plantoelichting ontwerpbestemmingsplan
Tekst van het document
21
vertrekpunt van het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient de initiatiefnemer hier invulling aan te geven: 1. Wateroverlastvrij bestemmen Bij de locatiekeuze voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met de norm uit het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW). In eerste instantie zal bij de locatiekeuze van een ontwikkeling gezocht moeten worden naar een plek „die hoog en droog genoeg‟ is. Mocht dit echter niet mogelijk of wenselijk zijn, dan zal in de compenserende of mitigerende sfeer gezocht moeten worden naar maatregelen die het gewenste beschermingsniveau tegen wateroverlast helpen realiseren. Liever nog dan mitigeren of compenseren, wordt bij voorkeur gebouwd op locaties die als gevolg van hun ligging nú al voldoen aan de NBW-norm voor de toekomstige functie. 2. Gescheiden houden van vuil water en schoon hemelwater Het streefbeeld is het afvoeren van het vuile water via de riolering en het binnen de planlocatie verwerken van het schone hemelwater. Afhankelijk van de omstandigheden ter plaatse kan een compromis gesloten worden, waarbij de minimale inzet (in bestaand bebouwd gebied) is om het vuile en het schone water gescheiden aan te bieden op het (reeds aanwezige) gemengde rioolstelsel. Het waterschap zal echter niet akkoord gaan met de aanleg van nieuwe gemengde rioolstelsels. 3.
Doorlopen van de afwegingsstappen: “hergebruik - infiltratie - buffering -afvoer” In aansluiting op het landelijke beleid (NW4, WB21) hanteert het waterschap het beleid dat bij nieuwe plannen altijd onderzocht dient te worden hoe omgegaan kan worden met het schone hemelwater. Hierbij worden de afwegingsstappen “hergebruik - infiltratie - buffering - afvoer” (afgeleid van de trits “vasthouden - bergen - afvoeren”) doorlopen. Hergebruik van hemelwater wordt voornamelijk overwogen bij grootschalige voorzieningen als scholen, kantoorgebouwen ed. Voor particuliere woningen wordt dit, ook gezien de landelijke ervaringen met grijswatersystemen, niet gestimuleerd. Binnen grondwaterbeschermingsgebieden kunnen door de grondwaterbeheerder (provincie) aanvullende kwalitatieve eisen gesteld worden in de Provinciale Milieu Verordening. Ook kan een vergunning nodig zijn van de grondwaterbeheerder. 4. Hydrologisch neutraal ontwikkelen Nieuwe ontwikkelingen dienen te voldoen aan het principe van hydrologisch neutraal ontwikkelen, waarbij de hydrologische situatie minimaal gelijk moet blijven aan de uitgangssituatie. Hierbij mag de natuurlijke GHG (Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand) niet verlaagd worden en mag bijvoorbeeld bij transformatie van landelijk naar bebouwd gebied de oorspronkelijke landelijke afvoer in de normale situatie niet overschreden worden.
Het waterpeil sluit aan bij optimale grondwaterstanden en in poldergebieden worden seizoensfluctuaties toegestaan. 5. Water als kans ”Water” wordt door stedenbouwkundigen bij inrichtingsvraagstukken vaak benaderd als een probleem (“er moet ook ruimte voor water gecreëerd worden, en m 2 zijn duur”). Dat is erg jammer, want “water” kan ook een meerwaarde geven aan het plan, bijvoorbeeld door gebruik te maken van de belevingswaarde van water. Zo is „wonen aan het water‟ erg gewild, een mooie waterpartij met bijbehorend groen wordt door vele inwoners gewaardeerd etc. 6. Meervoudig ruimtegebruik “Er moet ruimte voor water gecreëerd worden, en m2 zijn duur”. Maar door bij de inrichting van een planlocatie ruimte voor twee of meer doeleinden te gebruiken, is het “verlies” van m 2 als gevolg van de toegenomen ruimtevraag vanuit water te beperken. Zo is het in bepaalde gevallen mogelijk om het flauwe talud ook te gebruiken als onderhoudsstrook. Flauwe taluds geven veel ruimte voor buffering van water, maar zijn ook te gebruiken voor recreatieve doeleinden (een fietspad dat af en toe niet te gebruiken is). 7. Voorkomen van vervuiling Bij de inrichting, het bouwen en het beheer van gebieden wordt het milieu belast. Vanuit zijn wettelijke taak ten aanzien van het waterkwaliteitsbeheer streeft het waterschap ernaar om nieuwe bronnen van verontreiniging zoveel mogelijk te voorkomen.
Deze bronaanpak is ook verwoord in het Emissiebeheersplan. Het waterschap besteedt hier reeds aandacht aan in de
22
fase van de watertoets, zodat dit aspect als randvoorwaarde kan worden meegenomen in het verdere ontwerpproces.
8. Waterschapsbelangen Er zijn “waterschapsbelangen‟ met een ruimtelijke component. Dit betreft het volgende: a. ruimteclaims voor waterberging b. ruimteclaims voor de aanleg van natte EVZ’s en beekherstel c. aanwezigheid en ligging watersysteem d. aanwezigheid en ligging waterkeringen e. aanwezigheid en ligging van infrastructuur en ruimteclaims tbv de afvalwaterketen in beheer van het waterschap. Indien deze belangen een rol spelen in het ruimtelijke plan dan zou hieraan in de toelichting, de planregels en de verbeelding aandacht besteed moeten worden.
4.2.4
Bestaande waterhuishoudkundige situatie
In de directe nabijheid van de initiatieflocatie zijn watergangen aanwezig. Ten zuidwesten van de locatie is een A/B-watergang gelegen, zie onderstaande uitsnede van de legger.
