Plantoelichting versie juni 2024
Tekst van het document
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
28
Bestemmingsplan ‘Achterste Groes 9 en 9a Heesch’ - Toelichting
De te verwachten bodemkwaliteit vormt daarom geen belemmering voor de voorgenomen bestemmingswijziging en een verkennend bodemonderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. (Bron: Omgevingsdienst Brabant Noord).
5.2 Water 5.2.1
Inleiding
Het doel van de watertoets is te waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante plannen en besluiten. Een watertoets maakt mogelijke negatieve invloeden van het initiatief inzichtelijk. Tevens geeft de watertoets oplossingsrichtingen aan waarmee mogelijke optredende negatieve invloeden beperkt of ongedaan gemaakt kunnen worden. Het plangebied valt onder het beheer van Waterschap Aa en Maas. De gemeente is verantwoordelijk voor de inzameling en het transport van afvalwater dat afkomstig is van huizen en bedrijven. Huiseigenaren zijn zelf verantwoordelijk voor de aansluiting op het riool. Vanaf dit aansluitpunt neemt de gemeente de verantwoordelijkheid over. De gemeente is ook verantwoordelijk voor de zorg voor het overtollige regenwater en grondwater.
5.2.2 5.2.2.1
Beleidskader Principes waterschap Aa en Maas
Het waterschap Aa en Maas hanteert navolgende principes: - gescheiden houden van vuil water en schoon hemelwater; - doorlopen van de afwegingsstappen: ‘hergebruik-infiltratie-buffering-afvoer’; - hydrologisch neutraal bouwen; - water als kans; - meervoudig ruimtegebruik; - voorkomen van vervuiling; - wateroverlastvrij bestemmen; - waterschapsbelangen.
5.2.2.2
Waterbeheerplan 2022-2027
In het Waterbeheerplan is beschreven welke doelen door het waterschap worden nagestreefd in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen willen gaan halen. Het waterbeheerplan is gebaseerd op de volgende drie programma’s: 1. Waterveiligheid; 2. Klimaatbestendig en gezond watersysteem; 3. Afvalwaterketen. Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas en het regionale watersysteem. Het programma ‘Klimaatbestendig en gezond watersysteem’ draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
29
Bestemmingsplan ‘Achterste Groes 9 en 9a Heesch’ - Toelichting
klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. In het programma ‘Afvalwaterketen’ speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol. Voor bebouwde gebieden heeft het waterschap specifieke doelen geformuleerd. In bebouwd gebied werkt het waterschap toe naar een klimaatrobuust watersysteem waarin: schoon water niet naar de zuivering gaat, maar het grondwater voedt; de waterkwaliteit geen risico’s geeft voor de volksgezondheid en geschikt is voor een goede ontwikkeling van flora en fauna, maar ook voor recreatie en evenementen; de kans op wateroverlast en problemen door droogte en hittestress acceptabel is; de betrokkenheid en het waterbewustzijn van inwoners, bedrijven en andere stedelijke partners is toegenomen.
Om deze doelen te bereiken zijn de volgende uitgangspunten geformuleerd: het maken van actieplannen met maatregelen gericht op een klimaatrobuust watersyteem; het verkennen van de mogelijkheden om de hoeveelheid water die vanuit bebouwd gebied wordt afgevoerd op het regionale systeem te beperken; inzetten op extra maatregelen: ontstenen, vergroenen, afkoppelen en groene daken; meedenken met gemeenten bij beleid en regelgeving rondom meervoudig ruimtegebruik, afkoppelen, hemelwaterverordeningen en het opnemen van klimaatadaptatie in bestemmingsplannen; handhaven van de stimuleringsregeling klimaatactief bebouwd gebied en deze koppelen waar mogelijk aan gemeentelijke regelingen; de samenwerking met gemeenten, woningcorporaties, ontwikkelaars en de bouwsector breed opzoeken in het bebouwde gebied; Intensief samenwerken op de overgang tussen bebouwd gebied en landelijk gebied, ook rondom bedrijventerreinen. 5.2.2.3
Keur Waterschap Aa en Maas
De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Op grond van de Keur is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd, zonder een ontheffing van het waterschap. Het plangebied is niet gelegen binnen een keurbeschermingsgebied of attentiegebied. 5.2.2.4
Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen
De drie Brabantse waterschappen hanteren dezelfde uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze uitgangspunten zijn geformuleerd in de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn veroorzaken
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
30
Bestemmingsplan ‘Achterste Groes 9 en 9a Heesch’ - Toelichting
deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 500 m², toename van een verhard oppervlak tussen de 500 m² en 10.000 m² en projecten met een toename van het verhard oppervlak van meer dan 10.000 m². Op basis van de Keur en deze beleidsregel wordt geen compensatie vereist voor plannen met een toename van verhard oppervlak van minder dan 500 m². Het hemelwater afkomstig van het toegenomen verhard oppervlak mag naar bestaand oppervlaktewater worden afgevoerd. Op vrijwillige basis is de aanleg van een infiltratievoorziening toegestaan, mits daarbij in voldoende mate met de omgeving rekening gehouden wordt en geen wateroverlast op eigen terrein of bij derden ontstaat. 5.2.2.5
Gemeentelijk waterbeleid
In verband met voorkomende wateroverlast binnen de gemeente Bernheze wordt door de gemeente Bernheze eveneens een compensatie verlangd voor het bergen van hemelwater bij een nieuw verhard oppervlak met een omvang van minder dan 500 m². De bergingsbehoefte wordt daarbij op grond van de Verordening Fysieke Leefomgeving bepaald op basis van 20 mm per m² verharding.
5.2.3
Waterparagraaf
Als gevolg van de beoogde ontwikkeling vinden feitelijk geen wijzigingen plaats. De bedrijfswoning wordt omgezet naar reguliere burgerwoning en de bestaande bedrijfsgebouwen worden als zodanig aangeduid. Geen nieuwe verharding wordt voorzien. Geen extra bergingsvoorzieningen worden noodzakelijk geacht. Op vrijwillige basis is de aanleg van een infiltratievoorziening toegestaan, mits daarbij in voldoende mate met de omgeving rekening gehouden wordt en geen wateroverlast op eigen terrein of bij derden ontstaat. Eventuele infiltratievoorzieningen dienen te worden gerealiseerd boven de Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand (GHG). De GHG ter plaatse van het plangebied bedraagt tussen de 40 en 80 centimeter beneden maaiveld.
