Bijlage - Transitieplan Omgevingsplan gemeente Bernheze
Tekst van het document
pagina 31
In hoofdstuk 3 gaan we dieper in op spoor 1 transitiefase en in hoofdstuk 4 op spoor 2 beheerfase.
pagina 32
3. Spoor 1: transitiefase 3.1 Juridische en functionele structuur Het omgevingsplan moet juridisch houdbaar, uitvoerbaar én begrijpelijk zijn. Daarvoor maken we bewuste keuzes in de juridische en functionele structuur van het plan. Juridische structuur De juridische structuur betreft de wijze waarop regels zijn geformuleerd en technisch opgebouwd volgens de landelijke standaarden. We gebruiken hiervoor de STOP/TPOD-standaard als basis, in combinatie met de opbouwprincipes uit de VNG-staalkaarten. De kern van de systematiek van de staalkaart is dat de samenhang tussen de regels over activiteiten niet zo zeer wordt weergegeven in hoofdstuk 5, maar wordt gecreëerd en weergegeven in hoofdstuk 4. Hoofdstuk 4 functioneert daarbij als richtingaanwijzer die laat zien welke regels over activiteiten in hoofdstuk 5 op welke locatie van toepassing zijn. Een paragraaf over een activiteit in hoofdstuk 5 is alleen van toepassing voor zover dat in hoofdstuk 4 wordt bepaald. In hoofdstuk 4 worden de regels daarbij onderverdeeld in twee categorieën: thematisch geordende regels en regels die per gebiedstype worden geordend. De keuze om de regels over activiteiten thematisch, dan wel per gebiedstype te ordenen, hangt vooral af van de aard van de betreffende activiteit. De onderstaande afbeelding toont een voorbeeld van de richtingaanwijzer uit hoofdstuk 4.
Hierin staat dat voor de activiteit ‘vuur stoken in de openlucht’ de regels uit paragraaf 5.2.4 van toepassing zijn.
Per regeling voor een activiteit wordt een vast stramien gehanteerd: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.
toepassingsbereik oogmerken algemene regels (eventueel) aanwijzing vergunningplichtige gevallen (eventueel) bijzondere aanvraagvereisten (eventueel, bij vergunningplicht) beoordelingsregels (altijd bij vergunningplicht) melding/informatieplicht (eventueel)
pagina 33
Deze structuur zorgt voor samenhang, consistentie en werkbaarheid, zowel voor inwoners en initiatiefnemers als voor de gemeentelijke organisatie. Door deze uitgangspunten te hanteren, ontstaat een uniform en navolgbaar omgevingsplan. Dit helpt bij digitale ontsluiting via het DSO en draagt bij aan begrijpelijke, toepasbare en handhaafbare regels. De thematische en gebiedsgerichte elementen binnen de juridische structuur worden verder uitgewerkt in hoofdstuk 5.1. Functionele structuur – activiteiten als kapstok We moet voldoen aan de wettelijke verplichting om regels te koppelen aan locaties in het omgevingsplan. Dit betekent dat werkingsgebieden correct geannoteerd moeten worden (locatieannotaties) om te zorgen dat regels zichtbaar zijn op de kaart in het Omgevingsloket. Bij het annoteren van activiteiten moet de gemeente ook een structuur aanbrengen: iedere geannoteerde activiteit wordt opgehangen aan een bovenliggende activiteit (met als hoogste niveau: activiteit gereguleerd in het omgevingsplan). Hiermee ontstaat een boomstructuur waarin alle activiteiten die in het omgevingsplan geregeld zijn, zijn opgenomen. Dit heet in DSO-termen de functionele structuur.
Functionele hoofdstructuur in de bruidsschat Als de regels goed zijn geannoteerd, maakt de hoofdstuk- en paragraafindeling van het omgevingsplan (de juridische structuur) vanuit gebruikersperspectief niet uit. Ongeacht de plek waar de juridische regels zijn geland, zijn de regels over een activiteit altijd snel te vinden via de annotaties. Activiteiten vormen de kapstok voor de regels. De korrelgrootte van activiteiten is een onderwerp waarop maatwerk moet plaatsvinden. De voorkeur gaat uit naar grotere kapstokactiviteiten met
pagina 34
daaronder kleinere activiteiten (denk aan het bouwen van een dakkapel onder bouwactiviteit (omgevingsplan). Aandachtspunten zijn:
Lengte en aantal van Vergunningcheck & aanvraagformulieren: Kleinere korrelgrootte betekent kortere formulieren, maar een groter aantal formulieren.
Verspreiding en herhaling van juridische regels in het omgevingsplan: Algemene bouwregels die gelden voor allerlei bouwwerken centraal in één activiteit of verspreid in over meerdere activiteiten.
Toegankelijkheid voor aanvrager: Moet de bouwactiviteit (omgevingsplan) aangevraagd worden of meerdere activiteiten (bouwen van dakkapel, bouwen van aanbouw etc.)
Doorwerking in de VTH-processen: Een standaard bouwactiviteit die getoetst en vergund moet worden of meerdere kleinere activiteiten. Wat doen we als iemand vergeet om ook de andere activiteit aan te vragen?
Doorwerking in de legesverordening: Alle activiteiten die je wil vergunnen, wil je ook leges voor heffen. De nieuwe activiteiten moeten opgenomen worden in de legesverordening, en wat doe je bij tussentijdse wijzigingen?
We kiezen voor een stapsgewijze overgang naar een eigen functionele structuur, waarbij een tijdelijke hybride situatie geaccepteerd wordt. We vermijden een 'big bang'-aanpak, omdat deze risico’s met zich meebrengt voor de werkbaarheid, de technische implementatie en de beleidsafstemming. In de praktijk betekent dit:
De bruidsschat blijft tijdelijk bestaan, met een duidelijke scheiding tussen oude en nieuwe regels.
We kiezen voor een functionele structuur die aansluit bij de VNG-staalkaarten. Activiteiten worden waar mogelijk geclusterd, maar met een duidelijke onderverdeling waar nodig. Specifieke activiteiten als "bouwen van een woning" en "plaatsen van een dakkapel" blijven gescheiden vanwege de uiteenlopende randvoorwaarden.
De korrelgrootte (het detailniveau van activiteiten) stemmen we af op gebruiksvriendelijkheid en beheersbaarheid. We sluiten aan bij logische werkzaamheden uit de waardelijst en introduceren zo min mogelijk nieuwe activiteiten.
Deze aanpak bevordert juridische eenvoud, verlaagt de beheerslast en maakt het plan toegankelijk en werkbaar voor zowel vergunningverleners als inwoners.
pagina 35
3.2 Bruidsschat: integraal overnemen of wijzigen? De bruidsschat is technisch in gebruik genomen en bevat tal van regels over onder meer bouwen, gebruik en milieubelastende activiteiten. We kiezen ervoor om de bruidsschat gefaseerd en selectief over te nemen. De gefaseerde beoordeling en opname van bruidsschatregels volgt het pad dat in 2021 al is uitgezet. Hierbij maken we onderscheid:
Regels over bouwen en gebruik nemen we beleidsarm over in het nieuwe deel.
Milieuregels worden voorlopig gehandhaafd in het tijdelijke deel. Zodra milieubeleid beschikbaar is, worden deze vervangen door thematisch verankerde regels in het nieuwe deel.
Indien mogelijk wordt alvast een basisregeling voor milieuregels opgezet om digitale ontsluiting te verbeteren.
3.3 Verordeningen en bestemmingsplannen: integratie in het nieuwe deel De regels uit de Verordening Fysieke Leefomgeving (VFL) en de bestaande bestemmingsplannen vormen een belangrijk fundament. We kiezen voor een gefaseerde integratie:
De bestemmingsplannen en VFL worden overgenomen in het nieuwe deel, waarbij overlap met de bruidsschat wordt geëvalueerd.
Gestart wordt met het omzetten voor Loosbroek. Deze aanpak wordt vervolgens als olievlek gebiedsgericht uitgerold over de overige kernen, dan de centrumgebieden, vervolgens de bedrijventerreinen en tot slot het buitengebied. Lees meer hierover in paragraaf 5.4.
