CConstaterende datBernheze
Koppel je AI →
Document · PDF

Ruimtelijke onderbouwing 22 november 2023

Commissie Ruimtelijke Zaken 10 januari 2024, gemeente BernhezeBij agendapunt: (Ontwerp)verklaring van geen bedenkingen voor het herontwikkelen van het monumentale pand aan Kameren 4 te Heeswijk-Dinther17.292 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

De navolgende zes thema’s komen in de visie aan bod: 1. Van woesternij tot beekdal 2. Kasteelheren en hoeven 3. De vruchtbare bodem 4. Te veel nutriënten 5. Het spirituele leven 6. Ten tijde van oorlog. Belangrijke onderdelen binnen het thema ‘Kasteelheren en hoeven’ betreffen de boerderijen in Kameren, Kasteel Heeswijk, Eerst Oorste hoeve, Huis de Berkt, Meierijsche Museumboerderij en Landgoed Zwanenburg. Nergens kan de verbinding tussen het adellijk denken, doen, dromen en laten vanuit het voormalig machtscentrum Kasteel Heeswijk en het leven van alledag op de Brabantse kasteelhoeve beter verteld worden dan bij Kameren en Kasteel Heeswijk. Eén van de opgaven die er ligt is dan ook het versterken van de verbinding tussen Kasteel Heeswijk en de kasteelhoeven in Kameren. Met de beoogde herontwikkeling wordt een passende herbestemming gegeven aan één van de kasteelhoeven in Kameren. Dit betrof nog één van de laatste boerderijen nog in eigendom van de erven van de vroegere baron. Een passende herbestemming in de vorm van maatschappelijke functie zijnde een gemoedelijk ontmoetingscentrum, waarbij aandacht is voor de cultuurhistorie in de omgeving, is een passende ontwikkeling ter plaatse. Een directe link wordt gevormd met Kasteel Heeswijk en haar te versterken verbinding tussen het kasteel en de hoeven.

Bij de verbouwing wordt, met respect voor de monumentale delen van het pand, letterlijk een doorkijk gegeven vanuit het noorden richting het zuidelijk gelegen kasteel. Als gevolg van de beoogde herontwikkeling wordt het erfgoed ter plaatse duurzaam in stand gehouden, waarbij tevens een duidelijke link wordt gelegd met het verleden. Dit zowel in de verhaallijn (ontmoeting tot en met de uitvaart), de gemoedelijkheid in de agrarische sector, alsook binnen de boerderij door gebruik te maken van bijvoorbeeld informatiebordjes over het verleden van de boerderij zelf. Gesteld kan worden dat de beoogde

Crijns Rentmeesters bv

29

Ruimtelijke onderbouwing ‘Kameren 4 Heeswijk-Dinther’

herontwikkeling een goed voorbeeld betreft voor het behoud van het erfgoed binnen de gemeente. De beoogde herontwikkeling past daarmee binnen de kaders van de gemeentelijke erfgoedvisie.

3.3.3

Duurzaam mobiliteitsplan 2016-2022

De gemeenteraad van Bernheze heeft op 26 mei 2016 het ‘Duurzaam Mobiliteitsplan Bernheze 2016-2022: Uitwerking van het beleid’ vastgesteld. In dit document krijgen alle facetten van verkeeren vervoer een plaats, zoal verkeersveiligheid en bereikbaarheid en de modaliteiten openbaar vervoer, auto, fiets, voetganger, vrachtverkeer en landbouwverkeer. Navolgende speerpunten worden gehanteerd voor het beleid in het mobiliteitsplan: 1. Duurzaamheid door Voorkomen, Verkorten, Veranderen en Verschonen; 2. Stimuleren van het fietsgebruik; 3. Oplossingen zoeken voor de problematiek in het buitengebied (fietser versus (vracht)auto en landbouwverkeer, en smalle wegen in relatie tot grote voertuigen); 4. Verkeersveiligheid, vooral in de woonwijken, verbeteren met mensgerichte aanpak; 5. Ketenmobiliteit (vooral in relatie tot Openbaar Vervoer) faciliteren en promoten; 6. Stimuleren kleinschalige mobiliteitsoplossingen; 7. Inspelen op de veranderende rol van de overheid. Het mobiliteitsplan kent drie hoofddoelen: - Het mobiliteitsplan is een beleidskader zodat sturing gegeven kan worden aan de ontwikkeling van mobiliteit in de toekomst; - Het mobiliteitsplan is een beleidskader zodat verduurzaming van de mobiliteit vormgegeven kan worden; - Het mobiliteitsplan informeert de samenleving over de visie en koers voor de komende jaren als het gaat om de mobiliteit.

Ingezet wordt op duurzaamheid, waar het autobezit steeds minder belangrijk wordt maar autodelen en gedeeld autobezit belangrijker zal worden. Niettemin was anno 2016 het autobezit in Bernheze 1,3 auto’s per huishouden. Dat kwam overeen met het autobezit in de omliggende gemeenten. Parkeervoorzieningen is dan ook een belangrijk punt in het mobiliteitsplan. De gemeentelijke parkeernormen zijn vastgesteld in de ‘Parkeernormennota gemeente Bernheze’ uit 2015. Deze nota wordt in navolgende subparagraaf nader toegelicht.

3.3.4

Parkeernormennota

Sinds 2014 geldt dat parkeernormen enkel nog via bestemmingsplannen of exploitatieplannen juridisch van kracht zijn. Het is niet meer voldoende om alleen de parkeernorm te vermelden een bestemmingsplan, maar in ieder bestemmingsplan dient de gemeentelijke parkeernormensystematiek te worden vermeld. In plaats hiervan mag ook verwezen worden naar een parkeernormennota, waarin deze systematiek staat omschreven. Sinds 9 juli 2015 is in de gemeente Bernheze de ‘Parkeernormennota gemeente Bernheze’ van kracht. In de gemeentelijke nota is de beoogde voorziening binnen het besluitgebied niet specifiek opgenomen. Voor een cultureel centrum geldt een parkeernorm van 3 parkeerplaatsen per 100 m² bvo, voor een evenementenhal 11 parkeerplaatsen per 100 m² bvo en voor een begraafplaats of crematorium 30 parkeerplaatsen per uitvaart. De beoogde activiteiten vallen daar niet exact binnen.

Crijns Rentmeesters bv

30

Ruimtelijke onderbouwing ‘Kameren 4 Heeswijk-Dinther’

Het besluitgebied biedt ruimte voor 60 parkeerplaatsen voor gasten en 5 parkeerplaatsen voor personeel. Voldaan wordt aan de gemeentelijke parkeernormennota. Het aspect parkeren is ook nader toegelicht in paragraaf 2.2.6 van deze ruimtelijke onderbouwing.

3.3.5

Beleidsnotitie aanpak VAB Bernheze, Toe te passen beleidsregels

De gemeente Bernheze heeft op 14 december 2017 de ‘Beleidsnotitie aanpak VAB Bernheze, Toe te passen beleidsregels’ vastgesteld. Hoofduitgangspunt voor de beleidsnotitie is het tegengaan van verrommeling in het buitengebied door het herbestemmen of slopen van leegstaande stallen, zo nodig na een tijdelijk toegelaten afwijkend gebruik. Middels een gedegen VAB-aanpak wil de gemeente tevens de transformatie naar een duurzame en maatschappelijk geaccepteerde veehouderij ondersteunen. De gemeente Bernheze heeft op 18 april 2019 het bestemmingsplan ‘Vrijkomende Agrarische bebouwing Bernheze 2018’ en op 10 december 2020 het bestemmingsplan ‘herziening Vrijkomende Agrarische bebouwing Bernheze 2018’ vastgesteld, waarin het gemeentelijk VAB-beleid is verankerd in de regels. In het gemeentelijk VAB-beleid is een sloopbonusregeling opgenomen, waarbij is geregeld dat bij sloop van voormalige agrarische bedrijfsgebouwen maximaal 75% van de te slopen oppervlakte bedrijfsgebouwen mag worden vervangen, tot een maximum van 500 m². Het besluitgebied Kameren 4 te Heeswijk-Dinther betreft een voormalige agrarische bedrijfslocatie; een VAB. Het besluitgebied is nog als zodanig bestemd en ook de vergunning voor het houden van dieren is nog overeind. Wel is recentelijk circa 1.300 m² aan voormalige agrarische bedrijfsgebouwen gesloopt.

