BOPA Sint Servatiusstraat - Balledonk Heeswijk-Dinther - Motivering
Tekst van het document
Daarnaast zijn er activiteiten die de gemeente – als ze die wil toelaten - in ongeacht welk gebied moet toetsen: - de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter; - een wijziging van een tunnel waarbij de lengte minimaal 100 meter toeneemt; - de aanleg van een autoweg of een autosnelweg. Bernheze ligt ingevolge artikel 5.51, lid 3, Bkl in een aandachtsgebied voor PM10. Dit betekent dat aan de (Rijks)omgevingswaarden moet worden getoetst wanneer er sprake is van (onder andere) het toestaan van activiteiten in een omgevingsplan die leiden tot gebruik van wegen. Deze (Rijks)omgevingswaarden volgen uit Europese regelgeving: de Europese richtlijnen Luchtkwaliteit en Gevaarlijke stoffen in de lucht en zijn als rijksomgevingswaarden vastgelegd in paragraaf 2.2.1 van het Bkl. Daarnaast kunnen gemeenten ervoor kiezen strengere normen op te nemen in hun omgevingsplan. Bernheze geen agglomeratie als bedoeld in artikel 2.38 Omgevingsregeling. Op de locatie wordt geen tunnel aangelegd of gewijzigd en ook geen autoweg of autosnelweg aangelegd. Luchtkwaliteit wonen en verblijven De gemeente moet beoordelen of de luchtkwaliteit bij de toe te laten woning(en) aanvaardbaar is. Dit volgt uit de taak tot het evenwichtige toedelen van functies (artikel 4.2 Omgevingswet). Er gelden geen instructieregels. Gemeenten kunnen zelf bepalen welke luchtkwaliteit zij aanvaardbaar vinden bij woningen.
Dit kunnen bijvoorbeeld de Rijksomgevingswaarden zijn, maar de gemeente kan ook strengere omgevingswaarden opnemen voor woningbouw. Bijvoorbeeld de advieswaarden van de WHO. Daarnaast beoordeelt de gemeente of de nieuwe woningen tot een overschrijding van de omgevingswaarden leiden. Gemeente Bernheze toetst aan luchtkwaliteit indien sprake is van significante blootstellingsduur en toetst of het initiatief in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Significante blootstellingsduur Omdat het planvoornemen bestaat uit het omschakelen van een bedrijfs- naar een burgerwoning is sprake van een locatie met een significante blootstellingsduur en is het relevant om de luchtkwaliteit ter plaatse te toetsen. Voor de toetsing hanteert de gemeente de rijksomgevingswaarden (40 μg/m3 (PM10) en 40 μg/m3 (NO²). Voor de appartementencomplexen waarin in totaal 27 sociale huurappartementen worden gerealiseerd is sprake van een significante blootstellingsduur en is toetsing aan de orde. Goflo 27 SOCIALE HUURAPPARTEMENTEN, Sint Servatiusstraat – Balledonk, Heeswijk-Dinther – 24 maart 2025
51
Fijnstof (PM10) Voor fijnstof bedraagt de grens voor de jaargemiddelde concentratie 40 μg/m3. Voor het vaststellen van de achtergrondconcentratie van fijnstof is de grootschalige concentratiekaart van het RIVM geraadpleegd. Voor het projectgebied blijkt dat de achtergrondconcentratie voor PM10 circa 15,16 μg/m3 bedraagt. Er wordt dus ruimschoots voldaan aan de gestelde grenswaarden.
Stikstofdioxide (NO2) Voor stikstofdioxide geldt een grenswaarde van 40 μg/m3 voor een jaargemiddelde concentratie. De waarde voor stikstofdioxide ter plaatse van het projectgebied bedraagt circa 11,36 μg/m3. Dit betekent dat de hoeveelheid stikstofdioxide ruim beneden de gestelde grenswaarden ligt.
Goflo 27 SOCIALE HUURAPPARTEMENTEN, Sint Servatiusstraat – Balledonk, Heeswijk-Dinther – 24 maart 2025
52
NIBM projecten De wet maakt onderscheid tussen kleine en grote ruimtelijke projecten. Kleine projecten zijn projecten die de luchtkwaliteit ‘niet in betekende mate’ (NIBM) verslechteren. Deze projecten hoeven niet meer beoordeeld te worden op luchtkwaliteit. Ze zijn namelijk zo klein dat ze geen wezenlijke invloed hebben op de luchtkwaliteit. Er is geen belemmering als een klein project niet of nauwelijks bij draagt aan luchtverontreiniging, óók niet in overschrijdingsgebieden (gebieden met te veel luchtvervuiling). Het gaat dan over woningen, kantoren, combinatie hiervan, telen van gewassen, het aanleggen van een spoorwegemplacement. Het Besluit kwaliteitseisen leefomgeving geeft aan in welke gevallen een nieuw project in ieder geval een NIBM-project is. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van een rekenmodel. Dit is bijvoorbeeld het geval als er minder dan 1500 woningen worden gebouwd bij minimaal één ontsluitingsweg, of minder dan 3000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Voor veehouderijen wordt gebruik gemaakt van een vuistregel om te bepalen of er sprake is van NIBM-situatie. Deze gaat uit van afstanden tot stallen, dieraantallen en bijbehorende emissiefactoren voor stof. Gemeente Bernheze heeft geen aanvullende eisen vastgesteld voor fijnstof of NO2. Het planvoornemen bevat twee appartementencomplexen met in totaal 27 sociale huurappartementen.
Gezien voorgaande gaat het hier niet om NIBM-project. Om dit aanvullend aan te tonen is de NIBM-tool ingevuld. Hieronder is daarvan een uitsnede opgenomen.
Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit, GCN2022 Jaar van planrealisatie
2025
Extra verkeer als gevolg van het plan
Goflo 27 SOCIALE HUURAPPARTEMENTEN, Sint Servatiusstraat – Balledonk, Heeswijk-Dinther – 24 maart 2025
53
Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde) Aandeel vrachtverkeer Maximale bijdrage extra verkeer
64,8 10,0%
3
NO2 in μg/m
0,10
3
0,01
PM10 in μg/m 3
Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m
1,2
Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet-in-betekenende-mate; geen nader onderzoek nodig
Conclusie Luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het planvoornemen, het planvoornemen vormt geen belemmering voor de luchtkwaliteit ter plaatse. 6.1.3.2
Luchtkwaliteit t.g.v. veehouderijen
Endotoxines en/of zoönosen Het houden van landbouwhuisdieren kan gezondheidseffecten hebben op de omgeving van de veehouderij. Dit kan bijvoorbeeld via endotoxinen en/of zoönosen. Een zoönose is een infectieziekte die kan worden overgedragen van dieren op mensen. Endotoxinen zijn celwandresten van bacteriën die bij mensen onder meer luchtwegklachten kunnen veroorzaken. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet in geval nieuwe milieugevoelige objecten worden gerealiseerd worden beoordeeld of dit aspect voor het planvoornemen tot gezondheidseffecten kan leiden. Het planvoornemen bevat 27 nieuwe milieugevoelige objecten, getoetst moet worden aan het aspect endotoxines en/of zoönosen. Veehouderijen Geitenhouderijen: binnen een straal van 2 km rondom het plangebied is een geitenhouderij aanwezig, aan de Meerstraat op een afstand van circa 1,2 kilometer van het plangebied. Pluimvee- en varkenshouderijen: binnen 250 meter is geen sprake van een varkenshouderij. Binnen 1 km van het plangebied zijn twee pluimveehouderijen gelegen. Eentje op circa 950 meter (Aa-brugstraat 19) en eentje op circa 1 kilometer (Lariestraat 32). Advisering GGD De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 (versie mei 2018) bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is.
