CConstaterende datBernheze
Koppel je AI →
Document · PDF

bestemmingsplan 'Achterstraat-Delst' - Bijlage T6 Archeologisch onderzoek

Commissie Ruimtelijke Zaken 8 mei 2024, gemeente BernhezeBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan ‘Achterstraat-Delst, Nistelrode’15.235 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

ARCHEOLOGISCH BUREAUONDERZOEK EN VERKENNEND BOORONDERZOEK ACHTERSTRAAT TE NISTELRODE GEMEENTE BERNHEZE

Archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek Achterstraat te Nistelrode Opdrachtgever

Jansen Bouwontwikkeling Bijsterhuizen 3161 6604 LV Wijchen

Rapportnummer 1

Versienummer

Datum

10798.002 1.2 21 november 2019

Vestiging

Limburg Rijksweg Noord 39 6071 KS Swalmen 0475 - 504961 swalmen@econsultancy.nl

Opstellers

drs. A.H. Schutte, drs. M. Stiekema

Paraaf

Kwaliteitscontrole

E.M. de Boo van Uijen, MSc

Paraaf

© Econsultancy bv, Swalmen Foto’s en tekeningen: Econsultancy bv, tenzij anders vermeld. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Econsultancy aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. ISSN: 2210-8777 (Analoog rapport) ISSN: 2210-8785 (Digitaal rapport E-depot) 1

Versie 1 betreft een rapport waarvan geen beoordeling van de bevoegde overheid is ontvangen, bij versie 2 is het rapport wel beoordeeld door de bevoegde overheid.

Econsultancy Archeologisch Rapport

Administratieve gegevens plangebied Projectcode

10798.002

Toponiem

Achterstraat

Opdrachtgever

Jansen Bouwontwikkeling

Gemeente

Bernheze

Plaats

Nistelrode

Provincie

Noord-Brabant

Kadastrale gegevens

Gemeente Nistelrode, sectie B, nummers 2232 (ged.), 2364 (ged.) en 2347 en sectie K, nummers 614 en 615 (ged.).

Omvang plangebied

circa 6.000 m2

Kaartblad

45G (1:25.000)

Coördinaten centrum plangebied

X: 167.437/Y: 412.222

Bevoegde overheid

Gemeente Bernheze Postbus 19 5384 ZG Heesch

Mevr. M. de Ruiter T: 0412 - 45 88 88 E: gemeente@bernheze.org

Deskundige namens de bevoegde overheid

Monumentenhuis Brabant Markt 9 4931 BR Geertruidenberg

mevr. drs. A. Visser T: 0162 - 511 833 E: am.visser@monumentenhuisbrabant.nl

ARCHIS3

Bureauonderzoek 4741402100

Booronderzoek 4741410100

Onderzoeksmeldingsnummer (OM-nr.) Archeoregio NOaA

Brabants zandgebied

Beheer en plaats documentatie

Econsultancy, Swalmen/ Provinciaal Archeologisch Depot Noord-Brabant

Uitvoerders

Econsultancy, drs. A.H. Schutte en drs. M. Stiekema

Kwaliteitszorg Econsultancy is onder meer gecertificeerd voor protocollen 4001, 4002, 4003 en 4004 van de BRL SIKB 4000. Verder is Econsultancy lid van de Nederlandse Vereniging van Archeologische Opgravingsbedrijven (NVAO). De leden van de NVAO bieden kwalitatief hoogstaand archeologisch onderzoek. Het lidmaatschap is een waarborg voor kwaliteit en betrouwbaarheid. Tevens is Econsultancy aangesloten bij de Vereniging van Ondernemers in Archeologie (VOiA). De VOiA behartigt de belangen van meer dan 100 bedrijven in alle takken van de archeologie. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving. Een booronderzoek wordt in het algemeen uitgevoerd door het steekproefsgewijs onderzoeken van de bodem, waardoor het, op basis van de resultaten van een booronderzoek, onmogelijk is garanties af te geven ten aanzien van de aan- of afwezigheid van archeologische waarden. In dit kader dient ook opgemerkt te worden dat geraadpleegde bronnen niet altijd zonder fouten en volledig zijn. Daar Econsultancy voor het verkrijgen van historische informatie afhankelijk is van deze bronnen, kan Econsultancy niet instaan voor de juistheid en volledigheid van deze informatie.

Econsultancy Archeologisch Rapport

SAMENVATTING Econsultancy heeft in opdracht van Jansen Bouwontwikkeling in oktober 2019 een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) door middel van boringen uitgevoerd. Het plangebied is gelegen aan de Achterstraat te Nistelrode in de gemeente Bernheze. In het plangebied zal woningbouw worden gerealiseerd. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst een wijziging van het bestemmingsplan worden doorgevoerd. Hierbij moet ook inzichtelijk te worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht. De noodzaak tot archeologisch onderzoek vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2006). Het archeologisch onderzoek is noodzakelijk om te bepalen of er archeologische waarden aanwezig zijn binnen het plangebied en of deze door de voorgenomen bodemingrepen kunnen worden aangetast. Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Dit wordt uitgevoerd door middel van het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende en verwachte archeologische waarden.

Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied en wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. Gespecificeerde archeologische verwachting bureauonderzoek Gezien de ligging op wijstgronden is de conclusie dat het plangebied vanaf het Paleolithicum gunstig is geweest voor jagers-verzamelaars door de aanwezigheid van een mogelijk ven maar vanaf het Neolithicum tot en met Vroege-Middeleeuwen ongeschikt voor landbouwers. Pas na het opwerpen van de enkeerdgrond in waarschijnlijk de Late-Middeleeuwen-Nieuwe tijd zal het gebied geschikt zijn geweest voor menselijke activiteiten anders dan het gebruiken van de natuurlijke bronnen (gras, riet en ijzeroer) zoals agrarisch gebruik, de kans op bewoning wordt laag geacht. Daarom hebben de periodes Late-Middeleeuwen-Nieuwe tijd een middelhoge verwachting. Resultaten inventariserend veldonderzoek Uit het verkennend booronderzoek komt naar voren dat het plangebied in een van nature vrij nat gebied ligt. Mogelijk is dit ontstaan door de ligging in een wijstgebied.

De aanwezigheid van gleyverschijnselen in het eerddek en het hoge gehalte van humus in de onderste helft wijst er op dat het grondwaterpeil regelmatig tot in het eerddek staat. Uit de hoogteverdeling van de top van het dekzand en het AHN3 blijkt dat er in het plangebied een kleine dekzandopduiking (en dus geen ven of beek) aanwezig is geweest. Deze dekzandopduiking was echter qua gradiënt te klein om voor jagersverzamelaars uit het Laat-Paleolithicum en Mesolithicum interessant te zijn geweest. Conclusie Het bureauonderzoek toonde aan dat er zich mogelijk archeologische waarden in het plangebied zouden kunnen bevinden. Daarom is aansluitend een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uitgevoerd.

Rapport 10798.002 versie 1.2

Op basis van de van nature natte omstandigheden die in het plangebied hebben geheerst voor het opwerpen van het eerddek en het ontbreken van een voormalige ven of beekdal in het plangebied kan worden geconcludeerd dat archeologische waarden niet meer in situ worden verwacht. De gespecificeerde archeologische verwachting, zoals die is weergegeven tijdens het bureauonderzoek, is door het booronderzoek bijgesteld naar laag voor alle perioden. Advies Op grond van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek adviseert Econsultancy om het plangebied vrij te geven. Bovenstaand advies is van Econsultancy. De resultaten van onderhavig onderzoek dienen te worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Bernheze). De bevoegde overheid neemt vervolgens een besluit. Mochten tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016. Melding van archeologische waarden kan plaatsvinden bij de gemeente Bernheze, de Provincie 2 Noord-Brabant of bij het Ministerie van OCW (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed) .