5.3 Geluid 5.3.1
Wegverkeerslawaai
De Wet geluidhinder biedt geluidsgevoelige bestemmingen bescherming tegen geluidhinder van wegverkeerslawaai bij de aanleg/wijziging van wegen of bij de bouw van woningen in de buurt van wegen. De reikwijdte van de wet is beperkt tot een geluidszone langs wegen. Met de beoogde herontwikkeling wordt de bestaande bedrijfswoning herbestemd naar reguliere burgerwoning. Geen nieuw geluidgevoelig object wordt gerealiseerd. Niettemin dient ter plaatse sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De Achterste Groes betreft een doodlopende straat met enkel bestemmingsverkeer. Aangenomen kan worden dat gezien de lage verkeersintensiteit ter plaatse, de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet overschreden zal worden. Gezien de staat van de woning is ook te verwachten dat het binnenniveau aanvaardbaar wordt geacht (maximaal 33 dB). Een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
31
Bestemmingsplan ‘Achterste Groes 9 en 9a Heesch’ - Toelichting
5.3.2
Industrielawaai
Zonering van industrielawaai in het kader van de Wet geluidhinder is het ruimtelijk scheiden van industrieterreinen waarop (grote) lawaaimakers zijn gevestigd enerzijds en woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen anderzijds. Met zonering wordt beoogd rechtszekerheid te bieden aan zowel bedrijven als aan bewoners/gebruikers van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen. Bedrijven kunnen aan de ene kant hun geluidproducerende activiteiten niet onbeperkt uitbreiden ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen en buiten de zone. Aan de andere kant wordt, ter bescherming van hun akoestische ruimte, voorkomen dat woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen te veel oprukken naar de bedrijven toe. Met de beoogde herontwikkeling wordt geen nieuw geluidgevoelig object gerealiseerd. De bestaande bedrijfswoning wordt herbestemd naar reguliere burgerwoning. Deze woning wordt echter wel afgesplitst van bedrijfsgebouwen binnen het plangebied, waarmee rekening gehouden dient te worden. Ter plaatse van het af te splitsen bedrijfsgebouw wordt een bedrijf toegestaan binnen maximaal milieucategorie 2. Ter plaatse is thans een dienstverleningsbedrijf gevestigd. Geluidproducerende activiteiten worden ter plaatse niet beoogd.
Bovendien is de milieucategorie 2 verankerd in de regels van onderhavig bestemmingsplan, waarmee is verankerd dat zich ter plaatse geen zwaardere bedrijfsactiviteiten kunnen vestigen. Bedrijven binnen milieucategorie 2 produceren nauwelijks geluid. Op grond van paragraaf 5.6 van deze toelichting kan worden gesteld dat de omgeving van het plangebied kan worden getypeerd als ‘gemengd gebied’. In een gemengd gebied geldt een aan te houden richtafstand van 0 meter tot een gevoelig object. Het aspect geluid is hierbij reeds afgewogen. Een akoestisch onderzoek industrielawaai wordt niet noodzakelijk geacht.
5.4 Geur 5.4.1
Inleiding
In het kader van een goede ruimtelijke ordening bestaat de toets in het kader van geur uit twee aspecten. Ten eerste dient te worden aangetoond dat ter plaatse van geurgevoelige objecten sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Ten tweede dient te worden aangetoond dat veehouderijbedrijven door de ontwikkeling niet onevenredig in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden geschaad. De Wet geurhinder en veehouderij vormt het toetsingskader voor vergunningverlening bij een agrarisch bedrijf als het gaat om geurhinder vanwege dierverblijven van veehouderijen. De wet geeft onder andere normen voor de voor- en achtergrondbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object, bijvoorbeeld een woning. Indirect heeft de Wet geurhinder en veehouderij hiermee consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten. Een geurnorm beoogt namelijk mensen te beschermen tegen overmatige geurhinder. Omgekeerd moet een bevoegd gezag dan ook niet toestaan dat mensen zichtzelf blootstellen aan die overmatige hinder, bijvoorbeeld door zich in de directe nabijheid van een veehouderij te vestigen.
Een geurgevoelig object betreft volgens de Wet geurhinder en veehouderij “een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee verglijkbare wijze van gebruik, wordt VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
32
Bestemmingsplan ‘Achterste Groes 9 en 9a Heesch’ - Toelichting
gebruikt, waarbij onder ‘gebouw, bestemd voor menselijk wonen of menselijk verblijf’ wordt verstaan: gebouw dat op grond van het bestemmingsplan, bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening, een inpassingsplan als bedoeld in artikel 3.26 of 3.28 van die wet daaronder mede begrepen, de beheersverordening, bedoeld in artikel 3.38 van die wet, of indien met toepassing van artikel 2.12 eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan of de beheersverordening is afgeweken, de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van laatstgenoemde wet mag worden gebruikt voor mensen verblijf”. Ter plaatse van het plangebied is sprake van een geurgevoelig object, zijnde de naar burgerwoning om te zetten bedrijfswoning Achterste Groes 9. De overige bebouwing binnen het plangebied kunnen niet worden gebruikt voor (permanent) menselijk wonen of menselijk verblijf en is dan ook niet aan te merken als geurgevoelig.
5.4.2
Gemeentelijke geurverordening
De gemeente Bernheze heeft bij raadsbesluit van 12 december 2013 de ‘verordening geurhinder en veehouderij gemeente Bernheze 2013’, de ‘beleidsregel ruimtelijke ontwikkeling en geurhinder gemeente Bernheze 2013’ en ‘geurgebiedsvisie 2013’ vastgesteld. Ter vervanging van de geurverordening heeft de gemeenteraad op 1 november 2021 de ‘Verordening Fysieke Leefomgeving (VFL) Bernheze 2021’ vastgesteld. Het gemeentelijk beleid heeft betrekking op het beschermen van burgers tegen geurhinder, daarbij veehouderijen niet onnodig beperken en het mogelijk maken van gewenste ruimtelijke ontwikkelingen. In de beleidsregel is opgenomen dat als de achtergrondbelasting geclassificeerd kan worden als ‘voldoende’ er dan vanuit het deelaspect ‘cumulatieve geurhinder uit stallen van veehouderijen’ geen belemmeringen zijn om mee te werken aan een ruimtelijk initiatief. Bij vergunningverlening bij agrarische bedrijven geldt voor de voorgrondbelasting een geurnorm van 3 ouE/m³ voor bestaande woongebieden. De gemeenteraad heeft een geurnorm van 8 ouE/m³ vastgesteld voor bestaande bedrijventerreinen in de bebouwde kom, extensiveringsgebieden rondom kernen, extensiveringsgebieden natuur en woonwerkontwikkelingsgebieden. Voor overige gebieden geldt een geurnorm van 10 ouE/m³. Voor bebouwingsconcentraties in verwevingsgebieden is opgenomen dat artikel 4 van toepassing is verklaard.
In dit artikel is een vaste afstand opgenomen die in acht moet worden genomen van 50 meter binnen de bebouwde kom respectievelijk 25 meter buiten de bebouwde kom voor veehouderijen waar dieren worden gehouden waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld. Voor het plangebied geldt derhalve een norm van 8 ouE/m³ in het kader van vergunningverlening voor agrarische bedrijven.
