CConstaterende datBernheze
Koppel je AI →
Document · PDF

Ontwerp bestemmingsplan Hoogbroeksesteeg ong (achter Donzel 21) Nistelrode - Toelichting

Commissie Ruimtelijke Zaken 24 maart 2021, gemeente BernhezeBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan 'Hoogbroeksesteeg ong (achter Donzel 21), Nistelrode'15.717 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

40 ROC.P2018.316.T

Conclusie Op de onderzoekslocatie bevinden zich geen verblijfplaatsen van vleermuizen, echter is de schuur ten oosten van de onderzoekslocatie potentieel geschikt als vaste rust- en verblijfplaats van gebouw-bewonende vleermuizen zoals de normale dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger. Verstoringen voor deze vleermuissoorten kunnen worden voorkomen door de werkzaamheden overdag uit te voeren en ’s avonds geen kunstmatige verlichting in de richting van de schuur toe te passen. De schuur en houtopslag ten oosten van de onderzoekslocatie is potentieel geschikt als verblijfplaats voor (kleine) marterachtigen en de steenmarter. Verstoringen aan deze soorten kunnen worden voorkomen door de werkzaamheden uit te voeren volgens een ecologisch werkprotocol. Door Sab is een werkprotocol opgesteld. Het werkprotocol, d.d. 8 mei 2019, kenmerk RODO/VERK/190205, is als bijlage bij deze toelichting opgenomen. Tevens dient er rekening te worden gehouden met de zorgplicht. Het geadviseerde werkprotocol is opgesteld en als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Verder kunnen overtredingen ten aanzien van algemene broedvogels worden voorkomen door eventuele nesten op het grasland te verwijderen buiten het broedseizoen. Daarnaast dient bij werkzaamheden te allen tijde de zorgplicht in acht te worden genomen ten aanzien van onder andere algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën.

Met betrekking tot beschermde gebieden worden geen bezwaren verwacht. Er is geen beschermde houtopstand aanwezig.

4.3 Archeologie en cultuurhistorie Archeologie In 1992 is het Verdrag van Valletta door de landen van de Europese Unie waaronder Nederland ondertekend. Dit verdrag verplicht de Europese overheden tot het beschermen van archeologisch erfgoed. Hierbij wordt als uitgangspunt gehanteerd dat archeologische waarden in situ bewaard moeten blijven. Dat wil zeggen, dat ernaar gestreefd moet worden om de waarden op de locatie te behouden. Volgens de archeologische verwachtingskaart van de gemeente Bernheze is de planlocatie gelegen in de beleidszone Lage archeologische verwachting.

41 ROC.P2018.316.T

Voor zover de locatie is gelegen binnen een gebied met een lage archeologische verwachting, houdt dit in dat er geen onderzoeksplicht bestaat.

Cultuurhistorie Algemeen Onder de noemer Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft het Rijk in 2009 een aanzet gegeven voor een goede afweging van het belang van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. Gepleit wordt voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie in structuurvisies, bestemmingsplannen en milieueffectrapportages. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. 42 ROC.P2018.316.T

Op 5 juli 2011 is een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gepubliceerd. Vanaf 1 januari 2012 moet ieder nieuw bestemmingsplan een analyse cultuurhistorische waarden bevatten. In aansluiting op vaststelling van de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in mei 2011 zijn op 17 juni 2011 in het Bro, het Besluit omgevingsrecht (Bor) en het Besluit archeologische monumentenzorg (Bamz) aangepast. Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Provinciaal beleid In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle en cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen. Onderstaand een afbeelding van de Cultuurhistorische waardenkaart:

Onderzoek Uit deze kaart blijkt, dat binnen het plangebied geen cultuurhistorisch waardevolle objecten zijn gelegen, noch sprake is van een cultuurhistorisch waardevol landschap. Gemeentelijk beleid

43 ROC.P2018.316.T

De gemeente Bernheze heeft een Cultuurhistoriekaart vastgesteld. Op basis van deze kaart is de initiatieflocatie gelegen aan een ‘oud wegtracé- hoge waarde’ (zie onderstaande afbeelding).

44 ROC.P2018.316.T

Het initiatief heeft geen invloed op het wegtracé, noch tast het de waarde van het wegtracé aan. Conclusie Archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor het plan.

4.4 Bodem Ten behoeve van deze bestemmingsplanherziening heeft Econsultancy een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De rapportage, d.d. 21 februari 2019, kenmerk 8484.001, is integraal als bijlage bij deze toelichting opgenomen. Het bodemonderzoek is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging, alsmede de voorgenomen nieuwbouw op de onderzoekslocatie. Het verkennend bodemonderzoek heeft tot doel met een relatief geringe onderzoeksinspanning vast te stellen of op de onderzoekslocatie een grond- en/of grondwaterverontreiniging aanwezig is, teneinde te bepalen of er milieuhygiënische belemmeringen zijn voor de bestemmingsplanwijziging, alsmede de voorgenomen nieuwbouw op de onderzoekslocatie. Het vooronderzoek is verricht conform de NEN 5725:2017 "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek". Het bodemonderzoek is uitgevoerd conform de NEN 5740+A1:2016 "Bodem - Landbodem Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond". Het veldwerk en de bemonstering zijn verricht onder certificaat op grond van de BRL SIKB 2000 "Veldwerk bij milieuhygiënisch bodem- en waterbodemonderzoek", protocollen 2001 en 2002.

De analyseresultaten zijn getoetst aan het toetsingskader uit de Circulaire bodemsanering en aan de achtergrondwaarden voor grond uit de Regeling bodemkwaliteit (bijlage B, tabel 1). Tevens is rekening gehouden met de achtergrondgehalten in de grond, zoals deze door de gemeente Bernheze zijn vastgesteld. CONCLUSIES VOORONDERZOEK (ONDERZOEKSOPZET) Uit het vooronderzoek blijkt dat er geen sprake is van bodembelasting, anders dan een regionale of landelijke diffuse achtergrondbelasting in de grond en het grondwater. Op de locatie worden geen verontreinigende stoffen verwacht in gehalten boven de landelijk of regionaal geldende achtergrondwaarde voor grond en/of de streefwaarde voor grondwater.

