Segment 00005 of Bijlage 4 Toelichting inclusief bijlagen bij Herstelbesluit bestemmingsplan Heesch West
Tekst van het document
122
-
1392
122
-
1393
122
-
1394
Aan de oostzijde van het bedrijventerrein is geen groene buffer voorzien. De grond die hiervoor oorspronkelijk bedoeld was, is intussen bestemd voor een zonnepark. Anders dan wordt gesteld, kan een dergelijk industrieel zonnepanelenpark uiteraard niet dienen als 'buffer' ten opzichte van het bedrijventerrein. Reclamant verzoekt om het plan aan te passen zodat aan deze zijde van het bedrijventerrein ook een voldoende brede groenstrook wordt opgenomen op de verbeelding. Zie thema Ruimtelijke kwaliteit. Aan de zuidzijde van het plangebied is een relatief smalle groeninpassing aanwezig is, vergeleken met brede groenstrook middenin plangebied. Daarbij worden aan de zuidzijde ook bedrijfsbestemmingen ontwikkeld wat volgens reclamant zorgt voor een significant negatief effect. Reclamant verzoekt de gemeente om deze groenzone robuuster (breder) te ontwikkelen en af te zien van bedrijfsbestemmingen langs de Zoggelsestraat en Koksteeg. Zie thema's Ruimtelijke kwaliteit en Woon -en leefklimaat. Volgens reclamant is bij het zonnepark in de zuidwestzijde van het landschapspark sprake van een verkeerde toepassing van multif unctioneel ruimtegebruik. Hier kunnen volgens het bestemmingsplan (grootschalige) zonneparken worden ontwikkeld ten koste van de natuur en de landschappelijke inpassing.
Reclamant benadrukt dat het landschapspark een afschermingsfunctie heeft, en de omgeving niet nóg meer belast moet worden met negatieve effecten binnen deze zone. Reclamant is van mening dat er voldoende dakoppervlakte is om zonnepanelen op te ontwikkelen. Reclamant verzoekt de gemeente de dubbelbestemming “Waarde - Zonnepark” achterwege te laten en in de groenzone geen zonneparken te ontwikkelen. Zie thema's Ruimtelijke kwaliteit en Duurzaamheid.
636
122
-
1395
122
-
1396
Reclamant is het niet eens met de bestemming 'Gemengd', die voor een kavel aan de Koksteeg nr. 18 is voorgesteld. Dit is in eerste instantie altijd aangekondigd als een ontwikkeling t.b.v. het bedrijventerrein zelf (waarbij reclamant als omwonende daar logischerwijs uitgingen van een interne ontsluiting via het bedrijventerrein). Nu betreft dit een ontsluiting vanaf de Koksteeg buiten het bedrijventerrein, waarbij de gemeente nu aangeeft dat deze Gemengde bestemming, met mogelijkheid tot een horecagelegenheid, meer bedoeld is voor het landschapspark en omgeving, dan voor het bedrijventerrein zelf. Daar komt bij dat het een horecabestemming betreft die zowel overdag als 's avonds geopend mag zijn, wat nog meer overlast betekent. Reclamant is van mening dat: 1. Als er een locatie met de functie ‘Gemengd’ wordt bestemd, deze uitsluitend op én via het bedrijventerrein dient te worden ontsloten. 2. Locatie met functie ‘Gemengd’ dient zich allereerst te richten op klandizie vanuit het bedrijventerrein. Het ‘landschapspark’ vormt hooguit een secundaire groep. 3. Reclamant verzoekt de functie ‘Gemengd’, in verband met verwachte overlast, enkel toe te staan voor daghoreca. 4. Het landschapspark heeft als hoofddoel het afschermen van bedrijventerrein met de omgeving. Recreatie zou slechts een secundair doel mogen zijn.
Het situeren van horecamogelijkheden nabij het landschapspark geeft de indruk dat dit park een aantrekkende functie voor recreatie mag krijgen, wat voor de omgeving naast de impact van het bedrijventerrein, nog meer impact oplevert. Zie thema's Ruimtelijke kwaliteit, Woon -en leef klimaat en Mobiliteit. Reclamant geeft aan dat binnen de bestemming Groen niet vast staat dat ook groen wordt gerealiseerd. Ten eerste mogen er onbeperkt gebouwen worden gebouwd tot een hoogte van 3 (soms van 5) meter en maximaal 30 m2 per stuk. Verder ontbreken voorwaardelijke verplichtingen die ervoor moeten zorgen dat hier een landschappelijke inpassing komt en in stand wordt gelaten. Reclamant verzoekt om de ongewenste bebouwing niet toe te staan en uit de planregels te verwijderen. Daarnaast het verzoek om een voorwaardelijke verplichting binnen een paar jaar na vaststelling op te nemen. Zie thema Ruimtelijke kwaliteit.
637
122
-
1397
122 190 1398
Reclamant stelt dat het zaak is de landschappelijke inpassing, met voldoende hoog en dicht afschermend groen, goed in de regels te borgen en deze binnen maximaal 1 jaar aan te leggen. Onder verwijzing naar de huidige voorwaardelijke verplichting in het plan (art. 5.4.2 en 5.4.3) merkt reclamant op dat een omgevingsvergunning de eerste 3 jaar gewoon kan worden verleend, zonder dat een landschappelijke inpassing gerealiseerd is. Bij die bedrijven kan niet meer worden afgedwongen dat er nog een landschappelijke inpassing komt. Dat is onaanvaardbaar en wordt niet gemotiveerd. Groen moet ook de tijd krijgen aan te slaan en hoogte te bereiken. Daarnaast merkt reclamant dat in artikel 5.4.2 wordt verwezen naar bijlage 4 (landschappelijk inrichtingsplan), welke bijlage nog niet beschikbaar is op www.ruimtelijkeplannen.nl. Reclamant geeft aan dat tevens de bergingscapaciteit voor water ontbreekt in de planregels. Het ontwerpbestemmingsplan voldoet dus niet aan de eisen van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening. In artikel 5.4.3 onder b van de planregels blijkt niet binnen welke termijn deze bepaling moet worden gerealiseerd, dit is dus een loze planregel. Ook de verwijzing naar een verordening van een andere gemeente dan de gemeente (Bernheze) waarin het terrein ligt, deugt niet. Verder zegt de planregel dat groene gevels of een dak ook meetellen voor de 10% norm. M.u.v.
de groene gevel doet dit niets om het bedrijf in te passen in de omgeving. Zie thema Ruimtelijke kwaliteit. Volgens reclamant leidt het bedrijventerrein met o.a. logistieke bedrijven tot een groot aantal verkeersbewegingen: reclamant leest in de stukken: circa 7.900 (vracht)verkeersbewegingen per etmaal. De toch al overvolle wegen zullen nog voller komen te staan. Door toedoen van het plan zal: - Het aantal f iles en opstoppingen op de A59 en toegangswegen nog verder toenemen; - Sluipverkeer nog meer in de hand worden gewerkt op wegen die daar niet voor geschikt zijn - Het nog onveiliger worden op de wegen rondom Heesch-West door o.a. een schrikbarend groot aantal vrachtwagenbewegingen per etmaal; - Een goede bereikbaarheid van onze woningen in gevaar komen en hier tevens zorgen voor waardedaling van onze woning; - De gezondheid van omwonenden verslechteren (toename fijnstof en Zie thema's Mobiliteit, Duurzaamheid, Kosten en baten en planschade, geluidsoverlast). Gezondheid, Luchtkwaliteit en Geluid.
638
122 190 1399
122
-
1400
Reclamant stelt dat de combinatie van de ontwikkeling van Heesch West met de ontwikkeling van Cereslaan West, en de hierbij sterke aanzuigende werking van (vracht)verkeersbewegingen door logistieke bedrijven, en door de realisatie van 'publieke functies' in het noordoosten van het plangebied (zoals fastfoodrestaurant, tankstation of carpoolplaats) voor onacceptabele risico's en overlast gaan zorgen in de omgeving, daar waar het gaat om geluid, (verkeers)veiligheid en gezonde leef omgeving.