5.4.3
Veehouderijen in de omgeving
In de omgeving van het plangebied is een aantal veehouderijbedrijven gevestigd. Op navolgende figuur is een uitsnede van de veehouderijbedrijvenkaart weergegeven. Het plangebied is hierbij aangeduid in de zwarte cirkel. De rode stippen op de kaart betreffen voormalige veehouderijen en worden verderop dan ook niet nader toegelicht.
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
33
Bestemmingsplan ‘Achterste Groes 9 en 9a Heesch’ - Toelichting
Achterste Groes 15
Zoggelsestraat 100a
Figuur 14: Veehouderijbedrijven in de omgeving van het plangebied
Op deze veehouderijen zijn navolgende dieraantallen vergund:
Figuur 15: Vergunde dieraantallen Achterste Groes 15 (Bron: Web BVB provincie Noord-Brabant)
Figuur 16: Vergunde dieraantallen Zoggelsestraat 100a (Bron: Web BVB provincie Noord-Brabant)
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
34
Bestemmingsplan ‘Achterste Groes 9 en 9a Heesch’ - Toelichting
5.4.4
Vaste afstand
Op de veehouderij Achterste Groes 15 worden enkel dieren gehouden waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld. Derhalve geldt een vaste afstand van ten minste 25 meter tussen deze veehouderij en een geurgevoelig object. Met een afstand van ruim 100 meter tot het plangebied wordt hieraan ruim voldaan. Deze veehouderij vormt derhalve geen bezwaar voor de beoogde herontwikkeling.
5.4.5 5.4.5.1
Woon- en leefklimaat Inleiding
Als vuistregel voor de beoordeling van het woon- en leefklimaat geldt dat de voorgrondbelasting bepalend is voor de hinder, als de voorgrondbelasting tenminste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting. Derhalve wordt navolgend zowel de voorgrond- als de achtergrondbelasting berekend. 5.4.5.2
Voorgrondbelasting
Met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting van een individuele veehouderij bedoeld en wel van die veehouderij welke de meeste geur op het geurgevoelige object veroorzaakt, hetzij omdat het een grote veehouderij betreft, hetzij omdat de veehouderij dichtst bij het geurgevoelige object is gelegen. In de omgeving van het plangebied is slecht één veehouderij gelegen met een bij ministeriële regeling vastgestelde geuremissie: Zoggelsestraat 100a. Voor deze veehouderij is dan ook een berekening gemaakt van de voorgrondbelasting. Het XY-coördinaat van de veehouderij betreft hierbij de meest dicht bij het plangebied gelegen hoekpunt van het bouwvlak. De XY-coördinaten van de geurgevoelige objecten betreffen hierbij de hoekpunten van de beoogde woonbestemming binnen het plangebied. Hiermee is de worst-case-scenario berekend. Volgend uitkomst vloeit voort uit de berekening:
Tabel 1: Voorgrondbelasting vanuit veehouderij Zoggelsestraat 100a
De voorgrondbelasting afkomstig van de veehouderij Zoggelsestraat 100a op de woonbestemming binnen het plangebied bedraagt maximaal 2,5 oue/m³.
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
35
Bestemmingsplan ‘Achterste Groes 9 en 9a Heesch’ - Toelichting
5.4.5.3
Achtergrondbelasting
De geurbelasting ten gevolge van meerdere intensieve veehouderijen in de omgeving vormt de achtergrondbelasting. Door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) is een kaart met de indicatieve achtergrondbelasting (peildatum maart 2022) gepubliceerd. Een uitsnede van deze kaart is navolgend opgenomen, waarbij het plangebied met een zwarte cirkel is aangeduid.
Figuur 17: Achtergrondbelasting ter plaatse van het plangebied en de omgeving
Ter plaatse van het plangebied is sprake van een indicatieve achtergrondbelasting van 0-3 oue/m³. 5.4.5.4
Conclusie woon- en leefklimaat
Als vuistregel voor de beoordeling van het woon- en leefklimaat geldt dat de voorgrondbelasting bepalend is voor de hinder, als de voorgrondbelasting tenminste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting. In onderhavige situatie is de voorgrondbelasting bepalend. De voorgrondbelasting bedraagt maximaal 2,5 oue/m³. Op grond hiervan kan worden gesteld dat sprake is van een zeer goed woon- en leefklimaat.
5.4.6
Ontwikkelingsmogelijkheden omliggende bedrijven
Herontwikkeling van het plangebied mag de toekomstige ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende veehouderijen niet belemmeren. Tussen omliggende veehouderijen en het plangebied zijn reeds geurgevoelige objecten gelegen. Deze veehouderijen worden door de beoogde herontwikkeling dan ook niet meer in de ontwikkelingsmogelijkheden belemmerd dan in de huidige situatie reeds het geval is.
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
36
Bestemmingsplan ‘Achterste Groes 9 en 9a Heesch’ - Toelichting
5.5 Gezondheid 5.5.1
Endotoxinen
De intensieve veehouderijen dragen bij aan de emissies van fijn stof (PM10) in Nederland. Dit fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Er zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is nog niet afgerond. Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld. In april 2018 is tevens de ‘Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 uitgebracht. Hierbij wordt een advieswaarde van 30 EU/m³ aangehouden als advieswaarde voor de maximale blootstelling aan endotoxine. Bij deze advieswaarde kan ervan uitgegaan worden dat de gezondheid van omwonenden van veehouderijen wordt beschermd tegen een overmaat aan endotoxine. Het uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden.
De gemeente Bernheze heeft geen gemeentelijk beleid vastgesteld ten aanzien van aanwezige endotoxine contouren binnen de gemeente. De enige veehouderij in de omgeving van het plangebied met een fijnstofemissie betreft Zoggelsestraat 100a. Deze veehouderij heeft een fijnstofemissie van 179 kg./jr., waarvoor conform de door de Omgevingsdienst Zuidoost Brabant uitgebrachte rekentool een vaste afstand aangehouden dient te worden van ten minste 80 meter tot een nieuwe gevoelig object. Met een afstand van circa 380 meter tot het plangebied wordt hieraan ruim voldaan. Het aspect endotoxinen vormt geen belemmering voor de beoogde herontwikkeling.
