6. Plantoelichting bestemmingsplan Hoofdstraat HD
Tekst van het document
BESTEMMINGSPLAN
Hoofdstraat 45, 47, 47a, 49 en Monseigneur van Oorschotstraat 9 Heeswijk-Dinther
PLANTOELICHTING
NL.IMRO.1721.BPHoofdstr454749HD-vg01
Titel:
Bestemmingsplan Hoofdstraat 45, 47, 47a, 49 en Monseigneur van Oorschotstraat 9 Heeswijk-Dinther
Datum: Projectnummer: Status:
25 april 2024 2021.138 Vastgesteld
Adviesbureau: Auteurs:
Wintraecken Advies B.V. T. (Teun) van de Camp Msc. (planoloog) mr. D. (David) Wintraecken (planjurist)
Telefoonnummer: Faxnummer: E-mail: Website:
(06) 146 488 29 (084) 745 81 60 info@wintraeckenadvies.nl www.wintraeckenadvies.nl
Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en/of Wintraecken Advies.
Inhoudsopgave 1. Inleiding en voorwaarden voor ontwikkeling ......................................................... 5 1.1 Aanleiding .................................................................................................... 5 1.2 Huidige situatie, ligging en begrenzing plangebied ............................................ 5 1.3 Vigerend bestemmingsplan ............................................................................ 6 1.4 Plantoetsing ten aanzien van vigerende bestemmingen en wijzigingsbevoegdheid ........................................................................................ 7 1.5 Doel bestemmingsplan .................................................................................. 8 1.6 Leeswijzer .................................................................................................... 9 2. Ruimtelijk beleidskader .................................................................................... 10 2.1 Inleiding .................................................................................................... 10 2.2 Rijksbeleid ................................................................................................. 10 2.3 Provinciaal beleid ........................................................................................
14 2.4 Gemeentelijk beleid..................................................................................... 19 3. Milieu-hygiënische aspecten .............................................................................. 25 3.1 Inleiding en aanleiding................................................................................. 25 3.2 Geluid ....................................................................................................... 25 3.3 Milieuzonering / hinderlijke bedrijvigheid ....................................................... 27 3.4 Externe veiligheid, kabels en leidingen .......................................................... 32 3.5 (Ondergrondse) infrastructuur, kabels en (buis)leidingen ................................. 35 3.6 Milieueffectrapportage ................................................................................. 36 3.7 Lucht ......................................................................................................... 38 3.8 Bodem....................................................................................................... 41 3.9 Water ........................................................................................................ 42 3.10 Flora en fauna en stikstofdepositie ..............................................................
44 3.11 Verkeer en parkeren .................................................................................. 47 3.12 Historische kwaliteit .................................................................................. 47 3.13 Volksgezondheid in relatie tot veehouderijen ................................................ 50 4. Stedenbouw en beeldkwaliteit ........................................................................... 51 5. Juridische aspecten .......................................................................................... 54 5.1 Het bestemmingsplan als juridisch instrument ................................................ 54 5.2 Systematiek van de regels ........................................................................... 54 5.3 Bebouwing algemeen .................................................................................. 55 5.4 Toelichting bestemmingen ........................................................................... 55 6. Uitvoeringsaspecten ......................................................................................... 56 6.1 Economische uitvoerbaarheid ....................................................................... 56 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ................................................................. 56
Bijlagen 1. De Roever Omgevingsadvies, Quickscan milieuaspecten Hoofdstraat 45-49 en Mgr Van Oorschotstraat 9 Heeswijk-Dinther, referentie: 20220932.v02, 26-10-2023 1.1 Advies Veiligheidsregio Brabant-Noord 2. De Roever Omgevingsadvies, Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Hoofdstraat 45-49 en Mgr. van Oorschotstraat 9 Heeswijk-Dinther, referentie: 20220933.v02, 04-04-2023 3. Bodeminzicht, Verkennend bodemonderzoek Hoofdstraat 45-47 te HeeswijkDinther, projectnummer: B2665, 29-04-2021 4. MILON, Verkennend bodem- en asbestonderzoek Hoofdstraat 47a en 49 en Monseigneur van Oorschotstraat 9 te Heeswijk-Dinther, projectnummer: 20211902, 19-07-2021 5. MILON, Watertoets ter plaatse van de Hoofdstraat 47a-49 te HeeswijkDinther, projectnummer: 20211767, 12-05-2023 6. Blom Ecologie, Quickscan Wet natuurbescherming Hoofdstraat 47a, 49 en Monseigneur van Oorschotstraat 9 te Heeswijk-Dinther, kenmerk: BE/2021/541/r, 02-11-2021 6.1 Blom Ecologie, Notitie uitvoerbaarheid bestemmingsplan natuur, kenmerk: BE/2021/541/n, 02-11-2021 6.2 Blom Ecologie, Aanvullend onderzoek ecologie Hoofdstraat 47a, 49 en Monseigneur van Oorschotstraat 9 te Heeswijk-Dinther, Aanvullend onderzoek naar huismus en vleermuizen in het kader van de Wet natuurbescherming, project: 2021-723, 01-07-2022 7. Blom Ecologie, stikstofonderzoek Hoofdstraat e.o.
te Heeswijk-Dinther, project: 2023-0438, 11-05-2023, revisie: 22-09-2023 7.1 AERIUS 8. Bureau voor Archeologie, Rapport 1083 Hoofdstraat 45, 47, 47a en 49 en Mgr van Oorschotstraat 9, Heeswijk-Dinther, gemeente Bernheze: een bureau- en inventariserend veldonderzoek in de vorm van boringen in de verkennende fase, 19-10-2021 9. Wintraecken Advies, Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling, 06-09-23 10. Verslag omgevingsdialoog
1. Inleiding en voorwaarden voor ontwikkeling 1.1 Aanleiding Initiatiefnemer is voornemens om de bebouwing gelegen aan de Hoofdstraat 47a, Hoofdstraat 49 en Monseigneur van Oorschotstraat 9 te Heeswijk-Dinther, gemeente Bernheze, te slopen, en hiervoor in de plaats twee nieuwbouwcomplexen van gezamenlijk van 36 appartementen, terug te bouwen: 28 aan de Hoofdstraat en 8 aan de Monseigneur van Oorschotstraat. De gemeente Bernheze is bereid aan de ontwikkeling medewerking te verlenen, omdat het plan aansluit bij de voorwaarden uit de wijzigingsbevoegdheden uit het bestemmingsplan. Op een (klein) gedeelte van het plangebied zijn de wijzigingsbevoegdheden echter niet van toepassing, waardoor een bestemmingsplan noodzakelijk is.