2

Infodesk email: info@cultureelerfgoed.nl of tel: 033-4217456

Rapport 10798.002 versie 1.2

INHOUDSOPGAVE

1

INLEIDING .................................................................................................................................. 1

2

BUREAUONDERZOEK .............................................................................................................. 1 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8 2.9

3

INVENTARISEREND VELDONDERZOEK .............................................................................. 14 3.1 3.2 3.3 3.4

4

Doelstelling en onderzoeksvragen ................................................................................... 1 Methoden .......................................................................................................................... 1 Afbakening en huidige situatie van het plangebied .......................................................... 2 Toekomstige situatie ......................................................................................................... 3 Aardwetenschappelijke gegevens .................................................................................... 3 Archeologische waarden .................................................................................................. 7 Beschrijving van het historische gebruik .......................................................................... 9 Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel ........................................................ 12 Conclusie bureauonderzoek ........................................................................................... 14

Doelstelling en onderzoeksvragen ................................................................................. 14 Methoden ........................................................................................................................ 15 Resultaten ....................................................................................................................... 15 Conclusie veldonderzoek ............................................................................................... 16

CONCLUSIE EN ADVIES ......................................................................................................... 16

LITERATUUR ...................................................................................................................................... 17 BRONNEN .......................................................................................................................................... 18

Rapport 10798.002 versie 1.2

LIJST VAN TABELLEN Tabel I. Tabel II. Tabel III. Tabel IV.

Aardwetenschappelijke gegevens plangebied Grondwatertrappenindeling Geraadpleegd historisch kaartmateriaal Gespecificeerde archeologische verwachting

LIJST VAN AFBEELDINGEN Figuur 1. Figuur 2. Figuur 3. Figuur 4. Figuur 5. Figuur 6. Figuur 7. Figuur 8. Figuur 9. Figuur 10.

Situering van het plangebied binnen Nederland Detailkaart van het plangebied Luchtfoto van het plangebied Situering van het plangebied binnen de archeologische beleidskaart Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart Situering van het plangebied binnen het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Situering van het plangebied binnen de Bodemkaart Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied Situering van het plangebied binnen de historische kaarten Boorpuntenkaart

BIJLAGEN Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7

Overzicht geologische en archeologische tijdvakken AMK-terreinen Onderzoeksmeldingen Vondstmeldingen Bewoningsgeschiedenis van Nederland AMZ-cyclus Boorprofielen

Rapport 10798.002 versie 1.2

1

INLEIDING

Econsultancy heeft in opdracht van Jansen Bouwontwikkeling een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor een plangebied gelegen aan de Achterstraat te Nistelrode in de gemeente Bernheze (zie figuur 1). De initiatiefnemer is voornemens op de locatie woningbouw te realiseren. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst een wijziging van het bestemmingsplan worden doorgevoerd. Hierbij moet ook inzichtelijk te worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht. De noodzaak tot archeologisch onderzoek vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2006). Het archeologisch onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek (hoofdstuk 2) en een inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) door middel van boringen (hoofdstuk 0). Op basis van de resultaten van het onderzoek wordt een advies gegeven of vervolgstappen noodzakelijk zijn (hoofdstuk 4). Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd in oktober 2019 door drs. A.H. Schutte (senior KNA Archeoloog) en drs. M. Stiekema (Senior KNA Prospector). Het rapport is gecontroleerd door E.M. de Boo van Uijen, MSc (KNA Archeoloog).

2 2.1

BUREAUONDERZOEK Doelstelling en onderzoeksvragen

Het doel van het bureauonderzoek is om een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Om deze vraag te beantwoorden wordt een inventarisatie gemaakt van bekende aardwetenschappelijke, archeologische en (cultuur)historische gegevens. Aan de hand van deze inventarisatie wordt het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel opgesteld. 2.2

Methoden

Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (KNA, versie 4.1, 24 mei 2018) en conform de eisen en normen zoals aangegeven in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1, 24 mei 2018), die is vastgesteld door het Centraal College van Deskundigen (CCvD) Archeologie en is ondergebracht bij het SIKB te Gouda. Voor de uitvoering van het bureauonderzoek gelden de specificaties LS01, LS02, LS03, LS04 en 3 LS05. De resultaten van dit onderzoek worden in dit rapport weergegeven conform specificatie LS06. Binnen dit onderzoek zijn de volgende werkzaamheden verricht:  afbakening van het plangebied en vaststellen van de consequenties van het mogelijk toekomstige gebruik (LS01);  beschrijving van de huidige en toekomstige situatie (LS02);  beschrijving van de historische situatie en mogelijke verstoringen (LS03);  beschrijving van bekende archeologische en historische waarden en aardwetenschappelijke gegevens (LS04);  opstellen van een gespecificeerde verwachting (LS05). 3

Beschikbaar via www.sikb.nl.

Rapport 10798.002 versie 1.2

Pagina 1 van 18

Bij het uitvoeren van deze werkzaamheden zijn de volgende bronnen geraadpleegd:             2.3

het Archeologische Informatie Systeem (ARCHIS); de Archeologische Monumenten Kaart (AMK); geologische kaarten, geomorfologische kaarten en bodemkaarten; de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINOLoket); literatuur en historisch kaartmateriaal; bouwhistorische gegevens; de recente topografische kaart (schaal 1:25.000); recente luchtfoto’s; het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN); de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) van de provincie Noord-Brabant; de archeologische verwachtingskaarten van de gemeente Bernheze; plaatselijke (amateur-)archeoloog c.q. heemkundevereniging. Afbakening en huidige situatie van het plangebied

Afbakening Er dient een onderscheid gemaakt te worden tussen het onderzoeksgebied en het plangebied. Het plangebied is het gebied waarbinnen feitelijk de bodemverstorende ingreep gaat plaatsvinden. Het onderzoeksgebied is het gebied waarover informatie is verzameld om een goed beeld te krijgen van de archeologische waarden binnen het plangebied. Dit gebied is groter dan het plangebied. In het huidige onderzoek betreft het onderzoeksgebied het gebied binnen een straal van circa 500 meter 4 rondom het plangebied. 2

Het plangebied, circa 6.000 m , ligt aan de Achterstraat, net ten zuiden van de historische kern van Nistelrode in de gemeente Bernheze (zie figuur 1 en figuur 2). Volgens het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) bevindt het maaiveld zich op een hoogte van circa 11,8 m +NAP. Het gebied is kadastraal bekend als gemeente Nistelrode, sectie B, nummers 2232 (ged.), 2364 (ged.) en 2347 en sectie K, nummers 614 en 615 (ged.). Volgens de topografische kaart van Nederland, 45G (1:25.000), zijn de coördinaten van het midden van het plangebied X: 167.437/Y: . Huidige situatie Voor het bureauonderzoek is het van belang de huidige situatie te onderzoeken. Landgebruik en bebouwing kunnen van invloed zijn op de archeologische verwachting. Hiervoor is gebruik gemaakt van de meest recente gegevens. Het plangebied is momenteel in gebruik als grasland en akkerland en wordt doorsneden door een sloot met bomen erlangs (zie figuur 3). De eigenaar/gebruiker zijn onbekend. Vigerend beleid Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Het doel van deze wet is te voorkomen dat archeologische waarden uit het verleden verloren gaan. In deze wet zijn de gemeenten verantwoordelijk voor het beheer van het bodemarchief binnen hun grondgebied. Voor een goed beheer van dit bodemarchief gebruikt de gemeente een archeologische beleidskaart.

