Loo 37 - Toelichting BP
Tekst van het document
De dynamiek die dit oplevert is het kenmerk van het buitengebied in Bernheze. De verschillende ruimtelijke eenheden en functies zijn opgehangen aan het wegenpatroon. Dit wegenpatroon loopt soms slingerend met vele vertakkingen door het landschap. De inpassingen van bebouwing is binnen de kwaliteiten van het landschap mogelijk. Er dienen hier wel enkele ontwerpuitgangspunten gehanteerd te worden. Woningen bestaan uit een lage goot met grote kap. De perceelsgrenzen moeten groen zijn. Ondanks de verschillende landschapstypen zijn woningen altijd groen ingepakt. Dit levert de groene bebouwingsclusters en kernranden op. De bebouwingen spelen zo een rol in het groen afbakenen van de groene kamers. Verder hebben de woningen een landelijke uitstraling met vaak een agrarische achtergrond. Woningen worden gebouwd met natuurlijke materialen als baksteen, hout, pannen en riet. Omdat de Ruimte voor Ruimte woningen op
Toelichting bestemmingsplan, Loo 37, Nistelrode
24
grote percelen staan en een grote inhoudsmaat hebben en in een groene omgeving staan zijn er twee woningtypes mogelijk; dit zijn boerderijen en landhuizen. De inpassing van de beoogde Ruimte voor Ruimte woning is binnen de kwaliteiten van het landschap mogelijk. De beoogde Ruimte voor Ruimte woning zal door derden worden gerealiseerd. Er is op dit moment nog geen ontwerp van de woning voorhanden. De algemene en gebiedsgerichte ontwerprichtlijnen bieden voldoende kaders om te komen tot een passend bouwplan. Hieraan wordt getoetst bij de aanvraag om omgevingsvergunning. Omgevingsvisie Bernheze 2040 De gemeenteraad van de gemeente Bernheze heeft op 7 maart 2024 de Omgevingsvisie Bernheze 2040 vastgesteld. De omgevingsvisie Bernheze 2040 is een richtinggevende visie voor de fysieke leefomgeving. Nieuwe initiatieven worden getoetst op basis van deze omgevingsvisie. Met deze omgevingsvisie wil de gemeente de kwaliteit van de leefomgeving behouden en versterken. Daarvoor worden de volgende aanknopingspunten gehanteerd om slim met de ruimte om te gaan: - Kenmerken en identiteit van het gebied centraal stellen; - Meervoudig ruimtegebruik, waar het kan; - Voorkomen van afwenteling. De kern van de omgevingsvisie bestaat uit de uitwerking in vijf strategische thema’s. In deze uitwerking worden de opgaven vertaald naar ambities en doelen. De vijf thema’s zijn: - Gezonde leefomgeving.
Een gezonde leefomgeving bevordert de fysieke, sociale en mentale gezondheid van inwoners en nodigt uit tot activiteit voor jong en oud; - Leefbare kernen. Passende woningen, duurzame mobiliteit, veiligheid, voldoende voorzieningen en een levendige gemeenschap; - Klimaatbestendig en (herstel) biodiversiteit. Schoner water, herstel biodiversiteit, minder wateroverlast, droogte en hittestress; - Vitale en duurzame landbouw & economie. Gezondheid als randvoorwaarde, meer kringlooplandbouw, schone energie en circulaire economie; - Kwaliteit landschap & erfgoed. Versterken cultuurhistorie, beschermen en behouden landschappelijke waarden, kwaliteit openbare ruimte. De visie maakt onderscheid in drie deelgebieden. Onderhavige locatie ligt in het Peelhorstlandschap met de Maashorst als kenmerkend natuurgebied. De westgrens van de Peelhorst is de kenmerkende Peelrandbreuk met de wijstgronden. Onderhavige ontwikkeling voorziet in de herbestemming van een voormalige agrarische locatie. Het huidige gebruik, een kleinschalige statische opslagvoorziening, past niet binnen deze agrarische bestemming. De herontwikkeling ziet naast het gebruik van één van de voormalige stallen ten behoeve van statische opslag ook toe op sloop van bebouwing en de ontwikkeling van een bouwkavel voor de bouw van een Ruimte voor Ruimte woning.
De beoogde ontwikkeling is een voorbeeld van de transitie van agrarische bedrijvigheid in het Peelhorstlandschap en draagt bij aan de thema’s vitale en duurzame landbouw en economie en leefbare kernen. Ook wordt het plangebied landschappelijke ingepast waarbij rekening wordt gehouden met de aanwezige landschappelijke en natuurlijke waarden van het gebied. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan de kwaliteit van het landschap. Onderhavige ontwikkeling is passend in het gestelde beleid in de omgevingsvisie Bernheze 2040.
Toelichting bestemmingsplan, Loo 37, Nistelrode
25
HOOFDSTUK 4
4 4.1
Planologische en milieukundige aspecten BEDRIJVEN EN MILIEUZONERING Om te komen tot een ruimtelijk relevante toetsing van de wijziging van het bestemmingsplan op milieuhygiënische aspecten wordt het begrip milieuzonering gehanteerd. Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening gehouden te worden met milieuzoneringen om zodoende de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’. Richtafstandenlijsten Voor een scala aan milieubelastende activiteiten zijn richtafstanden aangegeven in de VNG-publicatie. De milieubelastende activiteiten zijn onderverdeeld in een zestal milieucategorieën. Daarbij omvat categorie 1 de lichtste en categorie 6 de zwaarste vormen van bedrijvigheid. In de lijsten wordt onderscheid gemaakt naar richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.
De grootste van deze vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie. De richtafstanden welke zijn opgenomen in de VNG-publicatie kunnen worden aangehouden om inzichtelijk te maken of er genoeg ruimte zit tussen bedrijven en gevoelige functies. Deze richtafstanden gelden tussen de grens van de bestemming die het bedrijf toelaat en de uiterste situering van de gevel van een woning (milieugevoelig object). Deze afstanden zijn gebaseerd op het omgevingstype ‘rustige woonwijk’ of ‘rustig buitengebied en kunnen als basis worden gehanteerd, maar zijn indicatief. In het geval een locatie gelegen is binnen een ‘gemengd gebied’ kunnen de richtafstanden met één stap worden verkleind. In dit geval is als uitgangspunt genomen dat het plangebied ligt in ‘rustig buitengebied’ In beginsel wordt aangesloten bij de richtafstanden om te bepalen of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Richtafstanden zijn indicatief, waardoor er in bepaalde omstandigheden vanaf geweken mag worden. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).
Op basis van de toetsing aan wet- en regelgeving (bijvoorbeeld de Wet geurhinder en veehouderij) of één of meerder onderzoeken, zoals een akoestisch onderzoek, kan dit onderbouwd worden. Ontvanger of bron? In het onderhavig plan wordt een kleinschalig niet-agrarisch bedrijf opgericht. Statische opslag betreft bedrijvigheid die ten hoogste valt in milieucategorie 2. Het bedrijf zelf is geen gevoelig object. Dat betekent dat niet beoordeeld hoeft te worden of het bedrijf als ‘ontvanger’ last kan ondervinden van milieucontouren van functies in de omgeving. De
Toelichting bestemmingsplan, Loo 37, Nistelrode
26
bijbehorende bedrijfswoning betreft wel een gevoelig object, echter niet ten opzichte van het bijbehorende bedrijf. Het bedrijf is wel aan te wijzen als een ‘bron’ van milieucontouren. Huidige situatie Ten aanzien van de (voormalig) in het plangebied uitgeoefende pluimveehouderij dienden de volgende richtafstanden te worden aangehouden: Omschrijving Fokken en houden van pluimvee
Afstanden in meters Geur Stof 200 30
Categorie Geluid 50
Gevaar 0
4.1
Figuur 4.1: Richtafstanden van milieubelastende activiteiten in de huidige situatie binnen het plangebied.
