CConstaterende datBernheze
Koppel je AI →
Document · PDF

BP Kamersche Hoef Heeswijk-Dinther - Toelichting en Regels

Raadsvergadering 26 september 2024, gemeente BernhezeBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Kamersche Hoef, Heeswijk-Dinther29.701 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

32

bestemmingsplan "Kamersche Hoef" (vastgesteld)

bestemmingsplan Kamersche Hoef

Na de samenvoeging is tussen Heeswijk en Dinther, rondom Plein 1969, een nieuw dorpscentrum met winkels en voorzieningen gerealiseerd. De centrale ruimtes van de vroegere dorpen (met karakteristieke open ruimtes en monumentale bomen) zijn, net als de historische lintstructuur, nog herkenbaar aanwezig. Uitbreidingen van de kern liggen met name aan de noordzijde van de oorspronkelijke lintbebouwing. Aan de oostzijde van de kern ligt een klein bedrijventerrein, dat qua maat en schaal goed bij de kern past. Heeswijk-Dinther heeft aan de noordzijde van de kern, richting de Leijgraaf, een kleinschalige, rafelige dorpsrand met waterlopen, bomenrijen en bosjes. Aan de zuidzijde, richting de Aa, is sprake van een meer transparante overgang tussen het dorp en het beekdal. De laanbeplanting langs de Hoofdstraat is op enkele plaatsen onderbroken. Enkele oude wegen verbinden, met veelal restanten van laanbeplanting, de historische centra met het buitengebied. In Heeswijk vormt de Abdij van Berne met bijbehorende lanen een karakteristiek element in de groenstructuur. De monumentale beplanting rond de abdij staat niet in relatie met de groenstructuur van Dinther en langs de Hoofdstraat. De dorpsranden zijn over het algemeen zacht te noemen, met uitzondering van de harde rand langs de uitbreiding aan de noordzijde van de kern.

In de Gebiedsvisie bebouwingsconcentraties Bernheze zijn de volgende uitgangspunten benoemd voor de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling van Heeswijk-Dinther:  Het dorp uitbreiden langs de oude linten (in westelijke richting) of richting het noorden met behoud van eigenheid van de historische bebouwingslinten;  De dorpsrand aan het beekdal van de Aa versterken door verwijderen van bebouwing en/ of het toepassen van een groene inpassing. Hier tevens inzetten op een contrastrijke overgang van dorp naar beekdal;  De structuur van groene lobben die het dorp ingaan is waardevol en dient behouden te blijven. Dit in verband met de sterke verwevenheid dorp en landschap en hoge woonkwaliteit: 1. lob entree west: het historische landschap met de es en de agrarische linten vormt een waardevolle kernrand. Inzetten op duurzame agrarische functies en cultuurgronden op de historische es; 2. lob Pater v.d. Elsenstraat: de groene parkachtige zone bij de Abdij van Berne versterken als schakel tussen dorp en landschap. Inzetten op recreatieve functies en landschappelijke versterking i.r.t. de abdij, het beekdal en de Heeswijkse Bossen (via de Meerstraat); 3. lob Dintherse Broek: de groene lob tussen Heeswijk en Dinther met sportcomplex is waardevol als buffer tussen de twee oorspronkelijke dorpen.

Inzetten op kleinschalig dorpslandschap ('de tuin tussen Heeswijk en Dinther') met gebruiksfuncties passend in het kleinschalig landschap (sport, moestuinen, ontmoeting).  Het beekdal van de Leijgraaf versterken door passende landschapsinrichting, zoeken naar ruimte voor natuurontwikkeling en waterberging en het inpassen van storende (agrarische) bebouwing.  De harde storende dorpsrand bij het bedrijventerrein aan de oostzijde verbeteren.

bestemmingsplan "Kamersche Hoef" (vastgesteld)

33

bestemmingsplan Kamersche Hoef

Gebiedsvisie bebouwingsconcentraties Bernheze - visiekaart Heeswijk Dinther Voor het plangebied is relevant dat het plangebied is aangeduid als 'reeds geplande afronding dorpsrand', passend binnen de visie dat uitbreiding in westelijke richting mogelijk is, in de zone gelegen tussen de oude linten van de Veldstraat en de Lariestraat. De Herpersteeg is de westelijke grens van het plangebied en vormt daarmee de nieuwe landschappelijke rand van het westelijk gelegen buitengebied. In de planvorming is uitdrukkelijk rekening gehouden met een brede landschappelijke zone aan deze westelijke rand van het plangebied.

3.3.3

Woonvisie 2022 - 2026

Op 16 december 2021 heeft de gemeenteraad de woonvisie vastgesteld. De woningmarkt is de afgelopen jaren weer sterk veranderd. In de vorige Woonvisie stond nog dat Nederland nog niet zo lang geleden een economische crisis kende die zijn weerslag had op de woningmarkt. Maar er werd ook geconstateerd dat er al wel sprake was van duidelijke tekenen van herstel. Nu kan geconstateerd worden, dat het herstel sterk is doorgezet. Zo sterk zelfs dat er sprake is van een andersoortige problematiek als gevolg hiervan: de koopsector is voor lagere inkomens zo goed als onbetaalbaar geworden. De doorstroming op de woningmarkt stagneert, hetgeen onder andere een negatief effect heeft op de wachttijden voor sociale huurwoningen. In de Woonvisie heeft de gemeente Bernheze per kern beleid opgesteld met betrekking tot de woningvraag, woningvoorraad en woonomgeving. In deze woonvisie staat het volgende omschreven voor de kern Heeswijk-Dinther:  Uitgangspunt op basis van notitie ‘Bouwen voor de Toekomst’: vergroten voorraad woningen met 232 woningen;  Circa 70 sociale huurwoningen toevoegen;  Er staan voldoende woningen gepland voor de kern;  Voorkeur voor bouwen voor jongeren/starters en senioren;  Kleinschalige collectieve woonvormen en woongroepen (hofjeswoningen en kleinschalige woonzorgvormen).

De verwachting is dat dit voor deze kern populaire woonvormen zijn die de doorstroming op gang zullen brengen);  In totaal 25% van de nieuwe woningen levensloopbestendig en nieuwe woonzorgconcepten. Het initiatief voorziet in de ontwikkeling van 143 woningen, waarmee wordt bijgedragen aan het

34

bestemmingsplan "Kamersche Hoef" (vastgesteld)

bestemmingsplan Kamersche Hoef

vergroten van de woningvoorraad in de kern Heeswijk-Dinther. Uit de woonvisie komt naar voren dat vooral voor jongeren/ starters en senioren gebouwd zou moeten worden. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in een mix van vooral betaalbare, maar ook middeldure rijwoningen: 93 stuks, waarvan 65 (= 45,5 %) in de vorm van koopwoningen en 28 (=19,6%) in de vorm van grondgebonden sociale huurwoningen. Daarnaast worden er 12 beneden-bovenwoningen (=sociale huurappartementen, 8,4 %) gerealiseerd. Dit betekent dat van de 143 woningen 73,4 % als betaalbare c.q. middeldure woning wordt gerealiseerd. Ook worden 40 van de 70 (= 57,1%) benodigde sociale huurwoningen in de kern Heeswijk-Dinther gerealiseerd met voorliggend plan. Daarmee sluit het stedenbouwkundig plan goed aan op de woonvisie. Aanvullend hierop komen er patiowoningen (koop, 10 stuks, 7,0 %), twee-aaneengebouwde woningen (koop, 20 stuks, 14,0 %) en enkele vrijstaande woningen (koop, 8 stuks, 5,6 %), aansluitend bij de kwalitatieve behoefte binnen de gemeente Bernheze. Tenslotte wordt er ruimte geboden voor woningen die gerealiseerd worden via (collectief) particulier opdrachtgeverschap. Daarmee is de voorliggende ontwikkeling passend binnen de kaders van de woonvisie.

