CConstaterende datBernheze
Koppel je AI →
Document · PDF

Heeswijkse Akkers_Toelichting

Commissie Ruimtelijke Zaken 21 september 2022, gemeente BernhezeBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan en exploitatieplan Heeswijkse Akkers24.930 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Enkele oude wegen verbinden, met veelal restanten van laanbeplanting, de historische centra met het buitengebied. In Heeswijk vormt de Abdij van Berne met bijbehorende lanen een karakteristiek element in de groenstructuur. De monumentale beplanting rond de abdij staat niet in relatie met de groenstructuur van Dinther en langs de Hoofdstraat. De dorpsranden zijn over het algemeen zacht te noemen, met uitzondering van de harde rand langs de uitbreiding aan de noordzijde van de kern. (bron: Structuurvisie) In de Gebiedsvisie bebouwingsconcentraties Bernheze (13 september 2021) zijn de volgende uitgangspunten benoemd voor de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling van Heeswijk-Dinther: Het dorp uitbreiden langs de oude linten (in westelijke richting) of richting het noorden met behoud van eigenheid van de historische bebouwingslinten; De dorpsrand aan het beekdal van de Aa versterken door verwijderen van bebouwing en/ of het

bestemmingsplan Heeswijkse Akkers

39

toepassen van een groene inpassing. Hier tevens inzetten op een contrastrijke overgang van dorp naar beekdal; De structuur van groene lobben die het dorp ingaan is waardevol en dient behouden te blijven. Dit in verband met de sterke verwevenheid dorp en landschap en hoge woonkwaliteit: iv. lob entree west: het historische landschap met de es en de agrarische linten vormt een waardevolle kernrand. Inzetten op duurzame agrarische functies en cultuurgronden op de historische es; v. lob Pater v.d. Elsenstraat: de groene parkachtige zone bij de Abdij van Berne versterken als schakel tussen dorp en landschap. Inzetten op recreatieve functies en landschappelijke versterking i.r.t. de abdij, het beekdal en de Heeswijkse Bossen (via Meerstraat); vi. lob Dintherse Broek: de groene lob tussen Heeswijk en Dinther met sportcomplex is waardevol als buffer tussen de twee oorspronkelijke dorpen. Inzetten op kleinschalig dorpslandschap ('de tuin tussen Heeswijk en Dinther') met gebruiksfuncties passend in het kleinschalig landschap (sport, moestuinen, ontmoeting). Het beekdal van de Leijgraaf versterken door passende landschapsinrichting, zoeken naar ruimte voor natuurontwikkeling en waterberging en het inpassen van storende (agrarische) bebouwing. De harde storende dorpsrand bij het bedrijventerrein aan de oostzijde verbeteren.

Gebiedsvisie bebouwingsconcentraties Bernheze - visiekaart Heeswijk Dinther

40

bestemmingsplan Heeswijkse Akkers

4.3.3 Landschapsontwikkelingsplan In februari 2012 is een beleidsplan voor natuur en landschap, onder de naam 'landschapsontwikkelingsplan', vastgesteld. Het landschapsontwikkelingsplan (LOP) Bernheze is opgesteld voor behoud en versterking van de natuur- en landschapskwaliteiten in het buitengebied van Bernheze. Deze kwaliteiten zijn onder meer verbonden aan de beleving van landschapstypen, belangrijke landschapsstructuren, cultuurhistorische objecten en natuurwaarden. In het LOP worden drie landschapstypen onderscheiden: het landschap van de Peelhorst, het beekdallandschap Aa en de Leijgraaf en het dekzandruggen en -vlaktenlandschap. Deze landschappen hebben elk hun eigen kenmerken in de vorm van typen bebouwing, beplanting, verkaveling, et cetera. De opgaven voor het landschap zijn onder andere: behoud, herstel en versterking van de karakteristieken van de verschillende landschappen; behoud en versterking van de bestaande parels van cultuurhistorie en natuur; het ontwikkelen van een visie op beeldkwaliteit en ruimtelijke inpassing van erven. De karakteristiek van de verschillende landschappen wordt enerzijds behouden en verder ontwikkeld en verbeterd en vormt anderzijds het kader voor ruimtelijke ontwikkelingen.

Kwaliteitsbeeld uit het landschapsontwikkelingsplan Bernheze

bestemmingsplan Heeswijkse Akkers

41

In het landschapsontwikkelingsplan is aangegeven dat de groei van de kernen zelf geen onderwerp is voor dit landschapsontwikkelingsplan, maar de effecten op het landschap wel. Dergelijke groei houdt vaak een verlies aan landschappelijke waarden in. Dit kan door maatwerk, landschappelijke inpassing en behoud van cultuurhistorische (landschaps)elementen enigszins worden voorkomen. Verankering van locatiespecifieke kwaliteiten zoals kleine landschapselementen en cultuurhistorie kan een raamwerk bieden voor goede landschappelijke inpassing. Conclusie Bij de invulling van het plangebied wordt rekeningen gehouden met het omliggende landschap door het plangebied landschappelijk in te passen en me de invulling van deze inpassing aan te sluiten bij de karakteristieke van het gebied en rekening te houden met hetgeen hier vroeger gangbaar was. 4.3.4 Woonvisie De afgelopen jaren is de woningmarkt als gevolg van diverse oorzaken sterk veranderd. Hierdoor sluit de vraag niet altijd aan bij het woningaanbod in Bernheze. In de Woonvisie 2016 - 2021 heeft de gemeente Bernheze per kern beleid opgesteld met betrekking tot de woningvraag, woningvoorraad en woonomgeving.

In deze woonvisie staat het volgende omschreven voor de kern Heeswijk-Dinther: Inspelen op woonwensen Vergroten voorraad met 240 woningen (exclusief statushouders) tussen 2016 en 2021; Nieuwbouw middeldure koopwoningen voor jonge gezinnen (o.a. terugkeerders uit ander gemeenten); Pilot voor transformatie matig verkoopbare grote grondgebonden koopwoningen (splitsing). Betaalbaar wonen voor wie dat nodig heeft Nieuwbouw van 50 sociale huurwoningen. Onbezorgd wonen Kleinschalige vormen wonen met zorg met name in de nabijheid van De Laarhof. Het initiatief voorziet in de ontwikkeling van 72 woningen, waarmee wordt bijgedragen aan het vergroten van de woningvoorraad in de kern Heeswijk-Dinther. Uit de woonvisie komt naar voren dat vooral jonge doorstromers en gezinnen op zoek zijn naar ruime grondgebonden koopwoningen in de klasse vanaf €225.000. Daarnaast is er behoefte aan goedkope grondgebonden koopwoningen voor starters (tot €275.000). Voor deze doelgroep is het aanbod in Bernheze beperkt. In het plan Heeswijkse Akkers worden 72 woningen gerealiseerd, waarvan 27% in het goedkope segment en 36% in het middeldure segment. Daarbij wordt nadrukkelijk aansluiting gezocht bij de behoefte aan woningen in het middeldure segment, voor jonge gezinnen en terugkeerders uit andere gemeenten.

Het college van burgemeester en wethouders heeft als aanvullend kader gesteld dat nieuwbouwplannen voor 80% moeten bijdragen aan het oplossen van de kwalitatieve woningbouwopgave. Het programma van Heeswijkse Akkers draagt voor 84% bij aan het invullen van de kwalitatieve bouwopgave en past in de totale kwantitatieve opgaaf. Ook wordt er ruimte geboden voor woningen die gerealiseerd worden via (collectief) particulier opdrachtgeverschap. Daarmee is de voorliggende ontwikkeling passend binnen de kaders van de woonvisie. De programmering binnen het plan Heeswijkse Akkers is op regionaal niveau afgestemd, binnen het 'Poho Wonen', regio Noordoost-Brabant West. In de vergadering van 19 januari 2022 is dit bestuurlijk geaccordeerd. Het verslag over deze vergadering is als Bijlage 2 aan deze toelichting gehecht. 4.3.5 Parkeerbeleid Op 9 juli 2015 heeft de gemeenteraad haar parkeerbeleid vastgesteld zoals verwoord in de 'Nota Parkeernormen Gemeente'. Hierin zijn de parkeernormen (fiets en auto), aanwezigheidspercentages, loopafstanden enz. opgenomen.

