CConstaterende datBernheze
Koppel je AI →
Document · PDF

TAMIMRO Mozartlaan-Verdilaan vastgesteld

Commissie Ruimte en Leefbaarheid 13 mei 2026, gemeente BernhezeBij agendapunt: Vaststelling TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m, Mozartlaan-Verdilaan ongenummerd Heesch34.622 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

In het Bal zijn de volgende risicobronnen aangewezen als milieubelastende activiteit (waarvoor in het Bkl ook instructieregels zijn opgenomen): • Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl); • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl); • Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl); • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Binnen het beleidskader voor activiteiten staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hieronder zijn beide begrippen verder uitgewerkt. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijke harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het zogenaamde groepsrisico speelt een belangrijke rol bij het bepalen van de aanvaardbaarheid van de risico’s rondom externe veiligheid.

Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval door gevaarlijke stoffen een groep slachtoffers (10 of meer) valt. Daarmee is het ook een maat voor de beoordeling van de maatschappelijke ontwrichting bij een incident. Bij het beschouwen van het groepsrisico staan de aandachtsgebieden en de kwaliteit van het groepsrisico centraal. De aandachtsgebieden vormen daarmee een uitwerking van het groepsrisicobeleid van de Omgevingswet. Het zijn gebieden nabij een risicoactiviteit waar mensen binnenshuis onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de nadelige gevolgen van een incident: warmtestraling door brand, overdruk door een explosie en een concentratie van giftige stoffen in de lucht door een gifwolk. Dit leidt tot drie typen aandachtsgebieden: • brandaandachtsgebied; • explosieaandachtsgebied; • gifwolkaandachtsgebied.

TAM-OMGEVINGSPLAN HOOFDSTUK 22m, Mozartlaan-Verdilaan ong., Heesch

Pagina 52 van 91

De aandachtsgebieden zijn een kenmerk van een activiteit met externe veiligheidsrisico’s (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Sprake is van aanvaardbaarheid van het groepsrisico als in een aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen/ locaties toe worden gelaten. Deze gebouwen en locaties zijn hier wel toelaatbaar als daarvoor extra maatregelen worden genomen. Om dit te borgen neemt de gemeente in het omgevingsplan voorschriftengebieden (5.14 Bkl) op waarbinnen aanvullende bouweisen gelden (artikel 4.2.14 Bbl) of verbindt hiervoor vooruitlopend op opname in het omgevingsplan een voorschrift aan een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit waarmee een beperkt kwetsbaar of kwetsbaar gebouw (optie) dan wel een zeer kwetsbaar gebouw (verplichting) wordt toegelaten (12.27c Bkl). 6.1.2

Verantwoording

Op de locatie wordt een nieuw kwetsbaar gebouw voor 25 woningen gerealiseerd. Om de omgevingsveiligheidsrisico’s te inventariseren is de risicokaart geraadpleegd. Uit de risicokaart blijkt dat de locatie niet is gelegen binnen een plaatsgebonden risicocontour (PR10-6/jaar). Ook is de locatie niet gelegen binnen een aandachtsgebied ten gevolge van inrichtingen en buisleidingen. De locatie is wel gelegen binnen het aandachtsgebied van een transportroute (weg) en in de nabijheid van twee LPGtankstations. Zie onderstaand de uitsnede van de risicokaart waarop de locatie met een rode stip is aangegeven.

TAM-OMGEVINGSPLAN HOOFDSTUK 22m, Mozartlaan-Verdilaan ong., Heesch

Pagina 53 van 91

Ongeveer 875 meter ten westen van de locatie, aan ’t Dorp 118, is een LPG-tankstation gelegen. Op deze locatie zijn een vulpunt, reservoir en afleverinstallatie aanwezig. Voor het vulpunt en de reservoir bedraagt het plaatsgebonden risicocontour 25 meter. Voor de afleverinstallatie bedraagt het plaatsgebonden risicocontour 15 meter. Voor het vulpunt en de reservoir is tevens een aandachtsgebied van 150 meter vastgesteld. De locatie is buiten de plaatsgebonden risicocontouren en buiten het aandachtsgebied van dit tankstation gelegen. Op circa 430 meter ten oosten van de locatie, aan de Nistelrodeseweg 3, is eveneens een LPGtankstation gelegen. Bij dit tankstation zijn het LPG-vulpunt en de ondergronds reservoir gelegen op een afstand van circa 300 meter ten noorden van het tankstation. Voor het vulpunt is een plaatsgebonden risicocontour opgenomen van 40 meter en een aandachtsgebied van 150 meter. Het plaatsgebonden risicocontour van de reservoir bedraagt 25 meter en het aandachtsgebied bedraagt 150 meter. Voor de afleverinstallatie bedraagt het plaatsgebonden risicocontour 15 meter. De locatie is buiten de plaatsgebonden risicocontouren en buiten het aandachtsgebied van het tankstation gelegen.

Nabij de locatie is geen sprake van de ligging van buisleidingen of waterwegen, waardoor of waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd en die een risico kunnen vormen voor de nieuwe functies op de locatie. Het transport van gevaarlijke stoffen over de weg vormt wel een risicobron voor de locatie. De locatie ligt namelijk in het aandachtsgebied van de A59 (op een afstand van ca. 865 meter), de A50 (op een afstand van 2,7 kilometer) en het spoortraject ’s-Hertogenbosch-Nijmegen (traject 64B.1 op een afstand van 3,4 kilometer). De locatie ligt niet binnen de meest relevante zone voor het groepsrisico (de 200 meter zone) van deze (spoor)wegen. Hieronder wordt ingegaan op het aandachtsgebied van de A59, de A50 en het spoortraject ’s-Hertogenbosch-Nijmegen. Invloedsgebied A59 en A59 Risico’s Een analyse van het groepsrisico horende bij rijkswegen kan worden uitgevoerd aan de hand van de Handleiding Risicoanalyse Transport (HART). Voor het transport van gevaarlijke stoffen over rijkswegen zijn in de handleiding vuistregels opgenomen. Voor de stof GF3 wordt een maximale effectafstand van 355 meter gehanteerd, de stof LT1 heeft een maximale effectafstand van 730 meter, de stof LT2 een maximale effectafstand van 880 meter en de stoffen D4 en GT4 een maximale effectafstand van > 4000 meter. Over de A59 worden gevaarlijke stoffen uit de LT2 categorie vervoerd.

Over de A50 worden gevaarlijke stoffen uit de GT4 categorie vervoerd. Over het spoortraject ’s-Hertogenbosch-Nijmegen worden gevaarlijke stoffen uit de categorie D4 vervoerd. De locatie ligt binnen de effectafstanden die hiermee gepaard gaan. Het gaat hier om toxische (vloei)stoffen. Toxisch scenario Bij ongelukken met toxische vloeistoffen is het maatgevende scenario een plas waar toxische dampen vrijkomen. Deze plas ontstaat doordat de toxische vloeistof uit een lekkende tankauto loopt waarna de vloeistofplas uitdampt. Bronbestrijding is bij een toxische vloeistof mogelijk door het lek te dichten en de vloeistof af te dekken. Hierdoor wordt de verdamping verminderd. Hoe sneller de brandweer ter plaatse van het ongeluk kan zijn hoe kleiner de vloeistofplas en daarmee de effecten. Voor toxische gassen kan alleen aan bronbestrijding worden gedaan indien het om een lekkage gaat. De brandweer kan dan proberen om het gat te dichten. Effectbestrijding is tevens mogelijk door de concentratie te verdunnen, bijvoorbeeld met behulp van een waterscherm. Dit is alleen mogelijk als de brandweer tijdig aanwezig is. Bij een toxisch incident is het belangrijk dat de bestrijding plaatsvindt vanaf bovenwinds gebied (daar waar de wind vandaan komt). Het is daarom belangrijk dat de bron tweezijdig bereikbaar is.

Bij het ineens vrijkomen van de gehele inhoud van de tank, zal deze effectbestrijding lastig te realiseren zijn. De mogelijkheden voor slachtofferreductie worden bepaald op basis van de mogelijkheden om de vergiftiging te behandelen. Slachtofferreductie is ook mogelijk door snelle ontruiming/evacuatie. Het niet of korter blootstellen aan een toxische stof zal het aantal slachtoffers verminderen.