3.3.4

Conclusie

De beoogde ontwikkeling is passend binnen het gemeentelijke beleid.

3.4

Conclusie

Dit bestemmingsplan is passend binnen het beleid van de verschillende overheden.

bestemmingsplan "Kamersche Hoef" (vastgesteld)

35

bestemmingsplan Kamersche Hoef

Hoofdstuk 4 4.1

Bodem

4.1.1

Regelgeving

Milieu- en omgevingsaspecten

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in verband met de uitvoerbaarheid van een project rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat, indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). De Wet bodembescherming heeft betrekking op landbodems; waterbodems vallen onder de Waterwet. Op grond van de Woningwet en de Bouwverordening dient voor elke individuele bouwlocatie aangetoond te worden dat de bodem geschikt is voor de beoogde bebouwing, alvorens een omgevingsvergunning kan worden verleend. Bij het opstellen van een bestemmingsplan is de vraag of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en of deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Het uitgangspunt hierbij is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem en dat de bodemkwaliteit niet verslechtert door grondverzet. Dit is het zogenaamde stand still-beginsel.

Het vaststellen van de bodemkwaliteit wordt bij het opstellen/herzien van een bestemmingsplan alleen van belang geacht voor de locaties waar ontwikkelingen gepland zijn (zoals functiewijzigingen, bouwen, graven/ophogen). Bij nieuwe ontwikkelingen dient bekeken te worden of de bodemkwaliteit een belemmering op kan leveren voor de realisering hiervan. Bijna altijd is het mogelijk om bodem geschikt te maken voor het gewenste gebruik. Het is echter mogelijk dat een plan financieel onuitvoerbaar wordt, bijvoorbeeld omdat de kosten van de sanering te hoog zijn. Bij een wijziging van de bestemming of van de functie wordt een bodemonderzoek alleen noodzakelijk geacht, indien deze wijziging tevens een meer gevoelige vorm van bodemgebruik inhoudt.

4.1.2

Onderzoek

Er is een verkennend (water)bodem en asbestonderzoek uitgevoerd voor het plangebied. Dit onderzoek is als bijlage 3 bij de toelichting gevoegd. Verkennend bodemonderzoek NEN 5740 Landbouwgrond, voormalige manege en werkplaats Gezien de resultaten van het onderzoek wordt geconcludeerd dat de voor de onderzoekslocatie opgestelde hypothese “niet verdachte locatie met verdachte deellocaties”, niet juist is. Er zijn immers op de onverdachte locatie, licht verhoogde gehalten aangetroffen. Daarnaast zijn ter plaatse van de werkplaats geen verhoogde gehalten aangetoond. Met uitzondering van het vermoedelijk van nature aanwezige matig verhoogde gehalte aan barium ter plaatse van peilbuis 101 in het grondwater liggen de overige aangetroffen gehalten allen onder de indexwaarde van 0,5 en/of interventiewaarde en vormen deze géén aanleiding tot het instellen van een nader bodemonderzoek. Aangezien het matig verhoogde gehalte aan barium in het grondwater vermoedelijk kan worden toegeschreven aan een natuurlijk verhoogd achtergrondgehalte, wordt een nader onderzoek vooralsnog niet noodzakelijk geacht. Daarnaast is een K-waarde onderzoek uitgevoerd op de bodemlaag ter plaatse van de peilbuizen 1 t/m 8. De K-waarde bepaling is uitgevoerd op de bodemlaag 0,0 tot 2,0 m -mv. De resultaten zijn opgenomen in de bijlage 8 van het onderzoek.

Op basis van de onderzoeksresultaten van het verkennend bodemonderzoek bestaan er, vanuit milieuhygiënisch oogpunt gezien, geen belemmeringen ten aanzien van het gebruik van het terrein, ontwikkeling van het gebied en de afgifte van een omgevingsvergunning ten behoeve van de geplande bouwactiviteiten op het terrein. De grond is in milieuhygiënisch oogpunt geschikt voor woningbouw.

36

bestemmingsplan "Kamersche Hoef" (vastgesteld)

bestemmingsplan Kamersche Hoef

Verkennend asbestonderzoek NEN 5707 Druppelzone stal Gezien de resultaten van het onderzoek wordt geconcludeerd dat de voor de onderzoekslocatie opgestelde hypothese “locatie met verdachte toplaag”, niet juist is. Er is immers in de bodem ter plaatse van RE1 op het perceel, op basis van analytische waarnemingen, geen verhoogde gehalten aan asbest aangetroffen. De geconstateerde concentratie ligt ruim onder de grens van 0,5 maal de interventiewaarde (=50 mg/kg ds.) en vormt geen aanleiding tot het instellen van een nader asbestonderzoek ter plaatse van de paardenstal. Druppelzone kapschuur, afdak en golfplaten Gezien de resultaten van het onderzoek wordt geconcludeerd dat de voor de onderzoekslocatie opgestelde hypothese “locatie met verdachte toplaag”, juist is. Er is immers in de bodem ter plaatse van RE2 op het perceel, op basis van analytische waarnemingen, een sterk verhoogde concentratie aan asbest aangetroffen. De geconstateerde verhoogde concentratie ter plaatse van RE2 (370 mg/kg ds) ligt ruim boven de grens van 0,5 maal de interventiewaarde (=50 mg/kg ds.) en vormt aanleiding tot het instellen van een nader asbestonderzoek ter plaatse van de directe omgeving van het afdak en de ijzeren schuur, op het achter terrein aan de Lariestraat 21. Geadviseerd wordt een nader asbest onderzoek uit te voeren in de omgeving van het afdak en de golfplaten tegen de ijzeren schuur.

Doel van het uit te voeren nader asbest onderzoek is de aard en omvang van de aanwezige asbest verontreiniging in de bodem vast te stellen. Voorafgaand aan het nader onderzoek wordt aanbevolen de aanwezige asbesthoudende materialen en bebouwing tot maaiveld niveau op verantwoorde wijze te laten verwijderen. Op basis van het de onderzoeksresultaten van het asbest onderzoek bestaan er, vanuit milieuhygiënisch oogpunt gezien, belemmeringen ten aanzien van het gebruik van het terrein ter plaatse van de directe omgeving van het achter terrein aan de Lariestraat 21. Tevens kan op basis van onderhavige resultaten geen omgevingsvergunning worden verkregen voor de geplande bouwactiviteiten op het deel perceel. Verkennend waterbodemonderzoek NEN 5720 Sloot Gezien de resultaten van het waterbodemonderzoek wordt geconcludeerd dat de voor de onderzoekslocatie opgestelde hypothese “niet verdachte locatie”, onjuist is. Er zijn immers in het slib en de ondergrond uit de watergang verhoogde gehalten met de onderzochte componenten aangetroffen. Op basis van de onderzoeksresultaten bestaan er, vanuit milieuhygiënisch oogpunt gezien, belemmeringen ten aanzien de geplande baggerwerkzaamheden. Op basis van de onderzoeksresultaten kan het slib uit de watergang (WB1) niet worden toegepast op de aangrenzende landbodem. Het slib zal moeten worden ontgraven en afgevoerd naar een erkend verwerker.

In de watergang ter plaatse van WB2 bevindt zich geen slib. Ter plaatse is zand aangetroffen. Bij ontgravingswerkzaamheden kan deze bodemlaag op het perceel wordt toegepast gelden gezien de geringe overschrijding(en) ten opzichte van de achtergrondwaarden, geen gebruiksbeperkingen.

