Programmabegroting 2024 en Meerjarenbegroting 2025-2027
Tekst van het document
0.9
Vennootschapsbelasting (Vpb)
339.186
214.872
3.4
Economische promotie toeristenbelasting
Baten 2024
2022
2023
83.934
240.626
603.848
98.333
508.967
4.682.806
4.957.314
5.246.964
2.804.320
2.937.307
3.317.792
30.889
29.200
29.200
52.794.411
51.862.022
56.655.761
165.445
150.134
142.396
2.547.199
400.000
63.265.696
60.939.825
1.389.206
10.750
6.3
Inkomensregelingen – generieke teruggave
0.10
Mutatie reserves programma 7
2.202.417
121.844
Totaal
3.217.711
3.368.193
2024
153.406
2.135.513
65.490.446
Lasten en baten 2024-2027 Lasten Nr.
2024
2025
Baten 2026
2027
2024
2025
2026
2027
0.5
83.934
77.125
70.315
66.191
98.333
90.941
83.549
76.157
0.61
508.967
509.856
510.658
511.403
5.246.964
5.559.261
6.003.309
6.338.241
3.317.792
3.496.953
3.603.610
3.702.709
0.64
29.200
29.200
29.200
29.200
0.7
56.655.761
58.736.444
55.471.581
56.381.120
142.396
142.396
142.396
142.396
65.490.446
68.055.195
65.333.645
66.669.823
0.62 0.63
0.8
1.389.206
3.056.773
503.511
715.308
0.9 3.4 6.3
153.406
0.10 Totaal
2.135.513
198.820
230.716
50.735
3.842.574
1.315.200
1.343.637
pagina 64
Brondocumenten -
Financiële verordening gemeente Bernheze (art. 212 gemeentewet) (10 december 2020) Controleverordening (art. 213 gemeentewet) (16 december 2010) Nota reserves en voorzieningen (24 september 2020)
pagina 65
Algemene dekkingsmiddelen, overhead, vennootschapsbelasting en onvoorzien Binnen de begroting bestaat er onderscheid tussen specifieke dekkingsmiddelen en algemene dekkingsmiddelen. Specifieke dekkingsmiddelen (bijvoorbeeld opbrengsten voor het ophalen van afval, het verstrekken van vergunningen, het onderhouden van het riool en het verstrekken van reisdocumenten), hangen samen met een concreet beleidsveld en staan opgenomen in de desbetreffende programma’s. Deze dekkingsmiddelen verlagen het saldo van lasten en baten op de betreffende programma’s in de begroting. Specifieke dekkingsmiddelen zijn niet vrij besteedbaar. Anders dan de specifieke dekkingsmiddelen, zijn de algemene dekkingsmiddelen en de post onvoorzien. Algemene dekkingsmiddelen zijn middelen, die geen vooraf bepaald bestedingsdoel hebben. Deze middelen zijn daarmee vrij besteedbaar. De algemene dekkingsmiddelen leveren de financiële dekking van de bestedingen van de programma’s 1 tot en met 7 en zijn ingedeeld naar de voorgeschreven categorieën en onvoorzien.
Overzicht algemene dekkingsmiddelen In de tabel wordt een overzicht gegeven van de algemene dekkingsmiddelen. Onder de tabel worden de onderdelen kort toegelicht. 2022
2023
2024
2025
2026
2027
Onroerende zaakbelasting
7.453.325
7.858.224
8.528.359
9.019.817
9.570.522
10.004.553
2.
Algemene uitkering uit het gemeentefonds
52.794.411
51.862.022
56.655.761
58.736.444
55.471.581
56.381.120
3.
Dividend
48.017
52.650
34.538
34.538
34.538
34.538
60.295.753
59.772.896
65.218.658
67.790.799
65.076.641
66.420.211
1.
Lokale heffingen waarvan de besteding niet gebonden is:
Totaal
Lokale heffingen 1. Onroerende zaakbelasting (OZB) Bij lokale heffingen treffen we de heffingen aan, waarvan de besteding niet is gebonden. Dit betreft de onroerende zaak belasting. In totaliteit gaat het voor 2024 om een geraamd bedrag van circa € 8,5 miljoen aan opbrengsten uit “algemene dekkingsmiddelen. Lokale heffingen, waarvan de besteding wel gebonden is, bijvoorbeeld afvalstoffenheffing, rioolrechten en diverse leges, worden op de desbetreffende taakvelden verantwoord. Voor een overzicht van de opbrengsten van de belangrijkste heffingen en in welke beleidsvelden deze zijn opgenomen verwijzen wij u naar de paragraaf ‘Lokale heffingen’ in deze begroting.
pagina 66
Er bestaat een relatie tussen de OZB en de algemene uitkering uit het gemeentefonds. De belastingcapaciteit is een van de verdeelmaatstaven die de hoogte van de algemene uitkering bepalen. Zo wordt rekening gehouden met de mogelijkheid die een gemeente heeft om belastinginkomsten te verkrijgen. De belastingcapaciteit is een afgeleide van de waarde van onroerende zaken. Voor bepaling van de hoogte van de algemene uitkering wordt de waarde van woningen voor 80% meegerekend, van de waarde van niet-woningen (bedrijven) 70%. Hierop wordt het zogenaamde rekentarief toegepast. Dit rekentarief is het gemiddelde tarief van alle gemeenten. Het rekentarief wordt berekend naar een percentage van de waarde van de onroerende zaak. Het resulterende bedrag wordt gekort op de algemene uitkering. Het feitelijk OZB-tarief dat de gemeente heft, heeft geen effect op deze korting op de algemene uitkering. De geraamde opbrengsten OZB laten jaarlijkse een stijging zien als gevolg van de areaalontwikkeling en de voorgestelde OZB-aanpassingen.
2. Algemene uitkering uit het gemeentefonds Jaarlijks ontvangt elke gemeente volgens een bepaald verdeelstelsel een uitkering uit het Gemeentefonds. De uitkering is bestemd voor de bekostiging van autonome taken van de gemeente, taken die veelal dicht bij de burger liggen. Het verdeelstelsel is opgenomen in de Financiële verhoudingswet. In de verdeling wordt rekening gehouden met onderlinge verschillen in de kosten waar de gemeenten voor staan en met de draagkracht van de gemeenten (de belastingcapaciteit). Karakteristiek voor de algemene uitkering is dat elke gemeente vrij is in de besteding. De omvang van de algemene uitkering is voor de gemeenten een gegeven, maar de gemeente kan zelf bepalen aan welke voorzieningen zij haar geld besteedt. De groei of afname van het gemeentefonds wordt vanaf 2027 gekoppeld aan de ontwikkeling van het Bruto Binnenlands Product. De effecten hiervan zijn nog niet bekend. Voor de periode 2024 tot en met 2026 is het accres (de groei van het gemeentefonds) bevroren. De jaarlijkse ontwikkeling van de algemene uitkering staat verder toegelicht in deel III: Financiële begroting. Voor deze meerjarenbegroting mogen we op basis van de afrekening 2022 rekening houden met jaarlijks een bedrag van € 442.000,- als gevolg van de ruimte onder het plafond van het BTWcompensatiefonds.
Deze ruimte schommelt echter jaarlijks, afhankelijk van het beroep wat gemeenten doen op het btw-compensatiefonds. Dit betekent dat de definitieve afrekening 2023 al weer tot een aanpassing kan leiden voor de periode 2025 - 2028. We hebben in het meerjarenperspectief 2024-2027 dan ook uit voorzichtigheidsprincipe uitsluitend voor 2024 rekening gehouden met de ruimte onder het BTW-compensatieplafond van € 442.000,-. De positieve ontwikkeling van de inkomsten uit algemene uitkering uit het gemeentefonds voor 2024 ten opzichte van 2023 is voornamelijk het gevolg van een positieve ontwikkeling van het accres (vnl. compensatie loon- en prijsontwikkelingen). De terugval in 2026 is het gevolg van het loslaten van de trap op-trap af systematiek en herinvoering van de opschalingskorting.
pagina 67
De mutaties uit de Meicirculaire 2023 zijn in de begroting 2024 en het meerjarenraming 2025-2027 verwerkt. In de meicirculaire zijn de extra middelen jeugdzorg in het kader van de hervormingsagenda jeugd voor 2024 en 2025 inmiddels verwerkt. Voor de periode 2026-2027 zijn deze extra middelen nog niet opgenomen in het gemeentefonds. We hebben dan ook geen rekening gehouden met deze extra middelen jeugdzorg De septembercirculaire 2023 komt op een laat moment in het traject van de voorbereiding van de begroting beschikbaar. Wij informeren uw raad tijdig voor de begrotingsbehandeling separaat over de gevolgen van deze circulaire.