Deze oppervlakte agrarische bedrijfsgebouwen wordt middels onderhavige afwijking ingezet in het kader van de sloopbonusregeling. Maximaal 75% mag hiervoor worden ingezet, tot een maximum van 500 m². Met de beoogde herontwikkeling wordt uiteindelijk een tweetal nieuwe gebouwen gerealiseerd en een uitbouw aan de boerderij. In totaal wordt hiermee voorzien in 500 m² aan nieuwbouw, wat inhoudt dat slechts 38,5% wordt terug gebouwd van de voormalige agrarische bedrijfsgebouwen. Voldaan wordt hiermee aan de gemeentelijke sloopbonusregeling welke is opgenomen in het VABbeleid. Met de nieuwbouw wordt ingespeeld op de cultuurhistorie in de omgeving en wordt gewerkt met respect voor en behoud van de monumentale waarden van de boerderij.

Crijns Rentmeesters bv

31

Ruimtelijke onderbouwing ‘Kameren 4 Heeswijk-Dinther’

4.

NATUUR, CULTUURHISTORIE EN ARCHEOLOGIE

4.1 Natuur en ecologie 4.1.1

Inleiding

Natura 2000 is het Europese netwerk van beschermde natuurgebieden in de Europese Unie. Dit netwerk verbindt bestaande natuurgebieden die vallen onder de Europese Vogelrichtlijn- of de Habitatrichtlijngebieden. De Vogel- en Habitatrichtlijnen zijn bedoeld ter bescherming van bedreigde levensgemeenschappen van planten en dieren en bedreigde soorten van planten en dieren en hun leefgebieden. De Vogel- en Habitatrichtlijnen zijn geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving middels de Wet natuurbescherming. Deze wet is op 1 januari 2017 in werking getreden.

4.1.2

Gebiedsbescherming

4.1.2.1 Natura-2000 De Wet natuurbescherming voorziet in specifieke kaders voor gebieden die op grond van internationale verplichtingen moeten worden beschermd, te weten de Natura-2000 gebieden, bedoeld in de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Ten aanzien van de gebiedsbescherming is het de bedoeling dat plannen en projecten eenduidig en integraal worden getoetst op hun invloed op de te beschermen natuurwaarden in de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden. In de wijde omgeving van het besluitgebied zijn geen Natura-2000 gebieden gelegen. Het meest dichtbij gelegen Natura 2000gebied betreft de ‘Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek’ op een afstand van circa 12 kilometer tot het besluitgebied. Op zodanig grote afstand heeft de beoogde ontwikkeling geen effect op het Natura 2000-gebied. 4.1.2.2 Natuurnetwerk Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. In de wet heet dit de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het besluitgebied is niet gelegen in het Natuurnetwerk Nederland of het Natuurnetwerk Brabant (NNB). Wel is op circa 150 meter ten zuiden van het besluitgebied het NNB gelegen, zijnde de gronden rondom Kasteel Heeswijk.

Als gevolg van de beoogde herontwikkeling wordt echter een voormalige agrarische bedrijfslocatie herontwikkeld, waarbij veel aandacht is voor de groene omgeving. De beoogde herontwikkeling zal geen negatief effect hebben op het NNB. 4.1.2.3 Stikstof Het Programma Aanpak Stikstof (PAS) regelt sinds 2015 de ruimte voor economische ontwikkelingen die gepaard gaan met de uitstoot van stikstof nabij Natura 2000-gebieden. Enerzijds heeft het PAS tot doel het behoud en herstel van de Natura 2000-gebieden. Anderzijds creëert het PAS door de reductie van stikstof ruimte voor nieuwe economische ontwikkelingen, zoals de verbreding van een snelweg, woningbouw of de uitbreiding van een veehouderij. Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State einduitspraken gewezen in enkele procedures tegen het Programma Aanpak Stikstof. De Afdeling komt tot de conclusie dat de passende beoordeling die aan het PAS ten grondslag ligt niet voldoet aan de eisen die het Hof van

Crijns Rentmeesters bv

32

Ruimtelijke onderbouwing ‘Kameren 4 Heeswijk-Dinther’

Justitie van de Europese Unie (het Hof) daaraan stelt. De Afdeling heeft bepaald dat de PAS niet meer gehanteerd kan worden als toetsingskader voor projecten. Het Hof oordeelt dat zeker gesteld moet zijn dat een ontwikkeling geen nadelige gevolgen heeft voor een Natura 2000-gebied. Met AERIUS Calculator kan de uitstoot van stikstof en de neerslag daarvan op Natura 2000-gebieden die het gevolg is van een ontwikkeling worden berekend. Ten aanzien van de zowel de uitvoer- als de gebruiksfase is een AERIUS-berekening uitgevoerd met AERIUS versie oktober 2023. Voor de gebruiksfase is gerekend met 60 auto’s per (werk)dag en enkele busjes per week voor onder anderen leveranciers. Op termijn komt daar tevens 42 vervoersbewegingen per week bij voor de resomeerruimte. Deze vervoersbewegingen zijn in de berekening reeds meegenomen. Voor de uitvoerfase zijn zo realistisch mogelijke aannames gedaan, waarbij rekening is gehouden met de maximale invulling van de locatie. Hierbij is eveneens reeds rekening gehouden met de op termijn te realiseren resomeerruimte. Uit de berekeningen blijkt dat de beoogde herontwikkeling niet leidt tot rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. De export van de Aeriusberekeningen is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Gesteld kan worden dat de beoogde herontwikkeling geen significante negatieve effecten heeft op Natura 2000-gebieden.

4.1.3

Soortenbescherming

Om de instandhouding van de wettelijke beschermde soorten te waarborgen, moeten negatieve effecten op die instandhouding voorkomen worden. Bij de totstandkoming van een nieuw bestemmingsplan waarbij functies gewijzigd worden, moet worden voorkomen dat conflicten met beschermde dier- en plantensoorten ontstaan en dient vooraf een beoordeling plaats te vinden. Als gevolg van de beoogde herontwikkeling wordt geen bebouwing meer gesloopt en gaan ook geen landschapselementen verloren. Wel wordt de boerderij verbouwd. Verwacht wordt dat als gevolg hiervan geen soorten worden verstoord of aangetast, daar geen essentiële delen verdwijnen of worden verplaatst waarin zich soorten kunnen bevinden. Niettemin zal een quickscan flora en fauna worden uitgevoerd waaruit dit zal moeten blijken. De rapportage zal als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing worden gevoegd. Ter plaatse van de beoogde herontwikkeling, rondom de boerderij, is enkel sprake van agrarisch grasland, welke regelmatig wordt gemaaid dan wel bewerkt. Niet aannemelijk wordt geacht dat ter plaatse sprake is van flora- of faunawaarden. Met de beoogde ontwikkeling gaan dan ook geen floraof faunawaarden verloren. Enkel sprake zal zijn van de toevoeging van landschapselementen, wat ten goede komt van de flora- en faunasoorten in de omgeving.

De beoogde herontwikkeling is derhalve in het kader van de Wet natuurbescherming geen bezwaar. Dit zal met de quickscan nog nader worden toegelicht.