4.1.3

Conclusie

Gelet op het voorgaande vormt het aspect 'bodem', mits er een nader onderzoek uitgevoerd wordt naar asbest en de verontreiniging wordt gesaneerd, geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

bestemmingsplan "Kamersche Hoef" (vastgesteld)

37

bestemmingsplan Kamersche Hoef

4.2

Geluid

4.2.1

Regelgeving

Op basis van artikel 76 van de Wet geluidhinder (Wgh) dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of uitwerkingsplan als bedoeld in art. 3.6 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de waarden als bedoeld in artikel 82 t/m 85 van de Wgh in acht te worden genomen, indien dat plan gelegen is in een zone rondom een weg als bedoeld in artikel 74 lid 1 Wgh en (het betreffende onderdeel van) dat plan mogelijkheden biedt voor:  de realisatie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen (functies zoals genoemd in artikel 1 Wgh en art 1.2 Bgh - het Besluit geluidhinder zoals gewijzigd op 4 april 2012);  de aanleg van een nieuwe weg en/ of een reconstructie van een bestaande weg;  functiewijzigingen van een niet-geluidsgevoelige functie in een geluidsgevoelige functie (bijvoorbeeld via afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid). De onderzoekszone voor wegen zoals bedoeld in artikel 74 lid 1 Wgh is afhankelijk van de hoeveelheid rijbanen. Artikel 74 lid 2 Wgh regelt dat, indien de bovengenoemde ontwikkelingen zijn gelegen binnen een als 'woonerf' aangeduid gebied of in een zone nabij wegen waarvoor een maximum snelheidsregime van 30 km/u geldt, de betreffende waarden niet in acht hoeven te worden genomen.

Uit een akoestisch onderzoek moet blijken of, indien sprake is van een van de bovengenoemde ontwikkelingen binnen een zone als bedoeld in artikel 74 lid 1 Wgh, deze binnen de waarden valt zoals deze voor diverse typen ontwikkelingen is vastgelegd in de Wgh. De grenswaarde voor de toelaatbare etmaalwaarde van de equivalente geluidbelasting van wegen binnen zones langs wegen is voor woningen 48 dB. In bijzondere gevallen is een hogere waarde mogelijk. Burgemeester en Wethouders zijn binnen de grenzen van de gemeente en onder voorwaarden bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogst toelaatbare geluidsbelasting.

4.2.2

Onderzoek

Er is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd voor de beoogde woningbouwontwikkeling in het plangebied. Dit onderzoek is als bijlage 4 bij de toelichting gevoegd. De geluidgevoelige bestemmingen zijn gelegen in de geluidszone van de Veldstraat, de Fokkershoek, de Lariestraat, de Herpersteeg, de Muggenhoek en de Hoofdstraat. In het kader van een goede ruimtelijke ordening worden tevens de nabijgelegen niet-gezoneerde wegen (Binnenplanse weg Heeswijkse Akkers, Binnenplanse weg Kamersche Hoef en Hopveld) in het onderzoek betrokken. In het onderzoek wordt de geluidbelasting op de geluidgevoelige bestemming inzichtelijk gemaakt en beoordeeld op basis van het toetsingskader. Voor het plangebied is reeds een indeling voor de woningen opgesteld. Voor de relevante zijdes van de woningen zijn toetspunten ten behoeve van 3 bouwlagen gemodelleerd. De berekeningen zijn verricht aan de hand van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 en met behulp van het programma Geomilieu, versie 2021.1. De geluidsbelasting op de nieuw te bouwen woningen bedraagt maximaal 46 dB. Er vindt geen overschrijding van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB plaats. Er gelden vanuit akoestisch oogpunt geen belemmeringen voor de realisatie van het plan.

4.2.3

Conclusie

Het aspect 'geluid' vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

38

bestemmingsplan "Kamersche Hoef" (vastgesteld)

bestemmingsplan Kamersche Hoef

4.3

Luchtkwaliteit

4.3.1

Regelgeving

In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' in beeld te worden gebracht. De Wet luchtkwaliteit van 15 november 2007, opgenomen in hoofdstuk 5, onder titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm) gaat in op luchtkwaliteitseisen. In Bijlage 2 van de Wm zijn wettelijke grenswaarden vastgelegd van onder andere de stoffen stikstofdioxide (NO 2), fijn stof (PM10), benzeen (C6H6), zwaveldioxide (SO2), lood (Pb) en koolmonoxide (CO). Projecten dienen te worden beoordeeld op basis van de 'Wet luchtkwaliteit' c.q. artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor vergunningverlening als:  er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;  een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt;  een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging;  een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden.

In artikel 2 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is opgenomen dat een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de zogenaamde '3% grens' niet wordt overschreden. Na vaststelling van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) op 1 augustus 2009 is deze grens gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 µg/m3 voor zowel PM10 als NO2. In artikel 4 van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden.

4.3.2

Onderzoek

Er is een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd in het plangebied. Dit onderzoek is als bijlage 5 bij de toelichting gevoegd. De categorie woningbouw is opgenomen in bijlage 3A van de Regeling NIBM. De NIBM-grens voor woningbouwlocaties (voorschrift 3A.2) is = 1.500 (netto) woningen met één ontsluitingsweg. Met onderhavig plan wordt de realisatie van 143 woningen voorzien. Het plan zal de NIBM-grens uit de regeling niet overschrijden en derhalve niet in betekenende mate bijdragen aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen. Verdere toetsing voor het plan is niet noodzakelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is tevens onderzocht wat de luchtkwaliteit is ter plekke van de voorgenomen ontwikkeling. In de Wet milieubeheer zijn grenswaarden opgenomen voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijnstof (jaar- en daggemiddelde) van belang. Voor de andere luchtverontreinigende stoffen wordt, met uitzonderingen daargelaten, nergens een overschrijding berekend. Met behulp van de NSL-monitoringstool is beoordeeld of er ter hoogte van het plan sprake is van een (dreigende) overschrijding van luchtverontreinigende stoffen. Hiervoor is de hoogste waarde van de twee nabijgelegen rekenpunten aan de Lariestraat gehanteerd.

In navolgende tabel zijn voor de jaren 2020 en 2030 voor de relevante stoffen de concentraties en de grenswaarden weergegeven:

bestemmingsplan "Kamersche Hoef" (vastgesteld)

39

bestemmingsplan Kamersche Hoef

Uit de resultaten blijkt dat er geen sprake is van een (dreigende) normoverschrijding. Voor de concentraties verontreinigende stoffen ter plekke van de te realiseren woningen wordt ruim voldaan aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer.

4.3.3

Conclusie

Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

4.4

Milieuzonering

4.4.1

Regelgeving

Wanneer ruimtelijke ontwikkelingen in de directe omgeving van inrichtingen en/of bedrijven worden gerealiseerd, zal een milieukundig onderzoek uit moeten wijzen in hoeverre er sprake is van mogelijke beperkingen ten gevolge van de aanwezige inrichtingen en of bedrijven. Maar ook andersom dient aandacht te worden besteed aan de rechten van de aanwezige inrichtingen en/of bedrijven. Het is immers niet de bedoeling dat nieuwe ontwikkelingen de huidige bedrijfsvoering in de directe omgeving zullen beperken. Voor het vaststellen van de genoemde minimale richtafstanden tussen inrichtingen en milieugevoelige functies worden in de regel de lijsten zoals deze zijn opgenomen in de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' gebruikt. Daarbij wordt o.a. gekeken naar de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar en zo nodig naar het risico op bodem- of luchtverontreiniging. Bedrijven zijn in de VNGhandreiking ingedeeld in categorieën met bijbehorende gewenste richtafstanden tot milieugevoelige functies. De categorieën geven de zwaarte van bedrijvigheid en mogelijke milieuhinder weer. De richtafstanden kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandstap worden verlaagd indien sprake is van omgevingstype gemengd gebied.

