bestemmingsplan 'Achterstraat-Delst' - Bijlage T6 Archeologisch onderzoek
Tekst van het document
Het hoogteverschil van de dekzandopduiking is met circa 15-25 cm echter beperkt. Archeologische indicatoren In geen van de boringen zijn archeologische indicatoren waargenomen. Het gaat hier echter om een verkennend bodemonderzoek, dat zich richt op de bodemopbouw en mogelijke bodemverstoringen die de archeologische trefkans kunnen beïnvloeden en niet zo zeer op het onderzoeken op de aanwezigheid van archeologische vondsten en/of sporen.
36
Bosch, 2005.
Rapport 10798.002 versie 1.2
Pagina 15 van 18
3.4
Conclusie veldonderzoek
Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied en wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. Uit het verkennend booronderzoek komt naar voren dat het plangebied in een van nature vrij nat gebied ligt. Mogelijk is dit ontstaan door de ligging in een wijstgebied. De aanwezigheid van gleyverschijnselen in het eerddek en het hoge gehalte van humus in de onderste helft wijst er op dat het grondwaterpeil regelmatig tot in het eerddek staat. Uit de hoogteverdeling van de top van het dekzand en het AHN3 blijkt dat er in het plangebied een kleine dekzandopduiking (en dus geen ven of beek) aanwezig is geweest. Deze dekzandopduiking was echter qua gradiënt te klein om voor jagers-verzamelaars uit het Laat-Paleolithicum en Mesolithicum interessant te zijn geweest.
4
CONCLUSIE EN ADVIES
Het bureauonderzoek toonde aan dat er zich mogelijk archeologische waarden in het plangebied zouden kunnen bevinden. Daarom is aansluitend een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uitgevoerd. Op basis van de van nature natte omstandigheden die in het plangebied hebben geheerst, zelfs na het opwerpen van het eerddek, en het ontbreken van een voormalig ven of beekdal in het plangebied kan worden geconcludeerd dat behoudenswaardige archeologische waarden in het plangebied niet worden verwacht. Uit de Middeleeuwen en Nieuwe tijd kunnen sporen van agrarisch gebruik mogelijk zijn, maar dit betreffen geen behoudenswaardige resten. De gespecificeerde archeologische verwachting, zoals die is weergegeven tijdens het bureauonderzoek, is door het booronderzoek bijgesteld naar laag voor alle perioden. Op grond van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek adviseert Econsultancy om het plangebied vrij te geven. Bovenstaand advies is van Econsultancy. De resultaten van onderhavig onderzoek dienen te worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Bernheze). De bevoegde overheid neemt vervolgens een besluit. Mochten tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016.
Melding van archeologische waarden kan plaatsvinden bij de gemeente Bernheze, de Provincie 37 Noord-Brabant of bij het Ministerie van OCW (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed) .
37
Infodesk email: info@cultureelerfgoed.nl of tel: 033-4217456
Rapport 10798.002 versie 1.2
Pagina 16 van 18
LITERATUUR Amersfoort, H. & P.H. Kamphuis, 1990: Mei 1940. De strijd op Nederlands grondgebied. ‘s- Gravenhage. Berendsen, H.J.A., 2008: Fysische Geografie van Nederland, deel 1: De vorming van het land. Inleiding in de geologie en de geomorfologie. Van Gorcum, Assen. Bosch, J.H.A., 2005: Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode, Versie 5.2. Utrecht (TNOrapport, NITG 05-043-A). Doesburg, J. van (red.), et al., 2007: Essen in zicht. Essen en plaggendekken in Nederland: onderzoek en beleid. Amersfoort 2007. Hensen, G. & M.P.J. Janssen, 2016. Dolen door de Zwarte Molen: onbegrensde nederzettingen uit de IJzertijd tot en met de Volle Middeleeuwen Gemeente Bernheze Archeologisch onderzoek: een opgraving. RAAP-RAPPORT 2794. Weesp Janssens, M., 2012: Plangebied Zwarte Molen fase 2b te Nistelrode Gemeente Bernheze Archeologisch vooronderzoek: een waarderend proefsleuvenonderzoek. RAAP-RAPPORT 2515. Weesp. Jong, L. de, 1969-1994: Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. ‘s- Gravenhage. Klep C. & B. Schoenmaker, 1995: De Bevrijding Van Nederland 1944-1945 - Oorlog op de flank. Den Haag. Kortlang, F.P., 2010: Nota archeologiebeleid gemeente Bernheze. ArchAeO-rapport 10. Locher, W.P. & H. de Bakker, 1990: Bodemkunde van Nederland. Deel 1: Algemene bodemkunde. Malmberg, Den Bosch. Louwe Kooijmans,. L.P., P.W. van den Broeke, H. Fokkens, A.
van Gijn (red.), 2005: Nederland in de prehistorie. Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam. Mulder, E.F.J. de, M.C. Geluk, I.L. Ritsema, W.E. Westerhoff, T.E. Wong, 2003: De ondergrond van Nederland. Wolters-Noordhoff, Groningen. Renes, J., 1999: Landschappen van Maas en Peel. Een toegepast historisch-geografisch onderzoek in het streekplangebied Noord- en Midden-Limburg. Eisma, Leeuwarden. Stichting voor Bodemkartering, 1976: Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000, blad 45 Oost/Vierlingsbeek. Wageningen Environmental Research, 2017: Geomorfologische Kaart van Nederland (2017), schaal 1:50.000. Zwanenburg G.J., 1990: En nooit was het stil - Kroniek van een luchtoorlog. Emmen.