In de huidige situatie werd ter plaatse van de meest nabij gelegen woningen aan Loo (nummer 20, 21, 22, 24, 26, ong. naast 26, 31, 33 en 39 niet voldaan aan één of meerdere richtafstanden. Nieuwe situatie In de beoogde situatie wordt in het plangebied een bedrijf ten behoeve van statische opslag gerealiseerd. Ook dit betreffen bedrijfsactiviteiten waarbij rekening moet worden gehouden met gevoelige functies of objecten in de omgeving. Een bedrijf ten behoeve van statische opslag kan gecategoriseerd worden als een bedrijf van het type “opslaggebouwen (verhuur opslagruimte)” Hierop is milieucategorie 2 van toepassing en dienen de volgende richtafstanden te worden aangehouden: Omschrijving Opslaggebouwen (verhuur opslagruimte)
Afstanden in meters Geur Stof 0 0
Categorie Geluid 30
Gevaar 10
2
Figuur 4.2: Richtafstanden van milieubelastende activiteit in de nieuwe situatie binnen het plangebied.
Zoals blijkt uit bovenstaande tabel is de beoogde bedrijfsactiviteit minder belastend voor de omgeving dan de voormalige activiteiten. De aspecten geluid en gevaar zijn relevant waarbij richtafstanden van respectievelijk 30 en 10 meter gelden. De herbestemming zorgt voor een forse verbetering van het woon- en leefklimaat. In de directe omgeving van de planlocatie zijn diverse gevoelige objecten gelegen. De dichtstbijzijnde betreffen Loo 24, 26, 33, 39 en Loo ong. (naast 26). Ter plaatse van Loo 24, 33 en 39 wordt voldaan aan de richtafstand van 30 meter, waarmee kan worden aangenomen dat ter plaatse van deze gevoelige objecten het woon- en leefklimaat als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling aanvaardbaar is. Voor wat betreft Loo 26 en Loon ong. (naast 26) bedraagt de afstand respectievelijk circa 20 en 27 meter. Een deel van de oprit en een groenelement van Loo 37 liggen binnen de richtafstand van 30 meter. De bedrijfsactiviteiten vinden plaats op meer dan 30 meter afstand ten opzichte van deze woningen. Ter onderbouwing is een akoestisch onderzoek uitgevoerd waaruit blijkt dat voldaan wordt aan de gestelde grenswaarden ter plaatse van de gevoelige bestemmingen in de omgeving (zie paragraaf 4.4). Hiermee wordt aansluiting gezocht bij het stappenplan in bijlage 5.3 van de VNG-publicatie en de toetsingskaders van het milieuspoor gehanteerd.
De richtafstand van 10 meter voor het aspect gevaar vormt geen belemmering. Binnen 10 meter van de perceelsgrens bevinden zich geen gevoelige objecten en zijn geen planologische mogelijkheden om deze op te richten.
Toelichting bestemmingsplan, Loo 37, Nistelrode
27
Naast de genoemde gevoelige objecten dient ook ter plaatse van de beoogde Ruimte voor Ruimte woning sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Omdat hier niet voldaan wordt aan de gestelde richtafstand van 30 meter voor het aspect geluid ten opzichte van de bedrijvigheid bij Loo 37 wordt eveneens verwezen naar het akoestisch onderzoek waaruit blijkt dat wordt voldaan aan de gestelde grenswaarden (zie paragraaf 4.4). Naast de richtafstand voor geluid dient ook rekening gehouden te worden met de richtafstand voor gevaar. Deze richtafstand bedraagt 10 meter. Ter plaatse van de beoogde Ruimte voor Ruimte woning dient de afstand van de woning tot de zijdelingse perceelgrens ten minste 5 meter te bedragen. Het bouwvlak en bedrijfsgebouw ten behoeve van statisch opslag bevindt zich op meer dan 10 meter van de te realiseren woning. De opslag van goederen vindt dan ook plaats op voldoende afstand van de Ruimte voor Ruimte woning. Een deel van de verkeersbewegingen vindt echter plaats via de verharding aan de oostzijde van het bedrijfsgebouw. De Ruimte voor Ruimte woning kan op een kortere afstand dan 10 meter van deze verharding worden gebouwd. Uit voorgaande blijkt dat de indicatieve afstand voor het aspect gevaar een aandachtspunt is. De in de VNG-publicatie opgenomen afstanden betreffen richtafstanden.
Dit betekent dat gemotiveerd afgeweken kan worden van deze afstand. Op basis van de daadwerkelijk te ontplooien activiteiten ter plaatse van de nieuwe bedrijfsbestemming kan beoordeeld worden of afwijkingen van de richtafstand kunnen worden gemotiveerd en toelaatbaar worden geacht. Mogelijke afwijkingen van de richtafstanden zijn hieronder onderbouwd. In het bestemmingsplan is bepaald dat enkel statische opslag plaats vindt ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – caravanstalling en statische opslag’. Volgens de begripsbepaling betreft dit: ‘opslag van naar hun aard statische goederen die geen regelmatige verplaatsing behoeven zoals antieke auto’s boten caravans en dergelijke. De opslag mag niet bestemd zijn voor de handel dan wel worden opgeslagen voor een elders gevestigd niet agrarisch bedrijf’. Andersoortige bedrijvigheid is niet toegestaan ter plaatse van de locatie Loo 37. Dit betekent dat er geen productie of reparatie binnen de gebouwen is toegestaan, enkel het plaatsen en halen van bijvoorbeeld caravans en goederen is toegestaan. Bij een bedrijf dat bestemd is voor het stallen van caravans of statische opslag zou gevaar bijvoorbeeld kunnen ontstaan als gevolg van de aanwezigheid van een opslagvoorziening voor gasflessen. De bedrijfsvoering valt onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit milieubeheer.
In het Activiteitenbesluit zijn voor de opslag van gasflessen diverse voorschriften opgenomen. Deze voorschriften zijn zo opgesteld dat buiten de inrichtingsgrens van het bedrijf (en dus de bedrijfsbestemming) geen onaanvaardbare risico’s op kunnen treden voor wat betreft de opslag van gasflessen. Het betreft hier bijvoorbeeld het aanhouden van voldoende afstand tussen de opslagvoorziening en de inrichtingsgrens dan wel de opslagvoorziening brandwerend uit te voeren. Doordat de bedrijfsvoering aan de voorschriften van het Activiteitenbesluit dient te voldoen mag als gevolg van de nieuwe bedrijfsbestemming geen relevant gevaar verwacht worden ter plaatse van de omliggende gevoelige objecten. Bovendien schenkt het bedrijf in aanvulling op de voorschriften van het Activiteitenbesluit veel aandacht aan de brandveiligheid. De opslag van gasflessen en andere gevaarlijke stoffen is niet toegestaan. Klanten worden hieraan zowel feitelijk als contractueel gehouden en moeten hun eventuele gasflessen mee naar huis nemen. Initiatiefnemer controleert dit steekproefsgewijs.
Toelichting bestemmingsplan, Loo 37, Nistelrode
28
In onderhavige situatie ligt enkel een gedeelte van de verharding aan de oostzijde van het bedrijfsgebouw mogelijk binnen 10 meter van de te realiseren Ruimte voor Ruimte woning. Conform het akoestisch onderzoek is er aan die zijde sprake van maximaal 18 verkeerbewegingen per dag. Dit betreft een worst-case benadering waardoor dit aantal in werkelijkheid doorgaans fors lager is. Gezien de aard van de bedrijvigheid en het feit dat het aantal en de duur van de verkeerswegingen zo beperkt zijn vormt het aspect gevaar in onderhavige situatie geen bezwaar voor de realisatie van de Ruimte voor Ruimte woning. De Ruimte voor Ruimte woning krijgt een woonfunctie. Een woonfunctie is geen bron van milieucontouren maar een ontvanger. Het is van belang om na te gaan wat de mogelijke milieuhinder afkomstig van de omliggende (agrarische) bedrijven op onderhavige locatie bedraagt. De dichtstbijzijnde bedrijven betreffen de agrarisch bedrijven aan Loo 22, 24 en 33 (Loo 37 is hierboven reeds getoetst). Dit betreffen bedrijven waar melkvee en/of vleeskalveren gehouden worden. Hierbij wordt opgemerkt dat de locatie Loo 33 feitelijk niet meer gebruikt wordt voor het houden van vleeskalveren. Voor deze bedrijven gelden de volgende richtafstanden: Omschrijving Fokken en houden rundvee
Afstanden in meters Geur Stof
Geluid
Gevaar
100
30
0
30
Categorie 3.2
Figuur 4.3: richtafstandenlijst ‘Bedrijven en milieuzonering’
Voor wat betreft de richtafstanden voor stof en geluid vindt geen overschrijding plaats. Voor wat betreft geur wordt de afstand voor ten opzichte van de woningen aan Loo 24 en Loo 33 wel overschreden. In paragraaf 4.2 is het aspect geur uitgebreid getoetst op basis van het milieuspoor. Uit deze paragraaf blijkt dat de ontwikkeling van een Ruimte voor Ruimte woning in het kader van het aspect geur geen bezwaar is. Hiermee wordt aansluiting gezocht bij het stappenplan in bijlage 5.3 van de VNG-publicatie.
4.2
GEUR Per 1 januari 2007 vormt de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) het toetsingskader bij vergunningverlening voor geur veroorzaakt door veehouderijbedrijven. De Wgv is het toetsingskader voor vergunningplichtige veehouderijen. Voor niet-vergunningplichtige bedrijven is het Activiteitenbesluit milieubeheer het toetsingskader. De Wgv geeft normen voor de voorgrondbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). Daarnaast moet vanuit planologisch oogpunt sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en mag het plan geen belemmering vormen voor bedrijven in de omgeving. Nederland is opgesplitst in concentratie- en niet-concentratie gebieden. In deze gebieden wordt weer onderscheid gemaakt tussen objecten die liggen binnen de bebouwde kom of buiten de bebouwde kom. Het plangebied is gelegen in een concentratiegebied. Het aspect geur wordt uitgedrukt als geurconcentratie in Europese odour units per kubieke meter lucht (OUe/m3). De geuremissiefactoren per diersoort zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv). De Wgv kent twee methoden voor de beoordeling van de geur van een veehouderij: 1. Veehouderijen waar dieren worden gehouden waarvoor in de Rgv geuremissiefactor is opgenomen, moeten voldoen aan de wettelijke geurnorm.
Toelichting bestemmingsplan, Loo 37, Nistelrode
een
29
2. Veehouderijen waar dieren worden gehouden waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld, moeten voldoen aan de vereiste minimale afstand. Volgens de Wgv moet aan de in onderstaande tabel vermelde normen/afstanden worden voldaan. Categorie geurgevoelig object bebouwde kom buiten de bebouwde kom Categorie geurgevoelig object bebouwde kom buiten de bebouwde kom
Wettelijke geurnorm (OUe/m3) buiten concentratiegebied 2 8 Wettelijke vaste afstand (m) 100 50
Wettelijke geurnorm (OUe/m3) binnen concentratiegebied 3 14 Wettelijke vaste afstand (m) 100 50
Figuur 4.4: normen/afstanden volgens de Wgv
Aanvullend dient, volgens lid 2 van artikel 3 van de Wgv, de afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object dat onderdeel uitmaakt van een andere veehouderij, of dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij, buiten de bebouwde kom ten minste 50 meter te bedragen. Daarnaast bedraagt de afstand van de buitenzijde van een dierenverblijf tot de buitenzijde van een geurgevoelig object ten minste 25 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. De Wgv biedt aan gemeenten de mogelijkheid om middels een gebiedsvisie, binnen bepaalde marges, af te wijken van de in de wet genoemde geurnormen. De gemeenteraad van Bernheze heeft in de gemeenteraadsvergadering van 12 december 2013 de ‘Verordening Geurhinder en Veehouderij gemeente Bernheze 2013’ vastgesteld. Met de verordening wordt invulling gegeven aan de beleidsruimte die de geurwetgeving biedt. In de gemeentelijke geurverordening is het plangebied en de directe omgeving aangeduid als ‘Woon-werk-ontwikkelingsgebied’. In deze gebieden bedraagt de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelige object maximaal 8 OUe. Daarnaast is de vaste afstand tussen een geurgevoelig object en een veehouderij waar dieren worden gehouden zonder vastgestelde geuremissiefactoren in deze gebieden gehalveerd. Deze afstand dient derhalve tenminste 25 meter te bedragen.
Bovengenoemde verordening is per 1 november 2021 opgenomen in de Verordening Fysieke Leefomgeving van de gemeente Bernheze. De geurbelasting van alle veehouderijen samen op enige locatie wordt ‘achtergrondbelasting’ genoemd. De Wvg kent geen normen voor de achtergrondbelasting of de mogelijkheid dergelijke normen te stellen. De gemeenteraad beoordeelt of de milieukwaliteit (de mate van geurhinder) die behoort bij een bepaalde achtergrondbelasting acceptabel is en of deze past binnen de doelstellingen voor een gebied. In bijlage 6 en 7 bij de ‘Handreiking bij Wet geurhinder en veehouderij’ is in beeld gebracht wat de relatie is tussen de achtergrondbelasting, het aantal geurgehinderden en de milieukwaliteit (classificatie woon- en leefklimaat). De volgende ‘milieukwaliteitscriteria’ worden door het RIVM gehanteerd. Achtergrondbelasting geur (OUe/m3) 0-3 4-8 9 - 13
Geurgehinderden (%)
Milieukwaliteit
<5 5 - 10 10 - 15
zeer goed goed redelijk goed
Toelichting bestemmingsplan, Loo 37, Nistelrode
30
14 - 20 21 - 28 19 - 38 39 - 50 51 - 65
15 - 20 20 - 25 25 - 30 30 - 35 35 - 40
matig tamelijk slecht slecht zeer slecht extreem slecht
Figuur 4.5: relatie achtergrondbelasting en milieukwaliteit in een concentratiegebied
De gemeente Bernheze heeft het toetsingskader voor een ‘aanvaardbaar woon- en leefklimaat’ vastgelegd in de ‘Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder gemeente Bernheze 2013’. Bij het beoordelen van ruimtelijke initiatieven en plannen worden, als vertaling van het criterium ‘een aanvaardbaar woon- en leefklimaat’ voor het aspect cumulatieve geurhinder uit stallen van veehouderijen, onderstaande waarden gehanteerd als toetswaarden.
Voldoende Onvoldoende
Bebouwde kom, Woonkernen, Nieuwe Woongebieden 0-13 13 of meer
Bedrijventerreinen, Buitengebied 0-20 20 of meer
Figuur 4.6: Normen ‘aanvaardbaar woon- en leefklimaat’ gemeente Bernheze
Beoordeling ontwikkeling Bij besluitvorming omtrent onderhavige ontwikkeling dient in het kader van het aspect ‘geur’ antwoord gegeven te worden op de vragen: > Wordt niet iemand onevenredig in zijn belangen geschaad? (belangen veehouderij en derden). > Is ter plaatse een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd? (belang geurgevoelig object). Invloed ontwikkeling op omliggende veehouderijen Voorliggend bestemmingsplan ziet toe op de herbestemming van een bestaande agrarische bedrijfswoning en de realisatie van een Ruimte voor Ruimte woning De Ruimte voor Ruimte woning krijgt een woonbestemming. De bestaande bedrijfswoning blijft als bedrijfswoning onderdeel uitmaken van de beoogde bedrijfsbestemming. In de omgeving van de locatie liggen meerdere veehouderijen. De dichtstbijzijnde veehouderijen bevinden zich aan het Loo 24 en 33. In de beoogde situatie is ter plaatse van de bestaande bedrijfswoning sprake van een voormalige agrarische bedrijfswoning. De woning ligt buiten de bebouwde kom.
Het toetsingskader blijft ongewijzigd ten opzichte van de huidige situatie en is als volgt: > Voormalige agrarische bedrijfswoning (buiten bebouwde kom): o minimaal 25 meter tussen gevel woning en gevel enig dierverblijf; o minimaal 50 meter tussen gevel woning en emissiepunt dierverblijf met dieren waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld; o minimaal 25 meter tussen gevel woning en emissiepunt dierenverblijf met dieren waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld. De afstand tussen het melkveebedrijf aan het Loo 24 en de voormalige agrarische bedrijfswoning bedraagt meer dan 25 meter. De afstand tussen het vleeskalverbedrijf aan Loo 33 bedraagt net geen 50 meter. Omdat de afstand in de beoogde situatie niet verder verkleind wordt, wordt de veehouderij op grond van artikel 3 en 4 van de Wgv niet verder beperkt in zijn ontwikkelingsmogelijkheden. Ook in de bestaande situatie wordt immers niet
Toelichting bestemmingsplan, Loo 37, Nistelrode
31
voldaan aan de vereiste afstand. Aan de afstand van 25 meter tussen de gevel van de woning en het dierverblijf wordt wel voldaan. Ter plaatse van de Ruimte voor Ruimte woning is geen sprake van een voormalige agrarische bedrijfswoning, maar van een reguliere woonbestemming. Het toetsingskader is als volgt: > De geurbelasting afkomstig van een veehouderij waar dieren worden gehouden waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld bedraagt ter plaatse van de woning niet meer dan 8 OUe; > De afstand tussen een veehouderij waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld, en een geurgevoelig object bedraagt ten minste 25 meter; > De afstand tussen de gevel van een woning en de gevel van een dierverblijf bedraagt ten minste 25 meter. Aan de afstand van 25 meter wordt ruimschoots voldaan. Ter plaatse van de veehouderij aan Loo 33 zijn echter dieren vergund met een geuremissiefactor. Middels een voorgrondberekening is aangetoond dat de geurbelasting ter plaatse van de Ruimte voor Ruimte woning niet meer bedraagt dan 8 OUe (zie bijlage 2). De beoogde woning zal daarom geen inbreuk maken op de vergunde geurrechten van de veehouderij aan het Loo 33. Geconcludeerd kan worden dat voldaan wordt aan de hiervoor genoemde voorwaarden uit de Wgv. De ontwikkeling levert dan ook geen onevenredig belemmeringen op voor omliggende veehouderijen.
Woon- en leefklimaat Om een uitspraak te doen over het woon- en leefklimaat van de (beoogde) woningen binnen het plangebied is gekeken naar de voorgrond- en achtergrondbelasting ter plaatse. In bijlage 2 bij deze toelichting zijn de volledige berekeningen opgenomen. De norm voor een ‘aanvaardbaar woon- en leefklimaat’, conform de ‘Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder gemeente Bernheze 2013’ is 20 OUe voor wat betreft de achtergrondbelasting. De berekening toont aan dat voldaan wordt aan deze norm. Naast de beoordeling van de achtergrondbelasting is ook gekeken naar de voorgrondbelasting ter plaatse. Voor de voorgrondbelasting is alleen het bedrijf aan Loo 33 van belang. Uit de berekening die is opgenomen in bijlage 2 blijkt dat voldaan wordt aan de gemeentelijke norm van 8 OUe. Op basis hiervan kan gesteld worden dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen in het plangebied. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect geur geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.3
LUCHTKWALITEIT De ‘Wet luchtkwaliteit’ vormt per 15 november 2007 het toetsingskader voor nieuwe plannen en projecten in relatie tot de kwaliteit van de lucht. Bij de start van een project moet
Toelichting bestemmingsplan, Loo 37, Nistelrode
32
onderzocht worden of het effect relevant is voor de luchtkwaliteit. Hierbij moet aannemelijk gemaakt worden, dat luchtkwaliteit voldoet aan gestelde grenswaarden. Grenswaarden luchtkwaliteit Stikstofdioxide (NO2) o De jaargemiddelde concentratie bedraagt maximaal 40 µg/m³; o De uurgemiddelde concentratie van 200 µg/m³, overschrijding is maximaal 18 maal per kalenderjaar toegestaan (niet relevant voor agrarische bedrijven)
Fijn Stof (PM10) o De jaargemiddelde concentratie bedraagt maximaal 40 µg/m3: o Daggemiddelde concentratie van 50 µg/m3, overschrijding is toegestaan op niet meer dan 35 dagen per jaar
Als onderdeel van de Wet luchtkwaliteit is de AMvB ‘Niet in betekenende mate’ (NIBM) opgenomen. Projecten die ‘niet in betekenende mate’ bijdragen aan de luchtverontreiniging hoeven volgens het wetsvoorstel niet meer afzonderlijk getoetst te worden aan de grenswaarden voor de buitenlucht. Deze regeling is in het leven geroepen om kleinschalige ruimtelijke ontwikkelingen niet onnodig te frustreren of vertragen. Toetsing initiatief In het besluit NIBM zijn categorieën opgenomen die automatisch NIBM zijn. Het plan valt niet geheel binnen één van de NIBM-categorieën. Voor plannen die niet binnen één van deze categorieën vallen, dient aan de hand van berekeningen of een kwalitatieve beschouwing aannemelijk te worden gemaakt dat de bijdrage NIBM is of voldoet aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Voor plannen waarbij alleen sprake is van een toename in verkeersbewegingen, zoals in onderhavige situatie, is een rekentool ontwikkeld: de NIBM-tool. Hiermee kan op eenvoudige manier worden bepaald of er sprake is van een NIBM bijdrage. Het plan heeft een beperkte toename van verkeersbewegingen tot gevolg. De berekende verkeersgeneratie op basis van de CROW bedraagt 285 voertuigen voor wat de caravanstalling en statische opslag. Zoals blijkt uit het akoestisch onderzoek (zie bijlage 3) ligt dit aantal in werkelijkheid veel lager.
Voor de Ruimte voor Ruimte woning wordt rekening gehouden met 9 extra voertuigbewegingen per dag. Er wordt uitgegaan van een aandeel vrachtverkeer van 5%. De volgende figuur toont het resultaat.
Toelichting bestemmingsplan, Loo 37, Nistelrode
33
Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit, GCN2022 Jaar van planrealisatie
2023
Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)
294
Aandeel vrachtverkeer
5,0%
NO2 in μg/m
3
0,32
PM10 in μg/m
3
0,05
Extra verkeer als gevolg van het plan
Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m
3
1,2
Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet-in-betekenende-mate; geen nader onderzoek nodig
Figuur 4.7: NIBM-tool
De ontwikkeling heeft geen significante invloed op de luchtkwaliteit; het plan is te kleinschalig om in betekenende mate bij te dragen aan een verandering/verslechtering van de luchtkwaliteit. Naast het effect dat het plan heeft op de luchtkwaliteit dient ook gekeken te worden naar de luchtkwaliteit in het plangebied zelf. Het woon- en leefklimaat ter plaatse wordt deels bepaald door de luchtkwaliteit. De woonboerderij blijft behouden als bedrijfswoning. Daarnaast wordt er een Ruimte voor Ruimte woning gerealiseerd. In de nieuwe situatie is er sprak van één bestaand gevoelig object en één nieuwe gevoelig objecten. De achtergrondconcentraties fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) ter plaatse van het plangebied zijn dermate laag dat de normen voor de luchtkwaliteit niet overschreden worden. Dit is af te leiden uit de GCN-kaarten van het RIVM.
Toelichting bestemmingsplan, Loo 37, Nistelrode
34
Figuur 4.8: GCN-kaarten RIVM fijnstof en stikstofdioxide (bron: geodata.rivm.nl)
De achtergrondconcentratie fijnstof ter plaatse van het plangebied ligt onder 18 μg/m3 waar de norm 40 μg/m3 bedraagt voor PM10 en onder 10 μg/m3 waar de norm 25 μg/m3 bedraagt voor PM2,5 . De achtergrondconcentratie stikstofdioxide ter plaatse van het plangebied ligt tussen de 10 en 15 μg/m3. De norm bedraagt 40 μg/m3. De conclusie is dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbare luchtkwaliteit. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.
4.4
GELUID Ten aanzien van het aspect geluid zijn het wegverkeer en de bedrijfsactiviteiten van belang. Voor het wegverkeerslawaai vormt de Wet geluidhinder het toetsingskader en voor de bedrijfsactiviteiten de Wet milieubeheer (waaronder het Activiteitenbesluit). Daarnaast moet in het kader van de Wet ruimtelijke ordening sprake zijn van een aanvaardbaar woonen leefklimaat. Wegverkeerslawaai In de Wet geluidhinder is vastgesteld dat, indien in het plangebied geluidgevoelige functies (zoals woningen) zijn voorzien binnen de invloedssfeer van (rail- en weg) verkeerslawaai, een akoestisch onderzoek uitgevoerd dient te worden. Dit geldt voor alle straten en wegen, met uitzondering van: wegen die in een als ‘woonerf’ aangeduid gebied liggen; wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt. Het onderhavige plan ligt binnen het invloedsgebied van wegen waar het (maximum)snelheidsregime hoger is dan 30 km/u. Op basis van artikel 77 van de Wet geluidhinder (Wgh) dient bij wijziging of herziening van een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek te worden ingesteld. Het akoestisch onderzoek bepaalt de geluidsbelasting aan de gevel van de geluidsgevoelige bestemming die vanwege de weg wordt ondervonden. Een akoestisch onderzoek is alleen noodzakelijk als de geluidsgevoelige bestemming binnen de wettelijke geluidszone van de weg gesitueerd is.
Om het effect van het wegverkeer op de nieuwe Ruimte voor Ruimte woning te bepalen is de geluidsbelasting van de relevante wegen in de omgeving berekend. In bijlage 3 is het akoestisch onderzoek opgenomen waarin de beoordeling, resultaten en conclusie zijn opgenomen.
Toelichting bestemmingsplan, Loo 37, Nistelrode
35
Uit dit onderzoek blijkt dat ter plaatse van de gevels van de beoogde Ruimte voor Ruimte woning de geluidbelasting afkomstig van de zoneplichtige wegen, inclusief correctie van artikel 110g, ten hoogste 46 dB bedraagt. Derhalve wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De geluidbelasting bij de beoogde Ruimte voor Ruimte woning bedraagt exclusief aftrek van artikel 110g ten hoogste 52 dB. Met een gevelwering welke ten minste 20 dB bedraagt op basis van het Bouwbesluit, zal het binnenniveau ten hoogste 32 dB bedragen en wordt voldaan aan de eisen van het Bouwbesluit. Ter hoogte van de buitenruimte aan de zuidzijde van de beoogde Ruimte voor Ruimte woning heerst een redelijke milieukwaliteit. Ter hoogte van de overige zijde buiten heerst een redelijk tot goede milieukwaliteit. Derhalve kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een redelijk tot goed woon- en leefklimaat. Hierdoor kan worden gesteld dat het aspect geluid een goede ruimtelijke ordening niet in de weg staat. Voor een uitgebreidere toelichting wordt verwezen naar het akoestisch onderzoek in bijlage 3. Industrielawaai Het Activiteitenbesluit biedt aan een beperkt aantal objecten bescherming. Het gaat om gevoelige gebouwen (waaronder woningen) en gevoelige terreinen. Het Activiteitenbesluit sluit hierbij aan bij het begrippenkader uit de Wet geluidhinder.
In algemene zin biedt het Activiteitenbesluit bescherming tegen het geluid veroorzaakt door de: in de inrichting aanwezige installaties en toestellen; in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten en; laad- en losactiviteiten ten behoeve van en in de onmiddellijke nabijheid van de inrichting. Om niet alle nieuwe inrichtingen te moeten toetsen is in de vorm van de VNG uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ een pseudowetgeving gecreëerd (pseudowetgeving is geen wetgeving maar algemeen door de rechter aanvaarde methode). De eerste toets aan ‘geluid afkomstig vanuit de inrichting’ wordt aangesloten bij deze systematiek en is weergegeven in paragraaf ‘Bedrijven en milieuzonering’. Uit deze toets is gebleken dat niet aan de richtafstanden van de VNG uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ kan worden voldaan voor wat betreft het aspect geluid. Het gaat hierbij om de geluidsbelasting afkomstig van een bedrijf ten behoeve van (statische) opslag. Om het effect van de voorgenomen wijziging op het akoestisch klimaat bij de geluidsgevoelige objecten in de omgeving in beeld te brengen is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. In bijlage 3 is het rapport behorende bij het akoestisch onderzoek opgenomen waarin de beoordeling, resultaten en conclusie zijn opgenomen.
Uit het onderzoek blijkt dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau van 45/50 dB(A) etmaalwaarde ten aanzien van de Ruimtelijke Ordening/Milieubeheer niet wordt overschreden. Het maximale geluidsniveau van 70 dB(A) etmaalwaarde volgens stap 3 uit de publicatie Bedrijven en Milieuzonering en het Activiteitenbesluit wordt niet overschreden.
Toelichting bestemmingsplan, Loo 37, Nistelrode
36
De grenswaarde voor een aanvaarbare geluidbelasting in een Attentiezone stiltegebied van 50 dB(A) etmaalwaarde op de grens van een stiltegebied wordt eveneens niet overschreden. Ter hoogte van de buitenruimte van de bestaande woningen en nieuwe Ruimte voor Ruimte woning kan geconcludeerd worden dat hier een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd kan worden. De indirecte hinder voldoet ten tijde van de representatieve bedrijfssituatie aan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A). De beoogde Ruimte voor Ruimte woning beperkt de omliggende bedrijven niet in hun planologische mogelijkheden. Maatregelen maximale geluidniveau Het maximale geluidniveau van 65 dB(A) wordt ter hoogte van geluidgevoelige objecten overschreden met ten hoogste 5 dB(A). De overschrijding wordt veroorzaakt door bezoekende en vertrekkende personenauto’s en vrachtwagens. De voertuigen welke de inrichting bezoeken zijn voertuigen van derden, maatregelen aan de bron zijn derhalve niet te verlangen van inrichtinghouder. Maatregelen in de overdracht zijn op de inrichtinggrens vanuit landschappelijk oogpunt en verkeersveiligheid niet mogelijk. Maatregelen bij de gevels van huizen van derden zijn door inrichtinghouder niet te verlangen. De overschrijdingen van piekgeluiden door aan- en afrijdend verkeer vinden in de huidige situatie ook al plaats en kunnen daarmee als vigerend worden beschouwd.
In de nieuwe aanvraag nemen deze bewegingen enkel af. Omdat niet voldaan wordt aan stap 2 is een beoordeling volgens stap 3 uit de publicatie Bedrijven en Milieuzonering noodzakelijk. Het maximale geluidniveau van 70 dB(A) volgens stap 3 uit de publicatie Bedrijven en Milieuzonering wordt niet overschreden. Voor een uitgebreidere toelichting wordt verwezen naar het akoestisch onderzoek in bijlage 3. Conclusie Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat het akoestisch klimaat bij de geluidsgevoelige bestemmingen voldoende is en blijft. Het initiatief wordt met betrekking tot het aspect geluid aanvaardbaar geacht.
4.5
EXTERNE VEILIGHEID Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn: Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt).
Toelichting bestemmingsplan, Loo 37, Nistelrode
37
Binnen de beleidskaders staan voor deze risicobronnen twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder zijn deze begrippen verder uitgewerkt. Risiconormering Gemeente en provincie kunnen veiligheidsafstanden (plaatsgebonden risicocontour) en invloedsgebieden (groepsrisico) rond risicovolle inrichtingen of activiteiten (Bevi) bepalen op basis van berekende risico’s. Binnen de veiligheidsafstanden mogen geen (beperkt) kwetsbare objecten gelegen zijn of komen te liggen. Binnen invloedsgebieden dient het groepsrisico nader te worden verantwoord. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het plaatsgebonden risico wordt gebruikt om te toetsen of een risicovolle activiteit op een bepaalde plek plaats mag vinden en wat gebouwd mag worden in de directe omgeving ervan. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. De contour geeft aan hoe groot in de omgeving de overlijdenskans is door een ongeval bij een risicobron: binnen de contour is het risico groter, daarbuiten is het risico kleiner.
Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico geeft de kans aan dat in één keer een groep mensen (10 personen of meer) die zich in de omgeving van een risicosituatie bevindt, dodelijk door een ongeval wordt getroffen. Groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij het groepsrisico is het dan ook niet een contour die bepalend is, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente).
Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Bron
Wanneer groepsrisicoverantwoording
Inrichtingen (Bevi)
Altijd wanneer binnen invloedsgebied ruimtelijk besluit wordt genomen.
Buisleidingen (Bevb)
Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen1 .
Spoorwegen, wegen en waterwegen (Bevt)
Altijd wanneer binnen 200 meter afstand van de transportroute een ruimtelijk besluit wordt genomen2.
Figuur 4.9:Groepsrisicoverantwoording
Toelichting bestemmingsplan, Loo 37, Nistelrode
38
1
Bij buisleidingen kan volstaan worden met een beperkte verantwoording wanneer: 1) het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde of 2) de toename minder is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde of 3) personen zich buiten de 100% letaliteit grens bevinden. Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden. 2 Bij transportroutes kan volstaan worden met een beperkte verantwoording wanneer: 1) het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde of 2) het groepsrisico met niet meer dan 10% toeneemt en de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden. Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden.
Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico', dat overblijft nadat benodigde de veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn. Overige wet- en regelgeving De gemeente Bernheze beschikt over een beleidsvisie externe veiligheid (2008). Hierin wordt invulling gegeven aan de gemeentelijke omgang met externe veiligheid. Deze beleidsvisie bevat echter geen gebiedstypering of nadere uitgangspunten, die gehanteerd dienen te worden bij de verantwoording van het groepsrisico. Tot slot moet in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening' ook getoetst worden aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit bijvoorbeeld het Activiteitenbesluit en effectafstanden uit de 'Circulaire effectafstanden LPG-tankstations'. Beleidsvisie externe veiligheid. Toetsing initiatief Met behulp van de risicokaart is nagegaan of er risicobronnen aanwezig zijn die van invloed zijn op het plangebied. De kaart is weergegeven in onderstaande figuur. Op een afstand van circa 975 meter is aan de Canadabaan 8 te Nistelrode Royal Fireworks Nederland B.V. gevestigd. Het bedrijf betreft een bewaarplaats voor vuurwerk. Door de geruime afstand tot het plangebied heeft deze inrichting geen invloed op het plangebied.
Figuur 4.10: uitsnede risicokaart Provincie Brabant
Het plangebied ligt op circa 430 meter van de A50 knooppunt Paalgraven-Zeeland, wegvak B80. Over deze transportweg worden onder andere gevaarlijke stoffen uit de categorie GT4
Toelichting bestemmingsplan, Loo 37, Nistelrode
39
vervoerd1. GT4 heeft een invloedsgebied van >4000 meter2. Omdat het plangebied niet binnen 200 meter van de transportroute ligt kan worden volstaan met een beperkte verantwoording voor het scenario toxisch. Een beperkte verantwoording van het groepsrisico gaat in op de zelfredzaamheid van personen binnen het plangebied bij een calamiteit en de mogelijkheden tot het bestrijden van de gevolgen van een calamiteit binnen het plangebied. In samenwerking met de Veiligheidsregio Brabant-Noord is een standaard verantwoording groepsrisico (beperkt) toxisch opgesteld. Deze is toegevoegd als bijlage van onderhavige toelichting om het scenario toxisch te verantwoorden. Nader advies van de Veiligheidsregio is niet nodig. Spoor- en waterwegen en risicovolle (buis)leidingen zijn niet aanwezig in de omgeving van het plangebied. Conclusie Vanuit het aspect externe veiligheid zijn geen belemmeringen voor onderhavig initiatief.
4.6
NATUUR Per 1 januari 2017 geldt de Wet natuurbescherming. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De nieuwe Wet natuurbescherming (Natuurwet) voorziet in vereenvoudigde regels ter bescherming van de natuur, in decentralisatie van bevoegdheden naar provincies en in een goede aansluiting op het omgevingsrecht. Er wordt beter aangesloten op de Europese regelgeving en er wordt een duidelijker onderscheid gemaakt tussen soorten die Europees beschermd zijn en nationaal beschermde soorten. De Wet natuurbescherming is, door de samenvoeging van de wetten, zowel gericht op de gebiedsbescherming als de soortenbescherming. Gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming bepaalt dat nieuwe of uitbreidingen van bestaande economische activiteiten moeten worden getoetst op hun effect op de Natura 2000gebieden. Als een bestemmingsplan voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling die ten opzichte van de feitelijk aanwezige, planologisch legale situatie ten tijde van de vaststelling van het plan niet leidt tot een toename van stikstofdepositie op overbelaste stikstofgevoelige natuurwaarden in een Natura 2000-gebied, dan kan gesteld worden dat dat plan geen significante gevolgen heeft voor een Natura 2000-gebied. Een passende beoordeling is dan niet noodzakelijk.
Deze beoordeling dient plaats te vinden aan de hand van de maximale planologische mogelijkheden die het wijzigingsplan biedt. In onderhavige situatie is er geen sprake van stikstofdepositie in de referentiesituatie als gevolg van het houden van dieren omdat deze al geruime tijd niet meer gehouden worden. Met rekeninstrument Aerius Calculator is een berekening gemaakt van de gebruiksfase waaruit blijkt dat de emissie van ammoniak geen toename van stikstofdepositie veroorzaakt op de nabijgelegen Natura-2000 gebieden. Naast de gebruiksfase dient ook het effect van de aanlegfase in beeld gebracht te worden. Hiertoe is een berekeningen gemaakt waarin de aanlegfase is toegevoegd aan de beoogde situatie. Op deze manier wordt een worstcase scenario in beeld gebracht. Uit deze berekening blijkt eveneens dat er geen sprake is van negatieve significante effecten op stikstofgevoelige gebieden. Een passende 1 Rijkswaterstaat (2019) Lijst wegvakken data tellingen & basisnet. 2 RIVM (2017), Handreiking risicoanalyse transport. p. 19 tabel 4-2.
Toelichting bestemmingsplan, Loo 37, Nistelrode
40
beoordeling niet noodzakelijk is. De berekeningen zijn opgenomen in bijlage 5. De planvorming heeft verder geen invloed op planologisch beschermde gebieden. Omdat aan de hand van de maximale planologische mogelijkheden beoordeeld dient te worden of sprake kan zijn van significante effecten op Natura 2000-gebieden dient ook gekeken te worden naar het gebruik dat op grond van flexibiliteitsbepalingen (zoals afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden) is toegelaten. Uitgangspunt is de theoretische worst case-benadering van de maximale planologische mogelijkheden. Om te voorkomen dat voorliggend plan in de toekomst kan leiden tot een toename van stikstofdepositie voorziet het plan in een planregeling waarbij de maximale planologische mogelijkheden worden beperkt. Het plan maakt enkel de beoogde activiteiten mogelijk doordat het perceel wordt voorzien van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – caravanstalling en statische opslag’. Ook zijn de bouwmogelijkheden begrenst in de planregels. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming kent een apart beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, een apart beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn en een apart beschermingsregime voor ‘andere soorten’, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden.
Binnen onderhavige plangebied wordt voormalige agrarische bebouwing gesloopt en een Ruimte voor Ruimte woning gerealiseerd. Om een indicatie te krijgen van de effecten die de sloop- en bouwwerkzaamheden hebben op de natuurwaarden binnen het plangebied, is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. De quickscan is als bijlage 4 toegevoegd aan voorliggende toelichting. Het voornemen zoals opgenomen in de inleiding en de daarbij behorende werkzaamheden, zal naar verwachting geen negatief effect hebben op de staat van instandhouding van beschermde soorten. Binnen het plangebied zijn geen (verblijfplaatsen van) strikt beschermde soorten aangetroffen die door de werkzaamheden worden beïnvloed. Uit de effectenbeschrijving blijkt dat er geen onevenredige directe of indirecte gevolgen zijn van de voorgenomen activiteiten op de voortplanting en instandhouding van beschermde dier- en/of plantsoorten. Lokaal zullen mogelijk algemene soorten uit het plangebied trekken op zoek naar een vervangende biotoop. Aanvullend onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. Ook een ontheffing met betrekking tot aantasting van beschermde soorten is niet nodig. De werkzaamheden kunnen leiden tot een beschadiging of vernietiging van mogelijke verblijfplaatsen en/of verstoring van eventueel aanwezige algemene soorten.
Een algehele vrijstelling op basis van de Verordening natuurbescherming voor ruimtelijke ontwikkelingen is hierop van toepassing. De algemene zorgplicht blijft onverminderd van toepassing. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat er vanuit het aspect natuur geen belemmeringen zijn voor realisatie van het plan.
Toelichting bestemmingsplan, Loo 37, Nistelrode
41
4.7
BODEM Bij een bestemmingsplanprocedure dient inzichtelijk te worden gemaakt of de (milieuhygiënische) bodemkwaliteit geschikt is voor de gewenste bestemming. Inzicht in eventuele beperkingen aan het bodemgebruik (i.v.m. milieuhygiënische risico’s voor mens, plant en dier) is noodzakelijk om te beoordelen of de grond geschikt is voor de beoogde functie. Er mogen namelijk geen nieuwe gevoelige functies op een zodanig verontreinigd terrein worden gerealiseerd, dat schade is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers of het milieu. De toelichting van een bestemmingsplan bevat altijd een paragraaf over de bodemkwaliteit. Deze verplichting vloeit voort uit artikel 3.1.6. Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In dit artikel staat een verwijzing naar artikel 3.2 Algemene wet bestuursrecht. Hierin is geregeld dat het gemeentebestuur bij haar besluitvorming de nodige kennis over de relevante feiten en de af te wegen belangen vergaart. Er vindt geen directe vertaling plaats van het aspect bodem in de juridische regeling van het bestemminsplan (verbeelding en regels). Wel moet in de planvorming rekening worden gehouden met de bodemkwaliteit in relatie tot toegestane functies. Verkennend bodemonderzoek Door Milon is een verkennend bodemonderzoek verricht. De rapportage is als bijlage 6 toegevoegd aan voorliggende toelichting.
Het onderzoek heeft geleid tot een goed beeld van de bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie. Op basis van het vooronderzoek wordt ter plaatse van de onderzoekslocatie geen bodemverontreiniging verwacht. Ter plaatse zijn licht verhoogde gehaltes of concentraties aangetoond. De bodemkwaliteit geeft milieuhygiënisch gezien enkele aandachtspunten voor de toekomstige herontwikkelingen en gebruik. Het onderzoek is in opdracht van de gemeente Bernheze beoordeeld door de Omgevingsdienst Brabant Noord. Uit de beoordeling is gebleken dat een aantal potentieel verdachte deellocaties tijden het verkennend bodemonderzoek niet zijn onderzocht. Wanneer sprake is van niet-gecertificeerd ongedefinieerd puin bij boring 02 op het erf, dient er aanvullend eerst een verkennend asbestonderzoek in puin conform de NEN 5897 te worden uitgevoerd. Ook de omvang van de te verwijderen puinverharding dient inzichtelijk te worden gemaakt. Dit om de milieuhygiënische randvoorwaarden en kosten voor het verwijderen en de hergebruiksmogelijkheden van het puin te kunnen bepalen. Naar aanleiding van bovenstaande beoordeling zijn twee aanvullende onderzoeken uitgevoerd. De resultaten van deze onderzoeken worden hieronder weergegeven.
Aanvullende verkennend bodemonderzoek Het doel van het aanvullend verkennend onderzoek is het verkrijgen van inzicht in de actuele milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater. De conclusies uit het aanvullend onderzoek zijn hieronder opgenomen. Voor een verdere toelichting hierbij wordt verwezen naar bijlage 6 waarin het aanvullend onderzoek is opgenomen. Ter plaatse van de voormalig bovengrondse brandstoftank en chemicaliënopslag zijn maximaal licht verhoogde gehalten aangetoond in de grond en het grondwater. Op basis van het onderzoek zijn deellocaties 3 en 4 voldoende onderzocht. Uit het verkennend asbestonderzoek ter plaatse van de afwateringszones van de (voormalig) schuur blijkt dat gewogen asbestgehalten zijn aangetoond die de (helft van de)
Toelichting bestemmingsplan, Loo 37, Nistelrode
42
interventiewaarde ruim overschrijden. Er zijn geen verhoogde gehalten PCB aangetoond ter plaatse van de druppelzones. Ter plaatse van de druppelzones zijn gewogen gehalten groter dan 100 mg/kg.ds. niethechtgebonden asbest aangetoond. Daarom is sprake van een locatie welke met spoed gesaneerd dient te worden als gevolg van de aanwezige humane risico’s. Gezien de aard en mate van verontreiniging wordt geacht dat het uitvoeren van een nader asbestonderzoek niet zinvol is. Geadviseerd wordt om de afwateringszones direct te saneren middels volledige afgraving. Op basis van het onderzoek wordt ook geadviseerd de toplaag van het onverharde deel ten noorden van de schuur (deellocatie 5) als asbesthoudend te beschouwen. Deze drupzone dient ook gesaneerd te worden. Voor de sanering van de asbestverontreiniging dient een BUS melding ingediend te worden. De verwachting is dat ter plaatse van de drupzones circa 10 m3 verontreinigde grond afgevoerd moet worden. De financiële gevolgen van deze sanering zijn beperkt waardoor de haalbaarheid en uitvoering van de plannen niet in het geding komt. In de druppelzones zijn geen overschrijdingen van de tussenwaarde voor PCB aangetoond en de gehalten PFAS voldoen aan klasse wonen. Verkennend onderzoek asbest in puin Het doel van dit onderzoek is te bepalen of het materiaal ter plaatse van de te saneren terreinverharding asbesthoudend is.
De aanwezige puinfundering wordt als verdacht op het voorkomen van asbest beschouwd. Het verkennend asbestonderzoek is uitgevoerd conform de NEN 5897 – Inspectie en monsterneming in bouw en sloopafval en recyclinggranulaat. Al het ontgraven materiaal is geïnspecteerd, waarbij in geen van de proefgaten asbestverdachte (plaat)materialen zijn aangetroffen. Analytisch is in de fijne fractie van het mengmonster asbest aangetoond. Het gewogen gehalte overschrijdt de grenswaarde voor nader asbestonderzoek niet. De financiële gevolgen van deze sanering zijn hierdoor beperkt waardoor de haalbaarheid en uitvoering van de plannen niet in het geding komt.
4.8
WATER Bij het opstellen van een bestemmingsplan dienen waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze meegewogen te worden. Hiertoe wordt in de toelichting van een ruimtelijk plan een waterparagraaf opgenomen. Hierin wordt beschreven hoe rekening is gehouden met de gevolgen van het ruimtelijk plan voor de waterhuishouding. Het doel van de toetsing in de waterparagraaf is het voorkomen van waterproblemen, zoals wateroverlast en verdroging. Het resultaat is een ruimtelijk plan dat waterbestendig is. Maar het gaat niet alleen om het voorkomen van problemen. Ruimte voor water kan ook de ruimtelijke kwaliteit en de leefomgeving van mens en dier verbeteren. Nieuwe plannen dienen te voldoen aan het principe van Hydrologisch Neutraal Ontwikkelen, waarbij de hydrologische situatie minimaal gelijk moet blijven aan de oorspronkelijke situatie. Het plangebied valt onder het beheer van Waterschap Aa en Maas. Bij ruimtelijke ontwikkelingen hanteert het Waterschap een aantal beleidsmatige uitgangspunten ten aanzien van het duurzaam omgaan met water. In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze bij het project rekening is gehouden met de ruimtelijk relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer
Toelichting bestemmingsplan, Loo 37, Nistelrode
43
Beleidskader Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Provinciaal Waterhuishoudingsplan van de provincie Noord-Brabant, het Waterbeheerplan 2016-2021 van het Waterschap Aa en Maas, de Vierde Nota Waterhuishouding, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Kern van deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Het initiatief valt verder onder het bereik van paragraaf 3.4 van de verordening fysieke leefomgeving van de gemeente Bernheze. Waterbeheerplan 2022-2027 Waterschap Aa en Maas In het Waterbeheerplan 2022-2027 staan de doelstellingen van waterschap Aa en Maas voor de periode 2022-2027. Hierin wordt beschreven wat gedaan moet worden om die doelen te halen. Hierdoor weten de inwoners van het werkgebied en de partners wat ze van het waterschap kunnen verwachten. Met dit plan wordt ook invulling gegeven aan de verplichting vanuit de Waterwet en de Verordening Water om een waterbeheerplan op te stellen. In de nieuwe Omgevingswet staat de verplichting om een waterbeheerprogramma op te stellen. De eisen aan een dergelijk programma zijn vergelijkbaar met de huidige eisen aan een waterbeheerplan. Het grootste verschil is dat de hoofdlijnen van het watersysteembeleid een plek krijgen in het Omgevingswet-instrument ‘omgevingsvisie’ van rijk, provincie en gemeenten.
Hier wordt op ingegaan, om de maatregelen in dit waterbeheerplan in de goede context te kunnen plaatsen. De samenhang tussen de omgevingsvisies en dit plan vraagt om goede afstemming. In het waterbeheerplan is een indeling gemaakt in programma’s: > Waterveiligheid; > Klimaatbestendig en gezond watersysteem; > Schoon water; > Gezond en natuurlijk water; > Het leveren van maatschappelijke meerwaarde. Keur Brabantse waterschappen Voor waterhuishoudkundige ingrepen in het plangebied is de Keur waterschap Aa en Maas van toepassing. De Keur is een waterschap verordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Op grond van de keur is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd, zonder een ontheffing van het waterschap. De drie Brabantse Waterschappen hanteren sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. De Keur is in 2021 geactualiseerd. Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen.
Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn, veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 500 m², toename van een verhard oppervlak tussen 500 m² en 10.000 m² en projecten met een toename van het verhard oppervlak van meer dan 10.000 m². Plannen met een verhardingstoename tot 500 m² zijn onder de nieuwe keur vrijgesteld van compensatie. Voor plannen met een verhardingstoename tussen 500 m² en 10.000 m² hanteert het
Toelichting bestemmingsplan, Loo 37, Nistelrode
44
waterschap een algemene (reken) regel (benodigde compensatie (in m³) = Toename verhard oppervlak (m²) *Gevoeligheidsfactor * 0,06 (in m)). In onderhavige situatie wordt 1.880 m2 aan voormalige agrarische bedrijfsbebouwing gesloopt. Daarnaast wordt circa 1.000 m2 aan erfverharding verwijderd. Het plan ziet ook toe op de realisatie van een Ruimte voor Ruimte woning met bijgebouw. In zijn totaliteit neemt het verhard oppervlakte als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling fors af. Onderhavig bestemmingsplan voorziet in een afname van verhard oppervlak, compensatie is derhalve niet aan de orde voor onderhavig plan. Bij de Ruimte voor Ruimte woning dient het regenwater afkomstig van verhard oppervlak op eigen terrein te worden verwerkt. Hiervoor geldt de regionale eis van 60 mm per m2 verhard oppervlak, zoals vastgelegd in het gemeentelijk rioleringsplan. Naast het gemeentelijk rioleringsplan heeft de gemeente op 1 november 2021 de ‘Verordening fysieke leefomgeving’ vastgesteld. Hierin is met betrekking tot het onderwerp hemelwater opgenomen dat per m2 toevoeging aan verharding minimaal 20 mm berging gerealiseerd moet worden op eigen terrein. Dit bestemmingsplan staat een woning toe van 1.000 m3 en 100 m2 bijgebouwen. Daarnaast zal een gedeelte van het perceel worden voorzien van erfverharding. Op dit moment is nog geen ontwerp van de woning en invulling van het terrein voorhanden.