CConstaterende datBernheze
Koppel je AI →
Document · PDF

BOPA De La Sallestraat 10 Heesch - Ruimtelijke Motivering

Raadsvergadering 18 september 2025, gemeente BernhezeBij agendapunt: Bindend advies BOPA De La Sallestraat 10 in Heesch19.646 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Externe veiligheid

In paragraaf 5.1.2. van het Bkl gaat het om instructieregels over externe veiligheid. In een omgevingsplan wordt voor risico's van branden, rampen en crises als bedoeld in artikel 10, onder a en b, van de Wet veiligheidsregio's, rekening gehouden met het belang van:  het voorkomen, beperken en bestrijden daarvan;  de mogelijkheden voor personen om zich daarbij in veiligheid te brengen; en  de geneeskundige hulpverlening, bedoeld in artikel 1 van die wet. Het gaat o.a. om instructieregels over:  de beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en de beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties waarvoor de regels gelden  de risicovolle activiteiten waarvoor de regels gelden  het plaatsgebonden risico (tot waar gelden de afstanden; rekenregels)  het groepsrisico (begrenzing van de aandachtsgebieden). Planspecifiek De instructieregels uit deze paragraaf hebben geen betrekking op het initiatief. Onderzoek Er is door Kragten een onderzoek uitgevoerd naar de gevolgen van het initiatief/uitvoeren van de activiteit op de fysieke leefomgeving. In deze motivering worden de belangrijkste conclusies vermeld:  Rijksweg A59: Op circa 380 meter van het plangebied is de rijksweg A59 (wegvak B78) gelegen. Over deze weg worden gevaarlijke stoffen vervoerd.

Aangezien het gifwolkaandachtsgebied in het Bkl gemaximeerd is op 300 meter, leidt deze weg niet tot een aandachtspunt voor de ontwikkeling.  LPG-tankstation Heesch S.T.E. B.V. Het plangebied ligt op ruim 80 meter van het vulpunt van het LPGtankstation Heesch S.T.E. B.V., gelegen aan 't Dorp 118 te Heesch. Conform de Atlas Leefomgeving ligt het plan binnen het explosieaandachtsgebied als gevolg van deze inrichting. Gebleken is echter dat op 7-10-2021 bestemmingsplan “Herontwikkeling 't Dorp 116, 118 en 122 te Heesch” onherroepelijk is vastgesteld, waardoor de exploitatie van het LPG-tankstation beëindigd is.

31

Op grond van bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het LPG-tankstation geen invloed heeft op de ontwikkeling binnen het plangebied.  De onderhavige woonfunctie is bedoeld voor beschermd wonen. Ten aanzien van het ontvluchten van het gebouw bij een calamiteit is het uitgangspunt dat hier geen aan bed gebonden personen aanwezig zijn. Dagelijks is van 9.00u – 22.00u verzorgend personeel aanwezig. In de nachtperiode is de zorgpartij op afroep aanwezig. Conform informatie van de exploitant van het zorgconcept is tussen 22.00u en 9.00u binnen 5 minuten een medewerker ter plaatse. Op grond van bovenstaande blijkt dat het plan niet binnen een aandachtsgebied te liggen, waardoor het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor de planvorming. Te treffen maatregelen Niet van toepassing Conclusie Het initiatief voldoet aan de instructieregels uit deze paragraaf want er zijn geen aspecten van externe veiligheid aan de orde. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

6.1.1.2

Niet-gesprongen Conventionele Explosieven

In de Tweede Wereldoorlog zijn in grote delen van Nederland verdedigingslinies aangelegd en hebben gevechtshandelingen plaats gevonden. Hierbij zijn mijnenvelden aangelegd en hebben beschietingen en bombardementen plaats gehad. Een onbekend aantal explosieven (verschoten en afgeworpen) is niet tot ontploffing gekomen en in de (water)bodem achtergebleven. Daarbij zijn na de oorlog veel ongebruikte explosieven gedumpt door ze te begraven of in het water te gooien. Deze explosieven hebben hun explosiekracht na al die tijd niet verloren. Ontplofbare Oorlogsresten (OO), voorheen ook wel Niet Gesprongen Conventionele Explosieven (NGCE), kunnen zich nog steeds in de grond en op de waterbodem bevinden. Op een onbekend aantal plaatsen in Nederland liggen nog bommen, granaten en andere munitie uit de Tweede Wereldoorlog. Tot op heden worden bij grond- en waterwerkzaamheden nog nagenoeg dagelijks niet-gesprongen conventionele explosieven gevonden. Planspecifiek De locatie is niet verdacht voor het voorkomen van niet-gesprongen explosieven. Conclusie Er is geen onderzoek in de vorm van een projectgebonden risicoanalyse voor deze locaties noodzakelijk. Tijdens de bouwwerkzaamheden zullen toevallige vondsten worden gemeld.

6.1.2 Beschermen van de waterbelangen Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels (al dan niet ter nastreving van omgevingswaarden*) uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl rijksregels met betrekking tot: 1. het voorkomen van belemmeringen voor primaire waterkeringen; 2. het bouwen binnen kustfundamenten buiten stedelijk gebied; en 3. het ontplooien van activiteiten in en nabij grote rivieren en het IJsselmeergebied. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Zodoende is de oorspronkelijke watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven. Ten slotte zijn de regels van art. 5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 uit de bruidsschat van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool.

Artikel 5.165 Bkl schrijft voor in welke gevallen het omgevingsplan lozingen van industrieel afvalwater mag toestaan. Gemeenten kunnen voor sommige lozingen specifieke regels stellen.

32

In het algemeen is de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten die in de bruidsschat zijn 26 Vereniging van Nederlandse Gemeenten opgenomen voldoende. Met de bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften kan de gemeente voor specifieke bedrijven zo nodige aanvullende eisen stellen die passen bij de bedrijfssituatie. Het is verboden vanaf een nieuw bouwwerk of een nieuw verhard oppervlak hemelwater direct te lozen op de riolering of openbaar terrein. De eigenaar van een perceel heeft de verplichting het hemelwater op eigen terrein te verwerken en heeft daarbij vrije keuze tussen de toe te passen voorziening(en) met een minimale capaciteit van 20 mm per m2 bouwwerk / verhard oppervlak. Een watertoets is vereist bij toepassing van een wadi, infiltratiekratten of groen dak. Planspecifiek De instructieregels uit deze paragraaf hebben geen betrekking op het initiatief, omdat binnen het projectgebied afdoende maatregelen kunnen worden getroffen en er slechts sprake is van een beperkte ontwikkeling. Onderzoek Door Kragten is een Notitie 'Weging van het waterbelang' opgesteld waarin de bestaande en nieuwe situatie met betrekking tot het vuil- en regenwater is opgenomen, rapport: ''Waternotitie Ontwikkellocatie De La Sallestraat 10 te Heesch'' (17 april 2025, BVH004). Het onderzoeksrapport is bijgevoegd als bijlage 7. Geconcludeerd wordt dat:

Verhard oppervlak

Het betreft een perceel oppervlak van 1970 m2. Op basis van de ontwerptekening is de verwachting dat er qua bebouwing circa 465 m2 nieuwe verhard dakoppervlak bij komt. Daarnaast wordt aan de voorzijde de bestaande parkeerplaats vergroot tot een oppervlak van 295 m2. Er komt naar schatting 2/3 aan verharding bij ten opzichte van de huidige situatie. Onderstaande tabel geeft de oppervlakten, percentage verharding en het verhard oppervlak per eenheid weer.