Rapport 10798.002 versie 1.2
Pagina 17 van 18
BRONNEN AHN; internetsite, oktober 2019. http://www.ahn.nl Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort, oktober 2019. https://archis.cultureelerfgoed.nl
Atlas Brabant, internetsite, oktober 2019. https://atlas.brabant.nl/documenten/milieu/bodem/bodemwijzer/kaartinformatie/Wijstgronden.htm Bodemloket, internetsite, oktober 2019. http://www.bodemloket.nl Beeldbank Cultureelerfgoed; internetsite, oktober 2019 http://www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl Brabants Historisch Informatiecentrum; internetsite, oktober 2019. https://www.bhic.nl/ontdekken/verhalen/nistelrode-in-vogelvlucht
De Maashorst; internetsite, oktober 2019. https://www.allemaalmaashorst.nl/in-uitvoering/wijstgronden/ Dinoloket; internetsite, oktober 2019. http://www.dinoloket.nl/
Kadaster Topotijdreis; internetsite, oktober 2019. http://www.topotijdreis.nl/ Noord-Brabant Omgevingsrapportage, internetsite, oktober 2019. https://noord-brabant.omgevingsrapportage.nl. Portaal voor ruimtelijke plannen; internetsite, oktober 2019. http://www.ruimtelijkeplannen.nl/web-roo/roo/ Ruimingskaart; internetsite, oktober 2019. http://www.beobom.nl/ruimingskaart/ SIKB; internetsite, oktober 2019. https://www.sikb.nl VEO Bommenkaart; internetsite, oktober 2019. http://www.explosievenopsporing.nl/veo-bommenkaart/
Rapport 10798.002 versie 1.2
Pagina 18 van 18
Figuur 1. Situering van het plangebied binnen Nederland
Achterstraat te Nistelrode. Situering van het plangebied binnen Nederland Legenda Plangebied
Rapport 10798.002 versie 1.2
Figuur 2. Detailkaart van het plangebied
Achterstraat te Nistelrode. Detailkaart van het plangebied Legenda Plangebied
Rapport 10798.002 versie 1.2
Figuur 3. Luchtfoto van het plangebied
Achterstraat te Nistelrode. Luchtfoto van het plangebied Legenda Plangebied
Rapport 10798.002 versie 1.2
Figuur 4. Situering van het plangebied binnen de archeologische beleidskaart
Achterstraat te Nistelrode. Situering van het plangebied binnen de archeologische beleidskaart gemeente Bernheze Legenda Plangebied
38
Kortlang, F.P., 2010.
Rapport 10798.002 versie 1.2
38
Figuur 5. Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart
39
Achterstraat te Nistelrode. Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart
Plangebied
39
Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort
Rapport 10798.002 versie 1.2
Figuur 6. Situering van het plangebied binnen het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN)
Achterstraat te Nistelrode. Situering van het plangebied binnen Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Legenda Plangebied
40
AHN
Rapport 10798.002 versie 1.2
40
Figuur 7. Situering van het plangebied binnen de Bodemkaart
41
Achterstraat te Nistelrode. Situering van het plangebied binnen de bodemkaart Legenda Plangebied
41
Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort
Rapport 10798.002 versie 1.2
Figuur 8. Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied
42
Achterstraat te Nistelrode. Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied (bron: Archeologisch informatiesysteem Archis3, AHN) Plangebied
42
Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort
Rapport 10798.002 versie 1.2
Figuur 9. Situering van het plangebied binnen de historische kaarten
Situatie 1811-1832 (bron: Beeldbank Cultureelerfgoed)
Situatie 1899 (bron: Kadaster Topotijdreis)
Situatie 1956 (bron: Kadaster Topotijdreis)
Situatie 1967 (bron: Kadaster Topotijdreis)
Situatie 1978 (bron: Kadaster Topotijdreis )
Situatie 1988 (bron: Kadaster Topotijdreis)
Achterstraat te Nistelrode. Situering van het plangebied binnen de historische kaarten Legenda Plangebied
Rapport 10798.002 versie 1.2
Figuur 10. Boorpuntenkaart
Achterstraat te Nistelrode. Boorpuntenkaart Legenda Plangebied Boorpunt met nummer
Rapport 10798.002 versie 1.2
Bijlage 1
Overzicht geologische en archeologische tijdvakken
Ouderdom in jaren
Chronostratigrafie
MIS
Holoceen 11.755 12.745 13.675 14.025
LaatWeichselien (LaatGlaciaal)
15.700
1 Late Dryas (koud) Allerød (warm) Vroege Dryas (koud) Bølling (warm)
Lithostratigrafie Formaties: Naaldwijk (marien), Nieuwkoop (veen), Echteld (fluviatiel)
2
LaatPleniglaciaal 29.000
50.000
MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)
MiddenPleniglaciaal VroegPleniglaciaal
3
Formatie van Kreftenheye
Formatie van Boxtel
4
75.000
VroegW eichselien (VroegGlaciaal) 115.000 130.000
370.000 410.000
5a 5c 5d
Eemien (warme periode)
5e
Saalien (ijstijd)
6
Holsteinien (warme periode)
Formatie van Beegden
5b
Eem Formatie Formatie van Drente
Formatie van Urk
Elsterien (ijstijd) 475.000
Cromerien (warme periode) 850.000
Pre-Cromerien 2.600.000
Rapport 10798.002 versie 1.2
Formatie van Sterksel
Formatie van Peelo
Cal. jaren v/n Chr.
14
C jaren
Chronostratigrafie
Pollen zones
0
1950
Vb2
1500
Subatlanticum koeler vochtiger
450 0 12
Vb1 Va
Vegetatie Loofbos eik en hazelaar overheersen haagbeuk veel cultuurplanten rogge, boekweit, korenbloem
Archeologische perioden Nieuwe tijd Middeleeuwen Romeinse tijd IJzertijd
800 815
2650
IVb Subboreaal koeler droger
2000
3755
IVa
5000
4900
5300
7020
8240
Atlanticum warm vochtig
III
Boreaal warmer
II
Preboreaal warmer
I
8000
9000
8800 11.755
10.150
12.745
10.800
13.675
11.800
14.025
12.000
15.700
13.000
LaatWeichselien (LaatGlaciaal)
Late Dryas
LW III
Allerød
LW II
Vroege Dryas LW I Bølling
35.000
Loofbos eik en hazelaar overheersen beuk>1% invloed landbouw (granen)
Bronstijd
Neolithicum
Loofbos eik, els en hazelaar overheersen in zuiden speelt linde een grote rol den overheerst hazelaar, eik, iep, linde, es eerst berk en later den overheersend
Mesolithicum
parklandschap dennen- en berkenbossen open parklandschap open vegetatie met kruiden en berkenbomen
MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)
perioden met een poolwoestijn en perioden met een toendra
VroegWeichselien (VroegGlaciaal)
perioden met bos en perioden met een subarctisch open landschap
Laat-Paleolithicum
75.000
115.000 130.000
Eemien (warme periode)
Midden-Paleolithicum loofbos
Saalien (ijstijd) 300.000
Vroeg-Paleolithicum Chronostratigrafie voor Noordwest-Europa volgens Zagwijn (1974), Vandenberghe (1985) en De Mulder et al. (2003). Lithostratigrafie volgens De Mulder et al. (2003). Mariene isotoop stadium (MIS) volgens Bassinot et al. (1994). Atmosferische data volgens Stuiver et al. (1998). Zuurstofisotoop calibratie (OxCal) versie 3.9 Bronk Ramsey (2003), toegepast op het Laat-Weichselien en het Holoceen. Archeologische periode-indeling en ouderdom volgens de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB). Vegetatie bewerkt volgens Berendsen (2000). Pollenzones volgens P. Vos & P. Kiden (2005).