Het stappenplan kan worden gebruikt bij het afgeven van milieuvergunningen. Het stappenplan kan ook gebruikt worden voor bestemmingsplannen. Als er meerdere ‘ja’s’ uit volgen is het een overweging om bij de GGD een advies aan te vragen om de cumulatie te bespreken. Stap 1 In deze stap moet beoordeeld worden of de ontwikkeling voldoet aan de endotoxine ‘richtafstand’ tussen een veehouderij en gevoelige bestemming. Het gaat daarbij om varkens- en pluimveehouderijen, waarvoor respectievelijk een afstand van circa 200 en 500 meter geldt. Binnen deze afstanden laten de metingen en berekeningen zien dat overschrijding van de door de Gezondheidsraad gegeven advieswaarde van 30 EU/m3 mogelijk is, als een ontwikkeling buiten deze afstanden zijn gelegen is het aannemelijk dat de waarde van 30 EU/m3 niet wordt overschreden. Voor zowel varkens- als pluimveehouderijen wordt voldaan
Goflo 27 SOCIALE HUURAPPARTEMENTEN, Sint Servatiusstraat – Balledonk, Heeswijk-Dinther – 24 maart 2025
54
aan de endotoxine ‘richt-afstand’ tussen een veehouderij en gevoelige bestemming. GGDadvies is niet aan de orde, ga verder naar stap 2. Stap 2 De ontwikkeling leidt niet tot een toename in de emissie voor geur en/ of fijnstof en/ of ammoniak. GGD-advies is niet aan de orde, ga verder naar stap 3a. Stap 3a In deze stap moet getoetst worden of in het plangebied voldaan wordt aan het wettelijke kader voor geurhinder. Dat betekent in onderhavige situatie in het buitengebied dat de voorgrondbelasting moet voldoen aan 5 OU/m3 en de achtergrondbelasting aan 10 OU/m3. In paragraaf 6.1.3.9 is het aspect geurhinder afkomstig van veehouderijen getoetst. Gemotiveerd wordt dat wordt voldaan aan een voorgrondnorm van 5 OU/m3 en dat de achtergrondbelasting niet meer dan 10 OU/m3 bedraagt. In diezelfde paragraaf is ook het aspect ‘vaste afstanden’ beoordeeld. Voldaan wordt aan de voor de omgeving van het plangebied geldende afstanden tussen gevoelige functies en bedrijven met dieren waarvoor een vaste afstand geldt. Sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat a.d.h.v. het wettelijk kader voor geur. GGD-advies is niet aan de orde, ga verder naar stap 3b. Stap 3b In deze stap moet getoetst worden of in het plangebied voldaan wordt aan de gezondheidskundige advieswaarde voor geurhinder.
Het gaat in onderhavige situatie dan om een voorgrondbelasting van 2 OU/m3 en een achtergrondbelasting van 5 OU/m3. Voor veehouderijen waar dieren waarvoor een vaste afstand geldt, moet voldaan kunnen worden aan een afstand van 100 meter. Omdat er geen veehouderijen met dieren waarvoor een emissiefactor geldt in de directe omgeving liggen, is het aannemelijk dat wordt voldaan aan deze norm. Uit paragraaf 6.1.3.9 blijkt dat aan de achtergrondbelasting van 5 OU/m3 wordt voldaan. Binnen 100 meter van het plangebied is worden geen dieren gehouden. Voldaan wordt aan de vaste afstand van 100 meter. Sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat a.d.h.v. de gezondheidskundige advieswaarde v.w.b. de voorgrondbelasting, achtergrondbelasting en de vaste afstand. GGDadvies is niet aan de orde. Ga verder naar stap 4. Stap 4a+b Er zijn geen veehouderijen in de buurt waar meer dan één diersoort wordt gehouden. Er zijn geen varkens- en/ of pluimveebedrijven in de buurt waarvan de afstand tussen de inrichtingsgrenzen minder dan 100 meter bedraagt. GGD-advies is niet aan de orde, ga verder naar stap 5. Stap 5a Binnen een afstand van 2 km van het planvoornemen is een geitenhouderij gelegen. Dit leidt tot GGD-advies. Binnen een afstand van 1 km van het planvoornemen zijn twee pluimveehouderijen gelegen. Dit leidt eveneens tot GGD-advies.
Binnen een afstand van 250 meter van nieuwe woon- en verblijfsruimten zijn geen varkenshouderijen gelegen. Dit leidt niet tot GGD-advies. Check of stap 6 nog tot een GGD-advies leidt. Stap 6 Er is geen sprake van mestbe- of verwerking als nevenactiviteit of als zelfstandige activiteit. Goflo 27 SOCIALE HUURAPPARTEMENTEN, Sint Servatiusstraat – Balledonk, Heeswijk-Dinther – 24 maart 2025
55
Dit leidt niet tot GGD-advies. Check of stap 7 nog tot een GGD-advies leidt. Stap 7 Bij omwonenden is geen sprake van ongerustheid over de volksgezondheid. Dit leidt niet tot GGD-advies. Uit het doorlopen van het stappenplan blijkt als enige aanleiding voor het aanvragen van een advies bij de GGD, stap 5a. Het plangebied is gelegen binnen twee kilometer van een geitenhouderij en binnen één kilometer van twee pluimveehouderijen. De geitenhouderij ligt op meer dan 1 kilometer en de dichtstbijzijnde pluimveehouderij op 950 meter. Omdat stap 5a de enige aanleiding is voor het aanvragen van een GGD-advies en de gemeente via andere vergelijkbare plannen reeds inzichtelijk heeft gekregen wat de gezondheidsrisico’s zijn die met deze stap gepaard gaan is besloten om voor onderhavige situatie geen advies bij de GGD te vragen. In verband met de ligging van het planvoornemen ten opzichte van een geitenhouderij is aanvullend – volgend uit provinciaal beleid - gemotiveerd waarom het planvoornemen binnen 2 kilometer van een geitenhouderij doorgang kan vinden. Deze motivatie is hieronder opgenomen. Motivatie geitenhouderijen De provincie volgt de lijn uit het VGO-3 en geeft aan dat de dat gemeenten bij ruimtelijke ontwikkelingen een afweging moeten maken over het toevoegen van gevoelige functies binnen de 2-kilometerstraal rondom geitenhouderijen.
Deze motivatie is als volgt: - er is de mogelijkheid, voorafgaand, nieuwe bewoners te informeren om ze een bewuste keuze te laten maken; - er is sprake van een versnelde transitie in de veehouderij. De effecten zijn velerlei maar betekenen in Bernheze in ieder geval dat behalve minder veehouderijen de impact van de resterende bedrijven op de omgeving drastisch zal verbeteren. Er is sprake van allerlei innovatieve ontwikkelingen die de emissie en immissie van aan gezondheid te relateren stoffen zo niet geheel dan toch in beduidende mate zullen beperken. Als tijdelijke voorzorgsmaatregel heeft de provincie Noord-Brabant in 2017 besloten tot een moratorium die bouw en ingebruikname van nieuwe geitenstallen verbiedt. Gezien voorgaande feiten en overwegingen heeft de gemeente geconstateerd dat onderhavig planvoornemen zonder GGD-advies doorgang kan vinden. Conclusie De locatie is gelegen binnen een straal van 2 kilometer van een geitenhouderij en binnen 1 kilometer van twee pluimveehouderijen. Binnen een straal van 2 kilometer van een geitenhouderij is er een verhoogd risico voor de volksgezondheid. Uit onderzoek is nog niet gebleken waar dit aan te wijten is. De provincie volgt de lijn uit het VGO2/03 en geeft aan dat de gemeentes een afweging moeten maken over het toevoegen van functies binnen deze straal van 2 kilometer.
In het kader van onderhavige ontwikkeling is deze afweging gemaakt, waarbij is betrokken dat: - er een sterke behoefte is aan sociale huurwoningen; - de initiatiefnemer bekend is met het in het VGO 02/03 genoemd gezondheidsrisico, i.c. het verhoogd risico op longontsteking; - de initiatiefnemer de evt. opvolgend koper(s) op dit risico wijst, door dit op te nemen in de koopovereenkomst i.c.m. een kettingbeding.