Zie thema's Mobiliteit, Geluid en Gezondheid. Reclamant merkt op dat kennelijk ongewenste verkeerseffecten niet helemaal weg worden genomen, waar dit wel mogelijk is. Met afschuw en onbegrip leest reclamant in de plannen dat Bedrijfsbestemmingen en Activiteiten toe worden gelaten binnen het plangebied langs de Zoggelsestraat en de Koksteeg, echter zonder een interne ontsluiting via de Bosschebaan. Deze toekomstige bedrijven krijgen een ontsluiting buiten de interne ontsluitingsstructuur. Dit betekent een gigantische aantasting van een beoogde robuuste landschappelijke inpassing, maar ook extra verkeersoverlast voor omwonenden. Dit is ronduit een schoffering van de omwonenden, omdat: 1. Er altijd gecommuniceerd is dat de betreffende bestaande woningen zouden worden geamoveerd en er een goede (lees robuuste) landschappelijke inpassing zou plaatsvinden. 2. De gemeente nu willens en wetens puur voor eigen economisch belang gaat en de omgeving opzadelt met extra werkverkeer- en geluidsoverlast. 3. Daarbovenop nog een bestemming ‘Gemengd’ met mogelijkheid voor Horeca wordt voorgesteld voor een kavel aan de Koksteeg. Dit is in eerste instantie altijd aangekondigd als een ontwikkeling t.b.v. het bedrijventerrein zelf (waarbij reclamant als omwonende daar logischerwijs uitgingen van een interne ontsluiting).
Nu gaat het om een ontsluiting daarbuiten, en geeft de gemeente aan dat deze ‘Gemengde’ bestemming meer ten behoeve van het landschapspark en omgeving is, dan voor het bedrijventerrein zelf. 4. De omgeving zit niet te wachten op extra overlast buiten de reeds te verwachten significante beschreven overlast. Reclamant vindt dat het bedrijventerrein een interne ontsluitingsstructuur hoort te krijgen in een lus-vorm, waarbij de uiteinden van de lus alleen aansluiten op de Zie thema's Ruimtelijke kwaliteit, Proces en participatie, Geluid, Bosschebaan en dan naar de A59. Mobiliteit en Woon -en leefklimaat.
639
122
-
1401
122
-
1402
In de toelichting en in het akoestisch onderzoek ten behoeve van de f acetplannen wordt uitgegaan van een afsluiting van de Koksteeg voor gemotoriseerd verkeer en een af waardering daarvan tot fietspad. Hierin kan reclamant zich vinden. Echter, de afsluiting van de Koksteeg is ten onrechte niet in de planregels geborgd via een voorwaardelijke verplichting, iets wat wel noodzakelijk is gezien de toezegging van de gemeente en het f eit dat dit als uitgangspunt in het akoestisch onderzoek is meegenomen. Indien de gemeenteraad dit niet borgt in de planregels stelt reclamant dat het uitgevoerde akoestisch onderzoek niet in deze vorm ten grondslag kan worden gelegd aan de plannen, aangezien dit onderzoek niet is gestoeld op een maximale planologische invulling van de planregels. Zie thema Mobiliteit. Reclamant vindt het bijzonder dat in het plan een zoekgebied is opgenomen waarin twee varianten zijn opgenomen voor een nieuwe verbindingsweg tussen Weerscheut en Koksteeg. Reclamant geeft aan dat dit een voor de omgeving belangrijk onderdeel van het plan is. Reclamant betreurt het dat niet gereageerd kan worden op een uitgewerkt plan voor de verbindingsweg. De te verwachten hoeveelheid verkeer en daarmee geluid, licht en verstoring van het nu rustige buitengebied gaat de waardevolle Ruitersdam volgens reclamant onherstelbaar aantasten.
De noordelijk gelegen variant vermindert de verstorende effecten. In dat kader geeft reclamant de volgende verwachtingen mee ten aanzien van deze ontsluitingsweg: 1. Een doorkruising van de afschermende werking van het landschapspark is ongewenst. Reclamant stelt voor de weg aan de noordelijke rand van het landschapspark aan te leggen, op de overgang van park en bedrijven. 2. De huidige geschetste noordelijke route ligt nog te ver zuidelijk en kan dichter langs bedrijfsbebouwing komen te liggen. Het is voor reclamant onbegrijpelijk waarom er niet op voorhand is gekozen voor een variant die recht doet aan de zorgen, belangen en gezondheid van bewoners. 3. Reclamant wenst geen onnodige aantrekkingskracht en verzoekt de beschikbare parkeerplaatsen t.b.v. ‘recreatie’ te minimaliseren, en te situeren aan de nieuwe ontsluitingsweg, om zodoende extra Zie thema's Mobiliteit, Geluid, Licht, Natuur, Ruimtelijke kwaliteit en verkeersoverlast te voorkomen. Woon -en leef klimaat.
640
122 190 1403
122 190 1404
Door de verkeersbewegingen van/naar de bedrijven, de bedrijfsprocessen en weerkaatsing en daarmee geluidversterking van snelweg- en industriegeluid door zonnepanelen zal reclamant veel (cumulatieve)geluidsoverlast ondervinden. Reclamant vreest hierdoor voor een onleefbare situatie in en rond de woning. De toename van de cumulatieve geluidsbelasting in en rond het plangebied is volgens reclamant onaanvaardbaar en in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Na juni 2019 was besloten tot het aanscherpen van de vestigingsvoorwaarden /toegelaten bedrijvencategorieën, uitgaande van omgeving (geluid, geur), volgens de toelichting. Maar onder paragraaf 9.2 staat dat 'grote lawaaimakers' mogelijk worden gemaakt. De plannen hinken kennelijk op twee gedachten. Vanuit het oogpunt van gezondheid hoort in het bestemmingsplan geregeld te worden dat de geluidssituatie voor omwonenden niet verslechtert door het plan. De gemeente moet dus beperkingen opleggen aan het soort bedrijven, de afstand tot woningen te vergroten en de ontsluiting te beperken tot alleen de noordzijde. Zie thema's Geluid, Gezondheid en Mobiliteit. Reclamant stelt dat met het plan uitdrukkelijk wordt beoogd de vestiging van grote lawaaimakers mogelijk te maken.
Reclamant verwijst naar het akoestisch onderzoek van 21 mei 2021 waarin overschrijdingen van de voorkeurswaarden worden voorzien met gevelbelastingen tot 55 dB voor verkeerslawaai. Reclamant kan zich daarmee niet verenigen omdat deze overschrijding het woon- en leefklimaat van reclamant ingrijpend beïnvloedt. Zie het antwoord in rij 469.
641
122 190 1405
122 190 1406
Reclamant merkt op dat niet onderzocht is of de geluidbelastingen verlaagd kunnen worden door het treffen van maatregelen. De feitelijke bescherming tegen geluidhinder wordt opgedeeld in verschillende vergunningtrajecten. Reclamant geeft aan dat in de vergunningverleningstrajecten voor elk individueel bedrijf dat zich op het terrein vestigt, gekeken moet worden naar toepassing van beste beschikbare technieken (BBT), tenzij dit redelijkerwijs niet kon worden verlangd. Door deze opzet wordt voor reclamant niet geborgd dat de geluidbelasting op de woningen op een doelmatige manier wordt beperkt hetgeen zich volgens reclamant slecht verhoudt tot een goede ruimtelijke ordening. Daarnaast is het voor reclamant onduidelijk onder welke voorwaarde de grens van 55 dB mag worden overschreden en hoe de belangen van omwonenden hierin worden meegewogen. Dit geeft reclamant weinig houvast en weinig vertrouwen. Ten aanzien van overdrachtsmaatregelen is volgens reclamant geen sprake van één bron- of een clustering van bronnen maar is de bron een enorm industrieterrein met een doorsnede van honderden meters met grote lawaaimakers. Reclamant merkt op dat aangegeven is dat geluidschermen financieel niet in verhouding staan tot de behaalde milieuwinst en stedenbouwkundig ook niet wenselijk zijn.
Concluderend stelt reclamant dat geen enkele maatregel wordt genomen om hem/haar tegen geluidhinder te beschermen en om een goed woon- en leefklimaat te borgen. Reclamant vindt dat een globaal plan zoals dit geen goede ruimtelijke ordening waarborgt voor omwonenden. Zie thema Geluid. Reclamant verwijst naar de memorie van toelichting op de Omgevingswet ten aanzien van het vooroverleg en de milieugebruiksruimte. Reclamant merkt op dat uit de planregels blijkt dat het bevoegd gezag waarde hecht aan het vooroverleg maar dat er geen verplichting is opgenomen om hieraan uitvoering te geven. Reclamant vindt dat een dergelijke verplichting wel opgenomen moet worden. Reclamant geeft daarnaast aan dat het maximaliseren van vrij beschikbare gebruiksruimte het uitgangspunt moet zijn en getuigt van een goede ruimtelijke ordening. Reclamant geeft aan dat een initiatiefnemer echter vooral belang heeft bij weinig beperkingen ten aanzien van de bedrijfsvoering. Reclamant vraagt zich dan ook af hoe op dit moment geborgd is dat ondernemers bereid zijn te investeren in geluidreducerende behuizing voor de beoogde activiteiten op hun bedrijfsperceel en er zo min mogelijk aanspraak wordt gemaakt op de beschikbare gebruiksruimte. Zie thema Geluid.