1.2 Huidige situatie, ligging en begrenzing plangebied Het plangebied betreft een combinatie van percelen waarop diverse centrumfunctie zijn gevestigd. Hiertoe behoren horeca, dienstverlening en een (transport)bedrijf. De directe omgeving van het plangebied kenmerkt zicht door een combinatie van diverse centrumfuncties. De Monseigneur van Oorschotstraat is voornamelijk een woonstraat, met hier en daar een functie op het gebied van dienstverlening, kantoor of horeca. Deze straat vormt, gezien vanaf de Hoofdstraat, de verbinding met Kanaaldijk Noord (N279) welke een verbinding vormt met de kernen Veghel en Schijndel. De Hoofdstraat vormt een belangrijke doorgaande en -ontsluitingsweg voor Heeswijk-Dinther. Zie navolgende afbeeldingen (bron: maps.google.nl) voor de ligging en globale begrenzing van het plangebied.
5
1.3 Vigerend bestemmingsplan Binnen het plangebied vigeert het bestemmingsplan “De kommen van Bernheze”. Op de navolgende uitsnede van de verbeelding van het vigerende bestemmingsplan (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl) zijn de ligging en globale begrenzing van het plangebied van onderhavig bestemmingsplan aangegeven. De hoofdbestemmingen betreffen ‘Bedrijf’, ‘Dienstverlening’ en ‘Horeca’. Daarnaast zijn de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 2’ en ‘Waarde – Archeologie 3’ van kracht. Op de verbeelding zijn de bouwvlakken weergegeven en per bebouwingsvlak is de maatvoering aangeduid (welke niet in de navolgende afbeelding is meegenomen). Specifiek voor de bestemming ‘Horeca’ geldt ter plaatse de functieaanduiding ‘specifieke vorm van horeca – middelzware horeca’.
6
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemming ‘Horeca’ te wijzigen in een bestemming ‘Dienstverlening’, ‘Kantoor’, ‘Tuin’ en/of ‘Wonen’, met dien verstande dat: a. de uitvoerbaarheid van de bestemming wordt aangetoond; b. de belangen van derden niet onevenredig worden geschaad; c. er geen onevenredig nadelige gevolgen ontstaan voor het woonmilieu; d. het aantal te realiseren woningen in overeenstemming is met het gemeentelijk volkshuisvestingsbeleid; e. het parkeren in overeenstemming is met het gemeentelijk parkeerbeleid en de daarbij horende parkeernormen; f. er een planschadeverhaalsovereenkomst is gesloten; g. er geen afbreuk wordt gedaan aan het stedenbouwkundig beeld en de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse; h. geen sprake is van aantasting van cultuurhistorische waarden; i. aansluiting wordt gezocht bij de regels van de bestemmingen zoals opgenomen in dit bestemmingsplan. De voor ‘Waarde - Archeologie 2’ en ‘Waarde - Archeologie 3’ aangewezen gronden zijn conform artikel 22 en artikel 23 mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van gronden van archeologische waarde en gronden met een respectievelijk hoge (22) en middelhoge (23) archeologische verwachtingswaarde. In navolgende paragraaf wordt ingegaan op de wijze waarop voor onderhavig planvoornemen aansluiting vindt bij de door gemeente c.q. het vigerende bestemmingplan aangeboden wijzigingsbevoegdheden.
1.4 Plantoetsing ten aanzien van vigerende bestemmingen en wijzigingsbevoegdheid Binnen de plangrenzen vigeren drie verschillende enkelbestemmingen, te weten: ‘Bedrijf’, ‘Dienstverlening’ en ‘Horeca’. Voor alle drie deze bestemmingen geldt dat deze een wijzigingsbevoegdheid bevatten die – onder voorwaarden – tot de transformatie van de vigerende bestemming naar de bestemming ‘Wonen’ kan leiden. De voorwaarden die per bestemming aan de wijzigingsbevoegdheid zijn gekoppeld komen overeen. Onderstaand zijn deze nogmaals opgesomd en voorzien van een korte verantwoording. a. de uitvoerbaarheid van de bestemming wordt aangetoond; in deze plantoelichting wordt aangetoond dat onderhavig planvoornemen passend is in de bestaande omgeving. Zowel beleidstechnisch (hoofdstuk 2) en milieuhygiënisch (hoofdstuk 3) zal blijken dat het plan uitvoerbaar is. Daar waar blijkt dat voor of tijdens werkzaamheden nog aanvullende maatregelen of onderzoeken nodig zijn, zal hieraan worden tegemoet gekomen. b. de belangen van derden niet onevenredig worden geschaad; Ook hiervoor geldt dat beleidstechnisch (hoofdstuk 2) en milieu-hygiënisch (hoofdstuk 3) zal blijken dat het plan uitvoerbaar is. c. er geen onevenredig nadelige gevolgen ontstaan voor het woonmilieu; In hoofdstuk 3 wordt aangetoond dat onderhavig planvoornemen geen nadelige gevolgen heeft voor het bestaande woonmilieu. d.