4.2 Cultuurhistorie 4.2.1

Beleidskader

Als gevolg van de Wet Modernisering Monumentenzorg dient binnen een ruimtelijk plan aandacht aan cultuurhistorie te worden besteed. Cultuurhistorie dient gebiedsgericht benaderd te worden, waarbij niet te veel focus op losse elementen ligt, maar meer op samenhang en context. Het karakter van een gebied of structuur is hierbij een uitgangspunt.

Crijns Rentmeesters bv

33

Ruimtelijke onderbouwing ‘Kameren 4 Heeswijk-Dinther’

4.2.2 4.2.2.1

Cultuurhistorie in omgeving besluitgebied Cultuurhistorisch Landschap

Het besluitgebied is gelegen binnen het cultuurhistorisch landschap ‘Groene Woud’, binnen het cultuurhistorisch vlak behorende bij ‘Kasteel Heeswijk’. Het gebied ligt tussen de Gouverneursweg en de Zuid-Willemsvaart en bestaat uit bossen, landbouwgronden en lanen rondom Kasteel Heeswijk. Heeswijk is gebouwd in de twaalfde eeuw. Tussen 1400 en 1700 en opnieuw tussen 1835 en 1880 hebben belangrijke veranderingen plaatsgevonden, waaronder de verbouwing van het kasteel in neogotische stijl. Tussen de Gouverneursweg en de huidige loop van de Aa is afwisselend grasland en bouwland te vinden. De oude loop van de Aa kronkelt door het landschap. Langs de beek liggen enkele grienden. Op wat hoger gelegen gronden liggen productiebossen met grove dennen, populieren en enkele relicten van hakhout op rabatten. Er is een waardevolle zichtrelatie vanuit het kasteel met verschillende delen van het park. Er is een relatie tussen het kasteel en de lage gronden in het beekdal van de Aa. Ook vanuit het besluitgebied is zicht op het kasteel, door de waardevolle zichtrelaties. De waarden en kenmerken binnen het gebied zijn voornamelijk de historische gebouwen: kasteel, dienstwoningen, oranjerie annex koetshuis, moestuin met kas, de pachtboerderijen, maar ook de laanstructuur, de hakhoutbosjes, de oude meander van de Aa en de parkaanleg.

Met de beoogde inrichting van het besluitgebied wordt ingespeeld op het cultuurhistorische landschap door tevens te werken met een parkachtige structuur waar men tot rust kan komen. Ingespeeld wordt ook op de zichtrelatie richting het kasteel, vanuit het ‘symbolische waterelement’, door de bebouwing, richting het kasteel. 4.2.2.2 Cultuurhistorisch waardevol complex Het besluitgebied is daarmee ook gelegen binnen het complex van cultuurhistorisch belang, behorende bij het landgoed van Kasteel Heeswijk. Dit complex is cultuurhistorisch van belang vanwege de industriële complexen, kloosters, landgoederen en militaire complexen welke kenmerkend zijn voor Brabant. Kasteel Heeswijk gaat terug op een mottekasteel, een kasteel op een ronde kunstmatige heuvel, van rond het jaar 1100. Het huidige kasteel, gelegen binnen een gracht, heeft een onregelmatige plattegrond. Het oudst zijn delen van de weermuur, die nog van rond 1350 dateren. Een deel van de noordelijke woonvleugel met twee ronde hoektorens en een arkeltoren stamt nog uit het begin van de 15e eeuw. Later is het kasteel nog flink verbouwd en uitgebouwd. Het kasteel ligt in een park met oprijlanen, zichtassen en diverse monumentale bomen. In dit park staan een orangerie annex koetskuis en een dienstwoning in neogotische stijl, in 1880 gebouwd.

Het kasteel heeft een samenhang met landgoed Zwanenburg, dat iets verderop in het beekdal van de Aa ligt. Met de beoogde herontwikkeling wordt een aanzienlijke toegevoegde waarde geleverd voor het cultuurhistorisch waardevolle complex. De boerderij binnen het besluitgebied betreft één van de oude pachtboerderijen van het kasteel. Dit komt met de renovatie ook tot uiting in het interieur en exterieur. Oude elementen blijven behouden of worden terug gebracht. De locatie krijgt bovendien de naam ‘Hart van Kameren’, waarbij ingespeeld wordt op de cultuurhistorie in de omgeving. Kameren is de naam van het buurschap waarin het besluitgebied is gelegen. In 1840 omvatte het buurtschap 18 huizen en 145 inwoners. Momenteel bestaat het uit nog slechts 15 huizen en 35

Crijns Rentmeesters bv

34

Ruimtelijke onderbouwing ‘Kameren 4 Heeswijk-Dinther’

inwoners. Geografisch gezien ligt de boerderij binnen het besluitgebied in het hart van het buurtschap, en initiatiefnemer hecht waarde aan deze benaming en voert het bedrijf vanuit het hart. 4.2.2.3 Historische geografische lijn Het besluitgebied is gelegen aan een aftakking van Kameren, welke in het zuiden uit komt op de Gouverneursweg. Dit betreft volgens de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart een lijn van hoge waarde. Met de beoogde herontwikkeling zal het aantal vervoersbewegingen van personenvervoer toenemen. Ter plaatse is dan ook onderzoek gedaan naar de kwaliteit van de bomen en tevens het pad, zijnde een karrespoor. Geconcludeerd wordt dat de beoogde herontwikkeling geen afbreuk zal doen aan de historische geografische lijn waaraan het besluitgebied is gelegen. 4.2.2.4 Historisch groen De oprijlaan bevindt zich temidden van het historische groen in de omgeving. In de omgeving betreft dit voornamelijk bos, houtwal, laanbeplanting, het park en de perceelsrandbegroeiing bij Kasteel Heeswijk. De groenstructuren hebben een zeer hoge cultuurhistorische waarde. De laanbomen aan en aansluitend op het besluitgebied hebben eveneens hoge cultuurhistorische waarden. Uit de Bomen Effect Analyse blijkt dat de meeste bomen hoge waarde kennen en zullen als gevolg van de beoogde herontwikkeling ook grotendeels behouden blijven en beschermd.

Dit aspect is nader uitgewerkt in het landschapsplan welke is toegevoegd als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing en toegelicht in paragraaf 2.2.5 van deze ruimtelijke onderbouwing.

4.2.3

Cultuurhistorie binnen besluitgebied

De boerderij ter plaatse van het besluitgebied Kameren 4 is één van de vele boerderijen die behoren tot de landerijen van Kasteel Heeswijk. Deze boerderijen zijn herkenbaar aan het zandlopermotief in de kleuren blauw/geel op de deuren en luiken. Kameren 4 wordt ook wel De Zeelse Hoef genoemd en ligt prominent op een verhoging met bolle akkers aan de rand van het Aa-dal. De boerderij betreft een gemeentelijk monument. Door Schamp Bouwkundig Advies is, tezamen met Jos Bertens, een bouwhistorische verkenning uitgevoerd, waaruit ook een waardestelling voortvloeit met tevens aanbevelingen voor het behoud van de boerderij. Men is tevens gedoken in de geschiedenis van de boerderij en de ligging ervan in de omgeving. De boerderij blijkt een lange geschiedenis te kennen. De boerderij is een statige langgevelboerderij uit 1872. Op de kadasterkaart van 1832 staat op de zelfde locatie een hoekboerderij; een boerderijtype dat in het verleden in de Meierij veelvuldig voorkwam. Bij de hoekboerderij bevindt zich een schuur en enkele kleine bijgebouwtjes, waaronder wellicht een bakhuis. De meeste hoekboerderijen zijn in de loop van de 19e eeuw afgebroken of verbouwd ten behoeve van het toen moderne langgeveltype. Deze voormalige hoekboerderij aan Kameren 4 is in 1869 afgebrand. Bij de huidige boerderij zijn in de binnenmuren stenen verwerkt die afkomstig zijn van deze afgebrande hoekboerderij.

