CConstaterende datBernheze
Koppel je AI →
Document · PDF

TAM-Omgevingsplan De Bunders - TOE Bijlage 22 Archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek

Raadsvergadering 31 oktober 2024, gemeente BernhezeBij agendapunt: Vaststellen TAM-Omgevingsplan 'De Bunders, Heesch'25.429 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

In de gebieden waar veldpodzolen en laarpodzolen voorkomen zijn geen vondsten gedaan. Het beste uitgangspunt voor het specificeren van de archeologische verwachting voor beide deellocaties biedt de cultuurhistorische ontwikkeling in combinatie met de geomorfologie. Alhoewel het gehele gebied waarschijnlijk is ontgonnen sinds de 12e eeuw, is de algehele indruk die ontstaat bij het bestuderen van de verschillende bronnen, dat het noordelijke deel (hoger, reliëfrijker, akkerland, blokvormige verkaveling) geschikter is geweest voor bewoning dan het zuidelijke (lager, vlak, akker- en weiland, strookvormige verkaveling). Op basis van dit onderscheid wordt dan ook aan het noordelijke deel een middelhoge tot hoge verwachting gegeven en aan het zuidelijke deel een lage. Opgemerkt moet worden dat dit oorspronkelijk ook het geval was, maar dat hier de verwachting was gekoppeld aan het bodemtype. Geadviseerd is om het zuidelijke deelgebied, met een lage archeologische trefkans, vrij te geven. Voor het noordelijke deelgebied, met een middelhoge tot hoge archeologische trefkans, is de aanbeveling gedaan om een inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven uit te voeren en eventueel de sloop van de ondergrondse delen van de bestaande bebouwing archeologisch te begeleiden.

Vondstmeldingen binnen het onderzoeksgebied In ARCHIS staan alle bekende archeologische vondstmeldingen geregistreerd. In het plangebied zijn geen vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het onderzoeksgebied staan vier vondstmeldingen geregistreerd (zie tabel 2-4 en kaart 8).

19070.001 & 19070.004 versie 2

14 / 30

Het merendeel van deze vondstmeldingen betreffen resten aangetroffen tijdens niet-archeologische graafwerkzaamheden, dan wel aan het maaiveld aangetroffen resten door een amateurarcheoloog. De vondstmeldingen liggen tevens op grotere afstand ten noorden/noordwesten van het plangebied, binnen een landschappelijke ligging van dekzandwelvingen. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen vondsten bekend. Ook de onderzoeken die vrijwel direct ten oosten van het plangebied zijn uitgevoerd, hebben geen archeologische indicatoren/resten opgeleverd. Tabel 2-4 Overzicht ARCHIS-vondsten Zaaknummer (waarnemingsnummer) 3089619100 (14640)

Situering t.o.v. plangebied

Aard van de melding

450 meter ten noorden van het plangebied Broekhoek te Heesch Gemeente Bernheze Coördinaat: 163200/416000

Late-Middeleeuwen: - aardewerk - fragmenten van gedraaid aardewerk - 6 fragmenten van grijsbakkend gedraaid aardewerk - 2 fragmenten van roodbakkend geglazuurd aardewerk - 4 fragmenten van steengoed kannen Aangetroffen aan het maaiveld door een amateurarcheoloog

4040355100

700 meter ten noorden van het plangebied Vismeerstraat te Heesch Gemeente Bernheze Coördinaat: 162847/416215

Late-Middeleeuwen - Nieuwe tijd: - fragment van roodbakkend geglazuurd aardewerk Nieuwe tijd - RECENT: - 21 greppels/sloten Nieuwe tijd: - fragment van roodbakkend geglazuurd aardewerk Aangetroffen tijdens de uitvoering van een proefsleuvenonderzoek (zie zaakindentificatie (OM-nummer) 4040355100)

2788478100 (17211)

750 meter ten noordwesten van het plangebied Middelste Groes te Heesch Gemeente Bernheze Coördinaat: 162540/416060

Neolithicum - Nieuwe tijd: - aardewerk IJzertijd: - handgevormd aardewerk Late-Middeleeuwen: - aardewerk Late-Middeleeuwen - Nieuwe tijd: - 18 fragmenten van roodbakkend geglazuurd aardewerk Aangetroffen tijdens niet-archeologische graafwerkzaamheden

3229368100 (410111)

750 meter ten noordwesten van het plangebied Vismeerstraat te Heesch Gemeente Bernheze Coördinaat: 162800/416200

19070.001 & 19070.004 versie 2

Paleolithicum - IJzertijd: - fragment van een zandsteen/kwartsiet object Aangetroffen aan het maaiveld door een amateurarcheoloog

15 / 30

Wetenschappelijke publicaties, archieven en provinciaal archeologisch depot In het kader van dit bureauonderzoek zijn geen wetenschappelijke publicaties geraadpleegd, heeft geen archiefonderzoek plaatsgevonden en heeft geen navraag voor eventuele aanvullende informatie bij het provinciaal archeologisch depot plaatsgevonden, aangezien verwacht werd dat dit voor dit plangebied geen meerwaarde zou hebben. Aanvullende informatie Heemkunde Vereniging Voor aanvullende informatie is contact gezocht met de plaatselijke Heemkundevereniging “De Elf Rotten”, maar dit heeft geen aanvullende informatie opgeleverd.

2.7 Beschrijving van het historische gebruik In het plangebied kunnen naast archeologische sporen ook historische relicten voorkomen die nog in het landschap zichtbaar zijn. Het gaat hierbij om historisch geografische relicten zoals nederzettingsvormen en wegenen kavelpatronen. Veel van deze bewaard gebleven historische geografie geeft door de herverkavelingen in de tweede helft van de 20e eeuw een incompleet beeld van het historisch landschap. Historische kaarten van vóór de herverkaveling zijn een goede aanvulling op het huidige incomplete beeld. Voor de historische ontwikkeling is naast het historisch kaartmateriaal ook relevante achtergrondliteratuur geraadpleegd. Korte bewoningsgeschiedenis van Heesch In deze paragraaf wordt een bespreking van de bewoningsgeschiedenis van de streek gegeven. Een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland wordt weergegeven in bijlage 5. De oudste woonkern van Heesch, die tevens kerkelijk en bestuurlijk centrum werd, was het latere Kerkeind, het gebied rond Goorstraat, Lindenlaan, Hoogstraat en Osseweg. Hier bevond zich een van nature wat hoger gelegen gebied dat in het westen, noorden, oosten en zuiden begrensd werd door lager gelegen grond. In het noorden vormden het Goor en de waterloop de Run de natuurlijke begrenzing, in het westen was dit het drassige gebied van de Pas, beemdgrond.

In het zuiden bevond zich een lage strook grond met waterloop, die onmiddellijk weer overging in hoger gelegen grond: Den Hoogen. Rond dit door natuurlijke grenzen omsloten gebied groepeerden zich een aantal boerenhoeven, van waaruit het omliggende gebied werd ontgonnen. Het gebied werd als bouwland en weidegrond in gebruik genomen. De strook grond waaromheen de hoeven gegroepeerd lagen had inmiddels het karakter gekregen van een plein, dat door de verbindingswegen met andere woonkernen een driehoekige vorm kreeg. In het noordwesten was dit de verbindingsweg met de opkomende nederzettingen Oss en Geffen, in het oosten de weg naar Schaijk en Herpen, in het zuiden de weg naar Nistelrode en het zuidwesten de weg naar de nieuwe ontginningen in Vinkel. Het plein was gemeenschappelijk eigendom en werd gebruikt voor de opstal van het vee. De mest die de veestapel produceerde werd gebruikt voor de bemesting en het bouwrijp maken van de grond direct achter de hoeven. Hier werden gewassen voor de eerste levensbehoeften geproduceerd: met name rogge en tarwe. 19 19 Heemkundekring De Elf Rotten, Heesch (www.de-elf-rotten.nl)

19070.001 & 19070.004 versie 2

16 / 30

De naam Heesch gaat terug op het Oudhoogduitse "haisjo", dat "kreupelhout" betekent. Deze verklaring spoort goed met de oorspronkelijke kleinschaligheid van het landschap in deze omgeving. ‘Heesch’ mag overigens niet worden verward met "Hese", de middeleeuwse naam van het grondgebied van Rosmalen en Nuland. Het dorp Heesch wordt als Heze in 1191 voor het eerst genoemd in een document. Daarin worden de tienden van ‘Heze’ genoemd. Vóór 1298 is al sprake van een gemeynt (gemeenschappelijke grond) van de inwoners van Heesch. Op 18 oktober 1329 gaf de hertog een complex gemeenschappelijke gronden uit. Uit 1364 stamt de eerste vermelding van schepenen, dus van een eigen dorpsbestuur. Vanouds was Heesch een agrarische gemeente met overwegend schrale zandgronden. Maar een beperkt gedeelte was geschikt voor het verbouwen van rogge, haver en boekweit. Naast de landbouw was zeer bepalend voor de geschiedenis van Heesch dat het dorp halverwege ’s-Hertogenbosch en Grave ligt. Voetgangers, ruiters en rijtuigen gebruikten het dorp als pleisterplaats. Ook de paardenposterij had er een station. De aanleg van de straatweg ’s-Hertogenbosch-Grave in de periode 1818-1836 maakte van Heesch, tot dan toe een verzameling gehuchten, een straatdorp met lintbebouwing.