642
122 190 1407
In de planregels ontbreken voor reclamant belangrijke maatregelen voor geluid, zoals behuizingsmaatregelen, het voorkomen van geluid doorlatende openingen in gebouwen of, indien dit onmogelijk is het toepassen van geluidabsorptie en het dichten van kieren. Daarnaast is niet geborgd dat de geluidbronnen zover mogelijk van geluidgevoelige omgeving moeten worden geplaatst en dat bedrijfsgebouwen voorzien worden van toereikende geluidsisolerende gevels en daken. Ook ontbreken regels waarmee een open bedrijfsterrein en zicht op geluidmakende bedrijfsactiviteiten wordt voorkomen en die, als een open bedrijfsterrein onontkoombaar is, voorzien in een gasdichte aaneengesloten geluidreducerende terreinafscheiding van voldoende hoogte. Geluidhinder op woningen kan volgens reclamant worden voorkomen door geluidmakende activiteiten te laten plaatsvinden in goed geluidsisolerende compartimenten. Reclamant vraagt zich verder af hoe zwaardere maatregelen bij uitbreiding van activiteiten bij de initiële vergunningverlening worden geborgd. Ook algemene beleidsregels ontbreken waar het gaat om geluid. Ook daarop kan volgens reclamant niet worden teruggevallen. Zie thema Geluid.
643
122 190 1408
Reclamant stelt dat het huidige ontwerp later gegarandeerd voor problemen gaat zorgen. Reclamant geeft aan dat het van belang is om planregels op te nemen om tot afgewogen goede ruimtelijke ordeningsmaatregelen te komen waarmee de minimaal toe te kennen geluidsafstand kan worden bepaald. Dat is wat vooroverleg volgens reclamant betekent als bedoeld in de memorie van toelichting van de Omgevingswet. Voor alle partijen zou dan op basis van de ingediende aanvragen om een omgevingsvergunning voor bouwen en de aangevraagde bedrijfsvoering alsmede de voorschriften concreet zichtbaar zijn waaraan moet worden voldaan. Volgens reclamant mist de planwetgever een kans om een goede ruimtelijke ordening voor omwonenden te garanderen, doordat vooroverleg in het licht van de Omgevingswet niet is voorgeschreven. Tevens wijst reclamant erop dat concrete planregels in het bestemmingsplan ontbreken die houvast geven ten aanzien van borging van het beperken van geluidhinder. Het hanteren van indicatieve afstanden in de Staat van Inrichtingen ontleend aan de VNG-brochure biedt volgens reclamant onvoldoende zekerheid. Individuele ondernemers zullen volgens reclamant aansluiting zoeken bij de normen van het Activiteitenbesluit milieubeheer.
Dit leidt volgens reclamant tot een overschrijding van de toegekende gebruiksruimte met als gevolg langdurige procedures waarin initiatiefnemers en omwonenden, in het kader van vergunningverlening en handhavingsprocedures, recht tegenover elkaar komen te staan. Reclamant stelt dat er een plicht bij de planwetgever ligt om voorgaande te voorkomen. Reclamant is van mening dat in de huidige regels over geluid geen verplichtingen voortvloeien om een goede ruimtelijke ordening te borgen. Hierdoor is volgens reclamant sprake van onaanvaardbare 'symboolregelgeving'. Zie thema Geluid.
644
122 190 1409
Reclamant mist in de planbeschrijving en in het MER het referentieniveau van het omgevingsgeluid waarin woningen zich nu bevinden en waaraan een zeker geluidbeschermingsrecht kan worden toegekend. Met het ref erentieniveau moet volgens reclamant rekening worden gehouden bij de vraag of een toename van geluid zich wel verhoudt tot een goede ruimtelijke ordening. Onder verwijzing naar artikel 2.19a en 1.1 van het Activiteitenbesluit geeft reclamant in zijn/haar zienswijze aan hoe dit ref erentieniveau normaliter tot stand komt en hoe dit moet worden gezien. Reclamant stelt dat, nu in het plan het bepalen van het referentieniveau is nagelaten, de graadmeter of gekomen kan worden tot een goede ruimtelijke ordening, ontbreekt. Ook mist reclamant in het plan aandacht voor het feit dat de verandering van geluiddempend 'agrarisch' bodemoppervlak naar verhard oppervlak (het bedrijventerrein) invloed heef t op de geluidstoename. Het plan voorziet niet in een regeling waarbij deze waarneembare toename (van naar schatting maximaal 4 dB) wordt gereduceerd. Reclamant stelt dat dit zich slecht verhoudt met een goede ruimtelijke ordening. Zie thema Geluid.
645
122 190 1410
Reclamant maakt bezwaar tegen de huidige regels, in de ogen van reclamant 'symboolplanregels', in het plan. Hooguit kunnen de huidige regels leiden tot de conclusie dat 'er goed ruimtelijk geordend KAN worden' en niet tot het oordeel 'er IS goed ruimtelijk geordend', aldus reclamant. Reclamant maakt bezwaar tegen besluitvorming waarbij wordt aangesloten op de normering van het Activiteitenbesluit, dan wel bij de VNG - gemengd gebied beoordeling. Het hanteren van laatstgenoemde regelgeving zorgt voor onvoldoende borging van een goed woon- en leef klimaat volgens reclamant. De in de Bedrijvenlijst opgenomen indicatieve categorie-afstanden, ontleend aan de brochure bijlage 1 hebben namelijk met elkaar gemeen dat op die afstanden aan dezelfde geluidgrenswaarden wordt voldaan zonder dat aandacht wordt besteed aan de vraag welke geluidreducerende behuizing daar dan bij hoort. Dat betekent dat alleen wanneer in de planregels concrete eisen zouden worden gesteld aan geluidreducerende behuizing, per afzonderlijk genoemde bedrijfsactiviteit gekomen kan worden tot feitelijk juiste af standen. Zelfs bij meer dan 1 genoemde bedrijfsactiviteit zou dan zonder het tegendeel uit te sluiten- gekomen kunnen worden tot bijvoorbeeld een kortere afstand dan voor elke activiteit afzonderlijk genoemde indicatieve afstand. Dit is ten onrechte niet gebeurd.
Reclamant stelt dat de maatstaf zou moeten zijn 'een goede ruimtelijke ordening' en niet normering uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. Reclamant maakt bezwaar op het ontbreken van borging in de planregels van een concreet toetsingskader op basis waarvan, via vooroverleg na akoestisch onderzoek, een aanvraag voor een omgevingsvergunning tot stand kan komen, waarover al dan niet gelijktijdig met een categoriegelijkstellingsbesluit besloten wordt tot het verlenen van een bouw- en milieuvergunning(omgevingsvergunning). Reclamant verzoekt daarom om de plannen af te keuren en de bescherming van burgers op de eerste plaats te stellen. Reclamant behoudt zich het recht voor om, na verdere bestudering van de plannen, nieuwe zienswijzen en aanvullende bezwaren in te dienen. Zie thema Geluid.
646
122
-
1411
Reclamant is bang dat omwonenden (gedurende dag en nacht) lichthinder gaan ondervinden van het plan, gezien de sterke toename van licht in de omgeving. Volgens het plan zal de omgeving slechts beperkte toename van lichthinder ondervinden, omdat woongebieden op ruimte af stand (min. 1 km) van het terrein zouden liggen. Reclamant verzoekt om, bij voorkeur d.m.v. voorwaardelijke verplichtingen, bij de inrichting extra aandacht te geven aan het voorkomen van lichthinder, bijvoorbeeld door verlichting 's avonds tot een minimum te beperken en lichtuitstraling naar de buitenzijde van het bedrijventerrein en in de hoogte te voorkomen. Zie thema Licht.