Rapport 10798.002 versie 1.2
Bijlage 2
AMK nr. 16855
AMK-terreinen
Situering t.o.v. plangebied 90 meter ten noordwesten
Rapport 10798.002 versie 1.2
Datering
Waarde en omschrijving
Middeleeuwen laat A - Nieuwe tijd
Toponiem: Nistelrode Complex: Nederzetting Waarde: Terrein van hoge archeologische waarde Terrein met de oude dorpskern van Nistelrode. Middeleeuwse bewoning voor 1250. Op de AMK-Noord Brabant zijn historische stads- en dorpskernen en clusters oude bebouwing als gebieden van hoge archeologische waarde aangegeven. Dit is op grond van het belang van deze locaties, waar de wortels van de huidige dorpen of steden kunnen liggen. De selectie en begrenzing van deze kernen is gebaseerd op 16e-eeuwse (Van Deventer) en vroeg 20e-eeuwse kaarten (Bonnebladen). Binnen deze contouren kunnen in de bodem resten van vroegmoderne en waarschijnlijk ook van laatmiddeleeuwse (vanaf circa 1300 AD) bewoning aangetroffen worden. Ook sporen van oudere bewoning kunnen aanwezig zijn. Bedacht dient echter te worden dat de bewoning in de Vroege-en Volle-Middeleeuwen (tot circa 1300 AD) een meer dynamisch karakter gehad kan hebben en dat de plaats en grens ervan niet per se hoeft samen te vallen met die van de latere bewoning.
Bijlage 3
Onderzoeksmeldingen
Zaaknummer (OMnummer) 2103678100 (15122)
Situering t.o.v. plangebied 130 meter ten noordwesten
2352997100 (49905)
130 meter ten oosten
2048128100 (6487)
130 meter ten noordoosten
2352429100 (49828)
130 meter ten oosten
4549944100
175 meter ten oosten
2116038100 (16856)
185 meter ten noordwesten
4570282100
230 meter ten noordwesten
4570290100
230 meter ten noordwesten
Rapport 10798.002 versie 1.2
Aard, uitvoerder en resultaten van het onderzoek Type onderzoek: booronderzoek Toponiem: Laar-Achterstraat Nistelrode Uitvoerder: RAAP Archeologisch Adviesbureau Datum: 15-12-2005 Resultaat: Op grond van het ontbreken van aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische resten wordt ten aanzien van het plangebied geen vervolgonderzoek aanbevolen. Type onderzoek: proefsleuvenonderzoek Toponiem: Zwarte Molen Fase 2 Nistelrode Uitvoerder: RAAP Archeologisch Adviesbureau Datum: 16-1-2012 Resultaat: Behoudenswaardige archeologische vindplaatsen in deelgebieden A, B, een deel van C en D2. Behoud in situ zal in de praktijk moeilijk worden, dus indien dit niet mogelijk is: behoud ex situ middels een opgraving. Type onderzoek: opgraving Toponiem: Zwarte Molen Nistelrode Uitvoerder: Archeologisch Onderzoek Leiden BV Datum: 11-5-2004 Resultaat: Niet vermeld in Archis. Type onderzoek: opgraving Toponiem: Zwarte Molen Fase 2 Nistelrode Uitvoerder: RAAP Archeologisch Adviesbureau Datum: 17-3-2012 Resultaat: Niet vermeld in Archis. Type onderzoek: opgraving Toponiem: Nistelrode Uitvoerder: VUhbs archeologie Datum: 26-6-2017 Resultaat: Niet vermeld in Archis. Type onderzoek: booronderzoek Toponiem: Laar Nistelrode Uitvoerder: RAAP Archeologisch Adviesbureau Datum: 21-4-2006 Resultaat: Geen vervolgonderzoek.
Aan het plangebied is een middelhoge archeologische verwachting voor vindplaatsen van jagersverzamelaars en een middelhoge tot hoge voor vindplaatsen van landbouwers toegekend. Tijdens het veldonderzoek zijn onder een bouwvoor/esdek grove rivierafzettingen aangetroffen. Afgezien van recent puin in de bouwvoor is slechts één onduidelijke archeologische indicator (niet nader dateerbaar fragment aardewerk) aangetroffen. Hieraan kunnen geen conclusies verbonden worden. Op grond van het ontbreken van (duidelijke) aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische resten wordt ten aanzien van het plangebied geen vervolgonderzoek aanbevolen. Aangezien de aanwezigheid van een archeologische vindplaats niet is uit te sluiten, is het echter raadzaam de geplande werkzaamheden door een lid van de lokale heemkundevereniging archeologisch te laten begeleiden. Type onderzoek: bureauonderzoek Toponiem: Nistelrode Uitvoerder: Econsultancy BV Datum: 17-10-2017 Resultaat: Het plangebied ligt op de hoger gelegen Peelhorst. Deze hoge ligging maakt het een met name voor landbouwers interessante vestigingslocatie. De gespecificeerde archeologische verwachting van het plangebied is laag voor resten uit het Paleolithicum en Mesolithicum, middelhoog voor resten uit het Neolithicum tot en met Bronstijd en hoog voor resten uit de IJzertijd tot en met de Nieuwe tijd.