3.4 Annoteren en toepasbare regels (link naar DSO en dienstverlening) Het annoteren van regels is essentieel voor een goede digitale ontsluiting via het DSO. In dit kader zijn binnen de gemeente al de volgende stappen gezet:
We hebben een regelanalist aangesteld die een leertraject (DSO professional Omgevingswet) heeft afgerond dat werd aangeboden door VNG, IPO en Unie van Waterschappen. Daarmee hebben we deskundige kennis in huis.
We gebruiken software (zoals RxBase) die aansluit bij de standaarden van het DSO, om stabiliteit in de transitiefase te garanderen.
pagina 36
We hanteren de annotatierichtlijn en hebben op basis hiervan een eigen handleiding opgesteld.
We maken gebruik van de koppeling tussen plansoftware (RX.Base) en de software voor de toepasbare regels. Daarmee kunnen we juridische regels, met de juiste annotaties, gemakkelijker omzetten in de Vergunningcheck en aanvraagmodule op het DSO.
Locatie-annotaties worden standaard toegepast, en aanvullende annotaties (zoals activiteitannotaties) worden in overweging genomen. Toepasbare regels worden stapsgewijs ontwikkeld, te beginnen met de verplichte indieningsvereisten, gevolgd door mogelijke uitbreidingen met vragenbomen en maatregelen op maat. Dit betekent dat gebruikers van het omgevingsplan direct de benodigde informatie krijgen zonder door lange teksten te hoeven zoeken. Door inzet van annotaties, toepasbare regels en gebruiksvriendelijke software borgen we dat inwoners en initiatiefnemers eenvoudig hun weg vinden binnen het omgevingsplan. Testen in de pre-omgeving is een vast onderdeel van de implementatie van toepasbare regels. Hierdoor worden eventuele knelpunten vroegtijdig gesignaleerd en kunnen verbeteringen worden doorgevoerd voordat de regels definitief in werking treden.
3.5 Regionale samenwerking (SPRONG & ketenpartners) We nemen actief deel aan het SPRONG-netwerk, waarin Brabantse gemeenten samenwerken aan de ontwikkeling van hun omgevingsplan. Deze samenwerking helpt ons niet alleen bij het inhoudelijk afstemmen van keuzes, maar ook bij kennisdeling en het verkrijgen van feedback op aanpakken, structuren en werkprocessen. Denk hierbij aan voorbeeldregels, annotaties en praktische toepassing van de STOP/TPOD-standaard. Daarmee maar ook daarnaast is er samenwerking op ketenniveau met partijen als provincie Noord-Brabant, ODBN, waterschap en veiligheidsregio. Deze samenwerking is structureel georganiseerd via de intake- en omgevingstafel. Die samenwerking is deels wettelijk verplicht – bijvoorbeeld voor het integraal afwegen van alle belangen bij het opstellen en wijzigen van het omgevingsplan – maar bovenal waardevol. Ketenpartners leveren informatie aan over hun belangen en wettelijke taken, denken mee over de uitvoerbaarheid van regels en dragen bij aan de kwaliteit van het plan en de uitvoering ervan. Dit draagt bovendien bij aan de praktische bruikbaarheid van het plan in de dagelijkse vergunningpraktijk. We benutten deze samenwerking om:
inzicht te krijgen in relevante instructieregels, vergunningeisen en uitvoeringsvragen van ketenpartners;
pagina 37
consistente keuzes te maken over milieuthema’s en beleidsrijkere onderwerpen;
ervaringen te delen over softwaregebruik, annotaties en werkprocessen;
tot gezamenlijke leerervaringen te komen via workshops en intervisies.
Regionale samenwerking helpt om dubbele investeringen te voorkomen, om technische fouten in het plan te beperken en om beleidsafstemming te bevorderen. Deze samenwerking is ook belangrijk om slagvaardig te blijven in de transitieperiode en de uitvoering.
pagina 38
4. Spoor 2: beheerfase Naast het gefaseerd opbouwen van een robuust omgevingsplan (spoor 1), moeten we ook initiatieven kunnen blijven faciliteren en beleidsontwikkeling mogelijk maken. Dit vraagt om een hybride werkwijze waarin bestaand recht, tijdelijke regelingen en nieuw beleid naast elkaar kunnen bestaan, zonder afbreuk te doen aan rechtszekerheid of werkbaarheid. Deze fase loopt gedeeltelijk met spoor 1 op, en loopt daarna door.
4.1 Hoe houden we de winkel open? Zolang het omgevingsplan nog in opbouw is, kiezen we voor een hybride benadering. Nieuwe initiatieven worden zoveel mogelijk opgenomen in het nieuwe deel van het omgevingsplan (volgens STOP/TPOD). Waar dit nog niet mogelijk is, werken we (tijdelijk) met:
TAM-IMRO plannen, met name voor de resterende trajecten in voorbereiding;
BOPA4’s; waar mogelijk wordt dit instrument ingezet om initiatieven te faciliteren, wanneer een evenwichtige toedeling kan worden gegarandeerd zonder de oude functie weg te nemen;
Aparte transitiehoofdstukken in het tijdelijk deel van het omgevingsplan, waarin we – met voorrang – tijdelijke, gebiedsspecifieke regels opnemen voor ruimtelijke ontwikkelingen. Dit maakt het mogelijk om urgente projecten juridisch te faciliteren, zonder dat het hele omgevingsplan al is aangepast.
Voor het apart transitiehoofdstuk is een uniform sjabloon ontwikkeld. Hiermee waarborgen we een consistente juridische structuur en praktische werkbaarheid bij gebiedsontwikkelingen in verschillende delen van de gemeente. Dit voorkomt versnippering en vergemakkelijkt latere integratie in het reguliere omgevingsplan. De hybride werkwijze is tijdelijk van aard. TAM-IMRO wordt 1 januari 2026 beëindigd. Nieuwe initiatieven worden dan zoveel mogelijk direct opgenomen in het omgevingsplan, waar nodig in aparte hoofdstukken via STOP/TPOD wijzigingsbesluiten. In 2026 wordt een testfase ingericht, waarin een woningbouwinitiatief volledig in STOP-TPOD wordt verwerkt. Dit traject wordt gebruikt om concrete werkinstructies op te stellen voor toetsing, annotatie en publicatie. De ervaringen worden meegenomen in de inrichting van het structurele werkproces. De werkinstructies worden daarna opgenomen in het beheerplan.
4 Omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit
pagina 39
Voor de wijzigingen als gevolg van initiatieven kiezen we voor een gefaseerde aanpak met gebundelde wijzigingsrondes (zie hoofdstuk 5.5).
4.2 Implementeren van nieuw beleid & programma’s Nieuw beleid wordt niet ad hoc toegevoegd aan het omgevingsplan, maar via een vaste wijzigingscyclus. Dit borgt de samenhang van het plan en maakt het proces beheersbaar. In paragraaf 2.4 is al toegelicht dat we in beginsel beleidsarm werken, tenzij sprake is van strijdigheid, veroudering of juridische onhoudbaarheid. Voor de toevoeging van nieuw beleid hanteren we een zorgvuldig afwegingsproces. We werken met een Nota van Uitgangspunten (NvU) per wijzigingsbesluit. Hierin worden – op een gestandaardiseerde manier – alle relevante aspecten vooraf in beeld gebracht. Dit waarborgt niet alleen een juridisch houdbare wijziging, maar helpt ook om het bevoegd gezag (raad of college) goed te informeren en te betrekken. Hiervoor is een sjabloon ontwikkeld dat wordt gebruikt in alle wijzigingsprocedures. Bij de voorbereiding van wijzigingsbesluiten wordt nadrukkelijk gekeken naar de samenhang tussen voorgenomen beleidswijzigingen, zodat deze logisch kunnen worden gebundeld en het omgevingsplan een samenhangend en navolgbaar geheel blijft. De beleidscoördinator speelt een centrale rol in het trechteren van wijzigingsvoorstellen. Hij toetst of een beleidsthema op een goed moment en in de juiste vorm wordt ingebracht, en weegt daarbij onder meer de volgende aspecten af:
Is het beleid voldoende uitgewerkt en actueel?
Heeft participatie plaatsgevonden en is er bestuurlijk draagvlak?
Sluit het aan bij lopende thema’s of wijzigingen in voorbereiding?
Zijn er relevante koppelkansen of risico op doublures?
Zijn de financiële consequenties (bijv. legesgrondslag) in beeld?