122
-
1412
Reclamant merkt op dat het plan nadelige gevolgen heeft voor de gezondheid vanwege de toename van fijnstof. Door het extra verkeer van de bedrijven en de bedrijfsprocessen zal de hoeveelheid fijnstof toenemen. Nu wordt een deel van de huidig aanwezige fijnstof geabsorbeerd door zachte ondergronden, zoals de aanwezige gewassen op de landbouwgronden. Het merendeel hiervan wordt straks echter verhard terrein. Vooral het fijnstof dat neerslaat op de zonnepanelen wordt door het gladde oppervlak en de open structuur van de installaties, waar de wind onder en boven de panelen vrij spel heeft, minder goed vastgehouden en zal zich door de overheersende westenwind gemakkelijker verspreiden over de woning van reclamant. Daarnaast vindt reclamant dat het bedrijventerrein met de daarmee gepaard gaande uitstoot van stikstof een uitermate ongunstige invloed zal hebben op de omgeving en dat de plannen op dit punt onvoldoende zorgvuldig zijn voorbereid en onderbouwd Zie thema's Luchtkwaliteit en Gezondheid.
647
122
-
1413
Reclamant stelt dat de komst van het bedrijventerrein leidt tot een toename van stikstof op de directe omgeving, alsmede de nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Uit de toelichting van het bestemmingsplan vloeit voort dat de gevolgen van de toename van stikstof zijn gebaseerd op een AERIUS-berekening. Onder verwijzing naar de conclusie van de commissie Hordijk van juni 2020 stelt reclamant dat de AERIUS Calculator ongeschikt is om de toename van stikstof te berekenen bij wijzigingen van bestemmingsplannen. Reclamant stelt dat hierdoor geen sprake is van zorgvuldig onderzoek. Dit aspect van het bestemmingsplan voldoet volgens reclamant dan ook niet aan artikel 3:2 Awb. Daarnaast stelt reclamant dat onvoldoende is aangetoond hoe de saldering tot stand is gekomen en de juistheid daarvan. Zie thema Natuur.
648
Reclamant stelt dat zware bedrijven (categorie 4.1 en in de plannen van Den Bosch zelfs categorie 5.1) tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leef klimaat leiden en niet zouden moeten worden toegestaan op korte afstand van woningen. Reclamant g eeft aan dat er een grotere af stand van dergelijke bedrijven tot woonbebouwing in acht moet worden genomen. Reclamant geeft aan dat geurbelasting zich niet laat belemmeren door inwaartse zonering. Onder verwijzing naar concrete voorbeelden uit de omgeving, stelt reclamant dat, afhankelijk van het soort bedrijvigheid, geur zich vele honderden meters tot wel kilometers kan verplaatsen. De af stand van plan Heesch-West tot omwonenden is dusdanig klein dat geurhinder onmogelijk voorkomen kan worden. 'Geborgd middels het toepassen van inwaartse zonering' is niet realistisch aangezien het type bedrijvigheid op het moment van opstellen van het ontwerpbestemmingsplan niet bekend is. Concluderend stelt reclamant dat mede om deze redenen milieuklassen hoger dan 3 nooit en te nimmer aanvaard mogen worden. 122
-
1414
Overlast laat zich niet begrenzen door inwaartse zonering. In de optelsom van overlastveroorzakende bedrijven (geluid, grote toename verkeer, geur, licht etc.) is het onbestaanbaar dat, door er lokaal wat minder hinderlijke gebouwen omheen te zetten, de effecten minderen. Vanuit Vinkels perspectief grenst categorie 4.2 en 5.1 tot aan de stedenbouwkundige contour. Aansluitend is wateropvang gepland, wat de ef f ecten niet zal verminderen, in tegendeel. Overlast veroorzaakt door hoge milieuklasse bedrijven reikt daardoor veel verder richting kom Vinkel dan louter op basis van de inwaartse zonering verwacht mag worden. Inpassing door middel van robuuste groenstroken is, gezien de tijd die nodig is voor aanplant om volwassen te worden en dus voor camouflage en af name van effecten te zorgen, pas na minimaal 30(!) jaar effectief. Reclamant merkt ook op dat het plan (volgens de GR) volledig gevuld kan worden met categorie 3 bedrijven; zelfs gezien de vraag het aanbod dubbelt, kan het plan best zonder logistieke bedrijvigheid. De daaraan gekoppelde overmatige groei van verkeer en 24-uurs economie wordt dan tegengegaan.
Concluderend stelt reclamant dat, gezien de gigantische optelsom van effecten, en de gestelde bovenmatige interesse vanuit lagere categorieën bedrijven, milieuklassen hoger dan 3 nooit en te Zie thema's Milieucategorie, Geur, Ruimtelijke kwaliteit en nimmer aanvaard mogen worden. Duurzaamheid.
649
Tot slot stelt reclamant dat, aangezien de gemeente zich presenteert als 'groene en duurzame gemeente' en dit een 'duurzaam bedrijventerrein' zou moeten worden, een milieucategorie van 4.1 of zelfs 5.1, volstrekt onbegrijpelijk is. Reclamant verzoekt dan ook om de milieucategorie te verlagen en de verhogingsmogelijkheid te schrappen in algemene zin
650
122
122
122
-
-
-
1415
1416
1417
Reclamant stelt dat de bouwhoogte (20 tot 25 meter) veel te hoog is. Volgens reclamant wordt uit de regels (art. 5.2.3 onder c) niet duidelijk wat onder hoogteaccenten tot 30 meter hoog moet worden verstaan. Reclamant stelt dat een goede landschappelijke inpassing noodzakelijk is maar bij een dergelijke bouwhoogte volstrekt onmogelijk is. Geen enkele vorm van inpassing door middel van nog aan te planten groene buffers zal dit soort bouwwerken enigszins kunnen camoufleren, zelfs als na 40 jaar inheemse boomsoorten bij volwassenheid een maximale hoogte van zo'n 15 m bereiken. Tevens wordt op het noordwestelijke punt van het plan nog beoogd een nog hogere 'landmark' te plaatsen, om een zichtlocatie te kunnen realiseren. Het aansluitende halfopen buitengebied aan de overzijde van de Weerscheut leent zich volgens reclamant niet voor inpassing van een landmark Reclamant, maar ook de provinciale en landelijke bestuurders, pleiten er al langer voor dat zonnepanelen niet op kostbare grond - zoals naast het bedrijventerrein - maar zoveel mogelijk op daken worden gerealiseerd. De tekst in artikel 5.4.4 van de planregels (voorwaardelijke verplichting) is goed tot aan het woord 'tenzij'. In plaats van een komma moet daar een punt komen.
En de uitzondering op de planregel moet vervallen: 'tenzij een andere duurzame maatregel dit onmogelijk maakt of als het bedrijfsproces duurzaam dakgebruik verhindert' levert alleen maar onmogelijke discussie op. Er horen volgens reclamant alleen maar bedrijven te komen met bedrijfsgebouwen waarop zonnepanelen en sedumdaken kunnen worden aangebracht. Dit zorgt voor meer koelte in het bedrijfsgebouw, en dus minder energieverbruik, dus uit oogpunt van klimaat dubbele winst Reclamant stelt dat het industrieterrein de woonomgeving drastisch verandert en een gezonde en prettige leefsituatie onmogelijk maakt. Dit plan betekent een wezenlijk gevaar voor de gezondheid door de effecten van het industrieterrein (geluid, stank, licht). Het plan draagt niet bij aan het behoud en de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit, en er is zeker geen sprake van een goede landschappelijke inpasbaarheid of enige maatschappelijke meerwaarde. Ook is volgens reclamant geen toepassing gegeven aan het principe van zorgvuldig ruimtegebruik.
Zie thema Ruimtelijke kwaliteit.
Zie thema's Ruimtelijke kwaliteit en Duurzaamheid.
Zie thema's Woon -en leef klimaat, Gezondheid, Geluid, Geur, Licht, Ruimtelijke kwaliteit en Locatiekeuze en zorgvuldig ruimtegebruik.