Goflo 27 SOCIALE HUURAPPARTEMENTEN, Sint Servatiusstraat – Balledonk, Heeswijk-Dinther – 24 maart 2025
56
O.a. op basis hiervan heeft de gemeente Bernheze, ondanks het gezondheidsrisico, besloten medewerking te verlenen aan het planvoornemen en het doorgang te laten vinden. 6.1.3.3 Houtstook Houtstook mag niet leiden tot overlast bij buurtbewoners. Gebruikers van een bouwwerk, open erf of terrein moeten alle redelijke maatregelen nemen om overlast of hinder van onder andere rook, roet, walm en stof te voorkomen of te stoppen. Deze specifieke zorgplicht staat in het tijdelijk deel van het omgevingsplan (bruidsschat). Het gaat om artikel 22.18 (bouwwerken) en 22.20 (open erven en terreinen). Beide artikelen vervangen het overlastartikel 7.22 uit het Bouwbesluit. De gemeente kan deze specifieke zorgplicht verduidelijken of verder invullen in het omgevingsplan. Bijvoorbeeld door toetsings- en handhavingscriteria op te stellen voor het beoordelen van overlast. Zo kan de gemeente overlast op eenzelfde manier beoordelen en eventuele handhaving onderbouwen. Zoals hierboven beschreven, kan de gemeente ook specifieke stookregels opnemen in het omgevingsplan, waarop ze direct kan handhaven. Via het besluit voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit waar deze goflo onderdeel van uitmaakt worden de bruidsschatregels in het omgevingsplan van rechtswege niet geschrapt of aangepast.
Dit betekent dat deze regels ook voor het planvoornemen/ de locatie aan de orde zijn en eraan voldaan moet worden. 6.1.3.4 Geluid door activiteiten In een omgevingsplan moet rekening gehouden worden met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen (art. 5.59 Bkl), dit geldt ook voor besluiten over buitenplanse omgevingsplanactiviteiten. Dat is het geval bij het toelaten van een activiteit op een locatie, anders dan het wonen, die geluid veroorzaakt op een geluidgevoelig gebouw dat is toegestaan. En bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw waarop geluid wordt veroorzaakt door een activiteit op een locatie die is toegestaan, anders dan het wonen. Een omgevingsplan moet erin voorzien dat het geluid door een activiteit op geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar is (art. 5.59 Bkl). Bij toelaten van een activiteit, gemeenteweg, waterschapsweg, lokale spoorweg of geluidgevoelig gebouw op een locatie houdt het bevoegd gezag in ieder geval rekening met geluid. Deze instructieregel bevat geen concreet kwaliteitsniveau voor geluid. Daarom heeft het bevoegd gezag een grote beoordelingsvrijheid.
Voor de volgende activiteiten gelden verschillende specifieke instructieregels: • standaardactiviteiten (paragraaf 5.1.4.2.1 en 5.1.4.2.2 Bkl) • specifieke activiteiten (paragraaf 5.1.4.2.1 en 5.1.4.2.3 Bkl) • activiteiten op industrieterrein met een geluidproductieplafond (gpp) • 'activiteiten in de openbare buitenruimte' en evenementen ((paragraaf 5.1.4.2.1 en artikel 5.73 (uitzonderingen geluidbronnen) Bkl) De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl). Het rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels. Deze instructieregels van het Bkl voor geluid zijn gericht op aangewezen geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl). In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of
Goflo 27 SOCIALE HUURAPPARTEMENTEN, Sint Servatiusstraat – Balledonk, Heeswijk-Dinther – 24 maart 2025
57
locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. Ook zijn direct werkende regels in de bruidsschat opgenomen. Dit zijn de regels voor het bepalen en beoordelen van geluid door een toegelaten activiteit. In de bruidsschat is het onderdeel geluid geregeld in paragraaf 22.3.4. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (zie artikel 22.57 Bruidsschat waar waarden gelden). Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten: • Activiteiten anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.2 BS); • Geluid door windturbines en windparken (par. 22.3.4.3 BS); • Geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.4 BS). Verantwoording planvoornemen Het planvoornemen bevat de realisatie van twee geluidgevoelig gebouwen, waarin in totaal 27 sociale huurappartementen worden gerealiseerd. Het planvoornemen bevat geen geluidbron.
In de nabijheid zijn wel geluidbronnen aanwezig van derden, die door het planvoornemen niet mogen worden belemmerd. Ter plaatse van het planvoornemen moet sprake zijn van een aanvaardbaar geluidniveau. Relevant is dat bij de beoordeling van geluid voor de toedeling van functies cumulatie van geluid van meerdere activiteiten samen betrokken wordt. Het is mogelijk dat meerdere activiteiten, die op zichzelf aan de standaardwaarden voldoen, door cumulatie leiden tot een situatie waarin geen sprake meer is van een aanvaardbaar geluidsniveau. Het is aan de gemeente (beleidsvrijheid) om te beoordelen of cumulatie nodig is te onderzoeken. In verband met voorgaande heeft de initiatiefnemer van het planvoornemen een akoestisch onderzoek naar weg- en industrielawaai uit laten voeren door Aelmans (bijlage 4). Uit het onderzoek blijkt ten aanzien van het aspect ‘geluid door activiteiten’ het volgende: “Uit de berekeningen voor industrielawaai blijkt dat de activiteiten van de bedrijfsfunctie voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau bij de geprojecteerde woningen kunnen voldoen aan de uitgangspunten van de publicatie Bedrijven en milieuzonering. Uit berekeningsresultaten blijkt in de representatieve bedrijfssituatie in de dagperiode een maximaal geluidniveau van 70 dB(A) in het maatgevende rekenpunt 03/4. Er wordt voldaan aan de richtwaarde van 70 dB(A).