Is er voldoende ambtelijke capaciteit beschikbaar is en het past binnen de tijdsplanning van de wijzigingscyclus?
Deze aanpak voorkomt versnippering en bevordert samenhang tussen de verschillende onderdelen van het omgevingsplan.
pagina 40
4.3 Interne samenwerking en afstemming Binnen de beheerfase blijven wijzigingen op het omgevingsplan noodzakelijk, zowel op initiatief van inwoners en bedrijven als vanuit de behoefte aan beleidsvernieuwing. Omdat deze wijzigingen vanuit verschillende teams worden voorbereid, is goede interne afstemming essentieel. We werken met vaste aanspreekpunten in het projectteam omgevingsplan:
De beleidscoördinator (team BWL) trechtert beleidsmatige wijzigingsvoorstellen op aspecten als participatiegraad, bestuurlijk draagvlak en aansluiting bij lopende thema’s.
De regisseur omgevingsplan (team RI) bewaakt de juridische structuur en zorgt dat initiatievengedreven wijzigingen op een goede manier landen in het omgevingsplan.
Deze functionarissen stemmen onderling en met andere betrokken collega’s af in reguliere werksessies en het projectteamoverleg. Hier wordt bepaald welke wijzigingen kansrijk zijn, wanneer ze kunnen worden opgepakt en in welke wijzigingsronde ze worden meegenomen. Wijzigingsvoorstellen worden waar nodig gevolgd via een overzichtsdocument. De exacte wijze van registreren wordt nader ingericht, waarbij eenvoud en toegankelijkheid vooropstaan.
4.4 Externe samenwerking en afstemming Bij het verwerken van initiatieven en nieuw beleid in het omgevingsplan is afstemming met ketenpartners belangrijk. Deze samenwerking vindt plaats op verschillende niveaus:
Omgevingstafel en intaketafel (Waterschap, omgevingsdienst, provincie): structurele overleggen waarin wenselijkheid en haalbaarheid van nieuwe initiatieven worden besproken en voorzien van integraal advies. Ook de milieu effecten van wijzigingsvoorstellen worden besproken.
Regionale werkgroepen op het gebied van onder andere bodem, geluid, lucht, geur, stikstof en water: afstemming over de vertaling van milieubeleid naar juridische regels.
SPRONG-regio: samenwerking met buurgemeenten in de opbouw van juridische regels. Deze samenwerking is gestructureerd in blokken: o
Blok 1: bouwregels
o
Blok 2: milieuregels
o
Blok 3: verordeningen
pagina 41
o
Blok 4: gebruiksregels De afstemming richt zich primair op inhoud en juridische structuur; uitwisseling over werkprocessen en organisatie is waardevolle bijvangst.
Deze externe samenwerking helpt bij kennisdeling en het borgen van juridische kwaliteit en uitvoerbaarheid, en voorkomt dat gemeenten in de regio uiteenlopende keuzes maken voor vergelijkbare onderwerpen.
pagina 42
5. Planning en fasering De transitie naar een nieuw, samenhangend en digitaal toegankelijk omgevingsplan vergt een doordachte planning. In dit hoofdstuk beschrijven we hoe we de opbouw van het plan faseren. Het centrale uitgangspunt is: eerst de basis op orde, met thematische regels die breed toepasbaar zijn. Vervolgens bouwen we het plan verder op via gebiedsgerichte aanvullingen. Daarbij volgen we een vaste werkwijze met een olievlekstrategie, bundeling in wijzigingsrondes en een robuuste besluitvormingsstructuur.
5.1 Fasering: thema voor thema of gebied voor gebied In lijn met de eerdere keuze van de raadswerkgroep wordt gewerkt met een combinatie van thematische en gebiedsgerichte regels. De prioriteit ligt bij het thematisch uitwerken van activiteiten, omdat dit zorgt voor overzicht, consistentie en een beheersbare structuur van hoofdstuk 4. Activiteiten met gebruiksruimte (zoals wonen en bedrijvigheid) worden bovendien per gebiedstype uitgewerkt. Deze aanpak sluit aan op de indeling van de geïntegreerde VNGstaalkaarten. We hanteren de volgende vuistregels:
Activiteiten met gebruiksruimte (zoals wonen of bedrijvigheid): gebiedsgericht, met werkingsgebieden.
Activiteiten zonder gebruiksruimte (zoals bouwen, erfgoed, milieu): thematisch.
Deze aanpak maakt het mogelijk om regels begrijpelijk te houden en het beheer eenvoudiger te organiseren. De thematische regels worden als eerste uitgewerkt. Gebiedsgerichte aanvullingen volgen op basis van een olievlekstrategie (zie 5.4). De keuze om in eerste instantie thematisch te werken, betekent dat we vroegtijdig de regels uit de Verordening Fysieke Leefomgeving beleidsneutraal gaan verhuizen. Daarbij passen we deze in de nieuwe basisstructuur (hoofdstukindeling). De tweede wijziging omvat de thematische bouwregels. Deze tweede wijziging zal eind 2026/ begin 2027 als ontwerp ter inzage worden gelegd volgens het halfjaarlijkse planningsritme.
5.2 Verordeningen: alles of op onderdelen? De regels uit de Verordening fysieke leefomgeving (VFL) worden verhuisd naar het omgevingsplan, in lijn met het uitgangspunt om zo snel mogelijk te komen tot een set basisregels.
pagina 43
Daarbij wordt gewerkt met een beleidsarme benadering: regels worden zoveel mogelijk ongewijzigd overgenomen, tenzij sprake is van strijdigheid, onuitvoerbaarheid of veroudering. Regels die (toch) niet thuishoren in het omgevingsplan blijven achter in de VFL. De VFL vervalt van rechtswege per 1 januari 2032 en de overgebleven regels zullen dan naar een andere verordening moeten verhuizen. De regels die beleidsarm uit de VFL naar het omgevingsplan kunnen verhuizen zullen in het eerste wijzigingsbesluit worden meegenomen. Deze regels zullen in veel gevallen voor het gehele ambtsgebied gelden en in bepaalde gevallen voor een specifiek werkingsgebied. Deze eerste wijziging zal halverwege 2026 als ontwerp ter inzage worden gelegd.
5.3 Nota van uitgangspunten per wijzigingsbesluit Voor elk wijzigingsbesluit wordt een Nota van Uitgangspunten (NvU) opgesteld. Deze dient, in concept, als participatiedocument. Na participatie bevat het de definitieve inhoudelijke en juridische keuzes, mede op basis van de uitkomsten van participatie en ketenoverleg. Dit document vormt de basis voor het ontwerp-wijzigingsbesluit. De NvU bevat ten minste:
De aanleiding en doelen van de wijziging;
Een analyse van beleidskaders,
Resultaten ketenoverleg en participatieaanpak en -resultaten;
De inhoudelijke keuzes en motivatie;
De toets op mer-plicht;
Financiële en juridische gevolgen (zoals leges en handhaafbaarheid).
Door met één sjabloon te werken, ontstaat uniformiteit in de voorbereiding van wijzigingsbesluiten — zowel bij beleidsmatige aanpassingen als bij initiatiefgestuurde wijzigingen. Dit voorkomt versnippering en bevordert samenhang. In die nota wordt niet alleen beoordeeld of sprake is van een mer-plicht op grond van het Omgevingsbesluit, maar — waar relevant — ook of en hoe alternatieven worden onderzocht, welke milieueffecten van belang zijn, en welk detailniveau daarbij past. Zo voorkomen we dat het wordt vergeten en kunnen we de meerwaarde van milieueffectrapportage benutten op de momenten waarop het er echt toe doet.
pagina 44
5.4 Olievlekstrategie De olievlekstrategie houdt in dat we de complete regelset voor activiteiten met gebruiksruimte (daarmee bedoelen we in feite de oude bestemmingen) eerst voor een klein deelgebied binnen een gebiedstype uitwerken en deze vervolgens uitrollen naar de rest van het gebied. Dan nemen we ook de werkingsgebieden voor de thematische bouwregels mee. We starten met een klein deel van het bestemmingsplan De Kommen van Bernheze, bijvoorbeeld Loosbroek. Daarna volgen andere delen van de kernen, vervolgens de centrumgebieden. Bedrijventerreinen en het buitengebied komen als laatste aan bod, gezien de complexiteit van de milieuthema’s en het feit dat hier veel regels uit de bruidsschat van toepassing zijn. We beginnen met het vaststellen van algemene thematische regels (zoals bouwregels en VFLregels), die vervolgens per gebiedstype worden 'aangezet'. Hierdoor ontstaat een solide basis waarop gebiedsspecifieke uitwerkingen kunnen worden aangesloten. Deze werkwijze bevordert uniformiteit, voorkomt versnippering en houdt de structuur beheersbaar. We hanteren als uitgangspunt dat wij bestaande planologische rechten respecteren (zie paragraaf 5.4). Voor het buitengebied en de bedrijventerreinen geldt dat de bestaande milieuregels (m.n. Bruidsschat, VFL) voorlopig ongewijzigd blijven, zolang het gemeentelijk milieubeleid nog in ontwikkeling is.