42

bestemmingsplan Heeswijkse Akkers

Het parkeerbeleid schrijft voor dat er bij elke nieuwe meerpersoonswoning, groter dan 60 m2 , twee parkeerplaatsen gerealiseerd moeten worden. Deze norm is daarmee op alle binnen het plangebied geprojecteerde woningen van toepassing. Het plan voorziet in de realisatie van 72 nieuwe woningen. Op grond van de geldende parkeernorm betekent dit een taakstellende parkeercapaciteit van 144 parkeerplaatsen. Binnen de verkaveling worden in de openbare ruimte 119 parkeerplaatsen gerealiseerd. De overige 25 parkeerplaatsen worden gerealiseerd op eigen terrein. Conclusie Bij de invulling van het plangebied is rekening gehouden met de van toepassing zijnde parkeernorm.

bestemmingsplan Heeswijkse Akkers

43

44

bestemmingsplan Heeswijkse Akkers

Hoofdstuk 5 5.1

Milieutechnische aspecten

Bodem

Wanneer een perceel van bestemming verandert en deze bestemming gevoeliger is voor bodemverontreiniging dan de voorgaande bestemming, dan dient er een bodemonderzoek te worden uitgevoerd om aan te tonen dat de bodem niet verontreinigd is. Binnen het plangebied Heeswijkse Akkers zijn de volgende onderzoeken verricht om de bodemkwaliteit in kaart te brengen: 1.

In opdracht van Gemeente Bernheze heeft Aeres Milieu B.V. in december 2016 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd binnen de grenzen van het toenmalig plangebied Heeswijkse Akkers te Heeswijk-Dinther (zie bijlage 3). 2. Gelet op de vergroting van het plangebied, is in 2020 nogmaals een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, waarbij eerder niet onderzochte terreindelen (oostelijk en westelijk van het oorspronkelijke onderzoeksgebied) alsnog zijn onderzocht (zie bijlage 4). 3. Mede op basis van het in 2020 uitgevoerde verkennend bodemonderzoek is aanvullend onderzoek aanbevoelen. Dit onderzoek is uitgevoerd in mei 2022 (zie bijlage 5). De resultaten van beide genoemde onderzoeken worden hierna samengevat: Verkennend onderzoek december 2016 Uit de analyseresultaten blijkt dat in de bovengrond plaatselijk licht verhoogde gehalten cadmium, kwik, lood, molybdeen, zink, Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen (PAK 10-VROM) en Polychloorbifenylen (som PCB) zijn vastgesteld. In de ondergrond zijn geen verhoogde gehalten gemeten ten opzichte van de achtergrondwaarde. Het freatisch grondwater is licht verhoogd met barium en xylenen en plaatselijk licht verhoogd met cadmium en zink. De resultaten van dit bodemonderzoek geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een aanvullend of nader bodemonderzoek.

De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling. De aangetroffen lichte verontreinigingen in de grond kunnen wel bij grondafvoer beperkingen opleveren ten aanzien van het (her)gebruik van de grond omdat dan veelal andere normen gelden. Ten aanzien van hergebruik van deze grond elders is het Besluit Bodemkwaliteit van toepassing. Het grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie is niet multifunctioneel toepasbaar. Het wordt daarom afgeraden het freatisch grondwater te gebruiken voor consumptie, besproeiing of proceswater. Verkennend onderzoek juli 2020 Bij het verkennend onderzoek dat in juli 2020 is uitgevoerd, is het onderzoeksgebied gesplitst in twee deelgebieden. Deelgebied 1 bevindt zich westelijk van het onderzoeksgebied uit 2016, deelgebied 2 oostelijk daarvan. Deelgebied 1 Boven- en ondergrond De boven- en ondergrond van de alhier geplaatst boringen is in een viertal grondmengmonsters onderzocht. Uit de analyseresultaten van deze grondmengmonsters blijkt, dat geen van de onderzochte parameters de achtergrondwaarden overschrijden. PFAS De bovengrond is tevens onderzocht op PFAS. Ondanks lichte overschrijdingen van de detectiegrenzen hebben de aangetroffen overschrijdingen geen invloed op de uiteindelijke kwalificatie van de onderzochte

bestemmingsplan Heeswijkse Akkers

45

bodemlagen. Naar aanleiding van voornoemde bevindingen kan de boven- en ondergrond van dit terreingedeelte als klasse AW2000 grond bestempeld worden. Deelgebied 2 Verhardingslaag De in het schuurtje aangetroffen fundatielaag is indicatief als grond onderzocht, ondanks het feit dat deze niet onder de Wbb valt. Uit de bevindingen van voornoemd onderzoek blijkt, dat de concentratie PAK en minerale olie de maximale samenstellingswaarden voor Bouwstoffen overschrijden. Vorenstaand impliceert dat dit materiaal niet voldoet als zijnde een niet vormgegeven bouwstof. Zowel visueel als analytisch wordt in dit materiaal geen asbest aangetroffen. Boven- en ondergrond De visuele schone bovengrond is analytisch onderzocht in de grondmengmonster 5, 6 en 7. Uit de analyseresultaten van de grondmengmonsters 5 en 6 blijkt, dat geen van de onderzochte parameters de achtergrondwaarden overschrijden. Op basis van een indicatieve toetsing kan de bovengrond als klasse AW2000 grond gekwalificeerd worden. Uit de analyseresultaten van grondmengmonster 7 blijkt, dat behoudens een marginaal verhoogde concentratie cadmium de concentratie koper de interventiewaarde overschrijdt. Voor deze sterk verhoogde concentratie is geen bron of oorzaak aan te wijzen. Naar aanleiding van voornoemde overschrijding zijn de deelmonsters van grondmengmonster 7 uitgesplitst en separaat onderzocht op koper.

Uit dit onderzoek is gebleken dat de grond van boring 32 sterk met koper is verontreinigd. Middels grondmengmonster (7-6) is de verticale begrenzing van deze sterke verontreiniging afdoend in beeld gebracht. De horizontale omvang van de alhier aangetroffen sterk verhoogde concentratie koper dient nader in beeld gebracht te worden middels een nader bodemonderzoek. Het is daarbij aanbevelingswaardig om de deelmonsters separaat te analyseren teneinde te kunnen bepalen of wederom een dergelijk hoge concentratie wordt aangetroffen mogelijk slechts bij één specifieke boring. De ondergrond is analytisch onderzocht middels een tweetal mengmonsters. Uit de analyseresultaten van beide grondmengmonsters blijkt, dat geen van de onderzochte parameters de achtergrondwaarden overschrijden. Naar aanleiding van voornoemde bevindingen kan de ondergrond van dit terreingedeelte als klasse AW2000 grond bestempeld worden. PFAS De bovengrond is tevens onderzocht op PFAS, ondanks lichte overschrijdingen van de detectiegrenzen hebben de aangetroffen overschrijdingen geen invloed op de uiteindelijke kwalificatie van de onderzochte bodemlagen. Grondwater In het grondwater zijn divers marginale overschrijdingen aangetroffen met diverse zware metalen. Ter plaatse van peilbuis 3 wordt een sterk verhoogde concentratie barium aangetroffen.

Voornoemde overschrijdingen zijn van dien aard dat deze in eerdere onderzoeken eveneens worden aangetroffen. De aangetroffen sterk verhoogde concentratie barium betreft ons inziens een uitschieter waarvoor geen specifieke bron/oorzaak voor aan te wijzen is. Wij adviseren dan ook om voornoemde peilbuis her te bemonsteren en aanvullend op barium te analyseren. Asbest (beide deelgebieden) Tijdens het verrichten van het bodemonderzoek zijn zintuiglijk geen specifieke asbestverdachte materialen aangetoond. Op basis van de bevindingen van voornoemd zintuiglijk bodemonderzoek en het analytisch asbestonderzoek kan de hypothese "onverdacht" met betrekking tot asbest worden bevestigd.