45 ROC.P2018.316.T

Dit geldt zowel voor natuurlijke achtergrondgehalten als voor "antropogene" achtergrondgehalten, waarvan de oorzaak niet eenduidig is aan te wijzen. Op basis van het vooronderzoek is geconcludeerd dat de onderzoekslocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie "onverdacht, niet lijnvormig" (ONV-NL). Bij onverdachte locaties luidt de onderzoekshypothese dat de bodem niet verontreinigd is. SAMENVATTING EN ADVIES De bodem bestaat voornamelijk uit zwak tot matig siltig, matig fijn tot matig grof zand. De bovengrond is bovendien zwak humeus. De ondergrond is plaatselijk zwak tot matig grindig. Lokaal komen sterk zandige grindlagen voor. In het opgeboorde materiaal zijn zintuiglijk geen verontreinigingen waargenomen. Tijdens de veldwerkzaamheden zijn op het maaiveld van de onderzoekslocatie, alsmede in de bodem, geen puin(resten) of andere asbestverdachte materialen aangetroffen. Er zijn op basis van het vooronderzoek, tijdens de terreininspectie en bij de uitvoering van de veldwerkzaamheden geen aanwijzingen gevonden, die aanleiding geven een asbestverontreiniging op de locatie te verwachten. In zowel de bovengrond als de ondergrond zijn geen verontreinigingen geconstateerd. Het grondwater is licht verontreinigd met barium, cadmium, koper en zink.

Deze metaalverontreinigingen zijn hoogstwaarschijnlijk, te relateren aan regionaal verhoogde achtergrondconcentraties van metalen in het grondwater. Gelet op het regionale karakter van de lichte metaalverontreinigingen in het grondwater en het ontbreken van verontreinigingen in de grond kan de onderzoekslocatie als "onverdacht" ten opzichte van haar omgeving worden beschouwd. Er zijn op basis van het vooronderzoek, tijdens de terreininspectie en bij de uitvoering van de veldwerkzaamheden geen aanwijzingen gevonden die aanleiding geven een asbestverontreiniging op de locatie ter verwachten, waardoor Econsultancy adviseert geen onderzoek asbest in bodem/puin conform de NEN 5707/5897 uit te voeren. Conclusie Vanuit het oogpunt van bodem zijn er geen belemmeringen ten aanzien van de uitvoering van het initiatief.

46 ROC.P2018.316.T

4.5 Geluid Voor het plan is door Econsultancy een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd (Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Hoogbroeksesteeg (achter Donzel 21) te Nistelrode), d.d. 13 februari 2019, kenmerk 8484.004. De rapportage is integraal als bijlage bij deze toelichting gevoegd. TOETSINGSKADER Het toetsingskader wordt voor het akoestisch onderzoek gevormd door de Wet geluidhinder. Het bevoegd gezag, het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bernheze, heeft geen geluidbeleid opgesteld voor wegverkeerslawaai. Wet geluidhinder In de Wet geluidhinder is bepaald dat, met uitzondering van een weg binnen een woonerf of met een maximumsnelheid van 30 km/uur, elke weg van rechtswege een zone heeft. De breedte van deze zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en de ligging van de weg. Indien het plangebied gelegen is in de zone van de weg, is een akoestisch onderzoek noodzakelijk en dient de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting in acht te worden genomen. Een overschrijding van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting is na afweging van geluidsreducerende maatregelen toegestaan tot de maximaal te ontheffen geluidsbelasting. Indien op basis van overwegende bezwaren de geluidsbelasting op de geluidsgevoelige bestemming onvoldoende of niet kan worden gereduceerd, kan het college van burgemeester en wethouders een hogere waarde vaststellen.

In de directe omgeving van het plan zijn meerdere wegen met een toegestane maximumsnelheid van 30 km/uur gelegen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening en op basis van jurisprudentie is een akoestisch onderzoek naar het woon- en leefklimaat ten gevolge van deze wegen benodigd. De beoordeling van het woon- en leefklimaat zal plaatsvinden op basis van de Wet geluidhinder. Voor de nabijgelegen 30 km/uur wegen kunnen vanwege het ontbreken van een zone geen hogere waarden worden vastgesteld. Samenvatting toetsingskader Het toetsingskader voor het akoestisch onderzoek is in onderstaande tabel samengevat. Uitgangspunt voor het toetsingskader is de realisatie van een nieuwbouwwoning binnen de bebouwde kom van Nistelrode.

47 ROC.P2018.316.T

BEREKENINGSRESULTATEN EN TOETSING De berekeningen zijn verricht aan de hand van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 en met behulp van het programma Geomilieu, versie 4.50. Alle resultaten zijn inclusief een aftrek conform artikel 110g van de Wet geluidhinder weergegeven, tenzij expliciet anders vermeld. De berekende geluidsbelastingen van de nieuwbouwwoning zijn beknopt in onderstaande tabel weergegeven, de volledige berekeningsresultaten zijn in bijlage 3 van het akoestisch onderzoek opgenomen.

De geluidsbelasting op de nieuw te bouwen woning bedraagt maximaal 42 dB. Er vindt geen overschrijding van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB plaats. Conclusie Er gelden vanuit akoestisch oogpunt geen belemmeringen voor de realisatie van het plan.

4.6 Luchtkwaliteit Besluit- en regeling niet in betekende mate bijdragen Sinds 15 november 2007 zijn bepalingen met betrekking tot de luchtkwaliteitseisen opgenomen in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 titel 2 Wm). In titel 5.2 staat een kader opgenomen waaraan de toelaatbaarheid van een project kan worden getoetst. Op basis van artikel 5.16, eerste lid geldt dat een project onder andere toelaatbaar is indien deze ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdraagt aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor in bijlage 2 een grenswaarde is opgenomen. In het besluit NIBM staat vermeld dat een project NIBM is bij een toename van maximaal 3% van de grenswaarde (zijnde 1,2 μg/m³) voor de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10. Wanneer een project als NIBM kan worden beschouwd, vormt de luchtkwaliteit in beginsel geen belemmering voor de doorgang van dat project.

48 ROC.P2018.316.T

Met de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) zijn categorieën aangewezen die in elk geval NIBM bijdragen aan de concentraties in de buitenlucht. Een plan waarbij nieuwe woningbouwlocaties worden gerealiseerd is in ieder geval NIBM wanneer er minder dan 1500 woningen (netto) gebouwd worden. Goede ruimtelijke ordening Het Besluit gevoelige bestemmingen benadrukt het belang van een ‘goede ruimtelijke ordening', maar is geen volledige invulling daarvan voor het aspect luchtkwaliteit. Het Besluit dekt niet alle gevoelige situaties. Ook zegt het Besluit niets over gezondheidseffecten beneden de grenswaarden. Daarom is het belangrijk om de blootstelling aan luchtverontreiniging mee te nemen in de onderbouwing van een goede ruimtelijke ordening. Beoordeling Het plan voorziet in de realisatie van 1 woning. Geconcludeerd kan worden dat het plan ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt. Hiermee wordt voldaan aan artikel 5.16 lid c van de Wet milieubeheer. De luchtkwaliteitseisen leveren derhalve geen belemmeringen op voor dit bestemmingsplan. Met behulp van de Nsl monitoringsviewer is beoordeeld of er ter hoogte van het plan sprake is van een (dreigende) overschrijding van luchtverontreinigende stoffen. In onderstaande tabel zijn voor de jaren 2020 en 2030 voor de relevante stoffen de concentraties ter plaatse van het plan weergegeven.

