CConstaterende datBernheze
Koppel je AI →
Document · PDF

6. Plantoelichting bestemmingsplan Hoofdstraat HD

Commissie Ruimtelijke Zaken 19 juni 2024, gemeente BernhezeBij agendapunt: Vaststellen bestemmingplan 'Hoofdstraat 45, 47, 47a en 49 & Mgr. van Oorschotstraat 9, Heeswijk-Dinther'17.368 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

het bouwplan geen belemmeringen op. Het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied is gewaarborgd.

26

3.3 Milieuzonering / hinderlijke bedrijvigheid Doelstelling en (wettelijk) beleidskader Het doel van milieuzonering is om te komen tot een optimale kwaliteit van de leefomgeving. Instrumenten van ruimtelijke ordening en milieu kunnen elkaar daarbij ondersteunen. Om tot een optimale invulling van de ruimte te komen, onderscheidt de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) in haar brochure Bedrijven en Milieuzonering (2009) twee omgevingstypen: 1. omgevingstype rustige woonwijk of rustig buitengebied; 2. omgevingstype gemengd gebied. Ad. 1 Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied. Ad. 2 Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor, zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.

Vervolgens worden in de brochure, op basis van een aantal factoren (geur, stof, geluid en gevaar), richtafstanden genoemd tussen verschillende bedrijfstypen en omgevingstype ‘rustige woonwijk’ of ‘rustig buitengebied’, waarmee gemeenten bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening kunnen houden. Indien sprake is van het omgevingstype ‘gemengd gebied’, dan kunnen de richtafstanden – zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat en het functioneren van bedrijven – met één afstandsstap worden verlaagd. In de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) staan standaard, landelijk geldende, afstanden en normen waaraan de ligging en geurbelasting van dierenverblijven getoetst moeten worden, in het geval van een aanvraag om milieuvergunning. De Wgv is nader uitgewerkt in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv). De normen gelden ter plaatse van geurgevoelige objecten (bijvoorbeeld woningen) en de afstanden gelden tot deze geurgevoelige objecten. Motivering milieuzonering en hinderlijke bedrijvigheid voor bestemmings/bouwplan Geurhinder (Wgv) De standaardnormen uit de Wgv zijn in de navolgende tabel opgenomen.

De Wgv biedt gemeenten de mogelijkheid de standaardnormen en afstanden aan te passen middels een gemeentelijke verordening. Het plangebied ligt in een gebied waarvoor in de Verordening Fysieke Leefomgeving Bernheze 2021 een geurnorm van 3 ouE/m3 is vastgesteld en een afstandseis van 50 meter is vastgesteld.

27

De veehouderijen in de omgeving en de totale geuremissies per veehouderij zijn weergegeven op navolgende afbeelding.

De dichtstbijzijnde veehouderij met een relevante geuremissie ligt aan Lariestraat 32 op een afstand van ongeveer 600 meter van het plangebied. Aan de afstandseis wordt voldaan. Gezien de geuremissie in relatie tot de afstand tot het plangebied kan op voorhand worden gesteld dat de voorgrondbelasting niet relevant zal zijn. Dit is ook af te lezen uit de kaart met de geurcontouren ten aanzien van achtergrondbelasting (cumulatieve geurbelasting), zie navolgende afbeelding. Aangezien bestaande geurgevoelige objecten zijn gelegen tussen de veehouderijen en het plangebied worden de veehouderijen niet in hun belangen geschaad.

28

Het woon- en leefklimaat is ‘zeer goed’. Het aspect geur vormt geen belemmering voor het plan. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen (intensieve) veehouderijen en andersoortige agrarische bedrijven gelegen. Milieuzonering (categorie-indeling bedrijven) Omgevingstype Het plangebied heeft in het vigerende bestemmingsplan ‘De Kommen van Bernheze’ de bestemming ‘Horeca’, ‘Bedrijf’ en ‘Dienstverlening’. Voor het beoogde plan moet de bestemming moet worden omgezet naar ‘Wonen’. In de huidige en in de beoogde situatie is sprake van bedrijvigheid direct naast woningen, aangezien het plan in het centrum van Heeswijk-Dinther ligt. In de omgeving zijn enkele horeca-, kantoor-, detailhandel- en maatschappelijke bestemmingen (kerk). Daarnaast ligt het plangebied direct aan de hoofdinfrastructuur in de vorm van de Hoofdstraat. Daarom moet worden uitgegaan van het omgevingstype gemengd gebied. Inwaartse milieuzonering Op basis van de vigerende bestemmingsplannen zijn de milieubelastende functies in de omgeving bepaald, zie navolgende tabel. De richtafstanden zijn gebaseerd op een gemengd gebied.

29

* De reductie met één afstandstap leidt niet tot een lager beschermingsniveau voor gevaar, omdat voor activiteiten, waarbij gevaar maatgevend is voor de richtafstanden, vrijwel altijd specifieke regelgeving (zoals het Bevi en het Vuurwerkbesluit) geldt. Bij een klein aantal activiteiten is gevaar bij de bepaling van richtafstanden hét maatgevende milieuaspect zonder dat dit samenhangt met het (mogelijk) van toepassing zijn van het Bevi. Het gaat dan om activiteiten zoals kerncentrales en schietinrichtingen die niet op doorsnee bedrijventerreinen en bedrijvenlocaties zoals in de gemeente voorkomen. De milieubelastende functies en de bijbehorende richtafstanden zijn weergegeven op de navolgende afbeelding.

30

Voor Abdijstraat 1 (autobedrijf) is gevaar niet de maatgevende afstand, de werkelijke afstand is 38 meter en de richtafstand voor gevaar 10 meter. Voor Hoofdstraat 70-72 (cafetaria) en Mgr. Van Oorschotstraat 2 (café) is gevaar wel de maatgevende afstand. Hierbij is de afstand 22 meter en respectievelijk 16 meter, de richtafstand voor gevaar is 10 meter. Hieruit volgt dat aan de richtafstanden wordt voldaan. Het plangebied ligt niet binnen de richtafstanden van milieubelastende functies in de omgeving. Bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor het plan. In de directe omgeving zijn verder geen locaties gelegen waar gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Daarmee vormt dit onderdeel ook geen belemmering voor het plan. Conclusie Dit betekent dat er vanuit de aspecten geurhinder, milieuzonering en hinderlijke bedrijvigheid geen belemmeringen zijn voor het plan.

31

3.4 Externe veiligheid, kabels en leidingen Doelstelling en (wettelijk) beleidskader Het externe veiligheidsbeleid is bedoeld om de risico’s voor de omgeving ten aanzien van handelingen met gevaarlijke stoffen te beperken en te beheersen. De wetgeving is gericht op het gebruiken, opslaan en productie van gevaarlijke stoffen binnen inrichtingen, als wel het transport van gevaarlijke stoffen. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zijn de richtlijnen ten aanzien van inrichtingen opgenomen. Daarnaast zijn er richtlijnen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. In deze regelgeving is de verplichting opgenomen om in ruimtelijke plannen de ontwikkelingen te toetsen op het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Externe veiligheid heeft dus betrekking op situaties waar iets mis zou kunnen gaan met gevaarlijke stoffen, waardoor mensen gevaar lopen. Voorbeelden van risicobronnen en risicovolle activiteiten zijn: productie, gebruik of opslag en transport van gevaarlijke stoffen (LPG-tankstations en fabrieken, routes voor gevaarlijke stoffen, leidingen). Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans per jaar dat een onbeschermd individu overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit plaatsgebonden risico wordt vertaald naar een risicocontour rondom een risicobron (bijvoorbeeld een inrichting of een weg).

