CConstaterende datBernheze
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Broekhoek 52

Raadsvergadering 28 september 2023, gemeente BernhezeBij agendapunt: Vaststellen Bestemmingsplan Broekhoek 52, Heesch24.694 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Parkeren De parkeerbehoefte is bepaald aan de hand van de parkeernormen van de gemeente Bernheze uit de 'Parkeernormennota gemeente Bernheze'. De parkeernormen van de gemeente Bernheze zijn gebaseerd op de gemiddelde parkeerkencijfers uit de CROW­publicatie 317. Hierbij worden de kengetallen voor het gebied 'binnen bebouwde kom' aangehouden.

39/114

Om in de parkeerbehoefte van de ontwikkeling van de 12 woningen te voorzien wordt gebruik gemaakt van de bovengrondse parkeervoorzieningen die worden gebruikt voor het gezondheidscentrum. Daarom zal bij het bepalen van de parkeerbehoefte niet alleen naar de parkeerbehoefte van het beoogde plan worden gekeken, maar ook naar die van het gezondheidscentrum.

Tabel 4.3: Parkeerbehoefte De parkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling samen met die van het gezondheidscentrum bedraagt 88 parkeerplaatsen. In deze berekening is geen rekening gehouden met dubbelgebruik van parkeerplaatsen. Indien daar wel rekening mee wordt gehouden komt de parkeerbehoefte op het maatgevende moment uit op 76 parkeerplaatsen (zie tabel 3 in bijlage 4). Uit het verkeersonderzoek blijkt dat sprake is van voldoende parkeeraanbod en dat aan de parkeerbehoefte wordt voldaan. Verkeersgeneratie Voor het bepalen van de verkeersgeneratie zijn berekeningen uitgevoerd op basis van de gemiddelde kengetallen uit CROW­publicatie 381. In tabel 4.4 is de verandering van het aantal verkeersbewegingen van en naar het plangebied berekend.

Tabel 4.4: Verkeersgeneratie Na aftrek van de oude functies zal de beoogde ontwikkeling per saldo leiden tot een verkeerstoename van 49 mvt/etmaal gedurende een gemiddelde weekdag. Omgerekend naar werkdag intensiteiten (factor 1,11) leidt dit tot een verkeerstoename van 55 mvt/etmaal ten opzichte van de huidige situatie. Verkeersafwikkeling De beoogde ontwikkeling zal worden ontsloten via de Broekhoek op de Bosschebaan en via de parallelweg van de Cereslaan. De parallelweg van de Cereslaan waar het plan op ontsluit is een doodlopende weg en wordt alleen gebruikt door verkeer dat een bestemming heeft aan dit deel van de parallelweg. Daarom kan gesteld worden dat de intensiteit op dit deel van de parallelweg zeer laag is.

40/114

Naar verwachting zal 30% (15 mvt/etmaal) van het gegenereerde verkeer worden ontsloten over de parallelweg Cereslaan en 70% (34 mvt/etmaal) over de Broekhoek. Aangezien de parallelweg in de huidige situatie doodloopt op het gezondheidscentrum zal de verwachte verkeerstoename geringe invloed hebben op de verkeersafwikkeling van de weg. Daarnaast is de wegcapaciteit op de Cereslaan en de Bosschebaan dermate hoog dat de verwachte verkeerstoename geen invloed zal hebben op de verkeersafwikkeling van de wegen. De verwachte toename van het plan zal dan ook niet leiden tot knelpunten in de verkeersafwikkeling op de omliggende wegen. 4.7.3 Conclusie De verkeerstoename ten gevolge van de ontwikkeling van het plangebied zal niet leiden tot knelpunten in de verkeersafwikkeling van de omliggende wegen. Ook zijn er voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein aanwezig om in de totale parkeerbehoefte van het plan en dat van het gezondheidscentrum te voorzien. De aspecten verkeer en parkeren staan de planontwikkeling dan ook niet in de weg.

4.8

Bedrijven en milieuzonering

4.8.1 Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: y ter plaatse van de woningen een goed woon­ en leefmilieu kan worden gegarandeerd; y rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG­publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie­indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk' en 'rustig buitengebied'. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. 4.8.2 Onderzoek In de beoogde situatie worden woningen gerealiseerd. Hiermee worden milieugevoelige en (potentieel) milieuhinderlijke functies opgericht en moet worden getoetst aan de richtafstanden zoals vermeld in de VNG­brochure.

In de omgeving van het plangebied bevinden zich naast woningen, een gezondheidscentrum en enkele bedrijven, waardoor de omgeving getypeerd kan worden als een 'gemengd gebied'. Ten zuiden van het plangebied zijn agrarische gronden gelegen, waar inmiddels woningen zijn beoogd, zie figuur 4.4 In 'gemengd gebied' mag met een afstandsstap worden afgeweken van de maximale richtafstanden. Het planvoornemen voorziet in de realisatie van een milieugevoelige bestemming/functie, namelijk woningen.

41/114

Figuur 4.4: Omliggende functies, plangebied rood omrand Bedrijventerrein noordzijde Ten noorden van het plangebied liggen bedrijven aan de Cereslaan. Hier zijn volgens het bestemmingsplan 'Bedrijventerreinen Bernheze' uitsluitend bedrijven tot en met milieucategorie 2 toegestaan. De maximale richtafstand bedraagt 30 meter. In gemengd gebied bedraagt de maximale richtafstand 10 meter. Het meest nabij gelegen bedrijf ligt op 38 meter van het plangebied en op circa 50 meter van het bouwvlak van de te bouwen woningen. Aan deze richtafstanden wordt voldaan. Bedrijventerrein westzijde Ten westen van het plangebied ligt bedrijventerrein Bernheze. Hier zijn volgens het bestemmingsplan 'Bedrijventerreinen Bernheze' bedrijven tot en met milieucategorie 3.2 toegestaan. De maximale richtafstand bedraagt 100 meter. Daarnaast is op de hoek Cereslaan/Bosschebaan een bouwmarkt toegestaan. De maximale richtafstand van een bouwmarkt bedraagt 30 meter. Binnen gemengd gebied bedragen deze richtafstanden respectievelijk 50 meter en 10 meter. Het meest nabij gelegen bedrijf, de bouwmarkt, ligt op ruim 130 meter van het plangebied. Aan de richtafstanden van zowel milieucategorie 3.2 als van de bouwmarkt wordt voldaan. Ten noordwesten van het plangebied zijn bedrijven toegestaan tot en met milieucategorie 4.1.

Voor deze milieucategorie vormt geluid het maatgevende aspect en geldt in gemengd gebied een richtafstand van 100 meter. De afstand van de beoogde woningen tot deze bedrijfsbestemming is ruim 150 meter. In de huidige situatie (eind 2021) is ter plaatse een aannemersbedrijf gevestigd. Dit bedrijf behoort tot milieucategorie 3.2. Hiervoor geldt een richtafstand geldt van 50 meter waaraan wordt voldaan. Ter plaatse van de beoogde woningen wordt voldaan aan de richtafstanden en is geen onaanvaardbare geluidshinder te verwachten.