Uit de resultaten blijkt dat er geen sprake is van een (dreigende) normoverschrijding. Geconcludeerd wordt dat er geen belemmeringen zijn voor het aspect luchtkwaliteit. Conclusie Onderhavig plan voorziet in een enkele woning. Gezien de beperkte omvang hiervan draagt deze “niet in betekenende mate” bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een luchtkwaliteit onderzoek is derhalve niet van toepassing. Het plan is niet in strijd met de Wet luchtkwaliteitseisen.

49 ROC.P2018.316.T

4.7 Stikstof Ten behoeve van de realisatie en het gebruik van de nieuwe woning is de stikstofuitstoot inzichtelijk gemaakt. De volledige rapportage – uitgevoerd door Sab Adviseurs, d.d. 31 oktober 2019, kenmerk 190310 – is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. De locatie waar de nieuwe bebouwing is gepland ligt op ongeveer 20 kilometer nabij Natura 2000-gebieden ‘Vlijmense Ven, Moerputten en Bossche Broek’ en ‘Kampina en Oisterwijkse Vennen’. In onderstaande figuur is de ligging van het plangebied ten opzichte van de Natura 2000-gebieden weergegeven.

In de betreffende Natura 2000-gebieden zijn habitattypen aanwezig die gevoelig zijn voor de verzurende en vermestende werking van stikstofdepositie. Om in het kader van een mogelijke vergunningaanvraag Wet natuurbescherming te onderzoeken wat de stikstofdepositie is tijdens de bouwfase en de gebruiksfase is een berekening benodigd. Gekozen is voor het programma Aerius1. Deze paragraaf is een uitwerking van dit onderzoek naar de stikstofdepositie als gevolg van onderhavig plan. Aanlegfase Door de aannemer is een overzicht gemaakt van de te gebruiken machines, inclusief gebruikstijden. De bouwfase duurt circa 26 weken. Gemiddeld komen er 2 busjes en 1 vrachtwagen per dag voor de werkzaamheden en goederen (personeel e.d.). Dit komt neer op respectievelijk 4 en 2 verkeersbewegingen. In onderstaande tabel is een overzicht gegeven van het groot materieel.

50 ROC.P2018.316.T

Gebruiksfase Het plan voorziet in de realisatie van één woning. De woning wordt niet aan het gas aangesloten. Voor een vrijstaande woning wordt uitgegaan dat deze gemiddeld 8,6 (afgerond 10) verkeersbewegingen generen. Gemiddeld zullen hier maximaal 1% vrachtwagenbewegingen van zijn Dit is afgerond naar boven in 2 bewegingen. Berekeningsmethodiek De berekeningen zijn uitgevoerd met het programma Aerius (versie 21 oktober 2019). De gehanteerde ‘grenswaarde’ bedraagt 0,00 mol/hal/j. Een hogere waarde wordt beschouwd als overschrijding. Resultaten Aanlegfase Aerius Uit de berekeningen van de aanlegfase blijkt dat er geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j op de omliggende Natura 2000-gebieden. Er zijn daardoor geen nadelige milieueffecten te verwachten op de omliggende Natura 2000-gebieden. Geconcludeerd wordt dat door de aanlegfase de nu gehanteerde grenswaarde van de stikstofdepositie van 0,00 mol/ha/j niet wordt overschreden. Er is geen sprake van een significante verslechtering van Natura 2000-gebieden door de aanlegfase van het plan. Gebruiksfase Aerius Uit de berekeningen van de gebruiksfase blijkt dat er geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j op de omliggende Natura 2000-gebieden. Er zijn daardoor geen nadelige milieueffecten te verwachten op de omliggende Natura 2000-gebieden.

Geconcludeerd wordt dat door de gebruiksfase de nu gehanteerde grenswaarde van de stikstofdepositie van 0,00 mol/ha/j niet wordt overschreden. Er is geen sprake van een significante verslechtering van Natura 2000-gebieden door de gebruiksfase van het plan.

51 ROC.P2018.316.T

Conclusie Geconcludeerd wordt dat zowel voor de aanlegfase als voor de gebruiksfase blijkt dat de nu gehanteerde grenswaarde van de stikstofdepositie van 0,00 mol/ha/j niet wordt overschreden. Er zijn geen belemmeringen voor het aspect stikstof voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase. Er is geen vergunning ten behoeve van de Wet natuurbescherming nodig.

4.8 Externe veiligheid In onderstaande figuur is de ligging van het plangebied weergegeven met een blauwe ster. In de nabijheid van het plan zijn geen risicovolle inrichtingen of buisleidingen gelegen.

Volgens het rapport vervoer gevaarlijke stoffen Bernheze worden over de weg Weijen gevaarlijke stoffen uit de categorie GF3 vervoerd. Deze stoffen hebben een invloedsgrens van 355 meter. De planlocatie ligt op circa 280 meter afstand van deze weg en ligt dus binnen het invloedsgebied van deze transportroute. Conform artikel 7 Bevt (Besluit externe veiligheid transportroutes) dient het groepsrisico (beperkt) verantwoord te worden. Conform artikel 9 Bevt dient de Veiligheidsregio om advies te worden gevraagd. Voor het groepsrisico zijn de vuistregels uit de Handleiding Risicoanalyse Transport (HaRT)9 toegepast. Vanwege de transportfrequentie van GF3 dat minder is dan 500 is er geen overschrijding van de oriëntatiewaarde voor een tweezijdige bebouwing. Tevens wordt de 52 ROC.P2018.316.T

drempelwaarde van GF3 vervoer voor de overschrijding van 10% van de oriëntatiewaarde niet overschreden. Een kwantitatieve risicoanalyse ten gevolge van de lokale transportroute Weijen is derhalve niet noodzakelijk. Wel dient een beperkte verantwoording van het groepsrisico te worden gegeven (zie hierna onder “Beperkte verantwoording van het groepsrisico”). Beleid Beleidsvisie externe veiligheid De gemeente Bernheze beschikt over een beleidsvisie externe veiligheid (2008). Hierin wordt invulling gegeven aan de gemeentelijke omgang met externe veiligheid. De beleidsvisie bevat geen gebiedstypering of uitgangspunten die gehanteerd kunnen worden voor de verantwoording van het groepsrisico. Toetsing Beleidsvisie externe veiligheid: Toetsing van het plan aan de voorwaarden uit de beleidsvisie externe veiligheid van de gemeente geeft geen belemmeringen voor het plan. Conclusie Beleidsvisie externe veiligheid: Het aspect externe veiligheid is geen belemmering voor het plan. Wet- en regelgeving Externe veiligheid heeft betrekking op het vervoer en transport van gevaarlijke stoffen en bedrijven die werken met gevaarlijke stoffen. Het vervoer van gevaarlijke stoffen wordt geregeld in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de Regeling basisnet. Het transport door buisleidingen is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).