Tabel 4.1: Richtafstanden VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' Bovenstaande tabel geeft een overzicht van de richtafstanden voor verschillende bedrijfscategorieën ten opzichte van een woonwijk en gemengd gebied. Indien de richtafstand niet wordt overschreden, kan verdere toetsing voor het aspect in beginsel achterwege blijven: inpassing is dan mogelijk. Indien er sprake is van een kortere afstand dan de richtafstand, is aanvullend onderzoek noodzakelijk.

40

bestemmingsplan "Kamersche Hoef" (vastgesteld)

bestemmingsplan Kamersche Hoef

4.4.2

Onderzoek

Er is een quickscan uitgevoerd naar het aspect milieuzonering (exclusief agrarische bedrijvigheid) voor het plangebied. Dit onderzoek is als bijlage 6 bij de toelichting gevoegd. Het agrarisch bedrijf aan de Lariestraat 23 en 23a zal binnen het plangebied komen te vallen. Het betreft op dit moment de paardenstal Dice, waarvan de paardenstallen en rijbak komen te vervallen. In het nieuwe bestemmingsplan zal de functieaanduiding ‘agrarisch bedrijf’ blijven bestaan. Binnen de functieaanduiding ‘agrarisch bedrijf’ is het op basis van het geldende bestemmingsplan planologisch toegestaan om een bedrijf te hebben dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren, met inbegrip van andere activiteiten van ondergeschikte betekenis. Het vestigen van een (intensieve) veehouderij of een gebruiksgerichte paardenhouderij wordt niet als agrarisch bedrijf aangemerkt. In het nieuwe bestemmingsplan zal het bouwvlak van de gronden bestemd als ‘agrarisch bedrijf’ worden ingeperkt. Het nieuwe bouwvlak komt op meer dan 50 m afstand van de meest nabijgelegen nieuwbouwwoningen te liggen. Voor een agrarisch bedrijf geldt milieucategorie 3.2 met een richtafstand van 50 m in een gemengd gebied. Met het nieuwe bestemmingsplan wordt voldaan aan deze afstand.

Resterende bedrijfsbebouwing buiten het bouwvlak wordt aangeduid als ‘bedrijf tot en met categorie 2', waarbij in een gemengd gebied een richtafstand van 10 m van toepassing is. Ook aan deze richtafstand wordt met de voorgenomen nieuwbouw voldaan. Er zijn in de omgeving geen bestemmingen aanwezig die het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied nadelig kunnen beïnvloeden. Uitzondering zijn mogelijk enkele intensieve veehouderijen aan de noordzijde van het plangebied. Hiervoor is een separaat onderzoek naar geurhinder uitgevoerd. Voor het aspect 'agrarische geur' wordt verwezen naar paragraaf 4.6. Het aspect 'gezondheid in relatie tot veehouderijen' wordt besproken in subparagraaf 4.11.2.

4.4.3

Conclusie

Het aspect 'milieuzonering' vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

4.5

Externe veiligheid

4.5.1

Regelgeving

Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's die ontstaan voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen als vuurwerk, lpg en munitie over weg, water en spoor en door buisleidingen. Het beleid rondom externe veiligheid is vastgelegd in circulaires, regelingen, AMvB's en wetten. In Nederland worden twee maten gehanteerd voor externe veiligheidsrisico's, namelijk het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Bij het plaatsgebonden risico (PR) gaat het om de kans per jaar dat een denkbeeldig persoon overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen als deze persoon zich onafgebroken en onbeschermd in de nabijheid van een risicovolle inrichting of transportas bevindt. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven als een contour rondom de risicovolle inrichting of de transportas. Het groepsrisico (GR) is de cumulatieve kans dat een (werkelijk) aanwezige groep van 10, 100 of 1.000 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico moet verantwoord worden voor het gebied waarbinnen zich de gevolgen van een incident met gevaarlijke stoffen voordoen. Dit is de zogenaamde 1 %-letaliteitsgrens; de afstand vanaf een risicobedrijf waarop nog slechts 1 % van de blootgestelde mensen in de omgeving overlijdt bij een ongeval op het risicobedrijf (invloedsgebied).

Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein, bijvoorbeeld rondom chemische fabrieken, LPG-tankstations en spoorwegemplacementen waar goederentreinen met gevaarlijke stoffen rangeren. Het besluit is op 27 oktober 2004 in werking getreden.

bestemmingsplan "Kamersche Hoef" (vastgesteld)

41

bestemmingsplan Kamersche Hoef

Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. Daarin wordt geregeld hoe een gemeente moet omgaan met risico's langs relevante buisleidingen. De hogedruk gasleidingen van Gasunie zijn het meest relevant. Op 1 april 2015 is de regeling 'Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' in werking getreden. Het Basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd.

4.5.2

Onderzoek

Op basis van de risicokaart is een inschatting gemaakt van de aanwezige risicobronnen in de omgeving van het plangebied. Daaruit blijkt dat in de directe omgeving van het plangebied geen risicobronnen aanwezig zijn:

Uitsnede risicokaart met globale aanduiding plangebied (blauwe omkadering) Plaatsgebonden risico Het voorliggende plangebied ligt buiten de plaatsgebonden risicocontour 10 -6 van risicovolle inrichtingen, transportroutes voor gevaarlijke stoffen en hogedruk aardgastransportleidingen. Het plaatsgebonden risico vormt dan ook geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Groepsrisico Het plangebied bevindt zich buiten het invloedgebied van risicovolle inrichtingen, transportroutes voor gevaarlijke stoffen en hogedruk aardgastransportleidingen. Het groepsrisico hoeft niet (beperkt) verantwoord te worden.

42

bestemmingsplan "Kamersche Hoef" (vastgesteld)

bestemmingsplan Kamersche Hoef

4.5.3

Conclusie

Het aspect 'externe veiligheid' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.6

Geur

4.6.1

Regelgeving

Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) bevat het beoordelingskader voor geurhinder van veehouderijen die vergunningsplichtig zijn op basis van de Wet milieubeheer (Wm). Het beoordelingskader is als volgt:  voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld (in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv)) geldt een maximale geurbelasting) op een geurgevoelig object;  voor andere diercategorieën geldt een minimale afstand van de dierenverblijven ten opzichte van geurgevoelige objecten. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden (conform Reconstructiewet) en nietconcentratiegebieden en tussen situaties binnen de bebouwde kom en buiten de bebouwde kom. De wet beschrijft in artikel 3 de maximale norm voor geurbelasting van een veehouderij ten opzichte van een gevoelig object in vier situaties, zie navolgende tabel:

Binnen bebouwde kom

Buiten bebouwde kom

Concentratiegebied

Niet-concentratiegebied

diercategorieën Rgv

maximaal 3 ouE/m³

maximaal 2 ouE/m³

andere diercategorieën

minimaal 100 m t.o.v. geurgevoelig object

minimaal 100 m t.o.v. geurgevoelig object

diercategorieën Rgv

maximaal 14 ouE/m³

maximaal 8 ouE/m³

andere diercategorieën

minimaal 50 m t.o.v. geurgevoelig object

minimaal 50 m t.o.v. geurgevoelig object

Geurnormen Wgv De Wgv biedt gemeenten de mogelijkheid om afwijkende geurnormen vast te stellen voor (delen van) het grondgebied. Op deze wijze kan de gemeente een geurhinderbeleid vaststellen dat is afgestemd op de plaatselijke situatie. Regeling geurhinder en veehouderij In de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) is de wijze vastgelegd waarop:  de geurbelasting wordt bepaald;  de afstand tussen veehouderij en geurgevoelig object) wordt gemeten. Activiteitenbesluit Per 1 januari 2013 zijn agrarische activiteiten onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit gebracht. In het Activiteitenbesluit zijn voor alle agrarische activiteiten, waaronder akkerbouwbedrijven en veehouderijen, eisen opgenomen. Voor de veehouderijen is aangesloten bij de systematiek uit de Wgv, dat wil zeggen dat in bepaalde gevallen een maximaal toegestane geurbelastingen geldt (diercategorieën waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld, bijvoorbeeld varkens en pluimvee) en in andere gevallen vaste afstandseisen gelden (diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld, waaronder melkrundvee).