Om digitale borging alvast mogelijk te maken, wordt – in het kader van blok 2 van project SPRONG – een basisregeling opgesteld voor milieuthema’s, zonder beleidsinhoudelijke wijzigingen. Dit voorkomt onnodige vertraging en maakt de structuur geschikt voor verdere uitbreiding. Deze aanpak maakt het mogelijk om eerst op hoofdlijnen overeenstemming te bereiken over de structuur en inhoud van de regels, zonder direct gehinderd te worden door maatwerkvragen op perceelsniveau. De uitvoering van deze olievlekstrategie vraagt om bundeling van wijzigingen en een duidelijke rolverdeling in de besluitvorming. In de volgende paragraaf gaan we in op de inrichting van de wijzigingsrondes en de besluitvormingsstructuur.
5.5 Wijzigingsrondes en besluitvorming (raad of college) De transitie naar één samenhangend omgevingsplan verloopt via afzonderlijke wijzigingsbesluiten. We kiezen daarbij voor een gefaseerde aanpak met gebundelde wijzigingsrondes. Hiermee voorkomen we versnippering, behouden we overzicht en zorgen we voor bestuurlijke afstemming. Veegrondes: thematische bundeling van wijzigingen
pagina 45
We werken met ‘veegrondes’ waarin vergelijkbare wijzigingen worden samengevoegd. Bijvoorbeeld: de toevoeging van bouwregels uit meerdere bestaande bestemmingsplannen aan hoofdstuk 4 wordt gebundeld in één wijzigingsbesluit. Zo beperken we het aantal afzonderlijke besluiten en creëren we structuur in de opbouw van het plan. Combinatie van beleids- en initiatiefgedreven wijzigingen Initiatiefgestuurde wijzigingen (zoals voor een woningbouwproject of functieverandering) worden – waar mogelijk – samengevoegd met bredere wijzigingen in het desbetreffende gebiedstype. Dit voorkomt dubbel werk en biedt initiatiefnemers eerder duidelijkheid. Wanneer dit (nog) niet mogelijk is zullen initiatieven in een extra wijzigingsronde (bovenop de wijzigingen voor de transitie) worden opgepakt. Gedacht wordt aan twee tot vier extra wijzigingsrondes voor initiatieven om de druk voor college, raad en griffie te beperken. Gebruik van het apart transitiehoofdstuk In de overgangsfase maken we gebruik van aparte transitiehoofdstukken om initiatieven te faciliteren. Deze hoofdstukken worden gebruikt om nieuwe regels op te nemen zonder direct de gehele structuur te herzien. Dit zorgt ervoor dat aanpassingen snel kunnen worden doorgevoerd zonder dat het juridische fundament van het omgevingsplan direct wordt aangetast.
Voorrangsregels zorgen ervoor dat de meest actuele regels gelden boven oudere bestemmingsplanregels en de bruidsschat. Hierdoor wordt een overgangsperiode gecreëerd waarin nieuwe ontwikkelingen al mogelijk zijn, terwijl de bestaande juridische kaders geleidelijk worden uitgefaseerd. Besluitvorming: raad of college Per wijzigingsbesluit wordt op basis van het delegatiebesluit afgewogen welk bestuursorgaan bevoegd gezag is. In principe geldt:
De gemeenteraad stelt regels vast die kaderstellend zijn of waar participatie een grote rol heeft gespeeld.
Het college van B&W stelt technische, of uitvoeringsgerichte regels vast, en de beleidsneutrale verhuizing van bestaande verordeningsregels. De beleidsneutrale verhuizing van regels uit andere onderdelen van het tijdelijke omgevingsplan (zie paragraaf 2.1) vallen momenteel niet onder de gevallen waarvoor het college bevoegd gezag is op grond van de delegatieverordening.
Deze verdeling sluit aan bij artikel 2.8 van de Omgevingswet, waarin de raad verantwoordelijk is voor het omgevingsplan, maar het college bevoegd kan zijn bij uitwerking binnen het vastgestelde beleid. Cyclische besluitvorming en prioritering
pagina 46
We plannen jaarlijks twee wijzigingsrondes, waarbij we gebruikmaken van een vaste cyclus:
Inventarisatie en prioritering door het projectteam, o.b.v. beleidsontwikkelingen en initiatiefaanvragen;
Uitwerking per wijziging in een Nota van Uitgangspunten (zie paragraaf 5.3);
Besluitvorming in het college of de raad, met ondersteuning vanuit de juridische en beleidscoördinatie.
Het hanteren van deze cyclus biedt duidelijkheid voor initiatiefnemers, interne teams, communicatie, griffie en het bestuur. Door per ronde meerdere wijzigingen tegelijk op te nemen, ontstaat bestuurlijke en juridische samenhang. Tegelijk blijft het mogelijk om – bij spoed – afzonderlijke wijzigingen tussentijds door te voeren. Per wijzigingsrond pakken we op wat we kunnen. Daarmee houden we het werk voor onszelf behapbaar en overzichtelijk. De eerste wijzigingen zullen relatief klein en overzichtelijk zijn. Naarmate we verder vorderen en meer ervaring hebben kunnen de wijzigingen complexer en groter worden. Monitoring en procesbewaking De voortgang van wijzigingsrondes wordt gemonitord via een overzicht waarin per thema of gebied de status van voorbereiding, besluitvorming en inwerkingtreding wordt bijgehouden. Hiermee borgen we de uitvoerbaarheid en juridische houdbaarheid van de transitie, en maken we het mogelijk om wijzigingen stapelbaar op te bouwen. Iedere wijziging moet ook getoetst worden op mogelijke milieueffecten. Daarom is een heldere MER-strategie onmisbaar bij het voorbereiden van wijzigingsbesluiten.
5.6 Mer-strategie en omgevingseffectrapporten In het omgevingsplan moeten we bij elke wijziging beoordelen of er sprake is van (mogelijk) belangrijke nadelige milieugevolgen. Afdeling 16.4 van de Omgevingswet bevat de regelgeving over milieueffectrapportage. De uitwerking ervan staat in hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit. Het kan bijvoorbeeld verplicht zijn als de wijziging aanzienlijke negatieve milieueffecten kan hebben, zoals bij grote wijzigingen in het gebruik van de ruimte of impact op natuur, waterkwaliteit, geluid, lucht, etc. Aangezien de transitie naar het nieuwe omgevingsplan in hoofdzaak niet ontwikkelingsgericht is, maar zich richt op het overzetten en verbeteren van de bestaande regels, ligt de focus op thematische wijzigingen. Dit betekent dat de mer-strategie vooral van belang is wanneer het omgevingsplan bepaalde nieuwe activiteiten mogelijk maakt. De mer-beoordeling wordt standaard onderdeel van de voorbereiding van wijzigingsbesluiten.
pagina 47
Beoordeling in Nota van Uitgangspunten Voor elk wijzigingsbesluit stellen we een Nota van Uitgangspunten (NvU) op. Hierin is standaard een paragraaf opgenomen over milieueffecten. We beschrijven daarin of sprake is van een mer-plichtige activiteit of een mer-beoordelingsplichtige activiteit (volgens bijlage V Omgevingsbesluit). Voor de beoordeling of hiervan sprake is wordt gebruik gemaakt van de landelijke mer-checklist. Als dit het geval is, wordt een formele beoordeling uitgevoerd.