De archeologische beleidskaart geeft een gemeentebreed overzicht van bekende en te verwachten archeologische waarden. De kaart maakt inzichtelijk waar en bij welke ruimtelijke ingrepen een archeologisch onderzoek verplicht is en wordt als toetsingskader gebruikt voor ruimtelijke procedures. 4

Binnen deze straal wordt geacht dat er voldoende informatie beschikbaar is om een gefundeerde uitspraak te doen over de archeologische verwachting van het plangebied.

Rapport 10798.002 versie 1.2

Pagina 2 van 18

Het plangebied valt binnen het bestemmingsplan Buitengebied Bernheze. Volgens dit bestemmingsplan heeft het plangebied een dubbelbestemming waarde archeologie 2. Volgens de bijbehorende 2 planregels is archeologisch onderzoek noodzakelijk bij bodemingrepen groter dan 250 m en dieper 5 dan 40 cm –mv. De dubbelbestemming is afgeleid van de archeologische beleidskaart. Volgens de beleidskaart 6 (Figuur 4) ligt het plangebied in een zone met een hoge archeologische verwachting. Huidig milieuonderzoek Gelijktijdig met het archeologisch bureauonderzoek is er voor het plangebied een milieuhygiënisch bodemonderzoek uitgevoerd door Econsultancy (rapportnummer: 10798.002). De resultaten van het milieuhygiënisch bodemonderzoek waren ten tijde van het uitvoeren van dit archeologisch bureauonderzoek nog niet bekend. De aangetoonde lichte verontreinigingen vormen geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Bodemloket De overheid initieert middels het Bodemloket inzicht te geven in maatregelen die de afgelopen jaren getroffen zijn om de bodemkwaliteit in Nederland in kaart te brengen (bodemonderzoek) of te herstellen (bodemsanering). Ook laat het Bodemloket zien waar vroeger (bedrijfs-) activiteiten hebben plaatsgevonden die extra aandacht verdienen. Ook worden op het Bodemloket voormalige potentieel bodembedreigende bedrijfsactiviteiten weergegeven.

Gegevens van het Bodemloket dienen als indicatief te worden beschouwd. Het raadplegen van het Bodemloket heeft voor het plangebied een ver7 wijzing opgeleverd naar de website van de provincie Noord-Brabant Omgevingsrapportage. Binnen het plangebied zijn volgens de website van de provincie Noord-Brabant Omgevingsrapportage 8 geen milieuhygiënische onderzoeken uitgevoerd. 2.4

Toekomstige situatie

Het toekomstige gebruik/inrichting van het plangebied kan gevolgen hebben op het in-/ex-situ behoud van de archeologische waarde. In het plangebied is woningbouw gepland. Hierbij zal een gebied met een oppervlakte van circa 6.000 2 m worden heringericht. De diepte van verstoring ten behoeve van de nieuwbouw is onbekend evenals de toekomstige gebruikers. Door de geplande ingrepen kan het archeologisch bodemarchief, indien aanwezig, worden verstoord dan wel worden vernietigd. 2.5

Aardwetenschappelijke gegevens

Het landschap heeft altijd een belangrijke rol gespeeld in het nederzettingspatroon. Bij onderzoek naar archeologische sporen in een bepaald gebied is het van groot belang te weten hoe het landschap er in het verleden heeft uitgezien. Men kan meer te weten komen over dit landschap door de geologische opbouw, de bodem en de hydrologie van een gebied te bestuderen. De volgende aardwetenschappelijke gegevens zijn bekend van het plangebied:

5

Portaal voor Ruimtelijke Plannen. Kortlang, 2010. 7 Bodemloket 8 Noord-Brabant Omgevingsrapportage 6

Rapport 10798.002 versie 1.2

Pagina 3 van 18

Tabel I.

Aardwetenschappelijke gegevens plangebied

Type gegevens Geologie

9

Geomorfologie

Gegevensomschrijving Formatie van Beegden veelal met een dek van de Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden; rivierzand en –grind veelal met een zanddek (Be4)

10

Deels niet gekarteerd door ligging binnen de bebouwde kom van Nistelrode, deels Plateau-achtige horst (code 4F1).

Bodemkunde11

Lage enkeerdgronden leemarm en zwak lemig fijn zand (code EZg21)

Grondwatertrap

III

Landschappelijke ontwikkeling Het plangebied bevindt zich op de Peelhorst. De Peelhorst ligt als gevolg van tektonische bewegingen, die ook tegenwoordig nog doorgaan, hoger dan de westelijk hiervan gelegen Roerdalslenk. De Peelrandbreuk vormt de scheiding tussen de Peelhorst en de Roerdalslenk. De Peelrandbreuk be12 vindt zich pal ten westen van het plangebied. Volgens de geologische kaart bevindt het plangebied zich in een gebied waar de Formatie van Beegden, veelal met een dek van de Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden (rivierzand en –grind veelal met een zanddek) (Be4) aan het maaiveld wordt aangetroffen. De Formatie van Beegden bestaat uit sedimenten die door de Rijn en de Maas zijn afgezet gedurende het Vroeg- en MiddenPleistoceen. Gedurende de laatste ijstijd had de wind vrij spel in het verplaatsen van zand en silt. In deze periode werd over een groot deel van Nederland, waaronder ook op de Pleistocene rivierafzettingen in het plangebied, een (dun) pakket dekzand afgezet. Het dekzand behoort tot de Formatie van 13 Boxtel. 14

DINO Het Dinoloket is de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO). Het DINO-systeem is de centrale opslagplaats voor geowetenschappelijke gegevens over de diepe en ondiepe ondergrond van Nederland. Het archief omvat diepe en ondiepe boringen, grondwatergegevens, sonderingen, geo-elektrische metingen, resultaten van geologische, geochemische en geomechanische monsteranalyses, boorgatmetingen en seismische gegevens. De site wordt beheerd door TNO. 15

In het Dinoloket zijn enkele boringen bestudeerd. Hieruit blijkt dat de ondergrond ongeveer 180 meter ten oosten bestaat uit een halve meter fijn zand met daaronder overwegend zeer grof grindig zand. Circa 100 meter ten zuiden bestaat de ondergrond uit matig fijn zand met vanaf 140 centimeter onder maaiveld matig grof grindig zand. Ongeveer 60 meter ten westen bestaat de bodem uit een 60 centimeter dik pakket fijn zand op matig fijn tot zeer grof grindig zand met onderin op 3.20 onder maaiveld leem. Tenslotte bestaat de bodem ongeveer 150 meter ten noodwesten van het plangebied uit een 90 cm dik pakket fijn zand op matig fijn tot zeer grof zand met grind. Uit deze boringen blijkt dat in de omgeving dekzand (fijn zand) van de formatie van Boxtel voorkomt op rivierafzettingen (zand met grind en leem) van de formatie van Beegden 9

Mulder et al., 2003. Wageningen Environmental Research, 2017. 11 Stichting voor Bodemkartering, 1976. 12 Berendsen, 2008. 13 Berendsen, 2008. 14 Dinoloket. 15 DINO boornummers B45G0937, B45G0338, B45G0338 en B45G0938 10

Rapport 10798.002 versie 1.2

Pagina 4 van 18

Geomorfologie De geomorfologische kaart van Nederland (1:50.000) geeft de mate van reliëf en de vormen die in het landschap te onderscheiden zijn weer. Doordat het plangebied zich deels binnen de bebouwde kom van Nistelrode bevindt, is de geomorfologie niet geheel gekarteerd (zie figuur 5). Dat deel dat wel gekarteerd is, en geëxtrapoleerd kan worden naar het gehele plangebied, geeft aan dat het plangebied ligt op een Plateau-achtige horst. 16

Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Het Actueel Hoogtebestand Nederland vormt een belangrijke aanvullende informatiebron voor de landschapsanalyse. Dit met behulp van laseraltimetrie verkregen digitale bestand vormt een gedetailleerd beeld van het huidige reliëf in het plangebied. Uitgaande van het AHN ligt het plangebied inderdaad op een plateau (zie figuur 6). Ongeveer 150 meter ten westen ligt een breuklijn met daar ten westen van een lager gelegen dal, de Roerdalslenk, terwijl een kilometer ten oosten een tweede breuklijn met daar ten oosten van een hoger gelegen plateau. Bodemkunde Volgens de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) is het plangebied gekarteerd als lage enkeerdgronden leemarm en zwak lemig fijn zand (code EZg21) (zie figuur 7). Enkeerdgronden zijn oude bouwlanden, die vanaf de Late-Middeleeuwen op de Pleistocene zandgronden zijn ontstaan door het opbrengen van mest (uit potstallen) vermengd met plaggen, die gestoken werden op de woeste gronden (zoals heide, bossen en beekdalen). Dergelijke gronden zijn eerst ontstaan op de hogere delen van het landschap en hebben zich later uitgebreid tot de lagere delen. Ze bestaan uit dikke lagen leemarme en humusrijke gronden. Het belang van een enkeerdgrond ligt in de beschermende kwaliteiten van het dek.

Eventuele archeologische waarden worden in de regel door het dikke dek beschermd tegen verstoring door onder andere agrarische activiteiten. Sinds de e jaren ‘80 van de 20 eeuw is er een grotere en meer systematische aandacht voor plaggenbodems in Nederland. In veel gevallen bleken de betreffende terreinen een hoge dichtheid aan verhoudingsgewijs goed geconserveerde archeologische overblijfselen te bevatten, soms zelfs complete archeologische landschappen. De vaak opmerkelijke resultaten vormen de belangrijkste bron voor de beschrijving van de bewoning en het landgebruik in de zandlandschappen voor de periode vanaf de Midden-Bronstijd tot in de Nieuwe tijd. Veel hiervan representeert de vroegere geschiedenis van de e e dorpen die tussen de 9 en de 12 eeuw naast de essen kwamen te liggen. De rijkdom aan archeologische resten heeft er toe geleid dat de hoger en droger gelegen plaggendekken of enkeerdgronden 17 over het algemeen een hoge indicatieve archeologische waarde kregen. Boringen en/of sonderingen In het plangebied zijn in het kader van een milieu hygiënisch bodemonderzoeken boringen gezet. Uit deze boringen blijkt dat in het gehele plangebied een 70 tot 100 centimeter dikke humeuze laag voorkomt (enkeerdgrond) met daaronder zand. Grondwatertrap Grondwatertrappen zijn een indicatie voor de diepte van de grondwaterstand en de seizoensfluctuatie daarvan.

De grondwatertrappenindeling is gebaseerd op de gemiddeld hoogste (GHG) en de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG). Hiermee worden de winter- en zomergrondwaterstanden gekarakteriseerd in een jaar met een gemiddelde neerslag en verdamping. In stedelijk gebied zijn geen

16 17

AHN. Doesburg et al., 2007.

Rapport 10798.002 versie 1.2

Pagina 5 van 18

grondwatertrappen bepaald. Deze worden als ‘witte vlekken’ op de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) weergegeven. Tabel II geeft een overzicht van de klassengrenzen die worden aangehouden bij de indeling van de grondwatertrappen. De trappen worden vastgesteld op een schaal van I tot VII van respectievelijk extreem nat tot extreem droog. Bij sommige grondwatertrappen is een * weergegeven: het gaat hier om tussenliggende grondwatertrappen die een drogere variant vertegenwoordigen. 18

Tabel II.

Grondwatertrappenindeling

Grondwatertrap

I

II'

III'

IV

V'

VI

VII"

VIII

GHG (cm -mv)

-

<40

<40

>40

<40

40-80

>80

> 140

GLG (cm -mv)

<50

50-80

80-120

80-120

>120

>120

>120

-

') ")

Bij deze grondwatertrappen wordt een droger deel onderscheiden Een met een * achter de code als onderverdeling aangegeven "zeer droog deel" heeft een GHG dieper dan 140 cm beneden maaiveld

Gebiedsdelen met een goede ontwatering (Grondwatertrap VI, VII en VIII) zijn zeer geschikt voor landbouw en vormden mede daarom, vooral in het verleden, een aantrekkelijk vestigingsgebied. Ook is het grondwaterpeil een indicatie voor de conservering van metalen en organische resten, hoe beter de ontwatering hoe slechter de conservering. Het plangebied bevindt zich in een gebied dat wordt gekenmerkt met een grondwatertrap III. De hoge grondwatertrap maakt het plangebied een ongunstige vestigingslocatie voor landbouwsamenlevingen. De hoge grondwatertrap wordt veroorzaakt door de ligging van het plangebied op de Peelhorst aan de rand van de Peelrandbreuk. Door deze Peelrandbreuk vindt de ontwikkeling van Wijst plaats. Het verschil in ondergrond aan weerszijden van een breuk veroorzaakt een bijzonder aardkundig verschijnsel: de hogere gronden aan de oostkant van de breuk zijn nat en moerassig, terwijl de lage gronden, aan de westkant van de breuk relatief droog zijn. Dit ogenschijnlijk onnatuurlijke verschijnsel wordt 'wijst' genoemd. De natte gronden aan de bovenkant van de breuk staan bekend als 'wijstgronden'. Wijstgronden ontstaan door de reactie van het grondwater op de verschillen in doorlatendheid aan weerzijden van een breuk, bijvoorbeeld de Peelrandbreuk. Op de Peelhorst zakt het regenwater gemakkelijk weg in het vrij dunne pakket van goed doorlatend rivierzand.

In dit grove zand, dat aan de onderzijde wordt begrensd door slecht doorlatende kleiige zee-afzettingen, is de stroomsnelheid van het grondwater vrij hoog. Bij de breuk stroomt het water vanuit het grovere rivierzand op de horst het fijnere dekzand van de slenk in. Het dekzand is minder doorlaatbaar voor water en dus treedt er stagnatie op bij de breuk. Gevolg is dat het grondwater net vóór de breuk aan de oppervlakte uittreedt. Dit kwelwater is de oorzaak van de ontwikkeling van wijstveen. Eenmaal voorbij de breuk kan het water weer goed verwerkt worden door het dekzand in de slenk. Het water dat de barrière van de breuk gepasseerd is kan hier in de ondergrond wegzakken waardoor de bovengrond in de slenk veel droger is. Aan de roestbruine kleur is te zien dat dit water rijk is aan ijzer. Dat ijzer is ergens op de Peelhorst uitgespoeld uit de bodem of uit de onderliggende afzettingen en in het grondwater terecht gekomen. Bij de breuk treedt het kwelwater in contact met zuurstof en slaat opgeloste ijzer neer in de vorm van ijzeroxide. IJzerneerslag verstopt de poriën in de grond waardoor ijzeroerbanken gevormd worden en het grondwater nog moeilijker wegstromen. Het ijzer is dus een secundaire oorzaak van 19 de hydrologische barrièrewerking van de breuk. Door het wijst is het mogelijk dat in het plangebied voor het opwerpen van het plaggendek een ven heeft gelegen.