TAM-OMGEVINGSPLAN HOOFDSTUK 22m, Mozartlaan-Verdilaan ong., Heesch

Pagina 54 van 91

De effecten van een dergelijk scenario hebben een groot aandachtsgebied Het aandachtsgebied voor de stofcategorie LT2 bedraagt meer dan 880 meter en voor de stofcategorieën GT4 en D4 bedraagt deze meer dan 4000 meter. De omvang, verplaatsingsrichting en verstrooiing van de gaswolk is mede afhankelijk van de weersgesteldheid, en de vullingsgraad van de tank op dat moment. Bescherming tegen de effecten van een dergelijk ongeluk kan het beste door te schuilen in gebouwen en daarbij deuren en ramen te sluiten en de ventilatie van het gebouw met buitenlucht te staken. Belangrijke maatregelen hierbij zijn een goede alarmering (d.m.v. het landelijk waarschuwingsstelsel (WAS) en NLalert) en het voldoen aan het bouwbesluit 2012 waarin wordt gesteld dat de mechanische ventilatie handmatig kan worden uitgeschakeld. Uitwerking verantwoordingsplicht Aangezien de nieuwe kwetsbare objecten op de locatie binnen het aandachtsgebied van de A59, de A50 en het spoortraject ’s-Hertogenbosch-Nijmegen zijn gelegen, dient het groepsrisico te worden verantwoord. Bestrijdbaarheid Bij het scenario toxische wolk zal de brandweer proberen de toxische wolk neer te slaan. Bij een snelle verspreiding van de toxische wolk zal dit echter beperkt effect hebben. De bestrijdbaarheid wordt om deze reden als matig beoordeeld. Zelfredzaamheid Uitgangspunt is dat de aanwezige personen zelfredzaam zijn.

Het planvoornemen beoogt niet specifiek een functie voor verminderd zelfredzame personen te realiseren. De aanwezige personen kunnen worden gealarmeerd door het luchtalarm en NL-alert en hierop zelfstandig reageren. Ten aanzien van het toxisch scenario als gevolg van vervoer van gevaarlijke stoffen over de A59, de A50 en spoortraject ’sHertogenbosch-Nijmegen, is schuilen de beste vorm van zelfredzaamheid. Het is van belang dat de woningen lucht- en lekdicht kunnen worden afgesloten. Hiervoor dient de mechanische ventilatie handmatig te kunnen worden uitgezet. Advies veiligheidsregio De Veiligheidsregio adviseerde tot voor kort altijd op maat bij ruimtelijke plannen. Ook wanneer externe veiligheid niet direct aan de orde was, werd in het kader van vooroverleg advies gevraagd aan de Veiligheidsregio. Om het de gemeente en de veiligheidsregio gemakkelijker te maken, kan gebruik gemaakt worden van een standaardadvies bij bepaalde ontwikkelingen waar niet of nauwelijks sprake is van belemmeringen in het kader van externe veiligheid. Onderhavige situatie valt binnen de categorie waarvoor het standaardadvies van toepassing is: • Communiceer actief met de bewoners van de locatie over de risico’s van de gevaarlijke stoffen. Geef daarbij aan wat omwonenden moeten doen bij een incident, namelijk vluchten van risicobron af. Dit bevordert de zelfredzaamheid van omwonenden.

Dit advies geldt ook voor bedrijfshulpverleningsorganisaties. • Pas de beleidsregels bereikbaarheid en bluswatervoorziening van VRBZO toe. Wanneer een beoogde oplossing aan de beleidsregels voldoet, kunt u ervan uitgaan dat een goede bereikbaarheid voor de hulpdiensten en een adequate bluswatervoorziening gerealiseerd wordt. De beleidsregels staan op https://www.brandweer.nl/brabant-zuidoost/regionaal-beleid. • Breng afsluitbare mechanische ventilatie aan in de woningen. Dit is conform artikel 3.31 van het Bouwbesluit 2012 al reeds verplicht bij nieuwe woningen. Dit hoeft dus niet als voorwaarde bij het bestemmingsplan te worden opgenomen. Conclusie met betrekking tot de locatie Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor het planvoornemen. 6.2

Luchtkwaliteit

6.2.1

Algemeen

TAM-OMGEVINGSPLAN HOOFDSTUK 22m, Mozartlaan-Verdilaan ong., Heesch

Pagina 55 van 91

Het beleid en de regelgeving over luchtkwaliteit heeft tot doel om mensen te beschermen tegen de gezondheidseffecten van luchtverontreiniging. Ze bevatten luchtkwaliteitsnormen voor verschillende stoffen. Ruimtelijke plannen of projecten die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, zoals omgevingsplannen, dienen getoetst te worden aan de Omgevingswet. De wet bevat grenswaarden voor de stoffen zoals zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, fijn stof, lood, benzeen in de buitenlucht. In Nederland zijn de maatgevende luchtverontreinigende stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM5). Overschrijding van de grenswaarden van andere stoffen komt bijna niet voor. 6.2.2

Rijksomgevingswaarden

Rijksomgevingswaarden volgen uit Europese regelgeving; de Europese richtlijnen Luchtkwaliteit en Gevaarlijke stoffen in de lucht. Deze zijn als rijksomgevingswaarden vastgelegd in paragraaf 2.2.1 van het Bkl. Daarnaast kunnen gemeenten ervoor kiezen strengere normen op te nemen in hun omgevingsplan. In artikel 5.51 van het Bkl is opgenomen dat overheden met name in aandachtsgebieden moeten toetsen aan de Rijksomgevingswaarden ten aanzien van NO2 en PM10, behalve als een activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Bernheze ligt in een aandachtsgebied zoals hiervoor is bedoeld (PM10: o.b.v. artikel 5.51, lid 3 Bkl). Deze toetsing moet gedaan worden voor activiteiten die gevolgen hebben voor het gebruik van wegen, water en spoor (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels zijn opgenomen in het Bal. Daarnaast zijn er activiteiten die de gemeente – als ze die wil toelaten - in ongeacht welk gebied moet toetsen: - de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter; - een wijziging van een tunnel waarbij de lengte minimaal 100 meter toeneemt; - de aanleg van een autoweg of een autosnelweg. Bernheze is geen agglomeratie als bedoeld in artikel 2.38 Omgevingsregeling. Op de locatie wordt geen tunnel aangelegd of gewijzigd en ook geen autoweg of autosnelweg aangelegd. 6.2.3

Luchtkwaliteit wonen en verblijven

De gemeente moet beoordelen of de luchtkwaliteit bij de toe te laten woning(en) aanvaardbaar is. Dit volgt uit de taak tot het evenwichtige toedelen van functies (artikel 4.2 Omgevingswet). Er gelden geen instructieregels. Gemeenten kunnen zelf bepalen welke luchtkwaliteit zij aanvaardbaar vinden bij woningen. Dit kunnen bijvoorbeeld de Rijksomgevingswaarden zijn, maar de gemeente kan ook strengere omgevingswaarden opnemen voor woningbouw. Bijvoorbeeld de advieswaarden van de WHO. Daarnaast beoordeelt de gemeente of de nieuwe woningen tot een overschrijding van de omgevingswaarden leiden. Gemeente Bernheze toetst aan luchtkwaliteit indien sprake is van significante blootstellingsduur en toetst of het initiatief in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Significante blootstellingsduur Omdat het planvoornemen bestaat uit het omschakelen van een bedrijfs- naar een burgerwoning is sprake van een locatie met een significante blootstellingsduur en is het relevant om de luchtkwaliteit ter plaatse te toetsen. Voor de toetsing hanteert de gemeente de rijksomgevingswaarden (40 μg/m3 (PM10) en 40 μg/m3 (NO²). Voor het appartementencomplex met 25 sociale huurappartementen is sprake van een significante blootstellingsduur en is toetsing aan de orde. Fijnstof (PM10) Voor fijnstof bedraagt de grens voor de jaargemiddelde concentratie 40 μg/m3.