651
122 190 1418
123 192 1419
Deze zienswijze is deels gegrond op een aantal onderdelen: groene buffer minder in het midden maar meer aan de randen en tips/suggesties landschapspark (rijen 1391-1393), landschappelijke inpassing zonnepark (rijen 1391 en 1394), suggesties voor horecapunt aan de Koksteeg (rij 1395), foutief opgenomen passage over tankstation in noordoosten plangebied (rij 1399), afsluiting Koksteeg (rij 1401), landschappelijke inpassing kavels Zoggelsestraat en Koksteeg (rij 1400) en suggesties voor de nieuwe weg tussen Koksteeg en Weerscheut (rij 1402). Naar aanleiding daarvan is het landschapsplan (incl. nieuwe weg) verder uitgewerkt, is een voorwaardelijke verplichting opgenomen ter realisatie van de landschappelijke inpassing voor het zonnepark, is de verkeerbestemming Koksteeg gewijzigd naar bestemming Groen, is de passage over het tankstation aangepast en is de groene buffer aan de zijde Zoggelsestraat in het landschapsplan vergroot en zijn hier tevens beeldkwaliteitseisen voor opgesteld (zie thema's Ruimtelijke kwaliteit en Mobiliteit). Voor het overige is de zienswijze ongegrond. Reclamant blijft zich zorgen maken over zijn/haar toekomstig leefklimaat en vreest voor milieuhinder zoals geluidsoverlast, geur- en stofhinder, trillingshinder en een aantasting van de leefomgeving en de natuurwaarden.
Nu heef t reclamant nog zicht op een landelijke, kleinschalige omgeving, maar na voltooiing van de plannen, heeft reclamant slechts zicht op de enorme bouwmassa van het industrieterrein. Dit is een grote inbreuk op de bestaande situatie en voor reclamant een onaanvaardbare beperking. Reclamant stelt dat bij de ontwikkeling van het plan onvoldoende rekening is gehouden met de (individuele) belangen van omwonenden, terwijl zij juist de ergste Zie thema's Woon -en leef klimaat, Ruimtelijke kwaliteit, Proces en ongemakken moeten ervaren. participatie, Geluid, Geur, Stof, Trillingen en Natuur.
652
123
-
1420
123
-
1421
Reclamant heef t geen voordelen van het bedrijventerrein en wordt slechts geconfronteerd met de nadelen. De onzekerheid en spanningen over de planvorming hebben in de loop der jaren een zware wissel getrokken op het gezin van reclamant. De gemeente zou als hoogste prioriteit het beperken van de impact voor omwonenden moeten hebben. Na de vele inspraakreacties op het voorontwerp bestemmingsplan zijn teleurstellend genoeg weinig aanpassingen doorgevoerd, een duidelijk signaal. De huidige locatie van het bedrijventerrein vormt een erfenis uit het verleden. In de huidige tijd zou er nooit meer gekozen worden om een bedrijventerrein midden in het landelijk gebied te laten landen zonder directe aansluiting bij bestaande bebouwing. De gemeenten die dit 'duurzaam' bedrijventerrein willen realiseren hebben daarom naar mening van reclamant een resultaatverplichting om de inpassing maximaal robuust uit te voeren. Het huidige ontwerp laat echter verschillende Zie thema's Proces en participatie, Woon -en leef klimaat, Locatiekeuze steken vallen. en zorgvuldig ruimtegebruik, Duurzaamheid en Ruimtelijke kwaliteit. Reclamant stelt dat het uitzicht, het landschap en de leefomgeving ernstig dreigt te worden aangetast door het plan. Reclamant haalt de term 'verdozing' van het landschap aan, waarbij het landschap steeds meer wordt volgebouwd met lelijke mega-loodsen, oftewel 'super-dozen'.
Architecten, planologen, maar ook burgers en bestuurders maken zich hier steeds meer zorgen over. Dergelijke distributiecentra voegen volgens reclamant niets toe aan de regio en de regionale of Brabantse economie. Reclamant stelt dat de grote logistieke bedrijven of distributiecentra geen werkgelegenheid opleveren voor de regio. De bedrijven draaien voornamelijk op arbeidsmigranten. Daarnaast leveren deze bedrijven netto ook zeer weinig werkgelegenheid op omdat er per vierkante meter maar zeer weinig werknemers werkzaam zijn. De gebouwen hebben echter wel zeer negatieve invloed op de ruimtelijke kwaliteit en zijn een bedreiging voor het landschap rond Heesch. Reclamant is dan ook van mening dat de 'verdozing' van het Brabants landschap moet stoppen. Binnen het plan Heesch West moet geen ruimte komen voor Zie thema's Ruimtelijke kwaliteit, Behoefte, Woon -en leefklimaat en grootschalige logistieke bedrijven en distributiecentra. Werkgelegenheid en arbeidsmigranten.
653
123 192 1422
Reclamant stelt dat de landschappelijke inpassing op basis van de verbeelding en de toelichting volstrekt onvoldoende is. Reclamant stelt dat het brede groene 'eiland', zoals nu midden in het bedrijventerrein is voorzien, juist aan de randen gesitueerd moeten worden. Op die manier kan dit een extra afscherming bieden tussen het bedrijventerrein en de omgeving, en ontstaat meerwaarde voor omwonenden én natuur. Reclamant merkt op dat er in het huidige plan nog geen invulling is gegeven aan het advies van de Commissie MER om meer duidelijkheid te geven over de positie van het landschapspark ten opzichte van de omgeving. Reclamant vindt het zeer zorgwekkend dat een onderdeel van het plan welke ziet op de borging van een goed woon- en leef klimaat van omwonenden in deze fase van de plannen nog niet is uitgewerkt. Reclamant vraagt zich af in hoeverre het college de zorgen van omwonenden over de landschappelijke inpassing serieus heeft meegenomen. Reclamant behoudt zich het recht voor om tegen alle onderdelen van de landschappelijke inpassing op een later moment in rechte op te komen nu de gemeente heeft verzuimd deze stukken ter inzage te leggen. Reclamant heef t een vijftal verzoeken (hieronder samengevat): 1. Benut de inrichting van het landschapspark om het zicht op de gebouwen en geluidoverlast maximaal te beperken.
Door het landschapsterrein in te richten met hoogteverschillen van bos, bosschages, plas/dras zones tot en met grondwallen, welke kunnen dienen als geluidswallen. 2. Het landschapspark moet als hoofddoel hebben het afschermen van het bedrijventerrein van de omgeving. Recreatie zou slechts een secundair doel mogen zijn, waarbij een aanzuigende werking moet worden voorkomen. Een waterplas met zwemstrandje beschouwt reclamant dan ook als zeer onwenselijk. 3. Creëer slechts een gering aantal parkeerplaatsen binnen de landschapszone. Parkeerplaatsen op afgelegen locaties zorgen vaak voor ongewenste activiteiten, terwijl handhaving ontbreekt. Creëer deze parkeerplaatsen niet aan de buitenzijde, maar juist aan de zijde van het bedrijventerrein, waar eventueel verlichting en cameratoezicht eenvoudig te realiseren is. 4. Belangrijk is dat het landschapspark van toegevoegde waarde is, met nadruk op groen en natuur. Volgens reclamant is bij de huidige zonneparken in het landschapspark sprake van een verkeerde Zie thema's Ruimtelijke kwaliteit, Natuur, Woon -en leefklimaat, Proces toepassing van multifunctioneel ruimtegebruik. Dit gaat ten koste van en participatie, Mobiliteit, Geluid en Duurzaamheid.
654
natuur en groene landschappelijke inpassing. Daarbij maakt reclamant zich extra zorgen dat negatieve effecten alleen maar versterkt worden, zoals het verder dragen van geluid. Aangezien er voldoende vierkante meters op de daken van de bedrijfsgebouwen binnen dit plan beschikbaar zijn, zijn extra zonneparken binnen dit plan, en net buiten het plangebied, niet noodzakelijk en dienen deze uit de plannen te worden geschrapt. Reclamant benadrukt dat het landschapspark een afschermingsfunctie heef t, en de omgeving niet nóg meer belast moet worden met negatieve ef f ecten binnen deze zone 5. Reclamant stelt dat de waarde van de historische Napoleonsweg Ruitersdam onder meer zit in de rust op en rondom dit onverharde zandpad. Het pad en aanliggende groenstrook, in de ogen van reclamant de buitenrand van het bedrijventerrein, moet daarom niet doorkruist worden door infrastructuur of andere negatieve maatregelen. Reclamant stelt voor om de verbindingsweg aan de noordelijke rand van het landschapspark aan te leggen, direct op de overgang van park en bedrijven.