het aantal te realiseren woningen in overeenstemming is met het gemeentelijk volkshuisvestingsbeleid; Het plan is voor 2023 opgenomen in de woningbouwplanning van 2020. Dat betekent impliciet dat het plan kwalitatief en kwantitatief aansluit op de woningbouwbehoefte van de gemeente. In Q3 2020 is de raad geïnformeerd over de resultaten van de woningbouw in relatie tot de prijscategorieën. Er ligt relatief veel ruimte in de categorieën ‘koop 7
– gestapeld’. Het plan overschrijdt deze waarden iets. Gezien de nieuwe woonvisie en de kernmerken van de huidige woningmarkt is dat geen bezwaar. Hierbij geldt als uitgangspunt dat met onderhavig bestemmingsplan binnen de grenzen van de wijzigingsbevoegdheid wordt gebleven. In het kader van de nieuwe Woonvisie 2022-2026 kan geconcludeerd dat het volledige programma betaalbaar is. Omdat het gaat om de bouw van appartementen in/nabij het centrum zullen de woningen in dit plan (ook) aantrekkelijk zijn voor senioren. Ander pluspunt is de combinatie tussen appartementen en centrumgebied. Derhalve wordt met het type woningen, de locatie en prijzen van de woningen – zowel kwantitatief als kwalitatief – aangesloten bij de vraag en behoefte welke momenteel binnen de gemeente Bernheze aanwezig is. Het is dan wel zaak de woningen betaalbaar te houden. De nieuwe woonvisie gaat ervan uit dat we bewust omgaan met het instrumentarium dat hiervoor beschikbaar is. Hierbij moet gedacht worden aan de zelfbewoningsplicht, anti-speculatie, anterieure overeenkomst e.d. Aan de minimale vereisten uit de woonvisie van 2022-2026 wordt voldaan in termen van betaalbaarheid. e.
het parkeren in overeenstemming is met het gemeentelijk parkeerbeleid en de daarbij horende parkeernormen; Binnen het plangebied wordt voldoende ruimte gereserveerd voor het plaats bieden aan de verwachte parkeerdruk voor appartementen op centrumlocaties. In paragraaf 3.11 wordt hier aandacht aan besteed. f. er een planschadeverhaalsovereenkomst is gesloten; Is inderdaad het geval. g. er geen afbreuk wordt gedaan aan het stedenbouwkundig beeld en de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse; Initiatiefnemer en architect is het er alles aan gelegen om de nieuwbouw op te richten binnen de randvoorwaarden van de gemeente. Op deze manier is het stedenbouwkundig beeld en de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse gewaarborgd. In hoofdstuk 4 wordt hier aandacht aan besteed. h. geen sprake is van aantasting van cultuurhistorische waarden; Het plangebied heeft geen monumentale status en bezit ook geen anderszins vastgelegde beeldbepalende kwaliteit. Het plangebied kent verder een tweetal archeologische dubbelbestemmingen. Ten behoeve van onderliggend planvoornemen is archeologisch onderzoek uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek zijn te vinden in bijlage 8 van deze plantoelichting en de korte conclusie is terug te lezen in paragraaf 3.12. i. aansluiting wordt gezocht bij de regels van de bestemmingen zoals opgenomen in dit bestemmingsplan.
Met de nieuwe bestemming ‘Wonen’ is aansluiting gezocht bij de vigerende planregels van het bestemmingsplan “De kommen van Bernheze”. Er wordt een bestemmingsplanherziening doorlopen, maar aangesloten bij de voorwaarden uit de wijzigingsbevoegdheid.
1.5 Doel bestemmingsplan Zoals reeds vermeld, vigeert het bestemmingsplan “De kommen van Bernheze” binnen het voorliggende plangebied. In dit bestemmingsplan is het plangebied nog niet voor woningbouw bestemd. Onder voorwaarden is voor nagenoeg het gehele plangebied een wijziging in de bestemming ‘Wonen’ mogelijk. Hiertoe zijn in het vigerende bestemmingsplan namelijk wijzigingsbevoegdheden opgenomen. Met gebruikmaking van deze wijzigingsbevoegdheden wordt de ontwikkeling van nieuwe woningen planologischjuridisch geregeld. Zoals hiervoor reeds aangegeven, zijn op een (klein) gedeelte van het
8
plangebied de wijzigingsbevoegdheden echter niet van toepassing, waardoor voor onderhavige planontwikkeling een bestemmingsplan noodzakelijk is. Onderhavig woningbouwplan kan gerealiseerd worden, indien aan een aantal deels juridische voorwaarden wordt voldaan. Het betreft daarbij de volgende drie voorwaarden: 1. het motiveren van de afwijking(en) van de geldende bestemming(en) middels het opstellen van een bestemmingsplan als basis voor het doorvoeren van de bestemmingsplanherziening; 2. het met een bestemmingsplan aantonen van de ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieuhygiënische aanvaardbaarheid; 3. het in procedure brengen van het bestemmingsplan. Met dit bestemmingsplan wordt derhalve een planologische en juridische basis gelegd om de gewenste ruimtelijke ontwikkeling te kunnen realiseren.
1.6 Leeswijzer In de volgende hoofdstukken wordt aandacht besteed aan de verschillende aspecten van het bestemmingsplan. In hoofdstuk 2 komt het ruimtelijk beleidskader aan bod. Voor een beschrijving van de milieu-hygiënische en ruimtelijke aspecten wordt verwezen naar hoofdstuk 3. De aspecten beeldkwaliteit en ruimtelijke inpassing worden behandeld in hoofdstuk 4, de juridische aspecten in hoofdstuk 5 en het onderdeel economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid in hoofdstuk 6.
9
2. Ruimtelijk beleidskader 2.1 Inleiding Wat betreft de verantwoordelijkheidstoedeling en bevoegdheidsverdeling zijn het Rijk, de provincies en de gemeenten verantwoordelijk voor hun eigen belangen. Er kan slechts sprake zijn van bemoeienis van Rijk of provincie met de gemeente, indien dat noodzakelijk is vanwege een nationaal respectievelijk provinciaal belang. Rijk en provincies beschikken in de Wet ruimtelijke ordening over dezelfde bevoegdheden als gemeenten om hun eigen ruimtelijke belangen te kunnen uitvoeren. Daarnaast kunnen het Rijk en de provincies algemeen verbindende regels uitvaardigen en aanwijzingen geven om hun belangen veilig te stellen. Het beleid van de gemeente Bernheze vormt dus het kader waarbinnen de functionele en ruimtelijke ontwikkeling wordt vastgesteld. De ruimtelijke ontwikkelingsplannen van Rijk, provincie en regio vormen randvoorwaarden voor het gemeentelijke beleid. Voor zover relevant voor de plannen worden in de volgende paragrafen het Rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid toegelicht.