46

bestemmingsplan Heeswijkse Akkers

De bovengrond c.q. toplaag ter plaatse van de drupzone rondom het stalletje is sterk met asbest verontreinigd. Deze grond zal te allen tijde gesaneerd moeten worden. Voorafgaande aan de sanering zal tevens een BUS-melding opgesteld moeten worden, ondanks het feit dat de omvang minder dan 25 m³ betreft. Conclusies De resultaten van het bodemonderzoek uit 2016 geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een aanvullend of nader bodemonderzoek. De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling. Op basis van de onderzoeksresultaten zijn er weliswaar kleine verontreinigingen aangetroffen maar kan gesteld worden dat deze tegen een relatief geringe kostenpost verwijderd kunnen worden. Daarmee zijn de (financiële) risico's redelijk tot goed in beeld gebracht. Aanvullend bodemonderzoek mei 2022 Het aanbevolen aanvullend bodemonderzoek is uitgevoerd in mei 2022. Daarbij zijn de onderstaande deelgebieden aanvullend c.q. nader onderzocht: Nader onderzoek ten behoeve van het bepalen van de omvang van de koperverontreiniging ter plaatse van boring 32, (bodemonderzoek Aelmans Eco B.V. 2020); Herbemonstering peilbuis 3 (boring 21) en her analyse op barium, (bodemonderzoek Aelmans Eco B.V.

2020); Opstellen van een BUS-melding voor het saneren van de asbestverontreiniging ter plaatse van de drupzone; Onderzoek PFAS ter plaatse van het eerder in 2016 onderzocht terrein (bodemonderzoek Aeres Milieu 2017). Ten aanzien van bovengenoemde vier punten zijn op basis van het aanvullend onderzoek de volgende conclusies getrokken: De omvang van de eerder aangetroffen concentratie koper is in beeld is gebracht en er is slechts sprake van een puntbron van enkele kuubs grond. Middels het aanvullend bodemonderzoek is bepaald dat de eerder aangetroffen sterk verhoogde concentratie barium in het grondwater niet meer wordt aangetroffen; Tijdens het aanvullend PFAS onderzoek zijn geen noemenswaardige overschrijdingen aangetroffen; De BUS-melding met betrekking tot de aangetroffen verontreiniging met asbest in de drupzone is opgesteld en zal nadat deze is voorzien van de benodigde handtekeningen bij het bevoegd gezag worden ingediend. De aangetroffen koperverontreiniging dient te zijner tijd te worden ontgraven en naar een daartoe erkend verwerker te worden afgezet. De omvang van deze verontreiniging bedraagt maximaal vier bij vier meter. Er van uitgaande dat de laag 0,5 meter dik is bedraagt de verontreiniging alhier circa 8 m³ grond. Dit betekent tevens dat voornoemde verontreiniging niet leidt tot een ernstig geval van bodemverontreiniging.

Conclusie Met inachtneming van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat het aspect bodemkwaliteit de uitvoering van het initiatief niet in de weg staat.

bestemmingsplan Heeswijkse Akkers

47

5.2

Gezondheid en veehouderij

Met het oog op het planvoornemen is door Pouderoyen Tonnaer een notitie 'Gezondheid en veehouderij' opgesteld. Het doel van het onderzoek is na te gaan of het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied mogelijk wordt aangetast door de aanwezigheid van de veehouderijen in de omgeving. Ook is beoordeeld of de nieuwe woningen mogelijk een belemmering vormen voor de bedrijfsvoering van omliggende veehouderijen (omgekeerde werking). In deze notitie is de situatie getoetst aan de aspecten geur, fijn stof en endotoxinen. Aanvullend is ingegaan op de mogelijke invloed van de geitenhouderij, die op betrekkelijk korte afstand van het plangebied is gelegen. De notitie is als Bijlage 6 aan de toelichting gehecht. In onderstaand kaartbeeld is het plangebied weergegeven, inclusief een aanduiding van de veehouderijbedrijven in de omgeving.

5.2.1 Geurhinder De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt sinds 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. Deze schrijft voor op welke wijze een bevoegd gezag de geurhinder vanwege dierenverblijven moet beoordelen indien een veehouderij een milieuvergunning aanvraagt. Indirect heeft de Wet geurhinder en veehouderij ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten en dus voor de ruimtelijke ordening, dit wordt wel de 'omgekeerde werking' genoemd. De reden hiervoor is duidelijk: een geurnorm is bedoeld om mensen te beschermen tegen overmatige geurhinder, omgekeerd moet een bevoegd gezag dan ook niet toestaan dat mensen zichzelf blootstellen aan die overmatige hinder. De ruimtelijke plannen waarvoor de omgekeerde werking moet worden beoordeeld, zijn met name bestemmingsplannen waarin locaties voor woningbouw, of recreatie en toerisme worden vastgelegd. Bij het

48

bestemmingsplan Heeswijkse Akkers

bepalen van de geurhinder is zowel de achtergrond- als voorgrondbelasting in ogenschouw genomen.

Achtergrondbelasting Ter plaatse van het plangebied heeft het woon- en leefklimaat als gevolg van de achtergrondconcentratie de indicatie 'goed' tot 'zeer goed'. Dit is weergegeven op onderstaand kaartbeeld.

Beoordeling leefklimaat t.a.v. geurhinder op basis van de achtergrondbelasting (mei 2020)

Geurbelasting omliggende veehouderijen Op grond van de Verordening Geurhinder en Veehouderij gemeente Bernheze 2013, geldt binnen het plangebied een geurnorm van respectievelijk 3 en 8 Ou. In de omgeving van het plangebied liggen diverse veehouderijen. De maatgevende voorgrondbelasting wordt hierbij veroorzaakt door de geitenhouderij op het adres Fokkershoek 1. Gebleken is dat de indicatieve 3- en 8 Ou geurhindercontouren van deze veehouderij niet tot over het plangebied reiken. Dit is weergegeven op onderstaand kaartbeeld.

bestemmingsplan Heeswijkse Akkers

49

Indicatieve geurhindercontouren Fokkershoek 1 (mei 2020)

Op grond van de Verordening Geurhinder en Veehouderij gemeente Bernheze 2013, geldt ten aanzien van veehouderijen zonder een geuremissiecontour, een minimale afstand van 50 m tot geurhindergevoelige objecten. De meest nabijgelegen veehouderij in deze categorie is gelegen op circa 190 m afstand van het plangebied, waarmee ruimschoots aan dit afstandscriterium wordt voldaan.

Omgekeerde werking Tussen de veehouderij aan de Fokkershoek 1 en het plangebied, liggen in de huidige situatie al geurhindergevoelige objecten. Deze zijn maatgevend voor de ontwikkelingsmogelijkheden van het bedrijf.

Conclusie Op het gebied van geurbelasting wordt geconcludeerd dat binnen het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat binnen. Het plan is niet maatgevend voor de ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen veehouderijen. Het aspect geur vormt derhalve geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling. 5.2.2 Fijn stof en endotoxinen Fijn stof De achtergrondconcentraties van fijn stof (PM1 0) liggen in de omgeving van het plangebied ruim onder de wettelijke grenswaarden, dat wil zeggen niet meer dan 35 dagen met een daggemiddelde concentratie boven 50 µg/m3 en een jaargemiddelde concentratie die niet hoger is dan 40 µg/m3 . De Interim

50

bestemmingsplan Heeswijkse Akkers

Omgevingsverordening Noord-Brabant stelt een toetswaarde voor PM1 0 van 31,2 µg/m3 en ook hier ligt de achtergrondconcentratie fijn stof ruim onder. In navolgend kaartbeeld is de achtergrondconcentratie fijn stof weergegeven (bron: Grootschalige Concentratiekaart Nederland). Hieruit volgt een achtergrondconcentratie fijn stof (PM1 0) van 16-17 µg/m3 . Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat.