655
123
-
1423
123
-
1424
123
-
1425
Aan de oostzijde van het bedrijventerrein is geen groene buffer voorzien. De grond die hiervoor oorspronkelijk bedoeld was, is intussen bestemd voor een zonnepark. Anders dan wordt gesteld, kan een dergelijk industrieel zonnepanelenpark uiteraard niet dienen als 'buffer' ten opzichte van het bedrijventerrein. Reclamant verzoekt om het plan aan te passen zodat aan deze zijde van het bedrijventerrein ook een voldoende brede groenstrook wordt opgenomen op de verbeelding. Zie thema Ruimtelijke kwaliteit. Aan de zuidzijde van het plangebied is een relatief smalle groeninpassing aanwezig is, vergeleken met brede groenstrook middenin plangebied. Daarbij worden aan de zuidzijde ook bedrijfsbestemmingen ontwikkeld wat volgens reclamant zorgt voor een significant negatief effect. Reclamant verzoekt de gemeente om deze groenzone robuuster (breder) te ontwikkelen en af te zien van bedrijfsbestemmingen langs de Zoggelsestraat en Koksteeg. Zie thema's Ruimtelijke kwaliteit en Woon -en leefklimaat. Volgens reclamant is bij het zonnepark in de zuidwestzijde van het landschapspark sprake van een verkeerde toepassing van multif unctioneel ruimtegebruik. Hier kunnen volgens het bestemmingsplan (grootschalige) zonneparken worden ontwikkeld ten koste van de natuur en de landschappelijke inpassing.
Reclamant benadrukt dat het landschapspark een afschermingsfunctie heeft, en de omgeving niet nóg meer belast moet worden met negatieve effecten binnen deze zone. Reclamant is van mening dat er voldoende dakoppervlakte is om zonnepanelen op te ontwikkelen. Reclamant verzoekt de gemeente de dubbelbestemming “Waarde - Zonnepark” achterwege te laten en in de groenzone geen zonneparken te ontwikkelen. Zie thema's Ruimtelijke kwaliteit en Duurzaamheid.
656
123
-
1426
123
-
1427
Reclamant is het niet eens met de bestemming 'Gemengd', die voor een kavel aan de Koksteeg nr. 18 is voorgesteld. Dit is in eerste instantie altijd aangekondigd als een ontwikkeling t.b.v. het bedrijventerrein zelf (waarbij reclamant als omwonende daar logischerwijs uitgingen van een interne ontsluiting via het bedrijventerrein). Nu betreft dit een ontsluiting vanaf de Koksteeg buiten het bedrijventerrein, waarbij de gemeente nu aangeeft dat deze Gemengde bestemming, met mogelijkheid tot een horecagelegenheid, meer bedoeld is voor het landschapspark en omgeving, dan voor het bedrijventerrein zelf. Daar komt bij dat het een horecabestemming betreft die zowel overdag als 's avonds geopend mag zijn, wat nog meer overlast betekent. Reclamant is van mening dat: 1. Als er een locatie met de functie ‘Gemengd’ wordt bestemd, deze uitsluitend op én via het bedrijventerrein dient te worden ontsloten. 2. Locatie met functie ‘Gemengd’ dient zich allereerst te richten op klandizie vanuit het bedrijventerrein. Het ‘landschapspark’ vormt hooguit een secundaire groep. 3. Reclamant verzoekt de functie ‘Gemengd’, in verband met verwachte overlast, enkel toe te staan voor daghoreca. 4. Het landschapspark heeft als hoofddoel het afschermen van bedrijventerrein met de omgeving. Recreatie zou slechts een secundair doel mogen zijn.
Het situeren van horecamogelijkheden nabij het landschapspark geeft de indruk dat dit park een aantrekkende functie voor recreatie mag krijgen, wat voor de omgeving naast de impact van het bedrijventerrein, nog meer impact oplevert. Zie thema's Ruimtelijke kwaliteit, Woon -en leef klimaat en Mobiliteit. Reclamant geeft aan dat binnen de bestemming Groen niet vast staat dat ook groen wordt gerealiseerd. Ten eerste mogen er onbeperkt gebouwen worden gebouwd tot een hoogte van 3 (soms van 5) meter en maximaal 30 m2 per stuk. Verder ontbreken voorwaardelijke verplichtingen die ervoor moeten zorgen dat hier een landschappelijke inpassing komt en in stand wordt gelaten. Reclamant verzoekt om de ongewenste bebouwing niet toe te staan en uit de planregels te verwijderen. Daarnaast het verzoek om een voorwaardelijke verplichting binnen een paar jaar na vaststelling op te nemen. Zie thema Ruimtelijke kwaliteit.
657
123
-
1428
123 192 1429
Reclamant stelt dat het zaak is de landschappelijke inpassing, met voldoende hoog en dicht afschermend groen, goed in de regels te borgen en deze binnen maximaal 1 jaar aan te leggen. Onder verwijzing naar de huidige voorwaardelijke verplichting in het plan (art. 5.4.2 en 5.4.3) merkt reclamant op dat een omgevingsvergunning de eerste 3 jaar gewoon kan worden verleend, zonder dat een landschappelijke inpassing gerealiseerd is. Bij die bedrijven kan niet meer worden afgedwongen dat er nog een landschappelijke inpassing komt. Dat is onaanvaardbaar en wordt niet gemotiveerd. Groen moet ook de tijd krijgen aan te slaan en hoogte te bereiken. Daarnaast merkt reclamant dat in artikel 5.4.2 wordt verwezen naar bijlage 4 (landschappelijk inrichtingsplan), welke bijlage nog niet beschikbaar is op www.ruimtelijkeplannen.nl. Reclamant geeft aan dat tevens de bergingscapaciteit voor water ontbreekt in de planregels. Het ontwerpbestemmingsplan voldoet dus niet aan de eisen van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening. In artikel 5.4.3 onder b van de planregels blijkt niet binnen welke termijn deze bepaling moet worden gerealiseerd, dit is dus een loze planregel. Ook de verwijzing naar een verordening van een andere gemeente dan de gemeente (Bernheze) waarin het terrein ligt, deugt niet. Verder zegt de planregel dat groene gevels of een dak ook meetellen voor de 10% norm. M.u.v.
de groene gevel doet dit niets om het bedrijf in te passen in de omgeving. Zie thema Ruimtelijke kwaliteit. Volgens reclamant leidt het bedrijventerrein met o.a. logistieke bedrijven tot een groot aantal verkeersbewegingen: reclamant leest in de stukken: circa 7.900 (vracht)verkeersbewegingen per etmaal. De toch al overvolle wegen zullen nog voller komen te staan. Door toedoen van het plan zal: • Het aantal f iles en opstoppingen op de A59 en toegangswegen nog verder toenemen; • Sluipverkeer nog meer in de hand worden gewerkt op wegen die daar niet voor geschikt zijn • Het nog onveiliger worden op de wegen rondom Heesch-West door o.a. een schrikbarend groot aantal vrachtwagenbewegingen per etmaal; • Een goede bereikbaarheid van onze woningen in gevaar komen en hier tevens zorgen voor waardedaling van onze woning; • De gezondheid van omwonenden verslechteren (toename fijnstof en Zie thema's Mobiliteit, Duurzaamheid, Kosten en baten en planschade, geluidsoverlast). Gezondheid, Luchtkwaliteit en Geluid.
658
123 192 1430
123
-
1431
Reclamant stelt dat de combinatie van de ontwikkeling van Heesch West met de ontwikkeling van Cereslaan West, en de hierbij sterke aanzuigende werking van (vracht)verkeersbewegingen door logistieke bedrijven, en door de realisatie van 'publieke functies' in het noordoosten van het plangebied (zoals fastfoodrestaurant, tankstation of carpoolplaats) voor onacceptabele risico's en overlast gaan zorgen in de omgeving, daar waar het gaat om geluid, (verkeers)veiligheid en gezonde leef omgeving. Zie thema's Mobiliteit, Geluid en Gezondheid. Reclamant merkt op dat kennelijk ongewenste verkeerseffecten niet helemaal weg worden genomen, waar dit wel mogelijk is. Met afschuw en onbegrip leest reclamant in de plannen dat Bedrijfsbestemmingen en Activiteiten toe worden gelaten binnen het plangebied langs de Zoggelsestraat en de Koksteeg, echter zonder een interne ontsluiting via de Bosschebaan. Deze toekomstige bedrijven krijgen een ontsluiting buiten de interne ontsluitingsstructuur. Dit betekent een gigantische aantasting van een beoogde robuuste landschappelijke inpassing, maar ook extra verkeersoverlast voor omwonenden. Dit is ronduit een schoffering van de omwonenden, omdat: 1. Er altijd gecommuniceerd is dat de betreffende bestaande woningen zouden worden geamoveerd en er een goede (lees robuuste) landschappelijke inpassing zou plaatsvinden. 2.