3. Dividend Wij ontvangen jaarlijks een dividenduitkering uit ons aandelenbezit in de Bank Nederlandse Gemeenten (BNG). In de begroting houden wij rekening met een structurele dividendopbrengst van € 34.538,-. In 2022 en 2023 laat de uitkering dividend een beperkte stijgende lijn zien.
Overhead Om de raad meer inzicht te geven in de totale kosten van de overhead schrijft het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV) in artikel 8 lid 1c voor om een apart overzicht op te nemen van de overhead. In de programma’s zijn alleen de kosten opgenomen die betrekking hebben op het primaire proces. Onder overhead wordt verstaan: alle kosten die samenhangen met de sturing en ondersteuning van de medewerkers in het primaire proces. Te denken valt aan kosten met betrekking tot personeel & Organisatie (P&O), financiën, huisvesting en bestuursondersteuning. Deze kosten mogen niet worden toegerekend aan de directe taakvelden/programma’s. De overhead wordt centraal begroot en verantwoord op het overzicht overhead via taakveld 0.4 Overhead in het programma Bestuur en ondersteuning. Onderstaand wordt inzicht gegeven in het totaal van de overhead alsmede de verrekening binnen de begroting. De kosten van de overhead kunnen als volgt worden gespecificeerd:
pagina 68
Lasten
1. Personele overheadkosten 2. Algemene administratiekosten 3. Informatievoorziening en automatisering
8.045.895 308.303 2.264.033
4. Huisvesting
763.995
5. Overige
750.112
Subtotaal
12.132.338
6. Toerekening overheadkosten aan grondexploitaties Totale kosten overhead
719.188 11.413.150
1. Personele kosten Dit betreft de loonkosten van personeel voor zover deze niet actief zijn in het primaire proces en daarmee kunnen worden gedefinieerd als overhead. Onder overhead wordt de formatie verantwoord die wordt ingezet voor onder andere financiën, communicatie, juridische zaken, P&O, ICT en bestuursondersteuning. Overeenkomstig de voorschriften van het BBV zijn hierbij ook de volledige loonkosten van directie, management en teamcoaches opgenomen. Daarnaast worden onder de personele overheadkosten de kosten verantwoord voor het personeelsbeheer. Hierbij valt te denken aan opleidingskosten, reis- en verblijfskosten, werving en selectie, loopbaan- en mobiliteitsadviezen, arbobeleid en het voeren van de salarisadministratie.
2. Algemene administratiekosten Onder Algemene administratiekosten zijn de kosten opgenomen voor kantoormaterialen, telefoonkosten, portokosten en abonnementen.
3. Informatievoorziening en automatisering (I&A) Onder I&A zijn de kosten opgenomen voor onder andere aanschaf, onderhoud en licenties van hard- en software en systeem- en netwerkbeheer. Daarnaast zijn hieronder de kosten voortvloeiende uit het tweede spoor, versterking van de I-functies, opgenomen.
4. Huisvesting Onder huisvesting zijn de kosten opgenomen voor ruimten voor de uitvoering van de algemene taken van de eigen organisatie. De kosten bevatten onder andere energiekosten, (groot) onderhoud van het gebouw en technische installaties, kantoormeubilair, verzekering, schoonmaak en kapitaallasten (rente en afschrijving).
5. Overige Onder overige zijn onder andere de externe kosten opgenomen gerelateerd aan juridische zaken waaronder juridische advieskosten, bezwarencommissie, de kosten voor communicatie en representatie, kwaliteitszorg en klachtenregeling en archief. Daarnaast hebben we hier vanuit de meicirculaire 2021 de kosten voor de invoering Wet Open Overheid (structureel en incidenteel) verantwoord.
pagina 69
6. Toerekening overheadkosten aan grondexploitaties Volgens het Besluit begroting en verantwoording mag uitsluitend een doorberekening van de overheadkosten plaatsvinden aan de grondexploitaties door dit als negatieve last in de overhead mee te nemen. Het saldo dat gepresenteerd wordt onder de overhead is daarom een netto bedrag. De toerekening heeft plaatsgevonden op basis van het aantal uren dat geraamd is ten laste van de grondexploitaties.
Dekking van de overhead In de begroting is alleen overhead toegerekend aan de grondexploitaties. De overhead zal verder vanuit de algemene dekkingsmiddelen bekostigd moeten worden. Uitzondering hierop zijn de activiteiten waarvoor kostendekkende tarieven doorberekend mogen worden zoals afval, riolering en begraafplaatsen. De overhead wordt aan deze activiteiten extracomptabel toegerekend (zie paragraaf lokale heffingen).
Vennootschapsbelasting (Vpb) De Wet op de vennootschapsbelasting (Vpb) betekent dat overheden belast kunnen worden voor economische activiteiten die ook door private ondernemingen (kunnen) worden uitgevoerd. Het doel is om een gelijk speelveld te creëren tussen partijen (overheden en private ondernemingen). Hierdoor vallen activiteiten waarvoor gemeenten als ondernemer optreden onder de Vpb. De belaste activiteiten voor onze gemeente betreffen de bouwgrondexploitaties en gedeeltelijk de verkoopopbrengsten van het afval. Deze belasting wordt na afloop van het kalenderjaar bepaald aan de hand van de gerealiseerde fiscale winst en dan geheel verantwoord binnen de algemene dienst. Het Besluit begroting en verantwoording geeft hiervoor aanwijzingen.
Onvoorzien In de begroting is in de exploitatie een jaarlijkse post Onvoorzien opgenomen. Dit betreft een structurele post van € 94.472,-. Dit is een wettelijk verplichte uitgavenpost op basis van artikel 8, lid 6 van het Besluit begroting en verantwoording. De post onvoorzien kan ingezet worden voor alle programma’s. Het college kan zonder voorafgaande toestemming van de raad beschikken over de post onvoorzien zoals die is opgenomen in de programmabegroting van het lopende jaar onder de volgende voorwaarden: 1. De beschikking over de post onvoorzien mag uitsluitend betrekking hebben op uitgaven die onvoorzienbaar, onuitstelbaar of onvermijdbaar (de zogenaamde drie O’s) zijn. 2. Mutaties van eenmalige of structurele lasten of baten, niet zijnde mutaties voortvloeiende uit investeringskredieten, tot en met € 25.000,-. 3. Mutaties van geautoriseerde investeringskredieten tot 10% van het investeringsbedrag of tot een bedrag van € 100.000,-. 4. Voordelen welke niet zijn geraamd worden toegevoegd aan de post onvoorzien.
pagina 70
5. Het college doet zonder voorafgaande toestemming van de raad ten laste van de post onvoorzien geen uitgaven waarvan bekend is of verondersteld mag worden dat daaromtrent belangrijke politieke gevoeligheid bestaat. 6. Indien aanwending van de post onvoorzien structurele financiële consequenties tot gevolg heeft worden deze consequenties in de eerst volgende kadernota en/of begroting opgenomen als een onomkeerbaar besluit. Het college informeert achteraf de raad over de beschikking van de post onvoorzien door middel van de tussentijdse rapportages.
pagina 71
Deel 2: Paragrafen
pagina 72
A. Lokale heffingen Inleiding In artikel 10 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten is bepaald dat de paragraaf betreffende de lokale heffingen ten minste bevat: - de geraamde inkomsten; - het beleid ten aanzien van de lokale heffingen; - een aanduiding van de lokale lastendruk; - een beschrijving van het kwijtscheldingsbeleid; - een overzicht op hoofdlijnen van de diverse heffingen, waarin inzichtelijk wordt gemaakt hoe bij de berekening van tarieven en heffingen, die hoogstens kostendekkend mogen zijn, wordt bewerkstelligd dat de geraamde baten de ter zake geraamde lasten niet overschrijden, wat de beleidsuitgangspunten zijn die ten grondslag liggen aan deze berekeningen en hoe deze uitgangspunten bij de tariefstelling worden gehanteerd.
Overzicht en beleidsuitgangspunten ten aanzien van de lokale heffingen Belastingen en heffingen Het algemeen te voeren financieel beleid doen wij op basis van evenwichtige keuzes. Wij letten hierbij op de taken en de daarvoor beschikbare middelen. Uiteraard met het doel om het gemeentelijk huishoudboekje kloppend te houden. Ten gevolge hiervan kijken wij bij het belastingen tarievenbeleid naar de kosten van het in stand houden van de algemene voorzieningen en de OZB-prijs die daar redelijkerwijs voor betaald zou moeten worden. Voor het uitvoeren van taken op het gebied van afval, riool en diverse andere diensten gaan wij uit van het doorberekenen van de kostprijs. Wij doen dit vanuit de gedachte dat deze voldoen aan het profijtbeginsel. De gemeente Bernheze kent een aantal belastingen en heffingen die kunnen worden onderscheiden in algemene dekkingsmiddelen (ozb) en heffingen waarvan de besteding is gebonden (afvalstoffenheffing, rioolheffing).