De maatgevende grens is de 10-6 contour, dit is de kans van 1 op 1 miljoen dat een onbeschermd persoon omkomt per jaar. Groepsrisico Het groepsrisico is de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico is bedoeld om een inschatting te maken ten aanzien van de maatschappelijke ontwrichting in het geval van een calamiteit. Voor het groepsrisico geldt een oriëntatiewaarde in de verantwoording (dit betekent dat er gemotiveerd van mag worden afgeweken). Elke verandering van het groepsrisico in het invloedsgebied van een risicobron moet verantwoord worden. Hierbij moet ingegaan worden op de wijze waarop deze verandering in het groepsrisico is betrokken bij de besluitvorming. Tevens moeten kwalitatieve aspecten beoordeeld worden, zoals zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Motivering externe veiligheid voor wijzigings-/bouwplan Externe veiligheid inrichtingen Op basis van de Risicokaart van de provincie Noord-Brabant (zie navolgende afbeelding) kan worden geconcludeerd dat in de directe omgeving van het plangebied geen geen inrichtingen liggen die relevant zijn ten aanzien van het vervoer van gevaarlijke stoffen. De op de navolgende afbeelding aangegeven inrichting betreft een LPGtankstation. Voor LPG-tankstations bedraagt het invloedsgebied 150 meter.

Het plangebied ligt op ongeveer 570 meter van dat LPG-tankstation.

32

Wegen Het plangied is gelegen nabij de provinciale weg N279 (wegvakaanduiding B74), en is daarnaast direct gelegen aan de lokale transportwegen Mgr. Van Oorschotstraat en de Hoofdstraat. - Het plangebied ligt op circa 777 meter van de provinciale weg N279 (wegnummer B74). Over deze transportweg worden onder andere gevaarlijke stoffen uit de categorie LT2 vervoerd ((2010) Rapport EV Provinciale wegen, p. 19, tabel B2.1). Quickscan milieuaspecten Hoofdstraat 45-49 en Mgr Van Oorschotstraat 9 Heeswijk-Dinther 19 Datum: 4 april 2023 ; Referentie: 20220932.v01 LT2 heeft een invloedsgebied van 880 meter. Omdat het plangebied niet binnen 200 meter van de transportweg ligt kan volgens art. 7 van het Besluit externe veiligheid transport (Bevt) worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico voor het scenario van een toxische wolk. De ODBN heeft in samenwerking met de Veiligheidsregio Brabant Noord een standaard verantwoording (beperkt) van het groepsrisico voor een toxisch scenario opgesteld. Deze is toegevoegd als bijlage II bij de milieuscan (=bijlage 1). - Het plangebied ligt direct aan de Hoofdstraat en de Monseigneur van Oorschotstraat waarover gevaarlijke stoffen uit de categorieën GF3, LF1 en LF2 worden vervoerd1 . GF3 heeft een invloedsgebied van 355 meter en voor LF1 en LF2 geldt 45 meter2 .

Omdat het plangebied binnen 200 meter van de transportweg ligt dient, volgens art. 8 van het Bevt, een volledige verantwoording van het groepsrisico afgelegd te worden. De volledige verantwoording kan achterwege gelaten worden indien er aangetoond kan worden dat de oriëntatiewaarde niet overschreden wordt en het groepsrisico niet met 10% toeneemt, of het groepsrisico is lager dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde. De vuistregels van de Handleiding risicoanalyse transport (Hart) kunnen worden toegepast om te bepalen of een risicoberekening noodzakelijk is, zie bijlage III bij de milieuscan (=bijlage 1). Geconcludeerd kan worden dat het groepsrisico minder dan 0,1 × de oriëntatiewaarde zal bedragen. Conform het Bevt, artikel 8, lid 2 is een nadere berekening niet nodig en kan volstaan worden met een beperkte verantwoording van het 33

groepsrisico. Bij een beperkte verantwoording van het groepsrisico dient alleen aandacht besteed te worden aan de zelfredzaamheid van personen binnen het plangebied en de bestrijdbaarheid van een ramp op de Hoofdstraat en Mgr. Van Oorschotstraat (artikel 7, Bevt). Spoorwegen In de omgeving van het plangebied liggen geen spoorwegen die relevant zijn ten aanzien van het vervoer van gevaarlijke stoffen. Waterwegen In de omgeving van het plangebied liggen geen waterwegen die relevant zijn ten aanzien van het vervoer van gevaarlijke stoffen. Buisleidingen In de omgeving van het plangebied liggen geen buisleidingen die relevant zijn ten aanzien van het vervoer van gevaarlijke stoffen. De Veiligheidsregio Brabant Noord is conform artikel 9 van het Bevt om advies gevraagd. Dit advies is bijgevoegd als bijlage 1.1. Verantwoording groepsrisico (beperkt) toxisch Vanwege de ligging van de planlocatie in het invloedsgebied van een risicobron waarvan een toxische wolk het maatgevende scenario is, dient een beperkte verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. Hierbij is de Veiligheidsregio om advies gevraagd. Het advies is verwerkt in de verantwoording. Scenario(‘s) Het relevante scenario voor het plangebied i.r.t. het transport van gevaarlijke stoffen is het overdrijven van een toxische wolk.

Door bijvoorbeeld een incident tijdens de verlading of door een mechanische impact op de tank ontstaat een gat waardoor in korte tijd een groot deel van de toxische stof vrijkomt en met de wind mee wordt verspreidt. De kans op een dergelijk ongeval is bijzonder klein. De gevolgen voor personen zijn afhankelijk van de concentratie en blootstellingstijd aan de stof. Mogelijkheden tot bestrijdbaarheid van een calamiteit Bij het scenario toxische wolk zal de brandweer proberen de toxische wolk neer te slaan. Bij een snelle verspreiding van de toxische wolk zal dit echter beperkt effect hebben. De bestrijdbaarheid wordt om deze reden als matig beoordeeld. De mogelijkheden tot zelfredzaamheid. Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar. Het zelfredzame vermogen van personen is een belangrijke voorwaarde om grote aantallen slachtoffers bij een incident te voorkomen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen binnen bebouwing en ontvluchten van het plangebied. Mogelijkheden zelfredzaamheid De mogelijkheden ten aanzien van de zelfredzaamheid zijn goed. Er worden geen nietof verminderd zelfredzame mensen in het plangebied gehuisvest. De aanwezigen zijn normaal gesproken in staat om zelfstandig conform instructies bijvoorbeeld via NL-Alert te reageren. Het aantal mensen in het plangebied is beperkt.