Het werken/verhandelen van gevaarlijke stoffen is geregeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Voor externe veiligheid staan twee begrippen centraal: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Hieronder worden beide begrippen verder uitgelegd. Plaatsgebonden Risico Het plaatsgebonden risico geeft de kans om te overlijden op een bepaalde plaats als gevolg van een ongeval bij een risicovolle activiteit. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die de hele tijd op die plaats aanwezig is. Voor het plaatsgebonden risico geldt dat er geen nieuwe kwetsbare objecten aanwezig zijn of geprojecteerd worden binnen de 10-6/jaarcontour (wettelijk harde norm). Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6/jaar-contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Voor de definitie van de begrippen kwetsbare, en beperkt kwetsbare objecten wordt verwezen naar het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en Bevb. 53 ROC.P2018.316.T

Groepsrisico Het groepsrisico geeft de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het groepsrisico is een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het groepsrisico wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico is voorzien van een oriëntatiewaarde, die gesteld is op F∙N2 < 10-2 per jaar, waarin F de kans per jaar is met N het aantal slachtoffers.

Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en Regeling Basisnet Vervoer van gevaarlijke stoffen vindt plaats over het spoor, de weg en het water. Om gevaarlijke stoffen te vervoeren moeten vervoerders zich houden aan veiligheidseisen. Aan transportroutes en de omgeving nabij deze transportroutes zijn eisen gesteld. Het Basisnet maakt het mogelijk dat het vervoer van gevaarlijke stoffen blijft plaatsvinden op een zo veilig mogelijke manier. Het Basisnet is een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Binnen bepaalde grenzen wordt dit vervoer over weg, binnenwater en spoor gegarandeerd. Het Basisnet heeft betrekking op de Rijksinfrastructuur: hoofdwegen (snelwegen), hoofdwaterwegen (binnenwateren) en hoofdspoorwegen (enkele uitzonderingen daargelaten) en heeft als doel een evenwicht voor de lange termijn te creëren tussen de belangen van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de hoofdwegen, binnenwateren en de hoofdspoorwegen en de bebouwde omgeving die hier langs ligt en de veiligheid van omwonenden.

54 ROC.P2018.316.T

Het Basisnet stelt verder regels aan het vaststellen en beheersen van de risico's voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (vervoerskant). Het Bevt bevat de uitwerking van de ruimtelijke component van het basisnet. Doel van dit besluit is waarborgen van een basisbeschermingsniveau door te voorkomen dat bij ruimtelijke ontwikkelingen mensen worden blootgesteld aan een hoger risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen dan maatschappelijk aanvaardbaar wordt geacht. Verder bevat het besluit onder andere regels die strekken tot het inzichtelijk maken van de kans op een ramp met veel slachtoffers en het op een transparante wijze wegen van het risico ten opzichte van toe te laten ruimtelijke ontwikkelingen. Het Bevt sluit aan op de risicobegrippen zoals deze in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden gehanteerd. Voor het plaatsgebonden risico (PR) wordt een kans op overlijden van 1 op de 1 miljoen per jaar acceptabel geacht. Concreet betekent dit dat rondom (vaar-)wegen of hoofdspoorwegen een 10-6/jr plaatsgebonden risicocontour zal moeten worden berekend en dat bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen het invloedsgebied van een leiding het groepsrisico (GR) dient te worden verantwoord. Verantwoordingsplicht In het Bevt is een verplichting tot verantwoording van het groepsrisico opgenomen.

Bij deze verantwoordingsplicht dient het bevoegd gezag op een juiste wijze de toename en ligging van het groepsrisico te verantwoorden en te onderbouwen. Daarbij geeft het bevoegd gezag aan of het groepsrisico in de betreffende situatie aanvaardbaar wordt geacht. De verantwoordingsplicht van het groepsrisico dient rekening te houden met de hoogte van het groepsrisico. Bij de verantwoording van het groepsrisico dient het bevoegd gezag het plan voor te leggen bij de veiligheidsregio. Volgens het Bevt kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico indien • het groepsrisico niet hoger is dan 0,1 x de oriëntatiewaarde waarde, of • het groepsrisico niet meer dan 10% toeneemt en de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden. In de toelichting bij een bestemmingsplan wordt, voor zover het gebied waarop dat plan betrekking heeft binnen het invloedsgebied ligt van een weg, spoorweg of binnenwater waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd, in elk geval ingegaan op: a. de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg, spoorweg of dat binnenwater, en

55 ROC.P2018.316.T

b. voor zover dat plan betrekking heeft op nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten: de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op die weg, spoorweg of dat binnenwater een ramp voordoet. Indien een bestemmingsplan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 meter van een transportroute, wordt in de toelichting bij dat plan tevens ingegaan: • de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waar-op het plan wordt vastgesteld, rekening houdend met de in dat gebied reeds aanwezige personen en de personen die in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan of de geldende bestemmingsplannen redelijkerwijs te verwachten zijn, en • de als gevolg van het bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft; • het groepsrisico op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld en de bijdrage van de in dat plan of besluit toegelaten kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten aan de hoogte van het groepsrisico, vergeleken met de oriëntatiewaarde; • de maatregelen ter beperking van het groepsrisico die bij de voorbereiding van het plan zijn overwogen en de in dat plan of die vergunning opgenomen maatregelen, waaronder de stedenbouwkundige opzet en voorzieningen met betrekking tot de

inrichting van de openbare ruimte, en • de mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico en de voor- en nadelen daarvan. Beperkte verantwoording van het groepsrisico Het plan voorziet in de realisatie van een woning aan de Hoogbroeksesteeg. De verantwoording zal gericht zijn op mogelijkheden ter bestrijding van calamiteiten en zelfredzaamheid. Mogelijke scenario’s Explosie In geval van een explosie volgens het principe van een warme of koude BLEVE zal de vuurbal en drukgolf ter plaatse van de woning leiden tot afbladdering van verf en ernstige verkleuringen. Door de relatief grote afstand tussen de lokale transportroute ‘Weijen’ en het plangebied en het geringe aantal vervoersbewegingen is de kans op slachtoffers in het plangebied zeer klein. Bij een BLEVE op grotere afstand kan binnen worden geschuild.