Aan het eind van de 18e eeuw telde Heesch nog net geen 1.300 inwoners.20 Historisch kaartmateriaal De situatie van het plangebied is op verschillende historische kaarten als volgt: Tabel 2-5 Geraadpleegd historisch kaartmateriaal21 Bron

Periode

Kaartblad

Schaal

Omschrijving plangebied

Bijzonderheden/directe omgeving

Kadastrale kaart (Minuutplan)

18111832

Gemeente Heesch, sectie A, Blad 02

1:2.500

Gehele plangebied in agrarisch gebruik.

Voorloper van de Bunderstraat reeds aanwezig langs de westzijde van het plangebied, evenals een groot deel van het bestaande wegenpatroon als onverharde zandwegen (Bosschebaan ten noorden, Zoggelsestraat tussen het centrale en zuidelijke deel van het plangebied, als de Verbindingsweg langs de zuidzijde van het plangebied). Langs deze wegen enkele (ontginnings)boerderijen. Omgeving verder in agrarisch gebruik met een rationele verkavelingspatroon, duidend op een relatief jong ontgonnen gebied.

Militaire topografische kaart (Bonneblad)

1868

570

1:50.000

Geen noemenswaardige veranderingen. Voornamelijk in gebruik als akkerland, enkele delen grasland/weiland.

Enkele nieuwe (boeren)erven langs oude wegenpatroon, destijds aanwezige zandwegen. Agrarisch gebied met vooral percelen akkerland, enkele percelen grasland/weiland.

Militaire topografische kaart (Bonneblad)

1899

570

1:50.000

Geen noemenswaardige veranderingen, gehele plangebied in gebruik als akkerland.

Enkele nieuwe (boeren)erven langs oude wegenpatroon, destijds aanwezige zandwegen. Agrarisch gebied vrijwel geheel percelen akkerland en stond bekend onder de namen De Groese Bunders en De Nieuwe Erven.

Topografische kaart

1956

45 E

1:25.000

Binnen het plangebied mix van percelen akkerland als grasland.

Enkele nieuwe (boeren)erven langs bestaande wegenpatroon, maar ook uitbreiding van bebouwing binnen bestaande (boeren)erven. Agrarisch buitengebied mix van percelen akkerland en grasland.

20 Brabants Historisch Informatiecentrum (www.bhic.nl) 21 www.topotijdreis.nl / www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl

19070.001 & 19070.004 versie 2

17 / 30

Topografische kaart

1967

45 E

1:25.000

Plangebied nog steeds geheel in agrarisch gebruik.

Enkele nieuwe (boeren)erven aanwezig, evenals uitbreiding van bebouwing binnen bestaande (boeren)erven. Enige herverkaveling van agrarische percelen.

Topografische kaart

1978

45 E

1:25.000

Meest noordelijke deel plangebied deels bebouwd met bestaande schuren/pluimveestallen. Overig deel/merendeel plangebied nog in agrarisch gebruik.

Sterke toename van aantal (boeren)erven langs bestaande wegenpatroon. Herverkaveling van agrarische percelen.

Topografische kaart

1988

45 E

1:25.000

Noordelijke deel plangebied uitbreiding met zuidelijk gelegen pluimveestallen. Merendeels huidige situatie.

Herverkaveling van agrarische percelen. Ten oosten ontwikkeling van bebouwde kom van Heesch. Merendeels huidige situatie.

Het geraadpleegde historisch kaartmateriaal laat de historische situatie van het plangebied zien vanaf het begin van de 19e eeuw. Het plangebied was destijds al geheel in agrarisch gebruik. De voorloper van de Bunderstraat was reeds aanwezig langs de westzijde van het plangebied, evenals een groot deel van het bestaande wegenpatroon als onverharde zandwegen (BosscheBaan ten noorden, Zoggelsestraat tussen het centrale en zuidelijke deel van het plangebied, als de Verbindingsweg langs de zuidzijde van het plangebied). Langs deze wegen waren enkele (ontginnings)boerderijen aanwezig. De omgeving was verder geheel in agrarisch gebruik en met een rationele verkavelingspatroon, duidend op een relatief jong ontgonnen gebied (zie kaart 9). Gedurende het verloop van de 19e eeuw en de eerste helft van de 20e eeuw vonden weinig veranderingen plaats. Er ontstond hier en daar enkele nieuwe (boeren)erven langs de destijds aanwezige zandwegen. De agrarisch percelen waren voornamelijk in gebruik als akkerland, met alleen enkele percelen grasland/weiland. Aan het einde van de 19e eeuw was er vrijwel alleen sprake van percelen akkerland, dat verder bekend stond onder de namen De Groese Bunders en De Nieuwe Erven (zie kaarten 10 en 11). Vanaf het begin van de tweede helft van de 20e eeuw betrof het agrarisch buitengebied een mix van percelen akkerland en grasland.

Ook binnen de begrenzing van het plangebied was hier sprake van (zie kaart 12). Er waren weer enkele nieuwe (boeren)erven ontstaan langs het bestaande wegenpatroon, maar er vond ook uitbreiding plaats van bebouwing binnen bestaande (boeren)erven (vooral meer schuren/veestallen). Dit zette zich door gedurende de jaren ’60 van de 20e eeuw. Ook vond toen enige herverkaveling van agrarische percelen plaats (zie kaart 13).

19070.001 & 19070.004 versie 2

18 / 30

In de jaren ’70 van de 20e eeuw raakt het meest noordelijke deel van het plangebied deels bebouwd met de noordelijk gelegen bestaande schuren/pluimveestallen. Het overige deel/merendeel van het plangebied bleef in agrarisch gebruik (zie kaart 14). In deze periode vond ook een sterke toename plaats van het aantal (boeren)erven langs het bestaande wegenpatroon. Agrarische percelen werden verder herverkaveld. In de jaren ’80 van de 20e eeuw heeft in het noordelijke deel van het plangebied de uitbreiding met de bestaande zuidelijk gelegen pluimveestallen plaatsgevonden. Ten oosten ontwikkelde zich de bebouwde kom van Heesch en opnieuw vond herverkaveling van agrarische percelen plaats (zie kaart 15). Ook in de laatste decennia bleef de bebouwde kom van Heesch zich verder uitbreiden. De centrale en zuidelijke delen van het plangebied zijn tot op heden voornamelijk in agrarisch gebruik gebleven. Bouwhistorische gegevens Bij de gemeente Bernheze is het archief van de Bouw- en Woningtoezicht geraadpleegd (bouwdossiers ouder dan 1994 via het BHIC). Tabel 2-7 geeft een opsomming van de bij de gemeente bekende verleende bouwvergunningen die behoren tot het adres Bosschebaan 27 (pluimveebedrijf binnen het meest noordelijk gelegen perceel/deel van het plangebied). Tabel 2-6 Verleende bouwvergunningen Bosschebaan 27 Jaartal

Omschrijving

1972

Bouwen van twee pluimveeschuren (bestaande noordelijk gelegen schuren), voorzien van strook-/sleuffunderingen tot circa 80 cm -mv en mestgruppen tot circa 60 cm -mv.

1980 en 1984

Bouwen van twee pluimveeschuren (bestaande zuidelijk gelegen schuren), voorzien van strook-/sleuffunderingen tot circa 80 cm -mv en mestgruppen tot circa 60 cm -mv.

Uit gegevens van de beschikbare bouwdossiers blijkt dat de in respectievelijk in 1975 en 1984 gebouwde pluimveestallen in het noordelijke deel van het plangebied voorzien zijn van strook-/sleuffunderingen tot circa 80 cm -mv en mestgruppen tot circa 60 cm -mv. Te verwachten is dat destijds, ten behoeve van de aanleg van deze bebouwing en diverse nutsvoorzieningen, de bodem ter plaatse van het bestaande bouwoppervlak (en tevens voor hieraan aangrenzende terreindelen) minimaal tot deze dieptes is geroerd/afgegraven. Tweede Wereldoorlog Om vast te stellen of mogelijke archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied aanwezig zijn, is een aantal publicaties geraadpleegd. 22 Het raadplegen van deze bronnen geeft geen redenen om aan te nemen dat er archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied te verwachten zijn.

22 Amersfoort & Kamphuis, 1990/Jong, 1969 – 1994/Indicatieve kaart Militair Erfgoed/https://library.wur.nl/WebQuery/geoportal/raf/

VEO Bommenkaart/Ruimingskaart/Klep & Schoenmaker, 1995/Zwanenburg, 1990

19070.001 & 19070.004 versie 2

19 / 30

2.8 Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel Op grond van de gegevens uit het bureauonderzoek is de volgende gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld: Tabel 2-7 Gespecificeerde archeologische verwachting Archeologische periode

Gespecificeerde verwachting

Te verwachten complextype/resten

Relatieve diepte t.o.v. het maaiveld

(Laat-)Paleolithicum Midden-Neolithicum (jagers-verzamelaars)

Laag

Kampementen, vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen

Onder het te verwachten (matig dikke) plaggendek en in de top van de dekzandafzettingen met hierin mogelijk een restant van een podzolbodem

Laat-Neolithicum (vroege-landbouwers)

Middelhoog

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, houtskool en gebruiksvoorwerpen

Onder het te verwachten (matig dikke) plaggendek en in de top van de dekzandafzettingen met hierin mogelijk een restant van een podzolbodem

Bronstijd - Romeinse tijd (landbouwers)

Middelhoog

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden/-heuvels, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, metaalresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen

Onder het te verwachten (matig dikke) plaggendek en in de top van de dekzandafzettingen met hierin mogelijk een restant van een podzolbodem

Vroege-Middeleeuwen

Middelhoog

Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen

Onder het te verwachten (matig dikke) plaggendek en in de top van de dekzandafzettingen met hierin mogelijk een restant van een podzolbodem

Late-Middeleeuwen

Laag

Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen

Onder het te verwachten (matig dikke) plaggendek en in de top van de dekzandafzettingen met hierin mogelijk een restant van een podzolbodem

Nieuwe tijd

Laag

Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen

Onder maaiveld/in het te verwachten (dikke) plaggendek en in de top van de dekzandafzettingen

Uit de verzamelde aardwetenschappelijke gegevens blijkt dat vrijwel het gehele plangebied binnen een grote dekzandvlakte ligt met relatief weinig hoogteverschil en waarop, naar verwachting, een ontginningsdek/plaggendek is aangebracht (laarpodzolgronden). Het betreft een van oorsprong relatief laaggelegen gebied, dat aangeduid werd als Nieuwe Erven, een term voor voorheen aanwezige gemeenschappelijke woeste gronden die verkocht zijn om ze te ontginnen. Dit betroffen veelal gronden die in eerste instantie (voor de uitvinding van kunstmest) minder geschikt waren als akkerbouwgronden en werden veelal pas later ontgonnen (jonge ontginningen) in vergelijking met bijvoorbeeld van nature goed ontwaterde dekzandruggen. Het plaggendek dateert van na de ontginningen.

19070.001 & 19070.004 versie 2

20 / 30

Voor zowel jager-verzamelaars als voor landbouwers zal het plangebied niet zozeer ongeschikt zijn geweest voor (tijdelijke) bewoning, maar bewoning uit eerdere perioden, voordat het gebied werd ontgonnen, zal juist eerder hebben plaatsgevonden op de ten zuiden/zuidoosten dan wel de verder ten noorden en relatief hoger gelegen dekzandruggen en -glooiingen, waar landschappelijk gezien gunstigere condities golden voor (permanente) bewoning. Ten aanzien van steentijdvindplaatsen uit de perioden (Laat-)Paleolithicum t/m Midden-Neolithicum (jagers-verzamelaars) is de kans vrij groot dat deze zijn verstoord tijdens de ontginningen van het gebied, waardoor voor deze perioden de verwachting dan ook laag is. Het archeologisch potentiële sporenniveau, en daarmee sporen van permanente bewoning (landbouwers) kan nog wel intact bewaard zijn. In de directe omgeving van het plangebied heeft archeologisch onderzoek tot op heden geen archeologische vindplaatsen opgeleverd. Enkele laatprehistorische, middeleeuwse en Nieuwe tijd vondsten zijn gedaan verder ten noorden van het plangebied, binnen een landschappelijke context van dekzandruggen en -glooiingen. Voor de perioden Laat-Neolithicum t/m Vroege-Middeleeuwen is de verwachting dan ook middelhoog voor het plangebied (zie tabel 2-7).

Geraadpleegd historisch kaartmateriaal laat verder geen aanwijzingen zien dat binnen dan wel nabij het plangebied historische huisplaatsen/erven hebben gelegen. Het heeft gedurende de laatste 200 jaar binnen een rationeel verkaveld agrarisch gebied gelegen. Vandaar dat voor perioden Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd laag is. Indien binnen het plangebied archeologische vondsten en bewoningssporen aanwezig zijn, dan kunnen deze bij een intact bodemprofiel aan de basis van het (matig dikke) plaggendek en in de top van een eventueel daar onder begraven bodemprofiel (meestal een humuspodzol) worden verwacht. Archeologische sporen (uitgezonderd diepe paalsporen en waterputten) zullen zich bevinden tot ongeveer 25 cm in de top van de C-horizont. De diepteligging van de vondstenlaag is afhankelijk van de dikte van het plaggendek. De meeste typen archeologische resten (bot, houtskool, aardewerk en metaal) zullen door de huidige/gereguleerde grondwaterstanden, en daardoor relatief droge en zure bodemomstandigheden, slecht zijn geconserveerd (afwisseling van zuurstofarme en zuurstofrijke condities, waardoor archeologische resten worden aangetast). Door het (matig dikke) plaggendek zal de onderliggende bodem, en eventueel aanwezige archeologische resten, wel tegen diepere moderne bodemverstoringen zijn beschermd, in vergelijking met terreinen waar geen plaggendek aanwezig is.

(Moderne) bodemverstoring Dat een gebied een middelhoge of hoge archeologische verwachting heeft, betekent niet dat eventuele aanwezige archeologische resten behoudenswaardig zijn. De waarde van archeologische vindplaatsen wordt grotendeels bepaald door de mate waarin grondsporen dan wel vondsten in situ bewaard zijn gebleven. Het plangebied heeft gedurende in ieder geval de laatste 200 jaar een agrarisch gebruik gekend. Wel bestaat de kans dat door ploegen en graaf- en rooiwerkzaamheden (voor gewassenteelt) eventueel aanwezige archeologische waarden verloren zijn gegaan. Het meest noordelijk gelegen perceel/noordelijke deel van het plangebied is bebouwd met pluimveestallen, welke voorzien zijn strook-/sleuffunderingen tot circa 80 cm -mv en mestgruppen tot circa 60 cm -mv. Te verwachten is dat tijdens ten behoeve van de aanleg van deze bebouwing en de aanleg diverse nutsvoorzieningen, de bodem binnen het bestaande bouwoppervlak (en tevens voor hieraan aangrenzende terreindelen) minimaal tot deze diepte is geroerd/afgegraven (aanleggen van bouwputten).

19070.001 & 19070.004 versie 2

21 / 30

2.9 Afweging gekozen onderzoeksmethode inventariserend veldonderzoek Gezien de grote omvang van het plangebied en dat er binnen (grote delen van) het plangebied nog sprake kan zijn van een (al dan niet gedeeltelijke) intacte bodemopbouw, is in dit stadium de meest geschikte onderzoeksmethode een inventariserend veldonderzoek doormiddel van boringen in de verkennende fase (KNA protocol 4003, IVO-O). Met het verkennend booronderzoek wordt de bodemopbouw binnen het plangebied bepaald en wordt onderzocht of de oorspronkelijke bodemopbouw nog wel, deels of niet meer intact is. De boringen dienen gelijkmatig verspreid binnen het plangebied gezet te worden om inzicht te krijgen in de toestand van het bodemprofiel. Tevens dient gekeken te worden naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen. Door middel van het verkennend booronderzoek dient te worden vastgesteld of er binnen het plangebied archeologische resten in situ te verwachten zijn.