Beleidshuis De gemeente werkt momenteel aan een beleidshuis, waarin per beleidsterrein ambities, opgaven en borgingsstructuren worden geïnventariseerd. Op basis daarvan wordt bepaald welke onderwerpen gezamenlijk in programma’s worden opgenomen. Dit beleidshuis biedt een overzicht dat ook behulpzaam kan zijn bij het vroegtijdig signaleren van plan-merplichtige onderwerpen. Overigens kan het programma ook mer-plichtig zijn.
Motiveringsplicht Wanneer geen plan-mer wordt opgesteld, wordt in het wijzigingsbesluit gemotiveerd waarom daartoe geen aanleiding bestaat. De beoordeling wordt voorbereid en onderbouwd in de bijbehorende Nota van Uitgangspunten. Dit is verplicht op grond van het beginsel van een zorgvuldige besluitvorming en volgt uit jurisprudentie over de plan-merbeoordelingsplicht. De motivering betreft zowel de aard, omvang als de locatie van de voorgenomen ontwikkeling, inclusief eventuele cumulatie-effecten.
Milieuexpertise in de voorbereiding De beoordeling vindt plaats door de beleidscoördinator van het projectteam omgevingsplan. Waar nodig wordt de Omgevingsdienst Brabant Noord (ODBN) of een andere milieuadviseur ingezet. Zo borgen we dat juridische en milieukundige afwegingen zorgvuldig worden onderbouwd. We benutten het bestaande werkproces in de vorm van de intaketafel hiervoor.
Opstellen van een OER (omgevingseffectrapport) Een plan- mer-procedure wordt alleen gevolgd wanneer er naar verwachting sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen, en wanneer het wijzigingsbesluit kaderstellend is voor toekomstige besluiten. Wanneer een plan-MER. nodig is winnen we extern advies in. Een OER is verplicht als sprake is van een plan-MER-plicht. In dat geval wordt een zelfstandig milieueffectrapport opgesteld, waarin de verwachte milieugevolgen van het wijzigingsbesluit inzichtelijk worden gemaakt. Het OER wordt als bijlage bij het wijzigingsbesluit gepubliceerd en is onderdeel van de formele besluitvorming.
Participatie en de MER Als een plan-MER nodig blijkt, dan vormt participatie een verplicht onderdeel van de procedure. We zorgen in dat geval voor vroegtijdige betrokkenheid van belanghebbenden, zodat milieu-informatie tijdig kan worden ingebracht en de besluitvorming kan beïnvloeden.
pagina 48
Ook bij een mer-beoordeling zonder formele rapportage wordt participatie zoveel mogelijk benut om lokale kennis en zorgen mee te nemen in de overwegingen. We willen in het participatiebeleid expliciet aandacht besteden aan de rol van participatie binnen de merprocedures, zodat dit aansluit bij de uitvoering van het transitieplan en de wijzigingsbesluiten. Door deze aanpak zorgen we ervoor dat het omgevingsplan in overeenstemming is met de milieuwetgeving, zonder onnodige vertraging of administratieve lasten. Tegelijkertijd benutten we de MER-beoordeling als kans om vroegtijdig omgevingsbelangen integraal mee te wegen in de planvorming.
5.7 Omgaan met onzekerheden en flexibiliteit De ontwikkeling van het omgevingsplan is complex en onderhevig aan veranderende omstandigheden, zoals beleidsontwikkelingen, jurisprudentie of wisselende capaciteit. Om hiermee om te gaan hanteren we een adaptieve aanpak:
Flexibele werkvolgorde: Er is ruimte om prioriteiten bij te stellen als dat nodig is, bijvoorbeeld als zich urgente initiatieven voordoen.
Standaardisatie waar mogelijk: Door te werken met sjablonen en vaste formats (zoals voor de NvU), kunnen processen sneller en consistenter worden doorlopen.
Toetsmomenten: Periodiek (bijvoorbeeld per kwartaal) wordt de voortgang besproken binnen het projectteam en portefeuillehouder en zo nodig bijgesteld.
Capaciteitsplanning: In hoofdstuk 7 is uitgewerkt hoe capaciteit wordt ingezet en bewaakt.
Gebruik van tijdelijke regelstructuren: De tijdelijke transitiehoofdstukken maken het mogelijk om nieuwe regels alvast in te passen zonder juridische onvolkomenheden.
Deze flexibiliteit stelt ons in staat om voortgang te blijven boeken, ook wanneer zich onvoorziene omstandigheden voordoen.
pagina 49
6. Rol van de Raad 6.1 Besluitvorming: snel of zorgvuldig De transitiefase van het omgevingsplan loopt tot uiterlijk 2032. Binnen deze periode moeten we het bestaande stelsel van bestemmingsplannen, verordeningen en bruidsschatregels omzetten naar één samenhangend omgevingsplan. De transitiefase naar één nieuw (integraal) omgevingsplan biedt ruimte voor maatwerk in tempo en aanpak. Gemeenten verschillen daarin: sommigen kiezen ervoor om snel grote delen van hun plan te vernieuwen, anderen volgen een meer geleidelijke route. Wij kiezen bewust voor een gefaseerde, realistische aanpak waarbij we de grip niet willen verliezen op de keuzes. Deze aanpak sluit aan bij de keuze van de raadswerkgroep om het omgevingsplan niet projectmatig maar met een flexibele en wendbare aanpak op te stellen. We lopen niet voorop, maar blijven ook niet achter. We bouwen planonderdelen op wanneer de tijd daar rijp voor is. Om snelheid en haalbaarheid in balans te houden, hanteren we twee belangrijke uitgangspunten:
We starten, zoals uiteengezet in hoofdstuk 2.4 subkopje ‘Eerst verhuizen dan verbouwen: beleidsneutraliteit is het uitgangspunt’ met het opnemen van beleidsneutrale regels, zodat we snel de structuur van het plan kunnen vullen en juridisch beheersbaar houden. Daarmee voorkomen we dat inhoudelijke beleidsvragen het proces ophouden.
Voor urgente gebiedsontwikkelingen of locaties met een bijzondere beleidsopgave, maken we -wanneer absoluut geen gebruik kan worden gemaakt van een BOPA- gebruik van aparte transitiehoofdstukken. Deze hoofdstukken zorgen ervoor dat we tijdelijk maatwerk kunnen leveren binnen het plan, zonder dat direct alle omliggende regels al volledig vernieuwd moeten zijn.
De inzet is dat we in 2027 een substantieel deel van het omgevingsplan in de nieuwe systematiek hebben gebracht, zodat de laatste jaren tot 2032 benut kunnen worden voor verdieping, verfijning en integratie van beleid. Daarmee houden we ook ruimte om tussentijds te evalueren, te leren en bij te sturen. Deze aanpak geeft ruimte om per wijzigingsbesluit af te wegen welke snelheid nodig is, en welk deel van het plan daaraan toe is. Zo houden we het overzicht, bewaken we de samenhang, en zorgen we dat de besluitvorming werkbaar blijft voor zowel college als raad.
pagina 50
6.2 Parallelle wijzigingen en impact op besluitvorming In de praktijk zal het voorkomen dat meerdere wijzigingsvoorstellen gelijktijdig in voorbereiding zijn. Elk traject start op basis van de geldende regelingsversie van het omgevingsplan, maar door de verschillende doorlooptijden kan het voorkomen dat bij ter inzage gaan het omgevingsplan gewijzigd is. Immers kan een regel die aangepast moet worden, inmiddels al veranderd of verwijderd zijn. Dit betekent dat: Lopende wijzigingstrajecten bij de ontwerpfase gesynchroniseerd moet worden op de vigerende regeling van het omgevingsplan;
Bij conflicten tijdig afgestemd moet worden, zodat de structuur van het omgevingsplan geborgd kan worden;
De software ons daarin ondersteunt door tijdens het publicatieproces deze conflicten te markeren;
Om het proces beheersbaar te houden, worden deze uitgangspunten gehanteerd:
Bundelen waar mogelijk: wijzigingen die gelijktijdig lopen, worden bij voorkeur samengevoegd tot één wijzigingsbesluit (veegbesluit), tenzij inhoudelijke of procesmatige redenen dat verhinderen.
Afstemming tussen teams en coördinatie: coördinatoren stemmen onderling af welke voorstellen in een wijzigingsronde kunnen worden meegenomen (zie ook paragraaf 8.2 over het werkproces en de rol van de NvU).