56 ROC.P2018.316.T

Zelfredzaamheid De zelfredzaamheid van aanwezigen binnen het plangebied wordt als goed beoordeeld. Omdat het plangebied niet zal worden bestemd voor mensen die niet- of verminderd zelfredzaam zijn mag worden verondersteld dat de zelfredzaamheid van de aanwezige personen goed te noemen is. Bewoners zullen via het waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS) zoals NL-Alert worden gealarmeerd om conform de instructies te reageren. Bestrijdbaarheid Hulpdiensten kunnen binnen de gewenste aanrijtijd ter plaatse zijn. Het plan is vanaf de brandweerpost aan de Heescheweg binnen 3 minuten bereikbaar. De bestrijdbaarheid van een BLEVE is matig. De brandweer zal om deze reden defensief optreden en zal de eerste aandacht zich richten op het ontruimen van de omgeving. Het plangebied is bereikbaar over twee verschillende routes vanuit tegengestelde windstreken via de Donzel en de Hoogbroeksesteeg. Advies Het plan is voor advies voorgelegd aan de Veiligheidsregio Brabant Noord. Op 10 juli heeft de Veiligheidsregio advies uitgebracht. Het advies is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Conclusie is dat de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid niet negatief worden beïnvloed. Er bestaat vanuit externe veiligheid geen bezwaar tegen de gewenste ontwikkeling en er is geen reden voor nader advies. Conclusie De veiligheid ter plaatse van het plan is onderzocht aan de hand van de Risicokaart.

In de directe omgeving van het plan worden geen verhoogde risico’s waargenomen met betrekking tot de veiligheid. Het aspect externe veiligheid zal geen belemmering veroorzaken.

4.9 Bedrijven en milieuzonering Algemeen Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzoneringen van bestaande en toekomstige bedrijven om zodoende de kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. 57 ROC.P2018.316.T

Hiervoor wordt in het algemeen gebruikt gemaakt van de categorie-indeling op basis van de VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering" uit 2012. In deze brochure worden richtafstanden gegeven van functies op o.a. gevoelige bestemmingen. Deze brochure kan ook omgekeerd worden toegepast. De bestaande bedrijven hebben invloed tot op een bepaalde afstand. Indien binnen die afstand de gevoeligheid verandert, heeft dat invloed op een bestaand bedrijf. In het kader dit onderzoek wordt bezien welke bedrijven in de omgeving aanwezig zijn wiens invloedgebied reikt tot de nieuwe gevoelige bestemmingen. Voor zover dit van toepassing is dient vervolgens bezien te worden welke invloed er te verwachten is. De bevindingen voor wat betreft de milieuzonering zijn hieronder opgenomen.

Uit bovenstaande afbeelding blijkt, dat er op enige afstand van de onderzoekslocatie een agrarisch bedrijf (aanduiding IV) is gelegen: Donzel 27. Voor het aspect geur (grootste afstandsnorm volgend de VNG-Brochure) heeft Econsultancy separaat onderzoek gedaan. Zie hiervoor hoofdstuk 4.9 van deze toelichting. De conclusie voor het aspect geur is dat voor de realisatie van het plan geen beperkingen gelden. Ter plaatse van de geurgevoelige locatie wordt voldaan aan de Wet geurhinder en veehouderijen, de gemeentelijke verordening en de beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen 58 ROC.P2018.316.T

en geurhinder van Bernheze. De bestaande veehouderijen worden door de realisatie van het plan niet beperkt. Conform de beleidsregel kan geconcludeerd worden dat het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plan voldoende is. De bedrijvigheid van Donzel 27 (varkenshouderij) heeft volgens de VNG-brochure met betrekking tot geluid een richtafstand van 50 meter. De bebouwing van de nieuwe woning komt op een grotere afstand dan 50 meter (ruim 100 meter) van de dichtstbijzijnde bouwmogelijkheid van het varkensbedrijf te liggen. De nieuwe woning zal dit bedrijf derhalve niet belemmeren en andersom zal het bedrijf geen hinder veroorzaken richting de initiatieflocatie, waardoor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is gewaarborgd. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling zal in de nabijheid gelegen bedrijven niet belemmeren in hun bedrijfsvoering en andersom geen hinder ondervinden van de bedrijven, waardoor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is gewaarborgd.

4.10 Geurhinder Toetsingskader Het toetsingskader voor het geuronderzoek wordt gevormd door de Wet geurhinder en veehouderij. Het bevoegd gezag, de gemeenteraad van Bernheze, heeft aanvullend een geurverordening en een beleidsregel opgesteld. Voor het plan moet worden bepaald of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Hiertoe moeten de gevolgen van een project voor zowel het recht van de bestaande veehouderijen als de milieukwaliteit van de toekomstige woning middels een geuronderzoek inzichtelijk worden gemaakt. Van belang is dat de (toekomstige) bedrijfsvoeringen van de bestaande veehouderijen door de realisatie van een geurgevoelig object niet worden beperkt. Econsultancy heeft een onderzoek ‘Geurhinder en veehouderijen’ uitgevoerd. De rapportage, d.d. 4 oktober 2019, rapportnummer 84984.006, is integraal als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting, onder andere als gevolg van emissies door veehouderijen. Gemeenten mogen bij verordening van de wettelijke normen afwijken binnen de grenzen geformuleerd in artikel 3 en 6 van de Wet geurhinder en veehouderij.

59 ROC.P2018.316.T

Voor het geuronderzoek wordt onderscheid gemaakt tussen de ligging binnen of buiten concentratiegebieden en de bebouwde kom. De gemeente Bernheze is conform bijlage 1 van de Meststoffenwet gelegen binnen concentratiegebied II. Het geurgevoelige object is gelegen binnen de bebouwde kom van Nistelrode. Geurverordening De gemeente Bernheze heeft op 12 december 2013 een ‘Verordening Geurhinder en Veehouderij gemeente Bernheze 2013’ en een ‘Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder gemeente Bernheze 2013’ vastgesteld. In de verordening en de beleidsregel zijn voor een aantal gebieden afwijkende afstandswaarden en geurnormen gedefinieerd. In onderstaande afbeelding is de situering van het plan binnen de vastgestelde gebieden weergegeven.

Het plan valt in het gebied ‘bestaande woongebieden’. Voor dit gebied geldt een maximale waarde voor de voorgrondbelasting van een veehouderij van 3 ouE/m³. In de Beleidsregel is de beoordeling van de gecumuleerde geurbelasting (achtergrondbelasting) van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat opgenomen. Voor de bebouwde kom, woonkernen en nieuwe woongebieden is dit gesteld op 13 ouE/m3. In de Verordening Ruimte Noord Brabant is voor de bebouwde kom een geurnorm van 10 ouE/m3 voor de achtergrondbelasting opgenomen. Voor de minimaal te hanteren afstand van een geurgevoelig object tot een veehouderij tevens een norm vastgesteld in de gemeentelijke geurverordening. 60 ROC.P2018.316.T

De afstand tussen een geurgevoelig object en een veehouderij waarvoor op grond van de Wet geen geuremissiefactor is vastgelegd, dient ten minste 50 meter te zijn indien het geurgevoelig object binnen de bebouwde kom ligt, en binnen het gebied zoals aangeduid op de bij de geurverordening behorende kaart. Deze kaart ‘Kaart B halvering vaste afstanden’ is voor het plan weergegeven in onderstaande figuur. Het plan valt binnen het gebied ‘bebouwde kommen; woon-werk ontwikkelingsgebieden’. Een minimale afstand van 50 meter dient dus gehanteerd te worden.