Leges De huidige verordening is verdeeld in drie titels, namelijk: 1. Titel 1: Algemene dienstverlening; 2. Titel 2: Dienstverlening vallend onder fysieke leefomgeving/omgevingsvergunning; 3. Titel 3: Dienstverlening vallend onder Europese dienstenrichtlijn.
pagina 73
Kruissubsidiëring binnen deze titels is mogelijk, maar niet meer tussen titels. Op basis van onderzoek hebben wij geconstateerd dat (zie hiervoor ook de raad van 16 december 2010) dat een 100% kostendekkend niveau voor Titel 1 en 3 niet haalbaar is. Voor Titel 1 worden wij geconfronteerd met de door het Rijk gemaximeerde tarieven, terwijl bij Titel 3 het kostendekkend maken zou leiden tot onacceptabele tariefstijgingen. Daar waar mogelijk streven wij om de tarieven naar een kostendekkend niveau te brengen. Voor Titel 2 geldt 100% kostendekkendheid als uitgangspunt. Dit zal ook gelden voor de nieuwe Omgevingswet. Uitkomsten hiervan zijn pas in het 4de kwartaal 2023 bekend.
Belastingvoorstellen 2024 De gemeenteraad stelt de verordeningen vast, waarin de tarieven voor de gemeentelijke belastingen en heffingen zijn opgenomen. In de raadsvergadering van 14 december 2023 leggen wij uw raad een afzonderlijk raadsvoorstel met belastingvoorstellen ter besluitvorming voor. In dat voorstel wordt uitgebreid ingegaan op de diverse belastingen en heffingen. Hieronder volgt een korte samenvatting van de belangrijkste voorstellen.
Onroerende zaakbelasting Wij houden rekening met een tariefsaanpassing van 6,2% voor woningen. Deze stijging van 6,2% betreft uitsluitend de trendmatige prijsontwikkeling. De bijgestelde prijsindex is gelijk aan de recente meicirculaire 2023 (4,3%) en een inhaalindex van 2022 (1,9%). In de informatienota 2024-2027 gingen we nog uit van 4,7% ter compensatie van de inflatie inclusief een inhaalindex. Voor 2024 gelden de WOZ-waarden met waardepeildatum 1 januari 2023. Deze waarden zijn tot stand gekomen op basis van de geactualiseerde taxaties van het geïnventariseerde onroerend goed (door de BSOB) inclusief areaaluitbreiding (nieuwbouw, verbouw en sloop). Wij verwachten op basis van de landelijke marktontwikkeling over de periode van 1 januari 2022 tot 1 januari 2023 een waardestijging voor woningen van 3,0% en voor niet-woningen van 2%. Om een gelijkblijvende opbrengst te kunnen blijven genereren worden de tarieven gecorrigeerd met deze waardenaanpassingen. Bij de behandeling van de belastingvoorstellen zullen de dan beschikbare lokale cijfers aan u worden voorgelegd voor de vast te stellen OZB-tarieven 2024.
Teruggave We willen zoveel mogelijk de lastendruk beperken binnen de mogelijkheden van deze begroting.
Woningen Bij de belastingvoorstellen leggen we u voor om voor alle huishoudens een teruggave te doen van € 12,-. Uitgangspunt is dat alle gebruikers hiervoor in aanmerking komen. Dit betekent dat huurders ook hiervan profiteren.
pagina 74
Niet-woningen Voor gebruikers van niet-woningen hanteren we voor 2024 een korting van 1,9%. In plaats van de prijsindex van 6,2% passen we deze aan naar 4,3%. Voor de volgende jaren zal het niveau van 6,2% weer gevolgd worden.
Afvalstoffenheffing Het vastgestelde afvalbeleid houdt in dat het restafval zoveel mogelijk wordt gescheiden van andere afvalstromen. Door maatregelen die betrekking hebben op de wijze van inzameling van het GFT, PMD, textiel en de effecten van tariefprikkels willen we onze doelstellingen halen. Deze effecten zijn merkbaar door het teruglopen van de aanbodfrequenties (GFT van 10 naar 7,7 en bij restafval van 4,8 naar 4,4 op jaarbasis) en een hogere vulling per container (GFT van 25 kg naar 26 kg en bij restafval van 33 kg naar 42 kg). Het systeem van centraal inzamelen van luiers via ondergrondse containers voldoet niet aan onze duurzaamheidsdoelstellingen en zullen we daarom niet continueren. Het blijkt dat het niet mogelijk is om deze op een verantwoorde wijze te recyclen. Het afvaltarief volgt de prijsontwikkelingen. We worden in dat verband geconfronteerd met bovenmatige stijgingen van personeelskosten en doorberekening van brandstofprijzen. De doorberekening van de kosten in het tarief wijzigt ook proportioneel door het verschil van de aanbodfrequentie zoals hierboven geschetst. De gemiddelde kosten zullen in 2024 ten opzichte van vorig jaar met bijna 10% stijgen (dit is € 25,- inclusief de teruggave over 2023). Een gemiddeld gezin betaalt dan € 256,-. Gelet hierop stellen we u bij de belastingvoorstellen voor om eenmalig € 20,- per aansluiting terug te geven.
De omvang van de afvalreserve laat dit toe. Het resterende saldo hiervan is ongeveer € 750.000,-. We gaan dit voorstellen via de verordening afvalstoffenheffing 2024 (raadsvergadering december 2023). In onderstaand vergelijkend overzicht zijn de opties inclusief en exclusief teruggave verwerkt.
Rioolheffing Op basis van het Gemeentelijk Rioolplan 2020-2023 passen wij de tarieven aan met de trendmatige prijsindex van 6,2%.
Ontwikkeling woonlasten en lokale lastendruk Onder woonlasten verstaan wij het totaalbedrag dat onze inwoners moeten betalen voor: OZB, afvalstoffenheffing en rioolheffing. Bij vergelijking van de woonlasten over 2023 en 2024 moet er
pagina 75
rekening mee worden gehouden dat er voorlopige inschattingen voor de nieuwe WOZ-waarden per 1 januari 2023 zijn gebruikt en daarvan afgeleid de OZB-tarieven. De berekening voor 2024 is gebaseerd op een gemiddelde waarde van een woning van € 425.787,- en een gemiddelde waarde van een niet-woning van € 408.268,-. In onderstaande tabel hebben we rekening gehouden met de voorgestelde restitutie van € 12,voor alle huishoudens. Overzicht lastendruk
OZB Tarief
2023
Woningen
Eigenaar
2021
Woningen
Gebruiker
2021
Woningen
Eigenaargebruiker
2021
Nietwoningen
Eigenaar
2021
Nietwoningen
Gebruiker
2021
Nietwoningen
2024
0,0847%
Afvalstoffenheffing Bedrag
Generieke teruggave
Bedrag
Rioolheffing Tarief
360,43
0,0410%
Totaal
Bedrag 174,77
212,00
535,21 212,00
0,0847%
360,43
0,3052%
1.246,23
0,2456%
1.002,59
Eigenaargebruiker
0,5508%
2.248,82
0,0410%
167,58
2.416,41
Woningen
Eigenaar
0,0899%
382,78
0,0436%
185,61
568,39
2022
Woningen
Gebruiker
2022
Woningen
Eigenaargebruiker
2022
Nietwoningen
Eigenaar
2022
Nietwoningen
Gebruiker
2022
Nietwoningen
Eigenaargebruiker
0,0899%
382,78
0,3184%
1.299,82
0,2561%
1.045,70
0,5745%
2.345,52
212,00
0,0410%
174,77
747,21
0,0410%
167,58
1.413,82
1.002,59
256,00
-12,00
256,00
-12,00
244,00 0,0436%
185,61
812,39
0,0436%
177,97
1.477,79
1.045,70
0,0436%
177,97
2.523,50
pagina 76
Overzicht ontwikkeling
2023
2024
2024
2024
Wijziging t.o.v.
Wijziging
Wijziging
gemiddelde lokale
bedrag
bedrag
bedrag
bedrag
2023 (%)
t.o.v. 2023 (%)
t.o.v. 2023 (%)
lastendruk
excl.
incl.
incl. teruggave
excl. teruggave
incl.
incl.
teruggave
teruggave
€ 12,-
€ 12,-
teruggave
teruggave
€ 12,en
€ 12,en
en bedrijven 4,3%
en bedrijven 6,2%
€ 12,en bedrijven
€ 12,en bedrijven
bedrijven 6,2%
bedrijven 4,3%
en een teruggave van
4,3%
4,3% en een
€ 20,- afval
teruggave van € 20 ,afval
Woningen
Eigenaar
535,21
568,39
568,39
568,39
6,20%
6,20%
6,20%
Woningen
Gebruiker
212,00
256,00
244,00
224,00
20,75%
15,09%
5,66%
Woningen
Eigenaar en
747,21
824,39
812,39
792,39
10,33%
8,72%
6,05%
1.413,82
1.501,47
1.477,79
1.477,79
6,20%
4,53%
4,53%
1.002,59
1.064,75
1.045,70
1.045,70
6,20%
4,30%
4,30%
2.416,41
2.566,22
2.523,50
2.523,50
6,20%
4,43%
4,43%
gebruiker Nietwoningen
Eigenaar
Nietwoningen
Gebruiker
Nietwoningen
Eigenaar en gebruiker
Onderstaande redenen leiden tot afwijking van de trendmatige aanpassing van 6,2% voor de gemiddelde lastendruk: - De exploitatie voor afvalstoffenheffing leidt tot een bovenmatige tarief. We geven hierbij de opties met en zonder teruggave van € 20,- aan; - Een teruggave van € 12,- aan alle gezinshuishoudens ter hoogte van de inhaalindex van 1,9%.