5.5.2
Geitenhouderijen
Uit onderzoek blijkt dat mensen die in de nabijheid van een geitenhouderij wonen, meer kans dan gemiddeld hebben op longontsteking. Totdat er meer duidelijkheid is over de oorzaak van de longontsteking en een integrale aanpak, adviseert de GGD het voorzorgsbeginsel toe te passen en terughoudend te zijn met uitbreiding of nieuwvestiging van geitenhouderijen in de buurt van gevoelige bestemmingen. Andersom geldt ook dat geadviseerd wordt terughoudend te zijn met het plaatsen van gevoelige bestemmingen in de buurt van bestaande geitenhouderijen. Dat betekent dat gemeenten wordt geadviseerd om in hun besluitvorming het risico op longontsteking mee te wegen. Op basis van de onderzoeksresultaten is het risico op longontsteking groter naarmate de afstand tot een geitenbedrijf kleiner is. Tot een afstand tot twee kilometer is er sprake van een vergroot risico. Binnen een straal van 2 kilometer vanuit het plangebied zijn geen geitenbedrijven gevestigd. Dit aspect is dan ook geen belemmering.
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
37
Bestemmingsplan ‘Achterste Groes 9 en 9a Heesch’ - Toelichting
5.5.3
Stappenplan bij realisatie van een nieuwe woning
In de Handreiking veehouderij en volksgezondheid is tevens een stappenplan opgenomen waaraan getoetst dient te worden bij de wijziging van een bestemmingsplan voor realisatie van (een) nieuwe woning(en) in de buurt van een of meerdere veehouderijen. Navolgend wordt getoetst aan het stappenplan. Hierin wordt nagegaan of er aandachtspunten worden gevonden in het kader van gezondheid en of advies ingewonnen dient te worden bij de GGD. Stap 1 In stap 1 wordt alle informatie verzameld over de mogelijke risico’s van omliggende veehouderijen voor de gezondheid van toekomstige bewoners van de geplande woning. In de paragrafen 5.4 en 5.5.1 zijn alle veehouderijen in de omgeving getoetst aan het aspect endotoxine. Het plangebied is niet gelegen binnen een endotoxinecontour. Ook is op basis van geurhinder sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Geen risico’s worden verwacht van omliggende veehouderijen. Stap 2 In stap 2 wordt in kaart gebracht wat de planologische ruimte en de milieuruimte is in het plangebied. Onderzocht dient ook te worden welke percelen in en bij het plangebied de bestemming ‘bedrijf’ of ‘agrarisch’ hebben en of mogelijkheden bestaan voor uitbreiding. Binnen het plangebied is geen sprake van milieuruimte, anders dan niet-agrarische bedrijfsactiviteiten in maximaal milieucategorie 2.
In de omgeving van het plangebied is ook geen uitbreiding van bedrijven voorzien waarmee rekening gehouden dient te worden. Stap 3 In stap 3 wordt beoordeeld of gezondheidsrisico’s voor de toekomstige bewoners te verwachten zijn. Er zijn grofweg twee uitkomsten mogelijk (zie stap 4a en 4b): Stap 4a Zijn er wel gezondheidsrisico’s te verwachten voor de bewoners, dan moet een nadere afweging gemaakt worden van de risico's en mogelijke oplossingen (stap 5). Het plangebied is niet gelegen in de nabijheid van een geitenhouderij, is niet gelegen binnen een endotoxinecontour en ook op basis van het aspect ‘geur’ kan worden gesteld dat ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Derhalve kan worden gesteld dat geen gezondheidsrisico’s te verwachten zijn. Stap 5 is dan ook niet van toepassing. Stap 4b Als er geen gezondheidsrisico’s te verwachten zijn, is sprake van een goed woon- en leefklimaat bij de toekomstige woning wat betreft risico’s voor de gezondheid. Stap 7b is dan ook van toepassing. Stap 5 Als er wel gezondheidsrisico’s te verwachten zijn voor de toekomstige bewoners, dan dient onderzocht te worden wat mogelijke oplossing zijn via het ruimtelijk spoor. Het plangebied is wel gelegen binnen een contour van 1 kilometer vanuit een pluimveebedrijf: Bosschebaan 27 op een afstand van circa 600 meter.
Ook is het plangebied gelegen op een afstand van 250 meter tot een paardenhouderij: Achterste Groes 15. Gelegen op zodanig grote afstand van genoemde bedrijven, op een perceel waar reeds
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
38
Bestemmingsplan ‘Achterste Groes 9 en 9a Heesch’ - Toelichting
sprake is van bewoning en waar geen toename aan kwetsbare personen wordt beoogd, kan worden gesteld dat dit volksgezondheidsrisico aanvaardbaar wordt geacht. Dit aspect vormt geen probleem. Stap 6 In stap 6 wordt beoordeeld of veehouders niet onevenredig in de belangen worden geschaad. Dat is in onderhavige situatie niet het geval. Dit aspect is nog nader toegelicht in paragraaf 5.4.6. Stap 7 In stap 7 wordt een positief dan wel negatief besluit genomen door het bevoegd gezag. Uit de doorlopen stappen kan worden geconcludeerd dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Niemand wordt onevenredig in de belangen geschaad. Gesteld kan dan ook worden dat op grond van het aspect ‘gezondheid’ het plan mogelijk is. Advies van de GGD wordt niet noodzakelijk geacht.
5.5.4
Gewasbeschermingsmiddelen
In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het mogelijk maken van een nieuwe gevoelige bestemming in de nabijheid van agrarische bestemmingen aandacht gevraagd voor spuitzones in verband met het risico’s voor de volksgezondheid vanwege eventuele blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen via drift. Met de term drift wordt de hoeveelheid gewasbeschermingsmiddel bedoeld die bij het spuiten buiten het agrarisch perceel op de grond terecht kan komen en/of op hoogte door de lucht passeert. Vooral bij middelen met een hoge toxiciteit en/of voor kwetsbare groepen, zoals jonge kinderen of ouderen, kan drift risico’s voor de gezondheid inhouden. In de nabijheid van het plangebied is geen sprake van teelt van gewassen waarop gewasbeschermingsmiddelen (kunnen) worden toegepast. Dit aspect is niet aan de orde bij onderhavig wijzigingsplan.
5.6 Bedrijven en milieuzonering 5.6.1
Inleiding
Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzoneringen van bestaande en toekomstige bedrijven om zodoende de kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde Lijst van Bedrijfsactiviteiten uit de handreiking Bedrijven en Milieuzonering. Deze lijst geeft de richtafstanden weer voor milieubelastende activiteiten. In deze lijst worden richtafstanden gegeven voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden zijn afgestemd op twee omgevingstypen: ‘rustige woonwijk’ en ‘gemengd gebied’. Deze richtafstanden gelden tussen enerzijds de grens van een bedrijfsbestemming en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is.
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
39
Bestemmingsplan ‘Achterste Groes 9 en 9a Heesch’ - Toelichting
De VNG-brochure geeft navolgende omschrijving voor het omgevingstype ‘rustige woonwijk of rustig buitengebied’: “Een rustige woonwijk is een woonwijk die is gericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied.” De VNG-brochure geeft navolgende omschrijving voor het omgevingstype ‘gemengd gebied’: “Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen.
Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.” Gezien de bestaande ‘matige functiemenging’ in de omgeving en de ligging aan een lint in het buitengebied kan deze worden gezien als ‘gemengd gebied’. Hoewel veelal sprake is van woonbestemming, is de omgeving niet specifiek gericht op het principe van functiescheiding, maar er is sprake van zowel (voormalige agrarische) bedrijfswoningen, reguliere burgerwoningen, maar ook caravanstalling en een elektrotechnisch installatiebedrijf. Ook lintbebouwing in het buitengebied kan volgens de VNG-brochure worden gezien als gemengd gebied. In een ‘gemengd gebied’ kunnen de in de VNG-brochure gestelde richtafstanden met één afstandsstap worden verlaagd, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat.
5.6.2
Bedrijven in de omgeving van het plangebied
In de omgeving aanwezige agrarische bedrijven zijn reeds toegelicht in paragraaf 5.4 van deze toelichting. Op een afstand van circa 300 meter ten noordoosten van het plangebied is een bedrijventerrein gevestigd. Binnen dit bedrijventerrein is bestemmingsplanmatig verankerd dat zich enkel bedrijven mogen vestigen tot maximaal milieucategorie 3.2. Voor bedrijven met milieucategorie 3.2 geldt een aan te houden richtafstand van ten minste 50 meter in het ‘gemengd gebied’. Met een afstand van minimaal 300 meter wordt hieraan ruim voldaan. Dit bedrijventerrein vormt derhalve geen belemmering voor de beoogde herontwikkeling van het plangebied. Ten westen van het plangebied is een installatiebedrijf gevestigd in elektrotechniek met caravanstalling als nevenactiviteit. Deze bedrijvigheid kan worden gezien als categorie 2-bedrijf, waarvoor in het ‘gemengd gebied’ geen vaste afstand aangehouden dient te worden. Dit bedrijf vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde herbestemming binnen het plangebied.
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
40
Bestemmingsplan ‘Achterste Groes 9 en 9a Heesch’ - Toelichting
5.6.3
Bedrijvigheid binnen plangebied
Andersom wordt binnen het plangebied ook kleinschalige bedrijvigheid mogelijk gemaakt, waarbij rekening dient te worden gehouden met milieuzonering. De statische opslag betreft enkel opslag van bijvoorbeeld caravans, zonder verhuur van opslagruimte aan derden. Deze statische opslag betreft milieucategorie 1, waarvoor in het ‘gemengd gebied’ geen aan te houden afstand geldt. Bovendien is hier sprake van een bestaande situatie. Deze statische opslag vormt derhalve geen belemmering. Aan Achterste Groes 9a wordt bedrijvigheid toegestaan tot maximaal milieucategorie 2. Hiervoor geldt binnen een ‘rustige woonwijk’ een richtafstand van 10 meter, maar kan in het ‘gemengd gebied’ terug worden gebracht tot 0 meter. Deze bedrijfsactiviteit vormt derhalve evenmin een belemmering voor de omgeving of de naar burgerwoning om te zetten bedrijfswoning binnen het plangebied.
5.7 Externe veiligheid 5.7.1
Inleiding
Het externe veiligheidsbeleid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s en effecten van calamiteiten alsmede het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen, activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. In de volgende landelijke wetten, besluiten en regelingen zijn normen opgenomen waaraan een nieuwe planologische ontwikkeling moet worden getoetst: Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en bijbehorende regeling (Revi); Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations; Circulaire effectafstanden externe veiligheid LNG-tankstations; Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en bijbehorende regeling (Revb); Structuurvisie buisleidingen; Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en Regeling basisnet; Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en bijbehorende regeling (Rarro). De aanwezige risico’s zijn zeer afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen (per spoor, over de weg, het water), hoogspanningslijnen; en ondergrondse (gas)leidingen (c.q. buisleidingen).
5.7.2
Risico-contouren
Ten aanzien van externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt in: 1. Plaatsgebonden Risico (PR): Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk wordt getroffen door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jr) die niet mag worden overschreden ten aanzien van kwetsbare objecten, alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jr) ten aanzien van beperkt kwetsbare objecten;
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
41
Bestemmingsplan ‘Achterste Groes 9 en 9a Heesch’ - Toelichting
2.
Groepsrisico (GR): Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. De gestelde norm is een oriënterende waarde waarvan gemotiveerd mag worden afgeweken.
Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Dit is opgenomen in navolgende tabel. Bron
Wanneer groepsrisicoverantwoording?
Inrichtingen (Bevi) Altijd wanneer binnen invloedsgebied ruimtelijk besluit wordt genomen. Buisleidingen
Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen. Er kan echter worden volstaan
(Bevb)
met een beperkte verantwoording wanneer: 1) het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of 2) de toename minder is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of 3) personen zich buiten de 100% letaliteitgrens bevinden. Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden.
Weg, spoorweg off Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen. Er kan echter worden volstaan binnenwater (Bevt) met een beperkte verantwoording wanneer: 1) het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of 2) de toename minder is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of 3) personen zich buiten de 200 meter-zone bevinden. Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden. Tabel 2: Tabel met verantwoordingsplicht groepsrisico's
Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde de veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn.
5.7.3
Gemeentelijke beleidskader
De gemeente Bernheze beschikt over een beleidsvisie externe veiligheid. Deze visie is in 2008 vastgesteld voor de gemeenten Lith, Maasdonk, Bernheze en Landerd. In deze visie wordt invulling gegeven aan de omgang met externe veiligheidsaspecten binnen de gemeente Bernheze. De beleidsvisie bevat geen gebiedstypering of uitgangspunten die gehanteerd kunnen worden voor de verantwoording van het groepsrisico.
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
42
Bestemmingsplan ‘Achterste Groes 9 en 9a Heesch’ - Toelichting
5.7.4 5.7.4.1
Beoordeling van het plangebied Risicovolle inrichtingen
In de omgeving van het plangebied zijn geen bedrijven aanwezig die vallen onder het Bevi. Het meest dicht bij het plangebied gelegen risico-object betreft een tankstation met LPG-vulpunt, op een afstand van circa 500 meter ten noorden van het plangebied. Op zodanig afstand, aan de andere zijde van de snelwe, kan beïnvloeding normaliter niet plaatsvinden. Het aspect inrichtingen vormen geen belemmering voor herontwikkeling van het plangebied. 5.7.4.2
Wegtransport
De dichtst bij het plangebied gelegen weg waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt is de Rijksweg A59. Het plangebied is gelegen op een afstand van circa 430 meter tot deze weg. Het plangebied is hiermee gelegen buiten de risicocontour van deze weg. Echter, deze weg heeft een invloedsgebied van 880 meter in verband met vervoer van gevaarlijke stoffen. Het plangebied is daarmee wel gelegen binnen het invloedsgebied. Derhalve dient wel een verantwoording plaats te vinden van bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Hierop wordt verderop nader ingegaan. 5.7.4.3
Transportleidingen
De meest dicht bij het plangebied gelegen buisleiding bevindt zich op circa 1,1 kilometer ten zuiden van het plangebied. Dit aspect leidt niet tot belemmeringen voor onderhavig bestemmingsplan. 5.7.4.4
Luchtvaart, spoorwegen en waterwegen
Er zijn vanuit luchtvaart geen belemmeringen herbestemming van het plangebied. In de omgeving van het plangebied zijn geen waterwegen of spoorwegen gelegen waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Deze aspecten hebben geen invloed op dit plan. 5.7.4.5
Hoogspanningslijnen
In de omgeving van het plangebied bevinden zich geen hoogspanningslijnen. Dit aspect vormt daarmee evenmin een belemmering.