In de avondperiode bedraagt het maximale geluidniveau 50 dB(A) in rekenpunt 4/1. Er wordt voldaan aan de richtwaarde van 65 dB(A). Uit berekeningsresultaten blijkt in de representatieve bedrijfssituatie in de nachtperiode een maximaal geluidniveau van 63 dB(A) in het maatgevende rekenpunt 03/4. De maatgevende geluidbron is de passage van de middelzware vrachtwagen. De richtwaarde van 60 dB(A) voor het maximale geluidsniveau in de nachtperiode wordt met ten hoogste 3 dB overschreden. Het woon- en leefklimaat is gewaarborgd indien het maximale geluidniveau in de woning niet hoger is dan 55/50/45 dB(A) vanwege het maximale geluidniveau in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Uitgaande van een standaard geluidwering van 20 dB is de geluidbelasting op de gevel 75/70/65 dB. Daar wordt aan voldaan. Nadere gevelmaatregelen zijn niet noodzakelijk.” Aannemelijk is gemaakt dat geen sprake is van overschrijding van de standaardwaarde en Goflo 27 SOCIALE HUURAPPARTEMENTEN, Sint Servatiusstraat – Balledonk, Heeswijk-Dinther – 24 maart 2025
58
een aanvaardbaar geluidsniveau aan de orde is. 6.1.3.5 Geluid door wegverkeer De Wet geluidhinder bepaalde binnen welke zone van een (spoor)weg, onderzoek moet worden gedaan naar de geluidbelasting van die weg op nieuwe geluidgevoelige gebouwen. De geluidzones zijn in het Bkl teruggekeerd onder de naam geluidaandachtsgebieden. Deze gebieden worden als fysiek geografisch gebied vastgelegd in het Digitale Stelsel Omgevingswet (DSO). Voorheen gold in beginsel voor geluidgevoelige objecten een streefwaarde voor het geluid, de voorkeurswaarde. Met een hogere waarde besluit kon het bevoegd gezag een hogere waarde dan de voorkeurswaarde vaststellen. De hogere waarde kende ook een bovengrens, de zogenaamde maximale ontheffingswaarde. In het Bkl zijn nieuwe termen geïntroduceerd: • Standaardwaarde (voorheen: voorkeurswaarde): een geaccepteerd geluidsniveau waarvan gemotiveerd kan worden afgeweken, en • Grenswaarde (voorheen: maximale ontheffingswaarde): een grens waarbij alleen bij uitzondering en met geluidbeperkende maatregelen (nieuwe) geluidgevoelige gebouwen kunnen worden toegestaan. Nieuw is dat de standaardwaarden en de grenswaarden voor gevels van geluidgevoelige gebouwen in geluidaandachtsgebieden bijna allemaal zijn verhoogd ten opzichte van de huidige waarden. In de volgende tabel staan de nieuwe waarden van de verschillende geluidbronsoorten weergegeven:
Gemeentebesturen kunnen nu alleen een hogere geluidbelasting dan de standaardwaarde toestaan, tot aan de grenswaarde, als met geluidbeperkende maatregelen niet aan de standaardwaarde voldaan kan worden. Verantwoording planvoornemen Het planvoornemen ziet niet op de aanleg of wijziging van gemeentelijke infrastructuur. Er hoeft met die reden niet getoetst te worden aan de regels over geluid afkomstig van gemeentelijke wegen zoals opgenomen in paragraaf 5.1.4.2a.3 van het Bkl. Het planvoornemen ziet wel op het toelaten van een nieuw geluidgevoelige gebouw. In de nabijheid van het planvoornemen zijn geen spoorwegen, geluid van wegen is wel relevant. Onderzocht moet daarom worden in hoeverre geluid ten gevolge van wegen aan de orde is. Door Aelmans is hiervoor een akoestisch onderzoek uitgevoerd dat ziet op weg- en industrielawaai. Het onderzoek is bijgevoegd bij deze motivering (bijlage 4) en kent de navolgende conclusies ten aanzien van het aspect ‘geluid door wegverkeer’: “ Uit de Goflo 27 SOCIALE HUURAPPARTEMENTEN, Sint Servatiusstraat – Balledonk, Heeswijk-Dinther – 24 maart 2025
59
berekeningsresultaten voor wegverkeerlawaai blijkt op de gevels van de nieuwe woonbestemmingen een geluidbelasting van ten hoogste 59 dB. De standaardwaarde van 53 dB wordt op de gevels van de geprojecteerde woonfunctie overschreden. Aan de grenswaarde van 70 dB wordt voldaan. Er wordt voldaan aan de voorwaarden op grond waarvan een ontheffing van de standaardwaarden voor wegverkeer toelaatbaar is. Er wordt een verzoek gedaan voor deze ontheffing op grond van de motivatie in hoofdstuk 4.4. Op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving is de geluidwering van een nieuwe woning in standaarduitvoering ten minste 20 dB. Hieruit volgt dat de (gecumuleerde) langtijdgemiddelde geluidbelasting niet hoger mag zijn dan 53 dB om aan de richtwaarde van het binnengeluidniveau van 33 dB te voldoen. Bij de berekende hoogste gezamenlijke geluidbelasting als gevolg van wegverkeerslawaai van ten hoogste 59 dB in de rekenpunten 1/2, 1/3 en 2/1 zal de geluidwering van de gevels ten hoogste (59-33=) 26 dB moeten bedragen.” Met een geluidwering van de gevels ter hoogte van rekenpunten 1/2, 1/3 en 2/1 van 26dB is sprake van een aanvaardbaar binnengeluidniveau. In het besluit behorende bij de buitenplanse omgevingsplanactiviteit waar deze goflo onderdeel van uitmaakt wordt om te borgen dat de activiteit bouwen hieraan voldoet hiervoor een voorwaarde opgenomen.
6.1.3.6 Trillingen In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met trillingen door activiteiten in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen (paragraaf 5.1.4.4., art. 5.83 Bkl). Dat geldt bij het toelaten van een activiteit op een locatie, anders dan wonen, die trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz veroorzaakt in een trillinggevoelige ruimte van een toegestaan trillinggevoelig gebouw (art. 5.79 Bkl). Dat geldt ook bij het toelaten van een trillinggevoelig gebouw waarop trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz worden veroorzaakt door een toegestane activiteit, anders dan het wonen (art. 5.79 Bkl). Het onderdeel Trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat. Verantwoording planvoornemen Het planvoornemen maakt geen trillinggevoelige bebouwing waarin trillinggevoelige ruimten zijn geprojecteerd mogelijk.
Trillingen afkomstig van (spoor)wegen of activiteiten vormen daarom geen belemmering voor het planvoornemen of andersom voor de bron. Het planvoornemen betreft ook geen activiteit die trillingen veroorzaakt, waardoor het planvoornemen wat dit betreft niet belemmerend is voor de omgeving. Trillingen door activiteiten vormen dan ook geen belemmering voor het planvoornemen. 6.1.3.7
Slagschaduw van windturbines
Goflo 27 SOCIALE HUURAPPARTEMENTEN, Sint Servatiusstraat – Balledonk, Heeswijk-Dinther – 24 maart 2025
60
Voor slagschaduw van windturbines geldt paragraaf 5.1.4.4a van het Bkl. Als een windturbine met een rotordiameter van 2 m of meer op een locatie wordt toegelaten of een slagschaduw gevoelig gebouw waarop slagschaduw wordt veroorzaakt door een dergelijke windturbine, gelden er voor het aspect slagschaduw instructieregels. Deze instructieregels gelden alleen ter bescherming van slagschaduw gevoelige gebouwen, zoals woningen, scholen, ziekenhuizen en kinderdagverblijven. Er geldt een tijdelijke uitzondering voor windparken (art. 5.89aa Bkl). Verantwoording planvoornemen In de nabijheid van het planvoornemen zijn geen windturbines gelegen die slagschaduw ter hoogte van het planvoornemen tot gevolg hebben. Met het planvoornemen worden ook geen windturbines mogelijk gemaakt. De slagschaduw van windturbines vormen geen belemmering voor het planvoornemen of andersom. 6.1.3.8 Bodemkwaliteit Het Rijk stelt instructieregels (Bkl paragraaf 5.1.4.5) aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. De gemeente moet daarom regels voor het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem opnemen in het omgevingsplan. De gemeente zorgt ervoor dat nazorg en instandhouding van bodemmaatregelen na het saneren in het omgevingsplan komt.
Een omgevingsplan bepaalt daarom dat bepaalde maatregelen in stand moeten worden gehouden, moeten worden onderhouden, of moeten worden vervangen, met daarbij op welke wijze en binnen welke termijn. In het omgevingsplan kan de gemeente gebieden aanwijzen waarvoor een verplicht voorafgaand bodemonderzoek niet nodig is. Ook kan de gemeente in het omgevingsplan vastleggen dat in bepaalde gebieden of op bepaalde locaties naast vooronderzoek altijd verkennend bodemonderzoek en/of verkennend bodemonderzoek asbest moet plaatsvinden. Verder kan de gemeente in het omgevingsplan ook bij andere aanleidingen of activiteiten een voorafgaand bodemonderzoek voorschrijven. Bijvoorbeeld als de functie van een locatie of gebied wijzigt (gevoeliger gebruik). Het voorafgaand bodemonderzoek naar de chemische kwaliteit van de landbodem is verplicht bij de (milieubelastende) activiteiten: • Graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit (paragraaf 4.119, Bal) • Graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit (paragraaf 4.120, Bal) • Saneren van de bodem (paragraaf 4.121, Bal) • Bouwen op een bodemgevoelige locatie (via instructieregel uit paragraaf 5.1.4.5.1 uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), een verplichting in het omgevingsplan).