Door haar lengte, de hoge voorgevel en de prominente ligging is het gebouw in de gehele omgeving één van de rijkste voorbeelden van het langgeveltype. In 1835 werd de boerderij, tegelijk met het kasteel en andere boerderijen, gekocht door de Baron André van den Bogaerde van Terbrugge. Hij was de Gouverneur des Konings van de provincie Noord-Brabant en werd de nieuwe bewoner van het kasteel. In de omgeving van het kasteel werden in de loop van de tijd meerdere boerderijen door de baron en later zijn zonen aangekocht. Op het eind van de 19e eeuw had Kasteel Heeswijk 77 kasteelhoeven, verspreid over de provincie. Alle

Crijns Rentmeesters bv

35

Ruimtelijke onderbouwing ‘Kameren 4 Heeswijk-Dinther’

boerderijen werden pachthoeven. Sedert de dood van de laatste baron en barones in de vroege jaren zeventig van de vorige eeuw is een deel van het boerderijenbezit geleidelijk overgegaan in particuliere handen. De boerderij Kameren 4 is één van de laatste boerderijen in bezit geweest van de erven van de baron en barones. (Bron: Bouwhistorische verkenning met waardestelling en aanbeveling, Schamp Bouwkundig Advies). Initiatiefnemer is de eerste particuliere eigenaar van de boerderij. Navolgend is een luchtfoto weergegeven van de boerderij uit de vroege jaren vijftig.

Figuur 15: Luchtfoto uit de vroege jaren vijftig (Bron: Bouwhistorische verkenning met waardestelling en aanbeveling)

Met de beoogde herontwikkeling wordt een passende herbestemmming gegeven aan de cultuurhistorisch waardevolle boerderij aan Kameren 4. Flink geïnvesteerd wordt in de verbouwing met voornamelijk het behoud en duurzame onderhoud van de waarden tot doel. Nagenoeg op de zelfde plek als waar vroeger de karschop was gesitueerd wordt een uitbouw gerealiseerd. Dit gebeurt tevens met respect voor de historische waarden, waarbij geen afbreuk wordt gedaan aan de waarden van de boerderij. Navolgend is een schets weergegeven van de beoogde situatie na herontwikkeling. De cultuurhistorisch waardevolle boerderij is hierop duidelijk zichtbaar, met tevens de nieuwbouw en uitbouw, eveneens met een historisch uiterlijk, waarmee een waardevol ensemble ontstaat.

Crijns Rentmeesters bv

36

Ruimtelijke onderbouwing ‘Kameren 4 Heeswijk-Dinther’

Figuur 16: Beoogde invulling besluitgebied met cultuurhistorisch ensemble

De beoogde herontwikkeling betreft daarmee een passende ontwikkeling met enkel toegevoegde waarde voor de cultuurhistorie binnen het besluitgebied en het cultuurhistorisch waardevolle complex. De beoogde plannen zijn reeds uitgebreid besproken met de monumentencommissie. Met een aantal aanbevelingen zijn plannen tussentijds minimaal gewijzigd, waarna akkoord kan worden gegeven op het aspect cultuurhistorie.

4.3 Archeologie 4.3.1

Inleiding

In de Erfgoedwet is onder meer opgenomen dat er bij bouwwerkzaamheden met een oppervlakte van meer dan 100 m² op locaties die zijn gelegen in een gebied dat is aangeduid met middelhoge- of hoge archeologische verwachtingswaarden, archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd. Voorkomen moet worden dat archeologische waarden verloren gaan. Als uitgangspunt wordt gehanteerd dat archeologische waarden in situ bewaard moeten blijven. Dat wil zeggen, dat er naar gestreefd moet worden om de waarden op de locatie te behouden. Als dit niet mogelijk blijkt, bijvoorbeeld bij realisatie van bouwplannen, dan moeten de waarden worden opgegraven en ex situ worden bewaard.

4.3.2

Gemeentelijk archeologiebeleid

De gemeente Bernheze heeft in navolging van het Rijksbeleid een eigen gemeentelijk archeologiebeleid geformuleerd. Dit archeologiebeleid bestaat uit de ‘Nota Archeologiebeleid gemeente Bernheze’ en de ‘Archeologische Verwachtings- en Beleidsadvieskaart Gemeente Bernheze’. Op basis van deze documenten, is de gemeente Bernheze in staat om op verantwoorde wijze een archeologiebeleid te implementeren. Met dit beleid wordt een juiste balans gevonden tussen een goede omgang met het archeologisch erfgoed en andere maatschappelijke belangen die bij planontwikkelingen moeten worden gewogen. Navolgende figuur betreft een uitsnede van de ‘Archeologische Verwachtings- en Beleidsadvieskaart Gemeente Bernheze’ waarop het besluitgebied is aangeduid in de zwarte cirkel.

Crijns Rentmeesters bv

37

Ruimtelijke onderbouwing ‘Kameren 4 Heeswijk-Dinther’

Figuur 17: Uitsnede van de Archeologische Verwachting- en Beleidsadvieskaart Gemeente Bernheze

Het besluitgebied valt op grond hiervan binnen categorie 4: ‘Gebieden met een hoge archeologische verwachting’. In deze gebieden geldt een onderzoeksplicht naar archeologische waarden bij bodemverstoring bij een oppervlakte van meer dan 250 m² en een verstoringsdiepte van meer dan 40 centimeter beneden maaiveld.

4.3.3

Toetsing besluitgebied

Ter plaatse van het besluitgebied was in het verleden sprake van een veehouderij. De stallen waren destijds voorzien van mestkelders, waarmee de bodem aldaar tot een diepte van 2,5 tot 3 meter beneden maaiveld is verstoord. Navolgend is een uitsnede weergegeven van een bouwtekening uit 1993 van één van de bedrijfsgebouw.

Figuur 18: Uitsnede bouwtekening bedrijfsgebouw met mestkelder

Navolgend is ook een aantal foto’s weergegeven van het besluitgebied van tijdens de sloop. Hieruit is duidelijk op te maken dat de bodem ter plaatse aanzienlijk is verstoord.

Crijns Rentmeesters bv

38

Ruimtelijke onderbouwing ‘Kameren 4 Heeswijk-Dinther’

Figuur 19: Foto’s van tijdens sloop

De agrarische gronden rondom het besluitgebied zijn altijd in gebruik geweest voor de agrarische bedrijfsvoering, waar altijd flink is geploegd. De bodem binnen en rondom het besluitgebied is reeds zodanig verstoord, dat gesteld kan worden dat ter plaatse geen sprake kan zijn van archeologische resten. De beoogde herontwikkeling zal geen bodemverstoring tot gevolg hebben over een oppervlakte van meer dan 250 m² en dieper dan 0,4 meter beneden maaiveld, daar waar de bodem niet reeds is verstoord. Een archeologisch onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht.

Crijns Rentmeesters bv

39

Ruimtelijke onderbouwing ‘Kameren 4 Heeswijk-Dinther’

5.

MILIEUASPECTEN

5.1 Bodemkwaliteit Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient te zijn aangetoond dat de bodem geschikt is voor de beoogde functie. Ter plaatse is dan ook een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Navolgende conclusies en aanbevelingen komen voort uit het uitgevoerde bodemonderzoek: “Resultaten verkennend bodemonderzoek Uit de resultaten blijkt dat de bovengrond plaatselijk sporen tot zwakke baksteenbijmengingen bevat. Tijdens de veldwerkzaamheden is op het maaiveld plaatselijk 1 plaatje asbestverdacht materiaal aangetroffen. In de opgeboorde grond is visueel geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Voor het overige zijn geen bodemvreemde bijmengingen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van bodemverontreiniging. Analytisch blijkt dat zowel de bovengrond als de ondergrond niet verontreinigd te zijn met de onderzochte parameters. Het grondwater is licht verontreinigd met barium, molybdeen, nikkel en/of minerale olie. Hiermee dient de hypothese 'onverdacht' formeel te worden verworpen. Aangezien in de vaste bodem geen verhogingen van de aangetoonde parameters zijn aangetoond, is het zeer onwaarschijnlijk dat sprake is van een bron op de locatie die in verband kan worden gebracht met de aangetoonde licht verhoogde gehaltes in het grondwater. Dergelijke licht verhoogde gehalten worden vaker in het grondwater van de regio aangetoond.