Beheersbaarheid voor college en raad: gebundelde besluitvorming voorkomt bestuurlijke overbelasting en versnipperde juridische procedures.
Tijdslijnen bewaken: De planning van besluitvorming (twee keer per jaar) wordt afgestemd op de raadsagenda en capaciteit bij projectteam.
Deze werkwijze borgt overzicht, transparantie en bestuurlijke grip op het wijzigingsproces, ook als het aantal mutaties toeneemt richting 2031.
6.3 Rol en betrokkenheid van de gemeenteraad De gemeenteraad speelt een belangrijke rol in de transitie naar één omgevingsplan. Die rol verschilt per fase en per type wijziging. De raad stelt niet alleen strategische kaders, zoals de omgevingsvisie en dit transitieplan, maar neemt ook besluiten over wijzigingen van het
pagina 51
omgevingsplan (waarvoor het college niet bevoegd is). Daarnaast is de raad betrokken bij de manier waarop participatie plaatsvindt bij wijzigingsvoorstellen. We onderscheiden drie hoofdrollen: 1. Kaderstelling en strategische richting De raad bepaalt het strategisch kader voor het omgevingsplan, onder andere via (herziening van) de omgevingsvisie en dit transitieplan. Daarmee geeft de raad richting aan de prioriteiten en de gewenste volgorde van planonderdelen. Deze keuzes bepalen in hoge mate het tempo en de inhoud van de wijzigingen aan het omgevingsplan in de beheerfase. 2. Vaststelling van wijzigingsbesluiten De raad is in beginsel bevoegd tot het vaststellen van wijzigingsbesluiten voor het omgevingsplan. Een aantal wijzigingsbesluiten is gedelegeerd aan het college van burgemeester en wethouders. Deze delegatie is geregeld in de Delegatieverordening gemeente Bernheze 2024 (CVDR711461/1). Daarin is onder meer bepaald dat het college bevoegd is tot het nemen van wijzigingsbesluiten voor kleine of technische wijzigingen en wijzigingsbesluiten die voortvloeien uit individuele aanvragen van een beperkte aard en omvang en niet politiek-bestuurlijk gevoelig zijn.
Ook is het college bevoegd tot de wijziging van het omgevingsplan voor het beleidsneutraal overzetten van onderdelen uit de gemeentelijke verordeningen en het uitwerken van door de raad vastgesteld kaderstellend beleid in omgevingsplanregels, voor zover het beleid betreft waarvan de gemeenteraad heeft aangegeven dat het college bevoegd is om het betreffende beleid uit te werken. Door deze verdeling kunnen kleinere wijzigingen snel en praktisch worden doorgevoerd, terwijl bij grotere, beleidsrijke of gevoelige wijzigingen de raad het besluit neemt. Het uitgangspunt is dat wijzigingsbesluiten (waar mogelijk) worden gebundeld in een halfjaarlijkse wijzigingsronde. Dit zorgt voor overzicht en voorkomt versnippering van besluitvorming. 3. Rol bij participatie De raad vervult bij wijzigingsbesluiten die niet zijn gedelegeerd aan het college ook een rol in het proces van participatie. Per wijzigingsbesluit wordt een concept Nota van Uitgangspunten (NvU) opgesteld, waarin de participatieaanpak wordt toegelicht. Daarbij wordt aangesloten op het gemeentelijk participatiebeleid dat op het moment van schrijven van dit transitieplan nog in voorbereiding is.
pagina 52
Fasering van de betrokkenheid van de raad Fase
Rol van de gemeenteraad
Opstartfase (2024–Q1 2026)
Vaststellen van het transitieplan, bepalen van prioriteiten, goedkeuren van de aanpak voor eerste wijzigingsrondes.
Opbouwfase (2026–2027)
Verdiepingsfase (2028–2032)
Vaststellen van basisregeling in het omgevingsplan (tenzij gedelegeerd) inclusief bewaken evenwichtige toedeling van functies aan locaties en participatieverantwoording, sturing op prioritering en tempo, bewaken van de samenhang, vaststelling participatiebeleid, evaluatie van delegatie en participatie. Integratie van beleid, bespreking van strategische keuzes, evaluatie en bijstelling van regels.
Gedurende de hele transitiefase wordt de raad actief geïnformeerd over de voortgang. Indien nodig kunnen informatieve bijeenkomsten worden georganiseerd om ontwikkelingen toe te lichten en keuzes voor te leggen. Evaluatie en bijstelling maken nadrukkelijk onderdeel uit van de gekozen aanpak, zodat er ruimte blijft om gaandeweg te leren en bij te sturen.
pagina 53
7. Bedrijfsvoering en organisatie 7.1 Organisatie en rollen De transitie naar één omgevingsplan vraagt om sturing, coördinatie en inzet vanuit verschillende onderdelen van de organisatie. De druk op capaciteit is groot en specialistische kennis is schaars. We combineren daarom interne inzet met gerichte inhuur en samenwerking. Opdrachtgeverschap en projectorganisatie
Bestuurlijk opdrachtgever is de wethouder Ruimtelijke Ontwikkeling.
Vanuit het MT is de gemeentesecretaris opdrachtgever voor het hele Programmaplan Omgevingswet.
Teamcoach RO, is opdrachtnemer en budgethouder voor het programmaplan Omgevingswet (waaronder omgevingsplan).
De dagelijkse aansturing ligt bij de projectleider, die samenwerkt met een projectteam. De teamcoach RO fungeert als uitvoerend opdrachtgever. Er is regelmatig afstemming over inzet, budget en inhoud. Knelpunten worden zo tijdig gesignaleerd en opgelost. Regie en samenhang De regisseur omgevingsplan speelt blijvend een centrale rol in de samenhang van wijzigingsbesluiten, afstemming tussen teams, en monitoring van voortgang. Deze regierol is cruciaal om grip te houden op inhoud, tempo en besluitvorming. Beheer op lange termijn Het toekomstige beheerteam wordt aangestuurd door de regisseur omgevingsplan. Dit team borgt de aansluiting tussen beleid, uitvoering en regelgeving. Het op te stellen beheerplan en de annotatiehandleiding of -richtlijn vormen de (technische) leidraad voor wijzigingsbesluiten. Uitgangspunt is een zo hoog mogelijk niveau van dienstverlening. Formalisering van rollen en mandaten Hoewel veel functioneel al is belegd, zijn rollen, mandaten en opdrachtrelaties nog niet altijd formeel vastgelegd. Met dit transitieplan wordt toegewerkt naar meer expliciete kaders en mandatering, zodat de continuïteit van het project en de besluitvorming stevig is verankerd.
pagina 54
7.2 Capaciteit en inzet (interne team, inhuur) De transitie naar een nieuw omgevingsplan vraagt veel inzet, terwijl de capaciteit binnen de gemeentelijke organisatie beperkt is. Daarom is gekozen voor een duidelijke projectstructuur en gerichte inzet van tijdelijke capaciteit. Projectteam en regie Het projectteam omgevingsplan bestaat uit de volgende kernrollen:
Projectleider Verantwoordelijk voor de algehele aansturing van het transitieproces, de coördinatie met de teamcoach RO, planning, afstemming met betrokken teams en de voorbereiding van bestuurlijke besluitvorming. De projectleider bewaakt de voortgang en de verbinding met andere opgaven binnen de fysieke leefomgeving.
Regisseur omgevingsplan Bewaakt de samenhang tussen planonderdelen en zorgt dat de verschillende wijzigingsbesluiten inhoudelijk en technisch op elkaar aansluiten. Heeft een centrale rol bij het beheer en actualisatie van het plan op langere termijn. Stuurt op logica en structuur van het plan.
Beleidscoördinator (beleidsteam) Brengt samen met vakspecialisten de beleidsmatige kaders en doelen in beeld voor de te regelen activiteiten. Zorgt dat de beleidslijn helder is voordat deze juridisch wordt vertaald in regels.
Coördinator bruidsschat (team RI) Verantwoordelijk voor de inzet en waar nodig beleidsarme doorvertaling van de bruidsschatregels. Brengt expertise in over bestaande milieuregels, en zorgt dat er geen beleidsvacuüm ontstaat zolang nieuw beleid nog in ontwikkeling is.