Voor het vaststellen van de achtergrondconcentratie van fijnstof is de grootschalige concentratiekaart van het RIVM geraadpleegd. Voor het projectgebied blijkt dat de achtergrondconcentratie voor PM10 circa 16,01 μg/m3 bedraagt. Er wordt dus ruimschoots voldaan aan de gestelde grenswaarden.

TAM-OMGEVINGSPLAN HOOFDSTUK 22m, Mozartlaan-Verdilaan ong., Heesch

Pagina 56 van 91

Stikstofdioxide (NO2) Voor stikstofdioxide geldt een grenswaarde van 40 μg/m3 voor een jaargemiddelde concentratie. De waarde voor stikstofdioxide ter plaatse van het projectgebied bedraagt circa 11,07 μg/m3. Dit betekent dat de hoeveelheid stikstofdioxide ruim beneden de gestelde grenswaarden ligt.

NIBM projecten

TAM-OMGEVINGSPLAN HOOFDSTUK 22m, Mozartlaan-Verdilaan ong., Heesch

Pagina 57 van 91

De wet maakt onderscheid tussen kleine en grote ruimtelijke projecten. Kleine projecten zijn projecten die de luchtkwaliteit ‘niet in betekende mate’ (NIBM) verslechteren. Deze projecten hoeven niet meer beoordeeld te worden op luchtkwaliteit. Ze zijn namelijk zo klein dat ze geen wezenlijke invloed hebben op de luchtkwaliteit. Er is geen belemmering als een klein project niet of nauwelijks bij draagt aan luchtverontreiniging, óók niet in overschrijdingsgebieden (gebieden met te veel luchtvervuiling). Het gaat dan over woningen, kantoren, combinatie hiervan, telen van gewassen, het aanleggen van een spoorwegemplacement. Het Besluit kwaliteitseisen leefomgeving geeft aan in welke gevallen een nieuw project in ieder geval een NIBM-project is. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van een rekenmodel. Dit is bijvoorbeeld het geval als er minder dan 1500 woningen worden gebouwd bij minimaal één ontsluitingsweg, of minder dan 3000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Voor veehouderijen wordt gebruik gemaakt van een vuistregel om te bepalen of er sprake is van NIBM-situatie. Deze gaat uit van afstanden tot stallen, dieraantallen en bijbehorende emissiefactoren voor stof. Gemeente Bernheze heeft geen aanvullende eisen vastgesteld voor fijnstof of NO2. Het planvoornemen bevat een appartementencomplex met 25 sociale huurappartementen. Gezien voorgaande gaat het hier niet om NIBM-project.

Om dit aanvullend aan te tonen is de NIBM-tool ingevuld. Hieronder is daarvan een uitsnede opgenomen.

Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit, GCN2022 Jaar van planrealisatie

2026

Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde) Aandeel vrachtverkeer

10,0%

NO2 in μg/m3

0,17

PM10 in μg/m3

0,02

Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m3

103

1,2

Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet-in-betekenende-mate; geen nader onderzoek nodig 6.2.4 Houtstook Houtstook mag niet leiden tot overlast bij buurtbewoners. Gebruikers van een bouwwerk, open erf of terrein moeten alle redelijke maatregelen nemen om overlast of hinder van onder andere rook, roet, walm en stof te voorkomen of te stoppen. Deze specifieke zorgplicht staat in het tijdelijk deel van het omgevingsplan (bruidsschat). Het gaat om artikel 22.18 (bouwwerken) en 22.20 (open erven en terreinen). Beide artikelen vervangen het overlastartikel 7.22 uit het Bouwbesluit. De gemeente kan deze specifieke zorgplicht verduidelijken of verder invullen in het omgevingsplan. Bijvoorbeeld door toetsings- en handhavingscriteria op te stellen voor het beoordelen van overlast. Zo kan de gemeente overlast op eenzelfde manier beoordelen en eventuele handhaving onderbouwen. Zoals hierboven beschreven, kan de gemeente ook specifieke stookregels opnemen in het omgevingsplan, waarop ze direct kan handhaven.

TAM-OMGEVINGSPLAN HOOFDSTUK 22m, Mozartlaan-Verdilaan ong., Heesch

Pagina 58 van 91

Via dit omgevingsplan worden de bruidsschatregels in het omgevingsplan van rechtswege niet geschrapt of aangepast, die blijven naast dit omgevingsplan via voorrangsregels van kracht. Dit betekent dat deze regels ook voor het planvoornemen/ de locatie aan de orde zijn en eraan voldaan moet worden. 6.2.5 Conclusie Luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het planvoornemen, het planvoornemen vormt geen belemmering voor de luchtkwaliteit ter plaatse. 6.3

Gezondheid

6.3.1

Spuitzones

In het kader van een evenwichtige toedeling van functies dient te worden beoordeeld of het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen onaanvaardbare gevolgen heeft voor het woon- en leefklimaat. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt als vuistregel dat een richtafstand van 50 meter tussen het perceel waarop de teelt plaatsvindt en te realiseren nieuwe gevoelige functies zoals woningen kan worden gehanteerd. In de omgeving van de locatie liggen geen gronden waarbij mogelijk sprake is van een spuitzone. 6.3.2 Endotoxines en/of zoönosen Het houden van landbouwhuisdieren kan gezondheidseffecten hebben op de omgeving van de veehouderij. Dit kan bijvoorbeeld via endotoxinen en/of zoönosen. Een zoönose is een infectieziekte die kan worden overgedragen van dieren op mensen. Endotoxinen zijn celwandresten van bacteriën die bij mensen onder meer luchtwegklachten kunnen veroorzaken. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet in geval nieuwe milieugevoelige objecten worden gerealiseerd worden beoordeeld of dit aspect voor het planvoornemen tot gezondheidseffecten kan leiden. Het planvoornemen bevat 25 nieuwe milieugevoelige objecten, getoetst moet worden aan het aspect endotoxines en/of zoönosen. Geitenhouderijen Binnen een straal van 2 km rondom de locatie zijn geen geitenhouderijen aanwezig. Wel is er op ca.

100 meter afstand een kinderboerderij gelegen waar geiten gehouden worden (Akkerveld 1 Heesch). Pluimvee- en varkenshouderijen Binnen 1 km van de locatie zijn geen pluimveehouderijen gelegen. De locatie is niet binnen 250 meter van overige veehouderijen gelegen. Advisering GGD De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 (versie mei 2018) bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. Het stappenplan kan worden gebruikt bij het afgeven van milieuvergunningen. Het stappenplan kan ook gebruikt worden voor bestemmingsplannen. Als er meerdere ‘ja’s’ uit volgen is het een overweging om bij de GGD een advies aan te vragen om de cumulatie te bespreken. Stap 1 De ontwikkeling voldoet aan de endotoxine ‘richt-afstand’ tussen een veehouderij en gevoelige bestemming. GGD-advies is niet aan de orde, ga verder naar stap 2. Stap 2 De ontwikkeling leidt niet tot een toename in de emissie voor geur en/ of fijnstof en/ of ammoniak. GGDadvies is niet aan de orde, ga verder naar stap 3a. Stap 3a Sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat a.d.h.v. het wettelijk kader voor geur. GGD-advies is niet aan de orde, ga verder naar stap 3b. TAM-OMGEVINGSPLAN HOOFDSTUK 22m, Mozartlaan-Verdilaan ong., Heesch

Pagina 59 van 91

Stap 3b Sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat a.d.h.v. de gezondheidskundige advieswaarde. GGD-advies is niet aan de orde, ga verder naar stap 4. Stap 4a+b Er zijn geen veehouderijen in de buurt waar meer dan één diersoort wordt gehouden. Er zijn geen varkens- en/ of pluimveebedrijven in de buurt waarvan de afstand tussen de inrichtingsgrenzen minder dan 100 meter bedraagt. GGD-advies is niet aan de orde, ga verder naar stap 5. Stap 5a Binnen een afstand van 2 km van nieuwe woon- en verblijfsruimten zijn geen geitenhouderijen gelegen. Wel is er op ca. 100 meter afstand een kinderboerderij gelegen waar geiten gehouden worden (Akkerveld 1 Heesch). GGD-advies is aan de orde, ga verder naar stap 5b. Stap 5b Binnen een afstand van 1 km van nieuwe woon- en verblijfsruimten is geen pluimveebedrijf gelegen. GGD-advies is niet aan de orde, ga verder naar stap 5c. Stap 5c Binnen een afstand van 250m van nieuwe woon- en verblijfsruimten is geen overige veehouderij gelegen. Dit leidt niet tot GGD-advies. Check of stap 6 nog tot een GGD-advies leidt. Stap 6 Er is geen sprake van mestbe- of verwerking als nevenactiviteit of als zelfstandige activiteit. Dit leidt niet tot GGD-advies. Check of stap 7 nog toe een GGD-advies leidt. Stap 7 Bij omwonenden is geen sprake van ongerustheid over de volksgezondheid. Dit leidt niet tot GGD-advies. Op een afstand van ca.