Afbeelding 9: uitsnede Legger (bron: Aa en Maas)
In de bestaande waterhuishoudkundige situatie wordt het bedrijfsafvalwater van huishoudelijke aard geloosd op het gemeentelijk riool. Voor het overige wordt er uit de inrichting enkel niet-verontreinigd hemelwater geloosd. Dit hemelwater is afkomstig van regenwater dat op de daken en erfverharding valt. Gemiddeld valt er jaarlijks 0,8 m3 niet-verontreinigd hemelwater per m2 verhard oppervlak. Dit hemelwater wordt door middel van afschot van daken en erfverharding geloosd op omliggende perceelssloten. Op het bedrijf wordt aandacht besteed aan het schoonhouden van het verhard oppervlak. Er is sprake van good-house-keeping management. De erfverharding en de daken worden zo vaak als voor de goede orde noodzakelijk is schoon gehouden. Op het bedrijf vinden geen bijzondere activiteiten plaats die ertoe kunnen leiden dat er stoffen in aanraking kunnen komen met het hemelwater. Het niet-verontreinigde hemelwater kan dus zonder problemen worden geloosd op de omliggende perceelssloten.
23
4.2.5
Beoogde waterhuishoudkundige situatie
In de beoogde situatie wordt, net zoals in de bestaande situatie, het bedrijfsafvalwater van huishoudelijke aard geloosd op het gemeentelijk riool. Zoals aangegeven is Waterschap Aa en Maas de beheerder van de kwaliteit en kwantiteit van het gronden oppervlaktewater binnen de locatie. Middels de Keur van Waterschap Aa en Maas, is bepaald bij welke ontwikkelingen mitigerende maatregen getroffen moeten worden. Deze mitigerende maatregelen kunnen onder andere bestaan uit het treffen van een retentievoorziening. De Keur van Waterschap Aa en Maas schrijft voor dat voor een toename van minder dan 500 m² verhard oppervlak geen mitigerende maatregelen nodig zijn. In de beoogde situatie zal er geen toename of wijziging van verhard oppervlak plaatsvinden. Er dient daarom geen compenserende maatregel getroffen te worden om het hemelwater op te vangen. Verder zullen de beschermingszones ten opzichte van omliggende watergangen in acht worden genomen. Binnen 5 meter van de watergang (2042150) worden geen nieuwe obstakels, zijnde bebouwing dan wel landschapselementen, mogelijk gemaakt. 4.3 Natuur Voorafgaand aan de gewenste wijziging dient onderzocht te worden of er sprake is van een aantasting van wettelijk beschermde natuurwaarden op basis van de groene wet- en regelgeving. Onderstaand zijn de diverse aspecten ten aanzien van natuurwaarden beschreven.
4.3.1
Natuurnetwerk Nederland (NNN)
In de twintigste eeuw is veel Nederlandse natuur verdwenen. De overgebleven gebieden zijn vaak klein en liggen veelal ver uit elkaar. Hierdoor hebben bepaalde organismen moeite om gebieden te bereiken en zich er te handhaven, waardoor de diversiteit van planten, dieren en micro-organismen (de biodiversiteit) ook sterk achteruit gaat. Om de biodiversiteit te behouden en te versterken is het Natuurnetwerk Nederland opgericht. De Natuurnetwerk Nederland is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor veel planten en dieren. In het NNN liggen: - Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; - Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; - Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; - Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van Noordzee en de Waddenzee; - Alle Natura 2000-gebieden. Het Rijk heeft het algemene NNN-beleid in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) vastgelegd. Op grond van artikel 2.10.2 van het Barro moeten provincies bij provinciale verordening de NNN-gebieden aanwijzen en nauwkeurig begrenzen. Op grond van artikel 2.10.3 Barro moeten zij ook de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden vastleggen. Daarnaast wijzen de provincies de natuurdoelen in de NNN aan.
Elk NNN-gebied heeft een zogenaamd natuurdoel. Een natuurdoel beschrijft een bepaalde natuurkwaliteit en wordt gebruikt als een toetsbare doelstelling voor een natuurgebied.
Natuur Netwerk Brabant (NNB)
Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijke voor de begrenzing en de ontwikkeling van het NNN. De provincie Noord-Brabant heeft in zijn Verordening de gebieden opgenomen als Natuur Netwerk Brabant. Men wil in 2027 alle gaten in het netwerk hebben gedicht met nieuwe natuur. Ongeveer 90% van het Natuur Netwerk Brabant wordt gevormd door bestaande natuurgebieden. Tussen deze gebieden is men voornemens om verbindingen te leggen in de vorm van Ecologische verbindingszones. Door deze verbindingen tussen natuurgebieden kunnen dieren van het ene gebied naar het andere foerageren. De concrete ambities van de provincie Noord-Brabant staan in het Natuurbeheerplan Noord-Brabant 2016. De begrenzing van het netwerk is daarnaast ook opgenomen in de Interim omgevingsverordening
24
Noord-Brabant (iov). Het NNB kent geen specifiek beschermingsregime, anders dan via het ruimtelijke spoor. Conform paragraaf 3.2.3 van de Iov is binnen de locatie geen NNB aanwezig, zie navolgende afbeelding. De beoogde ontwikkelingen hebben daarom geen invloed op de concrete ambities uit het Natuurbeheerplan 2016.
Afbeelding 10: uitsnede integrale plankaart Iov conform ‘paragraaf 3.2.3 Iov’ (bron: Provincie Noord-Brabant)
4.3.2
Wet natuurbescherming
In de Wet natuurbescherming zijn regels gesteld met betrekking tot gebiedsbescherming, soortenbescherming en bescherming van houtopstanden. In deze paragraaf wordt getoetst of de ontwikkeling invloed heeft op de beschermde gebieden en soorten die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming.