Coördinator VFL (team RO) De omzetting van de VFL naar omgevingsplanregels inclusief de harmonisatie van begrippen uit bestemmingsplannen en VFL wordt aangestuurd door de taakhouder coördinatie VFL.
Omgevingsplanjurist Verantwoordelijk voor de juridische formulering van de planregels en het annoteren ervan conform STOP/TPOD. Verbindt beleidsinhoud met juridisch houdbare en digitaal verwerkbare regels. Werkt nauw samen met de coördinatoren en de regelanalist.
Regelanalist Ondersteunt de inhoudelijke en juridische vertaalslag van activiteiten naar planregels. De pagina 55
regelanalist is verantwoordelijk voor het maken van toepasbare regels voor de activiteiten, in samenhang met de nieuwe juridische regels in het omgevingsplan.
Geo-specialist Zorgt voor het correct intekenen van werkingsgebieden in de plansoftware. Adviseert over kaartlagen, geometrie en locatiegebonden aspecten van regels. Werkt aan het opstellen en beheren van de geo-componenten van het plan.
Casemanager Tijdelijk zal de nieuwe manier van werken een extra last op de organisatie leggen door enerzijds de tijd die gemoeid is met het oefenen en in de vingers krijgen van nieuwe werkprocessen en anderzijds een aantal specifieke (nieuwe) werkzaamheden, zoals de inventarisatie van functies en foutjes op perceelsniveau, sjablonen voor motivatie en bestuursvoorstellen, implementatie van de procesmodule in de plansoftware etc.
Deze functies vormen gezamenlijk het hart van het projectteam. Samen zorgen ze voor een integrale, beheersbare en uitvoerbare opbouw van het nieuwe omgevingsplan. Het projectteam werkt cyclisch, op basis van sprints. De werkvoorraad is vastgelegd in een centrale activiteitenlijst, waarin alle onderwerpen (activiteiten) zijn opgenomen waarvoor planregels opgesteld moeten worden. Deze lijst is verdeeld onder de drie inhoudelijke coördinatoren (Bruidsschat, Beleid, VFL), die samen zorgen voor voortgang, prioritering en inhoudelijke stroomlijning. Sprints en werkplaatsen In sprintvorm wordt gewerkt aan de uitwerking per ter regelen activiteit, waarbij per onderwerp de juiste expertise wordt betrokken. De capaciteit wordt georganiseerd in blokken van sprintsessies (per activiteit), waarin met een vaste structuur wordt gewerkt: start met inventariseren, bepalen uitgangspunten, juridisch ontwerp, check op toepasbaarheid en handhaafbaarheid, en besluitvorming. Hierbij worden ook VTH, beleid en externe adviseurs betrokken. Dat is uiteraard van groot belang in het licht van de beleidscyclus. Flexibele inzet en externe ondersteuning De kern van het werk gebeurt in huis, maar waar nodig wordt specialistische capaciteit ingehuurd — met name voor juridische implementatie en softwarematige ondersteuning (zoals annotaties en werkingsgebieden).
In de praktijk is gekozen voor een combinatie van vaste inzet en flexibele opschaling, zodat afhankelijk van het onderwerp, urgentie of planning, extra capaciteit kan worden ingeschakeld.
7.3 Kennisborging en interne expertiseontwikkeling De transitie naar een nieuw omgevingsplan vraagt om nieuwe kennis en vaardigheden binnen de organisatie. In het verleden zijn al stappen gezet in het opstellen van regels, met inzet van externe
pagina 56
expertise. Door verloop binnen het projectteam is veel van die eerder opgebouwde kennis verloren gegaan. Die ervaring onderstreept het belang van een structurele en duurzame aanpak van kennisontwikkeling. Nieuwe start met stevige basis Op basis van ervaringen van andere gemeenten is in 2024 een nieuwe projectorganisatie opgezet, op maat gemaakt voor onze gemeente. Deze projectorganisatie is beschreven in het geactualiseerde projectplan/ plan van aanpak. In 2025 zijn de cruciale functies binnen het projectteam ingevuld, waaronder die van projectleider (ingehuurd), planjurist (ingehuurd), regelanalist, planregisseur, geo-specialist en de drie inhoudelijke coördinatoren. Met dit team is een stabiele basis gelegd voor een lerende aanpak. Leren door te doen We kiezen bewust voor een pragmatische leerstrategie: collega’s bouwen kennis op tijdens het werk, in sprintsessies, reviews en intern georganiseerde (thema)bijeenkomsten. De planjurist werkt direct in STOP/TPOD en brengt kennis in over annoteren en juridische structuren. De samenwerking tussen projectteamleden stimuleert kennisdeling en gezamenlijke reflectie op de werkwijze. Kennis vastleggen en delen Om te voorkomen dat kennis opnieuw verloren gaat, wordt informatie actief vastgelegd in sjablonen, werkinstructies en het beheerplan.
In dit beheerplan worden ook de annotatierichtlijn, afspraken over werkingsgebieden en de structuur van toepasbare regels opgenomen. De planregisseur bewaakt de samenhang en zorgt ervoor dat nieuwe inzichten structureel worden ingebed in de werkwijze. Het beheerplan zal in 2026 de wijzigingssystematiek uitwerken. Hierin worden onder meer vastgelegd: – het onderscheid tussen soorten wijzigingen (inhoudelijk, beleidsmatig, technisch); – het wijzigingsritme (bijv. halfjaarlijks); – de rolverdeling tussen college en raad; – verantwoordelijkheden voor annotatie, dossiervorming en kwaliteitscontrole; – de procedure voor het agenderen en prioriteren van voorstellen. Brede kennisontwikkeling De kennisopbouw binnen het projectteam wordt stap voor stap breder gedeeld binnen de organisatie. Beleid, VTH en andere betrokkenen worden uitgenodigd voor sprintsessies. De samenwerking met team RI bevordert bovendien dat praktijkervaringen vanuit vergunningverlening direct worden meegenomen bij de uitwerking van regels. Regionale en landelijke leerkring Via het project SPRONG, regionale werkgroepen over (milieu- en water)beleid) en het VNGnetwerk omgevingsplan wordt actief kennis gedeeld met andere gemeenten. We maken gebruik
pagina 57
van best practices, technische handreikingen en formats die in andere gemeenten al zijn getest. Deze kennis wordt, waar relevant, aangepast aan de lokale context van Bernheze.
7.4 Samenwerking met externe partijen Gericht gebruik van externe expertise Bij de opbouw van het nieuwe omgevingsplan behouden we de regie binnen de organisatie. De inhoudelijke en juridische keuzes moeten goed aansluiten op onze lokale structuur, beleidsambities en software. Externe partijen zetten we gericht in op specifieke onderdelen waar extra kennis of capaciteit nodig is. Dit gebeurt altijd onder interne regie, met heldere afspraken over taken en rollen. Voorbeelden van inzet van externe expertise zijn:
het uitvoeren van juridische toetsen of het aanleveren van conceptregels voor specifieke activiteiten;
ondersteuning bij de technische verwerking in de software (RxBase);
juridische ondersteuning bij de ontwikkeling van sjablonen, zoals het transitiehoofdstuk voor gebiedsontwikkelingen;
toetsing of advies op specialistische thema’s, bijvoorbeeld milieuzonering of geluid;
tijdelijke versterking op onderdelen van de planopbouw, bijvoorbeeld bij de implementatie van STOP/TPOD of annotaties.