Verantwoording planvoornemen Door Van Oort Bodemonderzoek is voor de locatie een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is bijgevoegd bij deze goflo (bijlage 5) en kent de navolgende samenvatting en advies. “Het doel van het onderzoek is het vastleggen van de kwaliteit van grond en grondwater en te beoordelen of er met betrekking tot de bodemkwaliteit bezwaren zijn tegen het wijzigen van
Goflo 27 SOCIALE HUURAPPARTEMENTEN, Sint Servatiusstraat – Balledonk, Heeswijk-Dinther – 24 maart 2025
61
de bestemming en het verlenen van een omgevingsvergunning voor nieuwbouw. Als criteria is gebruik gemaakt van de tussenwaarde voor aanvullend onderzoek (Tw). Bij de uitvoering van het onderzoek is gebruik gemaakt van de NEN 5725 en NEN 5740. De strategie van het onderzoek is afgestemd op het vooronderzoek (historie). Gebruik is gemaakt van de onderzoeksopzet voor een onverdachte locatie (ONV-NL). Het veldwerk is uitgevoerd op basis van de BRL SIKB 2000. De analyses (AS3000) zijn uitgevoerd door SGS Environmental Analytics BV uit Rotterdam. Zintuiglijk zijn tijdens de veldwerkzaamheden in de bodem geen verontreinigingen, bijmengingen of andere bijzonderheden waargenomen. Met laboratoriumonderzoek is aangetoond dat de bovengrond licht verontreinigd is met kwik, lood, PAK (>Aw) en beoordeeld als grond van klasse wonen (WO). De ondergrond is niet verontreinigd (<Aw) en beoordeeld als grond van klasse landbouw/natuur (L/N). Het grondwater is licht verontreinigd met barium, cadmium en koper (>Sw) en matig verontreinigd met zink (>Tw). In het grondwater wordt geen signaleringsparameter overschreden. De resultaten van het onderzoek voldoen niet geheel aan de criteria (Tw). Dit vanwege het matig verhoogd zinkgehalte in het grondwater. Verdergaand onderzoek wordt echter niet noodzakelijk geacht.
Op basis van het totaal aan onderzoeksgegevens behoeft de bodemkwaliteit naar ons inziens geen belemmering te vormen voor een herbestemming en latere nieuwbouw.” De rapportage van het verkennend bodemonderzoek is voorgelegd aan de gemeente Bernheze/ODBN (bevoegd gezag), die ermee heeft ingestmd. Dit houdt in dat het aspect bodem geen belemmering vormt voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit waar deze goflo onderdeel van uitmaakt. 6.1.3.9 Geur Op grond van paragraaf 5.1.4.6 van het Bkl wordt in een omgevingsplan rekening gehouden met de geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen (art. 5.92 Bkl). Dit geldt ook voor een besluit over een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Een omgevingsplan (of bopa) moet erin voorzien dat de geur door een activiteit op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Let op, in geval van functionele binding tussen gebouw en activiteit kunnen uitzonderingen gelden (art. 5.95 en 5.96 Bkl). Indien het omgevingsplan regels bevat over geur door het exploiteren van zuiveringtechnische werken, door het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf, door andere agrarische activiteiten wijst in het omgevingsplan een of meer bebouwingscontouren geur aan rond stedelijk gebied (art. 5.97 Bkl). De geometrische begrenzing moet vastgelegd worden in het omgevingsplan.
Stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied of lintbebouwing langs wegen, waterwegen of waterkeringen binnen de bebouwingscontour worden opgenomen. Er gelden specifieke instructieregels indien het initiatief betrekking heeft op: • Geur door het exploiteren van zuiveringtechnische werken (§ 5.1.4.6.2) • Geur door het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf (§ 5.1.4.6.3) • Geur door andere agrarische activiteiten (§ 5.1.4.6.4) De Bruidsschat bevat regels over: Goflo 27 SOCIALE HUURAPPARTEMENTEN, Sint Servatiusstraat – Balledonk, Heeswijk-Dinther – 24 maart 2025
62
• • • •
Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony's voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 BS); Geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 BS); Geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22.3.6.4 BS); Geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22.3.6.5 BS).
Verantwoording planvoornemen Geur door zuiveringstechnische werken In de nabijheid van de locatie is geen rwzi gelegen. Het is aannemelijk dat ter plaatse van het geurgevoelige gebouw gelegen buiten een bebouwingscontour geur voldaan kan worden aan de ter plaatse geldende grenswaarde. Gezien het planvoornemen niet het toelaten of vastleggen van een zuiveringstechnisch werk bevat hoeft geen bebouwingscontour geur in het omgevingsplan aangewezen te worden. Het overgangsrecht (artikel 12.14 Bkl) blijft overeenkomstig van toepassing, ook voor de bescherming van de geurgevoelige gebouwen (geurregels voor rwzi’s in de bruidsschat). Geur door het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf In paragraaf 5.1.4.6.3 staan de regels met betrekking tot geur door het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf. Het gaat uitdrukkelijk om agrarische geur van landbouwhuisdieren uit dierstallen. De bruidsschat maakt onderscheid tussen geurnormen voor intensieve en extensieve veehouderijen. De geurbelasting van intensieve veehouderijen wordt berekend en uitgedrukt in de vorm van een geurcontour. De geurbelasting van extensieve veehouderijen wordt uitgedrukt in vaste afstanden. De gemeente Bernheze heeft eigen geurregels opgesteld welke zijn opgenomen in de Verordening fysieke Leefomgeving (VFL) Bernheze 2021 2. Hierin is opgenomen dat de locatie is gelegen in ‘bebouwde kom’.
Hier geldt de voorgrondnorm van 3 Ou/m3 en een vaste afstand van 50 meter tussen een veehouderij waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor op grond van de Wet geen geuremissiefactor is vastgesteld (zoals melkveebedrijven en maneges) en een geurgevoelig object. Vaste afstanden Binnen 50 meter rondom de locatie is geen veehouderij met dieren gelegen waarvoor een vaste afstand geldt. Voorgrondbelasting Voor het planvoornemen zijn de bedrijven met dieren waarvoor een geuremissiefactor geldt die binnen 2 kilometer zijn gelegen relevant. Het plangebied ligt middenin de bebouwde kom, in de bebouwde kom zijn geen veehouderijen gelegen. Er rondomheen diverse. Voor deze veehouderijen zijn andere geurgevoelige gebouwen maatgevend. Met die reden is voor deze bedrijven de voorgrondbelasting ter hoogte van het planvoornemen niet in beeld gebracht. Om te beoordelen of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is de kaart voor de achtergrondbelasting geraadpleegd waarvan de voorgrondbelasting is afgeleid. Ter plaatse is sprake van een achtergrondnorm tussen de 0 en 1 OU/m3. In de berekening van de achtergrondbelasting zijn alle bedrijven bij elkaar opgeteld meegenomen. Dit resulteert op basis van standaard rekenregels (halvering) in een aannemelijke voorgrondbelasting van minder dan 1 OU/m3.
Er is geen reden om aan te nemen dat de voorgrondnorm van 3 OU/m3 die ter plaatse geldt niet gehaald wordt.
Goflo 27 SOCIALE HUURAPPARTEMENTEN, Sint Servatiusstraat – Balledonk, Heeswijk-Dinther – 24 maart 2025
63
Achtergrondbelasting Op basis van de beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder Bernheze is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij een gecumuleerde geurbelasting tot 13 OuE/m3 bij bebouwde kom, woonkernen en nieuwe woongebieden en tot 20 OuE/m3 bij de overige gebieden. De afbeelding hieronder, een uitsnede van de brabantscan van de GGD, laat zien wat de indicatieve achtergrondbelasting ter hoogte van het plangebied is (0-1 Ou/m3). Hieruit blijkt dat voldaan wordt aan de gestelde norm (13 Ou/m3).