Geurgevoelige locaties en beoordeling afstandsnormen In onderstaande figuur is de situering van het plan schematisch weergegeven met de bijbehorende meetpunten (geel). Het beoogde bouwvlak is weergegeven met het blauwe vlak. Tevens is de minimaal te hanteren afstand van 50 meter van het geurgevoelig object weergegeven door het groene kader.

61 ROC.P2018.316.T

Het plan zal, ten gevolge van de huidige aanwezige woningen aan de Donzel en de Hoogbroeksesteeg, niet leiden tot een verkleining van de afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object. Binnen een afstand van 50 meter van het plan is geen veehouderij gesitueerd waarvoor op grond van de Wet geen geuremissiefactor is vastgesteld. Aan de minimaal te hanteren afstand conform de Verordening Geurhinder en Veehouderij gemeente Bernheze 2013 wordt met het plan voldaan. BEREKENINGSRESULTATEN EN TOETSING Om inzicht te krijgen in de mate van geurhinder ter plaatse van de toekomstige woning is zowel de voorgrond- als de achtergrondbelasting berekend met respectievelijk V-Stacks vergunning en gebied (versie 2010.1). De voorgrondbelasting ter plaatse van een geurgevoelig object is de geurbelasting die wordt veroorzaakt door de voor dat geurgevoelig object dominante veehouderij. De achtergrondbelasting is de totale geurbelasting ter plaatse van een geurgevoelig object veroorzaakt door alle veehouderijen in de omgeving. Voorgrondbelasting Met behulp van het programma V-stacks vergunning is de voorgrondbelasting berekend op het plangebied. De volledige berekening is in bijlage 2 bij de rapportage opgenomen. De coördinaten van de emissiepunten van de veehouderij aan de Donzel 27 zijn verkregen uit de tekeningen van de vigerende vergunning. 62 ROC.P2018.316.T

Voor de overige veehouderijen is uitgegaan van het meest bepalende punt op de rand van het bouwblok. In onderstaande tabel zijn de veehouderijen met een maximale voorgrondbelasting van meer dan 1,0 ouE/m³ weergegeven.

Op basis van de berekende voorgrondbelastingen wordt geconcludeerd dat er op de nieuwbouwwoning een overschrijding van de geurnorm van 3,0 ouE/m³ plaatsvindt ten gevolge van de veehouderij aan de Donzel 27. De maximale geurbelasting bedraagt 4,5 ouE/m³. Voor de realisatie van het plan dient te worden aangetoond dat de nieuwbouwwoning de veehouderij welke zorgt voor de overschrijding niet wordt beperkt in zijn bedrijfsvoering. De veehouderij aan de Donzel 27 zal niet beperkt worden door de nieuwbouwwoning aan de Hoogbroeksesteeg (achter Donzel 21). De berekende voorgrondbelasting op de geurgevoelige bestemming aan de Donzel 21 is hoger dan de berekende geurbelasting op de te realiseren woning. De geurbelasting op de bestaande woning is 4,6 ouE/m³ waar tevens de geurnorm van 3,0 ouE/m³ geldt. In de bestaande situatie vinden er al overschrijdingen plaats. Wanneer de veehouderij aan de Donzel 27 zijn bedrijfsvoering wil uitbreiden zal het geurgevoelig object aan de Donzel 21 maatgevend zijn. Het te realiseren plan aan de Hoogbroeksesteeg zal de omliggende veehouderijen niet beperken. Voor een ruimtelijk initiatief dient tevens aangetoond te worden dat er een acceptabel woon- en leefklimaat gerealiseerd kan worden ter hoogte van het plan. Hierbij wordt uitgegaan van de cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) ten gevolge van alle veehouderijen in de omgeving.

Achtergrondbelasting Met behulp van het programma V-stacks gebied is de achtergrondbelasting berekend. In onderstaande tabel is de achtergrondbelasting op de nieuwbouwwoning inzichtelijk gemaakt.

63 ROC.P2018.316.T

De achtergrondbelasting varieert ter plaatse van het plan van 8,04 tot 8,82 ouE/m³. De achtergrondbelasting is daarmee ruim lager dan de in de beleidsregel genoemde toetswaarde van 13 ouE/m³. Op basis van de beleidsregel wordt de achtergrondbelasting op de nieuwbouwwoning geclassificeerd als voldoende. Ter plaatse van het plan heerst een acceptabel woon- en leefklimaat. Het percentage geurgehinderden blijft beperkt tot 11,3%. Op basis van het percentage geurgehinderden en de GGD-richtlijn kan gesteld worden dat de milieukwaliteit ten gevolge van de gezamenlijke veehouderijen redelijk goed zal zijn. Conform de Verordening Ruimte Noord Brabant dient de achtergrondbelasting binnen de bebouwde kom beneden 10 ouE/m³ te blijven. Met een achtergrondbelasting van maximaal 8,82 ouE/m³ wordt ter plekke van het plangebied aan deze geurnorm voldaan. Voor de directe omgeving van het plan zijn op basis van de berekende geurbelastingen contouren vastgesteld. In onderstaande figuur zijn de 98-percentiel contouren van de achtergrondbelasting ten gevolge van de gezamenlijke veehouderijen weergegeven.

64 ROC.P2018.316.T

Conclusie Op basis van het geuronderzoek wordt geconcludeerd dat voor de realisatie van het plan geen beperkingen gelden. Met het plan worden de omliggende veehouderijen niet verder beperkt. Tevens heerst er ter plaatse van de geurgevoelige locatie een acceptabel woon- en leefklimaat. Aan de Wet geurhinder en veehouderijen, de gemeentelijke verordening en de beleidsregel wordt met het plan voldaan.

4.11 Volksgezondheid in relatie tot veehouderijen Algemeen In de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 (versie mei 2018) is een stappenplan opgenomen om te beoordelen of er knelpunten worden gevonden voor een bestemmingsplan en of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. Dit stappenplan is voor het te realiseren plan doorlopen. Endotoxinen Een veehouderij kan ten gevolge van blootstelling aan endotoxinen een effect hebben op de volksgezondheid. Endotoxinen zijn celwandresten van bacteriën die met name op de luchtwegen werken. Voor de beoordeling van endotoxinen is geen wettelijk kader vastgesteld. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt een door de Gezondheidsraad voorgestelde advieswaarde van 30 EU/m³ gehanteerd. Afstanden, waarbinnen deze advieswaarde wordt overschreden, zijn te berekenen door middel van het endotoxine-toetsingskader. Omdat endotoxinen zich met (fijn)stofdeeltjes naar de omgeving verspreiden, zijn in het toetsingskader voor veehouderijen met vleeskuikens, legkippen en vleesvarkens op basis van de fijnstofemissie afstanden bepaald die een te hoge blootstelling aan endotoxinen zullen voorkomen. Wat betreft mogelijke cumulatieve effecten wordt in het toetsingskader endotoxinen bij de beoordeling van individuele initiatieven een omgevingsbewuste benadering geadviseerd.