Regionale samenwerking Bernheze levert structureel inbreng in regionale werkgroepen, onder andere op het gebied van geur, geluid, externe veiligheid en water. Deze samenwerking is gericht op kennisdeling en beleidsafstemming met buurgemeenten en ketenpartners. Input uit deze werkgroepen wordt via de betrokken collega’s afgestemd met het projectteam, zodat actuele inzichten tijdig kunnen worden meegenomen. Regionale samenwerking via SPRONG Verder nemen we actief deel aan het project SPRONG, waarin we samenwerken met gemeenten uit de regio aan de opbouw van juridische basisregels voor het omgevingsplan. De inhoudelijke uitwerking gebeurt in vier blokken. Per blok werken gemeenten samen met relevante ketenpartners, zoals de omgevingsdienst, GGD en veiligheidsregio. We leveren structureel capaciteit aan het project, en vertaalt de opgestelde
pagina 58
basisregels vervolgens (zoveel mogelijk parallel) lokaal door in sprintsessies. Zo combineren we de voordelen van uniforme regionale opbouw met de mogelijkheid tot lokale aanpassing. Samenwerking bij initiatievengestuurde wijzigingen Een aparte categorie betreft de samenwerking met externe bureaus die initiatiefnemers begeleiden bij planvorming. Van oudsher leveren initiatiefnemers – via hun adviseurs – complete plannen aan, inclusief regels, onderbouwing en bijlagen. Deze werkwijze blijft in de eerste fase van de transitie grotendeels intact. We maken daarbij gebruik van een sjabloon voor transitiehoofdstukken. Daarmee kunnen initiatiefgestuurde plannen op een herkenbare en tijdelijke wijze worden ingepast in het omgevingsplan. Zo blijft de werkwijze voor initiatiefnemers en hun bureaus werkbaar én voorspelbaar, terwijl het projectteam de handen vrijhoudt voor de bredere transitie van het plan. Voorwaarde hiervoor is wel dat het adviesbureau beschikking moet hebben over Rx Base Connect. Bureaus die hierover niet beschikken kunnen een regelset aanleveren in Word waarna wij deze op kosten van de initiatiefnemer laten omzetten. Deze aanpak biedt meerdere voordelen:
Tijdswinst en overzicht: de transitiehoofdstukken staan los van de systematiek van basisregels en beperken de impact op het ontwikkeltempo van het plan.
Beheersbaarheid: de inhoud van initiatieven raakt het nieuwe plan nog maar beperkt, waardoor de regie op het geheel behouden blijft.
Continuïteit in samenwerking: bureaus kunnen blijven werken zoals ze gewend zijn, met ondersteuning van de gemeente waar nodig.
In een latere fase, zodra een robuuste basisregeling beschikbaar is, worden initiatievengestuurde wijzigingen opgenomen binnen het hoofdplan en gelden andere eisen voor integratie, verwerking en toetsing. We gaan verkennen hoe de samenwerking met externe bureaus dan wordt ingericht. Daarbij houden we rekening met:
de noodzaak om wijzigingen te bundelen in wijzigingsrondes (i.v.m. de technische beperkingen van parallel wijzigen),
en de behoefte aan integrale kwaliteit en juridische consistentie binnen het plan.
Met deze uitgebreide uitwerking is het transitieplan volledig afgestemd op de praktische en strategische uitdagingen van de transitie naar het nieuwe omgevingsplan.
pagina 59
Samenwerking met softwareleveranciers Bernheze werkt met het softwarepakket Rx.Base van leverancier Roxit voor het opstellen en publiceren van omgevingsplanregels. We zijn tevreden over de werking van deze software en de ondersteuning die Roxit biedt, zoals de frequente gebruikersbijeenkomsten en een toegankelijke helpdesk. Het is belangrijk voor de continuïteit van ons proces dat we met vertrouwde software blijven werken, mede gelet op de beperkte uitwisselbaarheid tussen pakketten. Organisatiestructuur en budgettering SPRONG Onze deelname aan SPRONG vraagt structurele inzet van twee medewerkers per blok: de omgevingsplanjurist (bij alle blokken) en één van de coördinatoren, afhankelijk van het thema (coördinator Bruidsschat bij blok Bouwen, coördinator VFL bij blok Verordeningen, beleidscoördinator bij blok Milieu). Binnen het projectteam omgevingsplan hebben de coördinatoren elk een deel van de werkvoorraad aan activiteiten. Zij stemmen hun eigen planning af op de voortgang van de SPRONG-trajecten, zodat de regionale afspraken en de lokale uitwerking elkaar versterken. Het budget voor SPRONG (deelnamekosten, ureninzet en eventuele externe ondersteuning) valt onder het programmaplan Omgevingswet. De teamcoach RO bewaakt dit budget als budgethouder, in afstemming met de projectleider.
Via SPRONG opgedane kennis en sjablonen worden direct vertaald naar onze eigen juridische regels, wat kosten voor extern advies en tijd bespaart.
7.5 Beheer omgevingsplan en lange termijn Het opstellen van het omgevingsplan is een intensief traject, maar het plan moet daarna ook actueel, juridisch houdbaar en werkbaar blijven. Daarom richten we een structureel beheerproces in, waarin zowel juridische regels, toepasbare regels als werkingsgebieden integraal worden beheerd. Beheerstructuur en beheerteam Het beheerteam bestaat uit de regisseur omgevingsplan, planjurist, regelanalist en geo-specialist. Dit team zorgt voor:
Het borgen van de juridische en inhoudelijke samenhang tussen wijzigingen.
Het actualiseren van werkingsgebieden, annotaties en toepasbare regels.
Het vertalen van beleidswijzigingen naar juridisch houdbare regels.
Afstemming met RI/ VTHV Hoewel de teams RI en VTHV geen formeel onderdeel uitmaken van het beheerteam, vindt er structurele afstemming plaats met vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTHV). Dit
pagina 60
waarborgt dat de uitvoerbaarheid en toepasbaarheid van regels altijd wordt getoetst. De inbreng van VTHV wordt meegenomen in de voorbereiding van wijzigingsbesluiten en evaluaties. Beheerplan en annotatierichtlijn Het beheerteam schrijft een beheerplan, waarin procesafspraken, samenwerking en werkwijzen zijn vastgelegd. Hierin wordt ook een annotatierichtlijn opgenomen, afgestemd op de landelijke Geonovum-richtlijnen, maar op maat gemaakt voor onze gemeentelijke situatie. Tot slot willen we in het beheerplan beschrijven op welke wijze we het beheer van bestaande en nieuwe werkingsgebieden organiseren (in de plansoftware Rx Base zelf, of in een separaat systeem zoals een GIS-applicatie. Toepasbare regels Bernheze beschikt intern over de kennis om toepasbare regels te ontwikkelen en te beheren. Deze regels worden bij elke wijzigingsronde geactualiseerd en intern en extern getest in de preomgeving, zodat de dienstverlening aan inwoners en bedrijven gewaarborgd blijft. Het uitgangspunt is dat toepasbare regels eenvoudig beheerd en hergebruikt kunnen worden, waardoor onderhoudskosten en foutkansen worden beperkt. Digitale component Het beheren van werkingsgebieden gebeurt in principe in Rx.Base maar dit lijkt nog niet optimaal te werken. Voor het beheer van de werkingsgebieden werken we nu in een gis-applicatie in combinatie met overzichten in Excel.
In het beheerplan wordt de aanpak verder uitgewerkt. Monitoring en evaluatie We ontwikkelen een monitoringsysteem waarmee wijzigingen, gebruik en signalen vanuit vergunningverlening worden gevolgd. Als voorbeeld, wanneer voor een bepaalde activiteit vaak buitenplans wordt afgeweken van het omgevingsplan (BOPA) gaan we overwegen of een vergunningplicht in het omgevingsplan kan worden opgenomen. Op basis van deze monitoring kunnen we periodiek (vanaf 2028) evalueren of het omgevingsplan nog aansluit bij de praktijk en of beleidsmatige of juridische bijsturing nodig is. Er wordt gewerkt aan een koppeling met de activiteitenlijst, zodat we inzicht houden in de voortgang van thema’s en gebiedsgerichte aanpassingen. Lange termijn (post-2028) De ambitie is dat we tegen 2028 een stabiele basisregeling hebben, zodat de laatste jaren tot 2032 gebruikt kunnen worden voor verfijning, integratie van beleidswijzigingen en verdere optimalisatie.
pagina 61
De beheerfase na 2032 wordt structureel onderdeel van de reguliere gemeentelijke organisatie. Het beheerteam zorgt ervoor dat signalen vanuit beleid en initiatieven structureel worden vertaald naar verbeteringen in het omgevingsplan. Dit betekent dat wijzigingen uit de beleidscyclus – bijvoorbeeld vanuit nieuwe programma’s of evaluaties – worden getrechterd en geïntegreerd in het wijzigingsproces. Zo blijft het omgevingsplan actueel, uitvoerbaar en afgestemd op bestuurlijke keuzes.
pagina 62
8. Participatie Participatie is niet alleen een essentieel instrument voor draagvlak en kwaliteit, maar ook een wettelijke verplichting onder de Omgevingswet. Voor elke wijziging van het omgevingsplan geldt: