen aan oude Veghelsedijk 47. Het dichtstbijzijnde emissiepunt van dit bedrijf ligt op 810 meter van het plangebied. Het meest nabij het plangebied gelegen veehouderijbedrijf dat pluimvee houdt is het bedrijf aan Roestenburgseweg 7, waar vleeskuikens worden gehouden. Het dichtstbijzijnde emissiepunt van dit bedrijf ligt op 970 meter. Uit bovenstaande blijkt dat de ontwikkeling voldoet aan de endotoxine ‘richt-afstand’ tussen een veehouderij en gevoelige bestemming. GGD-advies is niet aan de orde, ga verder naar stap 2.
Stap 2 De ontwikkeling leidt niet tot een toename in de emissie voor geur en/ of fijnstof en/ of ammoniak. GGD-advies is niet aan de orde, ga verder naar stap 3a. Stap 3a In deze stap moet getoetst worden of in het plangebied voldaan wordt aan het wettelijke kader voor geurhinder. Dat betekent in onderhavige situatie in een woonkern dat de voorgrondbelasting moet voldoen aan 5 OU/m3 en de achtergrondbelasting aan 10OU/m3. In paragraaf 4.12 is het aspect geurhinder afkomstig van veehouderijen getoetst. Gemotiveerd wordt dat wordt voldaan aan een voorgrondnorm vna 3 OU/m3 en dat de achtergrondbelasting niet meer dan 3,5 OU/m3 bedraagt. In diezelfde paragraaf is ook het aspect ‘vaste afstanden’ beoordeeld. Voldaan wordt aan de voor de omgeving van het plangebied geldende afstanden tussen gevoelige functies en bedrijven met dieren waarvoor een vaste afstand geldt. Sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat a.d.h.v. het wettelijk kader voor geur. GGDadvies is niet aan de orde, ga verder naar stap 3b. Stap 3b In deze stap moet getoetst worden of in het plangebied voldaan wordt aan de gezondheidskundige advieswaarde voor geurhinder. Het gaat in onderhavige situatie dan om een voorgrondbelasting van 2 OU/m3 en een achtergrondbelasting van 5 OU/m3. Voor veehouderijen waar dieren waarvoor een vaste afstand geldt, moet voldaan kunnen worden aan een afstand van 100 meter.