3

INVENTARISEREND VELDONDERZOEK

3.1 Doelstelling en onderzoeksvragen Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied. Ook dient te worden vastgesteld wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting.

3.2 Methoden Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd in de vorm van een verkennend booronderzoek, onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (KNA, versie 4.1, 19‑02‑2018) en de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1, 19‑02‑2018 protocol 4003), specificatie VS03. Voor het inventariserend veldonderzoek is op 6 mei 2022 door ir. E.M. ten Broeke (Senior KNA Prospector) een Plan van aanpak (PvA) opgesteld. Een anvulling op dit PvA voor het aanvullend verkennend booronderzoek heeft op 13 november 2023 plaatsgevonden. Het gehele plangebied was vrij toegankelijk. In het plangebied zijn in totaal 85 boringen gezet, gelijkmatig verspreid over de verschillende percelen en waar mogelijk in een verspringend boorgrid van 40 x 50 meter (minimaal 6 boringen per hectare, zie kaart 16). De boringen zijn gezet met behulp van een edelmanboor (diameter 10 cm) veelal tot 120 cm -mv en maximaal tot 180 cm -mv. De boringen zijn lithologisch conform de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode beschreven.23 De boringen zijn met meetlinten en een meetwiel ingemeten (x- en y-waarden). Van alle boringen is de maaiveldhoogte afgeleid van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN). In bijlage 4 worden overzichtsfoto’s van het plangebied en foto’s van de opgeboorde profielen weergegeven. 23 Bosch, 2005

19070.001 & 19070.004 versie 2

22 / 30

Aan de hand van het opgeboorde materiaal is beoordeeld in hoeverre er sprake is van een gaaf bodemprofiel. Ook is gekeken naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen. Het opgeboorde materiaal is in het veld door middel van versnijden/verkruimelen geïnspecteerd op het voorkomen van archeologische indicatoren, zoals fragmenten vuursteen, aardewerk, houtskool, verbrand leem en bot.

3.3 Resultaten Geologie en bodem De resultaten van de boringen zijn opgenomen in de vorm van boorprofielen en worden in bijlage 5 weergegeven. De opbouw van de bodem kan als volgt worden weergegeven: Tabel 3-1 Algemene bodemopbouw noordelijke en centrale deel van het plangebied Diepte (in cm -mv)

Samenstelling

Interpretatie

Vanaf maaiveld tot minimaal 45 en maximaal 60, gemiddeld 50. In het meest oostelijk gelegen agrarisch perceel wat dunner, tot gemiddeld 40

Grijsbruin en naar onderen toe donkerbruingrijs Aap1- en Aap2-horizont, plaggendek met huigekleurd, matig humeus, zwak siltig, zeer fijn dige bouwvoor zand

Tussen gemiddeld 50 en 70. In het meest oostelijk gelegen agrarisch perceel tussen gemiddeld 40 en 55

Plaatselijk bovenin nog donkerbruingeel en verder lichtbruingeel gekleurd, plaatselijk bovenin zwak humeus, zwak siltig, zeer fijn zand

Plaatselijk nog een dun restant van een Bhehorizont maar veelal direct de BC-horizont van de van nature gevormde veldpodzolbodem

Vanaf gemiddeld 55/70 tot minimaal 120 (minimale einddiepte boringen)

Variërend van lichtbruin, lichtgeel en naar onderen toe lichtgeelgrijs, lichtgrijsgeel tot lichtgrijs gekleurd, zwak siltig, zeer fijn zand, goed gesorteerd en afgeronde zandkorrels

C-horizont, dekzandafzettingen

De boringen in het noordelijke en centrale deel van het plangebied (boringen 1 t/m 54) laten een bodemopbouw zien bestaande vanaf het maaiveld uit een minimaal 45 en maximaal 60 cm dik plaggendek, in de vorm van grijsbruin en naar onderen toe donkerbruingrijs gekleurd, matig humeus, zwak siltig, zeer fijn zand. Dit plaggendek betreft verder een huidige bewerkte bouwvoor (Aap1-horizont), welke tijdens het zetten van de boringen ook zeer droog was (veldwerk is uitgevoerd na een periode van meerdere weken waarbij geen neerslag was gevallen), met hieronder nog een onverstoord deel (Aa2-horizont). In het meest oostelijk gelegen agrarisch perceel is het plaggendek wat dunner, tot gemiddeld 40 cm -mv en bij enkele boringen betreft de humeuze bovengrond de huidige/agrarisch bewerkte bouwvoor (dun plaggendek). Bij iet minder dan tweederde van de boringen bevindt zich onder het plaggendek, tussen gemiddeld 50 en 70 cm -mv en in het meest oostelijk gelegen agrarisch perceel tussen gemiddeld 40 en 55 cm -mv, donkerbruingeel en verder lichtbruingeel gekleurd, plaatselijk bovenin zwak humeus, zwak siltig, zeer fijn zand. Dit betreft nog een restant van de van nature gevormde veldpodzolbodem, waarbij het plaatselijk nog gaat om een dun restant van een Bhe-horizont dan wel direct de BChorizont (zie figuur 17a).

19070.001 & 19070.004 versie 2

23 / 30

De boringen waar nog een restant van de van nature gevormde veldpodzolbodem is waargenomen, liggen verder verspreid binnen het noordelijke en centrale deel van het plangebied. Vanaf gemiddeld 55/70 cm -mv bevindt zich de C-horizont, bestaande uit variërend van lichtbruin, lichtgeel en naar onderen toe lichtgeelgrijs, lichtgrijsgeel tot lichtgrijs gekleurd, zwak siltig, zeer fijn zand. De goede sortering en afgeronde zandkorrels zijn kenmerkend voor dekzandafzettingen. Bij ongeveer eenderde van en ook verspreid gelegen boringen (zie figuur 17a) zijn restanten van de van nature gevormde veldpodzolbodem niet waargenomen en betreft het aanwezige bodemprofiel een plaggendek met direct hieronder de C-horizont. Bij deze boringen is echter geen sprake van diepgaande verstoringen. Alleen bij de boringen is een 16, 41 en 42 is een dikker pakket aan geroerde/gevlekte lagen humeuze grond aangetroffen. Meest waarschijnlijk gaat het om dempingsmateriaal in voorheen aanwezige ondiepe ontwateringsgreppels. Historisch kaartmateriaal laat zien dat er in de 19e eeuw sprake was van veel meer perceelscheidingen/perceleringsgreppels langs vele smalle percelen akkerland (zie bijvoorbeeld kaart 11).

Met de huidige blok verkaveling betekend dat dat er al vele vermoedelijk voorheen aanwezige perceleringsgreppels zullen zijn gedempt/dichtgeschoven met een laag humeuze grond vanaf/langs de randen van de percelen akkerland. Er zijn geen aanwijzingen dat er sprake van is van een aangesloten terreindeel van enige omvang met een (modern) verstoorde bodemopbouw. Tabel 3-2 Bodemopbouw zuidelijk gelegen terreindelen Diepte (in cm -mv)

Samenstelling

Interpretatie

Vanaf maaiveld tot minimaal 30 en maximaal 45, gemiddeld 40, zeer plaatselijk enkele decimeters dikker

Donkergrijsbruin gekleurd, matig humeus, zwak Aap1- en Aap2-horizont, dan wel alleen een siltig, zeer fijn zand A(a)p-horizont, huidige bouwvoor. Matig dik plaggendek met huidige bouwvoor, dan een vrij dun agrarisch bewerkt plaggendek. Plaatselijk een dik plaggendek

Tussen gemiddeld 40 en 60

Plaatselijk bovenin nog donkerbruingeel en verder lichtbruingeel gekleurd, plaatselijk bovenin zwak humeus, zwak siltig, zeer fijn zand

Vooral in de zuidelijk gelegen terreindelen nog een dun restant van een Bhe-horizont met hieronder de BC-horizont, anders direct de BChorizont van de van nature gevormde veldpodzolbodem

Vanaf gemiddeld 60 tot minimaal 120 (minimale einddiepte boringen)

Variërend van lichtbruin, lichtgeel en naar onderen toe lichtgeelgrijs, lichtgrijsgeel tot lichtgrijs gekleurd, zwak siltig, zeer fijn zand, goed gesorteerd en afgeronde zandkorrels

C-horizont, dekzandafzettingen

De boringen gezet binnen de zuidelijk gelegen terreindelen (boringen 27 t/m 85) laten over het algemeen een matig dikke tot vrij dunne humeuze bovengrond/bovenlaag zien, tot minimaal 30 en maximaal 45 en gemiddeld 40 cm -mv. Dit matig dik tot vrij dun agrarisch bewerkt plaggendek, bestaat uit donkergrijsbruin gekleurd, matig humeus, zwak siltig, zeer fijn zand. Alleen bij de boringen 34, 36, 39, 64, 75 en 81 is het pakket humeuze grond/plaggendek dikker, ≥ 50 cm dik. Voor deze boringen dient wel rekening te worden gehouden dat het gedeeltelijk om omgebrachte humeuze grond kan gaan, ten behoeve van de huidige inrichting/het huidige gebruik als tuin van het meest oostelijk gelegen perceel.