Gebiedsbescherming
De gebiedsbescherming is beperkt tot de Natura 2000-gebieden en eventueel buiten het Natuur Netwerk gelegen bijzondere provinciale natuurgebieden. De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland is reeds beschermd in het Barro en provinciale verordening. In Nederland zijn 161 Natura 2000-gebieden aangewezen. Voorbeelden van de Natura 2000-gebieden zijn Kempenland-West, Kampina en Oisterwijkse Vennen en Regte Heide en Riels laag. De provincie Noord-Brabant heeft geen bijzondere provinciale natuurgebieden vastgesteld. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning i.h.k.v. Wet Natuurbescherming (Wnb) wordt aangevraagd. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied betreft Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek welke is gelegen op een afstand van circa 15,2 kilometer.
Elke ruimtelijke ontwikkeling kan negatieve effecten hebben op de Natura 2000-gebieden. Er zijn namelijk verschillende factoren die kunnen leiden tot de verstoring van beschermde vogel- en habitattypen en soorten. Vooral de storingsfactoren verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht spelen hierbij een belangrijke rol, omdat deze ook op grote afstand van een gebied voor effecten kunnen
25
zorgen. Daarnaast kunnen andere factoren eveneens leiden tot een verstoring van habitattypen en soorten, indien een ontwikkeling op korte afstand van een gebied plaatsvindt.
Verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht
Middels het rekenprogramma AERIUS kan de stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden worden berekend. Hiermee wordt het effect op verzuring en vermesting in beeld gebracht. Wanneer met het rekenprogramma AERIUS kan worden aangetoond dat een initiatief geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft, kan de ontwikkeling doorgang vinden. Indien er wel sprake is van een toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden moet onderbouwd worden hoe deze toename in depositie ongedaan wordt gemaakt (door het treffen van maatregelen of extern salderen).
Overige storingsfactoren
Vanwege de ruime afstand van de planlocatie tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek leidt het initiatief verder niet tot andere voorkomende storende factoren op omliggende Natura 2000-gebieden zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en bewuste verandering soortensamenstelling.
Conclusie
Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat negatieve effecten op soorten en habitattypen in beschermde Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. Er is derhalve op grond van de Wet natuurbescherming geen omgevingsvergunning in het kader van gebiedsbescherming noodzakelijk. Bescherming van soorten De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in de Wnb. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn; Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn; Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 3. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage onderdeel A en B van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland.
In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. De Wnb regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren. In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. Bij het beoordelen van de in op de locatie voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: - Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); - Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); - Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden.
26
Er dient bepaald te worden of ter plaatse van de initiatieflocatie, beschermde natuurwaarden bevinden, die verstoord zouden kunnen worden. Verboden handelingen dienen desondanks zoveel mogelijk te worden voorkomen en handelingen mogen niet leiden tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding. Het (onopzettelijk) doden, verwonden of verontrusten van deze soorten dient zo veel mogelijk voorkomen te worden. Gezien het huidige intensieve gebruik van het bouwvlak en de landbouwgronden grenzend aan het bouwvlak is de aanwezigheid van beschermde of bijzondere soorten echter niet te verwachten. Met voorliggend initiatief wordt op de initiatieflocatie als gevolg van het initiatief geen bebouwing toegevoegd dan wel gesloopt. Verder wordt er geen beplanting gekapt dan wel verwijderd. Een nader onderzoek in het kader van de flora- en faunawet wordt daarom niet nodig geacht. Er vinden geen werkzaamheden plaats waardoor mogelijke schuilplaatsen van beschermde soorten zouden kunnen worden verstoord. Door het Ministerie van Economische zaken is een effectenindicator ‘Soorten’ opgesteld. Onderstaand gebied is beoordeeld aan de hand van de effectenindicator soorten. Als activiteit is aangegeven dat de activiteit ‘handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening’ betreft.
Uit de effectindicator blijkt dat in het geselecteerde gebied, in combinatie met de geselecteerde activiteit(en), geen Wettelijk beschermde soorten voor komen waarbij schadelijke effecten worden verwacht.
Afbeelding 11: uitsnede initiatieflocatie t.b.v. effectenindicator ‘Soorten’
Geconcludeerd kan worden dat er geen ontheffing noodzakelijk is in het kader van de Wet natuurbescherming. 4.4 Cultuurhistorie, aardkunde en archeologie Voorafgaand aan de realisatie van de beoogde bedrijfsopzet dient onderzocht te worden of er sprake is van aantasting van archeologische, cultuurhistorische en aardkundige waarden.
4.4.1
Cultuurhistorie en aardkunde
Uit de kaart behorende bij paragraaf 3.2.4 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant blijkt en de cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Bernheze blijkt dat de initiatieflocatie niet gelegen is in een cultuurhistorisch vlak of een aardkundig waardevol gebied. Daarnaast kent de locatie geen complexen van cultuurhistorisch belang. Hierdoor zal bij uitvoering van het plan geen afbreuk gedaan worden aan cultuurhistorische waarden of aardkundig waardevol gebied.
27
Afbeelding 12: uitsnede integrale plankaart Iov conform paragraaf 3.2.4 Iov (bron: Provincie Noord-Brabant)
De gemeente Bernheze heeft een Cultuurhistorische waardenkaart vastgesteld. Initiatieflocatie
Afbeelding 13: uitsnede cultuurhistorische waardenkaart (bron: gemeente Bernheze)
4.4.2
Archeologie
Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht geworden. De Erfgoedwet maakt een integrale bescherming van het cultureel erfgoed mogelijk. De Erfgoedwet heeft bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland gebundeld in één wet. Aan de Erfgoedwet zijn een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Het beschermingsniveau zoals die in de oude wetten en regelingen golden blijven gehandhaafd. De gemeenteraad heeft de Archeologische beleidskaart gemeente Bernheze vastgesteld.
28
Initiatieflocatie
Afbeelding 14: uitsnede archeologische beleidskaart (bron: gemeente Bernheze)
Uit de Archeologische beleidskaart van de gemeente Bernheze blijkt dat de initiatieflocatie is gelegen binnen categorie 5 ‘gebieden met een middelhoge archeologische verwachting’. Binnen deze categorie geldt een onderzoeksplicht bij een verstoringsdiepte van meer dan 40 cm en een verstoringsoppervlakte van meer dan 2.500 m2. Met voorliggend initiatief wordt op de initiatieflocatie als gevolg van het initiatief geen bebouwing toegevoegd dan wel gesloopt. De bodem wordt derhalve niet verstoord. Nader archeologisch onderzoek is hier dan ook niet noodzakelijk. 4.5 Bedrijven en milieuzonering De handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (editie 2009) is een publicatie van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en dient als hulpmiddel voor milieuzonering in de ruimtelijke planvorming. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. Het waar nodig ruimtelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen: - Het reeds in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; - Aan bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren.
De VNG-publicatie is een hulpmiddel om de afstanden tussen bedrijvigheid en woningen concreet in te vullen. Gemeenten beslissen uiteindelijk zelf over een bepaalde locatie. De handreiking geeft informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten en bijbehorende richtafstanden van een scala aan bedrijfsactiviteiten. Deze richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit. Er wordt onderscheid gemaakt in de omgevingstypen: - Rustige woonwijk en rustig buitengebied: een woonwijk (of vergelijkbaar omgevingstype) die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Er komen enkel wijkgebonden voorzieningen voor en er is weinig verstoring door verkeer. - Gemengd gebied: een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen functies zoals winkels, horeca en kleine bedrijven voor of er is sprake lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid. Ook gebieden direct naast de hoofdinfrastructuur gelegen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied, hier is sprake van verhoogde milieubelasting door geluid. Onderhavige locatie is gelegen in omgevingstype ‘gemengd gebied’. Dit omgevingstype wordt
29
gekenmerkt door een matige tot sterke functiemenging. In de omgeving bevinden zich direct naast woningen andere functies zoals agrarische bedrijvigheid. Wat betreft veehouderijen wordt in de navolgende paragrafen getoetst aan de wetgeving die specifiek van toepassing is voor veehouderijen met betrekking tot het aspect woon- en leefklimaat (geur, fijnstof en gezondheidsaspecten). De bedrijf ‘design- en ontwikkelbureau met atelier en opslag’ is niet opgenomen in de VNG-publicatie. De Meest overeenkomende bedrijfsvormen zijn de categorieën ‘Computerservice- en informatietechnologie-bureaus e.d.’; Studio’s (film, TV, radio, geluid); overige grafische activiteiten; Opslaggebouwen (verhuur opslagruimtes’). In navolgende tabel zijn de bijbehorende richtafstanden weergegeven. Een design- en ontwikkelbureau met atelier en opslag komt overeen met een bedrijf in milieucategorie 2 met een grootste richtafstand van 30 meter. Tabel 2: Richtafstanden beoogde situatie
Omschrijving
SBICode
Milieucategorie
Geur
Stof
Geluid
Gevaar
Computerservice- en informatietechnologiebureaus e.d.
62
1
0
0
10
0
Studio’s (film, TV, radio, geluid)
2
0
0
30
10
Overige grafische activiteiten
591,592, 601,602 1814
2
30
0
30
30
Opslaggebouwen (verhuur opslagruimtes)
52109
2
0
0
30
10
Binnen een afstand van 100 meter zijn geen woningen van derden gelegen. Het dichtst bijgelegen bedrijf betreft Loosbroekseweg 49 te Nistelrode. Op deze locatie is een akkerbouwbedrijf gevestigd. Een dergelijk bedrijf behoort volgens deze VNG-publicatie tot de milieucategorie 2, waarvoor een richtafstand van 30 m is vastgesteld. Het bouwblok van dit bedrijf ligt op ongeveer 47 meter afstand gelegen ten opzichte van het bouwblok van de initiatieflocatie. Op grond hiervan kan worden gesteld dat ruimschoots wordt voldaan aan de richtafstanden. 4.6
4.6.1
Geur
Individuele hinder
Bij een herziening van het bestemmingsplan dient het aspect geur getoetst te worden. Bij voorliggend initiatief is een rapportage met betrekking tot de beoordeling van het woon- en leefklimaat opgesteld. Deze is opgenomen als separate bijlage bij deze toelichting (bijlage 3). In dit rapport wordt met betrekking tot de individuele hinder gesteld dat er voldaan wordt aan de gestelde afstanden en dat de geurbelasting ruim binnen de gestelde normen is. Gedurende het onderzoek woon- en leefklimaat was het dichtstbijzijnde agrarisch bedrijf Loosbroekseweg 49. Inmiddels is er een aanvraag ingediend ten behoeve van de intrekking van de vergunning voor deze locatie. Hiermee is Loosbroekseweg 60 nu het dichtstbijzijnde bedrijf. Voor dit bedrijf is een voorgrond geurberekening gemaakt. Hiervoor is de volledige geuremissie als één emissiepunt op de rand van het bouwvlak gepositioneerd, zo dicht mogelijk bij het plangebied (worst-case-situatie). Op basis van deze berekening kan worden bepaald of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en of de veehouderij op de Loosbroekseweg 60 niet in haar belangen wordt geschaad. In tabel 3 en tabel 4 zijn gegevens van de geurberekening weergegeven. Met behulp van V-stacks vergunning is een voorgrond geurberekening gemaakt voor het plangebied. Hierbij is rand de schuur (nieuw geurgevoelig object) als coördinaat gebruikt.
Tabel 3: Brongegevens
Tabel 4: Geurgevoelige locaties
30
De geurbelasting vanuit Loosbroekseweg 60 is 2,5 OUE. De geurbelasting blijft daarmee ruim binnen de norm van 10 OUE. Hieruit kan geconcludeerd worden de voorgrond geurbelasting ter plaatse van het plangebied voldoet aan de gestelde norm. Daarnaast kan worden gesteld dat het bedrijf aan de Loosbroekseweg 60, door de beoogde ontwikkeling, niet in haar belangen wordt geschaad.
4.6.2
Cumulatieve geurhinder (Interim omgevingsverordening Noord-Brabant)
Conform de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant van de provincie dient aangetoond te worden dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12% en in het buitengebied niet hoger is dan 20%. Voor de veehouderij binnen de initiatieflocatie is middels V-Stacks gebied een berekening gemaakt waarbij de cumulatieve geurhinder is berekend. Voor de berekening zijn alle bedrijven meegenomen welke een geuruitstoot hebben binnen een straal van twee kilometer rondom de geurgevoelige objecten. De gegevens van veehouderijen van derden zijn afkomstig uit de databestanden van Web-BVB, deze invoergegevens zijn terug te vinden in bijlage 3 van onderhavige toelichting. Voor het bedrijf van de initiatiefnemer zijn de werkelijke brongegevens binnen de inrichting ingevuld, deze zijn tevens opgenomen in bijlage 3 van onderhavige toelichting. Er zijn zowel geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom als buiten de bebouwde kom geselecteerd. Uit de berekeningen blijkt dat sprake is van een cumulatieve geurbelasting van maximaal 12,489 OUE/m3 op het meest nabij gelegen geurgevoelige object. Gezien het feit dat er op alle geurgevoelige locaties geen sprake is van een overbelasting is afdoende aangetoond dat wordt voldaan aan de voorwaarde van dit artikel.
Ten aanzien van het aspect geur kan derhalve worden gesteld dat er een aanvaardbaar woon- en leefklimaat heerst in de beoogde situatie. 4.7 Geluid De Wet geluidhinder (Wgh) vormt sinds 1979 het juridisch kader voor het Nederlandse geluidsbeleid. Deze wet zorgt voor de bescherming van geluidsgevoelige bestemmingen tegen geluidhinder van wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai. Hierbij wordt o.a. gebruik gemaakt van zonering en geluidsnormen. In de Wgh is bepaald dat voor locaties in een bestemmingsplan waar woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen kunnen worden gerealiseerd, de geluidbelasting dient te worden onderzocht binnen de zones behorende bij verkeersbewegingen, spoorwegen en industrieterreinen. In de omgeving van de planlocatie liggen geen spoorwegen of industrieterreinen. De initiatieflocatie ligt wel binnen het geluidszone van de Loosbroekseweg en de Plattedel. Met de beoogde ontwikkeling wordt echter geen nieuw geluidsgevoelig object opgericht. betreft een reeds bestaand geluidsgevoelig object in het kader van de Wgh. Dit verandert met de beoogde ontwikkeling niet. 4.8 Luchtkwaliteit Op 15 november 2007 (Stb. 2007, 434) is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en vervangt het Besluit luchtkwaliteit 2005.
Met de nieuwe Wet luchtkwaliteit en de bijbehorende bepalingen en hulpmiddelen wil de overheid zowel de verbetering van de luchtkwaliteit bewerkstelligen als ook de gewenste ontwikkelingen in ruimtelijke ordening doorgang laten vinden. De kern van deze wetgeving bestaat uit de (Europese) luchtkwaliteitseisen. Nieuw zijn het ‘Besluit niet in betekende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’ en de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’. Voor projecten die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging hoeft niet langer te worden getoetst aan de grenswaarden.
31
Niet in betekende mate bijdragen In de Algemene Maatregel van Bestuur ‘Niet in betekende mate bijdragen’ (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. Per 1 augustus 2009 geldt als NIBM 3% van de grenswaarde. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen opgenomen die Niet in Betekende Mate bijdragen aan de luchtverontreiniging (specifiek gekwantificeerde bedrijfsactiviteiten of het realiseren van kantoor- en woningbouwlocaties in een maximale omvang). Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit achterwege blijven. Om versnippering van in betekende mate (IBM) projecten in meerdere NIBM-projecten te voorkomen is in het Besluit NIBM een anti-cumulatieartikel opgenomen. In de Handreiking NIBM is de toepassing van het Besluit NIBM en de Regeling NIBM toegelicht en uitgewerkt. De bijdrage van NIBM-projecten aan de luchtverontreiniging wordt binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) gecompenseerd met algemene maatregelen.
NIBM-tool Voor kleinere ruimtelijke plannen verkeersplannen die effect kunnen hebben op de luchtkwaliteit heeft het ministerie van Infrastructuur en Milieu in samenwerking met Kenniscentrum InfoMil een specifieke rekentool ontwikkeld. Daarmee kan op een eenvoudige en snelle manier worden bepaald of een plan niet in betekende mate bijdraagt (NIBM) aan de concentratie van een stof in de buitenlucht. Het doel van deze tool is: - Eenvoudig en snel bepalen of een plan in betekende mate bijdraagt aan de concentratie van een stof in de buitenlucht. - Het beperken van de onderzoekslast bij kleinere projecten. - Het vaststellen van grenzen voor het aantal extra voertuigbewegingen, dat niet zal leiden tot een concentratietoename die groter is dan de grens voor niet in betekende mate. Voor de transportbewegingen t.b.v. (gedeeltelijk) reparatie- en servicebedrijf voor auto’s en motorfietsen en (gedeeltelijk) statische opslag, zoals beoogd binnen de initiatieflocatie, is uitgegaan van een maximaal standaard worst-case scenario. Hierbij is uitgegaan van het maximaal aantal extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde) wat volgens de NIBM-tool mogelijk is. Dit betreffen veel meer transportbewegingen welke plaatsvinden op 1 dag als dat in de feitelijke situatie op 1 dag plaats zullen vinden binnen de initiatieflocatie. Om de beoogde verkeersgeneratie te bepalen is aangesloten bij CROW.
Voor een vrijstaande woning in het buitengebied is de verkeersgeneratie 8,9. Voor het bedrijf is aangesloten bij de categorieën ‘kantoor zonder balie functie’ met een verkeersgeneratie van maximaal 9,6 per 100 bvo en een bedrijfsverzamelgebouw met een verkeersgeneratie van maximaal 2,2 per 100 bvo. Zoals eerder beschreven heeft de eerste verdieping, waar de werkplekken gesitueerd zijn, ongeveer een oppervlak van 100 m2. Het vloeroppervlakte van het bedrijfsgebouw is 813 m2. Dit resulteert in een worst-case scenario in een weekdaggemiddelde van 36,1 (8,9+9,6+17,9) verkeersbewegingen van en naar de inrichting. Afgerond 37. Hierbij wordt uitgegaan van een aandeel vrachtverkeer van 10%. Uit de berekening met de NIBM-tool blijkt dat bij een toename met dit aantal de bijdrage aan de fijnstofconcentratie nog NIBM is. Bovendien vinden er in de bestaande situatie ook al verkeersbewegingen van en naar de inrichting plaats. De beoogde ontwikkeling heeft dus met zekerheid geen significant negatieve effecten op de luchtkwaliteit in de omgeving.
32
Afbeelding 15: NIBM berekening extra verkeer
De beoogde ontwikkeling heeft dus met zekerheid geen significant negatieve effecten op de luchtkwaliteit in de omgeving. Er kan worden geconcludeerd dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor het initiatief. 4.9 Volksgezondheid Bij voorliggend initiatief is een rapportage met betrekking tot de beoordeling van het woon- en leefklimaat opgesteld. Deze is opgenomen als separate bijlage bij deze toelichting (bijlage 3). In dit rapport wordt met betrekking tot volksgezondheid het volgende gesteld: - Veedichtheid: Er wordt voldaan aan de richtlijn voor veedichtheid. Hiermee is het niet aannemelijk dat er geen verhoogd risico is voor een verminderde longfunctie bij omwonenden; - Endotoxinen: Op basis van het ‘Endotoxine toetsingskader 1.0’ kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. De initiatieflocatie ligt buiten de richtafstanden die aangehouden moeten worden rondom de varkens- en pluimveehouderijen in de omgeving. Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico. - Zoönosen: Uit dossieronderzoek is niet gebleken dat er binnen de invloedsfeer van het plangebied veehouderijen aanwezig zijn waarbij sprake zou zijn van een bedrijfsmatige gemengde bedrijfsvoering van pluimvee en varkens. Er is derhalve geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico.
- Geitenhouderijen: Uit het VGO-2 onderzoek is gebleken dat zich in een straal van circa 2 km rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Binnen 2 km van de initiatieflocatie zijn geen geitenhouderijen gelegen. Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico. Ten aanzien van volksgezondheid zijn er derhalve geen bezwaren ten aanzien van de gewenste ontwikkeling. 4.10 Spuitzones In de directe omgeving van het initiatief is het mogelijk om gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken. Er dient getoetst te worden of hierdoor wel een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Er is geen vigerend beleid om dit te toetsen. Uit jurisprudentie van de Afdeling volgt dat zij een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk vindt. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 23 juni 2004 (ECLI:NL:RVS:2004:AP3436). Deze vuistregel wordt tot
33
op heden toegepast door de Afdeling in haar jurisprudentie. Een afstand kleiner dan 50 meter kan ook aanvaardbaar zijn, mits hieraan een goede onderbouwing ten grondslag ligt. Zo werd in een uitspraak van 14 mei 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1179) een afstand van 10 meter aanvaardbaar geacht. In de hierboven reeds aangehaalde uitspraak van 20 december 2017 stelde de Afdeling dat een afstand van 17 meter voldoende mogelijkheden biedt om maatregelen te treffen die de spuitzone verkleinen. Argumenten voor het toestaan van een kleinere afstand kunnen zijn: • De wet- en regelgeving waaraan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen moet voldoen: o Verplichting tot gebruik van driftbeperkende technieken. o Verplichting tot gebruiken gewasbeschermingsmonitor. • De wijze van teelt: o Teelt in de open lucht of containerteelt. o Vollegrondsteelt of bomen- of fruitteelt. • Feitelijke omstandigheden: o Fysieke beperkingen reikwijdte spuitnevel (bomenrijen, heggen, etc.). Bij voorliggend initiatief zal aan de noordkant een boomsingel, aan de zuidkant een struweelhaag en aan de oostkant een beukenhaag gerealiseerd worden, conform bijgevoegd landschappelijk inpassingsplan. Deze zullen een fysieke beperking zijn tussen de agrarische percelen en de bebouwing.
Gezien deze omstandigheden kan geconcludeerd worden dat er, voor wat betreft de spuitzone, een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd kan worden op de initiatieflocatie. 4.11 Landschappelijke inpassing Ten behoeve van het initiatief is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Hierbij is rekening gehouden met de gewenste activiteiten en het feit dat al een groot deel van de bestaande bebouwing is gesloopt. Ten behoeve van het initiatief wordt voorgesteld om een struweelhaag aan de zuidzijde- en een bomensingel aan de noordzijde van het bedrijf aan te planten. Ook zal aan de oostzijde een beukenhaag gerealiseerd worden. Hierdoor wordt de bebouwing minder zichtbaar vanaf de Loosbroekseweg, maar wordt de openheid van het gebied niet onevenredig aangetast. Op de afbeelding hieronder is het inpassingsplan weergegeven. Het landschappelijk inpassingsplan is tevens opgenomen als bijlage bij dit bestemmingsplan.
34
Afbeelding 16: Landschappelijk inpassingsplan Loosbroekseweg 45 Nistelrode
Overigens zijn langs de Loosbroekseweg (tussen nr. 45 en nr 60) een 34-tal Beukenbomen aanwezig. Deze worden genoemd op de Bomenlijst van de gemeente Bernheze. Deze beukenbomen heeft de status ‘Waardevol’, zijn beeldbepalend en hebben een natuurwaarde. Door uitvoering van voorliggend initiatief en het inpassingsplan worden deze beukenbomen niet aangetast. 4.12 Bodemkwaliteit Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Dit betekent dat het aspect bodemkwaliteit voor vrijwel alle nieuwe ontwikkelingen, die met ruimtelijke plannen mogelijk worden gemaakt, onderzocht moet worden. Als gevolg van voorliggend initiatief wordt ter plaatse van de initiatieflocatie geen bebouwing toegevoegd en/of gesloopt. Daarnaast wordt met dit project geen nieuwe verblijfsruimte gerealiseerd. Een bodemonderzoek is in het kader van de beoogde ontwikkeling niet noodzakelijk. Ten aanzien van het aspect bodem zijn er derhalve geen bezwaren voor de gewenste ontwikkeling.
35
4.13
Externe veiligheid
4.13.1 Inleiding
Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn: > Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); > Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); > Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt.
4.13.2 Risiconormering
In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico:
Plaatsgebonden risico (PR)
Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde.
Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in de initiatieflocatie worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Wanneer verantwoorden? Tabel 5: Uitwerking groepsrisicoverantwoording1
1
Bij buisleidingen kan volstaan worden met een beperkte verantwoording wanneer: 1) het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde of 2) de toename minder is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde of 3) personen zich buiten de 100% letaliteitgrens bevinden. Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden.
36
Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde de veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn. Beleidsvisie externe veiligheid De gemeente Bernheze beschikt over een beleidsvisie externe veiligheid (2008). Hierin wordt invulling gegeven aan de gemeentelijke omgang met externe veiligheid. De beleidsvisie bevat geen gebiedstypering of uitgangspunten die gehanteerd kunnen worden voor de verantwoording van het groepsrisico. Overige wet- en regelgeving Tot slot moet in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening‘ (art. 3.1 Wro) ook getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit bijvoorbeeld het Activiteitenbesluit, effectafstanden uit de ‘Circulaire effectafstanden LPG-tankstations’, enz..
4.13.3 Toetsing
Inventarisatie risicobronnen Met behulp van de nationale risicokaart 2 is gekeken, welke risicobronnen in de nabijheid van de initiatieflocatie zijn gelegen. Een uitsnede van de risicokaart met de initiatieflocatie vindt u hieronder. De initiatieflocatie is groen omcirkeld.
Afbeelding 17: Uitsnede van nationale risicokaart met de initiatieflocatie (groen omcirkeld)
Uit de risicokaart blijkt, dat in de omgeving van de initiatieflocatie zijn geen wegen, vaarwegen, spoorlijnen, buisleidingen of inrichtingen gelegen, waarvan een risicocontour over de initiatieflocatie is gelegen. Er is dus geen sprake van een overschrijding van het plaatsgebonden risico. Tevens is er geen sprake van een groepsrisico. Beleidsvisie externe veiligheid Toetsing van het plan aan de voorwaarden uit de beleidsvisie externe veiligheid van de gemeente geeft geen belemmeringen voor het plan.
4.13.4 Conclusie
Het aspect externe veiligheid is geen belemmering voor het plan.
2
www.risicokaart.nl, professionele versie
37
4.14
Verkeer en parkeren
4.14.1 Verkeer
Er wordt verwacht dat de gewenste activiteiten ten behoeve van het design- en ontwikkelbureau met atelier en opslag een geringe verkeersaantrekkende en publieksaantrekkende werking heeft. Maatregelen in de bestaande verkeersstructuur zijn ten behoeve van voorliggend initiatief niet nodig.
4.14.2 Ontsluiting
Het bedrijf wordt zowel in de huidige als in de nieuwe situatie ontsloten via 3 bestaande in- en uitritten op de straat ‘Loosbroekseweg’, zie onderstaande afbeelding. De ontsluiting van het bedrijf wijzigt niet t.o.v. de huidige vigerende situatie. Maatregelen met betrekking tot de ontsluiting zijn ten behoeve van voorliggend initiatief niet nodig.
Afbeelding 18: Ontsluiting initiatieflocatie, met pijlen zijn de in- en uitritten weergegeven
4.14.3 Parkeren
Op basis van de Parkeernormennota van de gemeente Bernheze (in werking getreden op 9-7-2015) dient parkeren op eigen terrein plaats te vinden. Op de locatie is een woonhuis aanwezig en een bedrijfspand van 813 m2. Zoals eerder beschreven heeft de eerste verdieping ongeveer een oppervlak van 100 m2. De overige ruimte waarin de studio en opslagruimte bevinden is maximaal 813 m2. In onderstaande tabel zijn de parkeernormen per categorie en de bijbehorende oppervlaktes weergegeven. Tabel 6: berekening benodigde parkeerplaatsen Omschrijving Norm
Meerpersoonswoning > 60 m2 Commerciële dienstverlening Loods, opslag, transportbedrijf
2,0 per woning 3,3 parkeerplaats per 100 m2 bvo 0,9 parkeerplaats per 100 m2 bvo
Aantal m2 n.v.t. 100 813 Totaal:
Benodigde parkeerplaatsen 2 3,3 7,3 12,6
Voor onderhavig initiatief zullen derhalve 13 parkeerplaatsen beschikbaar moeten zijn. De initiatieflocatie biedt voldoende ruimte voor het parkeren op eigen terrein, zoals op afbeelding 18 is aangegeven. Er is een ruimte beschikbaar van ca. 1.000 m 2. Hierop kunnen maximaal zelfs 50 personenwagens geparkeerd worden. Er is dus ruim voldoende plaats voor de benodigde 13 parkeerplaatsen. Verdere maatregelen met betrekking tot het parkeren zijn ten behoeve van voorliggend initiatief niet nodig.
38
Afbeelding 19: Weergave ruimte voor parkeren op planlocatie
Derhalve kan worden geconcludeerd dat er voor dit initiatief geen belemmeringen zijn vanuit het oogpunt van verkeer en parkeren. 4.15 Technische infrastructuur In of nabij de initiatieflocatie liggen geen planologisch relevante buisleidingen en lopen tevens geen relevante straalpaden (zoals te zien op de risicokaart in afbeelding 17). Voordat er gebouwd wordt zal er een KLIC-melding gemaakt worden om relevante kabels en leidingen van de initiatieflocatie in beeld te brengen. In de berm, langs de Loosbroekseweg, is een hogedruk riolering gelegen. Voorliggend initiatief heeft geen negatieve invloed hierop.
39
5. Juridische planbeschrijving In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op de juridische regeling van dit bestemmingsplan. 5.1 Juridische achtergrond De Wet ruimtelijke ordening (Wro) verplicht gemeenten bestemmingsplannen op te stellen. In de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is nader uitgewerkt uit welke onderdelen een bestemmingsplan (ook: wijzigingsplan) in ieder geval moet bestaan. Het gaat om een verbeelding met planregels en een toelichting daarop. Daarnaast biedt zowel de Wro als het Bro opties voor een nadere juridische inrichting van een bestemmingsplan. Hierbij moet worden gedacht aan de toepassing van afwijkingsmogelijkheden en wijzigingsbevoegdheden en het toepassen van nadere eisen. Uitgangspunt is dat het bestemmingsplan moet voorzien in een passende regeling voor de komende tien jaar. Dat is in principe de geldigheidsduur van een bestemmingsplan. Het juridisch bindende onderdeel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende onderdeel van het bestemmingsplan.
Bij bestemmingsplannen gaat het om de belangen van burgers en bedrijven. Zij dienen zich snel en op eenvoudige wijze een juist beeld te kunnen vormen van de planologische mogelijkheden en beperkingen op één of meerdere locatie(s). Daarnaast is de vergelijkbaarheid van ruimtelijke plannen van belang voor degenen die deze plannen in grotere samenhang wensen te bezien. Hierbij kan gedacht worden aan degenen die betrokken zijn bij de planvoorbereiding, de planbeoordeling en het monitoren van beleid. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zo ook voor de regels. Voor bestemmingsplannen, zoals voorliggend plan, is het verplicht de regels van de SVBP te volgen. 5.2 Toelichting verbeelding Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden aangewezen en begrensd.
Op de verbeelding zijn de volgende bestemmingen en aanduidingen opgenomen: • Enkelbestemming: ‘Agrarisch – Landbouwontwikkelingsgebied’ • Dubbelbestemming: ‘Waarde – Archeologie – 3’ • Bouwvlak: • Functieaanduiding: ‘specifieke vorm van bedrijf – design- en ontwikkelbureau met atelier en opslag • Maatvoering: ‘aantal bedrijfswoningen – 1’ Voor de benaming van de bestemmingen en aanduidingen is aangesloten bij het moederplan bestemmingsplan Buitengebied Bernheze. Voor het overige wordt aangesloten bij het SVBP. 5.3 Toelichting regels De regels behorende bij voorliggend bestemmingsplan bestaan bestemmingsregels, algemene regels en overgangs- en slotregels.
uit
inleidende
regels,
De regels bij voorliggend bestemmingsplan worden gewijzigd ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan. Echter waar het mogelijk is wordt aangesloten bij de regels van het vigerende bestemmingsplan. De regels hebben betrekking op de in de verbeelding opgenomen bestemmingen en aanduidingen.
40
6. Uitvoerbaarheid 6.1 Financiële uitvoerbaarheid De voorgestane ontwikkeling aan de Loosbroekseweg 45 te Nistelrode betreft een particulier initiatief. De met de ontwikkeling gepaard gaande kosten worden dan ook gedragen door de desbetreffende particuliere initiatiefnemer. Voor deze ontwikkelingen hoeven geen aanpassingen in het openbaar gebied gedaan te worden. De kosten voor de bestemmingswijziging kan worden verhaald met leges. Hiermee is de financiële haalbaarheid voor de gemeente gegarandeerd. Dit plan heeft geen financiële consequenties voor de gemeente. Dit kan worden vastgelegd in een planschadeverhaalsovereenkomst, waarbij de eventuele planschade voor rekening komt voor de initiatiefnemer. De economische uitvoerbaarheid is hiermee voldoende aangetoond. 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid De maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft als doel aan te tonen dat het plan maatschappelijk draagvlak heeft. In dat kader is de gelegenheid tot inspraak geboden (in de vorm van publicatie van het ontwerpbestemmingsplan). Ook heeft vooroverleg plaatsgevonden met de daartoe aangewezen instanties.
6.2.1
Vooroverleg
6.2.2
Zienswijzen en beroep
In het kader van artikel 3.1.1 Bro is overleg gevoerd over het ontwerpbestemmingsplan met de gebruikelijke overlegpartners, Waterschap Aa en Maas en provincie Noord-Brabant. De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan vind plaats volgens artikel 3.9a van de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan wordt in dit kader ter visie gelegd gedurende een periode van zes weken. Gedurende deze periode kan eenieder die óf tijdig een zienswijze kenbaar heeft gemaakt bij het ontwerp óf belanghebbenden is, beroep instellen tegen het vaststellingsbesluit bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tevens kan er beroep worden ingesteld tegen de eventueel gewijzigde onderdelen. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking. Na vaststelling wordt het plan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tevens kan er beroep worden ingesteld tegen de eventueel gewijzigde onderdelen. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.
41
7. Bijlagen Bijlage 1 Kwaliteitsverbetering van het landschap Bijlage 2 Landschappelijk inpassingsplan Bijlage 3 Rapportage beoordeling woon- en leefklimaat Bijlage 4 Toelichting invoergegevens AERIUS Bijlage 5 AERIUS-berekening
42
43