De geraamde inkomsten De opbrengsten van de (belangrijkste) belastingen en heffingen worden in onderstaande tabel weergegeven: Belastingen en heffingen
Geraamde inkomsten 2024
Onroerende zaakbelasting (OZB)
8.528.359
Afvalstoffenheffing (restfractie, GFT en milieustraat)
3.528.341
Rioolheffing
2.790.066
Toeristenbelasting
140.546
Reclamebelasting
29.200
Kwijtscheldingsbeleid Op basis van artikel 26 van de invorderingswet geven wij uitvoering aan de kwijtschelding van belastingen. Op 27 juni 2019 besloot uw raad in het kader van de harmonisatie van het kwijtscheldingsbeleid BSOB, dat: - voor de kosten van bestaan een percentage van 100% van de bijstandsnorm te hanteren voor personen jonger dan de AOW-gerechtigde leeftijd; pagina 77
-
de norm voor de kosten van bestaan voor AOW-gerechtigden te baseren op de toepasselijke netto AOW-bedragen in de plaats van op de toepasselijke bijstandsnorm; bij het bepalen van het netto-besteedbare inkomen voor kwijtschelding rekening wordt gehouden met de kosten van kinderopvang; de kwijtschelding voor natuurlijke personen die een bedrijf of een zelfstandig beroep uitoefenen (kleine ondernemers) in stand wordt gehouden.
Voor kwijtschelding komen de volgende heffingen in aanmerking: - Onroerende zaakbelasting eigenaar woning en niet-woning en gebruik niet-woning. - Afvalstoffenheffing tot het vastgesteld maximum van € 152,- o.b.v. Verordening op de heffing en invordering van afvalstoffenheffing Bernheze 2022. - Rioolheffing.
Kostendekkendheid tarieven In het Besluit begroting en verantwoording is bepaald dat alleen kosten worden opgenomen die betrekking hebben op het primaire proces. Dit betekent dat het niet zondermeer mogelijk om vanuit de taakvelden volledig inzicht te krijgen in alle kosten die maximaal kostendekkend mogen zijn. Kosten van overhead worden centraal geraamd, maar dienen wel in verband gebracht te worden met de integrale kostprijs. Om deze reden is het van belang dat op een andere wijze uit de begroting blijkt hoe de tarieven worden berekend en welke (beleids)keuzes bij die berekening zijn gemaakt. Deze paragraaf verschaft deze informatie. In verband met de invoering van de omgevingswet per 1 januari 2024 zal met ingang van deze datum voor de kostendekkendheid van ruimtelijke plannen opnieuw een berekening gemaakt worden bij de belasting- en legesverordening 2024.
Rioolheffing Goede riolering is nodig voor de bescherming van de volksgezondheid, het milieu en het tegengaan van wateroverlast. Als gemeente hebben we de taak om voor die riolering te zorgen: we hebben de zorgplicht voor stedelijk afvalwater, voor afvloeiend hemelwater en voor grondwatermaatregelen. Met het nieuwe, meer adaptieve, GRP willen wij verder gaan door: - nog nadrukkelijker te kijken naar ontwikkelingen die in de stedelijke omgeving plaatsvinden rond water, grondstoffen, energie en ruimtelijke ontwikkelingen; - de zorgplicht nog breder in te bedden in de interne en externe processen, waardoor betere afstemming plaatsvindt op andere processen in de (openbare) ruimte. - Het projectmatig klimaatadaptief inrichten van de openbare ruimte.
pagina 78
De beleidsambities die hierbij horen zijn: - adaptief en risicogestuurd beheer; - klimaatadaptatie; - samenwerking in As50+-verband; - inspelen op maatschappelijke ontwikkelingen. Om alle kosten te kunnen dekken, heffen we rioolheffing. We heffen van eigenaren op basis van de WOZ-waarde Hierbij wordt onderscheid gemaakt in: - onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen, en - onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen. Het grootste deel van de lasten is bedoeld voor het opvangen van de vervanging en relining van de riolering. Gezien het feit dat er nogal wat onzekerheden zijn over het exacte tijdstip van de vervangingspiek (na 2040) en de ontwikkeling van nieuwe (goedkopere) renovatietechnieken is het niet verstandig om per direct een theoretisch op lange termijn kostendekkend tarief te hanteren. De huidige heffing ligt onder het op lange termijn kostendekkende tarief. Er zijn vele scenario’s mogelijk om naar een kostendekkend niveau te groeien. In wezen is het een vraagstuk van verdeling in de tijd: hoe langzamer we naar een kostendekkend niveau groeien, hoe hoger we uiteindelijk uitkomen. Het zwaartepunt van de uitgaven komt na 2040. Daarom passen wij het tarief de komende jaren niet aan (behoudens inflatiecorrectie). Vanaf 2030, rekening houdend met de verwachtte vervangingspiek, gaan we de tarieven verhogen.
De reden hiervoor is gelegen in het feit dat de noodzaak tot stijging ontbreekt. Een tariefstijging hoeft namelijk pas na drie planperiodes (2030) te worden doorgevoerd om vanaf die periode te gaan sparen voor de (theoretische) vervangingspiek die na 2040 zal gaan optreden. De komende jaren zal duidelijk worden of die piek ook daadwerkelijk gaat optreden. In de tussenliggende periode zal de strategie vervangen versus relinen verder worden geoptimaliseerd. Deze benadering is tevens in overeenstemming met de aanbeveling van de Commissie BBV om ten behoeve van het tarief een horizon van 10 jaar te hanteren. Kosten taakveld Riolering, excl. onderhoud incl. (omslag)rente 1
2.294.004
Inkomsten taakveld(en), excl. heffingen
-/- 48.744
Netto kosten taakveld Riolering
2.245.260
Toe te rekenen kosten: Overhead
301.499
BTW2
243.307
Totale kosten
2.790.066
pagina 79
Overige opbrengsten beschikking reserves Opbrengst heffingen
2.790.066
Totaal opbrengsten
2.790.066
Dekkingspercentage
100%
1) 2)
Geen omslagrente a.g.v. ontbreken van boekwaarde activa. De BTW zoals opgenomen in de tabel betreft de kostprijsverhogende compensabele BTW over de gemaakte kosten. Voor deze compensabele btw is een korting toegepast op de algemene uitkering.
Afvalstoffenheffing De focus ten aanzien van afval ligt tegenwoordig op het maximaal hergebruiken van producten en grondstoffen: de circulaire economie. Afval zien als grondstof is goedkoper, duurzamer en milieuvriendelijker. De richting die we op moeten is het denken en handelen van inwoners (nog) verder om te schakelen van afval naar grondstof, zodat het hergebruik stijgt en de hoeveelheid restafval daalt. De volgende ambities zijn in het beleidsplan opgenomen: - De milieuambitie: Bernheze moet er naar streven om in 2030 afvalloos te zijn (dat wil zeggen dat er geen huishoudelijk afval meer vrijkomt dat als restafval verwerkt moet worden). - De kostenambitie kan omschreven worden als “een goede kwaliteit tegen een redelijke prijs”. Bij voorkeur gaan de kosten voor afvalbeheer niet omhoog, maar een stijging is bespreekbaar als daar wat tegenover staat. - De serviceambitie: gemak voor de burger. Inwoners moeten hun afval zo veel mogelijk kwijt kunnen op het moment dat zij dat willen en zij zich dus ook weinig zorgen hoeven te maken over opslagruimte in huis (niet méér opslagmiddelen dan noodzakelijk). - Aandacht voor werkgelegenheid (als vierde element aan de afvaldriehoek): preventie, hergebruik en recycling van afval kan lokale (sociale) werkgelegenheid opleveren.