19070.001 & 19070.004 versie 2

24 / 30

Ondanks de dunnere humeuze bovengrond is hieronder bij het merendeel van de boringen nog een intact restant van de van nature gevormde veldpodzolbodem aangetroffen (zie figuur 17b). Vooral in de zuidelijk gelegen terreindelen is nog sprake van een dun restant van een Bhe-horizont met hieronder de BC-horizont, anders is direct sprake van de BC-horizont van de van nature gevormde veldpodzolbodem. Ook het oorspronkelijke moedermateriaal betreft hier dekzandafzettingen. Bij enkele verspreid gelegen boringen (boringen 35, 36, 64, 67, 72, 74 en 83) is geen restant van de van nature gevormde veldpodzolbodem waargenomen en betreft het aanwezige bodemprofiel een Ap-/AaC-profiel, maar ook hier geldt dat er geen sprake is van diepgaande verstoringen. Archeologie In geen van de boringen zijn archeologische indicatoren waargenomen. Het gaat hier echter om een verkennend bodemonderzoek, dat zich richt op de bodemopbouw en mogelijke bodemverstoringen die de archeologische trefkans kunnen beïnvloeden en niet zo zeer op het onderzoeken op de aanwezigheid van archeologische vondsten en/of sporen.

Op basis van de aangetroffen deels intacte bodemopbouw geldt dat het archeologisch potentiële sporenniveau nog merendeels intact aanwezig is en dat sporen van permanente bewoning (landbouwers) nog wel merendeels intact kunnen worden aangetroffen, waarvoor nog een middelhoge verwachting geldt voor het plangebied.

4

CONCLUSIE EN ADVIES

4.1 Conclusie Op basis van het archeologisch bureauonderzoek heeft het plangebied een lage archeologische verwachting voor de perioden (Laat-)Paleolithicum t/m Midden-Neolithicum, Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd en een middelhoge verwachting voor de perioden Laat-Neolithicum t/m Vroege-Middeleeuwen. Het plangebied ligt namelijk binnen een grote dekzandvlakte met relatief weinig hoogteverschil. Tevens werd het gebied voorheen aangeduid als Nieuwe Erven, een term voor voorheen aanwezige gemeenschappelijke woeste gronden die verkocht zijn om ze te ontginnen. Hierna is een ontginningsdek/plaggendek aangebracht, waardoor zogenaamde laarpodzolgronden worden verwacht. Voor zowel jager-verzamelaars als voor Landbouwers zal het plangebied niet zozeer ongeschikt zijn geweest voor (tijdelijke) bewoning, maar bewoning uit eerdere perioden, voordat het gebied werd ontgonnen, zal juist eerder hebben plaatsgevonden op de ten zuiden/zuidoosten dan wel de verder ten noorden en relatief hoger gelegen dekzandruggen en -glooiingen, waar landschappelijk gezien gunstigere condities golden voor (permanente) bewoning. Ten aanzien van steentijdvindplaatsen uit de perioden (Laat)Paleolithicum t/m Midden-Neolithicum (jagers-verzamelaars) is de kans vrij groot dat deze zijn verstoord tijdens de ontginningen van het gebied.

Geraadpleegd historisch kaartmateriaal laat verder geen aanwijzingen zien dat binnen dan wel nabij het plangebied historische huisplaatsen/erven hebben gelegen. Het heeft gedurende de laatste 200 jaar binnen een rationeel verkaveld agrarisch gebied gelegen.

19070.001 & 19070.004 versie 2

25 / 30

De resultaten van het verkennend booronderzoek laten zien dat dat er binnen het plangebied over het algemeen geen diepgaande moderne bodemverstoringen hebben plaatsgevonden. In het noordelijke en centrale deel van het plangebied is sprake van een matig dik tot dik plaggendek (gemiddeld circa 40 tot 50 cm dik), in de zuidelijk gelegen terreindelen is een vrij dun tot matig dik agrarisch bewerkt plaggendek (tot minimaal 30 en maximaal 45 en gemiddeld tot 40 cm -mv). Wel is bij het merendeel van de gezette boringen binnen het totale plangebied nog een intact restant van de van nature gevormde veldpodzolbodem aangetroffen, waarbij het plaatselijk en vooral in de meest zuidelijk gelegen terreindelen nog gaat om een dun restant van een Bhe-horizont met hieronder een BC-horizont. Anders is direct sprake van de BC-horizont. De overgang naar de C-horizont bevindt zich op een diepte van gemiddeld 55/70 cm -mv (noordelijke en centrale deel van het plangebied) en 60 cm -mv (zuidelijk gelegen terreindelen). De van nature gevormde veldpodzolbodem heeft zich gevormd in de top van de dekzandafzettingen. Bij ongeveer eenderde van en ook verspreid gelegen boringen zijn restanten van de van nature gevormde veldpodzolbodem niet waargenomen en is sprake van een AC-profiel. Bij deze boringen is geen sprake van diepgaande verstoringen.

De van nature gevormde veldpodzolbodem zal hier vermengd zijn geraakt tijdens het opbrengen van het plaggendek in combinatie met agrarische bewerking (ploegwerkzaamheden), maar de verwachting is dat de oorspronkelijke top van de C-horizont nog wel intact is. Afhankelijk van de dikte van het plaggendek, betreft het aanwezige bodemprofiel een laarpodzolgrond (matig dik plaggendek, tussen 30 en 50 cm dik) dan wel een hoge enkeerdgrond (plaggendek > 50 cm dik). Verder is duidelijk dat het archeologisch potentiële vondstniveau is aangetast, maar dat het potentiële sporenniveau nog merendeels intact aanwezig is. Archeologische sporen zullen goed zichtbaar zijn direct onder het plaggendek en merendeels bewaard zijn gebleven in het resterende deel van de van nature gevormde veldpodzolbodem. Dit betekent dat eventuele vuursteenvindplaatsen van jagers-verzamelaars (Paleolithicum t/m Midden-Neolithicum) zullen zijn verstoord, maar dat sporen van permanente bewoning (landbouwers) nog wel merendeels intact kunnen worden aangetroffen. Dit geldt ook voor de terreindelen waar geen restant van de van nature gevormde veldpodzolbodem is aangetroffen, maar waar waarschijnlijk wel de oorspronkelijke top van de C-horizont nog intact is, waardoor zeker dieper doorlopende archeologische sporen (indien aanwezig) nog wel bewaard zullen zijn gebleven.

Er zijn geen aanwijzingen dat er sprake van is van een aangesloten terreindeel van enige omvang met een (modern) verstoorde bodemopbouw. Geconcludeerd wordt dat op basis van de resultaten van het booronderzoek, waarbij er sprake is van een deels intacte bodemopbouw/er géén te begrenzen deelgebieden van enige omvang aanwezig zijn waar reeds diepgaande recent verstoorde bodemopbouw hebben plaatsgevonden, de middelhoge verwachting op het voorkomen van archeologische resten en sporen uit de perioden Laat-Neolithicum t/m Vroege-Middeleeuwen behouden blijft. Voor de perioden (Laat-)Paleolithicum t/m Midden-Neolithicum, Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd blijft de verwachting laag. Archeologische sporen en in situ gelegen resten van Landbouwers kunnen direct onder het (matig) dikke plaggendek dan wel de agrarisch bewerkte bouwvoor worden aangetroffen (vanaf circa 35/60 cm -mv). Archeologische sporen zullen meest duidelijk zichtbaar zijn in de BC-horizont en op de overgang naar de C-horizont, op een diepte tussen circa 40 en 60 cm -mv. Mocht er worden overgegaan tot het realiseren van nieuwbouwwoningen, waarbij gebouwd gaat worden “op staal” (staalfundering op het gele zand (top van de C-horizont)), zullen eventueel aanwezige archeologische waarden worden verstoord. Vervolgonderzoek zal binnen het plangebied bij deze ontwikkelingen dan ook noodzakelijk zijn.