2.2 Rijksbeleid Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), 2012 Toetsingskader Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) van kracht geworden. Deze structuurvisie vormt de uitwerking van de ambities van het Rijk, op basis van haar verantwoordelijkheden, in Rijksdoelen en daarmee samenhangende nationale belangen op het gebied van een samenhangend ruimtelijk en mobiliteitsbeleid. Het Rijk heeft tot doel Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te maken in een periode van economische conjunctuurschommelingen, klimaatverandering en toenemende regionale verschillen. Aanleiding voor het vaststellen van de visie is de constatering dat het voorheen geldende ruimtelijke Rijksbeleid onvoldoende bijdroeg aan het behalen van deze doelen, onder meer door het veroorzaken van bestuurlijke drukte, ingewikkelde regelgeving en een te sectorale blik op vraagstukken. Om dit te keren brengt het Rijk de ruimtelijke ordening zo dicht mogelijk bij diegene die het aangaat en laat het meer over aan gemeenten en provincies. Het Rijk onderscheidt thans nog dertien nationale belangen. Uitsluitend op basis van deze belangen intervenieert het Rijk in de ruimtelijke ordening. Een groot deel van deze belangen leidt tot het reserveren van ruimte voor functies.
Dit betreft dan bijvoorbeeld het reserveren van ruimte voor waterberging, militaire activiteiten en de uitbreiding van het hoofdwegennet. Deze belangen zijn vastgelegd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro). Eén van de belangen die niet leidt tot een ruimtereservering is het belang van een ‘zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten’. In het kader van dit belang heeft het Rijk besloten om, ten behoeve van het verminderen van de bestuurlijke drukte en het neerleggen van verantwoordelijkheden bij decentrale overheden, de verstedelijkingsstrategie te wijzigen. Dit houdt in dat het bundelingsbeleid, verdichtingsbeleid, locatiebeleid voor bedrijven en voorzieningen, beleid voor basiskwaliteit, stedelijke netwerken, nationale landschappen en rijksbufferzones is afgeschaft en dat daar slechts één beleidslijn voor terug komt: de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’. Deze ‘ladder’ heeft tot doel het principe van vraaggericht programmeren en het principe van zorgvuldig ruimtegebruik bindend voor 10
te schrijven bij de afwegingen van gemeenten en provincies. Dit belang is als procesvereiste vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Grondgedachte van de ladder is dat een activiteit op meerdere locaties zou kunnen plaatsvinden en dat vervolgens de planologisch meest juiste locatie gekozen moet worden. Dat gaat uit van de activiteit. Hiermee wordt beoogd om de voorheen bestaande praktijk, waarbij in veel gevallen een bestemming wordt gezocht voor een bepaalde locatie om te vormen. Doorwerking plan(gebied) Het voorliggende plangebied is niet gelegen in een gebied waarvoor van rijkswege een (relevante) ruimtereservering geldt. Uitsluitend het nationale belang van een ‘zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten’, als vervat in de ladder voor duurzame verstedelijking, is van toepassing op het onderhavige bestemmingsplan. Aan dit belang wordt navolgend getoetst. Conclusie Aspecten als water, veiligheid, cultuurhistorie en ruimtelijke kwaliteit vormen onderdeel van de planologische toets. Daarmee is het plan niet in strijd met het rijksbeleid. Geconcludeerd kan verder worden dat het onderhavige plangebied niet gelegen is in een gebied waarvoor van Rijkswege een relevante ruimtereservering geldt. Aan de ladder voor duurzame verstedelijking wordt navolgend getoetst.
Nationale Omgevingsvisie Toetsingskader In Nederland staan we voor een aantal urgente opgaven, die zowel lokaal, nationaal als wereldwijd spelen. Denk aan de opgaven op het gebied van klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Deze opgaven zullen Nederland flink veranderen. Door goed in te spelen op deze veranderingen kan Nederland vooroplopen en kansen verzilveren. Met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. In de NOVI zijn deze maatschappelijke opgaven samengevat in vier prioriteiten: • ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie • duurzaam economisch groeipotentieel • sterke en gezonde steden en regio’s • toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Conclusie In dit planvoornemen zijn geen strijdigheden met de uitgangspunten uit de ontwerp NOVI opgenomen. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), 2012 Toetsingskader Het Rijk heeft in de eerder genoemde SVIR vastgesteld dat voor een beperkt aantal onderwerpen de bevoegdheid om algemene regels te stellen zou moeten worden ingezet. De SVIR bepaalt welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op provinciaal en gemeentelijk niveau.
Ten aanzien daarvan is een borging door middel van normstelling, gebaseerd op de Wet ruimtelijke ordening, gewenst. Die uitspraken onderscheiden zich in die zin dat van de provincies en de gemeenten wordt gevraagd om de inhoud daarvan te laten doorwerken in de ruimtelijke besluitvorming. Zij zijn dus 11
concreet normstellend bedoeld en worden geacht direct of indirect door te werken tot op het niveau van de lokale besluitvorming, zoals de vaststelling van bestemmings- en wijzigingsplannen. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. Op 30 december 2011 is het Barro in werking getreden met daarin een regeling voor een beperkt aantal onderwerpen. Op 1 oktober 2012 is het besluit aangevuld met regels voor de andere beleidskaders uit de SVIR en tevens uit het Nationaal Waterplan en het Derde Structuurschema Elektriciteitsvoorziening. Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte. Een aantal onderwerpen is geregeld in de bij het Barro behorende Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro). Doorwerking plan(gebied) Het plangebied is niet gelegen in een gebied waarvoor op basis van het Barro en Rarro een relevante ruimtereservering geldt. Daarnaast wordt niet in een ontwikkeling voorzien die raakt aan een van de nationale belangen. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het Barro en Rarro niet van toepassing zijn op onderhavig plan.
Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 3.1.6 lid 2 Bro) Toetsingskader Met de inwerkingtreding op 1 oktober 2012 van artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) – de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ – geldt voor alle juridisch verbindende ruimtelijke plannen van decentrale overheden die (planologisch) nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk maken een bijzonder procesvereiste. Het procesvereiste van het doorlopen van de Ladder is gebaseerd op één van de nationale belangen als opgenomen in de SVIR, opgesteld door het Rijk. Dit nationale belang houdt in dat, ten behoeve van een goed systeem van ruimtelijke ordening, een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten plaats dient te vinden. Deze zorgvuldige afweging heeft tot doel om, vanuit een oogpunt van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, planologisch ongewenste versnippering en een onaanvaardbare leegstand te voorkomen. Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt.