18

19

Locher & De Bakker, 1990. Atlas Brabant.

Rapport 10798.002 versie 1.2

Pagina 6 van 18

De natte wijstgronden met ijzeroer zijn moeilijk te bewerken met ploeg en machines. Daardoor zijn ze gespaard in de ruilverkaveling en vaak kleinschalig gebleven. Wijst was van invloed op patronen van paden en wegen (schuin toelopende wegen) en op het ontwateringspatroon (haakse hoeken in waterlopen). Boeren hadden vroeger graag een stuk wijstgrond tot hun beschikking, omdat het gras bleef groeien in droge periodes. Het aanwezige riet werd gebruikt voor dakbedekking en het Elzenhout diende voor gereedschappen en heipalen. IJzerbrokken werden gebruikt voor ijzerwinning en bij het 20 leggen van funderingen. 2.6

Archeologische waarden

Voor de uitkomst van het bureauonderzoek is het van belang de bekende archeologische waarden (al dan niet volledig onderzocht) te beschrijven. Een belangrijke informatiebron is het landelijke ARCHeologisch Informatie Systeem (ARCHIS), dat beheerd wordt door de Rijksdienst voor het Cultureel Erf21 goed (RCE). In dit systeem worden alle archeologische gegevens verzameld en via internet zijn deze door bevoegden te raadplegen. De bekende archeologische waarden zijn middels kaartmateriaal weergegeven in figuur 8. Tevens zijn in de figuur de in ARCHIS geregistreerde AMK-terreinen, waarnemingen, vondstmeldingen en onderzoeksmeldingen binnen een straal van 500 m weergegeven. Aangezien de gemeentelijke beleidskaart een hoger detailniveau heeft dan de landelijke IKAW (Indicatieve Kaart Archeologische Waarde) is de IKAW voor het onderzoek niet geraadpleegd. Cultuurhistorische Waardenkaart Provincie Noord-Brabant In de CHW-kaart van de provincie Noord-Brabant heeft de provincie het provinciaal ‘belang aangeduid’. Dit belang bestaat uit 21 cultuurhistorische en 16 archeologische landschappen. In de 21 cultuurhistorische landschappen heeft de provincie verschillende cultuurhistorische vlakken gedefinieerd. Van al deze landschappen en vlakken zijn beknopte beschrijvingen gemaakt.

De 16 archeologische landschappen hebben tot doel om het bodemarchief in de bewuste gebieden duurzaam en in samenhang te behouden. Het plangebied ligt niet in een cultuurhistorisch en archeologisch landschap. 22

AMK-terreinen binnen het onderzoeksgebied De Archeologische Monumentenkaart (AMK) bevat een overzicht van archeologische monumenten/terreinen in Nederland. De terreinen zijn beoordeeld op verschillende criteria (kwaliteit, zeldzaamheid, representativiteit, ensemblewaarde en belevingswaarde). Op grond daarvan zijn deze ingedeeld in vier categorieën; terreinen met archeologische waarde, een hoge archeologische waarde, een zeer hoge archeologische waarde of een zeer hoge archeologische waarde met een beschermde status. Het plangebied ligt niet binnen een AMK-terrein. Binnen het onderzoeksgebied ligt één AMK-terrein (zie bijlage 2 en figuur 8), namelijk de oude dorpskern van Nistelrode die terug gaat tot in de Middeleeuwen. 23

In het verleden uitgevoerde archeologische onderzoeken binnen het onderzoeksgebied Binnen het onderzoeksgebied zijn in de afgelopen jaren door verschillende archeologische bedrijven en instellingen in totaal 20 archeologische onderzoeken uitgevoerd. Het gaat daarbij om bureauon-

20

De Maashorst. Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort 22 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort 23 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort 21

Rapport 10798.002 versie 1.2

Pagina 7 van 18

derzoeken, booronderzoeken (verkennend/karterend), proefsleufonderzoeken, archeologische begeleidingen van graafwerkzaamheden en opgravingen (zie bijlage 3 en figuur 8). De resultaten van de onderzoeken die rondom het plangebied zijn uitgevoerd laten zien dat ongeveveer 130 meter ten oosten en grote vindplaats is aangetroffen waar verschillende proefsleufonderzoeken en opgravingen hegbben plaaats gevonden. Deze vindplaats wordt hieronder behandeld. Voor de rest hebben verschillende booronderzoeken geleid tot vrijgave van vindplaatsen of vervolgonderzoek dat (nog) niet is uitgevoerd. Voor één locatie is na een booronderzoek een proefsleuvenonderzoek geadviseerd maar bij dit proefsleuvenonderzoek zijn vervolgens geen archeologische resten waargenomen. 24

Vondstmeldingen binnen het onderzoeksgebied In ARCHIS staan alle bekende archeologische vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het plangebied zijn geen vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het onderzoeksgebied staan zeven vondstmeldingen geregistreerd (zie bijlage 4 en figuur 8). De vondsten die rondom het plangebied zijn gedaan laten zien dat er menselijke activiteiten hebben plaats gevonden in het onderzoeksgebied in de perioden Mesolithicum (al betreft dit slecht één vondst) en voornamelijk Neolithicum tot en met Nieuwe tijd. Een groot deel hiervan liggen echter ten oosten van het plangebied op het hoger gelegen deel van hetzelfde horstplateau waar het plangebied ook op ligt . Wetenschappelijke publicaties, archieven en provinciaal archeologisch depot In het kader van dit bureauonderzoek zijn de beschikbare publicaties geraadpleegd van het archeologisch onderzoek, proefsleuven en opgraving, dat heeft plaatsgevonden ten oosten van het plangebied (waar ook de meeste vondstmeldingen vandaan komen). In het gebied “Zwarte Molen” zijn bij onderzoek van 1997 tot en met 2011 belangrijke vindplaatsen uit de IJzertijd, Romeinse tijd, Vroege- en Volle-Middeleeuwen aangetroffen. De sporen uit de (Vroegeen Midden-) IJzertijd lagen verspreid over het hele gebied. Uit de Romeinse tijd dateerde een cluster huisplattegronden met onder andere een zogenaamd porticushuis.

Belangrijk element was ook een Romeins perceleringssysteem met greppeltjes. Op dezelfde locatie (en ook meer westelijk) lagen verspreide erven uit de Merovingische en Karolingische tijd. Later heeft zich een klein gehucht onte e wikkeld dat gedurende een periode van 200 jaar heeft bestaan (11 tot begin 13 eeuw na Chr.). Tientallen structuren, waterputten, waterkuilen en karrensporen uit deze periode waren opgegraven. Aan e het begin van de 13 eeuw is dit dorp verlaten om plaats te maken voor akkers. Waarschijnlijk is de 25 bewoning toen opgeschoven naar de locatie van het huidige Nistelrode. In 2012 is er een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd voor plangebied “Zwarte Molen fase 2b”. Daarbij zijn ruim 850 archeologische sporen, bijna 100 vondsten en vier monsters gedocumenteerd. Het gaat om nederzettingsresten uit de Prehistorie (waarschijnlijk IJzertijd), Romeinse tijd en VolleMiddeleeuwen. In dit stadium van het onderzoek zijn al twaalf bootvormige plattegronden, een bijgebouwtje, drie spiekers, twee waterputten en diverse greppeldelen herkend. Een topvondst wordt gevormd door een Romeinse bronzen teugelgeleider. Na aanleiding van het proefsleuvenonderzoek is 26 geadviseerd om binnen het plangebied “Zwarte Molen fase 2b” een opgraving uit te voeren.