4.6.2

Doorvertaling bestemmingsplan

Er is een geuronderzoek uitgevoerd voor de nieuwe woningen in het plangebied. Dit onderzoek is als bijlage 7 bij de toelichting gevoegd.

bestemmingsplan "Kamersche Hoef" (vastgesteld)

43

bestemmingsplan Kamersche Hoef

Op basis van het geuronderzoek wordt geconcludeerd dat voor de realisatie van het plan geen beperkingen gelden. De veehouderijen in de omgeving worden met de realisatie van de nieuwe geurgevoelige objecten niet verder beperkt in de huidige en toekomstige bedrijfsvoering. Het woonen leefklimaat ter plekke van de nieuwe woningen wordt tevens acceptabel geacht. Het aspect 'geur' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

4.7

Waterhuishouding

4.7.1

Regelgeving

Rijksbeleid Het Nationaal Waterplan 2022 - 2027 beschrijft de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid tot 2027, met een vooruitblik richting 2050. Het Rijk speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. Binnen de planperiode gaan realistische maatregelen in uitvoering die een antwoord bieden op de opgaven voor de korte termijn en voldoende mogelijkheden openlaten om op langere termijn verdere stappen te zetten. Om een duurzaam en klimaatbestendig watersysteem te bereiken moet het water meer bepalend zijn bij de besluitvorming over grote ruimtelijke opgaven dan voorheen. De mate van bepalendheid wordt afhankelijk gesteld van, onder meer, de omvang en de aard van de ingrepen, bestaande functies, nieuwe andere ruimteclaims en de bodemgesteldheid van een gebied. Beleid waterschap Waterbeheerplan In het waterbeheerplan staat hoe waterschap Aa en Maas het waterbeheer in het werkgebied in de komende jaren wil uitvoeren. Het waterbeheerplan beschrijft de uitgangspunten voor het beheer, de ontwikkelingen die de komende jaren verwacht worden en de belangrijkste keuzen die het waterschap moet maken. Daarnaast geeft het waterbeheerplan een overzicht van maatregelen en kosten. De maatregelen voor de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) zijn onderdeel van het plan.

Het waterbeheerplan biedt de basis voor de uitwerking van maatregelen die voor het behalen van de doelen noodzakelijk zijn Keur Eén van de instrumenten van het waterschap om zijn taken uit te oefenen is de Keur Waterschap Aa en Maas 2015. De Keur kent gebods- en verbodsbepalingen die erop gericht zijn watergangen te beschermen. Zo is het in bepaalde gevallen verboden om zonder vergunning water te lozen of te onttrekken aan oppervlaktewater. Ook legt de Keur in sommige gevallen aan burgers een onderhoudsverplichting op. Daarnaast mag men zonder Keurontheffing geen activiteiten ontplooien of bouwwerken plaatsen die het onderhoud aan watergangen kunnen belemmeren. Dit betekent dat voor bepaalde activiteiten nabij watergangen of met mogelijke invloed op watergangen een ontheffing bij het waterschap moet worden gevraagd. Hydrologisch neutraal bouwen De beleidsterm 'Hydrologisch neutraal bouwen' toegelicht in de 'Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen' geeft invulling aan het 'niet afwentelen' principe, zoals commissie waterbeheer 21e eeuw (WB21) is gegeven. Beter is te spreken van hydrologisch neutraal ontwikkelen, omdat ook andere ontwikkelingen dan bouwprojecten dienen te worden getoetst. In principe heeft elke ruimtelijke ontwikkeling invloed op de hydrologie.

De beleidsterm 'hydrologisch neutraal' heeft dan ook vooral betrekking op het zo veel mogelijk (binnen de ontwikkeling) neutraliseren van de negatieve hydrologische gevolgen van (toekomstige) ruimtelijke ontwikkelingen in ruimte en tijd. De ontwikkeling mag geen hydrologische achteruitgang aan de randen van het plangebied ten opzichte van de referentiesituatie tot gevolg hebben:  Er is geen (onvertraagd) toename van de waterafvoer op de rand van het plangebied;  Er mogen geen veranderingen van oppervlaktewaterstanden optreden op de grens van het plangebied en daarbuiten (tenzij veranderingen gewenst zijn);  Er mag geen overlast optreden door extreme neerslag gebeurtenissen. De voorkeursvolgorde bij het nemen van maatregelen tegen wateroverlast gaan uit van het principe water vasthouden dan wel hergebruiken, water bergen en als laatste pas water afvoeren.

44

bestemmingsplan "Kamersche Hoef" (vastgesteld)

bestemmingsplan Kamersche Hoef

4.7.2

Onderzoek

Er is een watertoets uitgevoerd voor het plangebied. Deze is als bijlage 8 bij de toelichting gevoegd. Maaiveldhoogten De huidige maaiveldhoogten binnen en rondom het plangebied zijn door BOOT, d.d. 22 januari 2022, L21-0342-001, ingemeten. Centraal door het plangebied loopt een ondiepe greppel. Het maaiveld loopt op vanaf het zuidwesten naar het noordoosten. In het zuidoosten heeft het maaiveld een hoogte van circa NAP +7,2 m en in het noordwesten heeft het maaiveld een hoogte van circa NAP + 7,5 m. Grondwaterstanden Er zijn geen meerjarige meetreeksen beschikbaar van de grondwaterstanden binnen het plangebied. Wel zijn er tijdens meerdere veldwerkzaamheden grondwaterpeilingen uitgevoerd en zijn er grondwatermodellen beschikbaar voor de planlocatie. Op basis van deze informatie is een inschatting gedaan van de Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand (GHG). Op basis van de beschikbare informatie uit de grondwatermodellen en de grondwaterpeilingen tijdens de veldwerkzaamheden wordt de GHG binnen het plangebied globaal ingeschat op 0,7 m -mv, ofwel circa NAP +6,8 m. Dit komt ongeveer overeen met de meest ondiepe grondwaterstand ten opzichte van het huidige maaiveld, welke is aangetroffen binnen het plangebied.