Berging Het is van belang om aan het beleid van Waterschap Aa en Maas en de Gemeente Bernheze te voldoen. Het betreft een verhard oppervlak van meer dan 500 m2 waardoor de bergingseis van het waterschap, zijnde 70 mm per m2 verhard oppervlak leidend is. Bij een verhard oppervlak van 665 m2 is een waterberging benodigd van ca. 46 m3. Ondergrondse oplossingen zijn in de regel financieel minder aantrekkelijk dan bovengrondse oplossingen. Bovengrondse maatregelen zijn robuuster (minder foutgevoelig) en beter te onderhouden. Dit zorgt voor lagere kosten waardoor dit financieel aantrekkelijker is. Bovengrondse maatregelen nemen echter wel meer ruimte in op het maaiveld. Initiatiefnemer heeft binnen de ontwikkeling weinig tot geen ruimte voor zichtbare waterberging en is voornemens de waterberging te realiseren door middel van ondergrondse infiltratievoorzieningen. Onder de uitbreiding van het parkeerterrein voorziet men ruimte voor ondergrondse infiltratievoorziening. Uit het infiltratieonderzoek komt naar voren dat de doorlatendheid van de bodem zijn beperkingen heeft. Er is echter wel voldoende ruimte beschikbaar om een infiltratievoorziening te realiseren, bijvoorbeeld in de vorm van infiltratiekratten. Bij de in de rapportage genoemde inhoud van de infiltratiekratten zijn in totaal 160 kratten benodigd. Als de kratten in een laag worden geplaatst, er is 115 m2 oppervlak benodigd.

De parkeerplaats heeft voldoende oppervlak om de voorgestelde type kratten in één laag boven de GHG te plaatsen rekening houdend met de benodigde gronddekking. Belangrijk is dat de kratten op tenminste 3 m van bebouwing worden aangelegd en dat deze worden voorzien van een bovengrondse overloop mocht er een regenbui vallen die meer inhoud heeft dan de kratten. Bij toepassing van kratten in de achtertuin van het gebouw dan dient er aandacht te zijn voor de locatie van de overloop. Projecteer deze zo dicht mogelijk bij de erfgrens zodat deze overloop geen overlast op het perceel nabij de verdiepte ligging geeft. In overleg met de leverancier van de kratten dient initiatiefnemer een goede uitwerking te maken zodat de kratten boven de GHG worden aangelegd.

33

Peilhoogten in projectgebied. In het stedenbouwkundig ontwerp worden een aantal ruimten lager dan maaiveld geprojecteerd. Dit is voortgekomen uit een uitgebreide omgevingsdialoog die heeft plaats gevonden. De omgeving vond het voormalige plan te massaal en daardoor is de nieuwbouw half verdiept ontworpen. Door de nieuwbouw half verdiept uit te voeren kan toch de capaciteit die gewenst is worden gerealiseerd, maar is het gebouw qua volume boven het maaiveld aanzienlijk minder geworden. Het maaiveld ligt op gemiddeld NAP + 8,3 m. De GHG is bepaald op NAP + 6,70 m. Dit betekent dat de kelder gedeeltelijk in het grondwater ligt. De kelderbak wordt uitgevoerd in beton waarbij de vloer en wand worden voorzien van een kimafdichting. Aan de buitenzijde wordt de betonwand geseald door middel van een waterdichte coating of een laag dakbedekking om op deze wijze vochtoverlast te voorkomen. Om overlast van regenwater in de wooneenheid te voorkomen dient ook een afvoer geplaatst te worden tussen het talud en de wooneenheid. Voorkomen dient te worden dat regenwater dat valt op de gevel en het afstromend talud tot overlast leidt in de wooneenheden. Om die reden wordt geadviseerd hier drainage of lijngoot aan te leggen welke met een pompinstallatie het overtollige regenwater afvoert naar de infiltratievoorziening.

De pompinstallatie dient ontworpen te zijn volgens de NTR3216, paragraaf 12.4 Hemelwaterafvoer van hellingbanen. De drainage of lijngoot mag niet lozen op de gemengde riolering omdat het schoon water betreft. Bij deze locatie bestaat het risico dat bij buien van bijvoorbeeld 70mm in een uur er wateroverlast kan ontstaan in of nabij de wooneenheden als het water niet voldoende snel kan worden afgevoerd. Belangrijk is om enkel het water van de hellingbaan tot afstroming te laten komen naar de wooneenheden.

Wooneenheden ter plaatse van talud Binnen het plangebied is op basis van het stedenbouwkundig plan en de actuele hoogteligging in de rapprtage inzicht gegeven in de beoogde peilen. Het straatpeil van de omliggende wegen ligt voldoende laag zodat hier water op straat kan staan zonder dat dit tot afstroming komt richting het plangebied.

Leegloop Er wordt vanuit gegaan dat het water in de infiltratievoorzieningen voornamelijk via de wanden infiltreert. In de loop van de tijd gaat de bodem namelijk dicht zitten door bezinksel en afzettingen in de bodem van de voorziening. Uit het infiltratieonderzoek komt naar voren dat de horizontale doorlatendheid van de bodem ter plekke van het plangebied goed tot 1,0 m onder de maaiveld is en matig in de laag tot 1,4 m diep. Voor de infiltratievoorzieningen dient rekening te worden gehouden met een minimale doorlatendheid van 0,15 m/dag en een maximale doorlatendheid van 0,5 m/dag. Wanneer dit vermenigvuldigd wordt met het wandoppervlak kan bepaald worden hoeveel water de voorziening minimaal en maximaal per dag kan laten infiltreren. Conform Rioned mag in totaal 60% van het wandoppervlak van de ondergrondse voorziening als infiltrerend worden gerekend. Het blijkt dat een centrale infiltratievoorziening onvoldoende snel leeg kan lopen door infiltratie vanwege het beperkte wandoppervlak, toepassing van meerdere infiltratievoorzieningen heeft als voordeel dat er meer wandoppervlak is waardoor infiltratie kan plaatsvinden. Bij een centrale infiltratievoorziening is de leeglooptijd bij een maximale doorlatendheid ongeveer 9 dagen.

Door het toepassen van meerdere infiltratielocaties ontstaat bij de kratten meer wandoppervlak voor infiltratie maar ook dan is sprake van een leeglooptijd van 3 tot 4 dagen.

34

De gemeente Bernheze heeft aangegeven wel te accepteren dat er een bovengrondse overstort wordt aangebracht bij de infiltratiekratten maar een ondergrondse vertraagde leegloop naar de openbare riolering is ongewenst. Bij een ondergrondse aansluiting is niet zichtbaar wat er gebeurd en daarom accepteert de gemeente dit niet. De gemeente accepteert dat de voorziening niet voldoende snel leegloopt door infiltratie. Door toepassing van goed doorlatend materiaal rondom de infiltratiekratten kan de leeglooptijd worden verbeterd.

Overstort-/escapemogelijkheid Voor het geval dat de bergingsinhoud ter plaatse van de voorzieningen overbelast raakt (om welke reden dan ook) dient een overstortmogelijkheid (escape) te worden voorzien. Het advies is om dit zo dicht mogelijk nabij het gemeentelijk rioolstelsel te doen middels bijvoorbeeld een tegelpadkolk zoals weergegeven in Figuur 13. Het overtollige water kan dan via het maaiveld naar de openbare riolering stromen. Belangrijk is dat wordt voorkomen dat regenwater dat overstort tot afstroming komt richting het gebouw omdat hier verlaagde woonruimten aanwezig zijn. Voor het geval dat de bergingsinhoud ter plaatse van de voorzieningen overbelast raakt (om welke reden dan ook) dient een overstortmogelijkheid (escape) te worden voorzien. Het advies is om dit zo dicht mogelijk nabij het gemeentelijk rioolstelsel te doen middels bijvoorbeeld een tegelpadkolk zoals weergegeven in Figuur 13. Het overtollige water kan dan via het maaiveld naar de openbare riolering stromen. Belangrijk is dat wordt voorkomen dat regenwater dat overstort tot afstroming komt richting het gebouw omdat hier verlaagde woonruimten aanwezig zijn.

Voorbeeld infiltratiekratten inclusief overstort op erfgrens Aansluiting afvalwater op openbare riolering  Vanwege de verdiepte ligging van een deel van de wooneenheden is een mechanische lozing op het gemeentelijk stelsel vereist. Door laag te bouwen bestaat namelijk het risico dat bij hevige buien het water op straat komt te staan. Het stelsel kan dan door druk het water terugduwen in de huisaansluiting, wanneer aansluitpunten lager liggen dan het straatpeil kan er wat in de wooneenheden komen. Door toepassing van mechanische riolering wordt overlast voorkomen.  Type aansluiting en locatie van het aansluitpunt dient nog plaats te vinden in overleg met de rioolbeheerder van de gemeente.  De kosten voor aansluiting van het complex op het vrijvervalriool inclusief bijkomende kosten komen volledig voor rekening van initiatiefnemer. oorbeeld infiltratiekratten inclusief overstort op erfgrens Te treffen maatregelen Zie genoemde maatregelen en in rapportage. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan. Er is door Kragten een onderzoek uitgevoerd naar de gevolgen van het initiatief/uitvoeren van de activiteit op de fysieke leefomgeving. Het initiatief voldoet aan de instructieregels uit deze paragraaf, binnen het perceel kunnen afdoende voorzieningen worden getroffen.

6.1.3 Gezondheid en milieu Gezondheid gaat om twee aspecten: het beschermen van de gezondheid en het bevorderen van de gezondheid. Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen.

35

6.1.3.1

Luchtkwaliteit

De artikelen 5.50 en 5.51 Bkl (paragraaf 5.1.4.1) bevatten instructieregels voor specifieke situaties: het aanleggen of wijzigen van een wegtunnelbuis, het aanleggen van snelwegen en autowegen, het toelaten van activiteiten die een toename van de verkeersintensiteit veroorzaken op wegen, vaarwegen en spoorwegen en milieubelastende activiteiten waarover in het Besluit activiteiten leefomgeving regels zijn gesteld het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht. Als de activiteiten leiden tot een verhoging van de concentratie in de buitenlucht van stikstofdioxide of PM10, moeten in een omgevingsplan specifieke omgevingswaarden in acht genomen. Ook zijn gemeentes benoemd die worden aangewezen als aandachtsgebied luchtkwaliteit. Voor deze gemeenten gelden aanvullende omgevingswaarden. De gemeente Bernheze behoort niet tot een aandachtsgebied luchtkwaliteit. Het is in ieder geval niet toegestaan om bepaalde activiteiten toe te laten (standaardgevallen NIBM (niet in betekenende mate)) die leiden tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie van stikstofdioxide en PM10 van 1,2 µg/m3 of minder bedoeld in art. 5.54 Bkl. Planspecifiek De instructieregels uit deze paragraaf hebben geen betrekking op het initiatief, omdat het aantal extra verkeersbewegingen beperkt is. Er zijn geen gevolgen voor de gezondheid te verwachten.

Het initiatief betreft het toevoegen van een beperkt aantal wooneenheden. Dit betekent dat de ontwikkeling ruim onder de NIBM-grenzen valt. Onderzoek De monitoringstool die in het kader van het CIML (Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit) is opgesteld, geeft de volgende jaargemiddelden voor de relevante stoffen ter plaatse van het meest relevante meetpunt '50475266_222678; Bosschebaan, Bernheze'. categorie jaargemiddelde concentratie NO2 jaargemiddelde concentratie PM10 overschrijdingsdagen per jaar- gemiddelde concentratie PM10

grenswaarde 40 µg/m³ 40 µg/m³ 35

2025 14,2 16,1 6,0

2030 12,0 15,0 6,0

Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Het initiatief voldoet aan de instructieregels uit deze paragraaf want het plan heeft geen waarneembare invloed op de luchtkwaliteit.

6.1.3.2

Geluid door activiteiten

In een omgevingsplan moet rekening gehouden worden met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen (art. 5.59 Bkl). Dat is het geval bij het toelaten van een activiteit op een locatie, anders dan het wonen, die geluid veroorzaakt op een geluidgevoelig gebouw dat is toegestaan. En bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw waarop geluid wordt veroorzaakt door een activiteit op een locatie die is toegestaan, anders dan het wonen. Een omgevingsplan moet erin voorzien dat het geluid door een activiteit op geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar is (art. 5.59 Bkl). Bij toelaten van een activiteit, gemeenteweg, waterschapsweg, lokale spoorweg of geluidgevoelig gebouw op een locatie houdt het bevoegd gezag in ieder geval rekening met geluid. Deze instructieregel bevat geen concreet kwaliteitsniveau voor geluid. Daarom heeft het bevoegd gezag een grote beoordelingsvrijheid.

Voor de volgende activiteiten gelden verschillende specifieke instructieregels:  standaardactiviteiten (paragraaf 5.1.4.2.1 en 5.1.4.2.2 Bkl)  specifieke activiteiten (paragraaf 5.1.4.2.1 en 5.1.4.2.3 Bkl)  activiteiten op industrieterrein met een geluidproductieplafond (gpp)  'activiteiten in de openbare buitenruimte' en evenementen ((paragraaf 5.1.4.2.1 en artikel 5.73 (uitzonderingen geluidbronnen) Bkl) De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl). Het rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels.

36

Deze instructieregels van het Bkl voor geluid zijn gericht op aangewezen geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl). In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. Ook zijn direct werkende regels in de bruidsschat opgenomen. Dit zijn de regels voor het bepalen en beoordelen van geluid door een toegelaten activiteit. In de bruidsschat is het onderdeel geluid geregeld in paragraaf 22.3.4. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (zie artikel 22.57 Bruidsschat waar waarden gelden). Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten:  Activiteiten anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.2 BS);  Geluid door windturbines en windparken (par. 22.3.4.3 BS);  Geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par.

22.3.4.4 BS). Planspecifiek De instructieregels uit deze paragraaf hebben wel betrekking op het initiatief, omdat er een geluidgevoelig gebouw wordt mogelijk gemaakt. In de nabijheid van het plangebied bevindt zich één mogelijke milieuhinderlijke functie, waarmee rekening dient te worden gehouden bij de ontwikkeling van het wooncomplex. Het gaat om het ten zuiden van de ontwikkeling gelegen bebouwing met mogelijkheid tot vestiging van dienstverlenende activiteiten. Deze activiteiten dienen echter in de bestaande situatie ook al rekening te houden met de bestaande woonactiviteit. Er zijn dus geen nieuwe belemmeringen te verwachten voor en van de naastgelegen dienstverlenende activiteiten. Conclusie Vanuit het oogpunt van geluid zijn er geen belemmeringen voor deze ontwikkeling.

6.1.3.3

Geluid door wegverkeer

De Wet geluidhinder bepaalde binnen welke zone van een (spoor)weg, onderzoek moet worden gedaan naar de geluidbelasting van die weg op nieuwe geluidgevoelige gebouwen. De geluidzones zijn in het Bkl teruggekeerd onder de naam geluidaandachtsgebieden. Deze gebieden worden als fysiek geografisch gebied vastgelegd in het Digitale Stelsel Omgevingswet (DSO). Voorheen gold in beginsel voor geluidgevoelige objecten een streefwaarde voor het geluid, de voorkeurswaarde. Met een Hogere waarde besluit kon het bevoegd gezag een hogere waarde dan de voorkeurswaarde vaststellen. De hogere waarde kende ook een bovengrens, de zogenaamde maximale ontheffingswaarde. In het Bkl zijn nieuwe termen geïntroduceerd: a. Standaardwaarde (voorheen: voorkeurswaarde): een geaccepteerd geluidsniveau waarvan gemotiveerd kan worden afgeweken, en b. Grenswaarde (voorheen: maximale ontheffingswaarde): een grens waarbij alleen bij uitzondering en met geluidbeperkende maatregelen (nieuwe) geluidgevoelige gebouwen kunnen worden toegestaan.

37

Nieuw is dat de standaardwaarden en de grenswaarden voor gevels van geluidgevoelige gebouwen in geluidaandachtsgebieden bijna allemaal zijn verhoogd ten opzichte van de huidige waarden. In de volgende tabel staan de nieuwe waarden van de verschillende geluidbronsoorten weergegeven: Geluidbronsoorten

rijkswegen, provinciale wegen gemeentewegen en waterschapswegen hoofdspoorwegen en lokale spoorwegen industrieterreinen

Standaardwaarde in Lden (dB)

Grenswaarden in Lden (dB) Nieuwe geluidgevoelige gebouwen

Aanleg of aanpassing bron

50

60

65

53

70

70

55

65

70

50

55

60

40 Lnight

45 Lnight

50 Lnight

Gemeentebesturen kunnen nu alleen een hogere geluidbelasting dan de standaardwaarde toestaan, tot aan de grenswaarde, als met geluidbeperkende maatregelen niet aan de standaardwaarde voldaan kan worden. Planspecifiek Het initiatief ligt in een geluidsaandachtsgebied van een gemeenteweg waarbij een standaardwaarde van 53 dB(A) geldt. Er is dus een nadere akoestische beschouwing nodig voor deze ontwikkeling. Het initiatief ligt echter in een 30 km/uur gebied met lage verkeersintensiteiten. Overschrijding van de standaardwaarde wordt daarom niet verwacht. Conclusie Vanuit het oogpunt van geluid wegverkeer zijn er geen belemmeringen voor deze ontwikkeling. Het initiatief voldoet aan de instructieregels uit deze paragraaf want de standaardwaarde voor de geluidgevoelige gevel wordt niet overschreden.

6.1.3.4

Trillingen

In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met trillingen door activiteiten in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen (paragraaf 5.1.4.4., art. 5.83 Bkl). Dat geldt bij het toelaten van een activiteit op een locatie, anders dan wonen, die trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz veroorzaakt in een trillinggevoelige ruimte van een toegestaan trillinggevoelig gebouw (art. 5.79 Bkl). Dat geldt ook bij het toelaten van een trillinggevoelig gebouw waarop trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz worden veroorzaakt door een toegestane activiteit, anders dan het wonen (art. 5.79 Bkl). Een omgevingsplan voorziet erin dat trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn (art. 5.83 Bkl). Het onderdeel Trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat.

Planspecifiek De instructieregels uit deze paragraaf hebben geen betrekking op het initiatief, omdat in het voorliggende geval binnen het besluitgebied geen sprake is van nieuwe activiteiten die leiden tot onevenredige hinder in de vorm van trillingen zoals bedoeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Evenmin is sprake van activiteiten in de omgeving die binnen het besluitgebied leiden tot onevenredige hinder in de vorm van trillingen zoals bedoeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Onderzoek Niet van toepassing

38

Te treffen maatregelen Niet van toepassing Conclusie. Het initiatief voldoet aan de instructieregels uit deze paragraaf.

6.1.3.5

Slagschaduw van windturbines

Voor slagschaduw van windturbines geldt paragraaf 5.1.4.4a van het Bkl. Als een windturbine met een rotordiameter van 2 m of meer op een locatie wordt toegelaten of een slagschaduw gevoelig gebouw waarop slagschaduw wordt veroorzaakt door een dergelijke windturbine, gelden er voor het aspect slagschaduw instructieregels. Deze instructieregels gelden alleen ter bescherming van slagschaduw gevoelige gebouwen, zoals woningen, scholen, ziekenhuizen en kinderdagverblijven. Er geldt een tijdelijke uitzondering voor windparken (art. 5.89aa Bkl). Planspecifiek De instructieregels uit deze paragraaf hebben geen betrekking op het initiatief, er is in de directe omgeving geen windturbine aanwezig. Onderzoek Niet van toepassing Te treffen maatregelen Niet van toepassing Conclusie. Het initiatief voldoet aan de instructieregels uit deze paragraaf.

6.1.3.6

Bodemkwaliteit

Het Rijk stelt instructieregels (Bkl paragraaf 5.1.4.5) aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. De gemeente moet daarom regels voor het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem opnemen in het omgevingsplan. De gemeente zorgt ervoor dat nazorg en instandhouding van bodemmaatregelen na het saneren in het omgevingsplan komt. Een omgevingsplan bepaalt daarom dat bepaalde maatregelen in stand moeten worden gehouden, moeten worden onderhouden, of moeten worden vervangen, met daarbij op welke wijze en binnen welke termijn. In het omgevingsplan kan de gemeente gebieden aanwijzen waarvoor een verplicht voorafgaand bodemonderzoek niet nodig is. Ook kan de gemeente in het omgevingsplan vastleggen dat in bepaalde gebieden of op bepaalde locaties naast vooronderzoek altijd verkennend bodemonderzoek en/of verkennend bodemonderzoek asbest moet plaatsvinden. Verder kan de gemeente in het omgevingsplan ook bij andere aanleidingen of activiteiten een voorafgaand bodemonderzoek voorschrijven. Bijvoorbeeld als de functie van een locatie of gebied wijzigt (gevoeliger gebruik).

Het voorafgaand bodemonderzoek naar de chemische kwaliteit van de landbodem is verplicht bij de (milieubelastende) activiteiten:  Graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit (paragraaf 4.119, Bal)  Graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit (paragraaf 4.120, Bal)  Saneren van de bodem (paragraaf 4.121, Bal)  Bouwen op een bodemgevoelige locatie (via instructieregel uit paragraaf 5.1.4.5.1 uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), een verplichting in het omgevingsplan). Planspecifiek De instructieregels uit deze paragraaf hebben geen betrekking op het initiatief, omdat de locatie onverdacht is.

39

Onderzoek Er is door Aeres Milieu een onderzoek uitgevoerd naar de gevolgen van het initiatief/uitvoeren van de activiteit op de fysieke leefomgeving. In deze motivering worden de belangrijkste conclusies vermeld: voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar bijlage 2. Om de huidige bodemkwaliteit inzichtelijk te maken heeft Aeres Milieu een vooronderzoek bodem (NEN5725) uitgevoerd: rapport "De la Sallestraat 10 te Heesch" (17 april 2024, AM24168, versie 1). Gebaseerd op de verzamelde gegevens uit het vooronderzoek kan de onderzoekslocatie als “onverdacht” worden beschouwd op het voorkomen van bodemverontreiniging. Er bestaat geen aanleiding te vermoeden dat ter plaatse van de planlocatie sprake is van een bodemverontreiniging. De aanwezigheid van asbestverdacht materiaal in de bodem wordt niet verwacht (onverdacht). Te treffen maatregelen Niet van toepassing Conclusie Op basis van de bekende bodemgegevens kan worden geconcludeerd dat het aspect bodemkwaliteit geen belemmering vormt voor de voorgenomen functiewijziging. Het initiatief voldoet aan de instructieregels uit deze paragraaf want de verwachte bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor het beoogde planprocedure en de voorgenomen verbouwing en nieuwbouw. Er wordt geen bodemverontreiniging verwacht.

6.1.3.7

Geur

Op grond van paragraaf 5.1.4.6 van het Bkl wordt in een omgevingsplan rekening gehouden met de geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen (art. 5.92 Bkl). Een omgevingsplan moet erin voorzien dat de geur door een activiteit op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Let op, in geval van functionele binding tussen gebouw en activiteit kunnen uitzonderingen gelden (art. 5.95 en 5.96 Bkl). Indien het omgevingsplan regels bevat over geur door het exploiteren van zuiveringtechnische werken, door het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf, door andere agrarische activiteiten wijst in het omgevingsplan een of meer bebouwingscontouren geur aan rond stedelijk gebied (art. 5.97 Bkl). De geometrische begrenzing moet vastgelegd worden in het omgevingsplan. Stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied of lintbebouwing langs wegen, waterwegen of waterkeringen binnen de bebouwingscontour worden opgenomen. Er gelden specifieke instructieregels indien het initiatief betrekking heeft op:  Geur door het exploiteren van zuiveringtechnische werken (§ 5.1.4.6.2)  Geur door het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf (§ 5.1.4.6.3)  Geur door andere agrarische activiteiten (§ 5.1.4.6.4) Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal).

In afdeling 8.5 'Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit' van het (Bkl) staan beoordelingsregels. Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur. De vergunningverlener moet bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het omgevingsplan. Zo staat in het omgevingsplan wat de geurgevoelige gebouwen en locaties zijn. Ook kunnen in het omgevingsplan andere regels voor geur staan (of een omgevingswaarde voor geur). In het omgevingsplan staan bijvoorbeeld geurregels voor veehouderijen. De vergunningverlener moet dan rekening houden met deze regels De Bruidsschat bevat regels over:  Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony's voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 BS);  Geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 BS);  Geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22.3.6.4 BS);  Geur door het exploiteren van zuiveringtechnische werken (par. 22.3.6.5 BS).

40

Planspecifiek De instructieregels uit deze paragraaf hebben geen betrekking op het initiatief. Het plan omvat de realisatie van geurgevoelige objecten maar ligt niet in de omgeving van veehouderijen. Het uitvoeren van een geuronderzoek is niet nodig. Onderzoek Niet van toepassing Te treffen maatregelen Niet van toepassing Conclusie. Het initiatief voldoet aan de instructieregels uit deze paragraaf want het plan ligt niet binnen de invloed van een agrarisch bedrijf.

6.1.3.8

Spuitzones

Er zijn in Nederland geen wettelijke bepalingen over minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen in de open lucht worden geteeld, zoals fruitbomen, en nabijgelegen woningen. In de ruimtelijke ordeningspraktijk bestaat een vuistregel om een afstand van 50 meter aan te houden. Het is een afstand dat door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State algemeen wordt toegepast en geaccepteerd wordt tussen percelen met open teelten en woningen. Bij deze afstand wordt ervan uitgegaan dat enerzijds de bedrijfsvoering van de agrariër niet wordt belemmerd en anderzijds dat er geen nadelige effecten optreden voor de gezondheid van omwonenden. In hoofdstuk 3 en 4 van het Bal zijn diverse maatregelen opgenomen om de drift naar het oppervlaktewater te beperken. Aan de ene kant gaat het om het om het toepassen van driftreducerende spuittechnieken, gebruik van een kantdop naast de sloot, eisen ten aanzien van de windsnelheid waarbij gespoten mag worden en de spuitdophoogte. Aan de andere kant zijn in het besluit teeltvrije zones opgenomen. De breedte van de teeltvrije zones die moet worden aangehouden is afhankelijk van het gewas dat wordt geteeld en van de gebruikte spuittechniek of andere maatregelen zoals vanggewassen of emissieschermen.

Ook de intensiteit waarmee de gewassen bespoten worden en of er sprake is van opwaartse of neerwaartse bespuiting is medebepalend voor de breedte van de teeltvrije zone. Bedrijven met een open teelt bij gebruik van gewasbeschermingsmiddelen moeten een spuittechniek toepassen die de verwaaiing (drift) van gewasbeschermingsmiddelen met ten minste 75 procent vermindert. Deze verplichting geldt voort het hele perceel, ongeacht de aanwezigheid van een sloot of de afstand tot een sloot. Hierdoor kan een kleinere afstand tot spuitzone gevoelige objecten dan 50 meter worden gehanteerd. De in de praktijk gehanteerde vuistregel van 50 meter is een indicatieve afstand. Dat wil zeggen dat er omstandigheden zijn waarin hiervan kan worden afgeweken. Voor de gemeente bestaat er een onderzoeksplicht naar de te hanteren afstand in de specifieke situatie. Ingevolge jurisprudentie over spuitzones hoeft niet in alle gevallen rekening te worden gehouden met agrarische gronden waar fruitbomen mogelijk zijn (zie uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 december 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:3524)).

Indien de wijziging van het gebruik van de agrarische gronden naar teelt met een spuitzone binnen de planperiode niet wordt voorzien en als de eigenaar/gebruiker van de gronden geen concreet voornemen heeft om de gronden als boomgaard te gebruiken is zo'n wijziging zodanig onwaarschijnlijk dat de raad bij de vaststelling van de omgevingsplanwijziging die de woonfunctie mogelijk maakt, geen rekening hoeft te houden met spuitzones. Planspecifiek De gronden rondom het plangebied zijn niet in gebruik zijn voor boom- en fruitteelt en bovendien ook niet aangewezen als boomteeltontwikkelingsgebied. Geconcludeerd wordt dat er geen rekening gehouden hoeft te worden met spuitzones als gevolg van boom- en fruitteelt.

41

6.1.4 Landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed 6.1.4.1

Ladder voor duurzame verstedelijking

De ladder voor duurzame verstedelijking staat in paragraaf 5.1.5.4 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in het omgevingsplan rekening gehouden met (art. 5.129g):  de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en  als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. Bovenstaande geldt voor een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is. Tot stedelijk gebied wordt niet gerekend een stedelijke ontwikkeling waarvoor: a. op grond van het omgevingsplan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist; en b. al een behoefteonderzoek (laddertoets) is gedaan. Planspecifiek De instructieregels uit deze paragraaf hebben geen betrekking op het initiatief.

In het voorliggende geval is sprake van de realisatie van appartementen voor beschermd wonen binnen de dorpskern van Heesch. Vanuit functioneel oogpunt is op een gedeelte van de locatie al wonen toegestaan. Door de overschrijding van het bouwblok (het bouwen in de tuin) is een rechtstreekse bouwtitel niet mogelijk. Er is geen sprake van wezenlijke ruimtelijke effecten, in combinatie met het feit dat sprake is van herstructurering binnen bestaand stedelijk gebied, wordt beargumenteerd dat geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in de ladder voor duurzame verstedelijking. Desalniettemin voldoet het gehele plan aan de ladder voor duurzame verstedelijking. In het voorliggende geval is sprake van de realisatie van een appartementencomplex voor beschermd wonnen waarmee invulling wordt gegeven aan een concrete behoefte aan woonruimte. Met het te realiseren van de appartementen voor beschermd wonen wordt ingespeeld op de woonvisie van de gemeente Bernheze waarin is opgenomen dat woonzorgcomplexen gewenst zijn. De kern Heesch is een van de aangewezen gebieden waar kleinschalige woonzorgvormen gewenst zijn. Onderzoek Niet van toepassing Conclusie Vanuit de ladder voor duurzame verstedelijking bestaan er geen belemmeringen.

6.1.4.2

Cultureel erfgoed en werelderfgoed

In een omgevingsplan wordt op grond van paragraaf 5.1.5.5. van het Bkl rekening gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.

42

Planspecifiek Archeologische waarden

Afbeelding 9: Uitsnede archeologische beleidskaart gemeente Bernheze Volgens de archeologische beleidskaart is het plangebied voor het grootste gelegen in gebieden met een middelhoge archeologische verwachting (oranje). Deze archeologische verwachtingskaart is heel grof en doorvertaald in het vigerende bestemmingsplan. In het bestemmingsplan valt het gehele plangebied binnen de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3'. Daarmee ligt het plangebied ligt in een zone met een middelhoge archeologische verwachtingswaarde. Er geldt een vrijstelling voor onderzoek bij bodemingrepen tot 40 cm onder maaiveld over een oppervlakte van minder dan 2.500 m². Er zal bij de ontwikkeling worden onderkelderd, waarbij dieper dan 40 cm wordt afgegraven. Het initiatief overschrijdt echter de oppervlaktegrens van 2.500 m2 niet. Het uitvoeren van een archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk. De instructieregels uit deze paragraaf hebben geen betrekking op het initiatief, omdat het plan binnen de oppervlaktegrens blijft. Cultuurhistorische waarden

Afbeelding 10: Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart Gemeente Bernheze Binnen het plangebied zijn geen cultuurhistorische waarden aanwezig. Het aangeduide oude wegtracé van redelijk hoge waarde wordt door het initiatief niet aangetast. De bestaande ontsluiting op deze weg blijft gehandhaafd en zal de waarde van de weg dus niet aantasten. Te treffen maatregelen De wettelijke meldingsplicht voor archeologische toevalsvondsten geldt altijd (art. 5.10 Erfgoedwet 2016). Mochten tijdens grondwerkzaamheden (vermoedelijke) archeologische resten (vondsten, muurwerk, grondsporen et cetera) worden aangetroffen, dan dienen deze direct gemeld te worden aan de Minister van OCW. Vervolgens zal bepaald worden of, en zo ja welke, aanvullende maatregelen getroffen dienen te worden.

43

Conclusie Het initiatief voldoet aan de instructieregels uit deze paragraaf, want er vindt geen aantasting van archeologische of cultuurhistorische waarden plaats.

6.1.4.3

Landschap

Elke ontwikkeling in het buitengebied dient gepaard te gaan met een verbetering van de kwaliteit van het landschap. Afhankelijk van de omvang en impact van de ontwikkeling valt deze in categorie 1, 2 of 3. Onderhavig plan ligt binnen de dorpskern van Heesch, dus niet in het buitengebied, deze paragraaf is niet van toepassing.

6.1.5 Behoud van ruimte voor toekomstige functies Op grond van de instructieregels van het Bkl (paragraaf 5.1.6 Bkl) mogen de activiteiten die met een omgevingsplan worden toegestaan, geen belemmering vormen voor de bestemming die daaraan is gegeven binnen reserveringsgebieden voor autowegen, autosnelwegen, hoofdspoorwegen, buisleidingen van nationaal belang. Deze instructieregels zijn niet van toepassing op activiteiten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit al rechtmatig op een locatie worden verricht of zijn toegestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van die bepalingen. Planspecifiek De instructieregels uit deze paragraaf hebben geen betrekking op het initiatief, omdat hier binnen de bestaande woonbestemming een bestaand pand met ruime tuin een nieuwe invulling krijgt. Er is geen sprake van een reserveringsgebied. Conclusie Het initiatief voldoet aan de instructieregels uit deze paragraaf.

6.1.6 Behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten 6.1.6.1

Bovenlokale infrastructuur of voorzieningen

Het Rijk geeft in paragraaf 5.1.7. van het Bkl instructieregels voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Bovenlokale belangen werken daarmee door in de vaststelling en wijziging van een omgevingsplan. Deze instructieregels zijn niet van toepassing op activiteiten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit al rechtmatig op een locatie worden verricht of zijn toegestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van die bepalingen. Planspecifiek De instructieregels uit deze paragraaf hebben geen betrekking op het initiatief, omdat het hier een bestaand pand betreft met een ruime tuin die een nieuwe invulling krijgen. Er is geen sprake van bovenlokale infrastructuur of voorzieningen. Conclusie Het initiatief voldoet aan de instructieregels uit deze paragraaf.

6.1.6.2

Lokale infrastructuur en voorzieningen

Kabels en leidingen verschillen in omvang en wat zij vervoeren. Daarnaast liggen kabels en leidingen in verschillende (openbare) gronden, waardoor verschillende belangen geraakt worden. Bij de aanleg kunnen meerdere regels in diverse juridische instrumenten van toepassing zijn. Planspecifiek Binnen het plangebied bevinden zich geen relevante kabels en leidingen. Voordat graafwerkzaamheden zullen plaats vinden wordt een Klic-melding gedaan. Vanuit dit kader bestaan er geen belemmeringen en is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

44

Conclusie Binnen dit initiatief is geen sprake van relevante kabels en leidingen waar rekening mee gehouden moet worden.

6.1.7 Bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte Voor zover een omgevingsplan voorziet in nieuwe ontwikkelingen met gevolgen voor de inrichting van de openbare buitenruimte, wordt op grond van paragraaf 5.1.8 van het Bkl in het omgevingsplan rekening gehouden met het belang van het bevorderen van de toegankelijkheid van die openbare buitenruimte voor personen met een functiebeperking. Planspecifiek De instructieregels uit deze paragraaf hebben geen betrekking op het initiatief. Het initiatief betreft het realiseren van een appartementen voor beschermd wonen. Toegankelijkheid staat hierbij voorop. De volledig parkeerbehoefte wordt op eigen terrein voorzien, waardoor geen aanpassingen aan de bestaande opnebare ruimte noodzakelijk zijn. Te treffen maatregelen Niet van toepassing Conclusie Het initiatief voldoet aan de instructieregels uit deze paragraaf want gezien de aard van het initiatief, is er aandacht voor toegankelijkheid.

6.2 Besluit milieueffectrapportage De wetgeving over de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Daarin is bepaald dat het bevoegd gezag bij de voorbereiding van een plan of programma een milieueffectrapport opstelt, als dat plan of programma het kader vormt voor te nemen besluiten voor projecten die zijn aangewezen in artikel 16.43 van de Omgevingswet. Onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (EU-richtlijn voor strategische milieubeoordeling), wordt in ieder geval verstaan een omgevingsvisie, programma, omgevingsplan en voorkeursbeslissing. Voor de plannen en programma's waarvoor een plan-milieueffectrapport moet worden opgesteld is in de Omgevingswet een generieke aanwijzing opgenomen. Hiervoor is aansluiting gezocht bij de SMB-richtlijn. In Bijlage V bij het Omgevingsbesluit staan de aangewezen categorieën van projecten waarvoor een m.e.r.-procedure verplicht is. Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de voorbereiding van een plan of programma waarvoor een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Voor plannen die betrekking hebben op kleine gebieden op lokaal niveau en/of kleine wijzigingen heeft de Omgevingswet de plan-m.e.r.-beoordeling geïntroduceerd. Voor deze ontwikkelingen is een plan-m.e.r.

alleen verplicht als voor de activiteit aanzienlijke milieugevolgen worden verwacht. Een plan-m.e.r.-beoordeling is ook van toepassing op plannen die een kader vormen voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Omgevingsbesluit zijn genoemd. De plan-m.e.r.-beoordeling betreft een toets om na te gaan of sprake is van een plan met grote milieugevolgen. Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria van Bijlage III, van de EU-richtlijn m.e.r. De hoofdcriteria waaraan moet worden getoetst zijn: kenmerken van het project, plaats van het project en kenmerken van het potentiële effect. Planspecifiek Uit de beoordeling aan de regels over een milieueffectrapportage blijkt dat er geen plicht is om een milieueffectrapport te maken. Gelet op de kenmerken van de ontwikkeling en de kenmerken van de potentiële effecten, zijn er geen belangrijke negatieve milieugevolgen te verwachten. Het opstellen van een milieueffectrapport in het kader van het milieuspoor is niet nodig.

45

Onderzoek Uit de Mer-beoordeling (zie bijlage 3) is gebleken dat de gevolgen van het uitvoeren van de activiteit op de fysieke leefomgeving geen aanleiding geven tot het opstellen van een Mer-rapportage en dat er sprake van een evenwichtige toedeling van functies. P.M. Mer-beoordeling wordt opgesteld na akkoord onderzoeken Te treffen maatregelen en conclusie Voor dit plan geldt geen plicht om een milieueffectrapport te maken.

6.3 Groen en natuur Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die waren opgenomen in de Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000- gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).

6.3.1 Groen Bomen en ander groen zijn belangrijke middelen om de kwaliteit van de leefomgeving en de biodiversiteit te behouden en zelfs te vergroten. Bij elke ruimtelijke ontwikkeling is daarom een groenparagraaf vereist waarin aandacht is voor groen, bomen en natuur. Initiatiefnemers laten daarmee zien hoe zij voldoen aan de groennorm, hoe zij omgaan met waardevol bestaand groen en aanwezige flora en fauna en hoe zij met hun nieuwe inrichting en soortkeuze bijdragen aan de kwaliteit van de leefomgeving en de biodiversiteit. Een ontwikkeling mag geen negatieve invloed hebben op de belangrijkste bomen in de omgeving. De gemeente heeft dit beschreven in haar bomenbeleidsplan en vastgelegd in de Kaart monumentale en toekomstbomen en op groenstructuurkaarten. Het is van belang om inzicht te krijgen of de nabijgelegen bomen (binnen een afstand van 20 meter van het plangrens) worden verstoord. Indien het plan dicht bij een boom wordt gerealiseerd dient deze te worden beschermd, zowel boven als onder de grond. Middels een Boom Effect Analyse (hierna: BEA) (deskundig rapport voorzien van een kwaliteitslabel) wordt inzichtelijk gemaakt wat nodig is voor een passende bescherming. Indien er werkzaamheden worden uitgevoerd binnen de boombeschermingszone (tot ,5 meter buiten de kroonprojectie) dient er een plan van aanpak opgesteld te worden hoe met de boomwortels wordt omgegaan (BEA).

Er mogen geen graafwerkzaamheden uitgevoerd worden in de buurt van de bomen. Planspecifiek Het voorliggende initiatief betreft een herontwikkelingslocatie binnen bestaand stedelijk gebied waarbij geen wijzigingen aan het openbaar gebied plaatsvinden. De bestaande laanbomen langs de straat blijven behouden. De meerstammige boom in de voortuin aan de La Sallestraat wordt gerooid t.b.v. de te realiseren parkeerplaatsen. Deze boom heeft geen monumentale waarde. Binnen het plangebied bevindt zich volgens de kaart Monumentale bomen Bernheze één monumentale beukenboom. Deze boom blijft behouden. Wel worden binnen de invloedsfeer van de boom werkzaamheden verricht. Om aan te tonen dat de werkzaamheden geen negatieve invloed hebben op het duurzaam behoud van de boom is door idverde Bomendienst een Bomen Effect Analyse (BEA) (idverde Bomendienst, 16 april 2025, v6) uitgevoerd. De rapportage is als bijlage 8 opgenomen. Op basis van het huidige ontwerp is de boom duurzaam te behouden. De beuk heeft een toekomstverwachting van meer dan 15 jaar en een goede conditie. Hierdoor wordt gesteld dat de boom goed kan herstellen van kleine schades (snoei ingrepen, ontgraven van fundering en kelder, etc.), zolang de randvoorwaarden zoals gesteld in paragraaf 4.3 van de rapportage worden opgevolgd.

46

Door het verwijderen en uitbreiden van bouwvolumes en het onderkelderen van een deel van het gebouw zal een deel van de groeiplaats te maken krijgen met veranderende omstandigheden aangaande vocht- en zuurstofhuishouding. Echter gezien de afstand van deze bouwvlakken ten opzichte van de kroon worden de negatieve effecten verwaarloosbaar geacht. Het feit dat rond de boom een groot oppervlakte tuin aanwezig is en blijft zorgt er voor dat de boom voldoende ondergrondse groeiruimte heeft om zich verder te ontwikkelen. In paragraaf 4.3 van de rapportage worden randvoorwaarden gesteld om deze groeiruimte te beschermen en behouden. Aan twee zijden van de boom bevindt zich in de nieuwe situatie 2-laags bebouwing met kap, waarvan ook een deel onderkelderd wordt. Om schade aan de bebouwing en de boom te voorkomen zijn snoeiingrepen noodzakelijk. De conditie en de architectuur van de boom laten de noodzakelijke snoei toe, mits wordt voldaan aan de randvoorwaarden zoals gesteld in paragraaf 4.3 van de rapportage. De initiatiefnemer heeft aangegeven te kunnen voldoen aan de gestelde voorwaarden, waarmee de werkzaamheden geen negatieve invloed hebben op het duurzaam behoud van de boom. Conclusie Het plan sluit aan bij de speerpunten van het Groenstructuurplan.

6.3.2 Soortenbescherming De Wet natuurbescherming (Wnb) is opgegaan in de Omgevingswet: de Aanvullingswet natuur, het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. Er is sprake van een beleidsneutrale overgang. Het normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht zijn ongewijzigd gebleven. Het is van belang om inzicht te krijgen of voorgenomen plannen geen negatieve effecten hebben op (beschermde) flora en fauna. Middels een ecologische quickscan, welke jaarrond uitgevoerd kan worden, wordt een locatie beoordeeld of beschermde soorten aanwezig (kunnen) zijn. De Ecologische QuickScan Analyse dient door een deskundig bureau te zijn uitgevoerd. Blijkt uit de conclusie dat er schadelijke effecten voor beschermde soorten aanwezig is dan haakt de wet natuurbescherming aan. Planspecifiek Quickscan Omgevingswet Om een indruk te verkrijgen van de (mogelijk) aanwezige beschermde planten- en diersoorten binnen het onderzoeksgebied heeft Viridis een ecologische quickscan uitgevoerd: rapport ''Ecologische Quickscan Omgevingswet'' (3 mei 2024, 2024-080). Het onderzoeksrapport is bijgevoegd als bijlage 4. Uit de Quickscan blijkt dat er verschillende beschermde soorten in het plangebied of binnen de invloedsfeer van de activiteit te verwachten zijn.

Voor deze soorten zijn er nog geen maatregelen vast te stellen die het optreden van negatieve effecten geheel voorkomen. Er is daarom nader onderzoek nodig om vast te stellen of de soorten inderdaad aanwezig zijn, zo nodig gevolgd door een vergunningsaanvraag. Het betreffen de volgende soorten/functies:  Gebouwbewonende vleermuizen – verblijfplaatsen  Gierzwaluw – Nestlocatie  Huismus– Nestlocatie Broedvogel- en vleermuisonderzoek Viridis heeft het plangebied onderzocht op het voorkomen van verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen en jaarrond beschermde nesten van huismus en gierzwaluw: rapport "Resultaten broedvogel- en vleermuisonderzoek" (7 november 2024, 2024-169). Het onderzoeksrapport is bijgevoegd als bijlage 5. Uit het onderzoek is gebleken dat in De La Sallestraat 10 verblijfplaatsen van beschermde soorten aanwezig zijn. Hoewel nestplaatsen van de huismus en een verblijfplaats van de gewone dwergvleermuis zijn aangetroffen, zijn negatieve effecten op deze soorten uitgesloten. De nest- en verblijfplaatsen bevinden zich op locaties, welke niet negatief door de werkzaamheden worden beïnvloed. Uitsluitend de nestplaats van de huismus aan de oostzijde van de bebouwing bevindt zich nabij de geplande nieuwbouw, maar ook hier blijft de aanvliegroute voldoende behouden en blijft het bestaande dak onaangetast.

47

Het aanvragen van een vergunning van de Omgevingswet is dan ook niet noodzakelijk. Te treffen maatregelen Niet van toepassing Conclusie Uit het nader onderzoek blijkt dat er geen belemmeringen zijn voor de ontwikkeling. Vanuit het aspect natuur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

6.3.3 Natuur - Gebiedsbescherming De Omgevingswet is sinds 1 januari 2024 de Nederlandse wet waarin onder andere de Wet natuurbescherming is opgenomen. In de Omgevingswet is zowel de bescherming van planten- en diersoorten, als de bescherming van natuurgebieden en houtopstanden geregeld. De Omgevingswet bestaat uit een algemene wettekst dat per procesonderdeel nader is uitgewerkt in vier Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB's) en de Omgevingsregeling. Uit de natuurdoelanalyse blijkt dat de natuur in de Brabantse Natura 2000-gebieden verslechtert. De verplicht Europese natuurdoelen kunnen met de huidige maatregelen niet worden behaald. De problemen worden veroorzaakt door een mix van verzuring, vermesting en verdroging, dat per gebied verschilt. Een diversiteit aan planten en bomen hebben hieronder te lijden en verdwijnen langzaam maar zeker uit de gebieden. Dat heeft onder meer tot gevolg dat het aantal insecten vermindert, waardoor in sommige gebieden bepaalde vogels en andere dieren niet meer kunnen leven. Als deze ontwikkeling zich verder voortzet, krijgen we een totale verschraling van de natuur. Dat heeft negatieve gevolgen voor klimaat, milieu, leefomgeving en gezondheid. Planspecifiek Het plangebied ligt niet binnen een beschermd gebied, zoals opgenomen in Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland.

Ook bij ontwikkelingen buiten natuurgebieden moet het effect worden beoordeeld, de zogenaamde 'externe werking'. Het gaat dan enerzijds om verstorende effecten zoals geluid, licht en trillingen op natuurgebieden behorende tot het Natuurnetwerk Nederland en anderzijds om stikstofdepositie en andere verstorende effecten op Natura 2000-gebieden. Verstorende effecten Om na te gaan of voorliggend plan verstorende effecten heeft op gebieden behorende tot Natuurnetwerk Nederland heeft Viridis een ecologische quickscan uitgevoerd: rapport ''Ecologische Quickscan Omgevingswet'' (3 mei 2024, 2024-080). Het onderzoeksrapport is bijgevoegd als bijlage 4. In de Natura 2000-gebieden 'Rijntakken' en 'Bossche Broek' zijn stikstofgevoelige habitattypen aanwezig op een afstand van 13 en 16 kilometer. Een gedegen ecologische Voortoets waarin rekening is gehouden met specifieke lokale omstandigheden in deze gebieden wordt echter niet noodzakelijk geacht. De veranderingen in het plangebied zijn minimaal en de afstand tot de Natura 2000-gebieden zodanig groot, dat effecten op voorhand met zekerheid zijn uitgesloten. Stikstofdepositie Ook bij ontwikkelingen buiten natuurgebieden moet het effect worden beoordeeld, de zogenaamde 'externe werking'. Het gaat dan met name om stikstofdepositie. Conform de Omgevingswet mag de stikstofdepositie namelijk niet toenemen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Bernheze&id=c671e2dd-d8b3-4a87-9677-5138b7ce6f03