5.7.5 5.7.5.1
Verantwoording van het groepsriciso Inleiding
Het plangebied is gelegen binnen een invloedsgebied voor toxische stofgroepen. Bij een incident met een tankwagen met toxische vloeistof scheurt de tankwand. Een groot deel van de toxische vloeistof stroomt in korte tijd uit. De toxische vloeistof vormt een plas. De toxische damp wordt meegevoerd door de wind. Derhalve dient ingegaan te worden op de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. 5.7.5.2
Bestrijdbaarheid
Bronbestrijding is bij een toxische vloeistof mogelijk door de vloeistof af te dekken. Hierdoor wordt de verdamping verminderd. Voor toxische gassen kan alleen aan bronbestrijding worden gedaan indien het om een lekkage gaat. De brandweer kan dan proberen om het gat te dichten. Effectbestrijding is tevens mogelijk door de concentratie te verdunnen, bijvoorbeeld met behulp van een waterscherm. Dit
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
43
Bestemmingsplan ‘Achterste Groes 9 en 9a Heesch’ - Toelichting
is alleen mogelijk als de brandweer tijdig aanwezig is. Bij een toxisch incident is het belangrijk dat de bestrijding plaatsvindt vanaf bovenwinds gebied (de richting waar de wind vandaan komt). Het is daarom belangrijk dat de bron tweezijdig bereikbaar is. Bij het ineens vrijkomen van de gehele inhoud van de tank, zal deze effectbestrijding lastig te realiseren zijn. De mogelijkheden voor slachtofferreductie worden bepaald op basis van de mogelijkheden om de vergiftiging te behandelen. Slachtofferreductie is ook mogelijk door snelle ontruiming/evacuatie. Het niet of korter blootstellen aan een toxische stof zal het aantal slachtoffers verminderen. 5.7.5.3
Zelfredzaamheid
Bij een toxische wolk kunnen mensen komen te overlijden als gevolg van blootstelling aan de toxische stof. Of mensen daadwerkelijk komen te overlijden is afhankelijk van de dosis, die bestaat uit de blootstellingsduur en de concentratie waaraan de persoon is blootgesteld. Het beste advies bij het vrijkomen van een toxische wolk als gevolg van een incident op de A59 is te schuilen, mits ramen, deuren en ventilatie gesloten kunnen worden (safe-haven-principe). Indien sprake is van een mechanisch ventilatiesysteem, wordt aanbevolen om dit systeem uit te rusten met de mogelijkheid om deze centraal af te sluiten. Indien dit niet mogelijk is, kan ervoor gekozen worden om te vluchten. Bij een toxische wolk dient gevlucht te worden haaks op de wolk. 5.7.5.4
Conclusie
In de omgeving van het plangebied komt één risicobron, de Rijksweg A59, voor. Het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van de A59. Geen van de PR 10-6 contouren reikt tot het plangebied, waardoor er geen wettelijke belemmeringen gelden voor het plan. Voor de risicobron in deze toelichting een verantwoording van het groepsrisico opgesteld, waarbij is ingegaan op de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Tevens is het standaardadvies van de Veiligheidsregio opgenomen in de bijlage bij dit bestemmingsplan.
5.8 Luchtkwaliteit 5.8.1
Inleiding
Het beleid om tot een goede luchtkwaliteit te komen volgt twee sporen: 1. beperken van de uitstoot van schadelijke stoffen en; 2. voorkomen dat mensen langdurig worden blootgesteld aan verontreiniging. De belangrijkste regels over de luchtkwaliteit staan in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer.
5.8.2
Uitstoot van schadelijke stoffen
De borging van de luchtkwaliteit vindt onder andere plaats middels een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma. Binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate’ bijdragen aan de luchtverontreiniging als de 3% grens niet wordt overschreden. In de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen’ wordt aangeven op
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
44
Bestemmingsplan ‘Achterste Groes 9 en 9a Heesch’ - Toelichting
welke manier snel kan worden vastgesteld of de bijdrage van een nieuwbouwproject op de luchtkwaliteit valt onder de term ‘niet in betekenende mate’. De regeling geeft een harde omschrijving van het aantal gevallen. Voor woningbouw geldt bij 1 ontsluitingsweg een aantal van 1.500 nieuwe woningen netto. Bij twee ontsluitingswegen geldt een aantal van 3.000 woningen netto. Aangezien dit plan geen nieuwbouw van woningen mogelijk maakt, kan worden gesteld dat dit plan valt onder het begrip ‘niet in betekenende mate’ en de luchtkwaliteit niet verder hoeft te worden onderzocht in het kader van de Wet luchtkwaliteit. Niettemin dient ter plaatse van het plangebied wel sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in het kader van luchtkwaliteit. Dit aspect wordt in navolgende subparagrafen verder uitgewerkt.
5.8.3 5.8.3.1
Blootstelling aan verontreiniging Inleiding
In de Wet milieubeheer is de Europese richtlijn luchtkwaliteit geïmplementeerd. Het doel van de wet is mensen te beschermen tegen risico’s van luchtverontreiniging. 5.8.3.2
Fijnstof
De richtlijn geeft de volgende grenswaarden voor fijn stof: de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM10 is 40 µg/m³. de grenswaarde daggemiddelde concentratie van PM10 is 50 µg/m³. De concentratie fijn stof mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar hoger zijn dan deze waarde . de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM2,5 is 25 µg/m³. Navolgende figuren geven de jaargemiddelde concentratie van PM10 en PM2,5 voor het plangebied en de directe omgeving weer. Het plangebied is weergegeven in de zwarte cirkel.
Figuur 18: Fijnstof PM10 2020 (Bron: Atlas Leefomgeving)
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
45
Bestemmingsplan ‘Achterste Groes 9 en 9a Heesch’ - Toelichting
Figuur 19: Fijnstof PM2,5 2020 (Bron: Atlas Leefomgeving)
Voor het plangebied is sprake van jaargemiddelde concentratie PM10 van 16-17 µg/m³. De jaargemiddelde concentratie PM2,5 bedraagt 9-10 µg/m³. Hiermee is sprake van een goed woon- en leefklimaat in het kader van fijnstof. 5.8.3.3
Stikstof
De Europese richtlijn luchtkwaliteit geeft de volgende grenswaarde voor stikstofdioxide: de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van NO2 is 40 µg/m³. Navolgende figuur geeft de jaargemiddelde concentratie van NO2 ter plaatse van het plangebied en directe omgeving weer. Het plangebied is weergegeven in de zwarte cirkel.