19070.001 & 19070.004 versie 2

26 / 30

4.2 Advies Op grond van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO-O) wordt door Econsultancy de aanbeveling gedaan om binnen het gehele plangebied een vervolgonderzoek te laten uitvoeren, mocht er daadwerkelijk worden overgegaan tot het realiseren van nieuwbouwwoningen. Er is sprake van een merendeels intacte laarpodzolgrond dan wel een hoge enkeerdgrond, waarbij het archeologisch potentiële sporenniveau waarschijnlijk nog merendeels intact aanwezig is en daarmee het plangebied zijn middelhoge verwachting behoudt op nog in situ aanwezige archeologische waarden uit de perioden Laat-Neolithicum t/m Vroege-Middeleeuwen. Geadviseerd wordt het vervolgonderzoek te laten uitvoeren in de vorm van een waardestellend proefsleuvenonderzoek. Het doel hiervan dient te zijn de intactheid, spreiding, diepte en mate van verstoring van archeologisch kansrijke niveaus in kaart te brengen en op basis daarvan inzichtelijk te maken wat de consequenties zijn van de voorgenomen plannen op mogelijke archeologische resten. Voor dit onderzoek dient een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen te zijn opgesteld, waarin is vastgelegd waaraan het onderzoek moet voldoen.

Selectieadvies bevoegde overheid Dit advies is voorgelegd aan het bevoegd gezag in kwestie, Burgemeester en Wethouders van de gemeente Bernheze, en door middel van een selectiebesluit als zodanig bekrachtigd (beoordeling archeologisch rapport door mevrouw K. Kersten, Adviseur archeologie Monumentenhuis Brabant b.v., d.d. 14 februari 2024). Met bovenstaand advies om vervolgonderzoek te doen uitvoeren binnen het gehele plangebied in de vorm van proefsleuven, wordt niet ingestemd. Monumentenhuis Brabant sluit zich aan bij het advies van Kragten (zie bijlage 6) en adviseert dat de gebieden met een volgens de archeologische beleidskaart lage verwachting worden vrijgegeven voor de voorziene planontwikkeling en (bouw)vergunning wordt verleend door de Gemeente Bernheze onder voorwaarde, dat bij eventuele toevalsvondsten hiervan melding wordt gedaan conform art. 5.10 van de Erfgoedwet, die vanaf 1 juli 2016 van kracht is. Dit kan telefonisch bij het Meldpunt Provinciaal Depot Bodemvondsten Noord-Brabant (tel. 06-18303225). Dit advies geldt tevens voor de gebieden met een volgens de archeologische beleidskaart middelhoge verwachting, maar waar een sprake is van een verstoord profiel. Slechts voor het zuidoostelijke deel van het plangebied wordt geadviseerd vervolgonderzoek te doen uitvoeren in de vorm van proefsleuven (zie bijlage 6).

Hiervoor dient een Programma van Eisen worden opgesteld.

19070.001 & 19070.004 versie 2

27 / 30

LITERATUUR Amersfoort, H. & P.H. Kamphuis, 1990: Mei 1940. De strijd op Nederlands grondgebied. ‘s- Gravenhage. Bakker, H. de & W.P. Locher, 1990: Bodemkunde van Nederland. Deel 2: Bodemgeografie. Malmberg, Den Bosch. Berendsen, H.J.A. 2008: Fysische Geografie van Nederland, deel 1: De vorming van het land. Inleiding in de geologie en de geomorfologie. Van Gorcum, Assen. Beusink, A., 2011: Gemeente Bernheze: archeologische verwachtings- en beleidskaart. BAAC rapport V-09.0195. BAAC BV, ’s-Hertogenbosch. Bosch, J.H.A., 2005: Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode, Versie 5.2. Utrecht (TNO-rapport, NITG 05-043-A). Jong, L. de, 1969-1994: Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. ‘s- Gravenhage. Klep C. & B. Schoenmaker, 1995: De Bevrijding Van Nederland 1944-1945 - Oorlog op de flank. Den Haag. Locher, W.P. & Bakker, H. de, 1990: Bodemkunde van Nederland. Deel 1: Algemene bodemkunde. Malmberg Den Bosch, 2e druk. Louwe Kooijmans,. L.P., P.W. van den Broeke, H. Fokkens, A. van Gijn (red.), 2005: Nederland in de prehistorie. Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam. Maas, G.J., Delft, S.P.J. van & Heidema, A.H., 2017: Toelichting bij de legenda Geomorfologische kaart van Nederland 1:50 000 (2017). Web publication/site, Wageningen Environmental Research. http://legendageomorfologie.wur.nl. Mulder, E.F.J.

de, Geluk, M.C., Ritsema, I.L., Westerhoff, W.E., Wong, T.E. 2003: De ondergrond van Nederland. Wolters-Noordhoff, Groningen. Stichting voor Bodemkartering, 1976: Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000, blad 45 Oost/ ‘s-Hertogenbosch. Vries, F. de, Groot, W. J. M. de, Hoogland, T., & Denneboom, J., 2003: De Bodemkaart van Nederland digitaal; toelichting bij inhoud, actualiteit en methodiek en korte beschrijving van additionele informatie. Alterrarapport; No. 811, Alterra. https://edepot.wur.nl/21850. Wageningen Environmental Research, 2017: Geomorfologische Kaart van Nederland (2017), schaal 1:50.000. Zwanenburg G.J., 1990: En nooit was het stil - Kroniek van een luchtoorlog. Emmen.

19070.001 & 19070.004 versie 2

28 / 30

BRONNEN Aalst, J.W. van (2021) ‘OpenTopo.nl’. Available at: https://www.imergis.nl/asp/opentopo400.htm AHN; internetsite, mei 2022. http://www.ahn.nl Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort, mei 2022. https://archis.cultureelerfgoed.nl Beeldbank Rijksdienst voor het Cultureel erfgoed; internetsite, mei 2022. http://www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl Bodemloket, internetsite, mei 2022. http://www.bodemloket.nl Brabant.nl; internetsite, mei 2022. https://noord-brabant.maps.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id=1dab0b45b3234fffa8090a4bc8ae06f8 Brabants Historisch Informatiecentrum; internetsite, mei 2022. http://www.bhic.nl Cultuurhistorische Waardenkaart van de Provincie Noord-Brabant; internetsite, mei 2022. http://www.brabant.nl/kaarten.aspx Dinoloket; internetsite, mei 2022. http://www.dinoloket.nl/ Indicatieve kaart Militair Erfgoed; internetsite, mei 2022. http://www.ikme.nl/ Kadaster, Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) (2014) ‘BAG WFS’. Available at: https://www.nationaalgeoregister.nl/geonetwork/srv/dut/catalog.search#/metadata/1c0dcc64-91aa-4d44-a9e3-54355556f5e7 Kadaster, Basisregistratie Kadaster (BRK) (2013) ‘Kadastrale Kaart v4 WFS’. Available at: https://www.nationaalgeoregister.nl/geonetwork/srv/dut/catalog.search#/metadata/ff9315c8-f25a-4d01-9245-5cf058314ebf.

Kadaster, Basisregistratie Topografie (BRT) (2021) ‘TOP25raster’. Available at: https://www.nationaalgeoregister.nl/geonetwork/srv/api/records/44061dee-c6cf-4a94-8513-7370867ad32e.