42/114

Woningbouw de Erven Ten zuiden van de Bosschebaan op circa 28 meter van het plangebied zijn gronden momenteel agrarisch in gebruik. Dit agrarisch gebied is echter aangewezen als woningbouwontwikkellocatie De Erven en heeft de bestemming 'Woongebied' gekregen. De agrarisch functie komt daar mee te vervallen. Van een onderlinge richtafstand tussen woningen is geen sprake. Gezondheidscentrum Direct ten westen van de geplande woningen ligt een gezondheidscentrum. Middels dit bestemmingsplan krijgt het gezondheidscentrum de bestemming 'Gemengd'. Binnen deze bestemming zijn een gezondheidscentrum en kantoren toegestaan. Het gezondheidscentrum en kantoren behoren volgens de VNG publicatie Bedrijven en milieuzonering (2009) tot milieucategorie 1. Voor deze milieucategorie vormt geluid het maatgevende aspect en geldt een richtafstand van 10 meter in een rustige woonwijk. Voor gemengd gebied geldt een richtafstand van 0 meter. De beoogde woningen worden op circa 3 meter afstand van het gezondheidscentrum gerealiseerd, waarmee voldaan wordt aan de richtafstand. Hoewel aan de richtafstand wordt voldaan worden in het kader van een aanvaardbaar woon­ en leefklimaat de activiteiten van het gezondheidscentrum nader onderbouwd.

Geluid afkomstig van het gezondheidscentrum betreft geluid van dakinstallaties en het parkeerterrein Dakinstallaties: De dakinstallaties zijn gelegen op het hoogste dakdeel van het gezondheidscentrum, op circa 35 meter van het beoogde appartementengebouw. Het dakdeel van het gezondheidscentrum het meest gelegen nabij het appartementengebouw is voorzien van zonnepanelen. Het ligt dan ook niet in de lijn der verwachting dat de dakinstallaties worden of kunnen worden verplaatst richting het appartementengebouw. Geluid afkomstig van de dakinstallaties heeft dan ook geen nadelig effect op het goede woon­ en leefklimaat van de beoogde woningen. Parkeerterrein: Het parkeerterrein van het gezondheidscentrum wordt tevens gebruikt voor het parkeren bij de woningen zelf. Uit het verkeersonderzoek, zie paragraaf 4.7, blijkt dat het dubbelgebruik van de parkeerplaats niet tot problemen leidt en dat sprake is van ruim voldoende parkeerruimte. Daarbij is de verwachting dat de bewoners met name gebruik maken van de parkeerplaatsen nabij het appartementengebouw en de gebruikers van het gezondheidscentrum zo veel mogelijk parkeren nabij de entree van het gezondheidscentrum.

De gebruikers van het gezondheidscentrum maken gebruik van het zowel de entree aan de Cereslaan, als van de entree aan de Broekhoek, waardoor slechts een deel van de bezoekers langs het appartementengebouw rijden en daar parkeren. Het gezondheidscentrum is geopend tijdens kantoortijden, tussen 8.00 en 18.00. Het gebruik van het parkeerterrein voor gebruikers van het gezondheidscentrum buiten deze tijden is dan ook zeer beperkt. Vanwege het dubbelgebruik van het parkeerterrein is het gebruik niet enkel aan het gezondheidscentrum te koppelen, maar tevens aan de woonfunctie zelf. Toetsing aan het 'eigen parkeergebruik' is niet noodzakelijk. Mede gezien het gebruik van het gezondheidscentrum tijdens kantoortijden is sprake van een aanvaardbaar woon­ en leefklimaat als gevolg van het gebruik van het parkeerterrein. Bij het appartementengebouw nabij het gezondheidscentrum is dan ook sprake van een aanvaardbaar woon­ en leefklimaat. Andersom is het appartementengebouw niet nadelig van invloed op de bedrijfsvoering van het appartementengebouw.

43/114

Broekhoek 50 Aan de noordzijde van het plangebied grenzen woonbestemmingen. De dichtstbijzijnde woning is gelegen aan de Broekhoek 50. Met de ontwikkeling komen er parkeerplaatsen op circa 10 meter van deze woning. Voor de meeste parkeerplaatsen geldt dat tussen de parkeerplaatsen en de woning Broekhoek 50 bergingen worden gerealiseerd, die het mogelijke geluid vanwege die parkeerplaatsen afschermen. Voor de twee parkeerplaatsen die niet worden afgeschermd (de parkeerplaatsen in het noordoosten, zie figuur 2.3) geldt dat dit niet anders is dan het momenteel aanwezige en toegestane bedrijfsmatig parkeren (zie figuur 4.5), waarbij tevens laden/lossen mogelijk is vanwege bedrijfsmatige activiteiten. In de huidige situatie wordt het geluid van parkeren (met name maximale geluidniveaus) begrensd door de algemene grenswaarden uit het Activiteitenbesluit, zijnde 70/65/60 dB(A) in de dag­/avond­/nachtperiode. Omdat er sprake was van een bestaande bedrijfsmatige activiteit met een vergelijkbare (of zelfs hogere) geluidemissie dan in de nieuwe (parkeer)situatie, kan worden gesteld dat er in de nieuwe situatie sprake is van een verbeterde situatie voor wat betreft geluid (met name vanwege de maximale planologische mogelijkheden in de bestaande situatie) en daarmee van een blijvend aanvaardbaar woon­ en leefklimaat bij de woning Broekhoek 50.

Parkeren in een woonomgeving leidt zelden tot een niet aanvaarbaard woon­ en leefklimaat. Het merendeel van de auto's worden 's avonds buiten geparkeerd ter plaatse van de eigen woning, vaak grenzend aan een belendende woning. Niet gebleken is dat maximale geluidniveaus vanwege parkeren (dichtslaan portieren) in een woonomgeving milieutechnisch een probleem zijn.

44/114

Figuur 4.5: Bestaand bedrijfsmatig parkeren (bron: Cyclomedia) 4.8.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat voldaan aan de richtafstanden. Het woon­ en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woningen is dan ook aanvaardbaar. Er zijn daarnaast geen bedrijven in de omgeving die door de voorgenomen ontwikkeling in hun bedrijfsvoering worden beperkt.

45/114

4.9

Milieuhinder agrarische bedrijven

4.9.1 Toetsingskader De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) bevat het beoordelingskader voor geurhinder van veehouderijen die vergunningplichtig zijn op basis van de Wet milieubeheer (Wm). Het beoordelingskader is als volgt: y voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld (in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv)) geldt een maximale geurbelasting op een geurgevoelig object; y voor andere diercategorieën geldt een minimale afstand van de dierenverblijven ten opzichte van geurgevoelige objecten. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden (conform Reconstructiewet) en niet­concentratiegebieden en tussen situaties binnen de bebouwde kom en buiten de bebouwde kom. De wet beschrijft in artikel 3 de maximale norm voor geurbelasting van een veehouderij ten opzichte van een gevoelig object in vier situaties, deze zijn weergegeven in tabel 4.4.