Derhalve kan gesteld worden dat sprake is van lokale, van nature aanwezige, verhoogde achtergrondwaarden en is nader onderzoek, ons inziens, niet zinvol. Conclusies en aanbevelingen Met het verkennend bodemonderzoek is de huidige bodemkwaliteit van de onderzoekslocatie, ons inziens, voldoende vastgelegd. Op basis van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem bestaan, ons inziens, geen belemmeringen voor de voorgenomen aankoop, bestemmingsplanwijzigingen en nieuwbouw. Vervolgonderzoek wordt niet zinvol geacht. Bij afvoer van grond dient rekening te worden gehouden met de regels van het Besluit Bodemkwaliteit. Indicatief voldoet zowel de vrijkomende bovengrond als ondergrond van het perceel aan de klasse AW2000. Een bodemonderzoek is een momentopname en een indicatie van de kwaliteit van grond en grondwater. Bij werkzaamheden in de bodem dient rekening te worden gehouden met de veiligheidsmaatregelen conform de CROW-publicatie 400 ‘werken met verontreinigde grond en grondwater’.” De volledige rapportage (Milieupartner BV, projectnummer 22.1027, d.d. 28 november 2022) is als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing gevoegd.

Crijns Rentmeesters bv

40

Ruimtelijke onderbouwing ‘Kameren 4 Heeswijk-Dinther’

5.2 Water 5.2.1

Inleiding

Het doel van de watertoets is te waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante plannen en besluiten. Een watertoets maakt mogelijke negatieve invloeden van het initiatief inzichtelijk. Tevens geeft de watertoets oplossingsrichtingen aan waarmee mogelijke optredende negatieve invloeden beperkt of ongedaan gemaakt kunnen worden. Het waterschap heeft een aantal principes geformuleerd, die van belang zijn als vertrekpunt van het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. Het besluitgebied is gelegen in het beheergebied van Aa en Maas.

5.2.2

Beleidskader

5.2.2.1 Waterbeheerplan Het waterbeheerplan van het waterschap is gericht op het streven naar een duurzame situatie op de lange termijn. Het beheer van de waterketen komt in beeld naast het tegemoet komen aan de wensen vanuit het bestaande grond- en watergebruik. In het waterbeheerplan wordt op hoofdlijnen aangegeven wat het waterschap de komende jaren gaat doen om het streefbeeld te bereiken, zoals verwoord in de nota Visie op water. De huidige situatie is daarbij het uitgangspunt. Een nadere invulling voor de beleidslijnen voor gebieden is niet opgenomen in het waterbeheerplan. Een gebiedsgerichte uitwerking dient plaats te vinden in nauwe samenwerking met betrokken partijen in een gebied. Afspraken over de door te voeren maatregelen kunnen worden vastgelegd in overeenkomsten. 5.2.2.2 Keur Voor waterhuishoudkundige ingrepen in het besluitgebied is de Keur Waterschap Aa en Maas van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Op grond van de Keur is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor het onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd, zonder een ontheffing van het waterschap. Het besluitgebied is niet gelegen binnen een keurbeschermingsgebied, wel in een attentiegebied.

Ontwikkelingen binnen het attentiegebied mogen niet leiden tot een negatief effect op de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse. Met de beoogde herontwikkeling wordt een passende herbestemming gegeven aan een voormalige agrarische bedrijfslocatie. Recentelijk zijn alle voormalige agrarische bedrijfsgebouwen met een oppervlakte van circa 1.300 m² gesloopt. Daarvoor in de plaats wordt circa 500 m² aan nieuwe aanbouw en bijgebouwen gerealiseerd. De oppervlakte verharding neemt dan ook ten opzichte van de recente geschiedenis niet toe. Binnen en rondom het besluitgebied is wel sprake van sloten, niet zijnde A- of B-watergangen. Wel is sprake van leggerwatergangen, waarbij op basis van modellen vanuit het waterschap te zien is dat bij extreme situaties van piekbuien wateroverlast kan voorkomen. Bij de realisatie van de plannen wordt dan ook aangeraden om ter plaatse van de nieuwe bebouwing en de parkeerplaats de grond voldoende op te hogen ter voorkoming van wateroverlast.

Crijns Rentmeesters bv

41

Ruimtelijke onderbouwing ‘Kameren 4 Heeswijk-Dinther’

5.2.2.3 Principes waterschap Aa en Maas Bij ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder ver- en nieuwbouwplannen, hanteert het waterschap een aantal uitgangspunten ten aanzien van het duurzaam omgaan met water, die van belang zijn als vertrekpunt van het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient de initiatiefnemer hier invulling aan te geven. Waterschap Aa en Maas hanteert navolgende principes: -

wateroverlastvrij bestemmen; gescheiden houden van vuil en schoon hemelwater;

-

doorlopen van de afwegingsstappen hergebruik-infiltratie-buffering-afvoer; hydrologisch neutraal ontwikkelen;

-

water als kans; meervoudig ruimtegebruik;

-

voorkomen van vervuiling; waterschapsbelangen.

5.2.2.4

Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hanteren dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn geformuleerd in de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn, veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 500 m², 500 m² tot 10.000 m² en meer dan 10.000 m². Met de beoogde herontwikkeling wordt maximaal 500 m² aan aanbouw en bijgebouwen gerealiseerd, met tevens parkeergelegenheid in de vorm van halfverharding en erfverharding anderszins. Daar tegenover staat echter dat recentelijk circa 1.300 m² aan voormalige agrarische bedrijfsgebouwen met daar bij behorende erfverharding is gesloopt.

De oppervlakte verharding zal ten opzichte van de recente geschiedenis dan ook niet toenemen. Een compensatie voor waterberging wordt dan ook op grond van waterschapsbeleid niet vereist. Het hemelwater afkomstig van het verhard oppervlak mag naar bestaand oppervlaktewater worden afgevoerd. Op vrijwillige basis is de aanleg van een infiltratievoorziening toegestaan, mits daarbij in voldoende mate met de omgeving rekening gehouden wordt en geen wateroverlast op eigen terrein of bij derden ontstaat.

5.2.3

Gemeentelijk beleid

In verband met voorkomende wateroverlast binnen de gemeente Bernheze wordt door de gemeente in afwijking van de beleidsregel ‘Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’, eveneens een compensatie verlangd voor het bergen van hemelwater bij een nieuw verhard oppervlak met een omvang van minder dan 500 m². De bergingsbehoefte wordt daarbij bepaald op basis van 60 mm. per m².

Crijns Rentmeesters bv

42

Ruimtelijke onderbouwing ‘Kameren 4 Heeswijk-Dinther’

5.2.4 5.2.4.1

Waterparagraaf Bodemsamenstelling en geohydrologische situatie

Het besluitgebied bestaat grotendeels uit hoge zwarte enkeerdgronden, leemarm en zwak lemig fijn zand (zEZ21). Voor het meest oostelijke deel bestaat het besluitgebied uit laarpodzolgronden, leemarm en zwak lemig fijn zand (cHn21). De gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) bedraagt gedeeltelijk tussen de 60 en 80 centimeter beneden maaiveld en gedeeltelijk tussen de 80 en 100 centimeter beneden maaiveld. Navolgend is een uitsnede weergegeven van de kaart waarop de GHG ter plaatse van het besluitgebied is weergegeven. Het besluitgebied is hierop weergegeven met zwarte bolletjeslijn.