Denk hierbij aan nieuwe werkgelegenheid door sortering en vermarkting van afvalstromen, kringloopwinkels en repair-cafés. Dit aandachtspunt hanteren we als secundaire ambitie. De fysieke inzamelstructuur is opgebouwd uit een haalsysteem (huis-aan-huis), een decentraal brengsysteem en een centraal brengsysteem (milieustraat en twee groendepots). De financiële inzamelstructuur is opgebouwd uit: - een belasting per perceel (vastrecht), - een belasting voor het ledigen van een kliko fijn huishoudelijk restafval (fHRA), - een belasting voor het aanleveren van bepaalde afvalstromen op de milieustraat (poorttarief). Daarnaast zijn kosten verbonden aan het gebruik maken van de haalservice voor grof tuinafval binnen de bebouwde kom. Dit geheel van de afvalstoffenheffing is maximaal 100% kostendekkend.
pagina 80
Kosten taakveld Afval, excl. onderhoud incl.(omslag)rente
3.281.052
Inkomsten taakveld (afval), excl. heffingen
-/- 336.030
Netto kosten taakveld afval
2.945.022
Toe te rekenen kosten: Overhead
64.550
BTW1
528.575
Totale kosten
3.538.147
Opbrengst heffingen
3.528.341
Totaal opbrengsten
3.528.341
Dekkingspercentage
99,72%
1)
De BTW zoals opgenomen in de tabel betreft de kostprijsverhogende compensabele BTW over de gemaakte kosten. Voor deze compensabele is een korting toegepast op de algemene uitkering.
Grafrechten Grafrechten zijn retributies die de gemeente kan heffen op grond van artikel 229, eerste lid, onder a en b, van de Gemeentewet. Zij worden geheven voor het gebruik van de gemeentelijke begraafplaats of het gemeentelijke crematorium en voor het genot van in verband daarmee door de gemeente verleende diensten. De activiteiten binnen het taakveld Begraafplaatsen en crematoria gebaseerd op de Wet op de lijkbezorging hebben vooral een administratief karakter en zijn de volgende: - toewijzen van nieuwe graven/urnen; - begraven en cremeren; - reserveren van een bestaand of nieuw graf; - verlengen en beëindigen van grafrechten; - opgraven en/of herbegraven of cremeren; - contacten met rechthebbenden, grafdelvers en uitvaartdiensten. Daarnaast worden kosten gemaakt voor de instandhouding van onze gemeentelijke begraafplaats. Kosten die wij maken voor de instandhouding particuliere begraafplaats en oorlogsgraven laten wij buiten beschouwing. Bovenstaande activiteiten zijn volledig toe te rekenen aan de kostendekkendheid grafrechten, met als uitgangspunt maximaal 100% kostendekkende tarieven. Op dit moment zien we echter een extreme daling in het aantal begravingen (2020: 16; 2021: 6; 2022: 8). Dit heeft consequenties voor of de tarieven of de uitgangspunten/keuzes tarieven. Voor de tarieven 2023 is de keuze gemaakt de tarieven alleen te indexeren.
pagina 81
Op dit moment loopt nog het onderzoek naar kostendekkendheid begraafplaats ’t Loo. Eventuele conclusies uit dit onderzoek verwachten we echter pas eind 2023 of begin 2024 te kunnen trekken. In de begroting is daarom rekening gehouden met een indexering van de tarieven. Een beschikking over de voorziening begraafplaats ’t Loo zorgt op dit moment voor kostendekkendheid. Kosten taakveld Begraafplaatsen en crematoria, incl. (omslag)rente1
78.505
Kosten taakveld Begraafplaatsen en crematoria dotatie voorziening
-/- 61.411
Inkomsten taakveld(en), excl. heffingen Netto kosten taakveld Begraafplaatsen en crematoria
17.094
Toe te rekenen kosten: Overhead
24.708
Totale kosten
41.802
Overige opbrengsten Opbrengst heffingen
41.417
Totaal opbrengsten
41.417
Dekkingspercentage
99,08%
1)
Betreffen kosten taakveld Begraafplaatsen en crematoria exclusief de kosten begraafplaats Parkstraat (geen gemeentelijke begraafplaats) en overige lasten lijkbezorging (geen betrekking op gemeentelijke begraafplaats.
Leges De huidige legesverordening is verdeeld in drie titels, namelijk: - Titel 1: Algemene dienstverlening; - Titel 2: Dienstverlening vallend onder fysieke leefomgeving/omgevingsvergunning; - Titel 3: Dienstverlening vallend onder Europese dienstenrichtlijn. - Kruissubsidiëring binnen een titel is mogelijk, maar niet meer tussen titels.
Titel 1: Leges Algemene dienstverlening Titel 1 bevat leges die voornamelijk betrekking hebben op de producten burgerzaken en producten bestuursstukken. Een aantal van deze leges zijn door het Rijk gemaximeerd met als gevolg dat het kostendekkend maken van deze leges Titel 1 forse effecten heeft op de andere producten. Vooralsnog maken we niet de keuze om binnen Titel 1 (algemene dienstverlening) kruissubsidiëring toe te passen. Daarmee accepteren wij een niet 100% dekking. Kosten taakveld (Burgerzaken)1
790.762
Netto kosten taakveld Burgerzaken
790.762
Toe te rekenen kosten:
pagina 82
Overhead (taakveld Burgerzaken) Totale kosten
501.881 1.292.643
Overige opbrengsten: Inkomsten taakveld excl. heffingen
27.899
Opbrengst heffingen
488.462
Totaal opbrengsten
516.361
Dekkingspercentage
39,9%
1)
Omslagrente niet van toepassing; geen boekwaarde aanwezig.
Titel 2: Leges Dienstverlening vallend onder fysieke leefomgeving/ omgevingsvergunning Legeskosten worden in rekening gebracht voor een omgevingsvergunning met de werkzaamheden: - bouwen en slopen; - afwijken van het bestemmingsplan zonder de activiteit bouwen; - inrit/uitrit maken, veranderen of gebruik ervan veranderen; - aanleggen van een weg; - kappen door niet particuliere eigenaren; - brandveilig gebruik. Voor Titel 2 geldt maximaal 100% kostendekkende tarieven. Hierbij hebben wij nog geen rekening kunnen houden met de nieuwe omgevingswet (ingangsdatum 1 januari 2024). De definitieve opbrengsten (via leges) worden meegenomen in het voorstel voor de leges en belastingverordening 2024 (december 2023). Daarnaast bestaat het voornemen om vanaf 2024 ook milieuleges te gaan heffen. In de begroting 2024 hebben wij deze informatie nog niet concreet gemaakt. Kosten taakveld Wonen en bouwen1
1.012.077
Inkomsten taakveld(en), excl. heffingen Netto kosten taakveld Wonen en bouwen
1.012.077
Toe te rekenen kosten: Overhead taakveld bouwen en wonen
676.190
Kosten taakveld Burgerzaken
22.996
Overhead taakveld Burgerzaken
21.620
Kosten taakveld Crisisbeheersing en brandweer
68.136
Kosten taakveld Cultureel erfgoed
7.486
Kosten taakveld Ruimtelijke ordening
14.797
Totale kosten
1.823.302
pagina 83
Overige opbrengsten
44
Opbrengst leges
1.710.799
Totaal opbrengsten
1.710.843
Dekkingspercentage
93,8%
1)
Omslagrente niet van toepassing; geen boekwaarde aanwezig.
Titel 3: Leges Dienstverlening vallend onder Europese dienstenrichtlijn Bevat alle leges die betrekking hebben op producten horeca, evenementen, brandbeveiligingsverordening en overige vergunningen in het kader van de APV (veelal producten met een maatschappelijk karakter). Uw raad heeft zich uitgesproken (onderzoek kostendekkendheid 2006 en 2011) om diensten in het maatschappelijk belang laag te houden waardoor de bereikbaarheid van burgers in de samenleving gegarandeerd blijft. Wij willen bij de leges en belastingverordening 2024 bekijken of wij op onderdelen (C-evenement) wat meer in de richting van kostendekkendheid kunnen overgaan. Kosten taakveld Economische promotie1
71.234
Inkomsten taakveld(en), excl. heffingen Netto kosten taakveld Economische promotie
71.234
Toe te rekenen kosten: Overhead
92.655
Kosten taakveld Crisisbeheersing en brandweer
34.068
Kosten taakveld openbare orde en veiligheid
60.200
Kosten taakveld ruimtelijke ordening Totale kosten
Overige opbrengsten
592 258.749
2
Opbrengst leges
14.862
Totaal opbrengsten
14.864
Dekkingspercentage
5,7%
1)
Omslagrente niet van toepassing; geen boekwaarde aanwezig.
Leges marktgelden Marktgelden worden geheven voor innemen van een marktplaats op één van de wekelijkse warenmarkten, of zijnde een standwerkersplaats. Losse standplaatsen en ventvergunningen vallen hier niet onder. Voor marktgelden geldt als uitgangspunt maximaal 100% kostendekkende tarieven.
pagina 84
Kosten taakveld Bedrijvenloket en bedrijfsregelingen 1
25.936
Inkomsten taakveld(en), excl. heffingen
-/- 3.643
Netto kosten taakveld Bedrijvenloket en bedrijfsregelingen
22.293
Toe te rekenen kosten: Overhead
18.531
kosten taakveld Economische promotie
7.224
Totale kosten
48.048
Opbrengst leges
22.784
Totaal opbrengsten
22.784
Dekkingspercentage
47,4%
1)
Omslagrente niet van toepassing; geen boekwaarde aanwezig.
pagina 85
B. Weerstandsvermogen en risicobeheersing Weerstandsvermogen is het vermogen van de gemeente om haar taken voort te zetten ondanks financiële tegenvallers. Dit betekent dat de gemeente middelen beschikbaar moet hebben of in de loop der tijd beschikbaar kan maken om eventuele risico’s als die zich voordoen op te vangen. Voordat dit weerstandsvermogen bepaald kan worden zal zij eerst de weerstandscapaciteit en de risico’s moeten inventariseren. Het weerstandsvermogen wordt weergegeven in een ratio dat weergeeft in hoeverre de gemeente in staat is de risico’s op te vangen.
Weerstandscapaciteit Weerstandscapaciteit wordt bepaald door de vrij beschikbare middelen die we in kunnen zetten voor eventuele dekking bij het voordoen van risico’s. Wij maken daarbij onderscheid tussen een incidentele en een structurele component. Bij het beoordelen van de begroting hanteert de toezichthouder (provincie) voor de algemene reserves het bedrag zoals geraamd per 1 januari van het begrotingsjaar. Incidentele weerstandscapaciteit bestaat uit: - Algemene reserves Naast de reserve nog nader te bestemmen hebben wij ook een algemene weerstandsreserve. Het is de algemene weerstandsreserve die wij volledig inzetten ten behoeve van de weerstandscapaciteit. Deze reserve is bij de jaarrekening 2022 met € 2.147.199,- verlaagd om uit te komen onder de maximale omvang (1,4 van de risico-omvang). De reserve nog nader te bestemmen zien wij als volledig vrij beschikbaar om in te zetten voor andere doeleinden waar de raad over wil beslissen. - Post onvoorzien (incidenteel) De post onvoorzien kan incidenteel worden ingezet als weerstandscapaciteit. Gedurende het uitvoeringsjaar kan dit budget worden ingezet voor concrete bestedingsvoorstellen. - Stille reserves Niet aanwezig. - Incidentele begrotingsruimte De incidentele begrotingsruimte is bij opmaak van de primitieve begroting 2024 € 387.652,-.
Reserves Overzicht per balansdatum: Reserves
Algemene reserve (reserve nog nader te bestemmen)
Omvang
Stand
Incidentele
per 1-1
weerstandscapaciteit
23.175.951
0
pagina 86
Reserves
Omvang
Algemene weerstandsreserve
5.238.667
5.238.667
Post onvoorzien (incidenteel)
94.472
94.472
0
0
387.652
387.652
Stille reserves Incidentele begrotingsruimte
5.720.791
Structurele weerstandscapaciteit De structurele weerstandscapaciteit bestaat uit:
Onbenutte belastingcapaciteit -
-
Het Rijk heeft met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) afgesproken dat vanaf 2020 een benchmark woonlasten wordt ingevoerd om jaarlijks de ontwikkeling van de lokale lasten inzichtelijker te maken. De provincie geeft daarnaast aan dat de onbenutte belastingcapaciteit als volgt bepaald moet worden: “De nog onbenutte OZB gelijk aan de belastingheffing die nog kan plaatsvinden tot het niveau dat een gemeente moet heffen om voor toelating artikel 12 aanvraag in aanmerking te komen (onder curatelestelling rijk)”. Deze richtlijn volgen we.
2023
Artikel 12 norm
Gewogen gemiddelde OZB tarief Bernheze
Ruimte ten opzichte van artikel 12
0,1614 %
0,1228%
2.680.027
Post onvoorzien structureel Niet aanwezig.
Structurele begrotingsruimte De structurele begrotingsruimte 2024 is niet aanwezig Stand per 1-1 (o.b.v. begroting)
Structurele Weerstandscapaciteit
Onbenutte belastingcapaciteit
2.680.027
2.680.027
Post onvoorzien (structureel)
0
0
Structurele begrotingsruimte
0
0
Totaal
2.680.027
pagina 87
Risico's Kwantificering risico’s Voor de kwantificering van de afzonderlijke risico’s maken wij gebruik van: - de maximale omvang van het risico; - de kans dat een risico zich voordoet (risicofactor); - de termijn waarbinnen dit risico verwacht kan worden (tijdsfactor). In samenspraak met de verantwoordelijke medewerkers bekijken wij wat de risico’s zijn en maken wij een inschatting op basis van tijd en geld. Ieder op basis van zijn/haar expertise.
Berekeningswijze Omvang risico (gewogen) = maximale omvang (ongewogen) x risicofactor x tijdsfactor Soort
Toelichting
Percentage
Risicofactor 1
Hoog
80%
Risicofactor 2
Gemiddeld
50%
Risicofactor 3
Laag
20%
Tijdfactor 1
binnen 1 jaar
100%
Tijdfactor 2
binnen 2 jaar
50%
Tijdfactor 3
binnen 5 jaar
20%
Tijdfactor 4
langer dan 5 jaar
10%
Op basis van deze berekeningswijze zijn de risico’s doorgerekend. In de volgende tabellen zijn de risico’s weergegeven, gesplitst in incidentele en structurele risico’s.
pagina 88
Overzicht incidentele risico’s Risicobeschrijving
Risicovolume
Gewogen risico
Nieuwe omgevingswet
500.000
400.000
Renovatie Bruijstenhof
500.000
50.000
Startersleningen
50.000
1.000
3.801.793
3.801.793
500.000
400.000
1.034.000
1.034.000
Wachtgelden wethouders
500.000
20.000
Totaal incidentele risico’s
6.885.793
5.706.793
Bouwgrondexploitatie Vlagheide Heesch West
Overzicht structurele risico’s Risicobeschrijving
Risicovolume
Gewogen risico
Nieuwe omgevingswet
250.000
200.000
Leerlingenvervoer
61.000
30.500
232.000
185.600
Minimabeleid
100.000
80.000
Participatiewet – Wsw
316.000
31.600
WMO (HH / hulpmiddelen / Wmo 2015)
998.000
798.400
Jeugdzorg
683.000
546.400
Regionale ambulancevoorziening
15.000
600
Begeleid werken
96.000
9.600
Algemene uitkering
2.982.000
477.120
Inflatie en schaarste
pm
pm
5.733.000
2.359.820
Participatiebudget –
inkomensdeel
Totaal structurele risico’s
Onder het kopje “Geïnventariseerde risico’s” ziet u de verdere onderbouwing van de benoemde risico’s.
Weerstandsvermogen Het weerstandsvermogen geeft de mogelijkheden weer van de gemeente om risico’s op te kunnen vangen. Dit vermogen om risico’s op te vangen wordt weergegeven door een ratio. Deze ratio is een verhoudingsgetal tussen de weerstandscapaciteit en de geïnventariseerde risico's. Het weerstandsvermogen bestaat uit de relatie tussen de beschikbare weerstandscapaciteit en de benodigde weerstandscapaciteit (berekende risico-omvang) en wordt uitgedrukt in een verhoudingsgetal/ratio.
pagina 89
Om het weerstandsvermogen te kunnen beoordelen wordt gebruik gemaakt van de onderstaande waarderingstabel, gebaseerd op de uitgangspunten van het Nederlands Adviesbureau Risicomanagement (NAR): Ratio
Betekenis
>2
Uitstekend
1,4 tot 2,0
Ruim voldoende
1,0 tot 1,4
Voldoende
0,8 tot 1,0
Matig
0,6 tot 0,8
Onvoldoende
< 0,6
Ruim onvoldoende
Wij streven naar een Voldoende (ratio minimaal 1,0 (100%); maximaal 1,4 (140%)). Risico
Weerstandscapaciteit
Ratio
Aanpassing capaciteit
Incidenteel
5.706.793
5.720.791
100%
n.v.t.
Structureel
2.359.820
2.680.027
114%
n.v.t.
Totaal
8.066.613
8.400.818
104%
Aanpassing Ratio
De bandbreedte van het weerstandsvermogen is op basis van deze risico-omvang tussen de € 8.066.613,- (1,0 x risico-omvang) en € 11.293.258,- (1,4 x risico-omvang). Wij constateren dat op basis van de inventarisatie risico’s en de weerstandscapaciteit, het weerstandsvermogen ‘voldoende’ is (met 104%).