Bij deze opgraving die in 2012 en 2014 is uitgevoerd zijn uit de grote hoeveelheid sporen 129 structuren gegenereerd uit de periode IJzertijd tot en met Volle-Middeleeuwen. De omvang van het gebied en de 24

25 26

Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort Janssens, 2012. Janssens, 2012.

Rapport 10798.002 versie 1.2

Pagina 8 van 18

langdurige bewoningsoccupatie maken het mogelijk om de aangetroffen nederzettingen in een ruime landschappelijke en archeologische context te plaatsen. Op deze manier zijn dynamische processen binnen gelijktijdige nederzettingen en tussen de nederzettingen door de tijd heen vastgesteld. De resultaten hiervan bevestigen enerzijds het bestaande beeld maar leveren ook enkele nieuwe inzichten op voor de bewoningsgeschiedenis van Nistelrode. Interessant is onder meer dat het huidige Nistelrode niet rechtstreeks ontstaan is uit de volmiddeleeuwse nederzetting Zwarte Molen en Kleinwijk. Het bronnenonderzoek heeft namelijk aangetoond dat in de Late-Middeleeuwen een nieuwe neder27 zetting is opgericht langs de huidige weg Delst, parallel aan de oude volmiddeleeuwse nederzetting. 2.7

Beschrijving van het historische gebruik

In het plangebied kunnen naast archeologische sporen ook historische relicten voorkomen die nog in het landschap zichtbaar zijn. Het gaat hierbij om historisch geografische relicten zoals nederzettingsvormen en wegen- en kavelpatronen. Veel van deze bewaard gebleven historische geografie geeft e door de herverkavelingen in de tweede helft van de 20 eeuw een incompleet beeld van het historisch landschap. Historische kaarten van vóór de herverkaveling zijn een goede aanvulling op het huidige incomplete beeld. Korte bewoningsgeschiedenis van Nistelrode In deze paragraaf wordt een bespreking van de bewoningsgeschiedenis van de streek gegeven. Een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland wordt weergegeven in bijlage 5 De oorspronkelijke naam van Nistelrode was "Nisterle". De uitgang "le" is hetzelfde als "loo" dat "bos" betekent. "Nister" kan te maken hebben met "nittel" ofwel (brand)netel. Een andere mogelijkheid is e dat "nester" het "westen" betekent. De naam van het dorp zou aan het begin van de 15 eeuw zijn veranderd in "Nistelrode", waarbij het tweede element samenhangt met rooien, ofwel ontginnen. Tussen 1200 en 1237 wordt "Nisterle" voor het eerst genoemd in schriftelijke bronnen, namelijk in een lijst van goederen en rechten van de abdij van Berne bij Heusden. In 1291 is er sprake van goederen gelegen in de "parrochia de Nysterle".

De term "parrochia" duidt op een plaatselijke kerkelijke gemeente. In juli 1296 kregen de inwoners van Nysterle hun gemeint (gemeenschappelijke grond) in gebruik van hertog Jan II. Zijn zoon Jan III voerde in 1328 een schout ten tonele, waarschijnlijk de schout van het kwartier Maasland. Nistelrode behoorde tot het kwartier Maasland, waarvan Oss de hoofdstad was. Daarmee hebben we ook het eerste schriftelijke bewijs dat in Nistelrode een plaatselijk bestuur in opbouw was. Vanaf 1391-1392 weten we in ieder geval dat er een schepenbank bee stond. In de 18 eeuw vormde de linnenweverij een belangrijke nevenactiviteit voor de overwegend e agrarische bevolking. In 1794 waren er maar liefst 200 wevers actief. Toen eind 19 eeuw deze tak van nijverheid meer en meer verhuisde naar de fabriek, kwamen de weefgetouwen in Nistelrode stil te 28 staan.

27 28

Hensen & Janssens, 2016. Brabants Historisch Informatiecentrum.

Rapport 10798.002 versie 1.2

Pagina 9 van 18

Historisch kaartmateriaal De situatie van het plangebied is op verschillende historische kaarten als volgt: Tabel III.

Geraadpleegd historisch kaartmateriaal

Bron

Periode

Kaartblad

Schaal

Omschrijving plangebied

Bijzonderheden/directe omgeving

1811-1832

Gemeente Nistelrode, Sectie B, Blad 02

1:2.500

Weiland en een klein strookje langs de weg akkerland.

Agrarisch gebruik doorsneden door wegen met verspreid wat bebouwing, huidige achterweg al aanwezig

1830-1850

45_2rd

1:50.000

Agrarisch gebied

-

Militaire topografische kaart (veldminuut)

1899

589

1:50.000

Agrarisch gebied, wei- en akkerland.

Toename bebouwing

Militaire topografische kaart (veldminuut)

1922

589

1:50.000

-

-

Militaire topografische kaart (veldminuut)

1944

45 G

1:50.000

-

-

Topografische kaart

1956

45 G

1:25.000

Verspreid staan schuurtjes.

Toename bebouwing

Topografische kaart

1967

45 G

1:25.000

Grasland met een schuur

Toename bebouwing

Topografische kaart

1978

45 G

1:25.000

Grasland en akker, bebouwing verdwenen.

Toename bebouwing

Topografische kaart

1988

45 G

1:25.000

Grasland en akker, bebouwing verdwenen.

Toename bebouwing

Topografische kaart

1999

45 G

1:25.000

Huidige situatie

Grotendeels huidige situatie

Kadastrale minuut

29

Militaire topografische kaart (nettekening)

30

Op basis van het beschikbare gedetailleerde historische kaartmateriaal blijkt dat het plangebied vanaf e de eerste helft van de 19 eeuw tot heden grotendeels in agrarisch gebruik is geweest (weiland en akkerland) (zie figuur 9). Na de Tweede Wereldoorlog verschijnen er verspreid in het plangebied schuurtjes maar deze zijn op de kaart van 1988 verdwenen. De omgeving van het plangebied is grotendeels in agrarisch gebruik tot in de jaren ’80 hierna zien we de bebouwde kom van Nistelrode zich richting het plangebied uitbreiden. Rijks- en gemeentemonumenten binnen attentiegebied Een rijksmonument is in Nederland een zaak (een bouwwerk of object, of het restant daarvan) die van algemeen belang is wegens de schoonheid, de betekenis voor de wetenschap of de cultuurhistorische waarde. Tot 2012 moest een monument 50 jaar of langer geleden zijn vervaardigd om in het kader van de Monumentenwet voor bescherming in aanmerking te komen. Per 1 januari 2012 is dit criterium vervallen. Een gemeente kan besluiten een bijzonder pand op de gemeentelijke monumentenlijst te zetten. Dit gebeurt als een pand geen nationale betekenis heeft, maar wel van plaatselijk of regionaal belang is. De gemeente legt haar monumentenbeleid vast in de gemeentelijke monumentenverordening. Naast het gemeentelijk monument is er ook nog het Monumenten Inventarisatie Project (MIP).

De MIP Gemeentebeschrijvingen vormen een verzameling beschrijvingen van de historischgeografische, sociaaleconomische, architectuurhistorische, bouwhistorische en stedenbouwkundige ontwikkelingen 29 30

Beeldbank Cultureelerfgoed Kadaster Topotijdreis (bron voor deze kaart en de hierop volgende kaarten in deze tabel).

Rapport 10798.002 versie 1.2

Pagina 10 van 18

van gemeenten in de periode 1850-1940. Deze beschrijvingen zijn samengesteld in het kader van het Monumenten Inventarisatie Project (MIP). Dit project was een initiatief van het Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur om een landelijk overzicht te krijgen van de bouwkunst en stedenbouw uit de periode 1850-1940. Het MIP werd in de periode 1987-1994 uitgevoerd door de provincies en de vier grote steden, in samenwerking met de Rijksdienst voor de Monumentenzorg. Binnen de 50 m attentiezone ligt één rijksmonument (nummer 520579) dat eveneens een MIP monument is (nummer 14634). Het monument is van cultuurhistorisch belang en gaafheid en betreft een kortgevelboerderij uit 1875/1876 opgebouwd uit handvormsteen, gepleisterde plint en fries. Er bevindt zich een dwarsdeel in het terug liggende boerderij gedeelte. De ramen hebben kleine roedeverdeling en luiken onder hanekammen. Verder bevat het gebouw een opkamer, een kelder en drie staldeuren aan de straatzijde. Zadeldak met schild- en wolfseinde, gedekt met riet en voet van mulden pannen. Blijkens de jaartalankers uit 1876. Bouwhistorische gegevens Bij de gemeente Bernheze is het gemeentelijk archief geraadpleegd (contactpersoon de heer R. van der Steen). Deze deelden mee dat “in ons systeem zijn geen bouwdossiers bekend die betrekking hebben op de door u aangegeven locatie.

Dat betekent dat dit stuk grond nog niet bebouwd is geweest”. Tweede Wereldoorlog Om vast te stellen of mogelijke archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plange31 bied aanwezig zijn, is een aantal publicaties geraadpleegd. Uit deze bronnen blijkt dat in het plangebied archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog te verwachten zijn. Tijdens de oorlog hebben rondom het plangebied gevechtshandelingen plaatsgevonden bij Operatie Market Garden in 1944. Operatie Market Garden was een grootschalig geallieerd offensief met als doel de vestiging van een bruggenhoofd ten noorden van de Neder-Rijn tussen Arnhem en het IJsselmeer om de Duitse troepen in het westen van Nederland af te snijden. Het plangebied maakte onderdeel uit van het Operatieterrein bij de snelle opmars door oostelijk Brabant. De slaghandelingen weerspiegelen zich vooral in een verspreiding van verschillende munitieartikelen. Daarnaast kunnen meer statische structuren worden verwacht, zoals resten van stellingen, versperringen, loopgraven, ondersteunende posten e.d. Ook inslagen van granaten en mortieren kunnen worden verwacht, vaak in de vorm van beschadigingen aan bestaande bouw of bomen en als microreliëf. In Nistelrode zelf zijn verspreid verschillende explosieven geruimd.

Aanvullende informatie Heemkundekring Voor aanvullende informatie is contact gezocht met de plaatselijke Heemkundekring Nistelvorst. Hier32 op is een reactie gekomen van de heer R. de Graaf: “Over dat stuk is bij ons weinig tot niets bekent. Op Delst stond rond 1800 wel een Rosoliemolen. Zoals je op de kadasterkaart van 1832 kunt zien, is er in dat gebied, dat De Weijen Hof werd genoemd praktisch geen bebouwing aanwezig. Maar het zou best kunnen dat er voor die tijd meer bebouwing is geweest.”

31

Amersfoort & Kamphuis, 1990/De Jong, 1969 – 1994/ kaart/Ruimingskaart/Klep & Schoenmaker, 1995/Zwanenburg, 1990. 32

Indicatieve

kaart

Militair

Erfgoed/VEO

Bommen-

Plangebied.

Rapport 10798.002 versie 1.2

Pagina 11 van 18

2.8

Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel

Op grond van de gegevens uit het bureauonderzoek is de volgende gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld: Tabel IV.

Gespecificeerde archeologische verwachting

Archeologische periode

Gespecificeerde verwachting

Te verwachten Complextype/resten

Relatieve diepte t.o.v. het maaiveld

(Laat-)Paleolithicum

Hoog

Vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen

Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen

Mesolithicum

Hoog

Vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen

Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen

Neolithicum

Laag

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, houtskool en gebruiksvoorwerpen

Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen

Bronstijd

Laag

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, metaalresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen

Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen

IJzertijd

Laag

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen

Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen

Romeinse tijd

Laag

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen

Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen

Vroege-Middeleeuwen

Laag

Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen

Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen

Late-Middeleeuwen

Middelhoog

Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen

Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen

Nieuwe tijd

Middelhoog

Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen

Onder maaiveld/in het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen

Uit de landschappelijke ligging op wijstgronden, blijkt dat het plangebied vanaf het Paleolithicum gunstig is geweest voor jagers-verzamelaars maar vanaf het Neolithicum tot en met VroegeMiddeleeuwen ongeschikt voor landbouwers. Door het wijst is het mogelijk dat in het plangebied voor het opwerpen van het plaggendek een ven heeft gelegen wat een aantrekkelijke vestigingslocatie is voor jagers-verzammelaars. Pas naar het opwerpen van de enkeerdgrond in waarschijnlijk de LateMiddeleeuwen-Nieuwe tijd zal het gebied geschikt zijn geweest voor menselijke activiteiten anders dan het gebruiken van de natuurlijke bronnen (gras, riet en ijzeroer). Daarom hebben de periodes

Rapport 10798.002 versie 1.2

Pagina 12 van 18

Late-Middeleeuwen-Nieuwe tijd een middelhoge verwachting. Uit de archeologische gegevens die verzameld zijn uit het onderzoeksgebied blijkt dat er in de omgeving van het plangebied sporen van menselijke activiteit zijn waar genomen uit de perioden Mesolithicum (al betreft dit slecht één vondst) en voornamelijk Neolithicum tot en met Nieuwe tijd. Een groot deel hiervan liggen echter ten oosten van het plangebied op het hoger gelegen deel van het zelfde horst plateau buiten de wijstgronden waar het plangebied op ligt. Een vondst gedaan op dezelfde grond als het plangebied betreefrt een keramisch object uit de periode Neolithicum-Late-Middeleeuwen. Door archeologisch onderzoek is er een goed beeld van waar de jager-verzamelaars hun tijdelijke kampementen vestigden. De jager-verzamelaars waren afhankelijk van een aantal ecologische factoren, zoals het voedselaanbod en de aanwezigheid van grondstoffen in de omgeving van de locatie. Ze leefde van de jacht, visserij en het verzamelen van onder andere noten, vruchten en wortels. Dit soort voedsel was met name te vinden op het overgangsgebied van hoge en droge gronden naar lage en natte gronden, de gradiëntzone, en dichtbij water, zoals vennen en beken. Op dit soort locaties 33 was ook drinkwater bereikbaar.

Gezien de ligging van het plangebied op wijstgronden zal oppervlaktewater in of direct nabij het plangebied hoogstwaarschijnlijk aanwezig zijn waardoor er voedselaanbod in het plangebied te verwachtten is waardoor resten van jagers-verzamelaars in het plangebied te verwachten zijn, al is het goed mogelijk dat kampementen eerder op hoger gelegen gronden ten oosten van het plangebied te verwachten zijn. Voor de landbouwers zijn andere factoren van belang bij de locatiekeuze. Vanaf het Neolithicum ging men zich vestigen op één locatie. Om te kunnen blijven wonen op één plek werd het kunnen uitvoeren van landbouw een belangrijke factor. Voor akkerbouw is onder andere een vruchtbare bodem en 34 een goede afwatering van belang. Door de slechte afwatering in het plangebied wordt de kans op resten van agrarische samenlevingen, voordat het gebied opgehoogd werd met een eerddek, laag geacht. Vanaf de Middeleeuwen zijn schriftelijke bronnen bekend die de bekende locatiekeuzes en archeoloe gische gegevens kunnen aanvullen. Vanaf de 13 eeuw wordt de locatie langs kruisingen en splitsingen van doorgaande en lokale wegen ook van belang voor de locatiekeuze van een nederzetting. 35 Deze nederzettingen kunnen zijn gegroeid tot de hedendaagse gehuchten en woonkernen.