Figuur 20: GHG ter plaatse van besluitgebied

5.2.4.2

Hydrologisch neutraal ontwikkelen

Ter plaatse van het besluitgebied wordt maximaal 500 m² aan nieuwe bebouwing verwacht en circa 1.000 m² aan erfverharding. Derhalve geldt een bergingsopgave van (1.500 x 0,06 =) 90 m³. Zorg wordt gedragen voor realisatie van deze waterberging binnen het besluitgebied en direct daarop aansluitend. Rondom het besluitgebied is sprake van sloten, waarop het hemelwater natuurlijk zal afvloeien. Op navolgende figuur is duidelijk de bestaande sloot te zien in de huidige situatie, bezien vanuit het noorden richting het zuiden.

Crijns Rentmeesters bv

43

Ruimtelijke onderbouwing ‘Kameren 4 Heeswijk-Dinther’

Figuur 21: Bestaande sloot, gezien vanuit het noorden

De gronden rondom het besluitgebied bieden tevens voldoende ruimte om een laagte op het perceel te creëren; een wadi. Deze wadi dient dan altijd te worden gerealiseerd boven de GHG, zodat hemelwater ter plaatse kan infiltreren. Gesteld kan worden dat kan worden voldaan aan de benodigde hemelwaterberging als gevolg van de beoogde erfverharding binnen het besluitgebied. 5.2.4.3 Kwaliteit van te lozen en infiltreren hemelwater Om de kwaliteit van het hemelwater te garanderen dienen onderdelen welke met regenwater in aanraking kunnen komen, te worden vervaardigd of te bestaan uit niet-uitloogbare bouwmaterialen zoals kunststoffen of gecoat staal of aluminium (in plaats van zink, lood of asfalt etcetera). Door het gebruik van niet-uitlogende materialen komen geen verhoogde concentraties verontreinigende stoffen (DuBo-maatregelen) voor in het te infiltreren water. In de nieuwe situatie wordt alleen het huishoudelijk afvalwater geloosd op de riolering. Het schoon hemelwater wordt afgekoppeld en wordt overwegend geïnfiltreerd in de bodem. Enkel schoon regenwater mag worden geïnfiltreerd. Infiltratie van afgekoppelde verhardingen zoals opritten, parkeerplaatsen en terrassen mag niet verontreinigd zijn met chemische bestrijdingsmiddelen, olie, agressieve reinigingsmiddelen of andere verontreinigende stoffen.

5.2.4.4 Afvalwater Slechts het huishoudelijk afvalwater mag worden geloosd op de riolering. Aangesloten zal worden op de bestaande riolering aan de Gouverneursweg. Bezien zal worden of met de bestaande riolering kan worden volstaan. Mogelijk zal gewerkt moeten worden met een buffervoorziening voordat geloosd kan worden op de drukriolering. Dit wordt nader afgestemd met de gemeente. Daarbij wordt te zijner tijd tevens het waterafvoer vanuit de resomeerruimte nader tegen het licht gehouden en afgestemd met de gemeente.

Crijns Rentmeesters bv

44

Ruimtelijke onderbouwing ‘Kameren 4 Heeswijk-Dinther’

5.3 Geluid 5.3.1

Wegverkeerslawaai

De Wet geluidhinder biedt geluidsgevoelige bestemmingen bescherming tegen geluidhinder van wegverkeerslawaai bij de aanleg/wijziging van wegen of bij de bouw van woningen in de buurt van wegen. Als gevolg van de beoogde herontwikkeling wordt geen nieuw geluidgevoelig object gerealiseerd. Dit aspect is dan ook niet aan de orde.

5.3.2

Industrielawaai

Zonering van industrielawaai in het kader van de Wet geluidhinder is het ruimtelijk scheiden van industrieterreinen waarop (grote) lawaaimakers zijn gevestigd enerzijds en woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen anderzijds. Met zonering wordt beoogd rechtszekerheid te bieden aan zowel bedrijven als aan bewoners/gebruikers van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen. Bedrijven kunnen aan de ene kant hun geluidproducerende activiteiten niet onbeperkt uitbreiden ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen en buiten de zone. Aan de andere kant wordt, ter bescherming van hun akoestische ruimte, voorkomen dat woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen te veel oprukken naar de bedrijven toe. De beoogde herontwikkeling voorziet niet in de ontwikkeling van een nieuw geluidgevoelig object. Ook wordt binnen het besluitgebied geen industrielawaai geproduceerd. Dit aspect is dan ook niet aan de orde.

5.4 Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt sinds 1 januari 2007 het toetsingskader voor de vergunningverlening, als het gaat om geurhinder vanwege dierverblijven van veehouderijen. De Wgv geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. Een geurgevoelig object betreft een gebouw dat is bestemd voor en geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf. Een gebouw moet dan ook feitelijk zijn bedoeld en worden gebruikt voor wonen en verblijf. De voormalige agrarische bedrijfswoning wordt herbestemd voor de maatschappelijke functie, met behoud van de mogelijkheid voor bewoning als bedrijfswoning in de toekomst. Met de beoogde herontwikkeling wordt geen nieuw geurgevoelig object gerealiseerd. Niettemin dient ter plaatse sprake te zijn van een aanvaardbar woon- en leefklimaat. De geurbelasting ten gevolge van meerdere intensieve veehouderijen in de omgeving vormt de achtergrondbelasting. Door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) is een kaart met de indicatieve achtergrondbelasting (peildatum maart 2023) gepubliceerd. Een uitsnede van deze kaart is navolgend opgenomen, waarbij het besluitgebied is aangeduid in de zwarte cirkel.

Crijns Rentmeesters bv

45

Ruimtelijke onderbouwing ‘Kameren 4 Heeswijk-Dinther’

Figuur 22: Achtergrondbelasting ter plaatse van besluitgebied

Op deze kaart met achtergrondbelasting is de veehouderij ter plaatse van het besluitgebied nog niet wegbestemd. Voor intrekking van de vergunning is sprake van een matig tot redelijk goed woon- en leefklimaat. De veehouderij is echter reeds gestaakt. De vergunning zal worden ingetrokken, waarmee dan ook inzichtelijk zal zijn dat ter plaatse sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Het aspect geur is dan ook geen belemmerende factor voor de beoogde herontwikkeling.

5.5 Gezondheid 5.5.1

Endotoxinen

De intensieve veehouderijen dragen bij aan de emissies van fijn stof (PM10) in Nederland. Dit fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Er zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is nog niet afgerond. Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld. In april 2018 is tevens de ‘Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 uitgebracht. Hierbij wordt een advieswaarde van 30 EU/m³ aangehouden als advieswaarde voor de maximale blootstelling aan endotoxine. Bij deze advieswaarde kan ervan uitgegaan worden dat de gezondheid van omwonenden van veehouderijen wordt beschermd tegen een overmaat aan endotoxine. Het uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden.

Als gevolg van de beoogde herontwikkeling wordt geen nieuw gevoelig object toegevoegd en ook de omvang van de bestaande gevoelige functie neemt niet toe. Deze afwijking is in het kader van endotoxinen geen bezwaar.

Crijns Rentmeesters bv

46

Ruimtelijke onderbouwing ‘Kameren 4 Heeswijk-Dinther’

5.5.2

Geitenhouderijen

Uit onderzoek blijkt dat mensen die in de nabijheid van een geitenhouderij wonen, meer kans dan gemiddeld hebben op longontsteking. Totdat er meer duidelijkheid is over de oorzaak van de longontsteking en een integrale aanpak, adviseert de GGD het voorzorgsbeginsel toe te passen en terughoudend te zijn met uitbreiding of nieuwvestiging van geitenhouderijen in de buurt van gevoelige bestemmingen. Andersom geldt ook dat geadviseerd wordt terughoudend te zijn met het plaatsen van gevoelige bestemmingen in de buurt van bestaande geitenhouderijen. Dat betekent dat gemeenten wordt geadviseerd om in hun besluitvorming het risico op longontsteking mee te wegen. Op basis van de onderzoeksresultaten is het risico op longontsteking groter naarmate de afstand tot een geitenbedrijf kleiner is. Tot een afstand tot twee kilometer is er sprake van een vergroot risico. Als gevolg van de beoogde herontwikkeling wordt geen nieuw gevoelig object toegevoegd en ook de omvang van de bestaande gevoelige functie neemt niet toe. Deze afwijking is in het kader van geitenhouderijen geen bezwaar.

5.5.3

Gewasbeschermingsmiddelen

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het mogelijk maken van een nieuwe gevoelige bestemming in de nabijheid van agrarische bestemmingen aandacht gevraagd voor spuitzones in verband met het risico’s voor de volksgezondheid vanwege eventuele blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen via drift. Met de term drift wordt de hoeveelheid gewasbeschermingsmiddel bedoeld die bij het spuiten buiten het agrarisch perceel op de grond terecht kan komen en/of op hoogte door de lucht passeert. Drift is een belangrijke en directe bron van luchtverontreiniging, waardoor mens en dier in contact kunnen komen met gewasbeschermingsmiddelen. Vooral bij middelen met een hoge toxiciteit en/of voor kwetsbare groepen, zoals jonge kinderen of ouderen, kan drift risico’s voor de gezondheid inhouden. Als gevolg van de beoogde herontwikkeling wordt geen nieuw gevoelig object toegevoegd en ook de omvang van de bestaande gevoelige functie neemt niet toe. Deze afwijking is in het kader van gewasbeschermingsmiddelen geen bezwaar.

5.6 Bedrijven en milieuzonering 5.6.1

Inleiding

Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzoneringen van bestaande en toekomstige bedrijven om zodoende de kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde Lijst van Bedrijfsactiviteiten uit de handreiking Bedrijven en Milieuzonering. Deze lijst geeft de richtafstanden weer voor milieubelastende activiteiten. In deze lijst worden richtafstanden gegeven voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden gelden tussen de grens van de bestemming en de uiterste grens van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunning vrij bouwen mogelijk is. De richtafstanden zijn afgestemd op twee omgevingstypen: ‘rustige woonwijk’ en ‘gemengd gebied’. Ook een ‘rustig buitengebied’ kan worden geschaard onder het type ‘rustige woonwijk’. Het besluitgebied kan worden gezien als ‘rustig buitengebied’.

Crijns Rentmeesters bv

47

Ruimtelijke onderbouwing ‘Kameren 4 Heeswijk-Dinther’

5.6.2

Bedrijven in de omgeving van het besluitgebied

In de omgeving van het besluitgebied bevinden zich geen bedrijven waarmee rekening gehouden dient te worden in het kader van Bedrijven en Milieuzonering. De omgeving kenmerkt zich voornamelijk als (voormalig) agrarisch gebied met recreatieve functies.

5.6.3

Beoogde bedrijfsvoering binnen besluitgebied

5.6.3.1 Ontmoetingslocatie Beoogd wordt het besluitgebied te herontwikkelen naar een zogenoemde ‘ontmoetingslocatie’ gericht op rouw en nabestaanden, met uiteindelijk veelal afscheidsdiensten. Deze maatschappelijke bedrijfsvorm komt niet specifiek voor in de lijst van Bedrijven en Milieuzonering, maar kan gezien de voorziene milieuhinder gelijk worden gesteld met een bedrijf in de milieucategorie 2. Er wordt nauwelijks geluidemissie verwacht, anders dan menselijk praten en vervoersbewegingen. Ook zal geen sprake zijn van stof, licht en geuremissie. 5.6.3.2

Resomeren

In de tweede fase wordt het tweede bijgebouw gerealiseerd en ingezet voor resomeerfaciliteiten en rouwkamers. Ook de resomeerruimte komt nog niet voor in de lijst. Resomeren is een relatief nieuwe vorm van lijkbezorging, ook wel bio-cremeren, alkalische hydrolyse of aquameren genoemd. Het betreft een chemisch proces waarbij het lichaam van een overledene wordt ontbonden door middel van alkalische hydrolyse. Uit onderzoek van TNO in 2014 blijkt dat resomeren op bijna alle vlakken beter is voor het milieu dan cremeren of begraven. Het zorgt voor een lagere uitstoot van broeikasgassen en fijnstof. Ook het waterverbruik is lager. (Bron: TNO-rapport ‘Milieueffecten van verschillende uitvaarttechnieken – update van eerder TNO-onderzoek’, projectnummer 060.08487, d.d. 18 september 2014). Deze vorm van lijkbezorging komt al voor in het buitenland, maar in Nederland is men nog in voorbereiding met het aanpassen van de wetgeving voor lijkbezorging. Naar verwachting zal deze vorm van lijkbezorging in 2024 worden toegestaan in Nederland. Vanuit de resomeerruimte wordt nauwelijks milieuhinder verwacht. Resomeren is milieuvriendelijk, nagenoeg geluidloos en stoot geen geur, fijn stof of stikstof uit. Derhalve kan worden gesteld dat ook deze bedrijfsvorm kan worden gezien als bedrijf binnen milieucategorie 2.

5.6.3.3 Conclusie bedrijfsvoering binnen besluitgebied De beoogde activiteiten binnen het besluitgebied kunnen in het geheel gelijk worden gesteld aan bedrijfsactiviteiten binnen milieucategorie 2. Voor bedrijven binnen de milieucategorie 2 geldt in een ‘rustig buitengebied’ een richtafstand van 30 meter ten opzichte van gevoelige objecten. Binnen een straal van 30 meter vanuit het besluitgebied bevinden zich geen gevoelige objecten.

5.6.4

Conclusie

Het aspect Bedrijven en Milieuzonering vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde herontwikkeling.

Crijns Rentmeesters bv

48

Ruimtelijke onderbouwing ‘Kameren 4 Heeswijk-Dinther’

5.7 Externe veiligheid Het externe veiligheidsbeleid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s en effecten van calamiteiten alsmede het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen, activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. Navolgend is een uitsnede weergegeven van de Signaleringskaart, waarop het besluitgebied is weergegeven met de rode marker.

Figuur 23: Uitsnede Signaleringskaart-EV

Als gevolg van de beoogde herontwikkeling wordt geen nieuw gevoelig object toegevoegd. De mogelijkheid voor een bedrijfswoning in de toekomst wordt open gehouden. De gevoeligheid hiervan neemt als gevolg van de herbestemming niet toe daar reeds sprake is van een bedrijfswoning. Deze afwijking is in het kader van externe veiligheid geen bezwaar.

5.8 Luchtkwaliteit 5.8.1

Inleiding

Het beleid om tot een goede luchtkwaliteit te komen volgt twee sporen: 1. beperken van de uitstoot van schadelijke stoffen en; 2. voorkomen dat mensen langdurig worden blootgesteld aan verontreiniging. De belangrijkste regels over de luchtkwaliteit staan in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer.

5.8.2

Uitstoot van schadelijke stoffen

De borging van de luchtkwaliteit vindt onder andere plaats middels een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma. Binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen

Crijns Rentmeesters bv

49

Ruimtelijke onderbouwing ‘Kameren 4 Heeswijk-Dinther’

is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate’ bijdragen aan de luchtverontreiniging als de 3% grens niet wordt overschreden. In de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen’ wordt aangeven op welke manier snel kan worden vastgesteld of de bijdrage van een nieuwbouwproject op de luchtkwaliteit valt onder de term ‘niet in betekenende mate’. De regeling geeft een harde omschrijving van het aantal gevallen. Voor woningbouw geldt bij 1 ontsluitingsweg een aantal van 1.500 nieuwe woningen netto. Bij twee ontsluitingswegen geldt een aantal van 3.000 woningen netto. Met de beoogde herontwikkeling wordt een ontmoetingslocatie gerealiseerd, met vervoersbewegingen tot gevolg. Met behulp van de NIBM-tool is de bijdrage van het verkeer op de luchtkwaliteit berekend. Hierbij is geen rekening gehouden met de afname aan zwaardere vervoersbewegingen vanuit het voormalig agrarisch bedrijf. Jaar van planrealisatie

2024

Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)

120

Aandeel vrachtverkeer

0,0%

NO2 in μg/m3

0,06

PM10 in μg/m3

0,02

Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m3

1,2

Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet-in-betekenende-mate; geen nader onderzoek nodig

Tabel 1: NIBM tool

Het plan voorziet in een bijdrage van 0,06 μg/m3 NO2 en in 0,02 μg/m3 PM10. Derhalve valt dit plan onder het begrip ‘niet in betekenende mate’ valt en hoeft de luchtkwaliteit niet verder hoeft te worden onderzocht in het kader van de Wet luchtkwaliteit.