Achtergrondconcentratie fijn stof

Aanvullend is beoordeeld of de cumulatieve belasting inzake fijn stof op het plangebied tot een overschrijding van de norm leidt. Dit is niet het geval, hetgeen kan worden herleid uit onderstaand kaartbeeld:

bestemmingsplan Heeswijkse Akkers

51

Indicatieve cumulatieve belasting fijn stof

Voor de omgekeerde werking geldt dezelfde conclusie als bij geur. Het mogelijk maken van een gevoelige bestemming in het plangebied wordt niet belemmerd door de veehouderijen en omgekeerd is geen sprake van een beperkende werking voor de veehouderijen. Endotoxinen Endotoxinen zijn deeltjes van de celwand van (dode) gramnegatieve bacteriën. Endotoxinen vormen een onderdeel van het fijn stof dat afkomstig is uit veehouderijen. Vooruitlopend op de ontwikkeling van een landelijk toetsingskader heeft het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid de 'Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0' (Toetsingskader endotoxinen) opgesteld. Uitgangspunt van het toetsingskader is de advieswaarde van de Gezondheidsraad van 30 EU/m3 voor endotoxinen. In het toetsingskader zijn afstanden bepaald die een te hoge blootstelling aan endotoxinen zullen voorkomen. Voor vleeskuikens, legkippen en vleesvarkens zijn afstandsgrafieken opgesteld, aan de hand waarvan op basis van de fijnstofemissie in kilogrammen per jaar kan worden bepaald welke afstand tot gevoelige objecten moet worden aangehouden. Naast de individuele contouren per bedrijf moet ook de cumulatie met andere bedrijven in de omgeving betrokken worden in de beoordeling.

In het toetsingskader is niet voorzien in een berekeningswijze voor cumulatie, zodat uitgegaan moet worden van een kwalitatieve beoordeling. In navolgend kaartbeeld is de risicocontour en de indicatieve cumulatieve belasting voor endotoxinen weergegeven. Deze bevinden zich op ruime afstand van het plangebied, waardoor een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd.

52

bestemmingsplan Heeswijkse Akkers

Risicocontouren en indicatieve cumulatieve belasting endotoxinen 5.2.3 Gezondheidseffecten geitenhouderij Binnen een straal van 2 km is één geitenhouderij aanwezig. Deze is gevestigd aan Fokkershoek 1, op circa 185 meter ten noorden van het plangebied. Het is niet mogelijk één veilige afstand aan te geven. De Gezondheidsraad geeft aan dat hiervoor geen wetenschappelijke onderbouwing is. De lokale omstandigheden verschillen daarvoor te sterk. De volgende omstandigheden zijn van invloed op het optreden van eventuele gezondheidseffecten: Dichtheid aan veehouderijen: Veedichte gebieden worden in het VGO onderzoek geassocieerd met een afname van de longfunctie en aandoeningen van de luchtwegen. De omgeving van het plangebied kenmerkt zich als een agrarisch gebied, met relatief veel veehouderijen en deel uit makend van de kernrandzone rond Heeswijk Dinther. Er is door het toevoegen van 72 woningen sprake van een beperkte toename aan blootstelling; Landgebruik en windrichting: De aanwezigheid van vegetatie, gebouwen en andere structuren hebben invloed op de verspreiding van stoffen in de atmosfeer. Tussen het plangebied en de betreffende geitenhouderij ligt weinig bebouwing of afschermende vegetatie. De meest voorkomende windrichting is zuidwest.

Het plangebied ligt ten zuiden van het bedrijf en ligt ten opzichte van de geitenhouderij niet in de meest voorkomende windrichting; Emissies: Relevante emissies uit de geitenhouderij zijn geur, fijn stof, endotoxinen en Q-koorts. De emissies en omvang worden in navolgende paragrafen nader toegelicht. Geur Gezien de ligging van de geitenhouderij, de heersende achtergrondbelasting van geur van max. 4,1 Ou op de rand van het plangebied, de voorgrondbelasting afkomstig van deze geitenhouderij én rekening houdend met

bestemmingsplan Heeswijkse Akkers

53

de hiervoor beschreven invloedsfactoren, kan geconcludeerd worden dat een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd is.

Fijn stof Geitenhouderijen zijn, in vergelijking met pluimvee-, varkens- en rundveebedrijven, geen grote bronnen van emissies van fijn stof (PM1 0). Uit imissieberekeningen die de GGD heeft uitgevoerd blijkt dat de concentratie fijn stof binnen de eerste 200-300 meter van een intensieve veehouderij al daalt tot het achtergrondniveau. Dit geldt onder verschillende voorwaarden, zoals ruwheid, beginconcentratie en windrichting. De bronbijdrage van de geitenhouderij aan de fijn stof achtergrondconcentratie ter plaatse van het plangebied is, gezien de afstand van circa 185 meter en onderlinge ligging ten opzichte van de overheersende windrichting, te beschouwen als zeer beperkt. Het aspect fijn stof vormt geen belemmering voor de beoogde planontwikkeling. Een goed woon- en leefklimaat is gegarandeerd.

Endotoxinen De Gezondheidsraad hanteert een maximale belasting van 30 EU/m³. Er is geen onderzoek of adviesafstand voor geitenhouderijen beschikbaar dat aangeeft of en op welke afstanden de norm van 30 EU/m3 wordt overschreden. De WUR heeft uitstoot van fijnstof en endotoxinen uit geitenstallen gemeten. Hieruit blijkt dat vergeleken met gemiddelde pluimvee- en varkensstallen geitenstallen beduidend minder fijnstof en endotoxinen uitstoten. Ten aanzien van geitenhouderijen schept het geurbeleid ook voldoende afstand voor een aanvaardbaar wooneen leefklimaat ten aanzien van endotoxinen. Wel is het zo dat bij situaties met veel nabijgelegen veehouderijbedrijven door een opeenstapeling van endotoxine-uitstoot ook bij geitenstallen de 30 EU/m3 kan worden overschreden. Hiervan is geen sprake in de omgeving van het plangebied.

Q-koorts De Q-koorts uitbraak in de periode 2007-2010 heeft in Noord-Brabant ernstige gevolgen gehad. Dit heeft bijgedragen aan de zorgen van omwonenden van veehouderijen over hun gezondheid. Q-koorts is een infectieziekte die kan worden overgedragen van dieren op mensen. Q-koorts wordt veroorzaakt door de Coxiella burnetii, verder aangeduid als Q-koorts bacterie. Besmetting ontstaat meestal door inademen van lucht waar de bacterie in zit. Q-koorts is in principe niet overdraagbaar van mens op mens. Wetenschappelijk gezien is een risico nooit volledig uit te sluiten. Als volgens de experts de kans dat een bepaald effect optreedt erg laag is, wordt dat aangegeven met 'onwaarschijnlijk'. Op dit moment is het onwaarschijnlijk dat een omwonende Q-koorts vanuit een geitenbedrijf oploopt. Alle geiten op bedrijven met meer dan 50 dieren worden verplicht gevaccineerd tegen Q-koorts en er mogen geen ongevaccineerde dieren worden aangevoerd. Om de aanwezigheid van de Q-koorts bacterie op een bedrijf te monitoren wordt de tankmelk door de Gezondheidsdienst voor Dieren gecontroleerd. Sinds juli 2016 is de Q-koorts bacterie op geen enkel bedrijf in de melk aangetroffen. De Q-koorts bacterie is nog wel in het milieu aanwezig. Q-koorts bacteriën kunnen onder allerlei omstandigheden overleven en er zijn maar weinig bacteriën nodig om een infectie op te lopen.

Herkauwers zijn de belangrijkste gastheren van de Q-koorts bacterie, maar ook andere diersoorten kunnen besmet raken en de bacterie verspreiden. Daardoor zullen incidentele besmettingen en ziektegevallen ook de komende jaren voorkomen, net als in de periode voor de Q-koorts uitbraak. Dit gegeven staat echter los van geitenhouderijen. Een infectie kan op geitenhouderijen alleen nog uit de omgeving komen en zal in dat geval slechts een of enkele gevaccineerde geiten betreffen. Daarom is het onwaarschijnlijk dat een omwonende vandaag de dag Q-koorts krijgt vanuit een geitenbedrijf.