Tabel 4.5: Overzicht geurnormen Wgv Voor alle stallen gelden minimumafstanden tussen de buitenzijde van het dierenverblijf en de buitenzijde van een geurgevoelig object (artikel 5 Wgv). Voor buiten de bebouwde kom gelegen geurgevoelige objecten geldt een minimumafstand van 25 meter en voor binnen de bebouwde kom gelegen geurgevoelige objecten geldt een minimumafstand van 50 meter. Activiteitenbesluit milieubeheer Per 1 januari 2013 zijn agrarische activiteiten onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit gebracht. In het Activiteitenbesluit zijn voor alle agrarische activiteiten, waaronder akkerbouwbedrijven en veehouderijen, eisen opgenomen. Voor de veehouderijen is aangesloten bij de systematiek uit de Wgv, dat wil zeggen dat in bepaalde gevallen een maximaal toegestane geurbelastingen geldt (diercategorieën waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld, bijvoorbeeld varkens en pluimvee) en in andere gevallen vaste afstandseisen gelden (diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld, waaronder melkrundvee). Verordening Fysieke Leefomgeving (VFL) Bernheze 2021 De Verordening Fysieke Leefomgeving is een integratie van de regels over de fysieke leefomgeving uit diverse

46/114

verordeningen van de gemeente Bernheze. Er geldt een geurnorm van 3 ouE/m³ voor bestaande woongebieden. De gemeenteraad heeft een geurnorm van 8 ouE/m³ vastgesteld voor bestaande bedrijventerreinen in de bebouwde kom, extensiveringsgebieden rondom kernen, extensiveringsgebieden natuur en woonwerkontwikkelingsgebieden. Voor overige gebieden geldt een geurnorm van 10 ouE/m³. In artikel 3.1.3 van de Verordening Fysieke Leefomgeving is opgenomen dat een vaste afstand in acht moet worden genomen van 50 meter binnen de bebouwde kom en 25 meter buiten de bebouwde kom. De normen voor de aanvaardbaarheid van het woon­ en leefklimaat zijn opgenomen in de “Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder gemeente Bernheze 2013”. In de bebouwde kom wordt 0 ­ 13 ouE als voldoende gezien, 13 ouE of meer is onvoldoende voor een aanvaardbaar woon­ en leefklimaat. Voor de bedrijventerreinen en buitengebieden wordt 0 ­ 20 ouE gezien als voldoende, vanaf 20 ouE of meer is dit onvoldoende. 4.9.2 Toetsing Vaste afstanden Op grond van de Verordening Fysieke Leefomgeving van de gemeente Bernheze gelden vaste afstanden van 25 meter in het buitengebied en 50 meter binnen de bebouwde kom. Het gaat om de afstand van het emissiepunt van een dierenverblijf tot de buitenzijde (gevel) van een geurgevoelig object.

De intensieve veehouderij aan de Bosschebaan 27 is de dichtstbijzijnde veehouderij en de afstand van het plangebied tot de perceelgrens van deze veehouderij bedraagt circa 470 meter. Dit is groter dan 50 meter. Er wordt voldaan aan deze afstandseis. Door de grote afstand is er ter plaatse sprake van een aanvaardbaar woon­ en leefklimaat. Dit is ook te zien in figuur 4.5 waarin een uitsnede is gemaakt van de kaart van de ODZOB van de achtergrondbelasting geur. Hieruit blijkt dat de achtergrondbelasting 0 ­ 3 ouE bedraagt en hierdoor sprake is van een zeer goed achtergrondbelasting geur. Tevens is tussen de veehouderij en het plangebied sprake van andere geurgevoelige objecten die veel dichterbij gelegen zijn. Hierdoor zijn deze geurgevoelige objecten maatgevend en zal door de ontwikkeling het bedrijf niet in zijn bedrijfsvoering worden beperkt. Hieruit kan geconcludeerd worden dat geurhinder de beoogde ontwikkeling niet in de weg staat.

Figuur 4.6: Achtergrondbelasting geur maart 2022 (bron: ODZOB)

47/114

Volksgezondheid De handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 (versie mei 2018) bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit GGD wenselijk is. De stappen worden in deze paragraaf doorlopen om te kijken of er knelpunten zijn. y Endotoxine: Blootstelling aan endotoxine heeft een directe relatie met de in het VGO­onderzoek aangetoonde negatieve effecten op de luchtwegen en de verlaagde longfunctie rond veehouderijbedrijven. Hiervoor geldt een afstand van 500 meter van een pluimveehouderij tot een milieugevoelige functie. Voor een varkenshouderij geldt een afstand van 200 meter tot een milieugevoelige functie. De Gezondheidsraad hanteert in het rapport ‘Gezondheidsrisico’s rond veehouderijen’ (2012) een advieswaarde van 30 EU/m3 voor de maximale blootstelling aan endotoxinen in de buitenlucht. De Gezondheidsraad gaat ervan uit dat met deze advieswaarde de gezondheid van omwonenden van veehouderijen tegen te veel aan endotoxinen kan worden beschermd. Op een afstand van circa 470 meter van het plangebied bevindt zich een pluimveehouderij waar leghennen worden gehouden. De veehouderij aan de Bosschebaan 27 heeft een fijnstofemissie van 3.026,96 kg/jaar.

Uit de notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: endotoxine toetsingskader 1.0 blijkt dat bij deze emissie van 5.000 kg/jaar op een afstand van 200 meter geen sprake is van een overschrijding van de advieswaarde voor endotoxine. Op een afstand kleiner dan 200 meter bevinden zich geen varkenshouderijen. y Emissies: Er worden woningen gerealiseerd. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot een toename in de emissie voor geur en/of fijnstof en/of ammoniak. y Aanvaardbaar woon­/leefklimaat: De afstand van het plangebied tot de perceelgrens van een intensieve veehouderij bedraagt 470 meter. Daarnaast wordt volgens de achtergrondbelasting geurkaart 2022 de achtergrondbelasting van ODZOB ter plaatse van het plangebied als zeer goed (0­3 OU/m3 ) beoordeeld, zie ook figuur 4.5. Er is een aanvaardbaar woon­ en leefklimaat ter plaatse van het plangebied. y Er bevindt zich geen geitenhouderij op 2 kilometer afstand van het plangebied. y Binnen een afstand van 1 kilometer van het plangebied bevindt zich een pluimveehouderij. Zie het eerste punt voor een nadere onderbouwing. y Overige veehouderijen bevinden zich niet binnen een afstand van 250 meter. y Er is geen sprake van mestbe­ of verwerking als nevenactiviteit of als zelfstandige activiteit. y Het plangebied ligt buiten de risicoafstanden die aangehouden moeten worden rondom intensieve veehouderijen in de omgeving.

Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico. 4.9.3 Conclusie Met betrekking tot milieuhinder van agrarische bedrijven is er sprake van een aanvaardbaar woon­ en leefklimaat bij de beoogde woning. Omliggende agrarische bedrijven worden daarnaast niet beperkt in hun bedrijfsvoering door de bouw van de woningen.

4.10 Externe veiligheid 4.10.1 Toetsingskader Bij ruimtelijke plannen dient voor externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: y bedrijven waar opslag, gebruik en/of productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; y vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, spoor of water en door buisleidingen.

48/114

In het externe veiligheidsbeleid wordt onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom de risicobron. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. De gemeente heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10­6 per jaar. Bij de vaststelling van een ruimtelijke onderbouwing moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft. Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde.

Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet­ en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10­5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10­6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10­6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10­6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik.

Er geldt een oriënterende waarde voor het groepsrisico en onder voorwaarden een verantwoordingsplicht tot 200 meter binnen de transportroute. Besluit externe veiligheid buisleidingen In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen.

49/114

Beleidsvisie externe veiligheid De gemeente Bernheze beschikt over een beleidsvisie externe veiligheid (2008). Hierin wordt invulling gegeven aan de gemeentelijke omgang met externe veiligheid. De beleidsvisie bevat geen gebiedstypering of uitgangspunten die gehanteerd kunnen worden voor de verantwoording van het groepsrisico. Overige wet­ en regelgeving Tot slot wordt in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening' (art. 3.1 Wro) getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit en effectafstanden uit de 'Circulaire effectafstanden LPG­tankstations'. 4.10.2 Onderzoek

Figuur 4.7 Uitsnede openbare risicokaart met het plangebied (zwart) Uit de informatie op de openbare risicokaart (www.risicokaart.nl) kwam het volgende naar voren: Transport gevaarlijke stoffen over de weg Over de A59, die ten noorden van het plangebied ligt, vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Maatgevend hierin is het vervoer van de stofcategorie LT2 met een invloedsgebied van 880 meter. De afstand van het plangebied tot deze weg is 490 meter. Omdat dit groter is dan 200 meter, kan volgens het Bevt worden volstaan met een beknopte verantwoording. Het plangebied bevindt zich op een afstand van circa 30 meter van de Bosschebaan. Over deze weg vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats.

50/114

In de Handleiding Risicoanalyse Transport (HART) zijn vuistregels opgenomen waarmee inzicht kan worden gegeven in de risicosituatie langs transportroutes zoals de Bosschebaan. Omdat er over de Bosschebaan geen vervoer van stofcategorieën LT3, GT4 of GT5 plaatsvindt, kunnen de vuistregels toegepast worden. De beoogde ontwikkeling betreft het realiseren van 12 rollatorgeschikte woningen. In de Handleiding populatieservice wordt voor een woonfunctie groter dan 60 m2 het kental van 2,4 personen gehanteerd. Hiermee worden 29 personen extra toegevoegd met de ontwikkeling. In de huidige situatie is er echter sprake van een winkel van 232 m2. Volgens de Handleiding Populatieservice geldt voor een kleine winkelfunctie 1 persoon per 10 m2, waardoor de huidige populatie op 23 mensen uitkomt die alleen overdag aanwezig zijn. Er is hierdoor sprake van een toename van 6 personen overdag. Uit de HART blijkt dat een weg binnen de bebouwde kom geen 10­5­contour of 10­6­contour heeft. De 10­6­contour vormt derhalve geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. In de HART worden de vuistregel gehanteerd wanneer er GF3 minder dan 10 maal de drempelwaarde is in tabel 4.1 de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden. Voor de toetsing van 10% van de oriëntatiewaarde geldt dat deze niet wordt overschreden als GF3 minder is dan de drempelwaarde uit tabel 4.1.

Tabel 4.6 Drempelwaarden GF3­vervoer voor overschrijding 10% van de oriëntatiewaarde, autosnelweg, tweezijdige bebouwing

51/114

De afstand tot de Bosschebaan bedraagt 30 meter. In de Handleiding Risicoberekeningen Bevt ­ Bijlage, versie 1.2, 11 januari 2017 wordt geconcludeerd dat voor de uitkomst van de groepsrisicoberekening het voldoende is om de bevolkingsdichtheid te inventariseren tot 300 meter van de as van de weg. Op een afstand van 300 meter bevinden zich voornamelijk drukke woonwijken en industriegebieden. Volgens de Publicatiereeks gevaarlijke stoffen 1 (december 2003) is de bevolkingsdichtheid voor rustige woonwijken 25 personen per hectare, voor industriegebieden met een personeelsdichtheid midden is dit 40 personen per hectare. Uit de tabel blijkt dat bij deze afstand en dichtheid er geen grenswaarde bestaat voor het vervoer van GF3. Er kan geconcludeerd worden dat de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden en tevens niet met meer dan 10% van de oriëntatiewaarde zal toenemen. De afstand is voldoende en het aantal personen laag. Wel dient het groepsrisico in een beknopte verantwoording inzichtelijk te worden gemaakt. Transport van gevaarlijke stoffen over het spoor Ten noorden van het plangebied bevindt zich het spoortraject Den Bosch Diezebrug – Ressen Noord. Hierover worden gevaarlijke stoffen vervoerd van o.a. de stofcategorie D4. De afstand van het plangebied tot dit spoortraject is circa 2,7 kilometer.

Omdat dit groter is dan 200 meter, kan volgens het Bevt ook worden volstaan met een beknopte verantwoording. Risicovolle inrichtingen Ten zuidoosten van het plangebied, aan de John F. Kennedystraat, bevindt zich een opslagtank chloorbleekloog. De afstand van het plangebied tot deze tank is circa 775 meter waardoor deze geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling. Circulaire LPG­tankstations en veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit In de omgeving van het plangebied is geen LPG­tankstation gelegen. Derhalve is de circulaire LPG­tankstations niet van toepassing op dit plan. Daarnaast zijn er geen veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit van toepassing op het onderhavige plan. Buisleidingen In de nabijheid van het plangebied zijn geen buisleidingen gelegen die van invloed zijn op het plangebied. Beleidsvisie externe veiligheid Toetsing van het plan aan de voorwaarden uit de beleidsvisie externe veiligheid van de gemeente geeft geen belemmeringen voor het voorgenomen plan. Beknopte verantwoording In de beknopte verantwoording is het advies van de Veiligheidsregio Brabant Noord verwerkt. Dit advies is tevens opgenomen in bijlage 10. Maatgevende scenario's De relevante scenario's in relatie tot het plangebied zijn een plasbrand; een BLEVE; en een toxische wolk.