Type onderzoek: booronderzoek Toponiem: Nistelrode Uitvoerder: Econsultancy BV Datum: 19-10-2017 Resultaat: Uit de resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) blijkt dat het bodemprofiel bij alle boringen in het plangebied verstoord is tot in de Peelhorstafzettingen. De bodemverstoringen zijn, op basis van de waargenomen baksteenresten en de grote diepte van de verstoringen,
4591464100
260 meter ten noordwesten
2095457100 (13925)
265 meter ten oosten
2047318100 (6310)
290 meter ten noordoosten
4601961100
295 meter ten zuiden
4645742100
340 meter ten zuiden
2214761100 (30978)
380 meter ten zuidoosten
Rapport 10798.002 versie 1.2
vermoedelijk ontstaan bij de bouw van de huidige bebouwing en het zwembad in het plangebied. In het westelijke deel van het plangebied kan de bodemverstoring echter ook samenhangen met de historische bebouwing langs de Tramstraat. Op basis van de aangetroffen bodemprofielen kan de gespecificeerde verwachtingswaarde voor de perioden Paleolithicum tot en met Romeinse tijd worden bijgesteld naar laag voor het gehele plangebied. Voor de Middeleeuwen en Nieuwe tijd kan de verwachting ook naar laag worden bijgesteld voor de oostelijke helft van het plangebied. Omdat de in het westelijke deel van het plangebied aangetroffen bodemverstoringen mogelijk samenhangen met de historische bebouwing langs de Tramstraat, blijft de hoge verwachtingswaarde hier gehandhaafd voor archeologische resten uit de Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Type onderzoek: proefsleuvenonderzoek Toponiem: Nistelrode Uitvoerder: Econsultancy BV Datum: 14-3-2018 Resultaat: Tijdens het proefsleuvenonderzoek zijn geen behoudenswaardige archeologische sporen of vondsten aangetroffen. De bodem bestaat uit een laag opgebracht bouwzand met hieronder een dikke donker grijsbruine, gevlekte, zandige ophogingslaag. In deze laag zijn puinbrokjes, metaal en ander recent puin aangetroffen. Op een diepte van ongeveer 100 tot 120 cm beneden het maaiveld zijn de natuurlijke, pleistocene rivierafzettingen aangetroffen.
Deze afzettingen bestond uit lichtbruin grof zand met grind en behoren tot de Formatie van Beegden Type onderzoek: proefsleuvenonderzoek Toponiem: Zwarte Molen Nistelrode Uitvoerder: Archeologisch Onderzoek Leiden BV Datum: 5-11-2005 Resultaat: De gehele vindplaats behoudenswaardig. Indien behoud niet mogelijk is, dient een vervolgonderzoek (opgraving) plaats te vinden, waarbij de prioriteit ligt bij het vlakdekkend in kaart brengen van de sporen en structuren .Tijdens het sleuvenonderzoek van het onderhavige Fase 2a-terrein was de oostkant van perceel 472 niet beschikbaar voor onderzoek. Uit het verspreidingsbeeld van de vindplaats Zwarte Molen, zowel in het onderzochte deel van Fase 2a als in het aangrenzende terrein van Fase 1, kunnen we concluderen dat de sporen en vondsten zich ook tot in deze zone zal uitstrekken. Het verdient dan ook aanbeveling om deze zones direct bij een eventuele opgraving te betrekken en de gebruikelijke tussenstap van een waarderend sleuvenonderzoek hier over te slaan. Type onderzoek: archeologische begeleiding Toponiem: Zwarte Molen Nistelrode Uitvoerder: Archeologisch Onderzoek Leiden BV Datum: 16-4-2004 Resultaat: Niet vermeld in Archis. Type onderzoek: booronderzoek Toponiem: Nistelrode Uitvoerder: Archeopro Datum: 19-3-2018 Resultaat: Niet vermeld in Archis.
Type onderzoek: booronderzoek Toponiem: Nistelrode Uitvoerder: Antea Group Archeologie Datum: 29-10-2018 Resultaat: Niet vermeld in Archis. Type onderzoek: bureauonderzoek Toponiem: Delst 40 Nistelrode Uitvoerder: Econsultancy BV Datum: 11-9-2008 Resultaat: Uit de landschappelijke ligging, op de rand van de Peelhorst, blijkt dat het plangebied vanaf het Paleolithicum een geschikte locatie is geweest voor jagers-verzamelaars en vanaf het Neolithicum voor landbouwers. In het hele plangebied kunnen archeologische resten voorkomen uit alle archeologische perioden. De kans op het voorkomen van de resten is middelhoog. Als er in het verleden echter sterke kwel heeft plaatsgevonden in het plangebied is de archeologische verwachting laag. De archeologische resten kunnen voorkomen onder de eerdlaag en in de top van de oorspronkelijke C-horizont. De vondstenlaag is opgenomen onderin de eerdlaag; hier wordt ook wel van ‘cultuurlaag’ gesproken: een doorwerkte oude bodem tussen de eerdlaag en de ongeroerde ondergrond met kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, vuursteen en houtskool. Archeologische sporen kunnen zich bevinden tot ongeveer 25 cm in de top van de C-horizont. Organische resten en bot zullen mogelijk door de natte (en relatief base) omstandigheden goed zijn geconserveerd. Andere typen indicatoren (aardwerk) zijn waarschijnlijk matig goed geconserveerd.
Het complextype en de omvang van eventuele archeologische resten kunnen niet nader worden gespecificeerd door de beperkte gegevens. Econsultancy bv adviseert om een inventariserend veldonderzoek uit te voeren door middel van een verkennend booronderzoek, teneinde de op basis van het bureauonderzoek opgestelde gespecificeer-
2364360100 (51364)
385 meter ten noordwesten
2032802100 (11346)
375 meter ten oosten
2094477100 (13755)
400 meter ten noordwesten
2213610100 (30822)
460 meter ten zuidoosten
2297471100 (42451)
465 meter ten noordwesten
2137682100 (19955)
490 meter ten noordwesten
Rapport 10798.002 versie 1.2
de verwachting aan te vullen en te toetsen. Type onderzoek: booronderzoek Toponiem: Nistelrode Uitvoerder: BAAC BV Datum: 11-4-2012 Resultaat: Vervolgonderzoek Type onderzoek: booronderzoek Toponiem: Nistelrode Uitvoerder: Vestigia BV Datum: 1-1-2001 Resultaat: Geen vervolgonderzoek nodig Type onderzoek: booronderzoek Toponiem: Stekkerhoek Nistelrode Uitvoerder: Synthegra BV Datum: 22-3-2005 Resultaat: Niet vermeld in Archis. Type onderzoek: booronderzoek Toponiem: Delst 40 Nistelrode Uitvoerder: ADC ArcheoProjecten Datum: 20-10-2008 Resultaat: ADC ArcheoProjecten adviseert om in het plangebied geen aanvullend archeologisch onderzoek uit te voeren. Het is echter niet volledig uit te sluiten dat binnen het onderzochte gebied toch nog archeologische resten voorkomen. Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht archeologische vondsten te melden bij het bevoegde overheid, zoals aangegeven in de Monumentenwet. Type onderzoek: booronderzoek Toponiem: Parkstraat Nistelrode Uitvoerder: BAAC BV Datum: 11-8-2010 Resultaat: Vanwege het ontbreken van archeologische indicatoren in de boringen, de aangetroffen verstoring in een groot deel plangebied en de zeer vochtige bodemcondities (ongunstige vestigingsomstandigheden in het verleden) adviseert BAAC bv dat vervolgonderzoek niet noodzakelijk is.