Geïnventariseerde risico’s Programma leefbare kernen Nieuwe omgevingswet (incidenteel € 500.000,- / structureel € 250.000,-) (risico 1 en tijd 1) De huidige wet- en regelgeving wordt vervangen door de Omgevingswet. De invoering van de nieuwe omgevingswet gaat in per 1 januari 2024. Behalve een benadering van deze wet vanuit instrumentele en ruimtelijke-juridische focus is het ook belangrijk om inzicht te hebben in de gevolgen van de implementatie en organisatorische capaciteit. Het zal gevolgen hebben voor de personele bezetting, ICT-voorzieningen en legesopbrengsten. De omvang hiervan is onzeker.
Renovatie woonwagencentrum Bruijstenhof (incidenteel € 500.000,-) (risico 2 en tijd 3) De renovatie van woonwagencentrum Bruijstenhof heeft een risico in zich van vervuilde grond.
pagina 90
Startersleningen (incidenteel € 50.000,- = 10% van boekwaarde) (risico 3 en tijd 4) Vanaf 1 januari 2014 geldt voor geldgevers van startersleningen een eigen risico van 10%. Dit betekent dat als er een verliesdeclaratie van een starter bij NHG wordt ingediend, de gemeente 10% hiervan voor eigen rekening moet nemen. Onze gemeente stopte met ingang van 1 mei 2015 met de startersleningen, maar startte in 2020 hier weer mee.
Herplaatsingsgarantie flexwoningen nieuw (risico pm) Met het oog op de realisatie van flexwoningen wordt een landelijke regeling getroffen voor een financiële herplaatsingsgarantie voor flexwoningen. Het gaat om de toekomstige herplaatsing van deze soort woningen. Als herplaatsing te zijner tijd niet mogelijk is dan is financiële compensatie voor de investeerder mogelijk. De verdeling van dit risico tussen betrokkenen wordt gesteld op 60% rijk, 25% gemeente en 15% eigen risico voor de investeerder. Het gaat om risico’s die zich na 15 jaar kunnen voordoen. We zullen in voorgaande periode de risico’s te monitoren door met de exploitant inzake te vragen over het verloop van de waarde van de woningen en de aangehouden boekwaardes.
Bouwgrondexploitatie (incidenteel € 3.801.793,- (reeds gewogen) zie paragraaf G) De hoogte van de risico’s van de bouwgrondexploitaties bepalen wij aan de hand van een risicoscan. Aan de hand van een risicoscenario gaan wij er van uit dat de toekomstige opbrengsten met 25% zullen dalen, de uitgaven met 25% zullen stijgen en de verkopen daarnaast met twee jaar vertragen. Op basis hiervan vindt een weging plaats naar kans en tijdsfactor.
Programma 2: Gezonde en zorgzame gemeente Leerlingenvervoer (structureel € 61.000,- = 10% v.d. raming) (risico 2 en tijd 1) Het leerlingenvervoer betreft een open-einde-regeling. Dit houdt in dat leerlingen die voldoen aan de verordening leerlingenvervoer gemeente Bernheze in aanmerking komen voor een vergoeding van de kosten voor vervoer naar en van school. Vooraf is niet te overzien wie in welke mate hiervan gebruik gaat maken. Zodoende is het niet mogelijk om vooraf te bepalen hoe hoog de kosten voor leerlingenvervoer over een bepaalde periode zullen zijn. Als gevolg van de oorlog in Oekraïne stijgen de brandstofprijzen die effect kunnen hebben op de vervoerskosten.
Participatiewet - inkomensdeel (structureel € 232.000,- = 5% van het voorlopige BUIG-budget 2023) (risico 1 en tijd 1) Bij de uitvoering van de Participatiewet doen zich twee risico’s voor. Het betreft de ontwikkeling van de cliëntenaantallen en de hoogte van de rijksbijdrage. Allereerst de aantallen cliënten met een bijstandsuitkering: afwijkingen werken direct door in de uitgaven. Het aantal cliënten laat zich niet eenvoudig bepalen. Daarmee zijn de bijstandsuitkeringen een open-einde-regeling. Ten tweede is de specifieke uitkering ter (gedeeltelijke) dekking van de bijstandskosten een onzekere factor.
pagina 91
Indien gemeenten een tekort hebben op het rijksbudget kan, onder voorwaarden, een beroep gedaan worden op de vangnetregeling. Gemeenten kunnen op dit vangnet een beroep doen als het tekort op de gebundelde uitkering oploopt tot boven de 7,5%, waarbij tekorten tot 12,5% voor de helft worden vergoed en daarboven volledig.
Minimabeleid (structureel € 100.000,- = 10% van begrote kosten minimabeleid 2024) (risico 1 en tijd 1) Zowel de omvang van de doelgroepen van het minimabeleid als het gebruik van de regeling is geschat op basis van het gebruik en ontwikkeling van de kosten van de afgelopen jaren. Deze prognose is moeilijk op realiteitswaarde in te schatten. Minimaregelingen zijn open einderegelingen. Dit betekent dat wanneer iemand recht heeft op een regeling, er een uitkering uit hoofde van die regeling moet plaatsvinden. Door verkeerde inschattingen van de omvang van de doelgroep en het gebruik van die regeling door de doelgroep, kan er sprake zijn van over- of onderuitputting van de budgetten.
Participatiewet – onderdeel klassieke Wsw (structureel € 316.000,- = 7,5% van rijksbudget 2024) (risico 3 en tijd 2) De Wet op de Sociale Werkvoorziening is in 2015 opgegaan in de Participatiewet. Hierdoor komen er geen nieuwe instroom WSW-ers meer en daalt het aantal WSW-ers als gevolg van overlijden, pensionering en overige uitstroom geleidelijk. Hiermee samenhangend daalt ook de rijksbijdrage. Het risico bestaat dat deze daling van de rijksbijdrage sneller verloopt dan de afname van het aantal WSW-ers.
Huishoudelijke hulp, begeleiding, dagbesteding, woon- en vervoersvoorzieningen en rolstoelen (structureel € 998.000,- = 15% van de begrote uitgaven 2024) (risico 1 en tijd 1) De risico’s worden veroorzaakt doordat de huishoudelijke hulp, woon- en vervoersvoorzieningen en rolstoelen te kenmerken zijn als open-eind-regelingen. De laatste jaren zien we een toenemende vraag op de Wmo, onder andere als gevolg van de invoering van het abonnementstarief eigen bijdrage die een aanzuigende werking heeft waardoor de vraag naar huishoudelijke hulp en hulpmiddelen toeneemt, de vergrijzing, aanbestedingen en de intensivering van de ondersteuningsvragen. Daarna hebben we te maken met forse tariefstijgingen.
Jeugdzorg (structureel € 663.000,- = 10% van de begrote uitgaven 2024) (risico 1 en tijd 1) Per 1 januari 2022 vond een wijziging in de financiering plaats van de lichte zorg (lumpsumfinanciering werd vervangen door p x q-financiering en hanteren van reële kostprijzen). Hiermee kenmerken we de jeugdzorg als een open-eind-regeling. De stijging van de doelgroep, stijging van de tarieven en daarmee de zorgkosten en de toenemende vraag naar complexe zorg zijn belangrijke factoren die de kosten van de jeugdzorg bepalen. Ook Corona afgelopen jaren lijkt te zorg voor een toenamen.
pagina 92
Met de inzet van een praktijkondersteuner huisartsen willen we doorstroming naar de specialistische jeugdzorg verminderen. Verder heeft de toegang sinds 1 januari 2022 een grotere rol in de toewijzing van het volume van de zorg.
Regionale Ambulancevoorziening (RAV) (structureel € 15.000,-) (risico 3 en tijd 3) In de begroting is de structurele bijdrage aan de gemeenschappelijke regeling RAV op nul gesteld. De kans dat er weer sprake wordt van een gemeentelijke bijdrage lijkt klein. Van de kosten van het Functioneel Leeftijdsontslag (FLO) zou feitelijk 5% voor rekening van de deelnemende gemeenten komen. Aangezien door de RAV is voorgesteld de bijdrage op nul te stellen lijkt de RAV van mening dat zij deze lasten zelf kan dragen. Echter, externe ontwikkelingen als bezuinigingen door het Rijk maar bijvoorbeeld ook kostensaneringen bij de zorgverzekeraars kunnen leiden tot een (hogere) gemeentelijke bijdrage.
Programma 3: Klimaatbestendig, biodivers en circulair Vlagheide (incidenteel € 500.000,-) (risico 1 en tijd 1) Het stadsgewest bouwt de voormalige vuilstort Vlagheide af en wil deze overdragen aan de provincie. Dit is uitgesteld met een beoogde overdracht voor 1 januari 2025. Tot die tijd brengt het stadsgewest bij de deelnemers jaarlijks vanaf 2021 een bijdrage in rekening voor exploitatiekosten om het tekort niet verder op te laten lopen De lage rente van afgelopen periode is aanleiding geweest om een ander moment van overdracht te kiezen. Het stadsgewest denkt inmiddels dat het gereserveerde doelvermogen per genoemde datum gegroeid is tot € 20 miljoen en toereikend is voor de afkoop aan de provincie. Het maximale risico is dat de overdrachtssom niet betaald kan worden (aandeel Bernheze 2,6%).