52/114

Plasbrand Een plasbrand wordt veroorzaakt door een mechanische impact op de tank bijvoorbeeld na een aanrijding. Hierdoor ontstaat een gat in de tank. Een groot deel van de benzine stroomt in korte tijd uit. Er wordt een plas gevormd die zich in de omgeving verspreidt. Ontsteking leidt tot een korte brand. De effecten van een plasbrand zijn warmtestraling en rook. Hierdoor kunnen slachtoffers, schade en brand in de omgeving ontstaan. De warmtestraling is in combinatie met de blootstellingsduur bepalend voor het slachtoffer­ en schadebeeld. BLEVE Een BLEVE wordt veroorzaakt doordat een aanwezige brand de druk in de tank doet oplopen. Hierdoor verzwakt en bezwijkt de tank. LPG komt vrij en ontsteekt. Er ontstaat een vuurbal en een drukgolf. De effecten van een BLEVE zijn warmtestraling, overdruk en scherfwerking. Deze effecten kunnen slachtoffers, schade en brand in de omgeving veroorzaken. Toxische wolk Een toxische wolk wordt veroorzaakt door een door een mechanische impact op de tank bijv. na een aanrijding. Hierdoor ontstaat een gat in de tank waardoor in korte tijd een groot deel van de toxische stof vrijkomt en met de wind mee wordt verspreidt. De gevolgen voor personen zijn afhankelijk van de concentratie en blootstellingstijd aan de stof. Indien personen binnen schuilen is in het plangebied geen letaal­ of ernstig letsel te verwachten.

De kans op het plaats vinden van dit type incidenten is bijzonder klein als gevolg van veiligheidsmaatregelen rondom het vervoer van gevaarlijke stoffen en de beperkte vervoersfrequentie. Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Bij het scenario toxische wolk zal de brandweer proberen de toxische wolk neer te slaan. Bij een snelle verspreiding van de toxische wolk zal dit echter beperkt effect hebben. De bestrijdbaarheid wordt om deze reden als matig beoordeeld. LPG­tanks en de tankwagens die LPG aanleveren zijn echter voorzien van een isolerende bekleding. Dit betekent dat afhankelijk van de vulgraad van de tank een explosie na 75 minuten kan plaats vinden. De brandweer zal om deze reden een redelijke tijd hebben om de tank te kunnen koelen en het gebied te ontruimen.

De bestrijdbaarheid wordt om deze reden als goed beoordeeld. De bestrijdbaarheid van het scenario plasbrand is slecht. De plas is waarschijnlijk al opgebrand voor dat de brandweer ter plaatse is. De hulpdiensten zullen zich dan richten op het redden van slachtoffers en het blussen van secundaire branden. Mocht de plas nog niet ontstoken zijn dan zal de brandweer proberen om de vloeistofplas af te dekken met een schuimlaag.

53/114

Het plangebied wordt ontsloten via de Broekhoek op de Bosschebaan en kan via de parallelweg van de Cereslaan de Cereslaan bereiken. Beide wegen sluiten aan op het verdere wegennetwerk van Heesch. Het wegennetwerk biedt vluchtmogelijkheden in verschillende richtingen, waardoor altijd van de bron af kan worden gevlucht. De vluchtwegen uit de woningen bevinden zich aan de risicoluwe zijde. Dit komt de bestrijdbaarheid ten goede. Zelfredzaamheid In de toekomstige situatie zal een appartementengebouw met 12 rollatorgeschikte woningen gerealiseerd worden. De aanwezigen kunnen zowel zelfredzaam zijn als verminderd zelfredzaam. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten. Als gevolg van een incident met toxische stoffen geldt dat een toxische wolk zich snel kan ontwikkelen en verplaatsen. Dit effect is vaak niet zichtbaar. Zelfredzaamheid in deze scenario's is alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren te schuilen. Denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen. Hiermee worden de aanwezigen beschermd tegen de blootstelling aan toxische gassen.

Daarnaast dienen, in het kader van effectieve zelfredzaamheid, de gebruikers van de woningen door risicocommunicatie te worden geïnstrueerd over de risico's en de mogelijke maatregelen die zij kunnen nemen. De alarmering van de aanwezigen wordt momenteel nog gerealiseerd middels het waarschuwings­ en alarmeringssysteem (WAS). Dit systeem wordt de komende jaren uitgefaseerd. Het waarschuwingssysteem wordt vervangen door een totaal pakket aan alarmeringsmiddelen, waaronder de calamiteitenzenders, de sirenes, crisis.nl, NL­Alert en het gebruik van sociale media. In het kader van zelfredzaamheid op deze locatie worden toekomstige bewoners gewezen op de verschillende handelingsperspectieven bij een dreigende BLEVE of een plasbrand (vluchten) en bij een toxische wolk (binnen blijven). Verminderd zelfredzame personen kunnen vluchten door hulp van zelfredzame personen in de woningen dan wel personeel van het naastgelegen gezondheidscentrum. 4.10.3 Conclusie Het plangebied bevindt zich in het invloedsgebied van het spoortraject Den Bosch Diezebrug ­ Ressen Noord, de A59 en de Bosschebaan. In de beknopte verantwoording is op de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied ingegaan. De veiligheidssituatie zal met de beoogde ontwikkeling niet significant verslechten en wordt als aanvaardbaar gezien.

Verder zijn in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle bronnen aanwezig. Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering voor de voorliggende ontwikkeling.

4.11 Cultuurhistorie 4.11.1 Toetsingskader Per 1 januari 2012 is de Modernisering Monumentenzorg (MoMo) in werking getreden. Als gevolg van de MoMo wijzigt het Bro (artikel 3.6.1, lid 2). Wat eerst alleen voor archeologie gold, geldt nu ook voor al het cultureel erfgoed. In een bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden.

54/114

De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan en het daarbij behorende besluit is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan enkel naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. 4.11.2 Onderzoek en conclusie Omtrent het cultuurhistorisch beleid heeft de gemeente Bernheze een 'cultuurhistorische waardenkaart' (figuur 4.5) gerealiseerd. Hierop is te zien dat de wegen in de directe omgeving van het plangebied aangemerkt worden als oude wegtracés (oude hoofdverbinding en redelijk hoge waarde). De gronden van het plangebied zijn gelegen op het oude esdek. In de omgeving van het plangebied zijn verder geen gemeentelijke monumenten, monumentale bomen en/of monumenten in een andere categorie aanwezig. In de huidige situatie is het oude esdek reeds bebouwd. De ontwikkeling heeft dan ook geen nadelige gevolgen voor dit oude esdek. De oude wegtracés zijn gelegen buiten het plangebied. Wel zal de toekomstige ontsluiting van het plangebied plaatsvinden op het oude wegtracé van de Broekhoek. In de huidige situatie wordt het plangebied reeds ontsloten op de Broekhoek. Het aantal ontsluitingen op de Broekhoek wordt met het planvoornemen van twee ontsluitingen teruggebracht naar één ontsluiting.