Figuur 20: Stikstofdioxide NO2 2020 (Bron: Atlas Leefomgeving)
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
46
Bestemmingsplan ‘Achterste Groes 9 en 9a Heesch’ - Toelichting
Binnen het plangebied is sprake van jaargemiddelde concentratie NO2 van 12-14 µg/m³. Hiermee is sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat in het kader van stikstofdioxide. 5.8.3.4
Besluit gevoelige bestemmingen
Het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) beperkt de vestiging van ‘gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale en Rijkswegen. Het besluit richt zich op bescherming van mensen die verhoogd gevoelig zijn voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2). Dit zijn vooral kinderen, ouderen en zieken. Daarom stelt het besluit onderzoekszones in. Binnen die onderzoekszones is luchtkwaliteitsonderzoek nodig. Deze zone betreft een breedte van 300 meter breed bij Rijkswegen en 50 meter bij provinciale wegen, aan weerszijde van deze wegen. Het totaal aantal mensen dat hoort bij een ‘gevoelige bestemming' mag niet toenemen als de grenswaarden voor PM10 of NO2 (dreigen te) worden overschreden. Het plangebied is niet gelegen binnen zone van 300 meter van een Rijksweg of binnen een zone van 50 meter van een provinciale weg. Derhalve hoeft niet getoetst te worden aan het Besluti gevoelige bestemmingen. Bovendien is ter plaatse van het plangebied sprake van een goed woon- en leefklimaat in het kader van luchtkwaliteit. Het aspect luchtkwaliteit vormt dan ook geen belemmering voor onderhavig plan.
5.9 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage is een procedure met als hoofddoel om het milieubelang volwaardig te laten meewegen bij de voorbereiding en vaststelling van plannen en besluiten. De milieueffectrapportage (m.e.r.) is geregeld in hoofdstuk 7 van de Wet Milieubeheer (Wm) en in het Besluit m.e.r. Van belang zijn de volgende artikelen: 1. In artikel 7.2 Wm wordt het doorlopen van de m.e.r.-procedure gekoppeld aan bepaalde in het Besluit m.e.r. opgenomen plannen en besluiten die verbonden zijn aan de eveneens in het Besluit m.e.r. weergegeven activiteiten. Het besluit m.e.r bevat hiertoe bijlagen, waarbij vooral de onderdelen C en D van belang zijn. Onderdeel C beval activiteiten, plannen en besluiten waarvoor het maken van een m.e.r. verplicht is. Activiteiten, plannen en besluiten waarvoor een m.e.r.-beoordeling benodigd is staan in onderdeel D. Voor beide onderdelen worden per activiteit de drempelwaarden beschreven. 2. In artikel 7.2a Wm wordt het doorlopen van de m.e.r.-procedure gekoppeld aan een activiteit waarvoor op grond van artikel 2.8, eerste lid, van de Wet natuurbescherming een passende beoordeling moet worden gemaakt. Een passende beoordeling hoeft niet opgesteld te worden wanneer op voorhand significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden kunnen worden uitgesloten.
Een vormvrije m.e.r.-beoordeling is een toets of een activiteit zodanige gevolgen voor het milieu heeft dat de procedure van een milieueffectrapportage moet worden doorlopen. In onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is een lijst van mogelijke ontwikkelingen (kolom 1) opgenomen waarvoor een m.e.r.-beoordeling verplicht is, indien er wordt voldaan aan de voorwaarden (drempelwaarden) zoals opgenomen in kolom 2 van onderdeel D. Wanneer een ontwikkeling uit onderdeel D van de bijlage van het Besluit m.e.r. wordt beoogd, maar de activiteit niet aan de in kolom 2 opgenomen voorwaarden voldoet, is een vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig. VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
47
Bestemmingsplan ‘Achterste Groes 9 en 9a Heesch’ - Toelichting
Als gevolg van de beoogde herontwikkeling van het plangebied wordt geen nieuwbouw beoogd. Enkel de planologische situatie wordt in overeenstemming gebracht met de feitelijke situatie. Dit betekent dat een bedrijfswoning wordt omgezet naar reguliere burgerwoning en dat de bedrijfsactiviteiten juridisch worden terug gebracht naar enkel bedrijvigheid in milieucategorie 1 of 2. De aanduidingen ‘specifieke vorm van bedrijf – loonbedrijf’ en ‘specifieke vorm van bedrijf – stalling van auto’s, boten en caravans’ komen te vervallen. Geen sprake zal zijn van een stedelijke ontwikkeling. De beoogde herontwikkeling komt niet voor op de C- of D-lijst. Een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling is dan ook niet noodzakelijk.
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
48
Bestemmingsplan ‘Achterste Groes 9 en 9a Heesch’ - Toelichting
6.
JURIDISCHE VORMGEVING
6.1 Inleiding Een bestemmingsplan is een planologische regeling die zowel de burger als de overheid rechtstreeks bindt. De regels en verbeelding dienen als één geheel te worden beschouwd en kunnen niet los van elkaar worden gezien. De toelichting op de regels en verbeelding is niet juridisch bindend, maar biedt wel inzicht in de belangenafweging die tot de aanwijzing van bestemmingen heeft geleid. Bovendien draagt de toelichting bij aan de planinterpretatie.
6.2 Algemene toelichting verbeelding De verbeelding heeft een belangrijke rol bij het bepalen van de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden in het plangebied. Daartoe zijn op de verbeelding bestemmingsvlakken, dubbelbestemmingen, functieaanduidingen, gebiedsaanduidingen en bouwvlakken opgenomen.
6.3 Algemene toelichting regels De opbouw van de regels is gelijk aan Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012. De opbouw is als volgt: Betekenisafspraken (Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen); De gebruiks- en bouwregels per bestemming (Hoofdstuk 2 Bestemmingen); Algemene regels (Hoofdstuk 3 Aanvullende regels); Overige regels (Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels). Een bestemmingsartikel kan uit de volgende leden in deze volgorde worden opgebouwd: Bestemmingsomschrijving; Bouwregels; Nadere eisen; Specifieke gebruiksregels; Afwijking van de gebruiksregels; Omgevingsvergunning voor het aanleggen. De specifieke afwijkingsbevoegdheden en wijzigingsbevoegdheden zijn zoveel mogelijk per bestemming opgenomen. Hierdoor wordt direct per bestemming inzicht geboden in de eventuele afwijkingsmogelijkheden en de toegankelijkheid van het bestemmingsplan bevorderd. Met betrekking tot dit bestemmingsplan is aangesloten bij het vigerende bestemmingsplan voor het buitengebied van Bernheze.