Zoals te zien in onderstaande figuur ligt het plangebied buiten de richtafstanden die aangehouden moeten worden rondom de varkens- en pluimveehouderijen in de omgeving.

65 ROC.P2018.316.T

De maximale fijnstofemissie ten gevolge van de dichtstbijzijnde veehouderij ten noorden van het plan bedraagt 169 kg/jaar. Dit betreft een veehouderij waar (vlees)varkens gehouden worden. Uit het ‘Endotoxine toetsingskader 1.0’ blijkt dat de afstand waar binnen de 30 EU/m3 overschreden zal worden 76 meter bedraagt. De afstand tussen de nieuwe woning en het dichtstbijzijnde emissiepunt is 124 meter. Er wordt ruim voldaan aan de te hanteren afstand van 76 meter. Andere veehouderijen met relevante fijnstofemissies zijn gelegen op meer dan 1 km afstand van het plangebied. Cumulatie van de omliggende veehouderijen zal hierdoor niet zorgen voor een verhoogd gezondheidsrisico. De advieswaarde van 30 EU/m³ zal niet worden overschreden, er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten gevolge van endotoxinen. Emissies De realisatie van een enkele woning zal niet leiden tot relevante emissies van geur, fijnstof of ammoniak. Geur, aanvaardbaarheid woon-/leefklimaat (Zie hoofdstuk 4.10). Geconcludeerd wordt dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat en er wordt voldaan aan de minimaal te hanteren afstand. Daarnaast levert het plan geen onevenredige belemmeringen op voor de veehouderijen in de omgeving. Aanvullend dient er toetsing plaats te vinden aan de gezondheidskundige advieswaarden die de GGD hanteert in de handreiking.

Binnen de bebouwde kom wordt voor de voorgrondbelasting een advies-waarde van 2 ouE/m3 gehanteerd. Voor de achtergrondbelasting een waarde van 5 ouE/m3. Uit het geuronderzoek blijkt dat beide advieswaarden worden overschreden voor de nieuwe woning. Op basis van het onderdeel geur, aanvaardbaarheid woon/leefklimaat moet mogelijk een GGD advies overwogen worden. 66 ROC.P2018.316.T

Veehouderij met meerdere diersoorten Binnen 100 meter van het plangebied liggen geen varkensbedrijven of pluimveebedrijven. Tevens zijn er geen bedrijven gelegen welke een combinatie van dieren bevat zoals aangegeven in de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0. Afstand t.o.v. geitenhouderij en/of pluimveebedrijven Binnen een straal van 1 kilometer rond het plan liggen geen pluimveebedrijven. Uit het recente onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO-3)6, uitgevoerd door het RIVM is tevens gebleken dat er geen sprake meer is van een statistisch significante associatie tussen een verhoogd risico op longontsteking en het wonen in de buurt van een pluimveehouderij. Met betrekking tot geitenhouderijen bevestigt het VGO-3 het vastgestelde verhoogde risico uit eerdere studies. Binnen een straal van circa 2 kilometer rond geitenhouderijen is sprake van een verhoogd risico op longontsteking. Binnen een afstand van 2 kilometer van het plan liggen geen geitenhouderijen en worden geen verhoogde risico’s verwacht met betrekking tot de volksgezondheid. Mestbewerking of mestverwerking Het plan betreft de bouw van een woning. Er zal geen mest bewerkt of verwerkt worden. In de omgeving van het plan zijn geen bedrijven gelegen waar mestbewerking/verwerking voorkomt.

Ongerustheid volksgezondheid omwonenden Voor zover bij ons bekend is er in de omgeving van het plan geen ongerustheid bij de omwonenden omtrent het aspect volksgezondheid. Conclusie Na het doorlopen van het stappenplan kan worden geconcludeerd dat er uitsluitend voor het onderdeel “Geur, aanvaardbaarheid woon-/leefklimaat” een eventueel advies opgevraagd kan worden bij de GGD. Voor de overige aspecten is dit niet aan de orde.

4.12 Spuitzones gewasbescherming Drift van gewasbeschermingsmiddelen (het verplaatsen van spuitvloeistof ten gevolge van luchtstromen) vindt plaats bij land- en tuinbouw. Voor de bescherming van gevoelige functies bestaat geen wettelijk kader, maar wordt een zogenaamde spuitzone van 50 meter rondom fruitteelt en akkerbouw gehanteerd. Bij fruitteelt komt er aanzienlijk meer drift vrij dan bij akkerbouw of lage bomenteelt7. Dit komt doordat de bomen bij fruitteelt vaak opwaarts en zijwaarts bespoten worden. 67 ROC.P2018.316.T

Bij akkerbouw zijn de spuiten meer omlaag gericht en hebben de beschermingsmiddelen minder kans om zich door de lucht te verspreiden. Hierdoor is het vooral belangrijk om afstand te bewaren tussen gevoelige objecten en boomgaarden. Conclusie In een straal van 50 meter van het plangebied zijn geen fruitboomgaarden, of andere gewassen waar gewasbescherming noodzakelijk is, aanwezig. Met betrekking tot de drift van gewasbeschermingsmiddelen wordt verondersteld dat er geen belemmeringen gelden voor het plan.

4.13 Hoogspanningslijnen Bij het opstellen van ruimtelijke plannen moet rekening worden gehouden met de magneetvelden van bovengrondse hoogspanningslijnen. Het beleid voor bovengrondse hoogspanningslijnen is gebaseerd op het voorzorgprincipe. Bij het opstellen van een bestemmingsplan kan het daarom soms noodzakelijk zijn een bepaalde afstand vrij te houden tussen gevoelige bestemmingen en bovengrondse hoogspanningslijnen. De internationale norm is dat voorkomen moet worden dat burgers worden blootgesteld aan magneetvelden van meer dan 100 μTesla. Deze norm wordt in Nederland op maaiveldniveau nergens overschreden. Aanvullend hierop adviseert het rijk, vanuit het voorzorgprincipe, om zoveel als mogelijk te voorkomen dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen tot 15 jaar langdurig worden blootgesteld aan magneetvelden van meer dan 0,4 μTesla. Conclusie De dichtstbijzijnde relevante hoogspanningslijn met een spanning van 150 kV ligt op 1,2 kilometer afstand van het plan. Voor de hoogspanningslijn wordt door het RIVM een indicatieve zone van 2 x 60 meter gehanteerd. Er is geen sprake van relevante magneetvelden ten gevolge van bovengrondse hoogspanningslijnen.