Type onderzoek: booronderzoek Toponiem: Parkstraat Nistelrode Uitvoerder: BAAC BV Datum: 21-11-2006 Resultaat: Er wordt geen vervolgonderzoek aanbevolen
Bijlage 4
Vondstmeldingen
Zaaknummer (Waarnemingsnr.) 2116038100 (404915)
Locatie t.o.v. plangebied
Omschrijving
180 meter ten noordwesten
2048128100 (416022)
300 meter ten noordoosten
Neolithicum – Late-Middeleeuwen : - fragment van een keramisch object, Neolithicum : - fragment van een keramische klokbeker Neolithicum - IJzertijd : - 22 fragmenten van vuursteen werktuigen Neolithicum - Late-Middeleeuwen : - handgevormd aardewerk - breuksteen Bronstijd : - fragment van Hilversum-aardewerk IJzertijd : - crematieresten IJzertijd - Middeleeuwen : - fragmenten van organisch plantaardig zaden/vruchten - fragmenten van organisch plantaardig pollen/stuifmeel Romeinse tijd - Nieuwe tijd : - fragmenten van gekleurd glas Vroege-Middeleeuwen : - fragmenten van gedraaid aardewerk - handgevormd aardewerk - fragment van een oven - greppels/sloten - fragment van een palenrij - 5 fragmenten van plattegronden - 3 spiekers/graanschuren - 4 waterputten
2352429100
350 meter ten oosten
Late-Middeleeuwen : - greppels/sloten - fragment van een palenrij - 13 fragmenten van plattegronden - 20 spiekers/graanschuren - 8 waterputten Mesolithicum : - fragment van een vuursteen kling IJzertijd : - 2 huisplattegronden - 10 spiekers/graanschuren - 1007 fragmenten van aardewerk vaatwerk - 4 waterputten IJzertijd - Late-Middeleeuwen : - botmateriaal Romeinse tijd : - 5 huisplattegronden - 2 metalen munten, - 100 fragmenten van keramische bouwmateriaal - 17 fragmenten van metalen gebruiksvoorwerp, - 7 spiekers/graanschuren - 550 fragmenten van aardewerk vaatwerk - 8 waterputten Romeinse tijd - Vroege-Middeleeuwen : - 2 fragmenten van glazen vaatwerk Romeinse tijd - Middeleeuwen : - 337 fragmenten van STX bouwmateriaal Romeinse tijd - Late-Middeleeuwen : - 973 fragmenten van metalen slakken Vroege-Middeleeuwen : - metalen munt, - 2 huisplattegronden:3-schepig - metalen onderdeel van kleding - 6 spiekers/graanschuren - waterput
Rapport 10798.002 versie 1.2
Vroege-Middeleeuwen - Late-Middeleeuwen : - 3 huisplattegronden - 3 metalen munten, - metalen onderdeel van kleding - 899 fragmenten van aardewerk vaatwerk - waterput
2352997100 (418973)
350 meter ten oosten
Late-Middeleeuwen - Nieuwe tijd : - 35 fragmenten van keramische bouwmateriaal IJzertijd - Late-Middeleeuwen : - 526 paalgaten Romeinse tijd : - 5 fragmenten van terra sigillata - 14 fragmenten van dikwandig gedraaid aardewerk - 2 fragmenten van gladwandig aardewerk - 12 fragmenten van ruwwandig gedraaid aardewerk - fragment van belgisch grijs/terra nigra-achtig aw. - 12 fragmenten van keramische bouwmateriaal - fragment van geverfd aardewerk - 5 fragmenten van maalstenen - fragment van een bronzen paardentuig Romeinse tijd - Late-Middeleeuwen : - 29 grondsporen, Vroege-Middeleeuwen - Late-Middeleeuwen : - 24 fragmenten van keramische kogelpotten - fragment van Andenne aardewerk
2095457100 (405401)
400 meter ten oosten
Late-Middeleeuwen : - 2 fragmenten van gedraaid aardewerk - fragment van een ijzeren mes - 4 fragmenten van bot, dierlijk tanden/kiezen - fragment van Brunssum-Schinveld geelwit aardewerk - 75 greppels/sloten - 2 fragmenten van Paffrath aardewerk - 2 fragmenten van geelwitbakkend Pingsdorf aardewerk - 2 waterputten Neolithicum - IJzertijd : - vuursteen brok IJzertijd : - handgevormd aardewerk IJzertijd - Romeinse tijd : - 384 paalgaten IJzertijd - Middeleeuwen : - 38 kuilen, - fragment van een bronzen fibula - 11 greppels/sloten IJzertijd - Late-Middeleeuwen : - handgevormd aardewerk - 3 fragmenten van stenen objecten, - 2 tefriet brokken - fragment van een bronzen fibula - fragmenten van huttenleem/verbrande leem Romeinse tijd : - 103 fragmenten van gedraaid aardewerk - handgevormd aardewerk - 58 fragmenten van dakpannen - 4 greppels/sloten - 3 waterputten Romeinse tijd - Nieuwe tijd : - 2 fragmenten van ijzeren messen - 2 fragmenten van koperen ringen - 9 fragmenten van ijzeren slakken Vroege-Middeleeuwen - Late-Middeleeuwen : - 14 fragmenten van gedraaid aardewerk Middeleeuwen - Nieuwe tijd : - wegen, karrespoor Late-Middeleeuwen - Nieuwe tijd : - fragment van een bronzen object, Nieuwe tijd :
Rapport 10798.002 versie 1.2
2964806100 (45684)
500 meter ten oosten
3045408100 (52857)
500 meter ten noordoosten
- fragment van een koperen object, - koperen munt, duit/oord/cent/stuiver Late-Middeleeuwen : - fragment van een keramische kogelpot IJzertijd - Vroege-Middeleeuwen : - fragment van een ijzeren kram/niet Romeinse tijd : - fragment van een bronzen fibula - fragment van een bronzen haarspeld Vroege-Middeleeuwen : - fragment van een bronzen schijffibula Late-Middeleeuwen - Nieuwe tijd : - koperen onderdeel van een zwaard Nieuwe tijd : - fragment van een koperen object, - fragment van een bronzen kelk - fragment van een bronzen hanger - fragment van een koperen kaarsenluchter
Rapport 10798.002 versie 1.2
Bijlage 5
Bewoningsgeschiedenis van Nederland
Als aanvullende informatie wordt hieronder een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland weergegeven. Paleolithicum (tot circa 8800 voor Chr.) De vroegste bewoningssporen in Nederland uit deze periode dateren uit de voorlaatste ijstijd, circa 300.000-130.000 jaar geleden. Waarschijnlijk hebben in de koudste fasen van de ijstijden in Nederland geen mensen geleefd. Daarentegen was bewoning in de warmere perioden wel mogelijk. De mensen die hier toen leefden trokken als jagers/vissers/verzamelaars rond in kleine groepen en maakten gebruik van tijdelijke kampementen. Veranderingen in het klimaat zorgden voor een veranderende flora en fauna. Tijdens de koude perioden bestond het groot wild onder meer uit rendieren, mammoeten, paarden en steppewisenten. Vooral op paarden en rendieren werd in het LaatPaleolithicum intensief jacht gemaakt. Tijdens de warmere perioden werd er onder andere op herten, wilde zwijnen en oerossen gejaagd. Mesolithicum (circa 8800-4900 voor Chr.) Rond de overgang van het Pleistoceen naar het Holoceen (circa 9000 voor Chr.) verbeterde het klimaat voor een langdurige periode. De gemiddelde temperatuur steeg, waardoor de variatie in flora en fauna (o.a. bosontwikkeling) toenam. De mens kreeg nu de mogelijkheid om meer gevarieerd te eten: vruchten en andere eetbare gewassen stonden nu vaker op het menu.