100 meter afstand is een kinderboerderij gelegen waar geiten gehouden worden (Akkerveld 1 Heesch). Hierdoor is op basis van het stappenplan nadere advisering van de GGD aan de orde. Het stappenplan van de GGD is gebaseerd op het bedrijfsmatig houden van geiten. Het gaat dan om het op een locatie houden van meer dan 50 geiten. Op de locatie Akkerveld 1 worden in totaal 5 geiten gehouden, het gaat hier daardoor om het hobbymatig houden van geiten. Omdat binnen 2 kilometer van de locatie geen sprake is van een geitenhouderij waar meer dan 50 geiten worden gehouden en de wijze waarop de geiten bij de kinderboerderij worden gehouden niet intensief is wordt bij de GGD ten aanzien van dit aspect geen advies gevraagd. 6.3.3

Conclusie

Het planvoornemen is niet in strijd met de volksgezondheid. 6.4

Bedrijven en milieuzonering

De uitgave "Bedrijven en milieuzonering 2009" (paarse boekje) wordt door de VNG niet meer geschikt bevonden om toe te passen onder de Omgevingswet. De Omgevingswet biedt meer mogelijkheden om een lokale afweging op maat te maken. Hiervoor heeft de VNG in 2019 een regel-systematiek gepubliceerd onder de naam "Milieuzonering nieuwe stijl". Deze nieuwe systematiek omvat geen koppeling meer van activiteiten aan milieucategorieën en de daarbij behorende richtafstanden. De nieuwe VNG-handreiking “Activiteiten en milieuzonering” vervangt de publicaties Bedrijven en milieuzonering uit 2009 en Milieuzonering Nieuwe Stijl uit 2019.

TAM-OMGEVINGSPLAN HOOFDSTUK 22m, Mozartlaan-Verdilaan ong., Heesch

Pagina 60 van 91

In het kader van de Omgevingswet en de bijbehorende handreiking 'Activiteiten en milieuzonering' van de VNG, wordt in deze goflo aandacht besteed aan de integratie van ruimte en milieu. Milieuzonering speelt hierbij een cruciale rol om een evenwichtige toedeling van functies aan locaties te waarborgen en om hinder en risico's voor de leefomgeving te minimaliseren. In paragraaf 1.4 van de milieuzonering nieuwe stijl is aangegeven, dat voor zover de huidige bestemmingsplannen nog van kracht zijn (dit geldt ook voor omgevingsplannen van rechtswege), bij inpassing van een (bedrijf-) activiteit of gevoelige functie, de VNG systematiek uit 2009 nog van kracht blijft. Voor (de beoordeling van) dit plan wordt daarom nog gebruik gemaakt van de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering 2009’. 6.4.1 VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering In de brochure Bedrijven en milieuzonering (VNG, 2009) wordt een handreiking gegeven voor het verantwoord inpassen van bedrijfsactiviteiten in de omgeving. De handreiking geeft informatie over een aantal ruimtelijk relevante milieuaspecten van een scala van bedrijfsactiviteiten. In deze handreiking worden bedrijven ingedeeld in verschillende categorieën, al naar gelang de mate van hinder en inpasbaarheid. Ook maakt de handreiking onderscheid in verschillende gebiedstypen zoals een rustige woonwijk, rustig buitengebied en gemengd gebied.

Aan de hand van de categorie-indeling kan bepaald worden of, en eventueel onder welke voorwaarden, een bedrijf inpasbaar is in de omgeving. Verantwoording planvoornemen Toetsing gevoelige functie i.r.t. bedrijvigheid in de omgeving In de omgeving van de locatie zijn voornamelijk de functies ‘Wonen’ en ‘Maatschappelijk’ aanwezig. Verder is er incidenteel sprake van een andere bestemming, zoals ‘Horeca’, ‘Bedrijf’ of ‘Sport’. De handreiking Bedrijven en milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft richtafstanden om de milieuzonering van bedrijven (geluidveroorzakende activiteiten) te kunnen bepalen. Conform deze handreiking is de locatie gelegen in “gemengd gebied” (meerdere functies vinden naast elkaar plaats), wat inhoudt dat de richtafstanden met één afstandstap kunnen worden verlaagd. Direct nabij de locatie zijn de functies ‘Sport’ en ‘Maatschappelijk’ toegelaten. Binnen deze bestemmingen zijn de navolgende activiteiten mogelijk: -

Sport: sportvelden en sportaccommodaties en horeca als ondergeschikte nevenactiviteit bij de sportvelden. Maatschappelijk: maatschappelijke voorzieningen, zijnde: culturele, educatieve, medische, sociale en levensbeschouwelijke voorzieningen, voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening, alsook ondergeschikte detailhandel en horeca ten dienste van deze voorzieningen;

Voor de benoemde activiteiten is aan de hand van de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering bezien welke mogelijke bedrijven en instellingen op de locatie kunnen landen en wat de bijbehorende richtafstanden zijn. Het gaat bedrijven en instellingen met de volgende SBI-2008 codes en maximale richtafstanden. Sportvelden en sportaccommodaties Op basis van de grootte van het bestemmingsvlak is het ter plaatse niet mogelijk om een goed sportveld te realiseren, maar ligt alleen een sportaccommodatie in de reden. De navolgende accommodaties zijn voorstelbaar: 59 (muziek- en balletscholen met maximale richtafstand van 10 meter, dansscholen met maximale richtafstand van 10 meter, overdekt zwembad met maximale richtafstand van 30 meter, sporthallen met een maximale richtafstand van 30 meter, bowlingcentra met een maximale richtafstand van 10 meter, schietinrichting binnenbaan met een maximale richtafstand van 0 meter, skelterbanen in een hal met een maximale richtafstand van 30 meter voor geluid en sportscholen en gymnastiekzalen met een maximale richtafstand van 10 meter voor geluid). De werkelijke afstand van het geluidgevoelige gebouw tot het bestemmingsvlak voor ‘Sport’ is 40 meter. De maximale richtafstand wordt gehaald.