19070.001 & 19070.004 versie 2

29 / 30

Kadaster, Landelijke Voorziening Beeldmateriaal (2021) ‘Luchtfoto Beeldmateriaal / PDOK RGB 25cm en 7,5cm WMTS’. Available at: https://www.nationaalgeoregister.nl/geonetwork/srv/dut/catalog.search#/metadata/c82a783a-9a58-4761-a809-b4c5d90dcd35. NGR/Wageningen Environmental Research (2018), ‘BRO - Bodemkaart van Nederland 1:50.000’ internetsite, mei 2022. https://nationaalgeoregister.nl/geonetwork/srv/dut/catalog.search;jsessionid=11F26FB095C4D0E1D6AC7C8A4B52D94D#/metadata/ed960299-a147-4c1a-bc57-41ff83a2264f. NGR/Wageningen Environmental Research (2019) BRO - Geomorfologische Kaart van Nederland 1:50:000, internetsite, mei 2022. https://nationaalgeoregister.nl/geonetwork/srv/dut/catalog.search#/metadata/459231d0-7379-4f26-a4447616e1d888f0. Portaal voor ruimtelijke plannen; internetsite, mei 2022. http://www.ruimtelijkeplannen.nl/web-roo/roo/ Publieke Dienstverlening Op de Kaart (PDOK); internetsite, mei 2022. https://pdokviewer.pdok.nl Ruimingskaart; internetsite, mei 2022. http://www.beobom.nl/ruimingskaart/ SIKB; internetsite, mei 2022. https://www.sikb.nl Topotijdreis: 200 jaar topografische kaarten; internetsite, mei 2022. https://www.topotijdreis.nl Wageningen University & Research – Geoportal: internetsite, mei 2022. https://library.wur.nl/WebQuery/geoportal/raf VEO Bommenkaart; internetsite, mei 2022. http://www.explosievenopsporing.nl/veo-bommenkaart/

19070.001 & 19070.004 versie 2

30 / 30

KAARTEN

Kaart 1.

Het plangebied op de topografische kaart

Kaart 2.

Detailkaart van het plangebied

Kaart 3.

Het plangebied op een luchtfoto

Kaart 4.

Situering van het plangebied binnen de archeologische beleidskaart van de gemeente Bernheze

Kaart 5.

Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart van Nederland

Kaart 6.

Situering van het plangebied binnen het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN)

Kaart 7.

Situering van het plangebied binnen de Bodemkaart van Nederland

Kaart 8.

Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied met als achtergrond het AHN

Kaart 9.

Situering van het plangebied binnen de Kadastrale kaart uit 1811-1832 (Minuutplan)

Kaart 10.

Situering van het plangebied binnen de Militaire topografische kaart uit 1868 (Bonneblad)

Kaart 11.

Situering van het plangebied binnen de Militaire topografische kaart uit 1899 (Bonneblad)

Kaart 12.

Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 1956

Kaart 13.

Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 1967

Kaart 14.

Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 1978

Kaart 15.

Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 1988

Kaart 16.

Boorpuntenkaart met als achtergrond de luchtfoto

Kaart 17a.

Resultaten van het booronderzoek noordelijke en centrale deel van het plangebied

Kaart 17b.

Resultaten van het booronderzoek zuidelijk gelegen terreindelen

BIJLAGEN

Bijlage 1

Ouderdom in jaren

Overzicht geologische en archeologische tijdvakken

Chronostratigrafie

MIS

Holoceen 11.755 12.745 13.675 14.025

LaatWeichselien (LaatGlaciaal)

15.700

1 Late Dryas (koud) Allerød (warm) Vroege Dryas (koud) Bølling (warm)

Lithostratigrafie Formaties: Naaldwijk (marien), Nieuwkoop (veen), Echteld (fluviatiel)

2

LaatPleniglaciaal 29.000

50.000

MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)

MiddenPleniglaciaal VroegPleniglaciaal

3

Formatie van Kreftenheye

Formatie van Boxtel

4

75.000

VroegW eichselien (VroegGlaciaal) 115.000 130.000

370.000 410.000

5a 5c 5d

Eemien (warme periode)

5e

Saalien (ijstijd)

6

Holsteinien (warme periode)

Formatie van Beegden

5b

Eem Formatie Formatie van Drente

Formatie van Urk

Elsterien (ijstijd) 475.000

Cromerien (warme periode) 850.000

Pre-Cromerien 2.600.000

Formatie van Sterksel

Formatie van Peelo

Cal. jaren v/n Chr. 1950

14

C jaren

Chronostratigrafie

Pollen zones

0

Vb2

1500

Subatlanticum koeler vochtiger

450 0 12

Vb1 Va

Vegetatie Loofbos eik en hazelaar overheersen haagbeuk veel cultuurplanten rogge, boekweit, korenbloem

Archeologische perioden Nieuwe tijd Middeleeuwen Romeinse tijd IJzertijd

800 815

2650

IVb Subboreaal koeler droger

2000

3755

IVa

5000

4900

5300

7020

8240

Atlanticum warm vochtig

III

Boreaal warmer

II

Preboreaal warmer

I

8000

9000

8800 11.755

10.150

12.745

10.800

13.675

11.800

14.025

12.000

15.700

13.000

LaatWeichselien (LaatGlaciaal)

Late Dryas

LW III

Allerød

LW II

Vroege Dryas LW I Bølling

35.000

Loofbos eik en hazelaar overheersen beuk>1% invloed landbouw (granen)

Bronstijd

Neolithicum

Loofbos eik, els en hazelaar overheersen in zuiden speelt linde een grote rol den overheerst hazelaar, eik, iep, linde, es eerst berk en later den overheersend

Mesolithicum

parklandschap dennen- en berkenbossen open parklandschap open vegetatie met kruiden en berkenbomen

MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)

perioden met een poolwoestijn en perioden met een toendra

VroegWeichselien (VroegGlaciaal)

perioden met bos en perioden met een subarctisch open landschap

Laat-Paleolithicum

75.000

115.000 130.000

Eemien (warme periode)

Midden-Paleolithicum loofbos

Saalien (ijstijd) 300.000

Vroeg-Paleolithicum Chronostratigrafie voor Noordwest-Europa volgens Zagwijn (1974), Vandenberghe (1985) en De Mulder et al. (2003). Lithostratigrafie volgens De Mulder et al. (2003). Mariene isotoop stadium (MIS) volgens Bassinot et al. (1994). Atmosferische data volgens Stuiver et al. (1998). Zuurstofisotoop calibratie (OxCal) versie 3.9 Bronk Ramsey (2003), toegepast op het Laat-Weichselien en het Holoceen. Archeologische periode-indeling en ouderdom volgens de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB). Vegetatie bewerkt volgens Berendsen (2000). Pollenzones volgens P. Vos & P. Kiden (2005).

Bijlage 2

Bewoningsgeschiedenis van Nederland

Als aanvullende informatie wordt hieronder een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland weergegeven. Paleolithicum (tot circa 8800 v. Chr.) De vroegste bewoningssporen in Nederland uit deze periode dateren uit de voorlaatste ijstijd, circa 300.000130.000 jaar geleden. Waarschijnlijk hebben in de koudste fasen van de ijstijden in Nederland geen mensen geleefd. Daarentegen was bewoning in de warmere perioden wel mogelijk. De mensen die hier toen leefden trokken als jagers/vissers/verzamelaars rond in kleine groepen en maakten gebruik van tijdelijke kampementen. Veranderingen in het klimaat zorgden voor een veranderende flora en fauna. Tijdens de koude perioden bestond het groot wild onder meer uit rendieren, mammoeten, paarden en steppewisenten. Vooral op paarden en rendieren werd in het Laat-Paleolithicum intensief jacht gemaakt. Tijdens de warmere perioden werd er onder andere op herten, wilde zwijnen en oerossen gejaagd. Mesolithicum (circa 8800-4900 v. Chr.) Rond de overgang van het Pleistoceen naar het Holoceen (circa 9000 v. Chr.) verbeterde het klimaat voor een langdurige periode. De gemiddelde temperatuur steeg, waardoor de variatie in flora en fauna (o.a. bosontwikkeling) toenam. De mens kreeg nu de mogelijkheid om meer gevarieerd te eten: vruchten en andere eetbare gewassen stonden nu vaker op het menu.

Doordat de temperatuur steeg, trok het groot wild (met name rendieren) naar het noorden, en maakte plaats voor meer territoriumgebonden klein wild, vogels en vissen. Door deze veranderende leefomstandigheden werd de jachttechniek aangepast. De vuursteen bewerkingstechniek hield met deze ontwikkeling gelijke tred. Er werden kleine vuursteenspitsen vervaardigd die als pijl- en harpoenpunt werden gebruikt. Met de stijging van de temperatuur begon het landijs te smelten en de zeespiegel te stijgen. Het tot dan toe droge Noordzee-Bekken kwam onder water te staan. De groepen jagers/vissers/verzamelaars wisselden nog wel van locatie maar exploiteerden kleinere gebieden. In het voorjaar viste men in de rivieren, tijdens de zomer leefde men voornamelijk langs de kust, waar naast vis en schaaldieren ook zeehonden als voedselbron dienden. In de herfst verzamelde men noten en vruchten, terwijl in de winter op onder meer pelsdieren werd gejaagd. Neolithicum (circa 5300-2000 v. Chr.) Aan het begin van deze periode gingen het jagen, vissen en verzamelen een steeds minder belangrijke rol spelen. Men ging nu zelf cultuurgewassen telen en dieren houden bij het kamp.

Uit vondsten valt af te leiden dat het om twee groepen mensen gaat, enerzijds kolonisten met een vrijwel agrarische levenswijze, anderzijds om de autochtone mesolitische bevolking die een half agrarische levensstijl erop na gaat houden. Deze verandering ging gepaard met enkele technologische en sociale vernieuwingen zoals: het wonen op een vaste plek in een huis, het gebruik van vaatwerk van (gebakken) klei en de introductie van geslepen stenen dissels en bijlen. De bevolking groeide nu gestaag, mede door de productie van overschotten. Uit het Neolithicum zijn verschillende nu nog zichtbare grafmonumenten bekend, te weten grafkelders, hunebedden en grafheuvels.

Bronstijd (circa 2000-800 v. Chr.) Het begin van dit tijdvak valt samen met het eerste gebruik van bronzen voorwerpen zoals bijlen. Vuurstenen werktuigen bleven, zij het minder, in gebruik. Het aardewerk uit deze periode is over het algemeen tamelijk zeldzaam. Vuursteenmateriaal uit de Bronstijd is meestal niet goed te onderscheiden van dat uit andere perioden. Lange tijd bleven bronzen voorwerpen zeer schaars binnen Nederlands grondgebied. Door het van nature ontbreken van de benodigde grondstoffen moest het brons worden geïmporteerd en ontstonden er handelscontacten over langere afstanden. Eén en ander had wel tot gevolg dat er binnen de bevolking grotere verschillen ontstonden door verschillen op basis van bezit. De grafheuveltraditie, die tijdens het Neolithicum haar intrede deed, werd in eerste instantie voortgezet, maar rond 1200 v. Chr. vervangen door begravingen in urnenvelden. Het gaat hier om ingegraven urnen met crematieresten waar overheen kleine heuveltjes werden opgeworpen, omgeven door een greppel. Een Kopertijd voorafgaand aan de Bronstijd wordt in Noordwest-Europa niet onderscheiden, in tegenstelling tot bijvoorbeeld het Middellandse Zeegebied. Wel zijn uit het Laat-Neolithicum koperen voorwerpen bekend. IJzertijd (circa 800-12 v. Chr.) In deze periode werden voor het eerst ijzeren voorwerpen vervaardigd.

Voor de productie van werktuigen en wapens werd brons vervangen door ijzer. Er ontstond een inheemse ijzerproductie. Het gebruik van vuursteen voor het vervaardigen van werktuigen duurde nog in beperkte mate voort. Ten opzichte van de Bronstijd traden er in de aardewerktraditie geen radicale veranderingen op. Evenals in het Neolithicum en de Bronstijd woonden de mensen in verspreid liggende hoeven ('Einzelhöfe') of in nederzettingen bestaande uit maar enkele huizen; deze werden in een beperkt gebied nogal eens verplaatst. Op de hogere zandgronden ontstonden uitgebreide omwalde akkercomplexen (raatakkers). Opvallend zijn de verschillen in materiële welstand (bezit van metalen voorwerpen), die mogelijk op sociale ongelijkheid duiden. In de zogenaamde vorstengraven uit Zuid-Nederland, met daarin luxe, geïmporteerde bijgaven, zijn vermoedelijk lokale of regionale autoriteiten begraven. De meeste begravingen vonden nog immer plaats in urnenvelden. Tijdens de IJzertijd werd het Friese kustgebied gekoloniseerd en ontstonden de eerste terpen. Romeinse tijd (circa 12 v. Chr. - 450 n. Chr.) Met de komst van de Romeinen eindigt de prehistorie en begint de geschreven geschiedenis. Aangezien de schriftelijke bronnen slechts een zeer fragmentarisch beeld schetsen, is men toch nog in belangrijke mate aangewezen op de archeologie als informatiebron.

Een tijd lang diende het Nederlandse rivierengebied als uitvalsbasis voor veldtochten in het noorden van Germanië. In 47 n. Chr. werd de Rijn definitief als Romeinse rijksgrens ingesteld. Ter controle en verdediging van deze zogenaamde 'limes' werden langs de Rijn, tot diep in Duitsland, 'castella' (militaire forten) gebouwd. De inheemse manier van leven handhaafde zich nog lange tijd. Wel werd, vooral na de opstand van de Bataven tegen de Romeinse overheersers in 69-70 n. Chr., de Romeinse invloed steeds duidelijker. In veel inheems-Romeinse nederzettingen was bijvoorbeeld, naast het eigen handgevormde aardewerk, Romeins importaardewerk in gebruik, dat op de draaischijf was vervaardigd. Er werden, vooral in Limburg, grootse villa's (Romeinse herenboerderijen) gebouwd, hetzij nieuw gesticht, hetzij ontwikkeld vanuit een bestaande inheemse nederzetting.

De Romeinen legden een voor die tijd al uitgebreide infrastructuur aan, waardoor het gebied steeds beter werd ontsloten. Op verschillende plaatsen ontstonden aanzienlijke nederzettingen, waarvan er enkele met een stedelijk karakter (zoals Nijmegen). De inheemse bevolking, ten noorden van de Limes, werd niet zo sterk beïnvloed door de Romeinse aanwezigheid. Er was wel sprake van handelscontacten en het uitwisselen van geschenken. In de tweede helft van de derde eeuw ontstond, onder meer door invallen van Germaanse stammen, een instabiele situatie die met korte onderbrekingen voortduurde tot in de vijfde eeuw. Uiteindelijk leidde dit in het jaar 406 tot de definitieve ineenstorting van de grensverdediging langs de Rijn. Middeleeuwen (circa 450-1500 n. Chr.) Over de Vroege-Middeleeuwen, vooral over het tijdvak 450-600 n. Chr., is relatief weinig bekend. Zowel historische bronnen als archeologische overblijfselen zijn schaars. De bevolkingsomvang was ten opzichte van de voorafgaande periode sterk afgenomen. De marktgerichte economie verdween en de mensen vielen terug op zelfvoorziening. De politieke macht was na het wegvallen van de Romeinse staatsorganisatie in handen gekomen van regionale en lokale hoofdlieden. Een gezaghebbende status was nu vooral gebaseerd op militair succes en materiële welstand.

Deze instabiele periode wordt ook wel aangeduid als de 'tijd van de volksverhuizingen'. Vanaf de 10e – 11e eeuw wordt een overheersende positie van de al dan niet adellijke grootgrondbezitters waargenomen. Dit vertaalt zich in nieuwe nederzettingsvormen als mottes, kastelen en versterkte hoeven. In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei, en mede dankzij gunstige klimatologische omstandigheden, werd een begin gemaakt met het ontginnen van woeste gronden als bos, heide en veen. Veel van de huidige dorpen en steden dateren uit deze periode. Door de aanleg van dijken en kaden werden laaggelegen gebieden beschermd tegen wateroverlast. De heersende rivaliteit tussen de vorsten leidde, in combinatie met een zwak centraal gezag, veelvuldig tot lokaal geweld, waarvan de bevolking vaak het slachtoffer werd. Door het aanleggen van burgen, schansen, landweren en wallen trachtte men zich te beveiligen. Nieuwe tijd (1500-heden) De Nieuwe tijd kenmerkt zich door een groot aantal veranderingen vooral op het gebied van mens- en wereldbeeld. Er is sprake van een Europese overzeese expansie wat leidt tot handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie. Er ontstaat een nieuwe wetenschappelijke belangstelling die resulteert in vele uitvindingen. Deze uitvindingen vormen de motor van de industriële revolutie. Er ontstaat een nationale staat die centraal bestuurd wordt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Bernheze&id=ddfbaa80-98ff-4558-8b6c-479d32ba0774