4.14 M.e.r.-beoordeling Besluit milieueffectrapportage Een milieueffectrapportage (m.e.r.) heeft als doel om negatieve milieueffecten van activiteiten bij plannen en besluiten af te wegen. De verplichting voor het opstellen van een m.e.r. is vastgelegd in de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. Een activiteit kan volgens het Besluit m.e.r.-(beoordelings)plichtig zijn wanneer: • conform onderdeel C en D sprake is van een activiteit groter dan de drempelwaarden en waarbij het plan of besluit is opgenomen in respectievelijk kolom 3 en 4; 68 ROC.P2018.316.T

• •

een passende beoordeling in het kader van de Wet natuurbescherming van toepassing is; deze zijn opgenomen in een provinciale verordening;

Voor activiteiten waar geen sprake is van een overschrijding van drempelwaarden uit onderdeel D geldt een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Bij een vormvrije m.e.r.-beoordeling dient de EEG-richtlijn milieubeoordeling te worden gehanteerd om uit te sluiten dat er sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. De eventuele beoordelingsplicht kan getoetst worden aan de hand van de criteria in bijlage III van de richtlijn. Voor activiteiten die niet zijn opgenomen in het besluit geldt geen m.e.r.-(beoordelings)plicht. Beoordeling Met het plan wordt één nieuwbouwwoning mogelijk gemaakt. Het realiseren van een woning valt onder onderdeel D (Stedelijke ontwikkeling, categorie D.11.2) van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Aangezien het gaat om het realiseren van slechts 1 woning, wordt dit niet gezien als een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. Een aanmeldnotitie is derhalve niet noodzakelijk. Naast een beoordeling conform het Besluit m.e.r. dient de EEG-richtlijn in acht te worden genomen. Het plan ligt niet in of nabij een gevoelig gebied. Een belangrijk nadelig milieugevolg kan gezien de kenmerken, de situering van het plan en de in de notitie opgenomen milieueffecten, worden uitgesloten. Geconcludeerd wordt dat een m.e.r.beoordeling voor het plan niet aan de orde is.

Conclusie Zoals beschreven in de voorafgaande alinea’s zijn er geen 'belangrijke nadelige milieugevolgen’ te verwachten en daarom wordt een m.e.r.-beoordeling niet noodzakelijk geacht.

69 ROC.P2018.316.T

HOOFDSTUK 5 JURIDISCHE PLANBESCHRIJVING 5.1 Inleiding Een bestemmingsplan/wijzigingsplan is een zogenaamd bindend plan. Dat wil zeggen dat het bindend is voor zowel de overheid als voor de burgers. Regels (voorschriften) en verbeelding (de plankaart) zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. De toelichting is niet juridisch bindend, maar moet zoals de naam al zegt worden gezien als een nadere toelichting op de regels en de verbeelding. Bovendien geeft het inzicht in de afweging die tot het bepalen van de bestemmingen heeft geleid.

5.2 Toelichting verbeelding De verbeelding is getekend op een kadastrale ondergrond, schaal 1:1.000. Op de verbeelding is een aantal bestemmingen (Wonen en Tuin) en aanduidingen (Bouwvlak, bouwaanduiding vrijstaand en maatvoering) opgenomen. Daarnaast is voor een deel van het plangebied een tweetal aanduidingen opgenomen in verband met de wijziging van de grenzen van gemengd landelijk gebied en bestaand stedelijk gebied (verordening Ruimte): “in Verordening Ruimte toe te voegen bestaand stedelijk gebied” en “in verordening Ruimte te verwijderen gemengd landelijk gebied”.

5.3 Toelichting regels De planregels zijn verdeeld in vier hoofdstukken. • Hoofdstuk 1 geeft de inleidende regels met de begrippen en de wijze van meten. • In hoofdstuk 2 zijn de bestemmingsplanregels weergegeven. In dit hoofdstuk worden de op de verbeelding opgenomen bestemmingen geregeld. • In hoofdstuk 3 zijn algemene regels opgenomen waaronder de antidubbeltelbepaling en algemene regels voor afwijken bij omgevingsvergunning. • In hoofdstuk 4 zijn de overgangsregels en is de slotregel opgenomen. Een bestemmingsartikel is als volgt opgebouwd: - Bestemmingsomschrijving - Bouwregels - Nadere eisen - Afwijking van de bouwregels 70 ROC.P2018.316.T

-

Specifieke gebruiksregels Afwijking van de gebruiksregels Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Wijzigingsbevoegdheden

5.4 Toelichting bestemmingen 5.4.1 Wonen en Tuin De bestemmingen Wonen en Tuin zijn toegekend aan het plangebied met de daarbij behorende tuin en erf. Hierbij is aangegeven dat uitsluitend een woningtype ‘vrijstaand’ is toegestaan. Aan huis verbonden beroepen zijn ook toegestaan. In de bouwregels wordt een onderscheid gemaakt tussen hoofdgebouw, bijgebouwen en carports. Deze begrippen worden nader omschreven in artikel 1 Begrippen. Het hoofdgebouw moet worden gebouwd binnen het bouwvlak. De bijgebouwen mogen ook daarbuiten staan, maar moeten wel voldoen aan diverse situeringseisen. Ook zijn diverse hoogte- en oppervlaktematen voorgeschreven.

71 ROC.P2018.316.T

HOOFDSTUK 6 UITVOERBAARHEID 6.1 Economische uitvoerbaarheid De realisering van onderhavige bouwlocatie is een particulier initiatief. De aanleg en de exploitatie ervan, zullen voor de gemeente Bernheze geen negatieve financiële gevolgen hebben. De kosten van het plan komen geheel voor rekening van de particulier. De initiatiefnemers zijn zich ervan bewust dat alle kosten die gemaakt worden in of ten behoeve van de procedure en de uitvoering voor rekening van de initiatiefnemers komen. Dit betreft onder meer de kosten voor de benodigde onderzoeken, de kosten voor het opstellen het bestemmingsplan en de legeskosten die voldaan dienen te worden. Met de initiatiefnemers zal een planschadeverhaalsovereenkomst worden gesloten. Eventuele kosten als gevolg van aanpassingen in het openbaar gebied zullen via de legesverordening worden verrekend. Een anterieure overeenkomst behoeft derhalve niet te worden gesloten. Conclusie Het plan is financieel uitvoerbaar.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Het bestemmingsplan zal de wettelijke procedure doorlopen en conform de wettelijke vereisten kenbaar worden gemaakt. Voorafgaand aan de wettelijke procedure heeft initiatiefnemer informeel overleg gevoerd met de directe omwonenden. Uit dit overleg is duidelijk geworden dat de omgeving overwegend positief staat tegenover het initiatief.

72 ROC.P2018.316.T

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Bernheze&id=c516c91f-df2d-445e-88ec-0746306e4cfb