TAM-OMGEVINGSPLAN HOOFDSTUK 22m, Mozartlaan-Verdilaan ong., Heesch

Pagina 61 van 91

Maatschappelijke voorzieningen 85 (onderwijs, maximale richtafstand 10 meter voor geluid), 96 (gezondheids- en welzijnszorg, maximale richtafstand van 10 meter voor geluid), 94 (diverse organisaties waaronder kerkgebouwen en buurt- en clubhuizen, maximale richtastand van 10 meter voor geluid), 59 (cultuur, maximale richtafstand voor geluid van 10 meter), 96 (overige dienstverlening waaronder begrafenisondernemingen en overige dienstverlening, maximale richtafstand van 0 meter). Aangezien de toegelaten detailhandel en horeca ondergeschikt is van deze functies geldt hiervoor geen aparte in acht te nemen richtafstand. De werkelijke afstand tussen het bouwvlak wonen en de bestemming ‘Maatschappelijk’ is aan de zuidkant 8,25 meter. De maximale richtafstand wordt niet gehaald. Hieronder zijn ook de feitelijk gevestigde bedrijven in beeld gebracht. Onderstaande tabel geeft de richtafstanden voor gemengd gebied en de werkelijke afstand tussen het bestemmingsvlak van de nabijgelegen functie en het bouwvlak van de locatie weer. Type

Milieucategorie

Werkelijke afstand

Basisschool Emmaus (Doctor Saal van Zwanenberglaan 115) – SBI 801, 802 en 852, 8531 Lindershof Sportcomplex (Mozartlaan 96) – SBI 926, 931 Humankind - Kinderdagverblijf Piekobello (Herderstraat 6) – SBI 853, 8891

2

8,25 meter

Richtafstand voor geluid, stof en geur in gemengd gebied 0 - 10 meter

3.1

Ca. 40 meter

0 - 30 meter

2

Ca. 62 meter

0 – 10 meter

De werkelijke afstand tussen de bestemmingsvlakken van de bedrijven en de locatie zijn – behoudens de afstand tot basisschool Emmaus (gelegen binnen de hierboven beschreven bestemming ‘Maatschappelijk’) – groter dan de in acht te nemen richtafstanden voor de toegelaten en gevestigde bedrijvigheid tot aan gevoelige functies. Alleen de richtafstand voor geluid wordt niet gehaald in relatie tot basisschool Emmaus. Om te bepalen of voor het planvoornemen een goed woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd en de basisschool door het planvoornemen niet in haar bedrijfsvoering wordt belemmerd is hiervoor door Aelmans een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is bijgevoegd bij deze motivering (bijlage 1) en kent de navolgende conclusie. “Langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus industrielawaai Uit het onderzoek volgt dat in de maatgevende onderzochte representatieve bedrijfssituatie niet wordt voldaan aan de toetsingswaarde voor de optredende langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus voor industrielawaai overeenkomstig hoofdstuk 2. De overschrijding ontstaat in waarneempunt 3, 4 en 5 in de dagperiode vanwege het stemgeluid op het schoolplein. Ook aan de ontheffingswaarde van 55 dB(A) in stap 3 kan niet worden voldaan. In stap 4 moet het bevoegd gezag motiveren waarom het deze geluidsbelasting in de concrete situatie acceptabel acht.

Hierbij spelen maatregelen, cumulatie met de eventueel reeds aanwezige geluidsbelasting en gemeentelijk geluidsbeleid een rol. Zowel cumulatie van geluid als geluidbeleid zijn in deze situatie niet relevant. Het toepassen van een maatregel zoals aanvullende geluidschermen nabij het woongebouw is in deze specifieke situatie praktisch niet uitvoerbaar en stedenbouwkundig ongewenst. De overschrijding ontstaat aan de achterzijde van het gebouw. Voorgesteld wordt de ramen van de geluidgevoelige ruimten achter de achtergevels van het gebouw met een zg. gevelscherm (bv. Silentair) TAM-OMGEVINGSPLAN HOOFDSTUK 22m, Mozartlaan-Verdilaan ong., Heesch

Pagina 62 van 91

af te schermen zodat de feitelijke achtergevels van de woningen niet geluidbelast zijn. De toetsing van de geluidbelasting op deze gevels kan dan vervallen. Aanvullend wordt geadviseerd de westgevel bij waarneempunt 03 en de noordgevel bij waarneempunt 04 uit te voeren als ‘niet-geluidgevoelige gevel’. Dat kan worden gerealiseerd door in deze gevel géén te openen delen toe te staan (niet te openen ramen zijn wél toegestaan). Het plan heeft verder voldoende geluidluwe gevels en zijden waar de geluidbelasting aanvaardbaar is. Op de balkons aan de voorzijde van het woongebouw is het geluidniveau aanvaardbaar. Uit de berekening van geluidbelasting als gevolg van de verkeersaantrekkende werking volgt dat er ruimschoots wordt voldaan aan de (voorkeurs)grenswaarde. Maximale geluidniveaus industrielawaai Uit het onderzoek blijkt dat niet wordt voldaan aan de toetsingswaarde voor de optredende maximale geluidniveaus overeenkomstig hoofdstuk 2. Het schreeuwen van de kinderen op het schoolplein is de maatgevende bron. In stap 3 gelden dezelfde toetsingswaarden voor het maximale geluidniveau als in stap 2. Bij hogere geluidsbelastingen dan aangegeven in stap 3 kan het plan slecht doorgang vinden met waarbij een motivatie moeten worden opgesteld waarbij cumulatie van geluid aan de orde moet komen.

Om te voldoen aan het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau is al voorgesteld de ramen van de geluidgevoelige ruimten achter de achtergevels van het gebouw met een zg. gevelscherm (bv. Silentair) af te schermen zodat de feitelijke achtergevels van de woningen niet geluidbelast zijn. De toetsing van de geluidbelasting voor het maximale geluidniveau op deze gevels kan dan ook vervallen. Aanvullend wordt geadviseerd de westgevel bij waarneempunt 03 uit te voeren als ‘niet geluidgevoelige gevel’. Dat kan worden gerealiseerd door in deze gevel géén te openen delen toe te staan (niet te openen ramen zijn wél toegestaan). Het plan heeft verder voldoende geluidluwe gevels en zijden waar de geluidbelasting aanvaardbaar is.” Bij de uitwerking van het plan ten behoeve van de activiteit bouwen wordt het advies van het akoestisch onderzoeksbureau meegenomen. Als dit advies verwerkt wordt in het plan is de basisschool niet belemmerend voor het woon- en leefklimaat op de locatie. Deze maatregelen zijn gezien de toegelaten functies binnen de bestemming ‘Maatschappelijk’ en hetgeen op de locatie gebeurt (grootse geluidsbelasting) ook toereikend voor de andere toegelaten activiteiten. Toetsing milieubelastende functie i.r.t. gevoelige functies in de omgeving Hierboven is reeds gemotiveerd dat sprake is van een gemengd gebied.

Voor openbare parkeerplaatsen (SBI-2008 code 5221) in gemengd gebied geldt ingevolge de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering een maximale richtafstand van 10 meter. Aan deze richtafstand wordt v.w.b. omliggende gevoelige functies voldaan. Niet v.w.b. de op de locatie te realiseren gevoelige functies. Aangezien de parkeerplaatsen die qua afstand niet voldoen worden gerealiseerd t.b.v. de nieuwe gevoelige functies op de locatie is dit geen belemmering voor het planvoornemen. De parkeerplaatsen maken immers onderdeel uit van de ‘inrichting’/ zijn ten behoeve van de gevoelige functies. 6.4.2 Geluid door industrieterreinen De regels over geluid door industrieterreinen zijn opgenomen in paragraaf 5.1.4.2a van het Bkl. De regels zien op het beschermen van geluidgevoelige gebouwen, die zijn gelegen in een geluidsaandachtsgebied van industrieterreinen. Hoofdlijnen van de systematiek is dat alle geluidbronnen een standaardwaarde en een grenswaarde kennen voor het geluid op de gevel op een geluidgevoelig gebouw. Ook is er sprake van een grenswaarde voor het binnengeluid in een geluidgevoelig gebouw. Deze regels hebben primair tot doel schade aan de gezondheid te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken en tegelijk wel ruimte te bieden aan deze geluidbronnen.

TAM-OMGEVINGSPLAN HOOFDSTUK 22m, Mozartlaan-Verdilaan ong., Heesch

Pagina 63 van 91

Verantwoording planvoornemen Geluid door industrieterreinen speelt niet in de omgeving van de locatie. Geluid in de omgeving van de locatie vormt daarom geen belemmering voor het planvoornemen. Ook het planvoornemen zelf betreft geen industrieterrein zoals bedoeld in de wet en vormt met die reden eveneens geen belemmering voor de omgeving. 6.4.3 Geur door industrie Het nationale industriële geurbeleid is vastgelegd in de Nederlandse emissierichtlijn (NeR). De brief van het ministerie van Infrastructuur en Milieu van 30 juni 2005 stelt het rijksbeleid in grote lijnen vast. Het algemene uitgangspunt is het voorkomen van (nieuwe) hinder. Dit uitgangspunt vormt samen met het toepassen van de Beste Beschikbare Techniek (BBT) de kern van het geurbeleid. Uitgangspunten van het rijksbeleid zijn: - als er geen hinder is, zijn maatregelen niet nodig; - als er wel hinder is, worden maatregelen getroffen op basis van het Beste Beschikbare Techniekprincipe; - de gemeente stelt vast welke mate van hinder acceptabel is. Gemeenten en provincies hebben de bevoegdheid om een eigen geurbeleid vast te stellen. De provincie Noord-Brabant heeft een eigen geurbeleid voor provinciale bedrijven, de Beleidsregel beoordeling geurhinder omgevingsvergunningen industriële bedrijven Noord-Brabant. De gemeente Bernheze heeft geen eigen industrieel geurbeleid.

Per situatie stelt de gemeente Bernheze vast of sprake is van een acceptabel geurniveau. Er zijn verschillen in het niveau van bescherming mogelijk. Voor een bedrijfswoning kan bijvoorbeeld een hogere geurbelasting gehanteerd worden dan voor aaneengesloten woonbebouwing. Verantwoording planvoornemen Deze wijziging van het omgevingsplan maakt nieuwe geurgevoelige bebouwing mogelijk. Het planvoornemen maakt zelf geen activiteiten mogelijk die geurbelasting veroorzaken op geurgevoelige gebouwen. In de omgeving liggen wel bedrijfsfuncties, maar het planvoornemen ligt (zo blijkt uit de motivering onder 6.4.1) op voldoende afstand om een belemmering te vormen voor die bedrijffuncties. Ook is geen sprake van de belemmering van het woon- en leefklimaat op de locatie. 6.4.4 Conclusie Ter plaatse van het planvoornemen is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en bedrijven in de omgeving worden door het planvoornemen niet belemmerd. 6.5 6.5.1

Geluid Algemeen

Geluid heeft invloed op de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Geluid speelt bijna altijd een rol bij nieuwe ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving, maar ook in de bestaande omgeving. In de Omgevingswet zijn regels opgenomen die ervoor zorgen dat de geluidbelasting in de fysieke leefomgeving aanvaardbaar is. Het gaat dan om regels voor geluid door activiteiten (artikel 5.55 Bkl e.v.) en geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen (artikel 5.78 Bkl e.v.) welke relevant zijn voor geluidgevoelige gebouwen. Deze regels in de Omgevingswet bestaan uit ‘direct werkende regels’ (regels die rechtstreeks gelden voor bedrijven, burgers en initiatiefnemers bij het uitvoeren van een activiteit) en ‘instructieregels’ (algemene regels waarmee een bestuursorgaan aan een ander bestuursorgaan aangeeft hoe een taak of bevoegdheid op het gebied van ‘geluid’ moet worden uitgeoefend). De direct werkende regels moet de gemeente vastleggen in het omgevingsplan, de instructieregels zien op de wijze waarop o.a. gemeenten het aspect geluid moeten betrekken bij nieuwe ontwikkelingen die zij mogelijk maakt via omgevingsvergunningen en het omgevingsplan. Zowel de direct werkende regels als de instructieregels staan in het Bkl. Daarnaast zijn nog direct werkende regels over geluid opgenomen in de bruidsschat, deze zijn bij inwerkingtreding van de

TAM-OMGEVINGSPLAN HOOFDSTUK 22m, Mozartlaan-Verdilaan ong., Heesch

Pagina 64 van 91

Omgevingswet onderdeel geworden van het omgevingsplan van rechtswege en op die manier (totdat ze zijn vertaald in het omgevingsplan of geschrapt) van kracht. Aanvullend hierop kan ook de provincie in de omgevingsverordening instructieregels opnemen. 6.5.2 Aanvaardbare geluidbelasting voor geluidgevoelige gebouwen In het omgevingsplan moet volgens artikel 3.20 van de Omgevingswet worden aangetoond dat geluidgevoelige gebouwen, zoals woningen, een aanvaardbare geluidsbelasting hebben. Het primaire doel van deze regelgeving is het beschermen van gezondheid door eisen te stellen aan geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven of slapen. Indien nieuwe geluidgevoelige activiteiten binnen geluidszones worden toegestaan, stelt de wetgeving het verrichten van akoestisch onderzoek naar de geluidsbelasting, verplicht. Dit geldt ook omgekeerd in geval via het omgevingsplan een geluidsbron wordt veranderd of toegelaten. Het planvoornemen bevat een nieuw geluidgevoelig gebouw (appartementencomplex met daarin 25 sociale huurappartementen). Geen sprake is van een nieuwe geluidbron. 6.5.3 Geluid door activiteiten De regels over geluid door activiteiten zijn opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 van het Bkl. De regels zien op: 1. Het toelaten van een geluidveroorzakende activiteit op een locatie; 2. Het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in de nabijheid van een activiteit.

Het gaat om geluid om afkomstig van alle denkbare activiteiten, niet alleen bedrijfsmatige activiteiten zoals bedrijven en instellingen, maar ook bijvoorbeeld speeltuinen. De regels zien niet op het geluid afkomstig van het gebruik van woningen (bijvoorbeeld het stemgeluid van spelende kinderen in de tuin), maar wel over geluid door bedrijfsmatige of hobbymatige activiteiten die het niveau overstijgen dat tot het woongedrag behoort. Eén van de hoofdregels voor de beoordeling van geluid is dat het geluid door een (individuele) activiteit op geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar moet zijn. Dit volgt uit artikel 5.59, tweede lid, van het Bkl. Dit vraagt van de gemeente om te waarborgen dat bij elke activiteit die geluidsbelasting veroorzaakt op geluidgevoelige gebouwen sprake is van een aanvaardbaar geluidniveau. Wat aanvaardbaar is, is afhankelijk van de specifieke plaatselijke situatie. Ter invulling van de aanvaardbaarheidseis zijn waarden en regels opgenomen voor geluid door activiteiten. Enkele activiteiten zijn uitgezonderd van deze waarden en de waarden gelden niet voor activiteiten die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte worden verricht en voor evenementen die in de openbare ruimte plaatsvinden. In artikel 5.65 van het Bkl zijn standaardwaarden opgenomen voor geluidgevoelige gebouwen.

Ook bevat dit artikel grenswaarden voor geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen. Door deze standaardwaarden en grenswaarden te hanteren wordt voldaan aan het aanvaardbaarheidsvereiste. Het gaat dan om waarden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau en het maximaal geluidsniveau. Artikel 5.66 van het Bkl bepaalt dat andere waarden kunnen worden gehanteerd dan de standaardwaarden, gelet op de aard of locatie van de activiteit. Niet in alle gevallen leiden de standaardwaarden namelijk tot het gewenste evenwicht tussen het beschermen en het benutten van de fysieke leefomgeving. De gemeente kan dan gemotiveerd kiezen voor andere (lagere of hogere) waarden of zelfs afzien van het stellen van waarden. Hogere waarden zijn toegestaan tot de opgenomen grenswaarden. Deze grenswaarden zijn de binnenniveaus in geluidsgevoelige gebouwen en ruimten en zijn harde grenswaarden. Bij het vaststellen van hogere waarden moet daarom worden onderbouwd dat die hogere waarden, gegeven de concrete omstandigheden, een aanvaardbare situatie opleveren en bovendien de grenswaarden niet worden overschreden.