Er is gekozen om deze grondwaterstand aan te houden om de reden dat er onvoldoende locatie specifieke meerjarige grondwatergegevens beschikbaar zijn om een diepere grondwaterstand te onderbouwen. Doorlatendheid Op 5 boorlocaties zijn in-situ doorlatendheidsmetingen uitgevoerd om de onverzadigde doorlatendheid (boven de grondwaterstand) van de bodem te bepalen:

De gemeten k-waarden worden geclassificeerd als goed doorlatend (k-waarde 1 – 10 m/dag) en zeer goed doorlatend (k-waarde > 10 m/dag). De meting in boorgat GH04 wijkt af van de andere metingen. Mogelijke oorzaak hiervan is de aanwezigheid van de zwak humeuze bijmenging. De matig fijne zandlaag wordt geschikt geacht voor infiltratie. De representatieve k-waarde voor deze laag wordt conservatief ingeschat op 8 m/dag. Geadviseerd wordt bij de dimensionering van infiltratievoorzieningen rekening te houden met een veiligheidsmarge van 2. Dus om te rekenen met een doorlatendheid van 4 m/dag. De humeuze bijmenging tot maximaal 1 m-mv en de leemlaag vanaf circa 1,5 m -mv tot 2,0 m -mv vormen een belemmering bij infiltratie. De humeuze toplaag kan eenvoudig worden doorbroken. Daarnaast wordt geadviseerd om rondom infiltratievoorziening aanwezige humeuze lagen te verwijderen. De diepere leemlaag vormt echter een grotere uitdaging. Deze laag kan in theorie doorbroken worden zodat diepere infiltratie kan plaatsvinden. Hierbij ontstaat echter het risico dat het diepere grondwater onder druk omhoogkomt en zo bij een hoge stijghoogte grondwateroverlast ontstaat. De stijghoogte binnen het plangebied is niet bekend, daarom kan dit risico niet worden beoordeeld. Geadviseerd wordt de zandlaag globaal tussen 1,0 m -mv en 2,0 m -mv te gebruiken voor infiltratie.

Gezien het beperkte bergend vermogen van dit zandpakket (door de onderliggende leemlaag) is het noodzakelijk voldoende overstortvoorzieningen aan te brengen. Verhard oppervlak Het huidig verhard oppervlak is bepaald aan de hand van de Open topokaart van PDOK, de topografische kaart en luchtfoto’s.

bestemmingsplan "Kamersche Hoef" (vastgesteld)

45

bestemmingsplan Kamersche Hoef

Om een indicatie te geven van het toekomstig verhard oppervlak is uitgegaan van het stedenbouwkundig plan (juni 2023), zoals opgenomen in bijlage B van de watertoets. In het kader van de watertoets wordt een onderscheid gemaakt tussen de kavelgrootte en een aanname voor het toekomstig verhard oppervlak. Voor de rijwoningen wordt 75 % van het netto perceeloppervlak (perceeloppervlak - bebouwing) beschouwd als aanname voor het toekomstig verhard oppervlak van bijbouwen en tuin/erfverharding. Voor de grotere kavels zoals de twee-onder-een-kapwoningen (2kap) wordt 50 % van het netto perceeloppervlak beschouwd als aanname voor het toekomstig verhard oppervlak. Ten opzichte van de huidige situatie zal ten aanzien van de ontwikkeling het verhard oppervlak toenemen met 24.516 m². Het verhard oppervlak in de toekomstige situatie bedraagt circa 32.016 m². Waterbergingsopgave Voor dit plan dient in samenwerking met het waterschap een maatwerkoplossing uitgewerkt te worden voor de berging van 60 mm neerslag. Uitgaande van een gevoeligheidsfactor van 1 (stedelijk gebied) bedraagt de initiële compensatiewaarde 1.471 m 3 (24.516 m² x 1 x 0,06 m). Hiervan kan afgeweken worden als dit met aanvullend geohydrologisch onderzoek onderbouwd kan worden. Voor het definitieve waterplan moet bij het waterschap een vergunning worden aangevraagd.

Randvoorwaarden en uitgangspunten Ten aanzien van het plan en de omgang met hemelwater zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd:  Toepassen voorkeursvolgorde waterkwantiteit (benutten en besparen, vasthouden en infiltreren, bergen en afvoeren).  Toepassen voorkeursvolgorde waterkwaliteit (schoonhouden, scheiden, zuiveren).  De ontwikkeling dient hydrologisch neutraal plaats te vinden.  Niet afwentelen op anderen in ruimte en tijd.  De wateropgave baseren op de toename van het toekomstig verhard oppervlak. Vooralsnog is uitgegaan van 24.516 m².  Infiltratie- en bergingsvoorzieningen in het plan dimensioneren conform 60 mm gerekend over het aantal m².  Calamiteit in beschouwing nemen (mag niet tot overlast leiden).  Bouwen volgens Duurzaam Bouwen (DuBo) principe.  Wateropgave 1.471 m³.  De maximale ledigingsduur van het systeem bij voorkeur gelijk of kleiner dan 24 uur.  Aanlegdiepte bergingsvoorzieningen boven de GHG.  GHG ingeschat op 6,8 m +NAP (ca 0,7 m -mv).  In de huidige situatie heeft het maaiveld in het zuidoosten een hoogte van circa NAP +7,2 m en in het noordwesten heeft het maaiveld een hoogte van circa NAP + 7,5 m.  Het maaiveld binnen het plangebied zal in de toekomstige situatie opgehoogd worden.

Hemelwatervoorzieningen In de toekomstige situatie zal het schone hemelwater (zogenaamde hemelwaterafvoer; HWA) niet op het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) worden aangesloten maar separaat worden verwerkt. Het streven is dat hemelwater oppervlakkig afstroomt en enkel indien niet mogelijk, ondergrond wordt gebracht. Dit betekent dat bij de verdere planuitwerking water expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing wordt genomen en dat hemelwater op een duurzame wijze wordt verwerkt. De ontwikkeling zal daarmee hydrologisch neutraal zijn. Navolgende afbeelding geeft een schetsmatig overzicht weer van het hemelwatersysteem. Het plan is om een primaire wadi te realiseren aan de westkant van het plangebied. Daarnaast worden er watertuinen ingericht welke een secondaire bergingsfunctie hebben. Centraal in het plangebied wordt een greppelstructuur aangebracht welke een verzamel-, bergings- en afwateringsfunctie heeft. Alle waterbergende en water-afvoerende voorzieningen worden aangesloten op de bestaande sloot/greppel ten zuiden van de planlocatie. Deze staat in verbinding met de sloot/greppel ten zuiden van de Veldstraat. Bij de ontwikkeling van het projectgebied Heeswijkse Akkers, ten zuiden van het plangebied Kamersche Hoef, wordt deze watergang tevens aangepakt.

Bij de verdere planuitwerking wordt aangesloten bij deze aanpassing aan de watergang en wordt gewaarborgd dat het uiteindelijk als één watersysteem functioneert zonder dat voor overlast of overbelasting van het totale systeem zorgt. Dit zou kunnen door water bijvoorbeeld langer binnen het plangebied vast te houden of door te werken met verschillende peilniveaus.

46

bestemmingsplan "Kamersche Hoef" (vastgesteld)

bestemmingsplan Kamersche Hoef

Een wadi is een bovengrondse afkoppelvoorziening waarbij het hemelwater bij voorkeur oppervlakkig wordt getransporteerd naar een laagte in de openbare ruimte waar het vervolgens kan infiltreren in de bodem. Een dergelijke voorziening is controleerbaar en beheersbaar en kan tevens een zuiverende werking hebben. In sommige situatie kan een gemeente specifieke eisen stellen aan het ontwerp, aanleg, beheer en onderhoud. Een watertuin heeft dezelfde principewerking als een wadi maar wordt volledig uitgevoerd met beplanting. Het voordeel is dat er meer hemelwater geborgen kan worden omdat er gewerkt kan worden met een steiler talud. Daarnaast heeft het door de rijke beplantingsdiversiteit, in tegenstelling tot een wadi met enkel gras, een positieve invloed op de biodiversiteit. Ook heeft een watertuin een hogere esthetische waarden. Primaire wadi en greppelstructuur Ter bepaling van het ruimtegebruik van de primaire wadi’s is onderscheid gemaakt in de oostelijk en westelijk gelegen wadi’s. Naast de lengte is ook de breedte op 10 punten opgemeten. Op basis van deze 10 punten is de gemiddelde breedte van de wadi berekend. De diepte van de wadi’s is gebaseerd op de dwarsdoorsnedes uit het stedenbouwkundig plan. Voor de inhoudsberekening, bij volledige vulling, is uitgegaan van een talud van 1 op 3.

In totaal bieden de primaire wadi en de greppelstructuur ruimte om 1.195 m³ water te bergen. Dan blijft er een restopgave van 276 m² waterberging over. Deze wordt gevonden in de watertuinen. Watertuinen De watertuinen fungeren als groenzones met een waterbergende functie. Door verlagingen in de bestrating wordt water oppervlakkig hiernaartoe afgevoerd. Daarnaast fungeren ze als noodoverloop voor de primaire wadi. In de watertuinen heeft het water de tijd om te infiltreren en te verdampen. Voor de inhoudsberekening, bij volledige vulling, is uitgegaan van een talud van 1 op 2.

bestemmingsplan "Kamersche Hoef" (vastgesteld)

47

bestemmingsplan Kamersche Hoef

In totaal kan er in de watertuinen 680 m³ water geborgen worden. De minimaal benodigde capaciteit is 249 m³. Hierbij is er dus voldoende bergingsruimte aanwezig. Lediging en calamiteit Op basis van de bodemopbouw en textuur worden geen problemen verwacht met de lediging van het toekomstige systeem. Het beschreven systeem is dusdanig robuust dat een situatie waarbij in een korte tijd 60 mm neerslag valt geborgen kan worden. In een situatie waarbij in een korte tijd meer regen valt dan 60 mm kan tijdelijk een water-op-straat situatie ontstaan. Afstroming van hemelwater richting gebouwen en/of aangrenzende percelen dient te worden voorkomen. Overtollig water kan eventueel overstorten naar de bestaande watergang aan de zuidzijde van het plangebied. Kwaliteit Uitgangspunt bij elke ruimtelijke ontwikkeling is, dat de kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater niet mag verslechteren ten opzichte van de huidige situatie. Waar mogelijk wordt een verbetering nagestreefd. De waterkwaliteit wordt beïnvloed door het (veranderende) ruimtegebruik en het gebruik van bouwmaterialen. Bouwmaterialen De gemeente streeft naar het terugdringen van het gebruik van uitlogende bouwmaterialen (koper, zink, lood) om de water- en bodemkwaliteit niet negatief te beïnvloeden.

Dit aspect is als aanbeveling opgenomen in het Nationale Pakketten Duurzaam Bouwen: Woningbouw nieuwbouw, Woningbouw beheer en Utiliteitsbouw is een tweetal maatregelen (S/U237 en S/U444) en is ook van toepassing op onderhavige planlocatie. De emissies vanuit bouwmaterialen richting het oppervlaktewater dienen in verband met de waterkwaliteit zoveel mogelijk te worden beperkt door bij voorkeur gebruik te maken van producten die voorzien zijn van een keurmerk. Onkruidwerende middelen Voor het gebruik van onkruidwerende middelen in groen en op verharding dient het landelijke beleid gevolgd te worden. Onkruidwerende middelen worden niet meer gebruikt in het openbaar groen. Voor bestrijding op verhardingen vindt gebruik, voor zover toegestaan, plaats via de Duurzaam OnkruidBeheer(DOB)-systematiek en dient gezocht te worden naar alternatieven zoals branden, heet water en/of borstelen. Keur Voor alle handelingen aan of in de nabijheid van een watergang zoals: dempen, graven, bouwen, onttrekken, lozen etc. is in het kader van de keur een vergunning van het waterschap benodigd en zal in overleg aangevraagd moeten worden. Ten aanzien van het beoogde planvoornemen is het verplicht een watervergunning aan te vragen. Ten behoeve van de Beleidsregel afvoer door toename en afkoppelen van verhard oppervlak dienen verschillende onderwerpen in het waterhuishoudkundig plan uitgewerkt te worden.

Riolering Ten aanzien van de toekomstige situatie zal de ontwikkeling zorgen voor een toename/verandering in het aanbod van vuilwater op het riool. Voor de berekening van het toekomstige aanbod en eventuele toename hierin, is voor de berekening uitgegaan van een gemiddeld verbruik van 120 l per dag geproduceerd per IE. Per woning wordt uitgegaan van een gemiddelde woningbezetting van 2,5 bewoners. Dit betekent dat er dus 2,5 x 120 = 300 l per dag per woning wordt geloosd. Conform het planontwerp zullen er in totaal 143 woningen worden gerealiseerd. Dit komt overeen met een aanbod c.q. toename van circa 43 m³/dag. De berekening is gebaseerd op basis van aannames en betreft derhalve een indicatie van hoeveelheden. Het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) zal in de toekomstige situatie worden aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel dat is gelegen in het Hopveld in het noordoosten van het plangebied. De mogelijkheden en wijze van aansluiting zal in overleg met de gemeente besproken moeten worden. Tevens zal voor de aansluiting een vergunning aangevraagd moeten worden.

48

bestemmingsplan "Kamersche Hoef" (vastgesteld)

bestemmingsplan Kamersche Hoef

4.7.3

Conclusie

Op basis van de randvoorwaarden en uitgangspunten is de ontwikkeling in zowel ruimte als tijd waterneutraal uit te voeren. Er zijn vanuit het oogpunt van de waterhuishouding geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

4.8

Ecologie

4.8.1

Regelgeving

Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze wet vervangt drie oude wetten: de Natuurbeschermingswet 1998 (gebiedsbescherming: Natura 2000), de Flora- en faunawet (soortenbescherming) en de Boswet (kapvergunningen). Soortenbescherming Voor ruimtelijke ingrepen die resulteren in overtreding van één of meer artikelen van de Wnb moet ontheffing worden aangevraagd. Voor een aantal soorten geldt daarenboven het beschermingsregime van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Voor werkzaamheden die uit een bestemmingsplan voortvloeien dient voor de start van die werkzaamheden ontheffing te worden aangevraagd indien beschermde soorten voorkomen. Bij de vaststelling van het plan dient duidelijk te zijn of en in hoeverre een ontheffing kan worden verkregen. Voor alle in de wet genoemde diersoorten (inclusief vogels) geldt dat het verboden is individuen van deze soorten (opzettelijk) te doden of te vangen. Bovendien is het verboden nesten (en eieren) en (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen dan wel weg te nemen. Voor de in de wet genoemde plantensoorten geldt dat het verboden is exemplaren in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. In de Wnb worden drie beschermingsregimes onderscheiden voor beschermde soorten.

Voor de eerste twee regimes gelden aanvullende verbodsbepalingen. 1. Het beschermingsregime Vogelrichtlijn (Vrl), dat van toepassing is op van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vrl. Met betrekking tot deze vogelsoorten geldt dat het - aanvullend aan de bovengenoemde verbodsbepalingen - verboden is vogels opzettelijk te storen, behalve als de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Ruimtelijke inrichting of ontwikkeling en dwingende redenen van groot openbaar belang zijn geen reden om ontheffing te verlenen. Ontheffing is uitsluitend toegestaan op basis van de ontheffingsgronden die in de Vrl zijn genoemd. Overigens is het, indien geen ontheffing nodig is, volgens de huidige interpretatie van de wet wel verplicht rekening te houden met het broedseizoen van vogels. Voor sommige vogelsoorten met vaste verblijfplaatsen geldt dat deze vaste verblijfplaatsen en het essentiële leefgebied jaarrond beschermd zijn. 2. Het beschermingsregime Habitatrichtlijn (Hrl), dat van toepassing is op soorten van bijlage IV bij de Hrl, bijlage I en II bij het Verdrag van Bern en bijlage I bij het Verdrag van Bonn. Met betrekking tot deze soorten is het - aanvullend aan de bovengenoemde verbodsbepalingen verboden dieren opzettelijk te verstoren.

Ontheffing wordt voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling alleen verleend indien: a. er geen andere bevredigende oplossing is, en b. geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort, en c. sprake is van één van de volgende (bij ruimtelijke ontwikkeling relevante) belangen:  de bescherming van wilde flora en fauna of natuurlijke habitats, of  de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en voor het milieu wezenlijk gunstige effecten. 3. Het beschermingsregime Andere Soorten, dat van toepassing is op soorten van de bijlage behorende bij artikel 3.10 van de Wnb. Ontheffing is alleen mogelijk indien: a. er geen andere bevredigende oplossing is, en b. indien geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort. Er is echter geen ontheffing nodig indien gewerkt wordt volgens een geldige gedragscode die van toepassing is op de betreffende soort(en). Vaak is daarnaast ecologische begeleiding en een ecologisch werkprotocol nodig bij de uitvoering van werkzaamheden.

bestemmingsplan "Kamersche Hoef" (vastgesteld)

49

bestemmingsplan Kamersche Hoef

De provincies kunnen voor het beschermingsregime Andere Soorten een algemene vrijstelling verlenen voor onder meer ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. In de gemeente Bernheze is de provincie Noord-Brabant het bevoegd gezag voor de Wnb. Indien nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van soorten niet (kunnen) worden ontzien, is ontheffing noodzakelijk. Ontheffing is niet benodigd indien de functionaliteit van de nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen gegarandeerd wordt (het beschadigen en vernielen wordt voorkomen door maatregelen of er zijn voldoende alternatieven). Ten slotte is altijd de algemene zorgplicht van toepassing, die inhoudt dat een ieder voldoende zorg in acht neemt voor alle inheemse dieren en planten en hun directe leefomgeving (artikel 1.11 van de Wnb). Concreet betekent dit dat bij ruimtelijke ontwikkeling gezorgd moet worden dat dieren niet gedood worden en dat planten verplant worden. Ook dient gelet te worden op bijvoorbeeld de voortplantingsperiode van amfibieën en de zoogperiode van zoogdieren. Gebiedsbescherming De Wnb ziet op de bescherming van Natura 2000-gebieden (Vrl- en Hrl-gebieden). Voor ieder Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld voor één of meerdere soorten en/of habitats.

Voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen de Natura 2000-gebieden en tevens voor ontwikkelingen daarbuiten die van invloed kunnen zijn (door 'externe werking') op die beschermde natuurgebieden, gelden (strenge) restricties. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Middels een 'habitattoets' dient te worden onderzocht of een activiteit (significante) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden veroorzaakt. De uitkomsten van de habitattoets dienen te worden beoordeeld door het bevoegd gezag. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden (de voormalige Ecologische Hoofdstructuur / EHS). Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het doel van het NNN is de instandhouding en ontwikkeling van natuurgebieden om daarmee een groot aantal soorten en ecosystemen te laten voortbestaan. Sinds 2014 zijn de provincies het eerste verantwoordelijke bevoegde gezag voor het NNN (daarvoor was dat de rijksoverheid). De provincies hebben in een verordening regelgeving vastgelegd ten aanzien van het NNN.

4.8.2

Onderzoek

Soortenbescherming Er is een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd in het plangebied. Dit onderzoek is als bijlage 9 bij de toelichting gevoegd. Quickscan Wet natuurbescherming Op basis van de quickscan moet voorafgaand aan de werkzaamheden duidelijkheid worden verkregen omtrent een functie van de onderzoekslocatie voor de steenuil en huismus. Overtredingen ten aanzien van algemene broedvogels kunnen worden voorkomen door de werkzaamheden op de onderzoekslocatie buiten het broedseizoen uit te voeren. Indien binnen het broedseizoen gewerkt gaat worden, is een broedvogelinspectie voorafgaand aan de start van de werkzaamheden benodigd. Geadviseerd wordt om ook het snoeiafval buiten het broedseizoen te verwijderen. De bomenrij ten westen van de onderzoekslocatie, aan de Herpersteeg, kan dienen als potentiële vliegroute voor vleermuizen. Overtreding van de Wet natuurbescherming is te vermijden indien potentiële vliegroutes functioneel en duurzaam behouden blijven. Hierdoor wordt geadviseerd om geen additionele (bouw)verlichting toe te passen richting deze bosschage tijdens de bouwfase en de eindfase. Indien verstoring door een toename van verlichting dreigt, zal een verlichtingsplan in samenwerking met een ter zake deskundige worden opgesteld om verstoring door verlichting te voorkomen.

Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht.

50

bestemmingsplan "Kamersche Hoef" (vastgesteld)

bestemmingsplan Kamersche Hoef

Aanvullend onderzoek steenuil en huismus Naar aanleiding van de resultaten van de quickscan is een aanvullend ecologisch onderzoek uitgevoerd naar de steenuil en de huismus. Dit onderzoek is als bijlage 10 bij de toelichting gevoegd. Functie onderzoekslocatie voor huismus Op basis van de verrichtte onderzoeksinspanning is uitgesloten dat de bebouwing op de onderzoekslocatie dient als broedplaats voor huismussen. Evenmin heeft de onderzoekslocatie een essentiële functie voor huismussen. Een ontheffing van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde en er zijn geen mitigerende maatregelen noodzakelijk. Functie onderzoekslocatie voor steenuil Op de onderzoekslocatie zijn geen nestlocaties van steenuil aanwezig. Tevens is gebleken dat de onderzoekslocatie buiten het essentiële foerageergebied valt van in de buurt verblijvende steenuilen. Als gevolg van de werkzaamheden wordt geen vaste rust- en voortplantingsplaats aangetast. Overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van de steenuil is niet aan de orde. Ten aanzien van zowel de huismus als steenuil is een overtreding van de Wet natuurbescherming niet aan de orde en zijn er geen vervolgstappen benodigd voor de uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden.

Gebiedsbescherming Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland en beschermde houtopstanden worden geen bezwaren voorzien in de uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden op de onderzoekslocatie. Het plangebied heeft geen status in het kader van de Wet natuurbescherming (Natura 2000-gebied, Vogel- en/of Habitatrichtlijngebieden). Ook in de directe omgeving van het plangebied zijn geen Natura 2000-gebied gelegen. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek' is op ruim 10,5 km afstand gelegen. Gelet op de grote afstand kan met zekerheid gesteld worden dat de beoogde ontwikkeling geen effect heeft op de instandhoudingsdoelstellingen van dit gebied. Dit wordt bevestigd door het uitgevoerde stikstofdepositieonderzoek, dat als bijlage 11 bij de toelichting is gevoegd. De berekening van het projecteffect van zowel de aanleg- als de gebruiksfase is verricht met behulp van het programma AERIUS Calculator (versie 2021.0.5). Fase 1 van de aanlegfase heeft als peiljaar 2022, fase 2 van de aanlegfase heeft als peiljaar 2023 en de gebruiksfase heeft als peiljaar 2023. In bijlage 2, 3 en 4 zijn de AERIUS berekeningen van respectievelijk de aanlegfase (fase 1), aanlegfase (fase 2) en de gebruiksfase opgenomen. Het projecteffect op de Natura 2000-gebieden ten gevolge van zowel de aanleg- als de gebruiksfase is gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Bernheze&id=f9af4249-1e4d-476a-a3b5-c7b0b847146e