Artikel 3.1.6, tweede lid, luidt nu als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. De Laddertoets moet worden uitgevoerd wanneer er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In artikel 1.1.1 onder i van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip stedelijke ontwikkeling vastgelegd. Als stedelijke ontwikkeling wordt genoemd: een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. In het Bro is geen ondergrens voor de minimale omvang vastgelegd. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Voor woningbouwlocaties geldt volgens de overzichtsuitspraak dat 'in beginsel' sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als
12
er meer dan 11 woningen gerealiseerd worden. Voor wonen is daarmee de lijn dat er vanaf 12 woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. De Laddertoets geldt alleen voor ‘nieuwe’ stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet dan worden of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in het beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was of kon worden gerealiseerd. Daarnaast volgt uit jurisprudentie dat wanneer het een functiewijziging betreft, moet worden beoordeeld of er sprake is van een naar aard en omvang zodanige functiewijziging dat desalniettemin gesproken kan worden van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Daarbij moet ook et ruimtebeslag betrokken worden. In de nieuwe Ladder is het woord 'regionale' niet meer aanwezig. De Ladder bepaalt niet nader voor welk gebied de behoefte in beeld moet worden gebracht. Het is primair aan het bevoegd gezag om op basis van het ruimtelijk verzorgingsgebied van de stedelijke ontwikkeling te bepalen tot welk gebied de beschrijving van de behoefte zich moet uitstrekken. De aard en omvang van de stedelijke ontwikkeling bepaalt op welk niveau de afweging moet worden gemaakt.
De toelichting van het bestemmingsplan moet een beschrijving bevatten van de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Daarbij is het niet relevant of het plangebied binnen of buiten bestaand stedelijk gebied ligt. In beide gevallen dient de plantoelichting een beschrijving van de behoefte te bevatten. In artikel 1.1.1 onder h van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip 'bestaand stedelijk gebied' vastgelegd. Als bestaand stedelijk gebied wordt aangemerkt: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. Uit de definitie volgt dat er sprake moet zijn van een stedenbouwkundig samenstel van bebouwing. In de Nota van Toelichting wordt opgemerkt dat de kwalificatie bestaand stedelijk gebied afhangt van de omstandigheden van het geval, de specifieke ligging, de feitelijke situatie, het bestemmingsplan en de aard van de omgeving. Doorwerking plan(gebied) Marktsituatie De gemeente Bernheze streeft naar een evenwichtige woningmarkt met voldoende, goede, betaalbare, gevarieerde en passende woningen. Dit streven komt onder meer terug in haar beleid ten aanzien van wonen en woningbouw.
Zowel het provinciale als gemeentelijke beleid is gericht op het behouden van de leefbaarheid. Dat is ook waar dit plan aan bijdraagt. Door te zorgen voor nieuwbouw wordt enerzijds de mogelijkheid gecreëerd om te blijven wonen binnen de dorpsgrenzen. Aan de andere kant biedt onderhavig bestemmingsplan een woonmilieu aan dat een aantrekkelijke optie kan zijn voor woningzoekenden binnen het stedelijk gebied als geheel. Er kan worden gesteld dat in dit plan de woonconsument centraal staat. Het aanbod is afgestemd op de vraag die er is vanuit de lokale bevolking. En daarbij is er ruimte voor opvang van de regionale behoefte om doorstromers binnen de regio te houden. Ligt de ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied? De locatie ligt binnen bestaand stedelijk gebied conform de definitie in artikel 1.1.1 onder h van het Bro. Is de behoefte op te vangen binnen het bestaand stedelijk gebied?
13
Zoals hiervoor reeds opgemerkt, is het woningbouwplan in eerste instantie bedoeld voor de opvang van woningzoekenden binnen de eigen dorpsgrenzen, als onderdeel van de totale regionale behoefte aan woningen. Aangezien de nieuwe woningen gesitueerd worden in bestaand stedelijk gebied is hier sprake van een (her)ontwikkeling op een inbreidingslocatie. Het bestaand stedelijk gebied wordt niet in oppervlakte uitgebreid. Het betekent ook dat voldoende gemotiveerd is dat dit plan en de ontwikkeling zien op zorgvuldig ruimtegebruik en niet leiden tot over-programmering. Het plan doet geen afbreuk aan de doelstellingen en uitgangspunten, zoals verwoord in de beleidsstukken van de gemeente Bernheze. Het voorliggende woningbouwplan is derhalve in overeenstemming met de gemeentelijke prioriteiten, beleidsdoelstellingen en uitgangspunten. Verwezen wordt naar paragraaf 2.4 (gemeentelijk beleid). Conclusie Onderhavige planontwikkeling voldoet aan de uitgangspunten en doelstellingen van de ladder voor duurzame ontwikkeling: zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik middels transformatie van bestaand vastgoed.
2.3 Provinciaal beleid Toetsingskader Omgevingsvisie Noord-Brabant en TAM-Omgevingsverordening Noord-Brabant Het provinciale ruimtelijke beleid staat de realisering van de plannen niet in de weg. Hoofddoelstellingen van de Omgevingsvisie Noord-Brabant en de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant zijn ‘zuinig ruimtegebruik’ met daaraan gekoppeld de ‘concentratie van verstedelijking’. De accenten moeten hierbij liggen op ‘inbreiding’ en ‘herstructurering’. Concentratie van verstedelijking De provincie stuurt op concentratie van verstedelijking: het is belangrijk dat er verschil bestaat en blijft bestaan tussen de steden en dorpen. De stedelijke structuur bestaat uit de steden en dorpen in Noord-Brabant en is onderverdeeld in ‘concentratiegebieden’ en ‘overig stedelijk gebied’. In concentratiegebieden wordt de bovenlokale groei van verstedelijking opgevangen. Daarnaast moet hier een hoog voorzieningenniveau geboden worden, waardoor de (suburbane) kernen en dorpen buiten het concentratiegebied het huidige (landelijke) karakter behouden. In overig stedelijk gebied is grootschalige verstedelijking ongewenst. Wel kan hier voor de eigen behoefte gebouwd worden.