Om aan te tonen dat de grenswaarden niet worden overschreden moet in geval sprake is van geluid ten gevolge van activiteiten waarvan het mogelijk aannemelijk is dat de standaardwaarden op geluidgevoelige gebouwen in de nabijheid door de initiatiefnemer van een planvoornemen een akoestisch onderzoek worden aangeleverd. Het gaat dan om situaties waarbij in de dagperiode de geluidsbelasting groter is dan 55 dB in de nabijheid van goed onderhouden geluidgevoelige gebouwen in de omgeving. Bij goed onderhouden gebouwen kan namelijk worden uitgegaan van een geluidwering van de gevel van 20 dB. Daarmee is voldoende aangetoond dat aan de grenswaarden wordt voldaan. TAM-OMGEVINGSPLAN HOOFDSTUK 22m, Mozartlaan-Verdilaan ong., Heesch

Pagina 65 van 91

Relevant is dat bij de beoordeling van geluid voor de toedeling van functies cumulatie van geluid van meerdere activiteiten samen betrokken wordt. Het is mogelijk dat meerdere activiteiten, die op zichzelf aan de standaardwaarden voldoen, door cumulatie leiden tot een situatie waarin geen sprake meer is van een aanvaardbaar geluidsniveau. Het is aan de gemeente (beleidsvrijheid) om te beoordelen of cumulatie nodig is te onderzoeken. Het planvoornemen bevat een nieuw geluidgevoelig gebouw (appartementencomplex voor 25 sociale huurappartementen) en een geluidveroorzakende activiteit (parkeerterrein). In de nabijheid van het planvoornemen is sprake van geluidveroorzakende activiteiten. Onderzocht moet worden in hoeverre geluid ten gevolge van geluidveroorzakende activiteiten aan de orde is en in hoeverre de geluidveroorzakende activiteiten op de locatie geluidgevoelige gebouwen belemmeren. Voor de motivering hiervan wordt verwezen naar paragraaf 6.4 van dit document. 6.5.4 Geluid door (spoor)wegen en industrieterreinen De regels over geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen zijn opgenomen in paragraaf 5.1.4.2a van het Bkl. De regels zien op het beschermen van geluidgevoelige gebouwen, die zijn gelegen in een geluidsaandachtsgebied van wegen, spoorwegen en industrieterreinen.

Hoofdlijnen van de systematiek is dat alle geluidbronnen een standaardwaarde en een grenswaarde kennen voor het geluid op de gevel op een geluidgevoelig gebouw. Ook is er sprake van een grenswaarde voor het binnengeluid in een geluidgevoelig gebouw. Deze regels hebben primair tot doel schade aan de gezondheid te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken en tegelijk wel ruimte te bieden aan deze geluidbronnen. Zolang aan de standaardwaarde wordt voldaan zijn de gezondheidsrisico’s aanvaardbaar: de kans op schade aan de gezondheid is klein. Daarom stellen de regels geen eisen bij situaties met geluidniveaus die de standaardwaarde niet overschrijden. Bij een geluidniveau tussen de standaardwaarde en de grenswaarde op de gevel van een geluidgevoelig gebouw maakt het bevoegd gezag een afweging. Uitgangspunt van deze afweging is dat waar nodig geluidbeperkende maatregelen worden getroffen om het geluid te laten voldoen aan de standaardwaarde. Het betreft dan alle geluidbeperkende maatregelen die financieel doelmatig zijn en waartegen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan. Als dat niet mogelijk is, moeten geluidbeperkende maatregelen worden getroffen om een overschrijding van de standaardwaarde zoveel mogelijk te beperken.

Het geluid boven de standaardwaarde mag niet hoger zijn dan de grenswaarde op de gevel. In specifieke gevallen zijn gemotiveerd uitzonderingen mogelijk op die grenswaarden. Bij overschrijding van de grenswaarde voor het binnengeluid worden geluidwerende maatregelen aan het gebouw getroffen. Hierop zijn ook weer enkele uitzonderingen mogelijk. Industrieterreinen Uit de Omgevingswet volgt dat voor industrieterreinen geluidproductieplafonds als omgevingswaarden moeten worden vastgesteld. Een geluidproductieplafond begrenst het geluid door een industrieterrein. Daarmee beschermt het de omgeving van het industrieterrein tegen het gezamenlijke geluid van alle activiteiten op een industrieterrein. Industrieterreinen zijn terreinen waar in het Bkl specifiek aangewezen activiteiten kunnen worden verricht, die in aanzienlijke mate van geluidhinder kunnen veroorzaken. Deze activiteiten zijn aangewezen in artikel 5.78b in samenhang gelezen met bijlage VIII van het Bkl. Het gaat om de ‘grote lawaaimakers’ op de (voormalig) gezoneerde industrieterreinen. Op het moment dat op een locatie een ‘grote lawaaimaker’ wordt toegestaan, is de regeling omtrent de geluidproductieplafonds van toepassing. Er hoeven nog geen geluidproductieplafonds voor de (voormalig) gezoneerde industrieterreinen te zijn of worden vastgelegd.

De wetgever hanteert een ruime overgangstermijn om de geluidproductieplafonds vast te leggen. Daarom heeft de wetgever expliciet overgangsrecht opgenomen in artikel 3.6 van de Aanvullingswet Geluid. Daaruit volgt (kort gezegd) dat de Wet geluidhinder en onderliggende regelgeving van kracht blijft op het nemen van besluiten (via een BOPA) met betrekking tot de voormalig gezoneerde

TAM-OMGEVINGSPLAN HOOFDSTUK 22m, Mozartlaan-Verdilaan ong., Heesch

Pagina 66 van 91

industrieterreinen en de geluidzone daaromheen (BOPA of Omgevingsplan). Dit betekent dat de oude systematiek rondom industrieterreinen voorlopig nog blijft bestaan. Geluid door industrieterreinen speelt niet in de omgeving van de locatie. De regeling omtrent geluidproductieplafonds is daarom niet van toepassing. Aannemelijk is dat ten gevolge van geluid door industrieterreinen een aanvaardbaar geluidsniveau aan de orde is. Wegen en spoorwegen De gemeente is voor een tweetal situaties het bevoegd gezag bij besluitvorming, waarbij aan het Bkl moet worden getoetst: 1. Geluid door wegen (aanleg/wijziging van gemeentelijke infrastructuur); 2. Het toelaten van geluidgevoelige gebouwen in aandachtsgebieden. De regels van het geluid afkomstig van gemeentelijke wegen zijn opgenomen in paragraaf 5.1.4.2a.3 van het Bkl. Dit betreft onder meer de aanleg of wijziging van gemeentewegen. Kort gezegd komen de regels erop neer dat bij de aanleg van een gemeenteweg erin wordt voorzien dat het geluid op geluidgevoelige gebouwen niet hoger is dan de standaardwaarde. Bij de wijziging van een gemeenteweg mag het geluid niet hoger zijn dan de standaardwaarde of niet toenemen ten opzichte van de huidige situatie. Overschrijding van de standaardwaarde of een toename van het geluid ten opzichte van de huidige situatie is onder voorwaarden toegestaan (artikel 5.78n Bkl).

Daarbij wordt een afweging gemaakt tussen het benutten en het beschermen van de fysieke leefomgeving. Ook wordt beoordeeld of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De regels voor het toelaten van nieuwe geluidgevoelige gebouwen in aandachtsgebieden zijn opgenomen in paragraaf 5.1.4.2a.4 van het Bkl. Kort gezegd komen de regels erop neer dat bij het toelaten van een nieuw geluidgevoelig gebouw erin wordt voorzien dat het geluid niet hoger is dan de standaardwaarde. Overschrijding van de standaardwaarde of een toename van het geluid ten opzichte van de huidige situatie is onder voorwaarden toegestaan (artikel 57.8u Bkl). Daarbij wordt een afweging gemaakt tussen het benutten en het beschermen van de fysieke leefomgeving. Ook wordt beoordeeld of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het gaat om de volgende voorwaarden: 1. Er geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om het geluid te laten voldoen aan de standaardwaarde of de toename van geluid te voorkomen. 2. De overschrijding van de standaardwaarde wordt door het treffen van geluidbeperkende maatregelen zoveel mogelijk beperkt. 3. Het geluid niet hoger is dan de grenswaarde, uitgezonderd in geval van vervangende nieuwbouw, functiewijziging (transformatie), niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen, zwaarwegende belangen. 4.