De gemeente nu willens en wetens puur voor eigen economisch belang gaat en de omgeving opzadelt met extra werkverkeer- en geluidsoverlast. 3. Daarbovenop nog een bestemming ‘Gemengd’ met mogelijkheid voor Horeca wordt voorgesteld voor een kavel aan de Koksteeg. Dit is in eerste instantie altijd aangekondigd als een ontwikkeling t.b.v. het bedrijventerrein zelf (waarbij reclamant als omwonende daar logischerwijs uitgingen van een interne ontsluiting). Nu gaat het om een ontsluiting daarbuiten, en geeft de gemeente aan dat deze ‘Gemengde’ bestemming meer ten behoeve van het landschapspark en omgeving is, dan voor het bedrijventerrein zelf. 4. De omgeving zit niet te wachten op extra overlast buiten de reeds te verwachten significante beschreven overlast. Reclamant vindt dat het bedrijventerrein een interne ontsluitingsstructuur hoort te krijgen in een lus-vorm, waarbij de uiteinden van de lus alleen aansluiten op de Zie thema's Ruimtelijke kwaliteit, Proces en participatie, Geluid, Bosschebaan en dan naar de A59. Mobiliteit en Woon -en leefklimaat.
659
123
-
1432
123
-
1433
In de toelichting en in het akoestisch onderzoek ten behoeve van de f acetplannen wordt uitgegaan van een afsluiting van de Koksteeg voor gemotoriseerd verkeer en een af waardering daarvan tot fietspad. Hierin kan reclamant zich vinden. Echter, de afsluiting van de Koksteeg is ten onrechte niet in de planregels geborgd via een voorwaardelijke verplichting, iets wat wel noodzakelijk is gezien de toezegging van de gemeente en het f eit dat dit als uitgangspunt in het akoestisch onderzoek is meegenomen. Indien de gemeenteraad dit niet borgt in de planregels stelt reclamant dat het uitgevoerde akoestisch onderzoek niet in deze vorm ten grondslag kan worden gelegd aan de plannen, aangezien dit onderzoek niet is gestoeld op een maximale planologische invulling van de planregels. Zie thema Mobiliteit. Reclamant vindt het bijzonder dat in het plan een zoekgebied is opgenomen waarin twee varianten zijn opgenomen voor een nieuwe verbindingsweg tussen Weerscheut en Koksteeg. Reclamant geeft aan dat dit een voor de omgeving belangrijk onderdeel van het plan is. Reclamant betreurt het dat niet gereageerd kan worden op een uitgewerkt plan voor de verbindingsweg. De te verwachten hoeveelheid verkeer en daarmee geluid, licht en verstoring van het nu rustige buitengebied gaat de waardevolle Ruitersdam volgens reclamant onherstelbaar aantasten.
De noordelijk gelegen variant vermindert de verstorende effecten. In dat kader geeft reclamant de volgende verwachtingen mee ten aanzien van deze ontsluitingsweg: 1. Een doorkruising van de afschermende werking van het landschapspark is ongewenst. Reclamant stelt voor de weg aan de noordelijke rand van het landschapspark aan te leggen, op de overgang van park en bedrijven. 2. De huidige geschetste noordelijke route ligt nog te ver zuidelijk en kan dichter langs bedrijfsbebouwing komen te liggen. Het is voor reclamant onbegrijpelijk waarom er niet op voorhand is gekozen voor een variant die recht doet aan de zorgen, belangen en gezondheid van bewoners. 3. Reclamant wenst geen onnodige aantrekkingskracht en verzoekt de beschikbare parkeerplaatsen t.b.v. ‘recreatie’ te minimaliseren, en te situeren aan de nieuwe ontsluitingsweg, om zodoende extra Zie thema's Mobiliteit, Geluid, Licht, Natuur, Ruimtelijke kwaliteit en verkeersoverlast te voorkomen. Woon -en leef klimaat.
660
123 192 1434
123 192 1435
Door de verkeersbewegingen van/naar de bedrijven, de bedrijfsprocessen en weerkaatsing en daarmee geluidversterking van snelweg- en industriegeluid door zonnepanelen zal reclamant veel (cumulatieve)geluidsoverlast ondervinden. Reclamant vreest hierdoor voor een onleefbare situatie in en rond de woning. De toename van de cumulatieve geluidsbelasting in en rond het plangebied is volgens reclamant onaanvaardbaar en in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Na juni 2019 was besloten tot het aanscherpen van de vestigingsvoorwaarden /toegelaten bedrijvencategorieën, uitgaande van omgeving (geluid, geur), volgens de toelichting. Maar onder paragraaf 9.2 staat dat 'grote lawaaimakers' mogelijk worden gemaakt. De plannen hinken kennelijk op twee gedachten. Vanuit het oogpunt van gezondheid hoort in het bestemmingsplan geregeld te worden dat de geluidssituatie voor omwonenden niet verslechtert door het plan. De gemeente moet dus beperkingen opleggen aan het soort bedrijven, de afstand tot woningen te vergroten en de ontsluiting te beperken tot alleen de noordzijde. Zie thema's Geluid, Gezondheid en Mobiliteit. Reclamant stelt dat met het plan uitdrukkelijk wordt beoogd de vestiging van grote lawaaimakers mogelijk te maken.
Reclamant verwijst naar het akoestisch onderzoek van 21 mei 2021 waarin overschrijdingen van de voorkeurswaarden worden voorzien met gevelbelastingen tot 55 dB voor verkeerslawaai. Reclamant kan zich daarmee niet verenigen omdat deze overschrijding het woon- en leefklimaat van reclamant ingrijpend beïnvloedt. Zie het antwoord in rij 1293.
661
123 192 1436
Reclamant merkt op dat niet onderzocht is of de geluidbelastingen verlaagd kunnen worden door het treffen van maatregelen. De feitelijke bescherming tegen geluidhinder wordt opgedeeld in verschillende vergunningtrajecten. Reclamant geeft aan dat in de vergunningverleningstrajecten voor elk individueel bedrijf dat zich op het terrein vestigt, gekeken moet worden naar toepassing van beste beschikbare technieken (BBT), tenzij dit redelijkerwijs niet kon worden verlangd. Door deze opzet wordt voor reclamant niet geborgd dat de geluidbelasting op de woningen op een doelmatige manier wordt beperkt hetgeen zich volgens reclamant slecht verhoudt tot een goede ruimtelijke ordening. Daarnaast is het voor reclamant onduidelijk onder welke voorwaarde de grens van 55 dB mag worden overschreden en hoe de belangen van omwonenden hierin worden meegewogen. Dit geeft reclamant weinig houvast en weinig vertrouwen. Ten aanzien van overdrachtsmaatregelen is volgens reclamant geen sprake van één bron- of een clustering van bronnen maar is de bron een enorm industrieterrein met een doorsnede van honderden meters met grote lawaaimakers. Reclamant merkt op dat aangegeven is dat geluidschermen financieel niet in verhouding staan tot de behaalde milieuwinst en stedenbouwkundig ook niet wenselijk zijn.
Concluderend stelt reclamant dat geen enkele maatregel wordt genomen om hem/haar tegen geluidhinder te beschermen en om een goed woon- en leefklimaat te borgen. Reclamant vindt dat een globaal plan zoals dit geen goede ruimtelijke ordening waarborgt voor omwonenden.
Zie thema Geluid.
662
123 192 1437
123 192 1438
Reclamant verwijst naar de memorie van toelichting op de Omgevingswet ten aanzien van het vooroverleg en de milieugebruiksruimte. Reclamant merkt op dat uit de planregels blijkt dat het bevoegd gezag waarde hecht aan het vooroverleg maar dat er geen verplichting is opgenomen om hieraan uitvoering te geven. Reclamant vindt dat een dergelijke verplichting wel opgenomen moet worden. Reclamant geeft daarnaast aan dat het maximaliseren van vrij beschikbare gebruiksruimte het uitgangspunt moet zijn en getuigt van een goede ruimtelijke ordening. Reclamant geeft aan dat een initiatiefnemer echter vooral belang heeft bij weinig beperkingen ten aanzien van de bedrijfsvoering. Reclamant vraagt zich dan ook af hoe op dit moment geborgd is dat ondernemers bereid zijn te investeren in geluidreducerende behuizing voor de beoogde activiteiten op hun bedrijfsperceel en er zo min mogelijk aanspraak wordt gemaakt op de beschikbare gebruiksruimte. Zie thema Geluid. In de planregels ontbreken voor reclamant belangrijke maatregelen voor geluid, zoals behuizingsmaatregelen, het voorkomen van geluid doorlatende openingen in gebouwen of, indien dit onmogelijk is het toepassen van geluidabsorptie en het dichten van kieren.
