Archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek
Tekst van het document
ARCHEOLOGISCH BUREAUONDERZOEK EN VERKENNEND BOORONDERZOEK KAMERSCHE HOEF TE HEESWIJK-DINTHER GEMEENTE BERNHEZE
archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek Kamersche Hoef te Heeswijk-Dinther Opdrachtgever
Jansen Bouwontwikkeling Bijsterhuizen 3161 6604 LV Wijchen
Rapportnummer
14377.001
Versienummer1
2
Datum
2 december 2021
Vestiging
Limburg Rijksweg Noord 39 6071 KS Swalmen 088 - 5001600 swalmen@econsultancy.nl
Opsteller
Drs. M. Stiekema
Paraaf
Kwaliteitscontrole
De heer drs. A.H. Schutte
Paraaf
© Econsultancy bv, Swalmen Foto’s en tekeningen: Econsultancy bv, tenzij anders vermeld. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Econsultancy aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. ISSN: 2210-8777 (Analoog rapport) ISSN: 2210-8785 (Digitaal rapport E-depot) 1
Versie 1 betreft een rapport waarvan geen beoordeling van de bevoegde overheid is ontvangen, bij versie 2 is het rapport wel beoordeeld door de bevoegde overheid.
Econsultancy Archeologisch Rapport
Administratieve gegevens plangebied Projectcode
14377.001
Toponiem
Kamersche Hoef
Opdrachtgever
Jansen Bouwontwikkeling
Gemeente
Bernheze
Plaats
Heeswijk-Dinther
Provincie
Noord-Brabant
Kadastrale gegevens
Gemeente Heeswijk-Dinther, sectie E, percelen 244, 1478 (ged.), 2477, 2493, 2494 en 2495
Omvang plangebied
circa 3,0 hectare
Kaartblad
45G
Coördinaten centrum plangebied
X: 160.305 / Y: 407.405
Bevoegde overheid
Gemeente Bernheze Postbus 19 5384 ZG Heesch
Mw. M. de Ruiter T: 0412-458888 E: gemeente@bernheze.org
Deskundige namens de bevoegde overheid
Monumentenhuis Brabant Markt 9 4931 BR Geertruidenberg
Dhr. M. de Jong T: 0162 511833 E: am.visser@monumentenhuisbrabant.nl
ARCHIS3 Onderzoeksmeldingsnummer (OM-nr.)
4964631100
Archeoregio NOaA
Brabants zandgebied
Beheer en plaats documentatie
Econsultancy, Swalmen/Provinciaal Archeologisch Depot Noord-Brabant
Uitvoerder
Econsultancy, drs. M. Stiekema
Kwaliteitszorg Econsultancy is onder meer gecertificeerd voor protocollen 4001, 4002, 4003 en 4004 van de BRL SIKB 4000. Verder is Econsultancy lid van de Nederlandse Vereniging van Archeologische Opgravingsbedrijven (NVAO). De leden van de NVAO bieden kwalitatief hoogstaand archeologisch onderzoek. Het lidmaatschap is een waarborg voor kwaliteit en betrouwbaarheid. Tevens is Econsultancy aangesloten bij de Vereniging van Ondernemers in Archeologie (VOiA). De VOiA behartigt de belangen van meer dan 100 bedrijven in alle takken van de archeologie. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving. Een booronderzoek wordt in het algemeen uitgevoerd door het steekproefsgewijs onderzoeken van de bodem, waardoor het, op basis van de resultaten van een booronderzoek, onmogelijk is garanties af te geven ten aanzien van de aan- of afwezigheid van archeologische waarden. In dit kader dient ook opgemerkt te worden dat geraadpleegde bronnen niet altijd zonder fouten en volledig zijn. Daar Econsultancy voor het verkrijgen van historische informatie afhankelijk is van deze bronnen, kan Econsultancy niet instaan voor de juistheid en volledigheid van deze informatie.
Econsultancy Archeologisch Rapport
SAMENVATTING Econsultancy heeft in opdracht van Jansen Bouwontwikkeling een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor een plangebied gelegen aan de Kamersche Hoef te Heeswijk-Dinther in de gemeente Bernheze. De initiatiefnemer is voornemens in het plangebied het nieuwbouwplan Kamersche Hoef te realiseren. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst een wijziging van het bestemmingsplan worden doorgevoerd. Hierbij moet ook inzichtelijk te worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht. De noodzaak tot archeologisch onderzoek vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2006). Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Dit wordt uitgevoerd door middel van het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende en verwachte archeologische waarden. Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen.
Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied en wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. Met de resultaten van het archeologisch onderzoek kan worden vastgesteld of binnen het plangebied archeologische waarden aanwezig (kunnen) zijn en of vervolgonderzoek dan wel planaanpassing noodzakelijk is. Gespecificeerde archeologische verwachting bureauonderzoek Door de ligging van het plangebied op de flank van een dekzandrug naar een natter gebied, maar wel iets verder van een beekdal, geldt er een middelhoge gespecificeerde verwachtingswaarde voor archeologische resten uit het Laat-Paleolithicum en Mesolithicum. Omdat het plangebied op de flank van een dekzandrug ligt waar direct aangrenzend mogelijk een oude akkerlaag onder het eerddek is aangetroffen, geldt er een hoge gespecificeerde verwachtingswaarde voor archeologische resten uit het Neolithicum tot en met de Vroege-Middeleeuwen. Het plangebied ligt omsloten door wegen waarlangs begin 19e eeuw al dicht bebouwde lintbebouwing lag. Ook direct aangrenzend aan het plangebied bevond zich destijds al bebouwing. Daarom geldt voor het plangebied een hoge gespecificeerde verwachtingswaarde voor archeologische resten uit de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd.
Resultaten inventariserend veldonderzoek Uit de resultaten van het verkennend booronderzoek komt naar voren dat de landschappelijke opbouw van beide deelgebieden in grote lijnen overeenkomt met die van het onderzoek dat RAAP in 2011 heeft uitgevoerd. Het noorden van het plangebied ligt in een nat, lager gelegen gebied en het zuidelijke deel van het plangebied op een drogere dekzandrug. Afwijkingen op dit beeld zijn de vrij natte boring 6 in het zuidwesten van het plangebied en de droge boring 18 (en in iets mindere mate boring 15) in het noorden van het plangebied. Omdat direct ten zuiden van het plangebied aan de overzijde van de Veldstraat bij een onderzoek van Aeres in 2016 een natte zone is aangetroffen, is de zuidwesthoek van het plangebied vermoedelijk de noordelijke rand van deze depressie. De noordelijke droge hoek rond boring 18 en 15 lijkt samen te hangen met het oude bebouwingslint langs de Lariestraat. Mogelijk is dit bebouwingslint op een iets drogere (hoger gelegen) zone in het landschap ontstaan (zie figuur 13).
Rapport 14377.001 versie 2
Conclusie De middelhoge tot hoge gespecificeerde verwachtingswaarde voor het centrale en zuidelijke deel van het plangebied en de zone rond boring 18 en 15 kan op basis van de ligging op een hogere dekzandrug met plaatselijk een oude akkerlaag en een deels intact podzolprofiel gehandhaafd blijven. De gespecificeerde archeologische verwachting van de laaggelegen gebieden in het noorden van het plangebied is op basis van het booronderzoek bijgesteld naar laag voor alle perioden. Ook voor het nattere gebied rond boring 6 zou de gespecificeerde archeologische verwachting naar laag kunnen worden bijgesteld. Omdat er maar één boring binnen deze zone valt is de begrenzing hiervan nog niet geheel duidelijk. Omdat dit mogelijk maar een klein deel van het zuidelijke deel van het plangebied vormt wordt dit deel van het plangebied vooralsnog bij de zone met een middelhoge tot hoge gespecificeerde verwachtingswaarde getrokken. In het oosten van het plangebied zijn bij de boringen 10 en 11 diepe bodemverstoringen aangetroffen. Omdat dit deel van het plangebied direct achter het oude erf van de huidige Veldstraat 36/36A ligt, is het niet uit te sluiten dat de bodemverstoring samenhangt met historische bebouwing (bijvoorbeeld van het voormalige bakhuis) (zie figuur 13).
Op basis van het behoud van een middelhoge/hoge trefkans blijft de kans reëel dat in een deel van het plangebied archeologische resten aanwezig zijn. Advies In de delen van het plangebied waar nog archeologische waarden worden verwacht (de gele vlakken in figuur 14), adviseert Econsultancy een dubbelbestemming archeologie waarbij de mogelijke archeologische waarden in situ worden bewaard. Hiertoe dienen beschermende regels in het bestemmingsplan te worden opgenomen. Behoud van eventueel aanwezige archeologische waarden is mogelijk indien er niet dieper ontgraven wordt dan 30 cm onder het huidige maaiveld. Als het niet mogelijk is om archeologie vriendelijk te bouwen is, gezien de geringe diepteligging en de kwetsbaarheid van de archeologische resten, vervolgonderzoek noodzakelijk. Het vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek. Voor de delen van het plangebied met een lage gespecificeerde verwachtingswaarde (de groene vlakken in figuur 14) wordt geadviseerd geen vervolgonderzoek te laten uitvoeren. Bovenstaand advies is van Econsultancy. De resultaten van onderhavig onderzoek dienen te worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Bernheze). De bevoegde overheid neemt vervolgens een besluit.
Mochten tijdens graafwerkzaamheden in de vrijgegeven delen van het plangebied toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed 2).
2
Infodesk email: info@cultureelerfgoed.nl of tel: 033-4217456.
Rapport 14377.001 versie 2
INHOUDSOPGAVE
1
INLEIDING .................................................................................................................................. 1 1.1
2
BUREAUONDERZOEK .............................................................................................................. 2 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8 2.9
3
Doelstelling en onderzoeksvragen ................................................................................... 2 Methoden .......................................................................................................................... 2 Afbakening en huidige situatie van het plangebied .......................................................... 3 Toekomstige situatie ......................................................................................................... 4 Aardwetenschappelijke gegevens .................................................................................... 4 Archeologische waarden .................................................................................................. 7 Beschrijving van het historische gebruik .......................................................................... 9 Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel ........................................................ 12 Conclusie bureauonderzoek ........................................................................................... 14
INVENTARISEREND VELDONDERZOEK .............................................................................. 14 3.1 3.2 3.3 3.4
4
Resultaten vooronderzoek ................................................................................................ 1
Doelstelling en onderzoeksvragen ................................................................................. 14 Methoden ........................................................................................................................ 14 Resultaten ....................................................................................................................... 15 Conclusie veldonderzoek ............................................................................................... 16
CONCLUSIE EN ADVIES ......................................................................................................... 16
LITERATUUR ...................................................................................................................................... 18 BRONNEN .......................................................................................................................................... 20
Rapport 14377.001 versie 2
LIJST VAN TABELLEN Tabel I. Tabel II. Tabel III. Tabel IV. Tabel V.
Aardwetenschappelijke gegevens plangebied Grondwatertrappenindeling Geraadpleegd historisch kaartmateriaal Verleende bouwvergunningen Gespecificeerde archeologische verwachting
LIJST VAN AFBEELDINGEN Figuur 1. Figuur 2. Figuur 3. Figuur 4. Figuur 5. Figuur 6. Figuur 7. Figuur 8. Figuur 9. Figuur 10. Figuur 11. Figuur 12. Figuur 13. Figuur 14.
Situering van het plangebied binnen Nederland Detailkaart van het plangebied Luchtfoto van het plangebied Situering van het plangebied binnen de archeologische beleidskaart Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart Situering van het plangebied binnen het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Situering van het plangebied binnen de Bodemkaart Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied Situering van het plangebied binnen de Kadastrale minuut uit 1811-1832 Situering van het plangebied binnen Militaire topografische kaart uit 1850 Situering van het plangebied binnen Militaire topografische kaart uit 1899 Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 1978 Resultaten van het booronderzoek Advies vervolgonderzoek
BIJLAGEN Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7 Bijlage 8 Bijlage 9
Overzicht geologische en archeologische tijdvakken AMK-terreinen Onderzoeksmeldingen Vondstmeldingen Bewoningsgeschiedenis van Nederland AMZ-cyclus Resultaten onderzoek RAAP 2011 Planontwerp Boorprofielen
Rapport 14377.001 versie 2
1
INLEIDING
Econsultancy heeft in opdracht van Jansen Bouwontwikkeling een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor een plangebied gelegen aan de Kamersche Hoef te Heeswijk-Dinther in de gemeente Bernheze (zie figuur 1). De initiatiefnemer is voornemens in het plangebied het nieuwbouwplan Kamersche Hoef te realiseren. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst een wijziging van het bestemmingsplan worden doorgevoerd. Hierbij moet ook inzichtelijk te worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht. De noodzaak tot archeologisch onderzoek vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2006). Het archeologisch onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek (hoofdstuk 2) en een inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) door middel van boringen (hoofdstuk 3). Op basis van de resultaten van het onderzoek wordt een advies gegeven of vervolgstappen noodzakelijk zijn (hoofdstuk 4). Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd in maart 2021 door drs. M. Stiekema (Senior KNA Prospector) en dhr. N. Otten (stagiair Hogeschool Saxion). Het rapport is gecontroleerd door drs. A.H. Schutte (senior KNA Archeoloog). 1.1
Resultaten vooronderzoek
In 2011 is door RAAP reeds een archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek uitgevoerd voor het centrale deel van het nieuwbouwplan Kamersche Hoef (gemeente HeeswijkDinther, sectie E, percelen 1088, 2619, 2620, 2621 en 2622 (ged.)). Het in 2011 onderzochte deel van het plangebied ligt op de overgang van droge dekzandruggen naar de nattere beekdalbodems van respectievelijk de Leigraaf in het noorden (circa 200 meter) en de Aa in het zuiden (circa 350 meter). Tussen het beekdal van de Aa en het plangebied ligt nog een dekzandkop. Op deze kop zijn verschillende vindplaatsen bekend uit het Mesolithicum, Neolithicum en IJzertijd t/m Late-Middeleeuwen. Historisch kaartmateriaal uit de 19e eeuw geeft weer dat het plangebied in gebruik is geweest als akkerland. Het noordelijk deel, dat dichter bij het beekdal van de Leigraaf gesitueerd is, bestaat uit lage enkeerdgronden, terwijl in het zuidelijk deel, dat zich meer richting de droge dekzandkop uitstrekt, hoge bruine enkeerdgronden liggen. Daarnaast is in enkele boringen een mogelijke oude akkerlaag vastgesteld. Omdat het noordelijk deel van het plangebied veel natter was dan het zuidelijk deel, wordt de vooropgestelde hoge archeologische verwachting in deze zone bijgesteld naar een lage archeologische verwachting.
In het zuidelijk deel kan de hoge archeologische verwachting gehandhaafd blijven vanwege de hoge enkeerdgronden, de drogere sedimenten en de mogelijke oude akkerlaag. Ook de gaafheid van de eventuele archeologische vindplaatsen blijft in deze zuidelijke zone van het plangebied vanwege de aanwezigheid van het esdek hoog. Er wordt geadviseerd om toekomstige plannen zodanig op te stellen dat de (verwachte) archeologische resten in de bodem behouden kunnen blijven. Dit houdt in dat er geen bodemingrepen dieper dan 40 cm -mv mogen plaatsvinden. Indien aan deze voorwaarden kan worden voldaan, wordt een vervolgonderzoek niet nodig geacht. Indien dit niet mogelijk is, wordt aanbevolen om in de zone met een hoge archeologische verwachting, een nader archeologisch onderzoek door middel van karterende boringen of een proefsleuvenonderzoek uit te laten voeren (zie Bijlage 7).3 Omdat het centrale deel van het plan Kamersche Hoef al onderzocht is beperkt het huidige onderzoek zich tot de nog niet onderzochte westelijke en oostelijke delen (zie figuur 2). 3
Hensen, 2012
Rapport 14377.001 versie 2
Pagina 1 van 21
2
BUREAUONDERZOEK
2.1
Doelstelling en onderzoeksvragen
Het doel van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Hiervoor wordt een inventarisatie gemaakt van bekende aardwetenschappelijke, archeologische en (cultuur)historische gegevens. Aan de hand van deze inventarisatie wordt het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel opgesteld. 2.2
Methoden
Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018) en conform de eisen en normen zoals aangegeven in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018), die is vastgesteld door het Centraal College van Deskundigen (CCvD) Archeologie en is ondergebracht bij het SIKB te Gouda. Voor de uitvoering van het bureauonderzoek gelden de specificaties LS01, LS02, LS03, LS04 en LS05. De resultaten van dit onderzoek worden in dit rapport weergegeven conform specificatie LS06. 4 Binnen dit onderzoek zijn de volgende werkzaamheden verricht:
afbakening van het plangebied en vaststellen van de consequenties van het mogelijk toekomstige gebruik (LS01); beschrijving van de huidige en toekomstige situatie (LS02); beschrijving van de historische situatie en mogelijke verstoringen (LS03); beschrijving van bekende archeologische en historische waarden en aardwetenschappelijke gegevens (LS04); opstellen van een gespecificeerde verwachting (LS05).
Bij het uitvoeren van deze werkzaamheden zijn de volgende bronnen geraadpleegd:
4
het Archeologische Informatie Systeem (ARCHIS); de Archeologische Monumenten Kaart (AMK); geologische kaarten, geomorfologische kaarten en bodemkaarten; de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINOLoket); literatuur en historisch kaartmateriaal; bouwhistorische gegevens; de recente topografische kaart (schaal 1:25.000); recente luchtfoto’s; het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN); de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) van de provincie Noord-Brabant; de archeologische verwachtingskaarten van de gemeente Bernheze; plaatselijke (amateur-)archeoloog c.q. heemkundevereniging.
SIKB.
Rapport 14377.001 versie 2
Pagina 2 van 21
2.3
Afbakening en huidige situatie van het plangebied
Afbakening Er dient een onderscheid gemaakt te worden tussen het onderzoeksgebied en het plangebied. Het plangebied is het gebied waarbinnen feitelijk de bodemverstorende ingreep gaat plaatsvinden. Het onderzoeksgebied is het gebied waarover informatie is verzameld om een goed beeld te krijgen van de archeologische waarden binnen het plangebied. Dit gebied is groter dan het plangebied. In het huidige onderzoek betreft het onderzoeksgebied het gebied binnen een straal van circa 500 meter rondom het plangebied.5 Het plangebied (oppervlakte circa 3 hectare) bestaat uit twee deelgebieden tussen de Herperstreeg, Veldstraat, Hopveld en Lariestraat, aan de westelijke rand van de kern van Heeswijk-Dinther (in het bijzonder het deel van de kern dat als Heeswijk bekend staat) in de gemeente Bernheze (zie figuur 1 en figuur 2). Volgens het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) bevindt het maaiveld zich op een hoogte van circa 7,5 meter +NAP. Het gebied is kadastraal bekend als Gemeente Heeswijk-Dinther, sectie E, percelen 244, 1478 (ged.), 2477, 2493, 2494 en 2495. Huidige situatie Voor het bureauonderzoek is het van belang de huidige situatie te onderzoeken. Landgebruik en bebouwing kunnen van invloed zijn op de archeologische verwachting. Hiervoor is gebruik gemaakt van de meest recente gegevens. Het plangebied is momenteel grotendeels in gebruik als grasland.
Delen van het oostelijke deel van het plangebied zijn in gebruik als erf (zie figuur 3). Vigerend beleid Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Het doel van deze wet is te voorkomen dat archeologische waarden uit het verleden verloren gaan. In deze wet zijn de gemeenten verantwoordelijk voor het beheer van het bodemarchief binnen hun grondgebied. Voor een goed beheer van dit bodemarchief gebruikt de gemeente een archeologische beleidskaart. De archeologische beleidskaart geeft een gemeentebreed overzicht van bekende en te verwachten archeologische waarden. De kaart maakt inzichtelijk waar en bij welke ruimtelijke ingrepen een archeologisch onderzoek verplicht is en wordt als toetsingskader gebruikt voor ruimtelijke procedures. Het plangebied valt binnen het bestemmingsplan Buitengebied Bernheze. Volgens dit bestemmingsplan valt het plangebied binnen de dubbelbestemmingen Waarde – Archeologie 2 (noorden en midden) en Waarde – Archeologie 3 (zuiden). Volgens de bijbehorende planregels is archeologisch onderzoek noodzakelijk bij bodemingrepen groter dan respectievelijk 250 m2 en dieper dan 40 cm beneden maaiveld en 2.500 m2 en dieper dan 40 cm beneden maaiveld.6 De dubbelbestemming is afgeleid van de archeologische beleidskaart van de gemeente Bernheze en de bijbehorende beleidsnota.
Volgens de beleidskaart (Figuur 4) ligt het plangebied grotendeels in een zone met een hoge archeologische verwachting. Het zuidelijke deel van het plangebied valt binnen een zone met een middelhoge archeologische verwachting.7
5
Binnen deze straal wordt geacht dat er voldoende informatie beschikbaar is om een gefundeerde uitspraak te doen over de archeologische verwachting van het plangebied. 6 Portaal voor Ruimtelijke Plannen. 7 Kortlang, 2010
Rapport 14377.001 versie 2
Pagina 3 van 21
Huidig milieuonderzoek Voortijdig aan het archeologisch bureauonderzoek is er voor het plangebied een milieuhygiënisch bodemonderzoek uitgevoerd. De resultaten van het milieuhygiënisch bodemonderzoek waren ten tijde van het uitvoeren van dit archeologisch bureauonderzoek nog niet bekend. 2.4
Toekomstige situatie
Het toekomstige gebruik/inrichting van het plangebied kan gevolgen hebben op het in-/ex-situ behoud van de archeologische waarde. In het plangebied is de bouw van de nieuwe woonwijk Kamersche Hoef gepland. Het plan bestaat uit 117 te bouwen woningen. Verder zal er een nieuw wegenplan met kabels en leidingen, tuinen en groenstroken worden gerealiseerd. Het oppervlak en de diepte van verstoring ten behoeve van de nieuwbouw zijn nog niet bekend, maar er kan van worden uitgegaan dat grote delen van het plangebied zullen worden vergraven (zie bijlage 8). De geplande werkzaamheden kunnen tot gevolg hebben dat eventueel aanwezige archeologische waarden worden verstoord. 2.5
Aardwetenschappelijke gegevens
Het landschap heeft altijd een belangrijke rol gespeeld in het nederzettingspatroon. Bij onderzoek naar archeologische sporen in een bepaald gebied is het van groot belang te weten hoe het landschap er in het verleden heeft uitgezien. Men kan meer te weten komen over dit landschap door de geologische opbouw, de bodem en de hydrologie van een gebied te bestuderen. De volgende aardwetenschappelijke gegevens zijn bekend van het plangebied: Tabel I.
Aardwetenschappelijke gegevens plangebied
Type gegevens
Gegevensomschrijving
Geologie8
Formatie van Boxtel met een dek van het Laagpakket van Wierden; fluvioperiglaciale afzettingen (leem en zand) met een zanddek (Bx6)
Geomorfologie9
Dekzandwelvingen (3L51) en bebouwd gebied
Bodemkunde10
Voornamelijk hoge zwarte enkeerdgronden; leemarm en zwak lemig fijn zand (zEZ21). Noordoosten van het plangebied: Beekeerdgronden; leemarm en zwak lemig fijn zand (pZg21).
Grondwatertrap
V, VI en VII
Landschappelijke ontwikkeling 11,12 Gedurende de laatste ijstijd had de wind vrij spel in het verplaatsen van zand en silt. In deze periode werd over een groot deel van Nederland, waaronder ook de omgeving van het plangebied, een pakket dekzand afgezet. De dekzanden zijn onderverdeeld in het Oude en Jonge dekzand. Het Oude dekzand is tijdens het Pleniglaciaal afgezet in horizontaal gelaagde pakketten. Door verspoeling komen er vaak lemige of (zwak) grindige banden in het Oude dekzand voor. Het Jonge dekzand is tijdens het Laat Glaciaal afgezet in de vorm van dekzandruggen. Het Jonge dekzand is uitsluitend eolisch afgezet en bevat daardoor geen leem- en grindfractie. Het Jonge dekzand wordt ook wel het Laagpakket van Wierden genoemd, welke behoort tot de Formatie van Boxtel waaronder ook het Oude dekzand valt. Het water van de in het voorjaar smeltende sneeuwmassa´s erodeerde een deel 8
De Mulder et al., 2003. Wageningen Environmental Research, 2017. 10 Stichting voor Bodemkartering, 1976. 11 Berendsen, 2008 12 De Mulder et al., 2003. 9
Rapport 14377.001 versie 2
Pagina 4 van 21
van de dekzandruggen, waarna afzetting plaatsvond in de lagere delen van het landschap als vlaktes van verspoelde dekzanden. Volgens de geologische kaart bevindt het plangebied zich in een uitgestrekt gebied met afzettingen van de Formatie van Boxtel met een dek van het Laagpakket van Wierden; fluvioperiglaciale afzettingen (leem en zand) met een zanddek (Bx6). In het Holoceen (vanaf circa 10.000 jaar geleden) zijn door verwaaiing van de dekzanden lokaal stuifzandgebieden ontstaan. Bij het ontstaan hiervan speelde de mens een belangrijke rol, door beweiding, afbranden en het steken van plaggen op de heidevelden dat voornamelijk plaatsvond in de Nieuwe tijd. De stuifzanden worden gerekend tot het Laagpakket van Kootwijk, welke behoort tot de Formatie van Boxtel. Op 1.000 meter ten noorden van het plangebied bevindt zich het dichtstbijzijnde stuifduinencomplex. Daarnaast zijn er in (lokale) beekdalen in de omgeving van Heeswjk-Dinther afzettingen gevormd bestaande uit leem, veen en zand. Deze afzettingen worden gerekend tot het Laagpakket van Singraven, welke tevens behoren tot de Formatie van Boxtel. De dichtstbijzijnde beekdalen bevinden zich op 500 meter ten zuiden van het plangebied (de Aa) en op 650 meter ten noorden van het plangebied (De Leijgraaf). DINO13 Het Dinoloket is de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO).
Het DINO-systeem is de centrale opslagplaats voor geowetenschappelijke gegevens over de diepe en ondiepe ondergrond van Nederland. Het archief omvat diepe en ondiepe boringen, grondwatergegevens, sonderingen, geo-elektrische metingen, resultaten van geologische, geochemische en geomechanische monsteranalyses, boorgatmetingen en seismische gegevens. De site wordt beheerd door TNO. In het Dinoloket is een boring op 85 meter ten noordoosten van het plangebied bestudeerd.14 Hieruit blijkt dat de bovenste 3 meter van de ondergrond bestaat uit zand- en leemafzettingen. Geomorfologie15 De geomorfologische kaart van Nederland (1:50.000) geeft de mate van reliëf en de vormen die in het landschap te onderscheiden zijn weer. Volgens de geomorfologische kaart ligt het plangebied grotendeels binnen een gebied met Dekzandwelvingen (3L51). Doordat de noordelijke en zuidelijke randen van het plangebied zich binnen de bebouwde kom van Heeswijk-Dinther bevindt, is de geomorfologie hier niet gekarteerd (zie figuur 5). Uit extrapolatie van geomorfologische gegevens buiten het plangebied is het aannemelijk dat het noordelijke deel van het plangebied ook op dekzandwelvingen ligt. De zuidelijke rand van het plangebied ligt waarschijnlijk op een Dekzandrug (3B53).
Het Dekzandwelvingencomplex vormt samen met de dekzandrug ten zuiden hiervan een west-oost georiënteerde rug tussen de beekdalen van de Leygraaf in het noorden en de Aa in het zuiden. De kern van HeeswijkDinther ligt ook op deze rug. Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN)16 Het Actueel Hoogtebestand Nederland vormt een belangrijke aanvullende informatiebron voor de landschapsanalyse. Dit met behulp van laseraltimetrie verkregen digitale bestand vormt een gedetailleerd beeld van het huidige reliëf in het plangebied. Op het AHN is de ligging van het plangebied op de hoger gelegen rug tussen de lagergelegen beekdalen duidelijk te herkennen. De dekzandrug aan de zuidrand vormt hierbij het hoogst gelegen gebied, de dekzandwelvingen ten noorden hiervan lopen in noordelijke richting geleidelijk af naar het beekdal van de Leygraaf. Binnen het plangebied dat twee percelen in het oosten van het plangebied (perceel 1478 en het oostelijke deel van perceel 2477)
13
Dinoloket. DINO boornummers B45G0821 15 Wageningen Environmental Research, 2017. 16 AHN.nl 14
Rapport 14377.001 versie 2
Pagina 5 van 21
circa een halve meter lager liggen dan de rest van het plangebied (zie figuur 6). Mogelijk zijn deze percelen in het verleden afgegraven. Bodemkunde17 Volgens de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) is het plangebied voornamelijk gekarteerd als hoge zwarte enkeerdgronden; leemarm en zwak lemig fijn zand (zEZ21). Het noordoosten van het plangebied valt binnen een gebied met Beekeerdgronden; leemarm en zwak lemig fijn zand (pZg21). In het zuidoosten van het plangebied liggen twee randen net binnen een als bebouwd gebied gekarteerd gebied (zie figuur 7). Enkeerdgronden zijn oude bouwlanden, die vanaf de Late-Middeleeuwen op de Pleistocene zandgronden zijn ontstaan door het opbrengen van mest (uit potstallen) vermengd met plaggen, die gestoken werden op de woeste gronden (zoals heide, bossen en beekdalen). Dergelijke gronden zijn eerst ontstaan op de hogere delen van het landschap en hebben zich later uitgebreid tot de lagere delen. Ze bestaan uit dikke lagen leemarme en humusrijke gronden. Het belang van een enkeerdgrond ligt in de beschermende kwaliteiten van het dek. Eventuele archeologische waarden worden in de regel door het dikke dek beschermd tegen verstoring door onder andere agrarische activiteiten. Sinds de jaren ‘80 van de 20e eeuw is er een grotere en meer systematische aandacht voor plaggenbodems in Nederland.
In veel gevallen bleken de betreffende terreinen een hoge dichtheid aan verhoudingsgewijs goed geconserveerde archeologische overblijfselen te bevatten, soms zelfs complete archeologische landschappen. De vaak opmerkelijke resultaten vormen de belangrijkste bron voor de beschrijving van de bewoning en het landgebruik in de zandlandschappen voor de periode vanaf de Midden-Bronstijd tot in de Nieuwe tijd. Veel hiervan representeert de vroegere geschiedenis van de dorpen die tussen de 9e en de 12e eeuw naast de essen kwamen te liggen. De rijkdom aan archeologische resten heeft er toe geleid dat de hoger en droger gelegen plaggendekken of enkeerdgronden over het algemeen een hoge indicatieve archeologische waarde kregen.18 Beekeerdgronden zijn bodems met een humushoudende bovengrond met hydromorfe kenmerken (gleysporen) onder de A-horizont. Het humushoudende dek kan tot 50 cm dik zijn. Als het dikker is dan 30 cm dan is het meestal opgehoogd met een eerddek. Als het dikker is dan 50 cm behoort de bodem tot de enkeerdgronden. In de omgeving rond het plangebied zijn deze bodems ontstaan in de uitgestrekte vlakke en laaggelegen delen buiten de beekdalen. Boringen en/of sonderingen In het plangebied zijn in het kader van andere bodemonderzoeken (nog) geen boringen dan wel sonderingen gezet waarvan de resultaten gebruikt kunnen worden voor dit bureauonderzoek.
Binnen plan Kamersche Hoef zijn in 2011 al boringen geplaatst tussen beide deelgebieden van het actuele onderzoek. Deze boringen zijn in paragraaf 1.1 reeds besproken. Grondwatertrap Grondwatertrappen zijn een indicatie voor de diepte van de grondwaterstand en de seizoensfluctuatie daarvan. De grondwatertrappenindeling is gebaseerd op de gemiddeld hoogste (GHG) en de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG). Hiermee worden de winter- en zomergrondwaterstanden gekarakteriseerd in een jaar met een gemiddelde neerslag en verdamping. In stedelijk gebied zijn geen grondwatertrappen bepaald. Deze worden als ‘witte vlekken’ op de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) weergegeven.
17 18
Stichting voor Bodemkartering, 1976. Doesburg et al., 2007.
Rapport 14377.001 versie 2
Pagina 6 van 21
Tabel II geeft een overzicht van de klassengrenzen die worden aangehouden bij de indeling van de grondwatertrappen. De trappen worden vastgesteld op een schaal van I tot VII van respectievelijk extreem nat tot extreem droog. Bij sommige grondwatertrappen is een * weergegeven: het gaat hier om tussenliggende grondwatertrappen die een drogere variant vertegenwoordigen. Grondwatertrappenindeling19
Tabel II. Grondwatertrap
I
II'
III'
IV
V'
VI
VII"
VIII
GHG (cm -mv)
-
<40
<40
>40
<40
40-80
>80
> 140
GLG (cm -mv)
<50
50-80
80-120
80-120
>120
>120
>120
-
') ")
Bij deze grondwatertrappen wordt een droger deel onderscheiden Een met een * achter de code als onderverdeling aangegeven "zeer droog deel" heeft een GHG dieper dan 140 cm beneden maaiveld
Gebiedsdelen met een goede ontwatering (Grondwatertrap VI, VII en VIII) zijn zeer geschikt voor landbouw en vormden mede daarom, vooral in het verleden, een aantrekkelijk vestigingsgebied. Ook is het grondwaterpeil een indicatie voor de conservering van metalen en organische resten, hoe beter de ontwatering hoe slechter de conservering. Binnen het plangebied worden drie grondwatertrappen aangetroffen: van zuid naar noord grondwatertrap VII, VI en V. Dit duidt er op dat het plangebied van zuid naar noord natter wordt, wat samenhangt met de overgang van droge dekzandrug in het zuiden naar lager gelegen vlakte richting het beekdal in het noorden. Omdat het plangebied op zand ligt en de toekomstige bebouwing maar op een beperkt deel van het plangebied zal plaatsvinden wordt niet verwacht dat het toekomstig grondwaterpeil zal worden beïnvloed. 2.6
Archeologische waarden
Voor de uitkomst van het bureauonderzoek is het van belang de bekende archeologische waarden (al dan niet volledig onderzocht) te beschrijven. Een belangrijke informatiebron is het landelijke ARCHeologisch Informatie Systeem (ARCHIS), dat beheerd wordt door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE).20 In dit systeem worden alle archeologische gegevens verzameld en via internet zijn deze door bevoegden te raadplegen. De bekende archeologische waarden zijn middels kaartmateriaal weergegeven in figuur 8. Hierop staan de in ARCHIS geregistreerde AMK-terreinen, waarnemingen, vondstmeldingen en onderzoeksmeldingen binnen een straal van 500 meter weergegeven. Aangezien de gemeentelijke beleidskaart een hoger detailniveau heeft dan de landelijke IKAW (Indicatieve Kaart Archeologische Waarde) is de IKAW voor het onderzoek niet geraadpleegd. Cultuurhistorische Waardenkaart Provincie Noord-Brabant21 In de CHW-kaart van de provincie Noord-Brabant heeft de provincie het ‘provinciaal belang’ aangeduid. Dit belang bestaat uit 21 cultuurhistorische en 16 archeologische landschappen. In de 21 cultuurhistorische landschappen heeft de provincie verschillende cultuurhistorische vlakken gedefinieerd. Van al deze landschappen en vlakken zijn beknopte beschrijvingen gemaakt.
De 16 archeologische landschappen hebben tot doel om het bodemarchief in de bewuste gebieden duurzaam en in samenhang te behouden. Het plangebied ligt niet in een cultuurhistorisch en/of archeologisch landschap.
19
Locher & De Bakker, 1990. Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort 21 Brabant.nl 20
Rapport 14377.001 versie 2
Pagina 7 van 21
AMK-terreinen binnen het onderzoeksgebied 22 De Archeologische Monumentenkaart (AMK) bevat een overzicht van archeologische monumenten/terreinen in Nederland. De terreinen zijn beoordeeld op verschillende criteria (kwaliteit, zeldzaamheid, representativiteit, ensemblewaarde en belevingswaarde). Op grond daarvan zijn deze ingedeeld in vier categorieën; terreinen met archeologische waarde, een hoge archeologische waarde, een zeer hoge archeologische waarde of een zeer hoge archeologische waarde met een beschermde status. Het plangebied ligt niet binnen een AMK-terrein. Binnen het onderzoeksgebied van 500 meter bevindt zich geen AMK-terrein. Het dichtstbijzijnde AMK-terrein betreft een oude woongrond op een hoge oeverwal langs de Aa met resten uit de Romeinse tijd en Vroege-Middeleeuwen op 950 meter ten zuidwesten van het plangebied (zie bijlage 2 en figuur 8). In het verleden uitgevoerde archeologische onderzoeken binnen het onderzoeksgebied 23 Binnen het onderzoeksgebied zijn in de afgelopen jaren door verschillende archeologische bedrijven en instellingen in totaal negen archeologische onderzoeken uitgevoerd. Het gaat daarbij uitsluitend om bureauonderzoeken en booronderzoeken (zie bijlage 3 en figuur 8). De resultaten van de onderzoeken die rondom het plangebied zijn uitgevoerd laten zien dat de bodemopbouw voornamelijk bestaat uit met enkeerdgronden afgedekte dekzandruggen.
Plaatselijk zijn oude akkerlagen en/of een (deels) intact podzolprofiel aangetroffen onder het eerddek. Op andere locaties is de top van de dekzandafzettingen sterk wisselend verstoord. Voor gebieden met een weinig verstoord bodemprofiel zijn aanvullende proefsleuvenonderzoeken geadviseerd, maar op geen van de locaties binnen 500 meter rond het plangebied is dit (al) uitgevoerd. Vondstmeldingen binnen het onderzoeksgebied24 In ARCHIS staan alle bekende archeologische vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het plangebied zijn geen vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het onderzoeksgebied staan acht vondstmeldingen geregistreerd (zie bijlage 4 en figuur 8). De vondsten die rondom het plangebied zijn gedaan laten zien dat er in ieder geval menselijke activiteiten hebben plaats gevonden in het onderzoeksgebied in de perioden Neolithicum tot en met Nieuwe tijd, en dan met name vanaf de Romeinse tijd tot en met de Nieuwe tijd. Wetenschappelijke publicaties, archieven en provinciaal archeologisch depot In het kader van dit bureauonderzoek is behalve het rapport van het door RAAP uitgevoerde archeologische onderzoek uit 2012 (zie hoofdstuk 1.1) ook nog een in 2016 en 2020 door Aeres opgesteld rapport van een archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek geraadpleegd.
Aeres heeft in 2016 en 2020 in twee fasen het gebied iets ten zuiden van het plangebied aan de overzijde van de Veldstraat onderzocht.25 Archeologisch onderzoek Aeres 2016 en 2020 Op basis van eerder uitgevoerde onderzoeken in de omgeving kan worden gesteld dat binnen het plangebied vermoedelijk laarpodzolbodems voorkomen. Deze ontstaan in natte gebieden. Het plangebied was mogelijk te nat om in het verleden interessant te zijn geweest als woongrond. Bovendien blijkt in bijna het volledige plangebied van 2016 sprake van een AC-opbouw van de bodem. Er lijkt minimaal 25 cm van de top van de moederbodem omgezet te zijn. Alleen in het uiterste zuiden is het
22
Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort 24 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort 25 Hagens e.a., 2020 23
Rapport 14377.001 versie 2
Pagina 8 van 21
restant van een geroerde BC-horizont aanwezig. De verwachtingen uit het bureauonderzoek zijn derhalve naar beneden bijgesteld. Gezien de zeer beperkte intactheid van de bodem binnen het plangebied en omdat de bodem vermoedelijk altijd minder geschikt is geweest voor bewoning, wordt geadviseerd geen vervolgonderzoek uit te voeren. Dit rapport en bovenstaand advies is goedgekeurd door de adviseur van de bevoegde overheid, in deze mevr. Visser van het Monumenten-huis Brabant bv. Dit deel van het plangebied is dus wat betreft archeologie reeds vrijgegeven. Op basis van het uitgevoerd verkennend veldonderzoek middels boringen voor de westelijke en oostelijke uitbreidingen in 2020 blijkt dat de hoge zwarte enkeerdgrond, zoals verwacht in het bureauonderzoek, nog aanwezig is in het plangebied. Hieronder bevindt zich in de helft van de boringen nog een restant van de oorspronkelijke podzolbodem (B- en BC-horizont). Omdat de top van de oorspronkelijk bodem niet meer aanwezig is en opgenomen in het bovenliggende pakket wordt de kans op het aantreffen van kwetsbare jager-verzamelaars resten klein, de verwachting hierop wordt dan ook bijgesteld naar laag. De hoge verwachting voor de periode Neolithicum-Vroege Middeleeuwen wordt op basis van het ontbreken van het bovenste deel van de bodem bijgesteld naar middelhoog.
De lage verwachting voor de periode Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd wordt, omwille van de ligging in een buitengebied dat pas in de 20e eeuw in ontwikkeling kwam, gehandhaafd. Voor de huidige uitbreiding van het plangebied wordt om bovenstaande redenen archeologisch vervolgonderzoek in de zones met een restant B- en BC-horizont geadviseerd. Dit vervolgonderzoek kan bijvoorbeeld plaats vinden in de vorm van een proefsleuvenonderzoek.26 2.7
Beschrijving van het historische gebruik
In het plangebied kunnen naast archeologische sporen ook historische relicten voorkomen die nog in het landschap zichtbaar zijn. Het gaat hierbij om historisch geografische relicten zoals nederzettingsvormen en wegen- en kavelpatronen. Veel van deze bewaard gebleven historische geografie geeft door de herverkavelingen in de tweede helft van de 20 e eeuw een incompleet beeld van het historisch landschap. Historische kaarten van vóór de herverkaveling zijn een goede aanvulling op het huidige incomplete beeld. Voor de historische ontwikkeling is naast het historisch kaartmateriaal ook relevante achtergrondliteratuur geraadpleegd. Korte bewoningsgeschiedenis van Heeswijk-Dinther In deze paragraaf wordt een bespreking van de bewoningsgeschiedenis van de streek gegeven. Een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland wordt weergegeven in bijlage 5. Tot 1 januari 1969 was Heeswijk een zelfstandige gemeente in het noordoosten van NoordBrabant, gelegen aan het riviertje de Aa en de Zuid-Willemsvaart, tussen Berlicum, Schijndel en Dinther. Het gebied besloeg een oppervlakte van 1.528 hectare en telde één kerkdorp: Heeswijk. In 1969 fuseerde Heeswijk met Dinther tot de nieuwe gemeente Heeswijk-Dinther en in 1994 ging deze gemeente op in de huidige gemeente Bernheze. De naam Heeswijk gaat terug op het Oudhoogduitse "haisjo", dat "kreupelhout" betekent.
Het element "wijk" hangt samen met het Latijnse vicus dat buurtschap, dorp, landgoed betekent. Heeswijk is ontstaan in het dal van het riviertje de Aa, dat lange tijd bevaarbaar is geweest tot Veghel. In 1196 schonk Albert, heer van Dinther, die één der eerste bewoners van het kasteel van Heeswijk op circa 1,5 kilometer ten westen van het plangebied moet zijn geweest, al zijn bezittingen aan de Norbertijnen in Berne, nabij Heusden. Deze bezittingen lagen in de buurt van het Hof Bernehese bij Dinther (op circa 500 meter ten oosten van het plangebied) en van een moerassig gebied dat Loesbruch werd genoemd. Aldus werd Bernehese een uithof van de Norbertijnen, die sindsdien met Heeswijk en Dinther verbonden zijn gebleven. Als gevolg van de Staatse verovering van de Meierij vond abt Jan 26
Hagens e.a., 2020
Rapport 14377.001 versie 2
Pagina 9 van 21
Moors in 1629 onderdak in het Slotje te Heeswijk en sinds 1857 was daar de nieuwe abdij van Berne gevestigd. Ook Kasteel Heeswijk en zijn bewoners speelden een belangrijke rol in de geschiedenis van Heeswijk. Er waren Van Dinthers, Van Berlaers en Van Bentheims, en ook Van der Hoevens en Speelmansen, maar Andreas Johannes Ludovicus Baron van den Bogaerde van Terbrugge stak hen allemaal naar de kroon. Hij was in 1830 gouverneur van Noord-Brabant geworden en bevorderde onder andere de aanleg van de straatweg Rosmalen-Veghel, die Heeswijk en Dinther ontsloot (de huidige Hoofdstraat op 150 meter ten zuiden van het plangebied). Deze eerste provinciale weg heet ten westen van Heeswijk en Dinther dan ook nog steeds Gouverneursweg. Hierlangs groeiden beide dorpen geleidelijk aan elkaar. De ingebruikname van een nieuwe gemeentehuis ongeveer halverwege vormde in 1982 de afronding van dit proces. Aan het begin van de 19e eeuw, in 1813 telde Heeswijk ruim 700 inwoners. In 1850 waren dat er 997 en in 1900 1.158. Die heel geleidelijke groei van de gemeente kreeg een soort versnelling na de tweede wereldoorlog: in 1950 was de bevolking bijna verdubbeld tot 2.065. Bijna twintig jaar later, in 1969, het jaar van het samengaan met Dinther in de nieuwe gemeente Heeswijk-Dinther, woonden er officieel 2.708 mensen in Heeswijk.
In 2000 waren dat er 3.053.27 Historisch kaartmateriaal De situatie van het plangebied is op verschillende historische kaarten als volgt: Tabel III.
Geraadpleegd historisch kaartmateriaal
Bron
Periode
Kaartblad
Schaal
Omschrijving plangebied
Bijzonderheden/directe omgeving
Kadastrale minuut28
1811-1832
Gemeente Heeswijk, Sectie B, Blad 02
1:2.500
Bouwland, weiland en tuin, met in het zuidoosten een bakhuis
Huidige wegennet al aanwezig. Bebouwing ten noorden en zuidoosten van het plangebied
Militaire topografische kaart29 (nettekening)
1850-1865
45 ‘s-Hertogenbosch
1:50.000
Akkerland
Bebouwing ten noorden en zuidoosten van het plangebied
Militaire topografische kaart (veldminuut)
1899
609
1:50.000
Akkerland, grasland en boomgaard
Bebouwing ten noorden en zuidoosten van het plangebied
Militaire topografische kaart (veldminuut)
1916
609
1:50.000
Akkerland, grasland en boomgaard
Bebouwing ten noorden en zuidoosten van het plangebied
Militaire topografische kaart (veldminuut)
1928
609
1:50.000
Akkerland, grasland en boomgaard
Bebouwing ten noorden en zuidoosten van het plangebied
Topografische kaart
1956
45G
1:25.000
Akkerland, grasland en boomgaard. In het noordoosten van het plangebied twee schuurtjes
Bebouwing ten noorden en zuidoosten van het plangebied
Topografische kaart
1967
45G
1:25.000
Akkerland, grasland en boomgaard. In het noordoosten van het plangebied twee schuurtjes
Bebouwing ten noorden en zuidoosten van het plangebied
Topografische kaart
1978
45G
1:25.000
Akkerland en grasland. In het noordoosten van het plangebied twee schuurtjes
Bebouwing ten noorden en zuidoosten van het plangebied
Topografische kaart
1988
45G
1:25.000
Akkerland en grasland. Bebouwing in het noordoosten van het plangebied uitgebreid met een derde schuur
Bebouwing ten noorden en zuidoosten van het plangebied
27
BHIC.nl Beeldbank Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed 29 Kadaster Topotijdreis (bron voor deze kaart en de hierop volgende kaarten in deze tabel). 28
Rapport 14377.001 versie 2
Pagina 10 van 21
Topografische kaart
1999
45G
1:25.000
Akkerland en grasland. In het noordoosten van het plangebied drie schuren en in het zuidoosten een schuur
Bebouwing ten noorden en zuidoosten van het plangebied
Op basis van het beschikbare gedetailleerde historische kaartmateriaal blijkt dat het plangebied begin 19e eeuw onderdeel uitmaakte van een akkergebied op circa 400 meter ten noordwesten van de toenmalige kern van Heeswijk. Langs de huidige Lariestraat iets ten noordoosten van het plangebied was destijds een vrij dichte lintbebouwing aanwezig. De huidige wegen rond het plangebied waren destijds allemaal al aanwezig. Er bevond zich zelfs een niet meer bestaande voorganger van de huidige Hopveld direct langs de oostelijke rand van het plangebied. Verder was er al bebouwing op de plaatsen van de huidige bebouwing direct ten zuidoosten (huidige Veldstraat 34a-36a) en noorden (huidige Lariestraat 21-23a) van het plangebied. In het zuidoosten van het plangebied bevond zich begin 19e eeuw een bakhuis dat behoorde tot het huidige Veldstraat 34a-36a. In de 19e eeuw zijn delen van het plangebied ook als boomgaard in gebruik genomen, het bakhuis lijkt toen niet meer aanwezig te zijn geweest. Tot in de tweede helft van de 20e eeuw veranderde er weinig aan het landschapsbeeld van het plangebied en de directe omgeving. Pas in de jaren ’80 werden de woonwijken van Heeswijk ten oosten van het plangebied gerealiseerd.
In de jaren ’50 werden er in het noorden en zuidoosten van het plangebied enkele schuren en stallen van de naastliggende agrarische bedrijven deels binnen het plangebied gerealiseerd (zie figuur 9-12). Rijks- en gemeentemonumenten binnen attentiegebied Een rijksmonument is in Nederland een zaak (een bouwwerk of object, of het restant daarvan) die van algemeen belang is wegens de schoonheid, de betekenis voor de wetenschap of de cultuurhistorische waarde. Een gemeente kan besluiten een bijzonder pand op de gemeentelijke monumentenlijst te zetten. Dit gebeurt als een pand geen nationale betekenis heeft, maar wel van plaatselijk of regionaal belang is. Naast het gemeentelijk monument is er ook nog het Monumenten Inventarisatie Project (MIP). De MIP Gemeentebeschrijvingen vormen een verzameling beschrijvingen van de historischgeografische, sociaaleconomische, architectuurhistorische, bouwhistorische en stedenbouwkundige ontwikkelingen van gemeenten in de periode 1850-1940. Het plangebied ligt niet binnen een 50 meter attentiezone van zowel rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten als MIP monumenten. Bouwhistorische gegevens Voor de bouwhistorische gegevens van de (voormalige) bebouwing in het plangebied is het Brabants Historisch Informatie Centrum (BHIC) geraadpleegd. Tabel IV geeft een opsomming van de bekende verleende bouwvergunningen voor het plangebied. Tabel IV.
Verleende bouwvergunningen
Jaartal
Verstoringsdiepte
Omschrijving
1960
Onbekend, niet onderkelderd
Varkensstal zonder gierkelder op Lariestraat 21
1975
Onbekend, niet onderkelderd
Verbouwing woning Veldstraat 36A.
Bij het raadplegen van de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) van de bestaande bebouwing blijkt dat de bijgebouwen in het plangebied tussen 1950 en 1983 zijn gerealiseerd. 30 Tweede Wereldoorlog Om vast te stellen of mogelijke archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied aanwezig zijn, is een aantal publicaties geraadpleegd. 31 Het raadplegen van deze bronnen geeft
30
Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG)
Rapport 14377.001 versie 2
Pagina 11 van 21
geen redenen om aan te nemen dat er archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied te verwachten zijn. Wel is er een ruiming bekend van OCE iets ten noordwesten van het plangebied. Aanvullende informatie Heemkunde Vereniging Voor aanvullende informatie is contact gezocht met de plaatselijke Heemkundekrinmg De Wojstap, maar dit heeft binnen het tijdsbestek van de uitvoering van dit onderzoek geen aanvullende informatie opgeleverd. 2.8
Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel
Op grond van de gegevens uit het bureauonderzoek is de volgende gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld: Tabel V.
Gespecificeerde archeologische verwachting
Archeologische periode
Gespecificeerde verwachting
Te verwachten complextype/resten
Relatieve diepte t.o.v. het maaiveld
(Laat-)Paleolithicum
Middelhoog
Kampementen, vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen
Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen
Mesolithicum
Middelhoog
Kampementen, vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen
Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen
Neolithicum
Hoog
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, houtskool en gebruiksvoorwerpen
Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen
Bronstijd
Hoog
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, metaalresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen
Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen
IJzertijd
Hoog
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen
Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen
Romeinse tijd
Hoog
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen
Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen
Vroege-Middeleeuwen
Hoog
Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen
Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen
Late-Middeleeuwen
Hoog
Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwer-
Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen
Amersfoort & Kamphuis, 1990/Jong, 1969 – 1994/ Indicatieve kaart Militair Erfgoed/VEO Bommenkaart/Ruimingskaart/Klep & Schoenmaker, 1995/Zwanenburg, 1990. 31
Rapport 14377.001 versie 2
Pagina 12 van 21
pen Nieuwe tijd
Hoog
Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen
Onder maaiveld/in het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen
Uit de landschappelijke ligging op de noordelijke flank van een dekzandrug, blijkt dat het plangebied vanaf het Paleolithicum bewoonbaar is geweest voor jagers en verzamelaars en vanaf het Neolithicum voor landbouwers. Uit de archeologische gegevens die verzameld zijn uit het onderzoeksgebied blijkt dat er in de omgeving van het plangebied sporen van menselijke activiteit zijn waar genomen uit de perioden Neolithicum tot en met Nieuwe tijd, en dan met name vanaf de Romeinse tijd tot en met de Nieuwe tijd. Uit het archeologisch booronderzoek dat al is uitgevoerd in het centrale deel van het te ontwikkelen plan Kamersche Hoef blijkt dat op de zuidelijke helft een eerddek met daaronder mogelijk een oude akkerlaag is aangetroffen. De noordelijke flank vertoonde een natter bodemprofiel. 32 Door archeologisch onderzoek is er een goed beeld van waar de jagers en verzamelaars hun tijdelijke kampementen vestigden. De jagers en verzamelaars waren afhankelijk van een aantal ecologische factoren, zoals het voedselaanbod en de aanwezigheid van grondstoffen in de omgeving van de locatie. Ze leefde van de jacht, visserij en het verzamelen van onder andere noten, vruchten en wortels. Dit soort voedsel was met name te vinden op het overgangsgebied van hoge en droge gronden naar lage en natte gronden, de gradiëntzone, en dichtbij water, zoals vennen en beken.
Op dit soort locaties was ook drinkwater bereikbaar.33 Door de ligging van het plangebied op de flank van een dekzandrug naar een natter gebied, maar wel iets verder van een beekdal, geldt er een middelhoge gespecificeerde verwachtingswaarde voor archeologische resten uit het Laat-Paleolithicum en Mesolithicum. Voor de landbouwers zijn andere factoren van belang bij de locatiekeuze. Vanaf het Neolithicum ging men zich vestigen op één locatie. Om te kunnen blijven wonen op één plek werd het kunnen uitvoeren van landbouw een belangrijke factor. Voor akkerbouw is onder andere een vruchtbare bodem en een goede afwatering van belang.34 Omdat het plangebied op de flank van een dekzandrug ligt waar direct aangrenzend mogelijk een oude akkerlaag onder het eerddek is aangetroffen, geldt er een hoge gespecificeerde verwachtingswaarde voor archeologische resten uit het Neolithicum tot en met de Vroege-Middeleeuwen. Vanaf de Middeleeuwen zijn schriftelijke bronnen bekend die de bekende locatiekeuzes en archeologische gegevens kunnen aanvullen. Vanaf de 13 e eeuw wordt de locatie langs kruisingen en splitsingen van doorgaande en lokale wegen ook van belang voor de locatiekeuze van een nederzetting. Deze nederzettingen kunnen zijn gegroeid tot de hedendaagse gehuchten en woonkernen. 35 Het plangebied ligt omsloten door wegen waarlangs begin 19e eeuw al dicht bebouwde lintbebouwing lag.
Ook direct aangrenzend aan het plangebied bevond zich destijds al bebouwing. Daarom geldt voor het plangebied een hoge gespecificeerde verwachtingswaarde voor archeologische resten uit de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Deze archeologische resten worden verwacht onder het eerddek en in de top van de oorspronkelijke C-horizont. De vondstenlaag is opgenomen onder in het eerddek; hier wordt ook wel van ‘cultuurlaag’ gesproken: een doorwerkte oude bodem tussen het eerddek en de ongeroerde ondergrond met klei32
Hensen, 2012 Louwe Kooijmans et al., 2005. 34 Louwe Kooijmans et al., 2005. 35 Renes, 1999. 33
Rapport 14377.001 versie 2
Pagina 13 van 21
ne fragmenten aardewerk, natuursteen, vuursteen en houtskool. Aan en direct onder het maaiveld worden archeologische resten verwacht uit de Nieuwe tijd. De vondstenlaag van deze resten zal zich niet dieper bevinden dan circa 30 cm beneden het maaiveld. Archeologische sporen worden verwacht in de top van de C-horizont. Organische resten en metaal zullen door de relatief droge en zure bodemomstandigheden slecht zijn geconserveerd. Het complextype en de omvang kunnen niet nader worden gespecificeerd door de beperkte gegevens. Bodemverstoring Dat een gebied een middelhoge of hoge archeologische verwachting heeft, betekent niet dat eventuele aanwezige archeologische resten behoudenswaardig zijn. De waarde van archeologische vindplaatsen wordt grotendeels bepaald door de mate waarin grondsporen dan wel vondsten in situ bewaard zijn gebleven. Het plangebied is in het verleden in gebruik geweest als akker, grasland, boomgaard en deels als erf. Door ploegen, rooiwerkzaamheden en graaf- en bouwactiviteiten kunnen eventueel aanwezige archeologische waarden, die vanaf het maaiveld worden verwacht, mogelijk verloren zijn gegaan. 2.9
Conclusie bureauonderzoek
Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Gezien de in dit bureauonderzoek opgestelde middelhoge tot hoge archeologische verwachting is binnen het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk om deze te toetsen. Gezien de omvang van het plangebied en de aanwezigheid van een hoge zwarte enkeerdgrond is in dit stadium de meest geschikte onderzoeksmethode een verkennend booronderzoek. Verspreid in het plangebied dienen boringen te worden gezet met als doel om inzicht te krijgen in de toestand van het bodemprofiel. Tevens dient gekeken te worden naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen. Door middel van het verkennend booronderzoek dient te worden vastgesteld of er binnen het plangebied archeologische resten in situ te verwachten zijn.
3
INVENTARISEREND VELDONDERZOEK
3.1
Doelstelling en onderzoeksvragen
Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied. Tevens dient te worden vastgesteld wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. 3.2