Meewegen van het belang van een geluidluwe gevel. 5. Een beoordeling plaatsvindt van de aanvaardbaarheid van het gecumuleerd geluid. 6. Het bepalen van het gezamenlijk geluid op de gevel van het geluidgevoelige gebouw. Het planvoornemen ziet niet op de aanleg of wijziging van gemeentelijke infrastructuur. Er hoeft met die reden niet getoetst te worden aan de regels over geluid afkomstig van gemeentelijke wegen zoals opgenomen in paragraaf 5.1.4.2a.3 van het Bkl. Het planvoornemen ziet wel op het toelaten van een nieuw geluidgevoelige gebouw. In de nabijheid van het planvoornemen zijn geen spoorwegen, geluid van wegen is wel relevant. Onderzocht moet daarom worden in hoeverre geluid ten gevolge van wegen aan de orde is. Door Aelmans is hiervoor een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is bijgevoegd bij deze motivering (bijlage 1) en kent de navolgende samenvatting en conclusie. “Uit de berekeningsresultaten van geluidbelasting van alle relevante verkeerswegen blijkt dat op de gevels van de nieuwe woonfuncties een geluidbelasting van ten hoogste 50 dB. Er wordt voldaan aan de standaardwaarde en de richtwaarde voor een goed woon- en leefklimaat.” Geluid ten gevolge van wegen vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

6.5.5 Conclusie Mits de in het akoestisch onderzoek voorgestelde maatregelen bij de uitwerking van het bouwplan worden toegepast vormt geluid door activiteiten geen belemmering voor het planvoornemen en is zowel TAM-OMGEVINGSPLAN HOOFDSTUK 22m, Mozartlaan-Verdilaan ong., Heesch

Pagina 67 van 91

in als rondom de locatie een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gewaarborgd. Omliggende bedrijven worden niet in hun bedrijfsvoering belemmerd. 6.6 Archeologie en cultuurhistorie 6.6.1 Archeologie Regelgeving en beleid De Erfgoedwet beschermt het cultureel erfgoed in Nederland. In deze wet staan regels om belangrijk cultureel erfgoed beter te beschermen en behouden. In de Erfgoedwet staat wat cultureel erfgoed is, hoe de overheid omgaat met roerend cultureel erfgoed (zoals schilderijen), wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe de overheid daar toezicht op houdt. Het beschermingsregime voor de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (lees archeologische resten) net als de bescherming van gebouwde rijksmonumenten wordt opgenomen in de Omgevingswet. Vooruitlopend op de ingang van de Omgevingswet is het deel van de Monumentenwet 1988 dat gaat over de fysieke leefomgeving geregeld in het overgangsrecht van de Erfgoedwet. Het gaat om: - vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten. - verordeningen, omgevingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. - bescherming van stads- en dorpsgezichten. De gemeente moet bij het vaststellen van een omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten.

Dit is geregeld in artikel 5.130 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Deze monumenten worden bij voorkeur in situ (ter plekke) behouden (verwijzing naar verdrag van Valletta in artikel 2.28, onder a, van de Omgevingswet). Een archeologisch monument is een terrein dat deel uitmaakt van cultureel erfgoed vanwege de daar aanwezige overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen (begripsbepaling Omgevingswet / artikel 1.1 Erfgoedwet). Een aantoonbaar te verwachten archeologisch monument is een op basis van archeologische, bodemkundige of historische informatie op een locatie te verwachten archeologisch monument (artikel 2.28 onder a Omgevingswet / amendement-Ronnes (Kamerstukken II 2014/15, 33 962, nr. 162)). De gemeente Bernheze heeft een eigen gemeentelijk archeologiebeleid geformuleerd. Dit archeologiebeleid is op 3 februari 2011 door de gemeenteraad vastgesteld en bestaat uit de "Nota Archeologiebeleid gemeente Bernheze" en de "Archeologische Verwachtings- en Beleidsadvieskaart Gemeente Bernheze". Dit archeologiebeleid voldoet aan de geformuleerde aantoonbaarheid verplichting. In beginsel moeten projecten die kleiner zijn dan 100 m2 worden vrijgesteld van een archeologische onderzoeksplicht (artikel 5.130 lid 4 Bkl).

Maar de gemeente kan in een omgevingsplan een grotere of kleinere vrijstellingsgrens vastleggen (artikel 5.130 lid 5 Bkl). De gemeente Bernheze heeft er in haar archeologiebeleid voor gekozen om andere oppervlaktes hiervoor vast te stellen. Archeologietoets Volgens het archeologiebeleid van de gemeente Bernheze geldt op onderhavige locatie een middelhoge archeologische verwachting. Hierbij is archeologisch onderzoek vereist als meer dan 2500 m2 dieper dan 0,40 meter wordt verstoord. Zie de volgende twee uitsneden uit dit archeologiebeleid.

TAM-OMGEVINGSPLAN HOOFDSTUK 22m, Mozartlaan-Verdilaan ong., Heesch

Pagina 68 van 91

Omdat ter plaatse van onderhavige locatie niet meer grond geroerd gaat worden dan 2500 m2 is geen archeologisch onderzoek noodzakelijk. Dit betekent dat dergelijk onderzoek in het kader van onderhavige ontwikkeling niet is uitgevoerd. De gemeente Bernheze vertaalt de wet en het archeologisch beleid ook door in standaard omgevingsplanregels. Zo heeft de gemeente gebiedsaanwijzingen met regels voor bescherming van historische kernen, (beschermde) monumenten en voor gebieden met een middelhoge of hoge archeologische verwachtingswaarde. Met deze regels kan, ter bescherming van archeologische waarden, worden bepaald wanneer er een omgevingsvergunning voor bepaalde werkzaamheden nodig is, wanneer dat niet het geval is en onder welke omstandigheden en met welke nadere eisen en voorwaarden een omgevingsvergunning kan worden verleend. Dat betekent dat voor de locatie een gebiedsaanwijzing met regels voor de bescherming van zeer hoge archeologische waarde is opgenomen. Archeologie vormt doordat niet dieper dan 0,4 meter over een oppervlakte van 2500 m2 aan bodem geroerd zal worden geen belemmering voor het planvoornemen. Het planvoornemen belemmert hierdoor geen archeologische waarden.

Daarbij geldt dat in het omgevingsplan een gebiedsaanwijzing en regels zijn opgenomen die te allen tijde gelden, dus mocht op een later moment het wel de bedoeling zijn om dieper dan 0,4 meter over een oppervlakte van 2500 m2 aan bodem te roeren zal alsdan het benodigde archeologische traject doorlopen moeten worden. Hiermee zijn eventuele archeologische waarden op de locatie beschermd. Hoewel ten behoeve van deze ontwikkeling geen onderzoek zal worden verlangd, dient men wel attent te blijven op mogelijk nog aanwezige archeologische waarden. Te allen tijde geldt wettelijk een meldingsplicht bij het aantreffen van archeologische toevalsvondsten. TAM-OMGEVINGSPLAN HOOFDSTUK 22m, Mozartlaan-Verdilaan ong., Heesch

Pagina 69 van 91

Conclusie Archeologie vormt geen belemmering voor de ontwikkeling. 6.6.2 Cultuurhistorie Regelgeving en beleid In het Bkl zijn in artikel 5.130 en 5.131 instructieregels opgenomen voor de bescherming van erfgoed. Ook gelden hiervoor algemene regels uit hoofdstuk 13 en 14 van het Bal (Rijksmonumenten en werelderfgoed). De regels richten zich op de bescherming van cultureel- of werelderfgoed in het omgevingsplan (willen en moeten). Het gaat concreet om archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Cultuurhistorie: provinciaal beleid Het provinciale cultuurhistorische beleid is verankerd in de TAM-omgevingsverordening Noord-Brabant. Hierin zijn onder andere opgenomen: cultuurhistorische vlakken en complexen van cultuurhistorisch belang waarvoor rechtstreeks werkende en instructieregels gelden waarmee gemeenten in hun omgevingsplan (en BOPA) rekening moeten houden. Cultuurhistorie: gemeentelijk beleid Het beleid van de gemeente Bernheze voor wat betreft cultuurhistorie is vastgelegd via de Cultuurhistorische Waardenkaart 2014. Hierop zijn onder andere historisch bebouwde gebieden, oude verkavelingspatronen en monumenten opgenomen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Bernheze&id=4c86caed-b0a0-4d22-a2a1-416303e6c4f9