Daarnaast is niet geborgd dat de geluidbronnen zover mogelijk van geluidgevoelige omgeving moeten worden geplaatst en dat bedrijfsgebouwen voorzien worden van toereikende geluidsisolerende gevels en daken. Ook ontbreken regels waarmee een open bedrijfsterrein en zicht op geluidmakende bedrijfsactiviteiten wordt voorkomen en die, als een open bedrijfsterrein onontkoombaar is, voorzien in een gasdichte aaneengesloten geluidreducerende terreinafscheiding van voldoende hoogte. Geluidhinder op woningen kan volgens reclamant worden voorkomen door geluidmakende activiteiten te laten plaatsvinden in goed geluidsisolerende compartimenten. Reclamant vraagt zich verder af hoe zwaardere maatregelen bij uitbreiding van activiteiten bij de initiële vergunningverlening worden geborgd. Ook algemene beleidsregels ontbreken waar het gaat om geluid. Ook daarop kan volgens reclamant niet worden teruggevallen. Zie thema Geluid.
663
123 192 1439
Reclamant stelt dat het huidige ontwerp later gegarandeerd voor problemen gaat zorgen. Reclamant geeft aan dat het van belang is om planregels op te nemen om tot afgewogen goede ruimtelijke ordeningsmaatregelen te komen waarmee de minimaal toe te kennen geluidsafstand kan worden bepaald. Dat is wat vooroverleg volgens reclamant betekent als bedoeld in de memorie van toelichting van de Omgevingswet. Voor alle partijen zou dan op basis van de ingediende aanvragen om een omgevingsvergunning voor bouwen en de aangevraagde bedrijfsvoering alsmede de voorschriften concreet zichtbaar zijn waaraan moet worden voldaan. Volgens reclamant mist de planwetgever een kans om een goede ruimtelijke ordening voor omwonenden te garanderen, doordat vooroverleg in het licht van de Omgevingswet niet is voorgeschreven. Tevens wijst reclamant erop dat concrete planregels in het bestemmingsplan ontbreken die houvast geven ten aanzien van borging van het beperken van geluidhinder. Het hanteren van indicatieve afstanden in de Staat van Inrichtingen ontleend aan de VNG-brochure biedt volgens reclamant onvoldoende zekerheid. Individuele ondernemers zullen volgens reclamant aansluiting zoeken bij de normen van het Activiteitenbesluit milieubeheer.
Dit leidt volgens reclamant tot een overschrijding van de toegekende gebruiksruimte met als gevolg langdurige procedures waarin initiatiefnemers en omwonenden, in het kader van vergunningverlening en handhavingsprocedures, recht tegenover elkaar komen te staan. Reclamant stelt dat er een plicht bij de planwetgever ligt om voorgaande te voorkomen. Reclamant is van mening dat in de huidige regels over geluid geen verplichtingen voortvloeien om een goede ruimtelijke ordening te borgen. Hierdoor is volgens reclamant sprake van onaanvaardbare 'symboolregelgeving'. Zie thema Geluid.
664
123 192 1440
Reclamant mist in de planbeschrijving en in het MER het referentieniveau van het omgevingsgeluid waarin woningen zich nu bevinden en waaraan een zeker geluidbeschermingsrecht kan worden toegekend. Met het ref erentieniveau moet volgens reclamant rekening worden gehouden bij de vraag of een toename van geluid zich wel verhoudt tot een goede ruimtelijke ordening. Onder verwijzing naar artikel 2.19a en 1.1 van het Activiteitenbesluit geeft reclamant in zijn/haar zienswijze aan hoe dit ref erentieniveau normaliter tot stand komt en hoe dit moet worden gezien. Reclamant stelt dat, nu in het plan het bepalen van het referentieniveau is nagelaten, de graadmeter of gekomen kan worden tot een goede ruimtelijke ordening, ontbreekt. Ook mist reclamant in het plan aandacht voor het feit dat de verandering van geluiddempend 'agrarisch' bodemoppervlak naar verhard oppervlak (het bedrijventerrein) invloed heef t op de geluidstoename. Het plan voorziet niet in een regeling waarbij deze waarneembare toename (van naar schatting maximaal 4 dB) wordt gereduceerd. Reclamant stelt dat dit zich slecht verhoudt met een goede ruimtelijke ordening. Zie thema Geluid.
665
123 192 1441
Reclamant maakt bezwaar tegen de huidige regels, in de ogen van reclamant 'symboolplanregels', in het plan. Hooguit kunnen de huidige regels leiden tot de conclusie dat 'er goed ruimtelijk geordend KAN worden' en niet tot het oordeel 'er IS goed ruimtelijk geordend', aldus reclamant. Reclamant maakt bezwaar tegen besluitvorming waarbij wordt aangesloten op de normering van het Activiteitenbesluit, dan wel bij de VNG - gemengd gebied beoordeling. Het hanteren van laatstgenoemde regelgeving zorgt voor onvoldoende borging van een goed woon- en leef klimaat volgens reclamant. De in de Bedrijvenlijst opgenomen indicatieve categorie-afstanden, ontleend aan de brochure bijlage 1 hebben namelijk met elkaar gemeen dat op die afstanden aan dezelfde geluidgrenswaarden wordt voldaan zonder dat aandacht wordt besteed aan de vraag welke geluidreducerende behuizing daar dan bij hoort. Dat betekent dat alleen wanneer in de planregels concrete eisen zouden worden gesteld aan geluidreducerende behuizing, per afzonderlijk genoemde bedrijfsactiviteit gekomen kan worden tot feitelijk juiste af standen. Zelfs bij meer dan 1 genoemde bedrijfsactiviteit zou dan zonder het tegendeel uit te sluiten- gekomen kunnen worden tot bijvoorbeeld een kortere afstand dan voor elke activiteit afzonderlijk genoemde indicatieve afstand. Dit is ten onrechte niet gebeurd.
Reclamant stelt dat de maatstaf zou moeten zijn 'een goede ruimtelijke ordening' en niet normering uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. Reclamant maakt bezwaar op het ontbreken van borging in de planregels van een concreet toetsingskader op basis waarvan, via vooroverleg na akoestisch onderzoek, een aanvraag voor een omgevingsvergunning tot stand kan komen, waarover al dan niet gelijktijdig met een categoriegelijkstellingsbesluit besloten wordt tot het verlenen van een bouw- en milieuvergunning(omgevingsvergunning). Reclamant verzoekt daarom om de plannen af te keuren en de bescherming van burgers op de eerste plaats te stellen. Reclamant behoudt zich het recht voor om, na verdere bestudering van de plannen, nieuwe zienswijzen en aanvullende bezwaren in te dienen. Zie thema Geluid.
666
123
-
1442
Reclamant merkt op dat het plan nadelige gevolgen heeft voor de gezondheid vanwege de toename van fijnstof. Door het extra verkeer van de bedrijven en de bedrijfsprocessen zal de hoeveelheid fijnstof toenemen. Nu wordt een deel van de huidig aanwezige fijnstof geabsorbeerd door zachte ondergronden, zoals de aanwezige gewassen op de landbouwgronden. Het merendeel hiervan wordt straks echter verhard terrein. Vooral het fijnstof dat neerslaat op de zonnepanelen wordt door het gladde oppervlak en de open structuur van de installaties, waar de wind onder en boven de panelen vrij spel heeft, minder goed vastgehouden en zal zich door de overheersende westenwind gemakkelijker verspreiden over de woning van reclamant. Daarnaast vindt reclamant dat het bedrijventerrein met de daarmee gepaard gaande uitstoot van stikstof een uitermate ongunstige invloed zal hebben op de omgeving en dat de plannen op dit punt onvoldoende zorgvuldig zijn voorbereid en onderbouwd. Zie thema's Luchtkwaliteit, Gezondheid en Natuur.