Naast concentratie van verstedelijking wil de provincie binnen de stedelijke structuur het volgende bereiken: • zorgvuldig ruimtegebruik; • meer aandacht voor ruimtelijke kwaliteit; • betere verknoping van stedelijke ontwikkelingen aan de infrastructuur; • versterking van de economische kennisclusters. Voor onderhavig initiatief spelen de elementen ‘zorgvuldig ruimtegebruik’ en ‘meer aandacht voor ruimtelijke kwaliteit’ een rol. Zorgvuldig ruimtegebruik De provincie wil dat de kansen voor functiemenging, inbreiding, herstructurering en zo nodig transformatie in het stedelijk gebied goed worden benut, inclusief de mogelijkheden voor intensivering en meervoudig ruimtegebruik. Hierdoor is minder ruimte nodig voor stedelijke uitbreidingen. Het ‘aansnijden van nieuwe ruimte’ voor 14
verstedelijking wordt in samenhang bezien met deze mogelijkheden. Door meer aandacht te schenken aan beheer en onderhoud van het bestaand stedelijke gebied worden in de toekomst ingrijpende herstructureringen voorkomen. Meer aandacht voor ruimtelijke kwaliteit Karakteristieke verschillen tussen dorpen en steden vervagen. Uitbreidingswijken en werklocaties in steden en dorpen gaan steeds meer op elkaar lijken. De provincie wil dat nieuwe ontwikkelingen meer inspelen op het karakter en de kwaliteit van de plek. Door bij stedelijke ontwikkelingen uit te gaan van het verschil in omvang en karakter van de verschillende kernen, wordt het contrast tussen stad en dorp behouden. Dit versterkt de identiteit en aantrekkelijkheid van kernen en hun relatie met het omliggende landschap. TAM-omgevingsverordening Noord-Brabant Het beleid uit de Omgevingsvisie Noord-Brabant is verwerkt in de regels die zijn opgenomen in de TAM-omgevingsverordening Noord-Brabant van de provincie. De onderwerpen die in de verordening staan komen dus uit de provinciale omgevingsvisie. Daarin staat welke belangen de provincie wil behartigen en hoe ze dat wil doen. De verordening is daarbij één van de manieren om die provinciale belangen veilig te stellen. In de verordening is een aantal aspecten opgenomen die van toepassing zijn op onderhavig plan. Deze zullen hierna worden besproken.
De provincie wil de ruimtelijke kwaliteit van Noord-Brabant bevorderen. Dit betekent dat nieuwe ontwikkelingen een bijdrage moeten leveren aan de kernkwaliteiten van NoordBrabant. De provincie biedt ontwikkelingsruimte in het buitengebied, mits een ontwikkeling bijdraagt aan een versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Nieuwe ontwikkelingen bieden een kans voor behoud en ontwikkeling van het landschap. Het ontwikkelen van landschap reikt verder dan het behouden wat er is, ontwikkelen van het landschap gaat ook om het toevoegen van nieuwe ruimtelijke kwaliteiten. De provincie onderscheidt een achttal thema’s waarin beleidsuitgangspunten zijn opgenomen. Deze thema’s zijn tevens in kaart gebracht. Onderstaande tabel illustreert welke thematische kaarten in principe van toepassing zijn op het plangebied en welke niet. Thema / kaartnaam Milieubeschermingsgebied, natuur, water en wegen Aardkundige, cultuurhistorische en groenblauwe waarden Natuur en stiltegebieden Grondwaterbescherming, waterveiligheid en -berging Basiskaart Stedelijk gebied, Landelijk gebied, Natuur Netwerk Brabant. Specifieke ontwikkelingen en maatwerk in Landelijk gebied Watersystemen, -veiligheid en -berging Instructieregels gemeenten, waterschappen en Gedeputeerde Staten: infrastructuur
Van toepassing Ja Nee Nee Nee Ja Ja Ja Nee
Rechtstreeks werkende regels: milieubeschermingsgebieden, natuur, water en wegen Binnen het kaartbeeld ‘Rechtstreeks werkende regels: milieubeschermingsgebieden, natuur, water en wegen’ is het plangebied aangeduid als ‘Diep grondwaterlichaam’ en ‘Geen attentiezone waterhuishouding’. Dit is geïllustreerd in navolgend kaartbeeld.
15
Provinciale Staten van Noord-Brabant hebben op grond van Artikel 4.21 in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) de verplichting om vanuit de Kaderrichtlijn Water en de Grondwaterrichtlijn om het grondwater dat nu en voor de toekomst geschikt is voor de winning van drinkwaterwater bestemd voor menselijke consumptie te beschermen. De onconventionele winning van koolwaterstoffen brengt risico's met zich mee, die de kwaliteit van het grondwater voor drinkwaterwinning dat bestemd is voor menselijke consumptie bedreigen. Omdat de risico's van deze onconventionele boringen naar koolwaterstoffenonbekend en wellicht onbeheersbaar zijn, is het nodig de grondwaterlichamen die geschikt zijn voor het onttrekken van water bestemd drinkwaterwinning voormenselijke consumptie te beschermen met een verbod. Een omgevingsplan ter plaatse van Attentiezone waterhuishouding strekt tot bescherming van de waterhuishouding en sluit functies en activiteiten uit die een negatief effect hebben op de hydrologische instandhoudingsdoelen van het hierbinnen gelegen Natuur Netwerk Brabant. Aangezien in onderhavig geval geldt dat er geen sprake is van een attentiezone waterhuishouding, is er ook geen sprake van feitelijke bescherming. Doorwerking plan(gebied) De aanduidingen ‘Diep grondwaterlichaam’ en ‘Geen attentiezone waterhuishouding’ hebben geen invloed op onderhavig planvoornemen.
Andersom zullen de voorgenomen activiteiten in de vorm van de oprichting van woningen geen invloed hebben op de beide aanduidingen. Basiskaart Stedelijk gebied, Landelijk gebied, Natuur Netwerk Brabant Binnen het kaartbeeld ‘Basiskaart Stedelijk gebied, Landelijk gebied, Natuur Netwerk Brabant’ is het plangebied aangeduid als ‘Stedelijke gebied’ en ‘Beperking grootschalige logistiek’. Dit is geïllustreerd in navolgend kaartbeeld.
16
De provincie verwacht van gemeenten dat zij bij de ontwikkeling van woningbouwlocaties en het opstellen van gemeentelijke ruimtelijke plannen daarvoor rekening houden met de afspraken in het regionaal ruimtelijk overleg. Dit artikel bevat regels over de verantwoording bij bestemmingsplannen en andere planologische besluiten. Hierbij is het nodig ook een relatie te leggen naar de bestaande harde plancapaciteit. Tevens moet uitdrukkelijk een relatie gelegd worden met regionale afspraken over de nieuwbouw van woningen De provincie vraagt gemeenten om het principe van zorgvuldig ruimtegebruik toe te passen bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het doel hierbij is om bestaand bebouwd gebied zo goed mogelijk te benutten. Pas als dat niet kan, wordt gezocht naar de beste plek in het buitengebied om nieuwe ruimte te gebruiken. Daarnaast wil de provincie verouderde locaties in stedelijk gebied opnieuw invullen en ongewenste functies in het buitengebied saneren. Voorbeelden van dergelijke ongewenste functies zijn glastuinbouwbedrijven in kwetsbare gebieden of veehouderijen rondom de natuur en stedelijke gebieden. In de TAM-omgevingsverordening Noord-Brabant is verder bepaald dat ruimtelijke plannen die voorzien in een stedelijke ontwikkeling, in principe alleen in bestaand stedelijk gebied mogen vallen. Onder voorwaarden zijn ontwikkelingen in hiermee samenhangende zoekgebieden mogelijk.
Uit onderhavige toelichting blijkt dat aan deze voorwaarden wordt voldaan. Een omgevingsplan ter plaatse van de aanduiding ‘Beperking grootschalige logistiek’ betekent dat nieuwvestiging, vestiging en uitbreiding van grootschalige logistiek is verboden. Doorwerking plan(gebied) Onderhavig planvoornemen betreft een transformatie van een bestaande locatie, waarbij een stedelijke functie in de vorm van woningen wordt ingepast in een bestaande woonomgeving. Hiermee wordt dus aangesloten bij het uitgangspunt van de provincie om zorgvuldig om te gaan met de beschikbare ruimte binnen een landelijke kern, stedelijk gebied. De aanduiding ‘Beperking grootschalige logistiek’ is niet van toepassing. 17
Instructieregels gemeenten: specifieke ontwikkelingen en maatwerk in Landelijk gebied Binnen het kaartbeeld ‘Instructieregels gemeenten: specifieke ontwikkelingen en maatwerk in Landelijk gebied’ is het plangebied aangeduid als ‘stalderingsgebied’. Dit is geïllustreerd in navolgend kaartbeeld.
De aanduiding ‘stalderingsgebied’ heeft enkel invloed op bestaande agrarische bedrijven. Onderhavig plan betreft de oprichting van woningen in bestaande stedelijk gebied van Heeswijk-Dinther. De uitgangspunten en regeling ten aanzien van staldering hebben hier geen invloed op, en andersom doet onderhavig planvoornemen geen afbreuk aan deze beleidsregels. Doorwerking plan(gebied) De aanduidingen binnen het kaartbeeld ‘Instructieregels gemeenten: specifieke ontwikkelingen en maatwerk in Landelijk gebied’ zijn niet van toepassing op onderhavige ontwikkeling. Instructieregels voor waterschappen: watersystemen, -veiligheid en -berging Binnen het kaartbeeld ‘Instructieregels voor waterschappen: watersystemen, -veiligheid en -berging’ is het plangebied aangeduid als ‘norm wateroverlast Stedelijk gebied’. Dit is geïllustreerd in navolgend kaartbeeld.
18
Elke plek heeft een aanduiding welke iets regelt ten aanzien van omgang met water. Onderhavig plangebied is gelegen in het stedelijke gebied van Heeswijk-Dinther. De norm ten aanzien van wateroverlast binnen het stedelijk gebied is hier dan ook op van toepassing. Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht, geldt binnen Stedelijk gebied, als norm een overstromingskans van: a. 1/100 per jaar voor gebieden die in een ruimtelijk plan bestemd zijn voor de doeleinden bebouwing, hoofdinfrastructuur en spoorwegen; b. 1/10 per jaar voor overige gebieden. De gestelde norm betreft een inspanningsverplichting. Doorwerking plan(gebied) De genoemde inspanningsverplichting is van toepassing op onderhavig planvoornemen. Er is sprake van transformatie binnen het plangebied waarbij nieuwbouw plaatsvindt. In hoofdstuk 3 wordt aandacht besteed aan de omgang met hemelwater binnen het plangebied. De watertoets als geheel is als bijlage 5 aan deze onderbouwing toegevoegd. Conclusie De gemeente Bernheze streeft naar een evenwichtige woningmarkt met voldoende, goede, betaalbare, gevarieerde en passende woningen. Het plan komt tegemoet aan een actuele behoefte en wordt in bestaand stedelijk gebied gerealiseerd. Dus herstructurering, herontwikkeling en transformatie vóór uitleg.
Onderhavige ontwikkeling vindt plaats in stedelijk gebied, betreft intensiever ruimtegebruik met een stedelijke functie en is passend binnen de diverse beleidsuitgangspunten waaronder de doelstellingen wat betreft de kwantitatieve en kwalitatieve doeleinden met betrekking tot de woningbouw. De planontwikkeling heeft geen nadelige gevolgen voor de ambities die de provincie nastreeft en heeft geformuleerd in de Omgevingsvisie Noord-Brabant en de Omgevingsverordening Noord-Brabant. Er wordt met onderhavige ontwikkeling derhalve geen afbreuk gedaan aan de beleidsdoelstellingen en ambities, zoals opgenomen in de structuurvisie en de verordening. Onderhavig plan sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten, zoals verwoord in de Omgevingsverordening Noord-Brabant. De ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische aanvaardbaarheid van onderhavige ontwikkeling wordt gemotiveerd in de hoofdstuk 3.