54

bestemmingsplan Heeswijkse Akkers

Het is ook onwaarschijnlijk dat omwonenden door opslag of afvoer van geitenmest worden besmet. Mest uit geitenstallen moet of direct in een afgedekte vrachtwagen naar een erkend composteerbedrijf worden afgevoerd of minstens 30 dagen afgedekt worden opgeslagen. Afdekken zorgt voor een composteringsproces waardoor de temperatuur van de mest zo ver stijgt dat Q-koorts bacteriën die eventueel in de mest zouden zitten het, niet overleven. Besmetting met Q-koorts vanuit een geitenbedrijf is door verplicht vaccineren en andere wettelijke verplichtingen binnen de geitenhouderij onwaarschijnlijk geworden. Geconcludeerd wordt dat het aspect Q-koorts geen belemmering vormt voor de beoogde planontwikkeling en geen sprake is van een (verhoogd) gezondheidsrisico. 5.2.4 Toetsing stappenplan en GGD-advies Om het bevoegd gezag te ondersteunen in de besluitvorming over veehouderijen in relatie tot de gezondheid van omwonenden is de Handreiking veehouderij en volksgezondheid opgesteld. De handreiking bevat een overzicht van de belangrijkste gevonden verbanden tussen veehouderijen en de gezondheid van omwonenden laat zien wat decentrale overheden kunnen doen om gezondheidsrisico's van veehouderijen mee te wegen in besluitvorming. De mogelijkheden op grond van milieuregelgeving en regelgeving en beleid voor de ruimtelijke ordening staan centraal.

De handreiking geeft een stappenplan voor de ontwikkeling van veehouderijen. Na het doorlopen van het stappenplan kan het advies zijn om een GGD-advies op te vragen. Dit advies kan onder andere gebruikt worden om het gesprek met de ondernemer aan te gaan om omgevingsbewust handelen te stimuleren. Dit stappenplan is in principe ook te gebruiken voor ruimtelijke plannen. De stappen kunnen stuk voor stuk worden doorlopen om na te gaan of er knelpunten worden gevonden.

Beoordeling aan het stappenplan 2.0:

Vraag

Antwoord

1. Endotoxine (varkens-/pluimveehouderijen): Omgevingsdienst beoordeelt aan de hand van het endotoxine toetsingskader 1.0 dat de ontwikkeling NIET voldoet aan de endotoxine 'richt-afstand' tussen een veehouderij en gevoelige bestemming. Het bevoegd gezag en ondernemer komen in een dialoog niet tot een goede oplossing om een beperking van de berekende endotoxine-afstand te realiseren. Overige bedrijven: ga verder naar stap 2.

Er wordt voor twee veehouderijen (Gouverneursweg 1a, melk- en overig rundvee / Fokkershoek 1, geitenhouderij) niet voldaan aan richtafstand van 250 m. Het is wenselijk om advies te vragen aan de GGD.

2. Emissies; ontwikkeling leidt tot een toename in de emissie voor geur en/of fijnstof en/of ammoniak. Een toename van geur, fijnstof en/of ammoniak (via vorming van secundair fijnstof) kan mogelijk leiden tot een negatief effect op de volksgezondheid.

Er is als gevolg van het plan geen sprake van toename van emissies, dus geen reden om advies te vragen aan GGD.

3a Geur, toetsen aan aanvaardbaar woon-/leefklimaat a.d.h.v. wettelijk kader

Geurbelasting ter plaatse is aanvaardbaar, dus geen reden om advies te vragen aan GGD.

bestemmingsplan Heeswijkse Akkers

55

3b Geur, toetsen aan aanvaardbaar woon-/leefklimaat a.d.h.v. gezondheidskundige advieswaarde

Geurbelasting ter plaatse voldoet aan advieswaarde (lager dan 10 Ou) , dus geen reden om advies te vragen aan GGD.

4a Binnen één veehouderij (1 adres of 1 ondernemer) worden bedrijfsmatig meerdere diersoorten gehouden. 4b De afstand tussen de inrichtingsgrenzen van een varkensbedrijf en een pluimveebedrijf bedraagt in de nieuwe situatie minder dan 100 meter.

Niet van toepassing, dus geen reden om advies te vragen aan GGD

5 Geitenhouderij: binnen afstand van 2 km liggen woon- en verblijfsruimten van derden

Plan betreft geen ontwikkeling van geitenhouderij, maar binnen 2 km van plangebied ligt wel een geitenhouderij (ca. 185 m ). De gemeente kan ervoor kiezen om een GGD-advies te vragen. In hoofdstuk 4 van het onderzoeksrapport (zie Bijlage 6) worden de gezondheidseffecten van de geitenhouderij ook al beoordeeld.

6 Er is sprake van mestbe- of ververwerking als nevenactiviteit of als zelfstandige activiteit.

Niet van toepassing, dus geen reden om advies te vragen aan GGD.

7 Bij omwonenden is sprake van ongerustheid over de volksgezondheid.

Niet van toepassing, dus geen reden om advies te vragen aan GGD.

Het concept bestemmingsplan is voorgelegd aan de GGD, Gezondheid, Milieu en Veiligheid Brabant. In haar advies heeft zij ten aanzien van het thema Gezondheid en veehouderij de volgende overwegingen meegegeven: Ten aanzien van de ligging van het plangebied in relatie tot de melkveehouderij aan de Gouverneursweg 1a, overweegt de GGD een grotere minimaal te hanteren afstand aan te houden, al dan niet gestaffeld aan de hand van dierplaatsen en stalsysteem; Ten aanzien van de voorgrondgeurbelasting wijst de GGD er op dat zij voor woonkernen een gezondheidskundige advieswaarde van 2 OU hanteert, in afwijking van de 3 OU die de gemeente in haar beleid hanteert.

Mogelijk wordt voor een enkele woning in het noordwestelijk deel van het plangebied niet voldaan aan de gezondheidskundige advieswaarde; Ten aanzien van het thema luchtkwaliteit merkt de GGD op dat niet wordt voldaan aan de gezondheidskundige advieswaarde voor PM2,5; Ten aanzien van de blootstelling aan endotoxinen wijst de GGD er op dat cumulatieve blootstelling op dit moment nog niet berekend kan worden, in afwachting van een update van de handreiking endotoxine; Ten aanzien van de nabijgelegen geitenhouderij (Fokkershoek 1, op circa 185 m), wordt geadviseerd burgers op de hoogte te stellen van het verhoogd risico op longontsteking en, indien aan de orde, te odnerzoeken welke aanvullende maatregelen kunnen worden getroffen om dit effect te verminderen.

5.3

Luchtkwaliteit

Op 15 november 2007 is de wijziging van de 'Wet milieubeheer' in werking getreden. Deze wet vervangt het 'Besluit luchtkwaliteit 2005' en is één van de maatregelen die de overheid heeft getroffen om:

56

bestemmingsplan Heeswijkse Akkers

negatieve effecten op de volksgezondheid als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging aan te pakken; mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkeling te creëren ondanks de overschrijdingen van de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit. De paragraaf luchtkwaliteit in de 'Wet milieubeheer' voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als: er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt, wat wil zeggen dat een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging (meer dan 3% ten opzichte van de grenswaarde); een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden, nadat de EU op 7 april 2009 derogatie heeft verleend.

In artikel 5.16, lid 2 van de Wet milieubeheer is opgenomen wanneer een ontwikkeling wordt aangemerkt als een project in de zin van de Wet milieubeheer. In dit artikel is opgenomen dat er bij het wijzigen van het bestemmingsplan altijd sprake is van een project. Derhalve is bekeken of de luchtkwaliteit onderzocht moet worden.

Beschouwing In opdracht van de gemeente is door Aeres Milieu/Windmill Milieu en Management een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd ten behoeve van het woningbouwplan 'Heeswijkse Akkers' te Heeswijk-Dinther. Op basis van de “Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)” is het plan aan te duiden als 'niet in betekenende mate'. Op basis van de toetsingscriteria uit de Wet milieubeheer (Artikel 5.16, lid c) voldoet de ontwikkeling hiermee aan de eisen voor de luchtkwaliteit. De aanwezige achtergrondconcentraties inclusief de toename vanwege de ontwikkeling blijven ruimschoots onder de wettelijke grenswaarden. Daarmee is ter plaatse van de beschouwde locatie tevens sprake van een goed woon- en leefklimaat.