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
49
Bestemmingsplan ‘Achterste Groes 9 en 9a Heesch’ - Toelichting
6.4
Toelichting op de bestemmingen
6.4.1
Agrarisch
De voor ‘Agrarisch’ aangewezen gronden zijn bestemd voor agrarisch grondgebruik, een burgerwoning ter plaatse van de aanduiding ‘wonen’ en bedrijfsgebouwen binnen de aanduiding ‘bedrijf’. In totaal wordt 1.715 m² aan bedrijfsgebouwen toegestaan ten behoeve van bedrijven in de milieucategorie 1 of 2.
6.4.2
Dubbelbestemming Waarde – Archeologie 3
Aan het plangebied is de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’ toegekend. Deze gronden zijn behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor instandhouding en bescherming van eventuele archeologische waarden. Hiertoe zijn in deze dubbelbestemming drempelwaarden voor bodemverstoringen opgenomen. Bij een overschrijding van deze drempelwaarden dient archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd.
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
50
Bestemmingsplan ‘Achterste Groes 9 en 9a Heesch’ - Toelichting
7.
UITVOERBAARHEID
7.1 Economische uitvoerbaarheid De Wet ruimtelijke ordening maakt het vaststellen van een exploitatieplan verplicht voor een aantal bouwactiviteiten wanneer de bouw planologisch mogelijk wordt gemaakt in ruimtelijk plan. De bouwplannen waarbij een exploitatieplan verplicht is staan in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Dit betreft onder meer plannen voor de bouw van één of meer woningen en/of de bouw van één of meer andere hoofdgebouwen. Bovendien is een exploitatieplan nodig als locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningcategorieën) gesteld moeten worden en/of het bepalen van een tijdvak of fasering noodzakelijk is. Er is geen exploitatieplan nodig indien het verhaal van de kosten van grondexploitatie anderszins verzekerd is en er geen fasering of tijdvak behoeft te worden vastgelegd en geen locatie-eisen (aan openbare weg of woningcategorieën) hoeven te worden vastgesteld. Voor onderhavig bestemmingsplan is gemeente zelf initiatiefnemer. Het kostenverhaal is zeker gesteld.
7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Dit bestemmingsplan is conform de wettelijke vereisten kenbaar gemaakt.
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
51
Bestemmingsplan ‘Achterste Groes 9 en 9a Heesch’ - Toelichting
8.
PROCEDURE
8.1 Wettelijke procedure De bestemmingsplanprocedure wordt beschreven in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. In de Wet ruimtelijke ordening zijn hierop nog enkele wijzigingen beschreven. Samengevat is de bestemmingsplanprocedure als volgt: - het ontwerpbestemmingsplan ligt gedurende 6 weken ter inzage; - gedurende deze periode kan een ieder schriftelijke of mondelinge zienswijzen naar voren brengen aan de gemeenteraad; - binnen twaalf weken na de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan stelt de gemeenteraad het bestemmingsplan vast; - de vaststelling van het bestemmingsplan dient binnen twee weken na de vaststelling bekend gemaakt te worden behoudens de hieronder genoemde uitzonderingen; o Gedeputeerde Staten hebben een zienswijzen ingediend en deze zienswijzen is niet of niet volledige door de gemeenteraad meegenomen in het vastgestelde bestemmingsplan; o De gemeenteraad heeft bij de vaststelling van het bestemmingsplan ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan - met uitzondering van het overnemen van de zienswijzen van Gedeputeerde Staten - wijzigingen aangebracht. Is één van bovenstaande twee gevallen aan de orde, dan mag het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan pas bekend zijn gemaakt nadat zes weken zijn verstreken.
8.2 Overleg Artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening geeft aan dat bij de voorbereiding van een wijzigingsplan burgemeester en wethouders overleggen met het bestuur van de bij het plan betrokken waterschap. Waar nodig plegen zij tevens overleg met besturen van andere gemeenten, met de provincie en met eventuele andere diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Dit plan is in het kader van vooroverleg voorgelegd aan de Provincie Noord-Brabant en Waterschap Aa en Maas. Vooroverlegreactie Waterschap Aa en Maas Op 9 juni 2022 heeft het waterschap te kennen gegeven akkoord te zijn met de beoogde herontwikkeling. Daar zich feitelijk geen wijzigingen voordoen, heeft het waterschap geen op- of aanmerkingen. Vooroverlegreactie provincie Noord-Brabant De provincie heeft per brief d.d. 4 juli 2022 aangegeven vooralsnog strijd te zien met de regels uit de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Uit het voorontwerp bleek nog niet voldoende dat sprake was van Zorgvuldig ruimtegebruik (artikel 3.6). Ook was nog niet voldoende aandacht besteed aan het aspect Kwaliteitsverbetering van het landschap (artikel 3.9). Daarnaast vond de provincie nog
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
52
Bestemmingsplan ‘Achterste Groes 9 en 9a Heesch’ - Toelichting
niet voldoende onderbouwd waarom de beoogde herontwikkeling past binnen de regels, daar sprake leek te zijn van opsplitsing van een bouwperceel in twee bouwpercelen. Naar aanleiding van de vooroverlegreactie van de provincie is onderhavig bestemmingsplan gewijzigd. De woonbestemming aan Achterste Groes 9 is vergroot, waarmee dan ook het plangebied in het geheel is vergroot. Op deze manier valt ook de tuin behorende bij de woning binnen het bestemmingsvlak. Aangetoond is dat sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik. Tevens is verder benadrukt dat de beoogde herontwikkeling niet leidt tot nieuwvestiging van bebouwing, functies of mogelijkheden anderszins.
8.3 Omgevingsdialoog Dit bestemmingsplan is besproken met direct omwonenden. De belendende buren zijn geïnformeerd en in de gelegenheid gesteld vragen en opmerkingen kenbaar te maken. De gevoerde dialoog heeft niet geleid tot aanpassingen in dit bestemmingsplan. Een verslag van de gevoerde dialoog is bekend bij de gemeente Bernheze.
8.4 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 21 december 2023 voor een termijn van zes weken voor eenieder ter inzage gelegen voor de zienswijzentermijn. Gedurende deze termijn is één zienswijze ingediend, door de provincie Noord-Brabant. Naar aanleiding van deze zienswijze heeft overleg plaatsgevonden tussen provincie en gemeente. Onderhavig plan is naar aanleiding hiervan zodanig gewijzigd, dat het plan nu voldoet aan de vereisten van Zorgvuldig ruimtegebruik en Kwaliteitsverbetering van het landschap. Deze aanpassingen zijn eveneens besproken met de provincie.
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
53