De beoogde ontwikkeling heeft dan ook geen nadelige invloed op de aanwezige cultuurhistorische waarden.

Figuur 4.8: Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart Bernheze met plangebied in rood (gemeente Bernheze)

55/114

4.12 Archeologie 4.12.1 Toetsingskader Sinds 1 juli 2016 is de Wet op de archeologische monumentenzorg vervangen door de Erfgoedwet. De uitgangspunten uit het 'Verdrag van Malta' blijven in de Erfgoedwet de basis van de Nederlandse omgang met archeologie. De Erfgoedwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort. De gemeente Bernheze heeft ervoor gekozen om in het kader van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg en de Wet ruimtelijke ordening een eigen gemeentelijk archeologiebeleid te formuleren.

Dit archeologiebeleid is op 3 februari 2011 door de gemeenteraad vastgesteld en bestaat uit de 'Nota Archeologiebeleid Gemeente Bernheze' en de 'Archeologische Verwachtings­ en Beleidsadvieskaart Gemeente Bernheze'. Op basis van deze documenten, is de gemeente Bernheze in staat om op verantwoorde wijze een archeologiebeleid te implementeren. Met dit beleid wordt een juiste balans gevonden tussen een goede omgang met het archeologisch erfgoed en andere maatschappelijke belangen die bij planontwikkelingen moeten worden afgewogen. 4.12.2 Onderzoek en conclusie Zie figuur 4.9 voor een uitsnede van de archeologische beleidskaart van de gemeente Bernheze. Het plangebied is met rode belijning aangeduid.

56/114

Figuur 4.9: Uitsnede archeologische beleidskaart gemeente Bernheze met plangebied rood omcirkeld (Gemeente Bernheze) Zoals op de archeologische beleidskaart in beeld gebracht is, ligt het plangebied in een gebied met een middelhoge archeologische verwachtingszone. Voor een gebied met een middelhoge archeologische verwachtingszone geldt een onderzoeksplicht voor een verstoringsdiepte van meer dan 40 cm diep en een verstoringsoppervlakte van meer dan 2.500 m2. Bij de voorliggende ontwikkeling is sprake van woningbouwontwikkeling waarbij grondroerende werkzaamheden plaatsvinden. Het plandeel waar de woningbouwontwikkeling plaatsvindt heeft een oppervlakte van circa 1.500 m2. De maximale verstoringsoppervlakte van 2.500 m2 wordt niet overschreden. Archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk. Wel dient bij eventuele toevalsvondsten hiervan melding worden gedaan conform art. 5.10 van de Erfgoedwet, die vanaf 1 juli 2016 van kracht is. Dit kan telefonisch bij het Meldpunt Provinciaal Depot Bodemvondsten Noord­Brabant (tel. 06­18303225).

4.13 Ecologie 4.13.1 Toetsingskader Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) en het beleid van de provincie ten aanzien van de bescherming van dier­ en plantensoorten en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland de uitvoering van het plan niet in de weg staan.

57/114

Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier­ en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten: y Natura­2000 gebieden; y Natuurnetwerk Nederland (NNN). Natura­2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een ruimtelijk plan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000­gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; 2.

het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en 3. de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000­netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Bijzondere nationale natuurgebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) kan buitenom de gebieden die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden Natura 2000, ook gebieden aanwijzen als Bijzonder nationaal natuurgebied wanneer het gebied is opgenomen op een lijst als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Habitatrichtlijn of het gebied onderwerp is van een procedure als bedoeld in artikel 5 van de Habitatrichtlijn. De beschermende werking die geldt voor gebieden die behoren tot Natura 2000, geldt in dat geval ook voor het bijzondere nationaal natuurgebied. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden.

De gemeente Noord­Brabant heeft deze natuurgebied aangeduid als Natuurnetwerk Brabant (NNB).

58/114

Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: y soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; y soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; en y de bescherming van overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Noord­Brabant In de provincie Noord­Brabant wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee, voor het op of in de bodem brengen van meststoffen en voor agrarische beregening uit grondwater.

In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer, of bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage 3 bij deze verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, wild zwijn en woelrat. 4.13.2 Onderzoek Gebiedsbescherming Het plangebied vormt geen onderdeel van een natuur­ of groengebied met een beschermde status, zoals een Natura 2000­gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000­gebied is 'Rijntakken' op circa 13 kilometer en 'Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek en bevindt zich op circa 14 kilometer ten westen van het plangebied. Het plangebied maakt ook geen deel uit van het Natuurnetwerk Brabant (NNB) of een ecologische verbindingszone. Het plangebied ligt buiten beschermde natuurgebieden.

Directe effecten zoals areaalverlies en versnippering kunnen hierdoor worden uitgesloten. Gezien de geringe ontwikkeling en afstand tot natuurgebieden kunnen ook verstoring en verandering van de waterhuishouding worden uitgesloten. Voor de berekening van stikstofdepositie op stikstofgevoelige gebieden wordt onderscheidt gemaakt in de gebruiksfase en in de realisatiefase.

59/114

In de toekomstige situatie zal geen gas worden verbruikt. Met het rekenprogramma Aerius Calculator is ter verduidelijking een berekening uitgevoerd om de gevolgen voor de stikstofdepositie, ten gevolge van de toename van de verkeersgeneratie tijdens de gebruiksfase, binnen Natura 2000­gebieden in beeld te brengen. Tevens is een berekening tijdens de aanlegfase uitgevoerd. Uit de berekeningen blijkt dat er geen sprake is van rekenresultaten die hoger zijn dan 0,00 mol N/ha/jr, zie bijlage 5 voor de memo en bijlage 6 en bijlage 7 voor de Aerius­berekeningen. Geconcludeerd wordt dat de mogelijke depositie van stikstof in het kader van dit bestemmingsplan geen belemmering vormt. Soortenbescherming Op voorhand kan niet worden uitgesloten dat bij de sloop van de bebouwing of herinrichting van het terrein beschermde soorten worden bedreigd. De bebouwing staat momenteel leeg en is mogelijk geschikt zijn voor de huisvesting van beschermde soorten. Door middel van een quickscan flora en fauna is beoordeeld of de bestaande bebouwing beschikt over openingen waardoor dergelijke soorten binnen kunnen komen. De onderzoeksrapportage is opgenomen in 8 bij deze toelichting. Er is in het kader van de Wnb nagegaan of vaste rust­ en verblijfplaatsen door de beoogde ingreep opzettelijk worden aangetast (verwijderd, ongeschikt gemaakt) of dat dieren opzettelijk worden verontrust, verjaagd of gedood.