Is het gebied voldoende ingericht om de zelfredzaamheid te kunnen faciliteren? Behalve de vraag of zelfredding mogelijk is, zijn de fysieke eigenschappen van gebouwen en omgeving van invloed op de vraag of die zelfredding optimaal kan plaatsvinden. Vanuit de hierboven geschetste mogelijkheden is het dus van belang, dat het plangebied: - goed te alarmeren is; - goed te schuilen is; - goed te ontvluchten is. Alarmering In geval van een calamiteit zal NL-Alert worden ingezet. NL-Alert is een aanvullend alarmmiddel van de overheid voor de mobiele telefoon. Met NL-Alert kan de overheid mensen in de directe omgeving van een noodsituatie met een tekstbericht informeren. In

34

het bericht staat specifiek wat er aan de hand is en wat je op dat moment het beste kunt doen. Schuilmogelijkheden Schuilen in de afgesloten bebouwing zal in beginsel de beste manier zijn om de calamiteit met het scenario toxische wolk te overleven. Schuilen voor een toxische wolk is mogelijk binnen de bebouwing op de planlocatie. Om veilig schuilen binnen de bebouwing mogelijk te maken dient de bebouwing aan bepaalde veiligheidseisen te voldoen. Als gevolg van energieprestatie-eisen zijn nieuwe woningen goed geïsoleerd en bieden daarom een goede bescherming. Eventuele aanwezige ventilatieopeningen moeten afgesloten kunnen worden. Vluchtmogelijkheden Mocht vluchten noodzakelijk zijn, dan is het plangebied naar meerdere zijden te ontvluchten. Ontvluchten kan in alle gevallen van de risicobron af. Conclusie Met de beschreven maatregelen worden de risico’s met betrekking tot de blootstelling aan een toxische wolk acceptabel gevonden. Er is geen reden voor nader advies. De veiligheidsregio ziet geen reden tot het geven van een nader advies ten aanzien van de zelfredzaamheid van personen binnen het plangebied en de bestrijdbaarheid van een ramp op de wegen. Conclusie Gesteld kan worden dat het voorgenomen plan zelf geen extern veiligheidsrisico vormt. Voor wat betreft externe veiligheid zijn er naar de omgeving toe geen belemmeringen te verwachten.

Uitgebreid onderzoek naar externe veiligheid is na deze quickscan dan ook niet nodig.

3.5 (Ondergrondse) infrastructuur, kabels en (buis)leidingen Toetsingskader Teneinde een goede belangenafweging mogelijk te maken voor de vele functies binnen het plangebied is het noodzakelijk om inzicht te hebben in de ligging en eigenschappen van binnen het plangebied voorkomende kabels en leidingen. Sommige van deze kabels en leidingen vereisen een bepaalde afstand tot gevoelige functies. Voor het plan is met name de ligging van de hoofdtransportleidingen van belang, aangezien deze gekoppeld zijn aan een bepaalde afstand die aangehouden dient te worden waarbinnen geen bebouwing mag plaatsvinden. Transport van gevaarlijke stoffen vindt plaats over de weg, het spoor, het water en door buisleidingen. Tijdens het transport kunnen dingen misgaan waardoor de gevaarlijke lading kan ontbranden of exploderen of waardoor er bijvoorbeeld giftige gassen ontsnappen via een lek of breuk. Bij risicovolle buisleidingen kan gedacht worden aan (hogedruk) transport van aardgas, maar ook van olie, benzine, kerosine, chemische producten en industriële gassen. Deze stoffen kunnen giftig, lichtontvlambaar, of brandbaar zijn. Buisleidingen lopen meestal ondergronds, maar kunnen soms ook bovengronds voorkomen. De grootste kans op een beschadiging aan een buisleiding ontstaat door graafwerkzaamheden.

Denk hierbij aan werkzaamheden aan gas-, olie- en waterleidingen in de grond, of kabels voor stroom, TV, telefoon en internet. De risicokaart toont alle aardgasleidingen vanaf een diameter van 50 mm en een druk van 16 bar, alle buisleidingen voor brandbare vloeistoffen vanaf een diameter van 100 mm en alle overige buisleidingen waarvan geldt dat er een overschrijding van de wettelijke

35

norm is op 5 meter afstand van de buis. Deze wettelijke norm is het plaatsgebonden risico 10-6. Het Besluit Externe Veiligheid Buisleidingen (Bevb) is op 1 januari 2011 in werking getreden. In het Besluit externe veiligheid buisleidingen zoals dit per 1 januari 2011 geldt, staan veiligheidseisen voor de exploitant en de gemeente. Exploitanten hebben een zorgplicht en moeten ervoor zorgen dat hun buisleidingen veilig zijn. Gemeenten moeten buisleidingen in hun bestemmingsplan opnemen en bij nieuwbouw zorgen voor genoeg afstand tot de buisleidingen. Motivering ondergrondse infrastructuur voor wijzigings-/bouwplan Teneinde een goede belangenafweging mogelijk te maken voor de voorgenomen functiewijziging is het noodzakelijk om inzicht te hebben in de ligging en eigenschappen van binnen het plangebied voorkomende kabels en leidingen. Sommige van deze kabels en leidingen vereisen een bepaalde afstand tot gevoelige functies. Voor onderhavig plan zijn er geen belemmeringen aan de orde, zodat er in dit opzicht geen gevolgen zijn voor dit plan. Besluit externe veiligheid buisleidingen Er bevindt zich geen (hoge druk) gasleiding binnen of op korte afstand van het plangebied. Overige kabels en (buis)leidingen Nutsbedrijven eisen dat kabels en leidingen in het openbaar gebied (komen te) liggen.

De initiatienemer van onderliggend bouwplan is verplicht zorg te dragen voor een door gemeente en nutsbedrijven geaccordeerde wijze van aansluiting. Overige zonering Er zijn in/op en nabij het plangebied verder geen ondergrondse leidingen, waterkeringen, straalpaden, molenbiotopen of invliegfunnels aanwezig waarvan de aanwezigheid van invloed kunnen zijn op de voorgenomen ontwikkeling. Conclusie Gesteld kan worden dat het voorgenomen plan, beschouwd vanuit de aspecten ondergrondse infrastructuur, kabels en leidingen, geen problemen oplevert. Nader onderzoek is na deze quickscan niet nodig.

3.6 Milieueffectrapportage Doelstelling en (wettelijk) beleidskader Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r. gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r. wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst D zit, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een gevoelig natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom vanaf 1 april 2011 ook bij kleine bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r. nodig is. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een m.e.r. nodig. 36

De vormvrije m.e.r.-beoordeling is dus altijd nodig als een besluit of plan wordt voorbereid over activiteiten die voorkomen op de D-lijst en die onder de drempelwaarden liggen. Voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling gelden twee voorwaarden: 1. het gaat over één of meer activiteiten die voorkomen op de D-lijst van het Besluit m.e.r.; 2. de omvang van al die activiteit(en) ligt onder de drempelwaarde (kolom 2 van de D-lijst). Bij besluiten en plannen over activiteiten die niet op de D-lijst staan, is de vormvrije m.e.r.-beoordeling dus niet nodig. Motivering m.e.r. voor wijzigings-/bouwplan In de bijlage bij het Besluit m.e.r. is opgenomen welke activiteiten m.e.r.-plichtig zijn (de C-lijst) en welke activiteiten m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst).

Bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling kan aandacht worden besteed aan het volgende: • een globale beschrijving van de ingreep-effectrelaties en dosis-effectrelaties van de voorgenomen activiteit; • wat zijn maatgevende effecten van de voorgenomen activiteit? Is er sprake van emissies (bijvoorbeeld van geluid, lucht), verkeersaantrekkende werking e.d.? Wat is het ruimtebeslag? • wat is de afstand van de activiteit(en) tot gebieden die gevoelig zijn? • zijn er met betrekking tot de activiteit indicatieve invloedsafstanden bekend? (bijvoorbeeld uit het ‘groene boekje’) • waarvoor zijn de gebieden gevoelig? Heeft de voorgenomen activiteit daar invloed op? Om te bepalen of een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is, dient bepaald te worden (1) of de ontwikkeling de drempelwaarden uit de D-lijst van het Besluit m.e.r. overschrijdt, (2) of de ontwikkeling in een gevoelig gebied ligt en (3) of er belangrijke milieugevolgen zijn. 1. In het plangebied wordt de realisatie van 36 woningen mogelijk gemaakt. Er is daarmee geen sprake van een overschrijding van de drempelwaarden uit de D-lijst van het Besluit m.e.r. 2. In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r is bepaald wat verstaan wordt onder een ‘gevoelig gebied’. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden.

Het plangebied behoort niet tot een waterwinlocatie, waterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied. Ook behoort het plangebied niet tot een gebied waarbinnen een Rijksmonument ligt of een Belvédèregebied. 3. In dit hoofdstuk worden de milieueffecten beschouwd, zoals geluid en luchtkwaliteit. Hieruit blijkt dat er door onderhavig bestemmingsplan geen sprake zal zijn van nadelige milieugevolgen. Conclusie Uit jurisprudentie blijkt dat het oordeel of een ruimtelijke ontwikkeling wel of niet aangemerkt kan worden als een stedelijk ontwikkelingsproject onder andere afhangt van de aard en omvang van het plan/voornemen en de vraag of er per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. Uit rechtbankuitspraken zijn hiertoe algemeen geformuleerde vragen af te leiden, zoals: o Is het project gelegen in een stedelijke omgeving? Ja o Wordt de omgeving waarin het project is gelegen, ontsloten door grote ontsluitingswegen? Ja 37

o Zijn de milieugevolgen van het project als beperkt aan te merken? Ja o Is het aantal vierkante meters dat wordt beoogd voor het project, minder dan het aantal vierkante meters dat op grond van het bestemmingsplan wel is toegestaan? o Wijkt de branche waarbinnen het project valt, qua ruimtelijke impact af van de branches die wel zijn toegestaan? Ja o Is het perceel waarop het project is gesitueerd, gelegen binnen een gebied met een gemengd karakter? Ja Gelet op het kleinschalige karakter van het plan in vergelijking met de plandrempels uit het Besluit m.e.r., de ligging van het plangebied (niet in de buurt van een Natura 2000gebied) en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Dit blijkt ook uit de milieutoets van de verschillende milieuaspecten, zoals deze in de overige paragrafen zijn opgenomen. Bij onderhavige ontwikkeling wordt uitgegaan van een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’, zoals bedoeld in het Besluit m.e.r. Het realiseren van woningen valt in beginsel onder onderdeel D (stedelijk ontwikkelingsproject, categorie D.11.2) van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Aangezien het gaat om de oprichting van 36 woningen wordt dit niet gezien als een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. Volledigheidshalve is een vormvrije m.e.r.-aanmeldnotitie opgesteld. Deze is bijgevoegd als bijlage 9.

3.7 Lucht Doelstelling en (wettelijk) beleidskader Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen decennia in Nederland is verbeterd, voldoet ze nog steeds niet overal aan de normen. Met name fijn stof en stikstofdioxiden leveren problemen op. Het doel van het luchtkwaliteitonderzoek is het geven van inzicht in de gevolgen van een plan voor de luchtkwaliteit om een goede luchtkwaliteit te kunnen garanderen. Daarom moet luchtkwaliteit al in een vroeg stadium van de planvorming worden meegewogen. Gegevens over de luchtkwaliteit worden verzameld om vervolgens te kunnen bepalen of er voor het doorgaan van het project al dan niet aanvullende maatregelen nodig zijn. In de praktijk zullen met name fijn stof en stikstofdioxiden moeten worden onderzocht. Daarnaast kan een goede ruimtelijke ordening met zich brengen dat een afweging wordt gemaakt rondom de aanvaardbaarheid van een project op een bepaalde locatie.

De luchtkwaliteit hoeft (artikel 5.16 Wet milieubeheer) geen belemmering te vormen voor ruimtelijke ontwikkelingen als: • er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • een plan of project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt; • een project per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; • een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) dat tevens voorziet in maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren. De luchtkwaliteit komt voort uit Europese wet- en regelgeving en de hoofdlijnen van de regelgeving zijn opgenomen in de Wet milieubeheer. In de Nederlandse wetgeving is opgenomen dat in het geval van ruimtelijke ontwikkelingen beoordeelt moet worden welk effect de gewenste ontwikkeling heeft op de luchtkwaliteit. Er zijn echter situaties waarin een ontwikkeling ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan (de verslechtering) van de luchtkwaliteit. In het besluit ‘niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM) en in de regeling ‘niet in betekenende mate bijdragen’ (Regeling NIBM) is aangegeven in welke gevallen hiervan sprake is. 38

Concreet is in het Besluit NIBM vastgelegd in welke gevallen een ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. Een ontwikkeling is NIBM als aannemelijk is gemaakt dat de ontwikkeling een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m 3 voor zowel fijn stof en NO2. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die sowieso niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit achterwege blijven. De regeling geeft concrete getallen voor plannen die gaan over bijvoorbeeld de bouw van woningen en/of kantoren. De grens voor woningbouwplannen ligt bij 1% op 500 woningen. Als er twee ontsluitingswegen zijn, mag een grens van 1.000 woningen worden gehanteerd.

Op 15 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden die toeziet op het beschermen van bepaalde gevoelige groepen mensen (bijvoorbeeld kinderen, ouderen en zieken). De intentie van het Besluit gevoelige bestemmingen is dat bepaalde gebouwen (bijvoorbeeld scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en verzorgingstehuizen) niet meer worden gebouwd in gebieden waar de normen worden overschreden. Daartoe voorziet het besluit in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is: 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg. In de context van het besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties niet als ‘gevoelige bestemming’ gezien. Motivering lucht voor bestemmings-/bouwplan Plannen hebben pas een negatief effect op de luchtkwaliteit, zodra de verkeersgeneratie in ruime mate toeneemt. Ter vergelijking; een effect op de luchtkwaliteit hoeft pas aangetoond te worden als de bouw van 1.500 woningen of 66.667 m² kantoor en de daarmee gepaard gaande verkeersgeneratie plaatsvindt. Onderhavig plan heeft uiteraard een veel lagere verkeersaantrekkende functie dan 1.500 nieuwe woningen of 66.667 m² nieuw kantooroppervlakte. Hierdoor valt de voorziene woningoprichting ruim onder de 3 % grens voor PM10 of NO2.

Deze wijziging draagt dan ook ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging. Uit de uitsnede van de Atlas Leefomgeving op navolgende afbeelding blijkt dat de luchtkwaliteit ter plaatse van het plan aanvaardbaar is, er wordt ruimschoots voldaan aan de grenswaarden.

39

Gesteld kan worden dat de luchtkwaliteit zal voldoen aan de grenswaarden en dat de luchtkwaliteit verder geen belemmeringen vormt voor de te volgen procedure. Het plan voldoet aan de uitvoeringsregels uit het Besluit Nibm en de Regeling Nibm. Aanvullende berekeningen zijn in het kader van het aspect luchtkwaliteit niet aan de orde. Het aspect luchtkwaliteit levert derhalve geen beperking en/of belemmeringen op aan de planontwikkeling. Conclusie Het plan heeft derhalve geen negatieve invloed op de heersende achtergrondconcentraties luchtverontreinigende stoffen in de directe omgeving van het plangebied. Andersom hebben de heersende achtergrondconcentraties luchtverontreinigende stoffen in Heeswijk-Dinther specifiek en gemeente Bernheze als geheel, ook geen negatieve invloed op het plangebied. 40

Het bestemmingsplan zelf biedt daarmee geen mogelijkheden om overschrijdingen teniet te doen, noch staat het plan het bereiken van de algemene doelstelling voor luchtkwaliteit in de weg.

3.8 Bodem Doelstelling en (wettelijk) beleidskader Het doel van de bodemtoets bij ruimtelijke plannen is na te gaan of de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik en of de bodemkwaliteit een eventuele (financiële) belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van de plannen. Een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd om te kunnen beoordelen of de bodem geschikt is voor de geplande functie en of er sprake is van een eventuele saneringsnoodzaak. Artikel 3.1.6 lid 1 van het Besluit ruimtelijke ordening bepaalt dat bij een ruimtelijk plan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Op grond van artikel 3.1.6 dient een bestemmingsplan alsmede een ontwerp hiervoor vergezeld te gaan van een toelichting, waarin de uitkomsten zijn neergelegd van het met toepassing van artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verrichte onderzoek (waaronder onderzoek naar de kwaliteit van de bodem). Motivering bodem voor wijzigings-/bouwplan Ten behoeve van het planvoornemen is op een deel van het plangebied, namelijk ter plaatse van Hoofdstraat 45-47, door Bodeminzicht een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd.

Hierna zijn de conclusie en het advies uit het onderzoek letterlijk overgenomen. De integrale onderzoeksrapportage is als bijlage 3 bij de plantoelichting opgenomen. Conclusie Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn geen verontreinigingen aangetoond die aanleiding vormen voor het uitvoeren van nader of aanvullend bodemonderzoek. De bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie vormt, behoudens de met asbest verontreinigde druppelzone naast het bedrijfspand, geen belemmering voor de beoogde verkoop en aanvraag van een bestemmingswijziging. Advies Geadviseerd wordt de bodem (0,0 tot 0,1 m-mv) aan de oostzijde van de loods te saneren tot een meter uit de muur. De omvang wordt ingeschat op 2 tot 4 m³ grond.

Voor het deel ‘Hoofdstraat 45-47’ geldt dat de ernstige asbestverontreiniging in de bodem bij de druppelzone langs de oostzijde van de bedrijfsloods voorafgaand aan sloop van de opstallen dient te worden gesaneerd. Er dient hiervoor een BUS-melding te worden gedaan bij de Omgevingsdienst Zuidoost Brabant (ODZOB). Op het resterende deel van het plangebied aan Hoofdstraat 47a, 49 – Monseigneur van Oorschotstraat 9 is (aanvullend) door MILON een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Hierna zijn de conclusie en aanbevelingen uit het onderzoek letterlijk overgenomen. De integrale onderzoeksrapportage is als bijlage 4 bij de plantoelichting opgenomen.

41

Het onderzoek heeft geleid tot een goed beeld van de bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie. Ter plaatse zijn licht tot matig verhoogde gehaltes in de grond en licht verhoogde concentraties in het grondwater aangetoond. Er wordt niet verwacht dat er sprake is van sterk verhoogde waarden op het terrein. Aanvullend onderzoek wordt hierom niet noodzakelijk geacht. Ter plaatse is geen indicatief asbestgehalte boven de norm van nader onderzoek aangetroffen. De locatie is daarmee onverdacht op het voorkomen van een verontreiniging met asbest. Nader asbestonderzoek is niet noodzakelijk.

Voor het deel ‘Hoofdstraat 47a-49 en Monseigneur van Oorschotstraat 9’ geldt dat met het uitgevoerde bodemonderzoek onvoldoende inzicht is verkregen in de mate en omvang van een potentiële zinkverontreiniging in de grond bij boring 2 op de locatie Monseigneur van Oorschotstraat 9. De overige boringen staan te ver weg voor een gedegen afperking. Echter, omdat een zinkverontreiniging niet snel leidt tot onaanvaardbare risico’s en de kosten van een eventuele bodemsanering de voorziene planvorming niet zullen belemmeren, wordt het niet noodzakelijk geacht om in het kader van de bestemmingsplanwijziging nader bodemonderzoek te verrichten. Verder is op het deel ‘Hoofdstraat 47a-49 en Monseigneur van Oorschotstraat 9’ de japanse duizendknoop in de bodem is aangetroffen. Het is wenselijk deze exoot te bestrijden, onder andere omdat de plant tot schade van gebouwen kan leiden. Daarnaast dient grond die vrijkomt van de locatie onderzocht te worden op de aanwezigheid van de japanse duizendknoop. Eén en ander volgt uit de EU-verordening 1143/2014 en het daarop gebaseerde handelsverbod uit het Besluit natuurbescherming. Doel van deze wetgeving is de introductie en verspreiding van soorten op de Unielijst van invasieve soorten ODBN, 8 Kenmerk Z/192810 te voorkomen.

Het is niet de verwachting dat dit tot een belemmering leidt voor de planvorming, ook al zijn er wel extra kosten verbonden aan de bestrijding, de afvoer en verwerking van vrijkomende grond. Conclusie De volgende verontreinigingen zijn aangetroffen: asbestverontreiniging in druppelzone, potentiële sterke verontreiniging met zink aan de achterzijde van het voormalig restaurant en de aanwezigheid van japanse duizendknoop. Deze verontreinigingen vormen geen belemmering voor het beoogde gebruik en planvorming. Wel zullen deze kostenverhogend werken. Conclusie is dat het aspect bodem – na het treffen van de geadviseerde vervolgmaatregelen en -acties ten aanzien van de Hoofdstraat 45-47 – de beoogde planontwikkeling niet in de weg staat.

3.9 Water Doelstelling en (wettelijk) beleidskader Bij de watertoets gaat het om het verantwoorden van de waterhuishoudelijke aspecten bij ruimtelijke plannen en besluiten. Met behulp van de watertoets wordt er naar gestreefd om het waterhuishoudkundig aspect in combinatie met het ruimtelijke beleid toe te passen op het beoogde plangebied, waarbij op basis van de voorgenomen ontwikkelingen gezocht is naar een hydrologisch neutrale oplossingsrichting. De watertoets is wettelijk verankerd in artikel 5.1.3 van het Besluit ruimtelijke ordening. Dit besluit verplicht tot het opnemen van ‘een beschrijving van de wijze waarop in het bestemmingsplan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding’ in de toelichting van ruimtelijke plannen van provincies, regionale openbare lichamen en gemeenten in het kader van de Wro.

42

Vanuit verschillende overheidsniveaus zijn beleid en uitgangspunten geformuleerd voor wat betreft de omgang met afstromend hemelwater. De belangrijkste uitgangpunten hierbij zijn het hydrologisch neutraal ontwikkelen en het doorlopen van de volgorde ‘hergebruik-vasthouden-berging-afvoer’. Het plangebied valt binnen het beheersgebied van Waterschap Aa en Maas. Ook voor het Waterschap Aa en Maas is hydrologisch neutraal ontwikkelen speerpunt bij ruimtelijke ingrepen in haar beheersgebied. Het waterschap heeft een beleidsnota met uitgangspunten ten behoeve van de watertoets. Hierbij staan de volgende principes centraal: • wateroverlastvrij bestemmen; • gescheiden houden van vuil water en schoon hemelwater; • doorlopen van de afwegingsstappen: ‘hergebruik - infiltratie - buffering - afvoer’; • hydrologisch neutraal bouwen; • water als kans; • meervoudig ruimtegebruik; • voorkomen van vervuiling • rekening houden met waterschapsbelangen. De voornoemde principes liggen in lijn met het landelijke beleid ten aanzien van de watertoets. Gestreefd dient te worden naar een waterhuishoudkundig minimaal gelijkwaardige situatie. Het belangrijkste gegeven is het geohydrologisch compenseren van een eventuele toename van verharde oppervlakte, waardoor hemelwater versneld kan worden afgevoerd.

Motivering water voor wijzigings-/bouwplan Ten behoeve van het planvoornemen is door MILON een watertoets uitgevoerd. Hierna zijn de samenvatting en conclusies van het onderzoek letterlijk overgenomen. De integrale onderzoeksrapportage is als bijlage 5 bij de plantoelichting opgenomen.

Watertoets De nieuwe parkeerplaatsen worden aangelegd middels halfverharding. Deze zijn voor 50% meegerekend als verharding. De ontwikkeling op de onderzoekslocatie heeft, zoals blijkt uit de tabel, tot gevolg dat het verhard oppervlak afneemt met circa 180 m2 . De infiltratiecapaciteit in het plangebied zal in de te toekomstige situatie derhalve toenemen. Omdat er reeds een regenwaterstelsel aanwezig is dient de nieuwe ontwikkeling volledig gescheiden te worden aangesloten.

De ontwikkeling op de onderzoekslocatie heeft, zoals blijkt uit de tabel, tot gevolg dat het verhard oppervlak afneemt met circa 180 m2. De infiltratiecapaciteit in het plangebied zal in de toekomstige situatie derhalve toenemen. De gemeente Bernheze heeft aangegeven dat voor het bepalen van de bergingsopgave uitgegaan moet worden van het verhard oppervlak in de beoogde situatie. De benodigde compensatie bedraagt derhalve 163 m3. 43

Geadviseerd wordt invulling te geven aan de bergingseis door met grindkoffers of infiltratiekratten te werken of een Rockflow-systeem te realiseren. De lage GHG maakt de aanleg van dergelijke voorzieningen mogelijk. Door het aanleggen van bijvoorbeeld een van de bovengenoemde voorzieningen wordt invulling gegeven aan de bergingseis van het waterschap en hydrologisch neutraal ontwikkelt. De uitwerking van een dergelijk infiltratiesysteem wordt uitgewerkt door een geohydrologisch adviesbureau. De gemeente Bernheze heeft de initiatiefnemer erop gewezen dat het terreindeel ten zuiden van het huidige kantoor circa 0,3 meter lager is gelegen ten opzichte van de omgeving. Dit brengt het risico met zich mee dat het hemelwater uit de omgeving zich daar verzameld met mogelijke waterschade aan panden tot gevolg. Hierdoor is bij nadere uitwerking het ophogen van de nieuwbouw appartementen mogelijk noodzakelijk. Geadviseerd wordt om de openbare wegen op één oor aan te leggen zodat het hemelwater makkelijk kan infiltreren in het groen om de wegen en de parkeerplaatsen Omdat er reeds een regenwaterstelsel aanwezig is dient de nieuwe ontwikkeling volledig gescheiden te worden aangesloten.

Conclusie Conclusie is dat het aspect water – na het treffen van de geadviseerde vervolgmaatregelen en -acties – de beoogde planontwikkeling niet in de weg staat.

3.10 Flora en fauna en stikstofdepositie Doelstelling en (wettelijk) beleidskader Wet natuurbescherming (Wnb) Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. In deze wet worden drie eerdere wetten vervangen. Het gaat om de Natuurbeschermingswet 1998 (Nb-wet) inclusief het Programma Aanpak Stikstof, de Boswet en de Flora- en faunawet. De bescherming van de Natura 2000-gebieden is ondervangen in onderdeel gebiedsbescherming (vervangt Nb-wet). Voor bestemmingsplannen is het toetsingskader voor deze gebieden in de basis ongewijzigd gebleven ten opzichte van de Nb-wet. Als (een wijziging van) een bestemmingsplan negatieve gevolgen heeft voor de Natura 2000- gebieden kan het plan in beginsel niet worden vastgesteld. In dat geval moet het bevoegd gezag volgens artikel 2.8, van de Wet natuurbescherming (Wnb) eerst een passende beoordeling opstellen. Uit de passende beoordeling moet blijken dat de instandhoudingsdoelstellingen van de betreffende gebieden niet aangetast worden door het plan. Eventueel worden maatregelen opgenomen die getroffen worden om dit te bereiken. Als niet aangetoond wordt dat aan de instandhoudingsdoelstellingen voldaan wordt, kan het plan geen doorgang vinden. Met behulp van een voortoets kan het bevoegd gezag bepalen of op voorhand negatieve gevolgen uit te sluiten zijn.

Hierbij moet voor de gewenste situatie worden uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden. Voor plannen die ten opzichte van de uitgangssituatie op het referentiemoment geen significante toename in stikstofdepositie veroorzaken, zijn negatieve effecten ten aanzien van dit aspect uit te sluiten. In dat geval hoeft geen passende beoordeling te worden opgesteld. AERIUS Calculator Voor het berekenen van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden is het rekenprogramma AERIUS Calculator voorgeschreven.

44

Motivering flora en fauna en stikstofdepositie voor wijzigings-/bouwplan Ten behoeve van het planvoornemen is door Blom Ecologie onderzoek flora en fauna en stikstof(depositie)-onderzoek uitgevoerd. Hierna zijn de vervolgstappen en te treffen maatregelen, zoals beschreven in de onderzoeksrapportage, letterlijk overgenomen. De integrale onderzoeksrapportage is als bijlage 6 bij de plantoelichting opgenomen.

Conclusie De sanering van de bebouwing en de ontwikkeling van 2 nieuwbouwcomplexen, bestaande uit 35 koopappartementen aan de Hoofdstraat 47a, 49 en Monseigneur van Oorschotstraat 9 te Heeswijk-Dinther is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro). Vervolgstappen • Voor de beoogde ontwikkeling dient aanvullend onderzoek naar huismus uitgevoerd te worden. Een aanvullend onderzoek naar huismus wordt uitgevoerd middels twee gerichte veldbezoeken in de periode 1 april t/m 15 mei of middels vier gerichte veldbezoeken in de periode 10 maart t/m 20 juni (met een tussenperiode van 10 dagen tussen de veldbezoeken), conform het Kennisdocument Huismus (BIJ12, 2017). Een technische inspectie kan worden uitgevoerd middels het inspecteren van de dakruimte. Buiten het broedseizoen kan dit tussen 15 september en 1 maart. Bij een technische inspectie bestaat er de kans dat er geen onderscheid gemaakt kan worden tussen oud nestmateriaal en recentelijk gebruikte nesten. • Voor de beoogde ontwikkeling dient aanvullend onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd te worden. Een aanvullend onderzoek naar vleermuizen wordt uitgevoerd middels minimaal vijf gerichte veldbezoeken in de periode 15 april t/m 30 september, conform het meest actuele Vleermuisprotocol (NGB). Hiervan dienen 3 rondes in het voorjaar en 2 in het najaar plaats te vinden.

De potentie van de planlocatie voor verschillende typen verblijfplaatsen en vleermuissoorten wordt in tabel 4 uiteengezet. Er is geen sprake van aantasting van een mogelijk essentieel foerageergebied of essentiële vliegroute. Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel).

• De kap- en sloopwerkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.

45

Blom Ecologie heeft tevens een notitie opgesteld welke ingaat op de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan in relatie tot de Wet natuurbescherming. Uit de notitie blijkt dat, mits noodzakelijk, een ontheffing Wet natuurbescherming redelijkerwijs te verkrijgen is voor de beoogde ontwikkeling. Hiermee bestaan er aanknopingspunten voor het oordeel dat het soortenbeschermingsregime de planrealisatie niet in de weg staat. De integrale notitie is als bijlage 6.1 bij de plantoelichting opgenomen. Naar aanleiding van de uitgevoerde ecoscan heeft Blom Ecologie aanvullend huis- en vleermuizenonderzoek uitgevoerd. Hierna zijn de conclusies letterlijk overgenomen. De integrale onderzoeksrapportage is als bijlage 6.2 bij de plantoelichting opgenomen.

4.1 Huismus In 2022 is onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van de huismus in het plangebied aan de Hoofdstraat 47a, 49 en Monseigneur van Oorschotstraat 9 te Heeswijk-Dinther. Het onderzoek is uitgevoerd conform de bepalingen in het Kennisdocument huismus (BIJ12, 2017). Tijdens het onderzoek is vastgesteld dat in het onderzoeksgebied geen nesten van huismus aanwezig zijn. Alle vastgesteld nesten (16 stuks) vallen buiten het plangebied. Het plangebied maakt tevens geen deel uit van het essentiële leefgebied van de soort. De beoogde ingreep leidt niet tot overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming art. 3.1, lid 2 (wegnemen nesten). Een ontheffing voor de huismus de beoogde werkzaamheden is derhalve niet noodzakelijk. 4.2 Vleermuizen In 2022 is onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van vleermuizen in het plangebied aan de Hoofdstraat 47a, 49 en Monseigneur van Oorschotstraat 9 te Heeswijk-Dinther Het onderzoek is uitgevoerd conform de bepalingen in het meest actuele Vleermuisprotocol (NGB, 2021). Tijdens het onderzoek zijn 7 verblijfplaatsen van vleermuizen vastgesteld. Hiervan bevinden geen verblijfplaatsen in de bebouwing binnen het plangebied. Tevens maakt het plangebied geen deel uit van een essentiële vliegroute of essentieel foerageergebied.

De beoogde ingreep leidt niet tot overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming art. 3.5, lid 2 (verstoren vleermuizen) en lid 4 (wegnemen verblijfplaatsen). Een ontheffing voor vleermuizen de beoogde werkzaamheden is derhalve niet noodzakelijk. 4.3 Overige soorten Het onderzoek beperkte zich in beginsel tot huismus en vleermuizen. Tijdens het onderzoek zijn tevens 4 kauwennesten waargenomen. De nesten van deze soort genieten geen jaarronde bescherming, alleen in het broedseizoen. Indicatief betreft het broedseizoen de periode 15 maart t/m 15 juli. Om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen dienen werkzaamheden die mogelijk leiden tot verstoring of aantasting van nesten buiten het broedseizoen uitgevoerd te worden. 4.4 Vervolgstappen Voor de uitvoering van de ingreep is geen ontheffing Wnb nodig. Er gelden in het kader van de Wnb geen verdere vervolgstappen.

Stikstofdepositie Ten behoeve van het planvoornemen is door Blom Ecologie een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd. De beoogde ontwikkeling is wat betreft stikstofdepositie en gebiedsbescherming gedurende de gebruiksfase en de aanlegfase uitvoerbaar in het kader van de Wet natuurbescherming. Derhalve is er geen vergunning nodig en zijn er voor stikstof geen verdere vervolgstappen noodzakelijk. Er is geen sprake van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. De integrale onderzoeksrapportage is als bijlage 7 bij de plantoelichting opgenomen. Conclusie Conclusie is dat de aspecten flora en fauna en stikstofdepositie de beoogde planontwikkeling niet in de weg staan.

46

3.11 Verkeer en parkeren Het Parkeerbeleidsplan Gemeente Bernheze (vastgesteld 9 juli 2015) schrijft voor dat bij nieuwe woningen wordt geparkeerd op eigen terrein.

Parkeerbalans Wat betreft parkeren geldt dat het eigen terrein voorziet in 65 parkeerplekken. Wat betreft mobiliteit en infrastructuur zat de ontsluiting plaatsvinden op de Hoofdstraat en de Monseigneur van Oorschotstraat. Na realisatie van het bouwplan zal het aantal verkeersbewegingen toenemen ten opzichte het huidige niveau. Echter is deze toename minimaal.

3.12 Historische kwaliteit Doelstelling en (wettelijk) beleidskader Doel van het archeologische onderzoek is het waar nodig beschermen van archeologische waarden en het streven naar behoud van de waarden in de bodem (in situ). De essentie van het archeologische onderzoek is het verkrijgen van gegevens over de archeologische resten in de bodem teneinde in een vroeg stadium een goede afweging te kunnen maken van alle bij een ruimtelijk besluit betrokken belangen. Het archeologische onderzoek is verankerd in de Wet op de Archeologische Monumentenzorg uit 2007. De uitgangspunten van de wet zijn: • archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem bewaren en alleen opgraven als behoud in de bodem (in situ) niet mogelijk is; • de initiatiefnemer van een ruimtelijke ontwikkeling moet in een vroegtijdig stadium aangeven hoe met eventuele archeologische waarden bij bodemverstorende ingrepen zal worden omgegaan. Dit houdt in een verplichting tot vooronderzoek bij werkzaamheden die de grond gaan verstoren; • bodemverstoorders betalen archeologisch onderzoek en mogelijke opgravingen. De kosten voor noodzakelijke archeologische werkzaamheden komen ten laste van de initiatiefnemer. Bij de afweging of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is, dient nagegaan te worden of er binnen of rondom het plangebied cultuurhistorische waarden aanwezig zijn.

Het eventueel aanwezig zijn van deze waarden wil niet per definitie zeggen dat een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling niet realiseerbaar is, maar geeft wel aan dat zorgvuldig omgaan met deze waarden vereist is.

47

Motivering historische kwaliteit voor wijzigings-/bouwplan Archeologie Ten behoeve van het planvoornemen is door Bureau voor Archeologie een bureau- en een inventariserend booronderzoek uitgevoerd. Hierna zijn de conclusies en het advies, zoals beschreven in de onderzoeksrapportage, letterlijk overgenomen. De integrale onderzoeksrapportage is als bijlage 8 bij de plantoelichting opgenomen.

Bureau voor Archeologie adviseert voorafgaand aan de nieuwbouw langs de Hoofdstraat, ter hoogte van het adresnummer 47a en 49, een archeologisch proefsleuvenonderzoek uit te voeren. Bij bouw van de berging en fietsenstallingen wordt geadviseerd bodemingrepen dieper dan 40 cm -mv te vermijden of een archeologisch proefsleuvenonderzoek uit te voeren. Voor de bouwwerkzaamheden langs de Mgr. van Oorschotstraat, ter hoogte van het adresnummer 9, wordt geen vervolgonderzoek geadviseerd. Dit onderzoek is met grote zorgvuldigheid uitgevoerd. Het is echter nooit uit te sluiten dat bij de graafwerkzaamheden toch archeologische resten worden aangetroffen op plaatsen en dieptes waar die niet worden verwacht. Eventuele archeologische resten is men verplicht te melden bij de Minister van OCW in overeenstemming met de Erfgoedwet. In dit geval wordt aangeraden om contact op te nemen met de gemeente Bernheze.

In algemene zin geldt altijd wel een meldingsplicht, indien er tijdens de bouwgraafwerkzaamheden alsnog archeologische indicatoren aangetroffen worden. Cultuurhistorie Van de hierna opgenomen uitsneden van respectievelijk de Cultuurhistorische Waardenkaart provincie Noord-Brabant en de Cultuurhistoriekaart Bernheze is af te lezen dat het plangebied zelf geen monumentale status of een anderszins vastgelegde beeldbepalende / cultuurhistorische kwaliteit bezit. Wel staan in de Hoofdstraat veel monumentale panden die deel uitmaken van een historisch ensemble (onder andere het voormalige gemeentehuis, de pastorie en de kerk). Onderhavig bouwplan is van invloed op de monumentale waarde van het ensemble van de rest van de Hoofdstraat. Hiermee samenhangend is geconcludeerd dat de voorgenomen bebouwing, na het doorvoeren van een kleine ‘draaiing’, aanvaardbaar is, aangezien hiermee aan de Hoofdstraat de historische, stedenbouwkundige structuur wordt versterkt.

48

Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart provincie Noord-Brabant

Uitsnede Cultuurhistoriekaart Bernheze

49

Het plangebied zelf bezit geen monumentale status of een anderszins vastgelegde beeldbepalende kwaliteit. Wel staan in de Hoofdstraat veel monumentale panden die deel uitmaken van een historisch ensemble (onder andere het voormalige gemeentehuis, de pastorie en de kerk). Onderhavig bouwplan is van invloed op de monumentale waarde van het ensemble van de rest van de Hoofdstraat. Hiermee samenhangend is geconcludeerd dat de voorgenomen bebouwing, na het doorvoeren van een kleine ‘draaiing’, aanvaardbaar is, aangezien hiermee aan de Hoofdstraat de historische, stedenbouwkundige structuur wordt versterkt. Conclusie Met inachtneming van het bovenstaande kan op voorhand worden geconcludeerd dat de aspecten archeologie en cultuurhistorie de realisatie van het bouwplan niet in de weg staan. Hierbij geldt wel dat de geadviseerde bevindingen naar aanleiding van het uitgevoerde archeologische onderzoek in acht worden genomen.

3.13 Volksgezondheid in relatie tot veehouderijen Verwezen kan worden naar hoofdstuk van de milieuscan van De Roever Omgevingsadvies (zie bijlage 1). Uit het onderzoek ‘Veehouderij en Gezondheid Omwonenden deel 2’ blijkt dat binnen een straal van 2 kilometer rondom geitenhouderijen zich een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Op een afstand van ongeveer 1 kilometer van het plangebied ligt de geitenhouderij aan Meerstraat 29 met 1.659 geiten. Het bevoegd gezag (de gemeente Bernheze) maakt een afweging of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De gemeente heeft een zorgvuldige afweging gemaakt waarbij de gezondheidsrisico’s voor de nieuwe bewoners aanvaardbaar zijn bevonden. De toekomstige bewoners worden op de hoogte gesteld van de aanwezige gezondheidsrisico’s vanwege de aanwezigheid van geitenhouderijen binnen 2 km.

50

4. Stedenbouw en beeldkwaliteit Voorliggend initiatief gaat uit van inbreiding en herstructurering van een bestaande bedrijfs- en horecalocatie. Het bouwplan streeft zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik na. Geen uitbreiding, wel inbreiding, transformatie, herontwikkeling, herstructurering en verdichting. Hiermee wordt expliciet aangesloten bij de provinciale en gemeentelijke ruimtelijke beleidsuitgangspunten en -doelstellingen. Onderhavig plan sluit daarmee aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten, zoals verwoord in de diverse ruimtelijke beleidsstukken van de provincie en gemeente. Het plan voorziet in een verandering van de ruimtelijke structuur ter plaatse van het plangebied. Het plan betreft de transformatie van bedrijf en horeca naar twee appartementenblokken met in totaal 36 wooneenheden welke worden omgeven door groen, parkeervoorzieningen en separate bergingen. De woningen worden dus gerealiseerd met de daarbij behorende parkeervoorzieningen, (groen)inrichting en infrastructuur. De hoofdmassa’s / hoofdvormen van de nieuwe bebouwing worden / zijn afgestemd op de aanwezige en omliggende c.q. naastgelegen bebouwing, maar vormen wel een eigen architectonische eenheid. Er wordt voor wat betreft de beeldkwaliteit van de nieuwbouw en de maatvoering aangesloten bij de gewenste stedenbouwkundige uitgangspunten.

Een en ander geschiedt in nauw overleg met de gemeente Bernheze en conform het welstandsbeleid. Het initiatief is van toegevoegde waarde voor het ruimtelijke omgevingskader en levert daarmee tevens een positieve invulling aan de waarborging van de stedenbouwkundige karakteristiek en identiteit ter plaatse. Met onderliggend initiatief ontstaat een representatieve locatie die de ruimtelijke beeldkwaliteit van de locatie en directe omgeving ervan onvoorwaardelijk in stand houdt en door de voorgenomen inpassing en vormgeving van het bouwplan zelfs verbetert. Geconcludeerd kan worden dat (woningbouw)plan bijdraagt aan een ruimtelijke en visuele koppeling met de bestaande omliggende bebouwing en daarmee een positieve invulling vormt. De voorgestane ontwikkeling steunt de waarborging van de stedenbouwkundige uitgangspunten en daarmee de ruimtelijke karakteristiek en identiteit ter plaatse.

51

Navolgend zijn afbeeldingen opgenomen van de nieuwe situatie en de gevels.

52

53

5. Juridische aspecten 5.1 Het bestemmingsplan als juridisch instrument Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. Op de verbeelding is aangegeven welke bestemmingen in het plan voorkomen en waarop deze betrekking hebben. De regels geven aan wat de doeleinden zijn van elke bestemming. In aansluiting hierop bevatten de regels bepalingen met betrekking tot de toegelaten bebouwing. Dit alles gerelateerd aan de desbetreffende bestemming. De regels en de verbeelding vormen samen het deel van het bestemmingsplan dat voor een ieder bindend is. De toelichting is niet bindend, maar heeft wel een belangrijke functie voor de onderbouwing van het bestemmingsplan en voor de uitleg van bestemmingen en regels. Op grond van de Wet ruimtelijke ordening moeten bestemmingsplannen ook digitaal beschikbaar zijn en volledig voldoen aan een aantal standaardeisen die zijn opgenomen in de ‘Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012’. Het bestemmingsplan dient verder te voldoen aan de Wro en het Bro en de RO-Standaarden 2012: • IMRO2012 (Informatie Model Ruimtelijke Ordening 2012), • SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012), • STRI2012 (Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten 2012). Het onderhavige bestemmingsplan is uitgevoerd conform de Wabo en deze standaarden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Bernheze&id=c290175a-b785-45e1-965c-7d46347b0696