Geur door andere agrarische activiteiten Voor wat betreft geur van andere agrarische activiteiten wordt bedoeld: geur door het opslaan van agrarische bedrijfsstoffen, mest, bijvoedermiddelen, het bereiden van brijvoer, composteren en het kleinschalig vergisten. Gezien deze activiteiten in de nabijheid van het planvoornemen niet worden uitgevoerd is het aspect geur door andere agrarische activiteiten niet aan de orde. Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor het initiatief. Andersom vormt het initiatief ook geen belemmering voor de veehouderijen of andere agrarische activiteiten die geurbelasting veroorzaken in de nabijheid van de locatie, omdat op de locatie geen nieuwe geurgevoelige gebouwen worden toegelaten. 6.1.3.10 Spuitzones Er zijn in Nederland geen wettelijke bepalingen over minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen in de open lucht worden geteeld, zoals fruitbomen, en nabij gelegen woningen. In de ruimtelijke ordeningspraktijk bestaat een vuistregel om een afstand van 50 meter aan te houden. Het is een afstand dat door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State algemeen wordt toegepast en geaccepteerd wordt tussen percelen met open teelten en woningen.
Bij deze afstand wordt ervan uitgegaan dat enerzijds de bedrijfsvoering van de agrariër niet wordt belemmerd en anderzijds dat er geen nadelige effecten optreden voor de gezondheid van omwonenden.
Goflo 27 SOCIALE HUURAPPARTEMENTEN, Sint Servatiusstraat – Balledonk, Heeswijk-Dinther – 24 maart 2025
64
In hoofdstuk 3 en 4 van het Bal zijn diverse maatregelen opgenomen om de drift naar het oppervlaktewater te beperken. Aan de ene kant gaat het om het om het toepassen van driftreducerende spuittechnieken, gebruik van een kantdop naast de sloot, eisen ten aanzien van de windsnelheid waarbij gespoten mag worden en de spuitdophoogte. Aan de andere kant zijn in het besluit teeltvrije zones opgenomen. De breedte van de teeltvrije zones die moet worden aangehouden is afhankelijk van het gewas dat wordt geteeld en van de gebruikte spuittechniek of andere maatregelen zoals vanggewassen of emissieschermen. Ook de intensiteit waarmee de gewassen bespoten worden en of er sprake is van opwaartse of neerwaartse bespuiting is mede bepalend voor de breedte van de teeltvrije zone. Bedrijven met een open teelt bij gebruik van gewasbeschermings-middelen moeten een spuittechniek toepassen die de verwaaiing (drift) van gewasbeschermingsmiddelen met ten minste 75 procent vermindert. Deze verplichting geldt voort het hele perceel, ongeacht de aanwezigheid van een sloot of de afstand tot een sloot. Hierdoor kan een kleinere afstand tot spuitzone gevoelige objecten dan 50 meter worden gehanteerd. Onderzoek De in de praktijk gehanteerde vuistregel van 50 meter is een indicatieve afstand. Dat wil zeggen dat er omstandigheden zijn waarin hiervan kan worden afgeweken.
Voor de gemeente bestaat er een onderzoeksplicht naar de te hanteren afstand in de specifieke situatie. Ingevolge jurisprudentie over spuitzones hoeft niet in alle gevallen rekening te worden gehouden met agrarische gronden waar fruitbomen mogelijk zijn (zie uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 december 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:3524)). Indien de wijziging van het gebruik van de agrarische gronden naar teelt met een spuitzone binnen de planperiode niet wordt voorzien en als de eigenaar/gebruiker van de gronden geen concreet voornemen heeft om de gronden als boomgaard te gebruiken is zo'n wijziging zodanig onwaarschijnlijk dat de raad bij de vaststelling van de omgevingsplanwijziging die de woonfunctie mogelijk maakt, geen rekening hoeft te houden met spuitzones. Verantwoording planvoornemen Binnen 50 meter van het planvoornemen/ de locatie liggen geen gronden waarbij mogelijk sprake is van een spuitzone. Belemmering van het planvoornemen ten gevolge van spuitzones zijn daarmee niet aan de orde, andersom gelden ook geen belemmeringen. 6.1.4
Landschappelijke en stedenbouwkunidge waarden en cultureel erfgoed
6.1.4.1 Ladder voor duurzame verstedelijking De ladder voor duurzame verstedelijking staat in paragraaf 5.1.5.4 van het Besluit kwaliteit leefomgeving: “Voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in het omgevingsplan rekening gehouden met (art. 5.129g)” (dit geldt ook voor een besluit over een buitenplanse omgevingsplanactiviteit): • de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en
Goflo 27 SOCIALE HUURAPPARTEMENTEN, Sint Servatiusstraat – Balledonk, Heeswijk-Dinther – 24 maart 2025
65
•
als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien.
Bovenstaande geldt voor een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is. Tot stedelijk gebied wordt niet gerekend een stedelijke ontwikkeling waarvoor: • op grond van het omgevingsplan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist; en • al een behoefteonderzoek (laddertoets) is gedaan. Verantwoording planvoornemen Artikel 5.129 g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bepaalt dat de Ladder betrekking heeft op een nieuwe stedelijke ontwikkeling die voldoende substantieel is. De aard en omvang van de ontwikkeling in relatie met de omgeving bepaalt of het plan voldoende substantieel is. In artikel 5.129 g Bkl is geen ondergrens vastgelegd. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn hiervoor lijnen uitgezet. De Afdeling geeft hierin geen harde ondergrenzen, maar stelt wel ‘in beginsel’ grenzen. Bij woningen ligt de ondergrens bij maximaal 11 woningen, bij nieuwbouw en uitbreiding van overige stedelijke functies ligt de ondergrens in beginsel bij een ruimtebeslag van 500 m2 (per functie).
Stedelijke ontwikkelingen zijn bijvoorbeeld een bedrijventerrein, kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen zoals maatschappelijke functies, cultuur, leisure of recreatie. De Laddertoets geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Dit zijn ontwikkelingen die een nieuw of groter planologisch beslag op de ruimte leggen dan het geldende omgevingsplan toestaat. Of, als er alleen een wijziging van de gebruiksfunctie is, op een andere manier wezenlijke ruimtelijke effecten hebben. Het is niet relevant of het plangebied binnen of buiten het stedelijk gebied ligt. In beide gevallen moet rekening worden gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling. Nieuwe stedelijke ontwikkeling Dit planvoornemen bestaat uit de ontwikkeling van 27 sociale huurwoningen. Gezien het planvoornemen meer dan 12 woningen omvat, is sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling die getoetst moet worden aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Behoefte De behoefte van een nieuwe stedelijke ontwikkeling dient kwantitatief én kwalitatief te worden onderbouwd. Wanneer de regionale ruimtevraag in beeld is, kan worden beoordeeld of een voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte.
Kwantitatieve behoefte Aan de hand van de provinciale 'Bevolkings- en woningbehoefteprognose Noord-Brabant, Actualisering 2020' heeft de gemeente in afstemming met de regio (regionale afspraken) haar specifieke ontwikkelingsopgave bepaald. In de Woonvisie Bernheze 2022 - 2026 (nader toegelicht in paragraaf 5.4.2) is een ontwikkelingsopgave per kern opgenomen voor de behoefte op de korte termijn (periode van 5 jaar). In de periode 2022 - 2026 worden in Bernheze maximaal 1.160 woningen toegevoegd aan de voorraad. Bij de verdeling van de bouwopgave is rekening gehouden met de identiteit van alle kernen in de gemeente.
Goflo 27 SOCIALE HUURAPPARTEMENTEN, Sint Servatiusstraat – Balledonk, Heeswijk-Dinther – 24 maart 2025
66
Van de totale bouwopgave tot 2026 zijn 232 woningen toebedeeld aan Heeswijk-Dinther, dit is 20% van het totaal in de gemeente. Net wat meer woningen zijn voor de kern reeds gepland. Wel is nog de behoefte om 70 sociale huurwoningen toe te voegen. Het planvoornemen maakt de bouw van 27 sociale huurwoningen mogelijk. Deze woningen worden niet gefaseerd gerealiseerd, waardoor al deze woningen voorzien in de behoefte tot en met 2026. Kwalitatieve behoefte Naast de kwantitatieve behoefte vraagt de ladder ook een beschouwing van de kwalitatieve behoefte waarin een planvoornemen voorziet. Aangaande woningbouw betreft dit voornamelijk type woningen voor een bepaalde doelgroep of het ontwikkelen van onderscheidende woonmilieus. In de Woonvisie 2022 – 2026 is specifiek gekeken naar de kwalitatieve opgave per kern. Hiertoe is in de woonvisie een nieuwbouwprogramma opgenomen, dat onderstaand is weergegeven.
Niet ieder planvoornemen kan volledig voldoen aan de verdeling zoals in de woonvisie is weergegeven. Van belang is dat in zijn totaliteit (meerdere planvoornemens samen) aan de verdeling zoals opgenomen in de woonvisie invulling wordt gegeven. Voor de kernen Heesch, Heeswijk-Dinther en Nistelrode is aangegeven dat hier een grote opgave ligt voor het realiseren van sociale huurwoningen. Specifiek voor Heeswijk-Dinther wordt beoogd circa 70 sociale huurwoningen toe te voegen. Het planvoornemen gaat uit van 27 sociale huurwoningen. Het programma (100%) sociale huur sluit niet aan bij de verdeling waarvan het woningbouwprogramma zoals opgenomen in de Woonvisie uitgaat, maar wel bij de grote behoefte aan de sociale huurwoningen in de kern Heeswijk-Dinther. Omdat plannen tot 4 woningen niet worden getoetst aan de woonvisie en die vaak bestaan uit woningen in het duurdere segment, is het om de sociale woningbouwopgave te realiseren over het totaal genomen passend om dit planvoornemen dat alleen uit sociale huurwoningen bestaat te ontwikkelen. Bovendien is het aandeel sociale huurwoningen in Heeswijk-Dinther dermate laag dat toevoeging ervan zeer wenselijk is. In Heeswijk-Dinther is verder de vraag om vooral te bouwen voor jongeren/starters en senioren. Behoefte is aan kleinschalige collectieve woonvormen en woongroepen.
De verwachting is dat hiermee doorstroming op gang gebracht wordt. Het planvoornemen sluit aan bij deze behoefte. Het bevat twee kleinschalige appartementencomplexen voor in totaal 27 woningen voor senioren. Alle appartementen zijn dan ook gelijkvloers en bereikbaar via een lift. Ook liggen ze in het centrum nabij dagelijkse voorzieningen. Uit bovenstaande blijkt dat het planvoornemen aansluit bij de kwalitatieve woningbouwbehoefte in Heeswijk-Dinther. Aan de eis om de behoefte aan te tonen wordt voldaan.
Goflo 27 SOCIALE HUURAPPARTEMENTEN, Sint Servatiusstraat – Balledonk, Heeswijk-Dinther – 24 maart 2025
67
Bestaand stedelijk gebied Ook dient te worden gemotiveerd of de beoogde ontwikkeling plaats kan vinden binnen het bestaand stedelijk gebied. In het kader van duurzaam ruimtegebruik wordt de ruimtelijke ontwikkeling bij voorkeur opgevangen in het bestaand stedelijk gebied. Dit kan door op lege plekken de ruimte ‘in te vullen’, een andere bestemming te geven aan een gebied, door herstructurering van bestaande terreinen of door transformatie van bestaande gebouwen of gebieden. De locatie is gelegen in de kern van Heeswijk-Dinter, in het centrum nabij allerlei voorzieningen. Het betreft een bebouwde kom-locatie alsook ligt het in het door de provincie aangeduide ‘bestaand stedelijk gebied’. De ontwikkeling vindt dus plaats binnen het bestaand stedelijk gebied. Conclusie Met het planvoornemen worden twee kleinschalige appartementencomplexen gerealiseerd voor in totaal 27 sociale huurwoningen op een onbebouwd terrein in het centrum van Heeswijk-Dinther. Het planvoornemen draagt bij aan het realiseren van de kwantitatieve gemeentelijke woningbouwopgave om in Heeswijk-Dinther 70 sociale huurwoningen (één van de speerpunten) toe te voegen. Door de opzet van het planvoornemen en de ligging in het centrum is het planvoornemen geschikt voor zorgbehoevenden en senioren, waarmee het planvoornemen bijdraagt aan het speerpunt: bouwen voor ouderen.
Door dit alles draagt het planvoornemen bij aan de woonvisie, regiodeal en woonzorgvisie. Door de ligging van de locatie (bestaand stedelijk gebied) en de toelichting dat het planvoornemen voorziet in de kwantitatieve en kwalitatieve woningbehoefte wordt voldaan aan de ladder voor duurzame verstedelijking. 6.1.4.2 Cultureel erfgoed en werelderfgoed In een omgevingsplan wordt op grond van paragraaf 5.1.5.5. van het Bkl rekening gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen.
Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Verantwoording planvoornemen De gemeente Bernheze heeft een eigen gemeentelijk archeologiebeleid geformuleerd. Dit archeologiebeleid is op 3 februari 2011 door de gemeenteraad vastgesteld en bestaat uit de "Nota Archeologiebeleid gemeente Bernheze" en de "Archeologische Verwachtings- en Beleidsadvieskaart Gemeente Bernheze". Dit archeologiebeleid voldoet aan de geformuleerde aantoonbaarheid verplichting.
Goflo 27 SOCIALE HUURAPPARTEMENTEN, Sint Servatiusstraat – Balledonk, Heeswijk-Dinther – 24 maart 2025
68
In beginsel moeten projecten die kleiner zijn dan 100 m2 worden vrijgesteld van een archeologische onderzoeksplicht (artikel 5.130 lid 4 Bkl). Maar de gemeente kan in een omgevingsplan een grotere of kleinere vrijstellingsgrens vastleggen (artikel 5.130 lid 5 Bkl). De gemeente Bernheze heeft er in haar archeologiebeleid voor gekozen om andere oppervlaktes hiervoor vast te stellen. Archeologietoets Volgens het archeologiebeleid van de gemeente Bernheze geldt op onderhavige locatie een hoge archeologische verwachtingswaarde. Hierbij is archeologisch onderzoek vereist als meer dan 250 m2 dieper dan 0,4 m aan verstoringsoppervlakte aan de orde is. Zie de volgende uitsnede uit dit archeologiebeleid.
In 2009 heeft voor een groter gebied, waarin de locatie is gelegen, door Becker & Van de Graaf bv een archeologisch bureauonderzoek & inventariserend veldonderzoek, verkennende fase plaatsgehad. Het onderzoek is bijgevoegd bij deze goflo (bijlage 6) en kent de navolgende samenvatting: “Bernheze is gelegen in een landschap van dekzandruggen. De regio is bewoonbaar geweest vanaf het einde van de laatste ijstijd, het Laat-Paleolithicum. Een vuurstenen bijl uit het Neolithicum en aardewerk en munten uit de Romeinse tijd wijzen op menselijke aanwezigheid/bewoning voorafgaand aan de stichting van de dorpen Heeswijk en Dinther. Vanaf de Middeleeuwen is het oorspronkelijke maaiveld door bemesting opgehoogd, zodat rond het dorp voornamelijk hoge enkeerdgronden aanwezig zijn. Het oppervlak daterend van voor het ontstaan van het plaggendek, is derhalve afgedekt.