Verder is er gekeken of er invloeden zijn die leiden tot een verminderde geschiktheid als foerageergebied waarbij het een zodanig belang betreft dat bij het wegvallen van deze functie ook vaste rust­ en verblijfplaatsen niet langer kunnen functioneren. Op basis van de quickscan dient voorafgaand aan de werkzaamheden middels aanvullend ecologisch onderzoek duidelijkheid te worden verkregen omtrent de functie van het bedrijfsgebouw voor huismus en vleermuis. Hoewel de gevel van het gezondheidscentrum grenzend aan het onderzoeksgebied en het trafohuisje ten noorden van het onderzoeksgebied mogelijk geschikt zijn als verblijfsplaats voor vleermuizen, maken deze geen onderdeel uit van het plangebied. De vrije uitvliegroutes van vleermuizen worden met de ontwikkeling echter mogelijk belemmerd. Hierdoor bestaat de kans dat de functionaliteit als verblijfplaats verdwijnt en daarmee overtreding van de Wet natuurbescherming plaatsvindt. De aanvullende onderzoeken zijn in oktober 2022 afgerond, zie bijlage 9. Tijdens het gehele onderzoek zijn er geen huismussen waargenomen in het schoolgebouw, of in de directe omgeving. Op basis van de huidige onderzoeksinspanning kan worden uitgesloten dat de te slopen bebouwing op de onderzoekslocatie een vaste rust­ of voortplantingsplaats vormt voor de huismus.

Uit het verrichte veldonderzoek naar vleermuizen blijkt dat er geen beschermde functies op de onderzoekslocatie aanwezig zijn. De voorgenomen werkzaamheden zullen daarom niet leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van vleermuizen. Aan de zuidzijde van de woning ten noorden van de onderzoekslocatie is een zomerverblijfplaats van een gewone dwergvleermuis waargenomen. Deze verblijfplaats zal behouden blijven in de toekomstige situatie, waardoor geen negatieve effecten zullen optreden ten aanzien van deze verblijfplaats als gevolg van de voorgenomen ingreep.

60/114

Niet verwacht wordt dat een overtreding van de verbodsartikelen uit de Wet natuurbescherming aan de orde is en dat een ontheffing noodzakelijk is. Door de voorgenomen werkzaamheden zullen geen nestlocaties of andere beschermde functies van de huismus worden verstoord. Ten aanzien van vleermuizen zijn overtredingen van de Wet natuurbescherming te voorkomen als verblijfplaatsen in de omgeving functioneel en duurzaam behouden blijven. Additionele (bouw)verlichting richting de aangetroffen verblijfplaats aan de zuidzijde van de woning aan de Broekhoek 50 dient te worden voorkomen, zowel in de bouw­ als gebruiksfase. Indien een verlichtingstoename niet te voorkomen is dienen maatregelen genomen te worden om de toename tot een minimum te beperken. Overtredingen ten aanzien van algemene broedvogels kunnen worden voorkomen door te werken buiten het broedseizoen. Indien binnen het broedseizoen gewerkt gaat worden, is een broedvogelinspectie voorafgaand aan de start van de werkzaamheden benodigd en dient de onderzoekslocatie broedvrij gehouden te worden vanaf de start van het broedseizoen tot aan de start van de werkzaamheden. Geadviseerd wordt om ook het snoeiafval buiten het broedseizoen te verwijderen.

Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden, op basis van de verspreidingsgegevens, de aanwezigheid van voldoende alternatieve en/of gezien de aard van de ingreep niet aan de orde. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht. Ten aanzien van Natura 2000­gebieden, het Natuurnetwerk Nederland en beschermde houtopstanden worden geen bezwaren voorzien in de uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden op de onderzoekslocatie. 4.13.3 Conclusie De ontwikkeling leidt niet tot negatieve effecten op beschermde natuurgebieden. Tijdens de werkzaamheden wordt rekening gehouden met de aanbevelingen uit het ecologisch onderzoek. Het aspect ecologie vormt dan ook geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

61/114

62/114

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische vormgeving

Algemeen

Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding bestemmingsplantoelichting met bijlagen.

5.2

en regels en

gaat vergezeld van onderhavige

Toelichting op de verbeelding

De verbeelding bestaat uit een planverbeelding, getekend op een bijgewerkte en digitale kadastrale ondergrond, schaal 1:1.000. De bestemmingen 'Gemengd' en 'Wonen' zijn aangegeven, evenals de plangrens en 'bouwvlakken'. Daarnaast zijn in het bestemmingsplan diverse maatvoeringen opgenomen. Ook de dubbelbestemming 'Waarde ­ Archeologie 3' is van toepassing.

5.3

Toelichting op de regels

De planregels zijn verdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk 1 geeft de inleidende regels met daarin de begrippen en de wijze van meten. In hoofdstuk 2 zijn de bestemmingsplanregels weergegeven. In dit hoofdstuk worden de op de verbeelding opgenomen bestemmingen geregeld. In hoofdstuk 3 zijn algemene regels opgenomen waaronder de antidubbeltelbepaling en algemene bouwregels. In hoofdstuk 4 zijn de overgangsregels en is de slotregel opgenomen. Hierna volgt een toelichting per hoofdstuk. Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen In dit artikel zijn de bepalingen (begrippen) opgenomen welke in het algemene spraakgebruik onvoldoende vast gedefinieerd zijn en waarbij derhalve verschillen in interpretatie bij toepassing van de planregels voor kan komen. Artikel 2 Wijze van meten In dit artikel wordt aangegeven op welke manier hoogte, lengte, inhoud en oppervlakte van bouwwerken en percelen gemeten moet worden. Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels De regels in een bestemming zijn conform de SVBP2012 (indien van toepassing) als volgt opgebouwd en benoemd: 1. Bestemmingsomschrijving; 2. Bouwregels; 3. Nadere eisen; 4. Afwijken van de bouwregels; 5. Specifieke gebruiksregels; 6. Afwijken van de gebruiksregels; 7. Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; 8. Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk; 9.

Wijzigingsbevoegdheid.

63/114

Een bestemmingsregel hoeft niet alle elementen te bevatten. Dit verschilt per bestemming. In de bestemmingsomschrijving wordt een omschrijving gegeven van de aan de gronden toegekende functies. Als eerste wordt de hoofdfunctie aangegeven. Indien er sprake is van andere aan de grond toegekende functies, worden deze daarna omschreven. In de bouwregels wordt bepaald aan welke voorwaarden de bebouwing moet voldoen. Voor zover nodig wordt een onderscheid gemaakt in woningen (hoofdgebouwen), bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waardoor een toetsing van de aanvraag om omgevingsvergunning overzichtelijk is. In de planregels betreft hoofdstuk 2 de regels inzake de bestemming 'Gemengd' (artikel 3), ‘Wonen’ (artikel 4) en de dubbelbestemming 'Waarde ­ Archeologie 3' (artikel 5). Artikel 3 Gemengd De gronden waarop het gezondheidscentrum is gelegen krijgt de bestemming 'Gemengd'. Binnen deze bestemming blijft het gebruik als kantoor mogelijk. Daarnaast wordt binnen deze bestemming een gezondheidscentrum toegestaan, ten behoeve van onder ander behandelkamers en een apotheek. De huidige contouren van het bouwvlak en de opgenomen maatvoeringen zijn conform het vigerende bestemmingsplan overgenomen. Hiermee is verzekerd dat het hoofdgebouw niet kan worden uitgebreid. Artikel 4 Wonen De als wonen te ontwikkeling gronden zijn bestemd als 'Wonen'.