Doordat de temperatuur steeg, trok het groot wild (met name rendieren) naar het noorden, en maakte plaats voor meer territoriumgebonden klein wild, vogels en vissen. Door deze veranderende leefomstandigheden werd de jachttechniek aangepast. De vuursteen bewerkingstechniek hield met deze ontwikkeling gelijke tred. Er werden kleine vuursteenspitsen vervaardigd die als pijl- en harpoenpunt werden gebruikt. Met de stijging van de temperatuur begon het landijs te smelten en de zeespiegel te stijgen. Het tot dan toe droge Noordzee-Bekken kwam onder water te staan. De groepen jagers/vissers/verzamelaars wisselden nog wel van locatie maar exploiteerden kleinere gebieden. In het voorjaar viste men in de rivieren, tijdens de zomer leefde men voornamelijk langs de kust, waar naast vis en schaaldieren ook zeehonden als voedselbron dienden. In de herfst verzamelde men noten en vruchten, terwijl in de winter op onder meer pelsdieren werd gejaagd. Neolithicum (circa 5300-2000 voor Chr.) Aan het begin van deze periode gingen het jagen, vissen en verzamelen een steeds minder belangrijke rol spelen. Men ging nu zelf cultuurgewassen telen en dieren houden bij het kamp.
Uit vondsten valt af te leiden dat het om twee groepen mensen gaat, enerzijds kolonisten met een vrijwel agrarische levenswijze, anderzijds om de autochtone mesolitische bevolking die een halfagrarische levensstijl erop na gaat houden. Deze verandering ging gepaard met enkele technologische en sociale vernieuwingen zoals: het wonen op een vaste plek in een huis, het gebruik van vaatwerk van (gebakken) klei en de introductie van geslepen stenen dissels en bijlen. De bevolking groeide nu gestaag, mede door de productie van overschotten. Uit het Neolithicum zijn verschillende nu nog zichtbare grafmonumenten bekend, te weten grafkelders, hunebedden en grafheuvels. Bronstijd (circa 2000-800 voor Chr.) Het begin van dit tijdvak valt samen met het eerste gebruik van bronzen voorwerpen zoals bijlen. Vuurstenen werktuigen bleven, zij het minder, in gebruik. Het aardewerk uit deze periode is over het algemeen tamelijk zeldzaam. Vuursteenmateriaal uit de Bronstijd is meestal niet goed te onderscheiden van dat uit andere perioden. Lange tijd bleven bronzen voorwerpen zeer schaars binnen Nederlands grondgebied. Door het van nature ontbreken van de benodigde grondstoffen moest het brons worden geïmporteerd en ontstonden er handelscontacten over langere afstanden. Eén en ander had
Rapport 10798.002 versie 1.2
wel tot gevolg dat er binnen de bevolking grotere verschillen ontstonden door verschillen op basis van bezit. De grafheuveltraditie, die tijdens het Neolithicum haar intrede deed, werd in eerste instantie voortgezet, maar rond 1200 voor Chr. vervangen door begravingen in urnenvelden. Het gaat hier om ingegraven urnen met crematieresten waar overheen kleine heuveltjes werden opgeworpen, omgeven door een greppel. Een Kopertijd voorafgaand aan de Bronstijd wordt in Noordwest-Europa niet onderscheiden, in tegenstelling tot bijvoorbeeld het Middellandse Zeegebied. Wel zijn uit het LaatNeolithicum koperen voorwerpen bekend. IJzertijd (circa 800-12 voor Chr.) In deze periode werden voor het eerst ijzeren voorwerpen vervaardigd. Voor de productie van werktuigen en wapens werd brons vervangen door ijzer. Er ontstond een inheemse ijzerproductie. Het gebruik van vuursteen voor het vervaardigen van werktuigen duurde nog in beperkte mate voort. Ten opzichte van de Bronstijd traden er in de aardewerktraditie geen radicale veranderingen op. Evenals in het Neolithicum en de Bronstijd woonden de mensen in verspreid liggende hoeven ('Einzelhöfe') of in nederzettingen bestaande uit maar enkele huizen; deze werden in een beperkt gebied nogal eens verplaatst. Op de hogere zandgronden ontstonden uitgebreide omwalde akkercomplexen ('Celtic fields').
Opvallend zijn de verschillen in materiële welstand (bezit van metalen voorwerpen), die mogelijk op sociale ongelijkheid duiden. In de zogenaamde vorstengraven uit Zuid Nederland, met daarin luxe, geïmporteerde bijgaven, zijn vermoedelijk lokale of regionale autoriteiten begraven. De meeste begravingen vonden nog immer plaats in urnenvelden. Tijdens de IJzertijd werd het Friese kustgebied gekoloniseerd en ontstonden de eerste terpen. Romeinse tijd (circa 12 voor Chr. - 450 na Chr.) Met de komst van de Romeinen eindigt de prehistorie en begint de geschreven geschiedenis. Aangezien de schriftelijke bronnen slechts een zeer fragmentarisch beeld schetsen, is men toch nog in belangrijke mate aangewezen op de archeologie als informatiebron. Een tijd lang diende het Nederlandse rivierengebied als uitvalsbasis voor veldtochten in het noorden van Germanië. In 47 na Chr. werd de Rijn definitief als Romeinse rijksgrens ingesteld. Ter controle en verdediging van deze zogenaamde 'limes' werden langs de Rijn, tot diep in Duitsland, 'castella' (militaire forten) gebouwd. De inheemse manier van leven handhaafde zich nog lange tijd. Wel werd, vooral na de opstand van de Bataven tegen de Romeinse overheersers in 69-70 na Chr., de Romeinse invloed steeds duidelijker.
In veel inheems-Romeinse nederzettingen was bijvoorbeeld, naast het eigen handgevormde aardewerk, Romeins importaardewerk in gebruik, dat op de draaischijf was vervaardigd. Er werden, vooral in Limburg, grootse villa's (Romeinse herenboerderijen) gebouwd, hetzij nieuw gesticht, hetzij ontwikkeld vanuit een bestaande inheemse nederzetting. De Romeinen legden een voor die tijd al uitgebreide infrastructuur aan, waardoor het gebied steeds beter werd ontsloten. Op verschillende plaatsen ontstonden aanzienlijke nederzettingen, waarvan er enkele met een stedelijk karakter (zoals Nijmegen). De inheemse bevolking, ten noorden van de Limes, werd niet zo sterk beïnvloed door de Romeinse aanwezigheid. Er was wel sprake van handelscontacten en het uitwisselen van geschenken. In de tweede helft van de derde eeuw ontstond, onder meer door invallen van Germaanse stammen, een instabiele situatie die met korte onderbrekingen voortduurde tot in de vijfde eeuw. Uiteindelijk leidde dit in het jaar 406 tot de definitieve ineenstorting van de grensverdediging langs de Rijn. Middeleeuwen (circa 450-1500 na Chr.) Over de Vroege-Middeleeuwen, vooral over het tijdvak 450-600 na Chr., is relatief weinig bekend. Zowel historische bronnen als archeologische overblijfselen zijn schaars. De bevolkingsomvang was ten opzichte van de voorafgaande periode sterk afgenomen.
De marktgerichte economie verdween en de mensen vielen terug op zelfvoorziening. De politieke macht was na het wegvallen van de Ro-
Rapport 10798.002 versie 1.2
meinse staatsorganisatie in handen gekomen van regionale en lokale hoofdlieden. Een gezaghebbende status was nu vooral gebaseerd op militair succes en materiële welstand. Deze instabiele periode wordt ook wel aangeduid als de 'tijd van de volksverhuizingen'. e e Vanaf de 10 – 11 eeuw wordt een overheersende positie van de al dan niet adellijke grootgrondbezitters waargenomen. Dit vertaalt zich in nieuwe nederzettingsvormen als mottes, kastelen en versterkte hoeven. In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei, en mede dankzij gunstige klimatologische omstandigheden, werd een begin gemaakt met het ontginnen van woeste gronden als bos, heide en veen. Veel van de huidige dorpen en steden dateren uit deze periode. Door de aanleg van dijken en kaden werden laaggelegen gebieden beschermd tegen wateroverlast. De heersende rivaliteit tussen de vorsten leidde, in combinatie met een zwak centraal gezag, veelvuldig tot lokaal geweld, waarvan de bevolking vaak het slachtoffer werd. Door het aanleggen van burgen, schansen, landweren en wallen trachtte men zich te beveiligen. Nieuwe tijd (1500-heden) De Nieuwe tijd kenmerkt zich door een groot aantal veranderingen vooral op het gebied van mens- en wereldbeeld. Er is sprake van een Europese overzeese expansie wat leidt tot handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie.
Er ontstaat een nieuwe wetenschappelijke belangstelling die resulteert in vele uitvindingen. Deze uitvindingen vormen de motor van de industriele revolutie. Er ontstaat een nationale staat die centraal bestuurd wordt. Als gevolg van deze ontwikkelingen neemt het belang en de omvang van steden toe en neemt de macht van adel af. Het grootste deel van de bevolking is niet meer werkzaam en woonachtig op het platteland maar in de steden. e In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei worden aan het eind van de 19 tot het begin van de e 20 eeuw op grote schaal woeste gronden gecultiveerd. Door de industriële revolutie komen steeds meer producten beschikbaar voor steeds meer mensen waardoor de welvaart stijgt. In de Nieuwe tijd vindt er eveneens een hernieuwde oriëntatie op het erfgoed van de klassieke Oudheid plaats, wat e zich tot in het begin van de 20 eeuw uit in de kunsten.
Rapport 10798.002 versie 1.2
Bijlage 6
AMZ-cyclus
Het AMZ-proces Archeologisch onderzoek in Nederland wordt in het algemeen uitgevoerd binnen het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ). Het gehele traject van de AMZ omvat een aantal stappen die elkaar kunnen opvolgen, afhankelijk van het resultaat van de voorgaande stappen. Om inhoudelijke, prijs- en planningstechnische redenen kan er soms voor gekozen worden om bepaalde stappen gelijktijdig uit te voeren. Bovendien kan, indien reeds voldoende gegevens bekend zijn, een stap worden overgeslagen. Elke stap eindigt met een rapport met daarin een advies voor de vervolgstappen. Na elke stap wordt er een besluit genomen door de bevoegde overheid, gemeente, provincie of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, op basis van de resultaten van het archeologisch onderzoek. Indien na een bepaalde stap blijkt dat geen nader vervolgonderzoek nodig is, wordt het archeologisch onderzoek afgesloten. Ook kan de bevoegde overheid besluiten dat een vindplaats van zo groot belang is, dat deze in situ behouden moet worden. Dan dienen de archeologische resten in de grond beschermd te worden door planaanpassing of planinpassing. Het begint met het bepalen van de onderzoeksplicht. Gemeentelijke, provinciale en landelijke archeologische waardenkaarten geven aan of het plangebied in een gebied ligt met een archeologische verwachting.
Indien dit het geval is, dan zal er in het kader van de planprocedure onderzoek verricht moeten worden om te bepalen of er archeologische waarden binnen het plangebied aanwezig zijn. Hiermee start de zogenaamde AMZ-cyclus (zie schema). De eerste fase: Bureauonderzoek Elk archeologisch onderzoek begint met een bureauonderzoek. Dit heeft tot doel het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende of verwachte archeologische waarden, binnen het plangebied om tot een gespecificeerd verwachtingsmodel te komen, op basis waarvan een beslissing genomen kan worden ten aanzien van een eventuele vervolgstap. De tweede fase: Inventariserend VeldOnderzoek (IVO) Het doel van een IVO is het aanvullen en toetsen van het gespecificeerde verwachtingsmodel. Het IVO moet informatie geven over de aan- of afwezigheid, de aard, het karakter, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Inventariserend Veldonderzoek; Booronderzoek en Veldkartering Door een booronderzoek kan er een goede inschatting gemaakt worden van de kans op archeologische waarden (grondsporen en daarmee samenhangende voorwerpen). Bij het booronderzoek is een onderscheid aangebracht in een verkennende, karterende en waarderende fase.