Goflo 27 SOCIALE HUURAPPARTEMENTEN, Sint Servatiusstraat – Balledonk, Heeswijk-Dinther – 24 maart 2025
69
Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek worden in het plangebied archeologische waarden vanaf het Laat-Paleolithicum verwacht. Deze kunnen worden aangetroffen aan de basis van het plaggendek en in de top van de C-horizont, vanaf tenminste 50 cm beneden maaiveld. Direct vanaf het maaiveld kunnen eventueel resten uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd aanwezig zijn. Op de beschikbare historische kaarten uit de 19e eeuw zijn echter geen aanwijzingen te vinden dat het plangebied bebouwd is geweest. Het is zeer waarschijnlijk dat het plangebied in de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd tot aan de jaren ’20 van de vorige eeuw een agrarische functie had. Het booronderzoek heeft aangetoond dat de bodemopbouw verstoord is tussen 105 tot 180 cm onder het maaiveld. Op basis van de resultaten van het Inventariserend Veldonderzoek wordt geadviseerd om geen vervolgonderzoek uit te (laten) voeren.” Het onderzoek is door Monumentenhuis Brabant in opdracht van de gemeente Bernheze goedgekeurd en zij hebben de gemeente geadviseerd het navolgende selectiebesluit te nemen: “Met het door het onderzoeksbureau gegeven selectieadvies, geen vervolgonderzoek te doen uitvoeren binnen het omschreven plangebied waarbinnen planontwikkeling is voorzien, kan worden ingestemd.
Het omschreven gebied wordt vrijgegeven voor de voorziene planontwikkeling en (bouw)vergunning wordt verleend door de Gemeente Bernheze onder voorwaarde, dat bij eventuele toevalsvondsten hiervan melding wordt gedaan conform art. 53 van de herziene Monumentenwet. Dit kan telefonisch bij het Meldpunt Provinciaal Depot Bodemvondsten Noord-Brabant (tel. 06-18303225).” Hiermee is de locatie vrijgegeven voor verder onderzoek naar archelogische vondsten. Archeologie vormt geen belemmering voor het planvoornemen. In geval toevalsvondsten worden gedaan, moet hiervan melding worden gemaakt conform art. 53 van de herziene Monumentenwet. Cultuurhistorie Provinciaal beleid Het provinciale cultuurhistorische beleid is verankerd in de TAM-omgevingsverordening Noord-Brabant. Hierin zijn onder andere opgenomen: cultuurhistorische vlakken en complexen van cultuurhistorisch belang waarvoor rechtstreeks werkende en instructieregels gelden waarmee gemeenten in hun omgevingsplan (en BOPA) rekening moeten houden. In de TAM-omgevingsverordening Noord-Brabant zijn voor de locatie geen cultuurhistorische vlakken of complexen van cultuurhistorisch belang opgenomen waarmee bij in deze goflo rekening moet worden gehouden. Gemeentelijk beleid Het beleid van de gemeente Bernheze voor wat betreft cultuurhistorie is vastgelegd via de Cultuurhistorische Waardenkaart 2014.
Hierop zijn onder andere historisch bebouwde gebieden, oude verkavelingspatronen en monumenten opgenomen. Ieder planvoornemen moet aan de kaart worden getoetst. Op basis van de Cultuurhistorische Waardenkaart 2014 van de gemeente Bernheze is langs de locatie een oud wegtracé/ een oude hoofdverbinding gelegen. Op de afbeelding hieronder, een uitsnede uit de cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente, is dit zichtbaar. De locatie van het planvoornemen is met een rode omlijning weergegeven. Het planvoornemen tast dit tracé/ hoofdverbinding niet aan, het begeleidt het juist.
Goflo 27 SOCIALE HUURAPPARTEMENTEN, Sint Servatiusstraat – Balledonk, Heeswijk-Dinther – 24 maart 2025
70
Cultuurhistorische waarden vormen geen belemmering voor het planvoornemen, het planvoornemen vormt geen belemmering voor cultuurhistorische waarden. 6.1.5 Behoud van ruimte voor toekomstige functies Op grond van de instructieregels van het Bkl (paragraaf 5.1.6 Bkl) mogen de activiteiten die met een omgevingsplan (of anderszins) worden toegestaan, geen belemmering vormen voor de bestemming die daaraan is gegeven binnen reserveringsgebieden voor autowegen, autosnelwegen, hoofdspoorwegen, buisleidingen van nationaal belang. Deze instructieregels zijn niet van toepassing op activiteiten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit al rechtmatig op een locatie worden verricht of zijn toegestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van die bepalingen. Verantwoording planvoornemen Hieronder wordt concreet ingegaan op de verschillende Rijksbelangen en wordt concreet aangegeven of deze relevant zijn voor de gemeente Bernheze en indien dit het geval is, wordt bezien in hoeverre het planvoornemen hierbij betrokken is. Auto- en snelwegen In artikel 5.133 van het BKL is opgenomen dat er reserveringsgebieden voor de uitbreiding of aanleg van een auto- en snelweg bij ministeriële regeling kunnen worden aangewezen.
Als er reserveringsgebieden zijn aangewezen, dan geldt er een aan beide zijden van de auto- en snelweg een zone waarbinnen geen bouwactiviteiten zijn toegestaan. De geometrische begrenzing van de reserveringsgebieden voor autowegen, autosnelwegen en hoofdspoorwegen staat in artikel 2.25 en bijlage III van de Omgevingsregeling.
Goflo 27 SOCIALE HUURAPPARTEMENTEN, Sint Servatiusstraat – Balledonk, Heeswijk-Dinther – 24 maart 2025
71
Binnen de gemeente Bernheze zijn geen Reserveringsgebieden auto- en snelwegen aangewezen. Zie de volgende kaart.
Buisleidingen De regels voor buisleidingen zin opgenomen in artikel 5.135 e.v. van het BKL. Op basis van artikel 5.136 kunnen er reserveringsgebieden voor buisleidingen van nationaal belang worden aangewezen door de minister. Deze aanwijzing heeft plaatsgevonden in artikel 2.32 lid 1 de Omgevingsregeling. In de gemeente Bernheze ligt een door de Minister aangewezen buisleiding, die door Heesch en ten westen van Heeswijk-Dinther loopt. Zie de ingevoegde kaart.
Goflo 27 SOCIALE HUURAPPARTEMENTEN, Sint Servatiusstraat – Balledonk, Heeswijk-Dinther – 24 maart 2025
72
Op basis van lid 2 van artikel 5.136 BKL ligt er aan weerszijden van een reserveringsgebied een zoekgebied voor de aanleg van buisleidingen van nationaal belang met een breedte van 250 m, gemeten vanaf de buitenste begrenzing van het reserveringsgebied. Dit zoekgebied is in artikel 2.32 lid 2 Or geconcretiseerd op de kaart.
Artikel 5.138 BKL schrijft voor dat een omgevingsplan, van toepassing op een reserveringsgebied voor de aanleg van buisleidingen van nationaal belang geen activiteiten toelaat die een belemmering kunnen vormen voor de aanleg van een buisleiding van nationaal belang (dit geldt ook voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten). Als belemmeringen worden in ieder geval aangemerkt: a. bouwactiviteiten, met uitzondering van het bouwen van een bouwwerk dat noodzakelijk is voor de aanleg, het onderhoud of de instandhouding van de buisleiding van nationaal belang; b. de aanleg van een verharde weg of een verhard pad of een spoorweg in de lengterichting van het reserveringsgebied; c. de aanleg van een watergang in de lengterichting van het reserveringsgebied; d. de aanleg van een waterkering of een daaraan grenzend gebied waar ter bescherming van de kering regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor die kering in de lengterichting van het reserveringsgebied; e. de aanleg van een buisleiding, anders dan een buisleiding van nationaal belang, of een f. ondergrondse hoogspanningsverbinding of een ondergronds leidingstelsel in de lengterichting van het reserveringsgebied; g. het bebossen; en h. het gebruik als stortplaats voor afvalstoffen of permanente opslag van grond of andere stoffen of zaken.