Het hoofdgebouw is uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak, de opgenomen (hoogte)maatvoering en het type gestapeld. Daarnaast is het aantal woningen gemaximeerd op 12. Bijgebouwen, carport, erkers en overkappingen Bij het hoofdgebouw mogen bijgebouwen worden gebouwd. De bouwhoogte van bijgebouwen bedraagt niet meer dan 5,5 m. De goothoogte voor bijgebouwen bedraagt ten hoogste 3,25 m. Deze bijgebouwen kunnen overal binnen het bestemmingsvlak worden gerealiseerd. Verder zijn balkons toegestaan die de bouwgrenzen overschrijden, mits aan een aantal voorwaarden wordt voldaan. Daarnaast is een specifieke aanduiding opgenomen voor de realisatie van onder andere een trappenhuis en lift. Aan­huis­gebonden beroep/bedrijfsmatige activiteit Het is toegestaan om in de woning een beroep uit te oefenen, zolang aan de uitstraling van de woning geen afbreuk wordt gedaan. Om die reden is deze functie beperkt tot een oppervlak van ten hoogste 40 m². Artikel 5 Waarde – Archeologie 3 De voor ‘Waarde – Archeologie 3’ aangewezen gronden zijn mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van gronden van archeologische waarde en gronden met een hoge archeologische verwachtingswaarde.

Voor het bouwen van bouwwerken met een oppervlakte groter dan 2.500 m² en dieper dan 40 centimeter beneden maaiveld, dient de aanvrager een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van de vergunningverlener in voldoende mate zijn vastgesteld, waarbij advies wordt ingewonnen van een senior­archeoloog over de aard van het uit te voeren onderzoek. Indien uit het rapport blijkt dat ter plaatse archeologische waarden zullen of kunnen worden verstoord, kunnen door de vergunningverlener voorwaarden worden verbonden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen.

64/114

Hoofdstuk 3 Algemene regels Artikel 6 Antidubbeltelbepaling In dit artikel zijn regels opgenomen om te voorkomen dat bij het beoordelen van het ene plan gronden worden meegeteld die al bij een vorig plan waren meegeteld. Gronden kunnen maar één keer worden meegeteld bij het beoordelen van een bouwplan. Gronden kunnen maar één keer worden meegeteld bij het beoordelen van een bouwplan. Artikel 7 Algemene bouwregels In dit artikel is opgenomen voor welke onderwerpen de aanvullende werking van de bouwverordening uitgesloten is. Artikel 8 Algemene gebruiksregels In dit artikel is een verbod voor het gebruik van de gronden in strijd met de bestemming opgenomen. Artikel 9 Algemene afwijkingsregels In artikel 8 zijn regels gegeven voor het toepassen van algemene afwijkingsregels voor geringe afwijkingen zoals beschreven in de regels. Artikel 10 Algemene wijzigingsregels In artikel 10 zijn regels gegeven omtrent wijziging van het bestemmingsplan. Artikel 11 Overige regels De wettelijke regelingen waarnaar in de regels van dit plan worden verwezen, gelden zoals deze luiden op het moment van inwerkingtreding van dit plan. Hoofdstuk 4 Overgangs­ en slotregels Artikel 12 Overgangsrecht In artikel 12 wordt omschreven hoe wordt omgegaan met het bestaand gebruik en met de bestaande bebouwing ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan.

Artikel 13 Slotregel In dit artikel wordt de naam van de regels vastgesteld.

65/114

66/114

Hoofdstuk 6

6.1

Uitvoerbaarheid

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.1.1 Omgevingsdialoog Initiatiefnemer voert de omgevingsdialoog met de direct omwonenden. Deze omgevingsdialoog heeft inmiddels (april 2023) plaatsgevonden in de vorm van keukentafelgesprekken met de bewoner(s) van het naastgelegen perceel Broekhoek 50 en de Bossche Baan 21 en 50 en telefonisch contact met de bewoner van Broekhoek 2. Tijdens de gesprekken zijn de plannen voor de realisatie van woningen door de initiatiefnemer toegelicht. Het plan is aan de hand van tekeningen uitgelegd. Verder is de ruimtelijke impact (bouwhoogtes, vormgeving, ontsluiting, parkeren en groen) toegelicht. De ontwikkeling wordt positief ontvangen. Omwonenden zien e.e.a. met vertrouwen tegemoet. 1. Aan de bewoners van Broekhoek 50 zijn de beelden getoond en toegelicht en zij zien e.e.a. met vertrouwen tegemoet. Aan hen zal door initiatiefnemer, zodra de beelden beschikbaar zijn, deze ook weer worden getoond. De bewoners hebben het formulier getekend. 2. Aan de bewoners van Bossche Baan 50 zijn de beelden getoond en toegelicht en zij zien e.e.a. met vertrouwen tegemoet. Zij verzoeken om aan de oostzijde rekening te houden met mogelijke inkijk in hun achtertuin. Aangezien het een plan van slechts drie bouwlagen betreft op een behoorlijke afstand en met bomen ertussen ziet initiatiefnemer hier geen noodzaak om deze gevel te blinderen. Dat zou het plan in kwaliteit sterk afbreuk doen.

Aan hen zal door initiatiefnemer, zodra de beelden beschikbaar zijn, deze ook weer worden getoond. De bewoners hebben het formulier getekend. 3. Aan de bewoner van Bossche Baan 21 (een van de twee) zijn de beelden getoond en toegelicht en deze ziet e.e.a. met vertrouwen tegemoet. Bewoners hebben het formulier niet meer retour gestuurd. 4. De bewoner van Broekhoek 2 had geen behoefte aan een persoonlijk gesprek. Initiatiefnemer heeft de bewoner kort telefonisch gesproken en vervolgens een mail met de inhoud van het plan in april 2023 verzonden. Hierop is geen reactie meer ontvangen. 6.1.2 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro In het kader van het wettelijk vooroverleg ex artikel 3.1.1 wordt het concept­ontwerpbestemmingsplan toegezonden aan de overlegpartners van de gemeente Bernheze. De resultaten van het vooroverleg worden verwerkt in het bestemmingsplan. 6.1.3 Zienswijzen Overeenkomstig de wettelijke vereisten wordt het ontwerpbestemmingsplan met de daarbij behorende stukken 6 weken ter inzage gelegd. Gedurende deze termijn wordt eenieder de mogelijkheid geboden zienswijzen over dit ontwerpbestemmingsplan in te dienen bij de gemeenteraad. Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 20 april 2023 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Er zijn geen zienswijzen ingediend.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Bernheze&id=d751548d-f6a4-479c-896e-92d03c721e94