Conclusie Uit het verrichtte onderzoek blijkt dat er ter plaatse van de beschouwde locatie sprake is van een goed woonen leefklimaat.

5.4

Externe veiligheid

De doelstelling van het externe veiligheidsbeleid (Regeling externe veiligheid inrichtingen) is het realiseren van een veilige woon- en leefomgeving door het beheersen van risico's van industriële activiteiten met opslag en transport van gevaarlijke stoffen. Het beleid is er op gericht te voorkomen dat er te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Risiconormen

bestemmingsplan Heeswijkse Akkers

57

Het begrip risico wordt in beeld gebracht door middel van twee begrippen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op een plaats langs een transportroute verblijft, komt te overlijden als gevolg van een incident met het vervoer van gevaarlijke stoffen. De hoogte van het GR representeert de kans per jaar per kilometer transportroute dat een groep van 10 of meer personen in de omgeving van de transportroute in één keer het dodelijk slachtoffer wordt van een ongeval op die transportroute. Indien een ruimtelijke ontwikkeling gevolgen heeft voor het risicoprofiel, rust er bij het bevoegd gezag een verantwoordingsplicht. Daarbij dient gemotiveerd te worden op grond van welke overwegingen en onder welke voorwaarden de verwachte effecten op het risicoprofiel worden geaccepteerd. Ten aanzien van voornoemde ontwikkeling geldt een dergelijke verantwoordingsplicht. Deze is nader uitgewerkt in Bijlage 9 bij deze toelichting. Wettelijk kader Per 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. Dit besluit sluit aan bij de risiconormering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi).

Dat betekent dat de toetsingsen bebouwingsafstand worden vervangen door een afstand voor het plaatsgebonden risico (PR) en een afstand voor het invloedsgebied van het groepsrisico (GR). Voor het PR geldt dat er binnen de 10-6-risicocontour geen kwetsbare objecten mogen worden gerealiseerd. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt deze waarde als een richtwaarde. Voor het GR geldt, indien er objecten binnen het invloedsgebied liggen, een verantwoordingsplicht. Voor risicovolle activiteiten en/of risicovolle installaties bij inrichtingen worden ten aanzien van het milieuhygiënische aspect externe veiligheid regels gesteld in het Activiteitenbesluit milieubeheer. In het Activiteitenbesluit milieubeheer wordt aangesloten op de van toepassing zijnde publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen (PGS). Daarnaast is een aantal rechtstreeks geldende besluiten van belang waarin te respecteren veiligheidsafstanden en/of risicocontouren zijn opgenomen. Hierbij kan gedacht worden aan het Besluit risico's zware ongevallen (Brzo 2015), het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), de Circulaire opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en het Vuurwerkbesluit. Voor zover het Bevi, Brzo 2015 en de Circulaire opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik niet van toepassing is, vallen activiteiten met gevaarlijke stoffen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer.

Indien de drempelwaarden uit bijlage 1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet wordt overschreden, vallen activiteiten met de opslag van ontplofbare stoffen zoals genoemd in het Vuurwerkbesluit eveneens onder het Activiteitenbesluit milieubeheer. In specifieke gevallen kunnen aanvullende voorschriften zijn opgenomen in een individuele milieuvergunning. De effecten met betrekking tot externe veiligheid worden uitgedrukt in te respecteren veiligheidsafstanden, plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Beleidsvisie externe veiligheid De gemeente Bernheze beschikt over een beleidsvisie externe veiligheid (Beleidsvisie externe veiligheid, gemeente Lith, Maasdonk, Bernheze en Landerd). Hierin zijn aanvullende kaders gegeven voor de integrale aanpak van externe veiligheid. De centrale ambitie is dat de gemeenten streven naar het optimaliseren van externe veiligheid. Deze ambitie is uitgewerkt in 6 deelambities: 1. 2. 3.

58

In ruimtelijke plannen de bestaande veiligheidssituatie zoveel mogelijk te optimaliseren en te beheren en het ontstaan van nieuwe externe veiligheidsknelpunten te vermijden. Dit wordt bereikt door allereerst de signalering van EV-relevante situaties te verbeteren door het maken van een signaleringskaart. De externe veiligheidsrisico’s van het transport van gevaarlijke stoffen te onderzoeken en bij ruimtelijkeof verkeersbesluiten rekening te houden met deze risico’s. Daar waar de provincie of de Rijksoverheid

bestemmingsplan Heeswijkse Akkers

4. 5. 6.

beheerder is van de transportassen, volgen de gemeenten de ontwikkelingen op het gebied van risico-inventarisatie en wet- en regelgeving actief. Zorg te dragen voor actuele en adequate milieu-, bouw- en gebruiksvergunningen bij risicovolle bedrijven; Zorg te dragen voor adequaat toezicht en handhaving van risicovolle bedrijven; Optimaal voorbereid te zijn op calamiteiten en rampen bij situaties waar de externe (on-) veiligheid aanwezig is.

Beschouwing In opdracht van de gemeente Bernheze is door Aeres Milieu/Windmill Milieu en Management een inventarisatie uitgevoerd van de externe veiligheidsrisico's ten behoeve van het woningbouwproject 'Heeswijkse Akkers' in Heeswijk-Dinther. Transportassen De risico's als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen over het water en het spoor vormen geen aandachtpunt voor het plangebied. Het plangebied bevindt zich uitsluitend binnen het invloedsgebied van de N279. Het plangebied is niet gelegen binnen de PR 10-6-risicocontour of brandaandachtsgebied van deze weg en het is niet noodzakelijk gebleken om de invloed van de planvorming op de hoogte van het groepsrisico kwantitatief inzichtelijk te maken. Voor de risico's als gevolg van het transport over de N279 geldt een beperkte verantwoordingsplicht groepsrisico. Overige wegen zijn niet relevant gebleken. Buisleidingen Het plangebied bevindt zich niet binnen een 1% letaliteitsgrens van een aardgastransportleiding. De risico's als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen vormen geen aandachtspunt voor het plangebied. Inrichtingen Het plangebied bevindt zich niet binnen een PR 10-6-risicocontour of een invloedsgebied van een risicovolle inrichting in de omgeving. De risico's als gevolg van de aanwezigheid van risicovolle inrichtingen vormen geen aandachtspunt voor het plangebied.

bestemmingsplan Heeswijkse Akkers

59

Ligging plangebied ten opzichte van risicobronnen (Bron: risicokaart)

Hoogspanningslijnen Hoewel hoogspanningslijnen geen onderdeel uitmaken van externe veiligheid is wel onderzocht of er hoogspanningslijnen in of nabij het plangebied zijn gelegen. In verband met magnetische velden als mogelijke veroorzaker van leukemie bij kinderen, heeft het voormalig ministerie van VROM in 2005 een beleidsadvies uitgebracht. VROM adviseert o0m te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven binnen de zogenaamde magneetveldzone. De dichtstbijzijnde hoogspanningslijn (bovengronds) betreft de lijn 's-Hertogenbosch-Noord - Eerde (2 x 150 kV), gelegen op een afstand van circa 2,3 km. Deze lijn heeft aan weerszijde een indicatieve zone van 80 meter. Het plangebied valt buiten deze zone.

60

bestemmingsplan Heeswijkse Akkers

Ligging plangebied ten opzichte van hoogspanningstracé

Verantwoording groepsrisico (tevens integraal opgenomen als bijlage 9 bij deze toelichting) Op grond van het voorgaande geldt ten aanzien van de volgende twee risico-aspecten een beperkte verantwoordingsplicht: 1.

2.

Op circa 300 meter vanaf een deel van het plangebied liggen de Monseigneur van Oorschotstraat en een stuk van de Hoofdstraat waar de gevaarlijke stof GF3 over vervoerd wordt. GF3 heeft invloedsgebied van 355 meter en daarom ligt een deel van het plangebied binnen het invloedsgebied van deze stof. Omdat het plangebied niet binnen 200 meter van de transportweg af ligt kan, volgens artikel 7 en 8 van het Bevt, worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico voor het scenario BLEVE; Een deel van het plangebied op circa 870 meter afstand vanaf de N279. Over deze weg worden verschillende gevaarlijke stoffen vervoerd, waaronder LT22. Deze stof heeft een invloedsgebied van 880 meter en daarmee ligt een deel van het plangebied binnen het invloedsgebied van deze stof. Omdat het plangebied niet binnen 200 meter van de transportweg afligt kan, volgens artikel 7 en 8 van het Bevt, worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico voor het scenario toxische wolk.

BLEVE scenario Een BLEVE (Boiling Liquid Expanding Vapour Explosion) is een explosie van een met vloeibaar gas gevulde tank. Er bestaat onderscheid tussen een warme en koude BLEVE. Een warme BLEVE is een explosie van een via een externe bron opgewarmde tank met vloeibaar gas. Wanneer een tank door bijvoorbeeld een brand wordt opgewarmd kan het gas gaan koken en loopt de druk in de tank zo hoog op dat hij explodeert. Een koude BLEVE ontstaat door instantaan falen van de tank, bijvoorbeeld door corrosie of beschadiging door een aanrijding. Door de snelle drukverlaging in tank gaat het gas koken en spuit uit de tank. Door een externe ontstekingsbron kan de tank vervolgens exploderen.

bestemmingsplan Heeswijkse Akkers

61

Toxisch scenario Een toxisch scenario ontstaat wanneer een tank lek raakt door bijvoorbeeld een aanrijding. Toxische vloeistoffen kunnen verdampen waardoor een gaswolk ontstaat die over de omgeving uit kan waaien. De omvang, verplaatsingsrichting en verstrooiing van de gaswolk is mede afhankelijk van de weersgesteldheid op dat moment. Bij het afwegen van de acceptatie van risico's rond de hierboven beschreven scenario's, wordt uitgegaan van de volgende factoren: bestrijdbaarheid, bereikbaarheid, zelfredzaamheid Bestrijdbaarheid Het plangebied zal worden voorzien van een primaire bluswatervoorziening. Daarbij zal zoveel mogelijk bij het beleid “Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid” aangesloten worden. Bereikbaarheid Het plangebied is goed bereikbaar, via een drievoudige ontsluiting in meerdere windrichtingen. Dit biedt voldoende zekerheid ten aanzien van het aspect bereikbaarheid voor hulpdiensten. Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. Het zelfredzame vermogen van personen is een belangrijke voorwaarde om grote slachtoffers bij een incident te voorkomen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchting. De mogelijkheden van zelfredzaamheid zijn afhankelijk van het maatgevende rampscenario's en de faciliteiten binnen het plangebied.

Daarnaast speelt de kwetsbaarheid van de personen een rol voor een eventuele ontvluchting. Mogelijkheden van zelfredzaamheid bij een toxisch scenario Bij een calamiteit waarbij toxische gassen vrijkomen is zo snel mogelijk schuilen in een gebouw het voorkeurscenario. Mensen op grotere afstand van de risicobron kunnen bij een tijdige waarschuwing het gebied op tijd ontvluchten. Bij een calamiteit met toxische gassen zit er enige tijd tussen het ontstaan van het ongeval en het optreden van letsel bij aanwezigen. Daarbij is ook de duur van de blootstelling van invloed op de ernst van het letsel. Snel reageren, naar binnen vluchten en ramen en deuren sluiten is bij dit scenario dus van belang. Mogelijkheden van zelfredzaamheid bij een dreigende BLEVE Binnen een afstand tot 150 meter zijn personen (ook in gebouwen) onvoldoende beschermd tegen de gevolgen van een BLEVE. Het plangebied raakt niet aan deze zone. Bij een 'warme' BLEVE zit, situatie-afhankelijk, tussen de calamiteit en de expansie een tijdsbestek van ongeveer 8 tot 20 minuten, waarbinnen vluchten de enige optie is. Door een tijdige waarschuwing kunnen deze mensen proberen zo snel mogelijk afstand tot de risicobron te nemen. Op een afstand van tenminste 300 meter, waarvan binnen het plangebied goeddeels per definie al sprake is, zijn de effecten van een BLEVE verminderd tot 1% letaal.

Tijdige alarmering (indien mogelijk) is niettemin van cruciaal belang. In het geval van een 'koude' BLEVE is er geen tijd om te vluchten. Buiten de 150 meter is, in het geval van een BLEVE, schuilen in een gebouw of woning in beginsel de beste manier om de calamiteit te overleven. Daarvoor is het zaak een veilige plek binnen een gebouw op te zoeken buiten het bereik van rondvliegend glas (zoals een toilet of badkamer). Na afloop van de BLEVE dient het gebied ontvlucht te worden om effecten door de secundaire branden te vermijden. Inrichting van het plangebied om de zelfredzaamheid te kunnen faciliteren Behalve de vraag of zelfredding mogelijk is, zijn de fysieke eigenschappen van gebouwen en omgeving van invloed op de vraag of die zelfredding optimaal kan plaatsvinden. Vanuit de geschetste mogelijkheden is het dus van belang dat het plangebied oed te ontvluchten is danwel goede schuilmogelijkheden biedt.

62

bestemmingsplan Heeswijkse Akkers

Vluchtmogelijkheden: Het plangebied beschikt over voldoende vluchtmogelijkheden van de risicobron af (zie ook 'bereikbaarheid') Schuilmogelijkheden: In geval van een calamiteit met een toxisch gas of een dreigende BLEVE op grote afstand kunnen schuilmogelijkheden het aantal slachtoffers beperken. Omdat het plangebied uit woningbouw bestaat, zijn dit ook de voornaamste schuilmogelijkheden. Kwetsbare objecten: In het plangebied worden geen kwetsbare objecten met verminderd zelfredzame personen voorzien. Maatregelen ter beperking van de omvang van het groepsrisico Gelet op de afstand van het plangebied tot potentiële risicobronnen en de situatie ten aanzien van bereikbaarheid en zelfredzaamheid, worden aanvullende maatregelen om het groepsrisico te reduceren niet nodig geacht om een te verantwoorden risico-niveau te kunnen garanderen.

Conclusie Op basis van vorenstaande overwegingen worden de risico's ten aanzien van externe veiligheid binnen het plangebied acceptabel geacht.

5.5

Niet gesprongen explosieven

Met het oog op de beoogde bouwplannen in het gebied, heeft de gemeente een onderzoek in uitvoering naar de mogelijke aanwezigheid van niet gesprongen explosieven (NGE). Het onderzoek spitst zich toe op de volgende drie categorieën: Geschutsmunitie; Mijnen; Brisantbommen. Inventarisatie bronnenmateriaal Uit de inventarisatie van het bronnenmateriaal is gebleken dat in de omgeving van het onderzoeksgebied grondgevechten en artilleriebeschietingen hebben plaatsgevonden gedurende de bevrijdingsgevechten in september en oktober 1944. Op 17 september 1944 landden Amerikaanse parachutisten bij Kasteel Heeswijk. Kort hierna is de eenheid door Heeswijk getrokken, echter werd het dorp niet definitief bevrijd. Heeswijk is in de dagen na 17 september 1944 verschillende keren van Duitse en Amerikaanse bezetting gewisseld. Het geraadpleegde bronnenmateriaal maakt melding van enkele grondgevechten in de omgeving van Heeswijk. Deze vonden voornamelijk in het oosten en ten zuiden van het dorp plaats en hebben derhalve geen invloed op het voorliggend werkgebied. Op 22 oktober 1944 werd Heeswijk definitief bevrijd door de Britse 7th Armoured Division. Hierbij hebben in het dorp geen gevechten plaatsgevonden. Geschutsmunitie Uit het bronmateriaal blijkt dat in de weken tussen 17 september 1944 en 22 oktober 1944 Heeswijk veelvuldig door zowel Duitse als geallieerde artillerie is beschoten.

In het gemeentearchief zijn verschillende meldingen aangetroffen van oorlogsschade ontstaan door beschietingen (in het rood aangegeven in het onderstaande figuur). Ook hebben er kort na de bevrijding van Nederland verschillende munitieruimingen plaatsgevonden (in het groen aangegeven in het onderstaande figuur). De EOD heeft vanaf 1971 ook meermaals munitieruimingen in en in de omgeving van het onderzoeksgebied uitgevoerd. Deze zijn geraadpleegd. Hieruit is gebleken dat er meermaals geschutmunitie tussen de 7,5 cm/75 mm en 155 mm is aangetroffen. Ten slotte is getracht aan de hand van luchtfoto's kraters waar te nemen. Op de beschikbare luchtfoto's zijn geen verstoringen waargenomen, die verband houden met artilleriebeschietingen. Het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) is derhalve geraadpleegd. Via het AHN kunnen door middel van ingemeten hoogteverschillen verstoringen worden waargenomen in gebieden waar sinds de Tweede Wereldoorlog weinig

bestemmingsplan Heeswijkse Akkers

63

grondroerende werkzaamheden hebben plaatsgevonden. Op het AHN zijn verschillende verstoringen binnen het werkgebied waargenomen, een voorbeeld hiervan is hieronder weergegeven. Een deel van het werkgebied is naoorlogs dermate geroerd dat ontstane verstoringen niet meer zichtbaar zijn.

Naar aanleiding van de artilleriebeschietingen van Heeswijk tussen september en oktober 1944 wordt een NGE-Risicogebied afgebakend ter plaatse van het gehele werkgebied. Op verschillende plaatsen in en rond het werkgebied zijn schademeldingen gedaan, munitie geruimd en verstoringen naar aanleiding van artilleriebeschietingen waargenomen. Binnen het NGE-Risicogebied kunnen NGE van geschutmunitie van 7,5 cm/75 mm tot en met 155 mm aangetroffen worden. Deze kalibers zijn door de EOD in de omgeving van het werkgebied aangetroffen. Naar aanleiding van artilleriebeschietingen te Heeswijk wordt ter plaatse van het gehele werkgebied een NGE-Risicogebied afgebakend waarbinnen NGE van geschutmunitie (7,5 cm/75 mm t/m 155 mm) aangetroffen kunnen worden. Mijnen Via de EOD zijn mijnenveldkaarten van het onderzoeksgebied aangevraagd. Hieruit bleek dat er binnen het onderzoeksgebied een mijnenverdacht gebied aanwezig was. Een mijnenverdacht gebied betreft een gebied waarvan geen mijnenlegrapport aanwezig is, in tegenstelling tot een mijnenveld waar dit wel het geval was. Van 'Mijnenveld 42' is geen mijnenlegrapport aanwezig. Wel zijn hierin verschillende ruimingen uitgevoerd, waaronder acht Duitse Tellermine '42 en 21 geallieerde antitankmijnen aan de zuidkant van het werkgebied.

64

bestemmingsplan Heeswijkse Akkers

Aangezien binnen het mijnenverdacht gebied meerdere mijnen zijn aangetroffen en onbekend is hoeveel er daadwerkelijk zijn gelegd is niet na te gaan of alle gelegde mijnen zijn geruimd. Derhalve wordt ter plaatse van het mijnenveld een NGE-Risicogebied afgebakend waarbinnen Duitse Tellermijnen '42 en geallieerde antitankmijnen aangetroffen kunnen worden. Ter ondervanging van de cartografische onnauwkeurigheid van de kaart waarop het mijnenverdacht gebied is ingetekend, wordt een buffer van 20 meter om het mijnenverdacht gebied getrokken. Hierdoor valt een deel van het NGE-Risicogebied binnen het werkgebied. Dit NGE-Risicogebied is weergegeven in onderstaande figuur.

Naar aanleiding van de aanwezigheid van een mijnenverdacht gebied te Heeswijk wordt ter plaatse van de zuidwestelijke hoek van het werkgebied een NGE-Risicogebied afgebakend waarbinnen Tellermine '42 en geallieerde antitankmijnen aangetroffen kunnen worden. Brisantbommen Uit het gemeentearchief en de literatuur is gebleken dat op 13 oktober 1941 omstreeks 5.00 uur drie brisantbommen zijn neergekomen. Twee hiervan zijn ingeslagen in een boomgaard nabij de woning van P.H. van den Plas, in de melding aangegeven al Muggenhoek A. 156, en de derde bom in een roggeveld nabij P. van den Doelen te Kameren A.15, wat waarschijnlijk A.17 moet zijn. Naar aanleiding van deze melding zijn de

bestemmingsplan Heeswijkse Akkers

65

locaties van de woningen proberen te achterhalen uit registers uit het gemeentearchief. Kameren A.17 blijkt tegenwoordig Kameren 2 te zijn en ligt op meer dan 700 meter van het onderzoeksgebied. Uit de registers is niet op te maken waar P.H. van den Plas precies heeft gewoond. Zo komt de straat Muggenhoek niet overeen met het wijknummer A. 156. Muggenhoek loopt voor een deel in het onderzoeksgebied, echter blijkt A. 156 tegenwoordig Fokkershoek 13 te zijn. Deze locatie ligt buiten het onderzoeksgebied. Hierdoor is niet bekend waar deze brisantbommen exact zijn ingeslagen. Om dit te achterhalen is getracht om een luchtfoto van kort na het bombardement te bestellen, echter kon deze gezien de heersende maatregelen rondom het Covid-19 virus niet tijdig worden aangeleverd door de desbetreffende luchtfoto-instantie. De levertijd van luchtfoto's zijn hierdoor met meerdere weken vertraagd. Wel wordt verwacht dat de luchtfoto binnen twee à drie weken aangeleverd wordt. De bestelde luchtfoto is genomen op 21 augustus 1942, bijna een jaar na het bombardement. Een luchtfoto van korter na het bombardement is bij deze en andere luchtfoto-instanties niet aangetroffen. Een analyse van deze luchtfoto zal zo spoedig mogelijk volgen, echter is in het overige bronnenmateriaal geen indicaties aangetroffen dat de afwerpmunitie binnen het onderzoeksgebied is neergekomen.

Derhalve wordt ter plaatse van het werkgebied geen NGE-Risicogebied naar aanleiding van het bombardement afgebakend. Conclusie Naast de nog te analyseren luchtfoto is al het overige bronmateriaal reeds geïnventariseerd en geanalyseerd. Naar aanleiding van de artilleriebeschietingen in september en oktober 1944 en de ruiming van mijnen zijn twee NGE-Risicogebieden afgebakend. Binnen het gehele werkgebied kan NGE van geschutmunitie worden aangetroffen. In de zuidwestelijke hoek kunnen ook mijnen worden aangetroffen. Op een later moment wordt een Bodemonderzoek OO uitgevoerd. Het doel van dit Bodemonderzoek OO is het vaststellen van de eventuele aanwezige OO binnen het opsporingsgebied en het veiligstellen ervan, zodat civiele werkzaamheden op een veilige en verantwoorde wijze kunnen worden uitgevoerd.

5.6

Bedrijven en milieuzonering

Vanuit het aspect 'goede ruimtelijke ordening' dient er voldoende ruimtelijke scheiding te zijn tussen hinderveroorzakende functies ((bedrijfsmatige) inrichtingen) en hindergevoelige functies (waaronder woningen). Hiervoor worden de afstanden uit de VNG publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' als maatgevend beschouwd. Daarbij wordt op twee manieren getoetst. Enerzijds wordt er gekeken of de ontwikkelingen binnen het plan hinder veroorzaken voor hindergevoelige functies in de omgeving. Anderzijds wordt beoordeeld of hindergevoelige functies binnen het plangebied hinder kunnen ondervinden van milieuhinderlijke functies in de omgeving. Middels de uitgevoerde beoordeling is inzichtelijk gemaakt met welke richtafstanden bij de invulling van het plan rekening moet worden gehouden. Dit is weergegeven op onderstaand kaartbeeld. Hierop zijn in lichtblauw de nabij het plangebied gelegen gezoneerde inrichtingen afgebeeld, waarbij de bestemmingsgrens als inrichtingsgrens is aangehouden. Rondom deze inrichtingen zijn de richtafstanden van 10 meter (rode contour) geprojecteerd op het plangebied.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Bernheze&id=5ea6ebb1-cfb2-4242-95a7-7023dcc84825