Uitgaande van historische gegevens gaat de huidige Achterweg in ieder geval terug tot de eerste helft e van de 19 eeuw met bebouwing er langs (buiten het plangebied). Bewoning binnen het plangebied langs de achterweg is mogelijk maar waarschijnlijk hebben er in de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd, na het opwerpen van het eerddek, binnen het plangebied alleen agrarische activiteiten plaats gevonden (waarschijnlijk grotendeels weiland met wat akkerland). De verwachting voor resten uit de perioden Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd is daarom middelhoog. In het hele plangebied kunnen archeologische resten voorkomen uit alle archeologische perioden. De kans op het voorkomen van de resten is laag tot middelhoog voor de periode (Laat-) Paleolithicum tot en met de Vroege-Middeleeuwen. Deze archeologische resten worden verwacht onder het eerddek en in de top van de oorspronkelijke C-horizont. De vondstenlaag is opgenomen onder in het eerddek; hier wordt ook wel van ‘cultuurlaag’ gesproken: een doorwerkte oude bodem tussen het eerddek en de ongeroerde ondergrond met kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, vuursteen en houtskool. Archeologische sporen worden verwacht tot ongeveer 25 cm in de top van de C-horizont. Aan en direct onder het maaiveld worden archeologische resten verwacht uit de Nieuwe tijd.

De vondstenlaag van deze resten zal zich niet dieper bevinden dan circa 30 cm beneden het maaiveld. Organische 33

Louwe Kooijmans et al., 2005. Louwe Kooijmans et al., 2005. 35 Renes, 1999. 34

Rapport 10798.002 versie 1.2

Pagina 13 van 18

resten en metaal zullen door de vochtige bodemomstandigheden goed zijn geconserveerd. Andere type indicatoren (aardewerk) zijn waarschijnlijk matig goed geconserveerd. Het complextype en de omvang van eventuele archeologische resten kunnen niet nader worden gespecificeerd door de beperkte gegevens. Bodemverstoring Dat een gebied een middelhoge of hoge archeologische verwachting heeft, betekent niet dat eventuele aanwezige archeologische resten behoudenswaardig zijn. De waarde van archeologische vindplaatsen wordt grotendeels bepaald door de mate waarin grondsporen dan wel vondsten in situ bewaard zijn gebleven. Het plangebied is in het verleden in gebruik geweest als weiland en akkerland en er hebben wat schuren op gestaan. Door ploegen, bouw- en sloopactiviteiten kunnen eventueel aanwezige archeologische waarden, die vanaf het maaiveld worden verwacht, mogelijk verloren zijn gegaan. 2.9

Conclusie bureauonderzoek

Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Gezien de ligging op wijstgronden is de conclusie dat het plangebied vanaf het Paleolithicum gunstig is geweest voor jagers-verzamelaars maar vanaf het Neolithicum tot en met Vroege-Middeleeuwen ongeschikt voor landbouwers. Pas naar het opwerpen van de enkeerdgrond in waarschijnlijk de LateMiddeleeuwen-Nieuwe tijd zal het gebied geschikt zijn geweest voor menselijke activiteiten anders dan het gebruiken van de natuurlijke bronnen (gras, riet en ijzeroer) zoals agrarisch gebruik, de kans op bewoning wordt laag geacht. Daarom hebben de periodes Late-Middeleeuwen-Nieuwe tijd een middelhoge verwachting. Gezien de in dit bureauonderzoek opgestelde archeologische verwachting is binnen het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk om deze te toetsen. Het vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een Inventariserend veldonderzoek, verkennend booronderzoek. Gezien de omvang van het plangebied en de aanwezigheid van een enkeerdgrond is in dit stadium de meest geschikte onderzoeksmethode een verkennend booronderzoek. Verspreid in het plangebied dienen boringen te worden gezet met als doel om inzicht te krijgen in de toestand van het bodemprofiel.

Tevens dient gekeken te worden naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen. Door middel van het verkennend booronderzoek dient te worden vastgesteld of er binnen het plangebied archeologische resten in situ te verwachten zijn.

3

INVENTARISEREND VELDONDERZOEK

3.1

Doelstelling en onderzoeksvragen

Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied. Tevens dient te worden vastgesteld wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting.

Rapport 10798.002 versie 1.2

Pagina 14 van 18

3.2

Methoden

Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd in de vorm van een verkennend booronderzoek, onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018) en Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018), specificatie VS03. Voor het inventariserend veldonderzoek is op 14 oktober 2019 door drs. A.H. Schutte (senior KNA-archeoloog) een Plan van Aanpak (PvA) opgesteld. Het gehele plangebied was vrij toegankelijk. Het veldonderzoek is uitgevoerd op 24 oktober 2019. De boringen zijn verspreid binnen het plangebied gezet. In totaal zijn er met behulp van een edelmanboor (diameter 7 cm) en een zandguts (diameter 1 cm) zes boringen tot maximaal 1,00 meter mv gezet (figuur 10). Vanwege de hoge grondwaterstand (circa 70 cm –mv) was dieper boren niet mogelijk. De boringen zijn lithologisch conform de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsme36 thode beschreven. De boringen zijn met meetlinten ingemeten (x- en y-waarden). Van alle boringen is de maaiveldhoogte afgeleid van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN3). Aan de hand van het opgeboorde materiaal is beoordeeld of er wel, geen of slechts deels sprake is van een gaaf bodemprofiel. Tevens is gekeken naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen.

Het opgeboorde materiaal is in het veld door middel van versnijden/verkruimelen geïnspecteerd op het voorkomen van archeologische indicatoren, zoals fragmenten vuursteen, aardewerk, houtskool, verbrand leem en bot. 3.3

Resultaten

Geologie en bodem De resultaten van de boringen zijn opgenomen in de vorm van boorprofielen en worden in bijlage 7 weergegeven. Op basis van deze boorprofielen kunnen de hoofdlijnen van de opbouw van de bodemde bodemopbouw als volgt worden weergegeven. In het plangebied zijn matig fijne zwak siltige zandafzettingen aangetroffen. Aan het maaiveld is bij alle boringen een humeus eerddek met een dikte van 50-80 cm aangetroffen. De bovenste 25 cm is zwak humeus, maar naar onder toe wordt het eerddek sterk humeus. Ook is de onderste 25-55 cm van het eerddek matig gleyhoudend. Onder het eerddek is bij alle boringen een onverstoord pakket dekzand aangetroffen, bestaande uit grijs tot geel bruin matig fijn zand. Bij boring 2 is het dekzand zwak grindig, wat vermoedelijk afkomstig is van de onderliggende Pleistocene rivierafzettingen. Er zijn geen gleyverschijnselen waargenomen in het dekzand, mogelijk vanwege de (permanente) ligging onder de grondwaterspiegel. De top van de dekzandafzettingen bevindt zich bij de westelijke boringen 1 en 3 op 11,1 en 11,2 meter +NAP, bij de centrale boringen 2 en 4 op 11,4 en 11,5 meter +NAP en bij de oostelijke boringen 5 en 6 op 1,35 en 11,15 meter +NAP. Op basis van deze diepteliggingen lijkt in het centrale deel van het plangebied een lichte opduiking van dekzand aanwezig te zijn. Deze is ook aan het maaiveld op de AHN3 zichtbaar (zie figuur 10).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Bernheze&id=4bd90f34-7ce7-43e8-8218-85f082d8041c