De verkennende fase heeft tot doel inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap, voor zover deze van invloed zijn op de locatiekeuze. Op deze manier worden kansarme zones uitgesloten en kansrijke zones geselecteerd voor de volgende fasen. Tijdens de karterende fase wordt het onderzoeksgebied systematisch onderzocht op de aanwezigheid van archeologische vondsten of sporen. De waarderende fase sluit aan op de karterende fase. Het waarnemingsnet kan verdicht worden om de horizontale begrenzing, ligging en omvang van archeologische vindplaatsen vast te stellen. Een veldkartering wordt uitgevoerd wanneer vondsten of sporen aan de oppervlakte worden verwacht en zichtbaar zijn op het moment dat het onderzoek uitgevoerd wordt. Dit type onderzoek bestaat uit het systematisch belopen van het maaiveld van het plangebied.
Rapport 10798.002 versie 1.2
Inventariserend Veldonderzoek; Proefsleuven Als uit vooronderzoek blijkt dat binnen het plangebied archeologische resten aangetroffen kunnen worden kan de bevoegde overheid beslissen tot een proefsleuvenonderzoek. Proefsleuven zijn lange sleuven van minimaal twee tot vijf meter breed die worden aangelegd in de zones waar in de voorgaande onderzoeksfase aanwijzingen voor vindplaatsen zijn aangetroffen. De KNA schrijft voor dat bij een dergelijk onderzoek minimaal 5% van het te verstoren gebied onderzocht dient te worden. Variant archeologische begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepalen en indien proefsleuvenonderzoek door praktische redenen niet uitvoerbaar is, kan besloten worden tot proefsleuven variant archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren. Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen, die aanleiding geven tot nader onderzoek, kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan.
De derde fase: Opgraven Indien de archeologische resten niet in situ bewaard kunnen blijven, maar wel van belang zijn voor de wetenschap, kan de bevoegde overheid besluiten over te gaan tot een opgraving. Het doel hiervan is volgens de KNA het documenteren van gegevens en het veiligstellen van materiaal van vindplaatsen om daarmee informatie te behouden, die van belang is voor kennisvorming over het verleden. Variant archeologische begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepalen, kan besloten worden tot een opgraving variant archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren. Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen, die aanleiding geven tot nader onderzoek, kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan.
Rapport 10798.002 versie 1.2
Schema van de Archeologische Monumenten Zorg Vergunningaanvraag/ruimtelijke ontwikkeling ▼ Toetsing aan archeologisch beleid (Gemeente, Provincie, Rijk) ▼ Bureauonderzoek* (verzamelen gegevens en opstellen verwachtingsmodel) ▼ Besluit (door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ▼ Inventariserend veldonderzoek* ▼ ▼ Verkennend veldonderzoek ►**** Karterend veldonderzoek Door middel van: Door middel van: - terreininspectie - oppervlaktekartering booronderzoek** - booronderzoek** - proefsleuven*** ▼ ▼***** Besluit (door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ▼ Bewezen of hoge kans op de aanwezigheid van archeologie ▼****** Waarderend veldonderzoek door middel van proefsleuven*** (variant begeleiding) ▼ Besluit (door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ▼ ▼ Opgraven*** Beschermen Verwijderen van de Bescherming van de archeologische archeologie door resten door archeoplanaanpassing logen (variant begeleiding)
► Vergunningverlening indien geen onderzoek noodzakelijk wordt geacht.
► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden). Ook kan besloten worden over te gaan op het begeleiden van de graafwerkzaamheden door archeologen.***
► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden). Ook kan besloten worden over te gaan op het begeleiden van de graafwerkzaamheden door archeologen.*** ► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie, wel archeologische waarden aanwezig maar geen vervolgonderzoek noodzakelijk op grond van waardering. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden).
* Combinatie bureauonderzoek en IVO verkennende of karterende fase mogelijk, indien een PvA aanwezig is. ** Voorafgaand aan het booronderzoek dient een PvA worden opgesteld, toetsing door de bevoegde overheid. *** Voorafgaand aan het onderzoek dient een PvE en PvA te worden opgesteld, toetsing door de bevoegde overheid. **** Na een verkennend booronderzoek kan de bevoegde overheid besluiten dat een aanvullend karterend bureauonderzoek moet worden uitgevoerd. ***** Een combinatie van bureauonderzoek en IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven is mogelijk, indien een PvA en een goedgekeurd PvE aanwezig is en met instemming van de bevoegde overheid. ****** Een combinatie van bureauonderzoek en IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven of een IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven is mogelijk, indien een PvA en een goedgekeurd PvE aanwezig is en met instemming van de bevoegde overheid.
Rapport 10798.002 versie 1.2
Bijlage 7
Boorprofielen
Rapport 10798.002 versie 1.2
Legenda (conform NEN 5104) grind
klei
geur
Grind, siltig
Klei, zwak siltig
Grind, zwak zandig
Klei, matig siltig
geen geur zwakke geur matige geur sterke geur
Grind, matig zandig
Klei, sterk siltig
Grind, sterk zandig
Klei, uiterst siltig
Grind, uiterst zandig
Klei, zwak zandig
uiterste geur
olie geen olie-water reactie zwakke olie-water reactie matige olie-water reactie sterke olie-water reactie Klei, matig zandig
Klei, sterk zandig
zand
uiterste olie-water reactie
p.i.d.-waarde >0
Zand, kleiïg
>1 >10 Zand, zwak siltig
>100
leem
>1000
Zand, matig siltig
Leem, zwak zandig
>10000
Zand, sterk siltig
Leem, sterk zandig
monsters geroerd monster
Zand, uiterst siltig
overige toevoegingen zwak humeus
veen Veen, mineraalarm
matig humeus
Veen, zwak kleiïg
sterk humeus
ongeroerd monster volumering
overig bijzonder bestanddeel Gemiddeld hoogste grondwaterstand grondwaterstand
Veen, sterk kleiïg
zwak grindig
Veen, zwak zandig
matig grindig
Veen, sterk zandig
sterk grindig
Gemiddeld laagste grondwaterstand slib
water
Rapport 10798.002 versie 1.2