Programma 4: Duurzame landbouw en economie Exploitatie bedrijventerrein Heesch West (incidenteel € 1.034.000,- risico reeds gewogen) De gemeenschappelijke regeling beschikt over een toereikende voorziening om de geprognotiseerde verlies op te kunnen vangen. Deze is door de deelnemende gemeente in 2022 ingebracht. Voor de overige ondernemersrisico’s noemt de gemeenschappelijke regeling een aantal gevoeligheden zoals verlaging van prijs, vertraging uitgifte en kostenstijging. Het risicoaandeel hiervan is afgeleid voor onze gemeente en kan worden gesteld op € 1,034 miljoen.
Programma 6: Dienstverlening en sterke organisatie Wachtgeld wethouders (incidenteel € 500.000,- (risico 3 en tijd 3) Na beëindiging van het wethouderschap ontvangt een wethouder een ontslaguitkering, tenzij de pensioengerechtigde leeftijd is bereikt. Dat is geregeld in de Algemene Pensioenwet Politieke Ambtsdragers (Appa). We houden rekening met een maximale wachtgeldverplichting van de huidige wethouders bedraagt € 500.000,-.
pagina 93
Begeleid werken (structureel € 96.000,- betreft begrote structurele subsidie) (risico 2 en tijd 3) In Bernheze hebben we 10,6 fte in dienst op basis van Begeleid Werken vanuit de Wet sociale werkvoorziening (Wsw). De medewerkers hebben hierdoor het voordeel dat zij een salaris ontvangen conform de van toepassing zijnde arbeidsvoorwaarden. Als financiële tegemoetkoming ontvangt de gemeente een loonkostensubsidie (€ 96.000,-) ter gedeeltelijke vergoeding. Vanwege de afbouw van de rijkssubsidie klassieke Wsw staan deze inkomsten onder druk.
Programma 7: Financiën Algemene uitkering (5% = structureel € 2.982.000,-) (risico 1 en tijd 2) De algemene uitkering vormt een belangrijke risicofactor binnen de begroting. De inkomsten uit het algemene uitkering zijn ruim 50% van de totale begroting. De hoogte van de algemene uitkering is afhankelijk van heel veel factoren. Per 1-1-2023 heeft er een herverdeling van het gemeentefonds plaatsgevonden. Gemeente Bernheze behoorde tot de voordeelgemeenten (€ 19,50 per inwoner of terwijl een positieve bijstelling van de inkomsten van € 604.000,-). Of het totaal van het herverdeeleffect overeind blijft is onzeker. Er vindt namelijk nog een evaluatie plaats voor het traject 2026 en verder. In het coalitieakkoord heeft het kabinet een nieuwe financieringssystematiek voor medeoverheden aangekondigd met als doel een stabiele(re) financiering en meer autonomie voor medeoverheden. Vooruitlopend op deze nieuwe financieringssystematiek is voor 2026 e.v. jaren € 1 miljard beschikbaar gesteld in afwachting van de besluitvorming rondom de nieuwe financieringssystematiek. Inmiddels is bekend geworden dat vanaf 2027 de groei van het gemeentefonds gekoppeld wordt aan de ontwikkeling van het Bruto Binnenlands Product. Het effect van deze systematiek op de inkomsten algemene uitkering zijn nog niet bekend.
Gemeenten en Rijk hebben een akkoord over de Hervormingsagenda Jeugd en daarmee ook over het financiële kader. Hiermee zijn afspraken gemaakt over verbeteringen en besparingen in de jeugdzorg. Het effectueren van deze Hervormingsagenda Jeugd vergt echter ook landelijke wetgeving. De val van het kabinet kan leiden tot vertragingen. De gemeente Bernheze volgt met de ramingen volledig de circulaires die het Ministerie van Binnenlandse Zaken uitbrengt. Indien de inkomsten uit de algemene uitkering lager uitvallen dan geraamd, kan dit tot (structurele) begrotingstekorten leiden. Wij monitoren de ontwikkeling binnen het Gemeentefonds voortdurend om snel te kunnen bijsturen.
Inflatie (geen aanvullend risico) Op dit moment worden we geconfronteerd met hoge inflatiecijfers. Dit heeft zijn effect op de inkoop van producten en diensten voor volgend jaar, terwijl ook voor 2024 de daadwerkelijke inflatie onzeker is. We rekenen voor 2024 met een prijsindex 6,2%. Daarnaast beschikken we over een
pagina 94
stelpost van € 900.000,- die we gedurende het begrotingsjaar kunnen inzetten als dekking voor bovenmatige prijsstijgingen.
Risicomatrix RISICO - hoog GEMIDDELD (hoog 3) Nieuwe omgevingswet
HOOG (4) Wachtgeld wethouders Algemene uitkering Minimabeleid Participatiewet – inkomensdeel WMO (HH, hulpmiddelen en WMO 2015) Jeugdzorg Vlagheide Bouwgrondexploitatie Heesch West
LAAG (1) Startersleningen RAV
GEMIDDELD (laag 2) Begeleid werken Participatiewet - Wsw Leerlingenvervoer Renovatie Bruijstenhof
RISICO – laag
Financiële kengetallen In dit onderdeel van deze paragraaf nemen we de in het Besluit begroting en verantwoording voorgeschreven financiële kengetallen op. De kengetallen zijn grotendeels gebaseerd op geprognosticeerde balansgegevens. Elders in deze in begroting (Hoofdstuk Overzicht baten en lasten en hoofdstuk Meerjarenraming) hebben we ook de geprognosticeerde balans opgenomen. Naarmate deze verder in de toekomst is gelegen wordt deze minder betrouwbaar. Met name het tempo van de investeringen en de financiering daarvan laat zich moeilijk betrouwbaar voorspellen.
Totaaloverzicht financiële kengetallen Financiële kengetallen
2022
2023
2024
2025
2026
2027
Netto schuldquote
-0,6%
6,2%
10,2%
17,6%
25,1%
28,8%
pagina 95
Financiële kengetallen
2022
2023
2024
2025
2026
2027
Netto schuldquote gecorrigeerd voor alle verstrekte leningen
-3,0%
1,3%
5,5%
13,0%
20,9%
24,6%
Solvabiliteitsratio
39,8%
53,3%
53,7%
53,5%
54,0%
53,2%
Grondexploitatie
4,1%
4,8%
-0,6%
-1,9%
-3,9%
-4,1%
Structurele exploitatieruimte
5,0%
3,4%
7,4%
7,2%
7,3%
7,2%
Belastingcapaciteit*
85,0%
81,4%
83,9%
90,4%
93,1%
97,1%
*) Gemiddelde woonlasten via Coelo (landelijk tarievenoverzicht 2022. Voor alle jaren als uitgangspunt genomen)
Netto schuldquote Hoe hoger de schuld, hoe hoger de netto schuldquote. De netto schuldquote weerspiegelt het niveau van de schuldenlast van de medeoverheid ten opzichte van de eigen middelen en geeft een indicatie van de druk van de rentelasten en de aflossingen op de exploitatie. Een hoge netto schuldquote hoeft op zichzelf geen probleem te zijn. Of dat het geval is valt niet direct af te leiden uit de netto schuldquote zelf, maar hangt af van meerdere factoren. Zo kan een hoge schuld worden veroorzaakt doordat er leningen zijn afgesloten en die gelden vervolgens worden doorgeleend aan bijvoorbeeld woningbouwcorporaties die op hun beurt weer jaarlijks aflossen. In dat geval hoeft een hoge schuld geen probleem te zijn. Om inzicht te verkrijgen in hoeverre er sprake is van doorlenen wordt de netto schuldquote zowel in- als exclusief doorgeleende gelden weergegeven (netto schuldquote gecorrigeerd voor alle verstrekte leningen). In 2022 is de boekwaarde van bedrijventerrein Heesch West overgenomen door de Gemeenschappelijke regeling, waardoor de materiële vaste activa afnemen. Daartegenover zijn de vaste schulden lager geworden, omdat de bijbehorende lening voor financiering van Heesch West is terugbetaald. Dit zorgt ervoor dat de netto schuldquote in 2024 beperkt blijft.
Voor volgende jaren stijgt de schuldquote door het feit dat de investeringen toenemen en dat wordt afgelost op de bestaande langlopende leningen. De BNG benoemd een maximale netto schuldquote van 130%. De netto schuldquote van Bernheze blijft in de beschouwde ruimschoots onder dit maximum. De conclusie is dan hiermee geen grote risico’s bestaan om te kunnen voldoen aan de verplichtingen van aflossong en rentebetalingen.