5.8.3

Blootstelling aan verontreiniging

5.8.3.1 Inleiding In de Wet milieubeheer is de Europese richtlijn luchtkwaliteit geïmplementeerd. Het doel van de wet is mensen te beschermen tegen risico’s van luchtverontreiniging. 5.8.3.2 Fijnstof De richtlijn geeft de volgende grenswaarden voor fijn stof: de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM10 is 40 µg/m³. de grenswaarde daggemiddelde concentratie van PM10 is 50 µg/m³. De concentratie fijn stof mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar hoger zijn dan deze waarde . de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM2,5 is 25 µg/m³. Navolgende figuren geven de jaargemiddelde concentratie van PM10 en PM2,5 voor het besluitgebied en de directe omgeving weer. Het besluitgebied is weergegeven in de zwarte cirkel.

Crijns Rentmeesters bv

50

Ruimtelijke onderbouwing ‘Kameren 4 Heeswijk-Dinther’

Figuur 24: Fijnstof PM10 2021 (Bron: Atlas Leefomgeving)

Figuur 25: Fijnstof PM2,5 2021 (Bron: Atlas Leefomgeving)

Voor het besluitgebied is sprake van jaargemiddelde concentratie PM10 van 16-18 µg/m³. De jaargemiddelde concentratie PM2,5 bedraagt 10-11 µg/m³. Hiermee is sprake van een goed woon- en leefklimaat in het kader van fijnstof. 5.8.3.3 Stikstof De Europese richtlijn luchtkwaliteit geeft de volgende grenswaarde voor stikstofdioxide: de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van NO2 is 40 µg/m³. Navolgende figuur geeft de jaargemiddelde concentratie van NO2 ter plaatse van het besluitgebied en directe omgeving weer. Het besluitgebied is weergegeven in de zwarte cirkel.

Crijns Rentmeesters bv

51

Ruimtelijke onderbouwing ‘Kameren 4 Heeswijk-Dinther’

Figuur 26: Stikstofdioxide NO2 2021 (Bron: Atlas Leefomgeving)

Binnen het besluitgebied is sprake van jaargemiddelde concentratie NO2 van 12-14 µg/m³. Hiermee is sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat in het kader van stikstofdioxide. 5.8.3.4 Besluit gevoelige bestemmingen Het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) beperkt de vestiging van ‘gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale en Rijkswegen. Het besluit richt zich op bescherming van mensen die verhoogd gevoelig zijn voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2). Dit zijn vooral kinderen, ouderen en zieken. Het plan voorziet niet in de realisatie van een gevoelige bestemming en hoeft dan ook niet te worden getoetst aan het besluit.

5.9 M.e.r-beoordeling Op 1 april 2011 is het nieuwe Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging die daarin is aangebracht, is dat voor de vraag of een m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen, een toetsing aan de drempelwaarden in de D-lijst niet toereikend is. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de grenswaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Wanneer dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. In het kader van de wijziging van het Besluit m.e.r. is een handreiking opgesteld over de vraag hoe moet worden vastgesteld of een activiteit met een omvang onder de drempelwaarde toch belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. In de handreiking is opgenomen dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst en die een omvang hebben die beneden de drempelwaarden liggen een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gebruikt.

De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling.

Crijns Rentmeesters bv

52

Ruimtelijke onderbouwing ‘Kameren 4 Heeswijk-Dinther’

De beoogde herontwikkeling binnen het besluitgebied komt niet voor op de D-lijst van het Besluit m.e.r. en zal dan ook niet worden beoordeeld in het kader van het Besluit m.e.r. Onderdeel C van het Besluit m.e.r. wijst de activiteiten en gevallen aan waarvoor een directe m.e.r.plicht geldt. In dit onderdeel staan de activiteiten benoemd die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu. De beoogde herontwikkeling binnen het besluitgebied komt ook niet voor op de C-lijst van het Besluit m.e.r. en is derhalve ook niet m.e.r.-plichtig.

Crijns Rentmeesters bv

53

Ruimtelijke onderbouwing ‘Kameren 4 Heeswijk-Dinther’

6.

UITVOERBAARHEID

6.1 Economische uitvoerbaarheid De beoogde herontwikkeling binnen het besluitgebied betreft een buitenplanse afwijking van het bestemmingsplan. Op 1 juli 2008 is samen met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de Grondexploitatiewet (Grexwet) in werking getreden. In deze Grexwet is bepaald dat een gemeente bij het vaststellen van een planologische maatregel dat mogelijkheden biedt voor de bouw van één of meer hoofdgebouwen, verplicht is maatregelen te hebben genomen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Voor de ontwikkeling van dit plan is er sprake van een particulier initiatief. Er is echter geen sprake van de bouw van een hoofdgebouw. De kosten voor die voor deze ontwikkeling door de gemeente worden gemaakt, worden verhaald op de initiatiefnemer. Initiatiefnemer sluit met de gemeente Bernheze een anterieure overeenkomst waarin het kostenverhaal is vastgelegd. Op deze wijze is de financiële haalbaarheid van het plan gegarandeerd.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.2.1

Overleg

Het waterschap, de provincie en de veiligheidsregio zijn in het kader van vooroverleg betrokken bij deze ontwikkeling. In het kader van de bouwaanvraag is ook de brandweer betrokken bij de plannen. Brandweer De brandweer heeft nog enkele aandachtspunten meegegeven ten aanzien van het toezicht op de aanvraag. Inhoudelijk heeft deze reactie niet geleid tot aanpassingen in het plan op zichzelf. Waterschap In het kader van het vooroverleg heeft het waterschap aan aantal adviezen gegeven voor de beoogde herontwikkelingen en verzoeken gedaan tot aanvulling in de ruimtelijke onderbouwing. Geadviseerd is om op te hogen ter voorkoming van wateroverlast, waarbij in overweging is gegeven om bergingsvoorzieningen aan te passen voor hemelwater in verband met de ligging in het attentiegebied. Geadviseerd is tevens om de sloot, welke in eerste instantie zou worden verlengd, niet te verlengen. Tevens wordt geadviseerd om eventuele lozing van afvalwater vanuit de resomeerruimte af te stemmen met de gemeente, de omgevingsdienst en de beheerde van de RZWI. Tevens is verzocht om duidelijkheid over grondwaterpomp en beregeningsinstallatie in verband met de ligging in het attentiegebied. Naar aanleiding van de vooroverlegreactie van het waterschap is de waterparagraaf uitgebreid met nadere informatie.

Ook is er voor gekozen om de sloot inderdaad niet te verlengen, waarmee de huidige situatie gehandhaafd blijft. Voor het overige is de beoogde situatie niet inhoudelijk gewijzigd, maar verder verduidelijkt. Waar op het perceel de wadi zal komen, is echter nog niet vastgelegd en zal later in overleg met de gemeente worden kortgesloten. De gronden rondom het besluitgebied

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Bernheze&id=6b2fc477-16d7-49a5-949b-8b18975cfd9c