2.4 Gemeentelijk beleid De provinciale ruimtelijke beleidskaders zijn of moeten worden vertaald in het gemeentelijke ruimtelijke beleid. In deze paragraaf wordt nader ingegaan op de Omgevingsvisie Bernheze 2040, Structuurvisie Bernheze, Woonvisie 2022-2026, Welstandsnota Bernheze en de gemeentelijke Parkeernormennota. Daarnaast is er al uitgebreid aandacht besteed aan de vigerende bestemming met daartoe behorende regels in paragraaf 1.3 van deze plantoelichting. Omgevingsvisie Bernheze 2040 Toetsingskader De omgevingsvisie Bernheze 2040 is een richtinggevende visie voor de fysieke leefomgeving. Nieuwe initiatieven toetsen we op basis van deze omgevingsvisie. De 19
Omgevingswet verplicht gemeenten een omgevingsvisie op te stellen. Het schets de ambities voor de komende 20 jaar. Ambities en doelen die samen met de partners zijn bepaald. We staan immers samen aan de lat voor het realiseren van deze ambities en doelen van deze visie. Met de omgevingsvisie wil de gemeente de kwaliteit van de leefomgeving behouden en versterken. Daarvoor hanteert de gemeente de volgende aanknopingspunten om slim met de ruimte om te gaan: • Kenmerken en identiteit van het gebied centraal stellen; • Meervoudig ruimtegebruik, waar het kan; • Voorkomen van afwenteling. Deze omgevingsvisie vervangt de gemeentelijke structuurvisie en andere lange termijn visies op de fysieke leefomgeving van de gemeente, tenzij de omgevingsvisie niet of nauwelijks aandacht besteed aan een beleidsdomein. De omgevingsvisie is een dynamisch document en zal ook meebewegen met nieuwe en veranderende maatschappelijke opgaven. Dat kan ook aanleiding geven om met de partners tot een aangepaste omgevingsvisie te komen. De kern van de omgevingsvisie bestaat uit de uitwerking in vijf strategische thema’s. In deze uitwerking worden de opgaven naar ambities en doelen vertaald. De vijf thema’s zijn: 1. Gezonde leefomgeving 2. Leefbare kernen 3. Klimaatadaptatie en herstel biodiversiteit 4. Vitale en duurzame landbouw en economie 5.
Kwaliteit landschap en erfgoed Doorwerking plan(gebied) Om in het grote woningtekort te voorzien, heeft Bernheze in de woondeal een enorme bouwopgave afgesproken. Betaalbare en duurzame woningen zijn de uitdaging, zeker met het oog op dat meer huishoudens uit minder personen bestaan. Tegelijkertijd wil de gemeente anticiperen op demografische veranderingen. Denk daarbij aan de sterke vergrijzing in met name de plattelandsgebieden. Kernen en gebouwen maken we groen, klimaatadaptief en natuurinclusief. We houden het water zoveel mogelijk vast en koppelen de regenwatersystemen af van het riool. We gaan werken met een groennorm. Vitale kernen hebben een vitaal en compact centrum, met voldoende basisvoorzieningen en sterke ondernemers. Komende jaren hebben we een forse woningbouwopgave. Het is noodzakelijk deze opgave te combineren met het behouden en versterken van aantrekkelijke kernen waar het fijn wonen is. We staan voor de opdracht om vele woningen te bouwen en dit op een fatsoenlijke manier te realiseren zodat we direct een kwalitatieve slag maken. Dit doen we bijvoorbeeld door het woningaanbod diverser te maken. Met een diverser woningaanbod behouden we verschillende doelgroepen in onze kernen of trekken we deze aan. We bouwen met name voor de lokale woonbehoefte in de toekomst, zowel kwantitatief als kwalitatief.
Een tekort hebben aan starterswoningen voor jongeren en jonge gezinnen. Met duurzaam bedoelen we met name circulair, natuurinclusief, energieneutraal en met een lage ecologische voetafdruk. De gemeente Bernheze streeft naar een evenwichtige woningmarkt met voldoende, goede, betaalbare, gevarieerde en passende woningen. Het plan komt tegemoet aan een actuele behoefte en wordt in bestaand stedelijk gebied gerealiseerd. Dus herstructurering, herontwikkeling en transformatie vóór uitleg.
20
Conclusie Onderhavig plan sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten zoals verwoord in de Omgevingsvisie Bernheze 2040. Structuurvisie Bernheze Toetsingskader De Structuurvisie Bernheze is vastgesteld door de gemeenteraad van Bernheze op 11 februari 2010. De Structuurvisie moet helderheid verschaffen in het ruimtelijke beleid van de gemeente Bernheze en de wijze waarop zij deze tot uitvoering wil brengen. De structuurvisie is een visie op hoofdlijnen en vormt een belangrijk (toetsing)kader voor het initiëren, beoordelen, afwegen en vaststellen van nieuwe ruimtelijke plannen. Een belangrijk onderdeel van de structuurvisie is het Ruimtelijk Casco. Het Ruimtelijk Casco betreft het ontwikkelingskader voor de gemeente Bernheze en vormt een casco voor concrete projecten en plannen. Uit de kaart van het Ruimtelijk Casco komt naar voren dat het plangebied gelegen is in bestaand stedelijk gebied (dorp), zie onderstaande afbeelding.
Binnen het bestaand stedelijk gebied ligt de nadruk conform de structuurvisie op ‘beheer en intensivering’. Daarnaast zijn voor de kernen Nistelrode en Heeswijk-Dinther de aanduidingen ‘centrumontwikkeling’ en ‘herstructurering’ aanvullend opgenomen. Voor de kernen geldt dat herstructurerings- en intensiveringsprocessen in beginsel overal binnen bestaand woongebied mogelijk zijn. Doorwerking plan(gebied) De ontwikkeling waarop dit bestemmingsplan betrekking heeft betreft het herstructureren van een bestaande stedelijke zone. Vanuit de structuurvisie wordt hiermee een eerste handvat geboden die de beoogde ontwikkeling toe kan staan. Daarnaast moet hierbij worden aangesloten op de kwaliteiten en mogelijkheden van dat gebied. De duidelijke structuur en de variatie van de verschillende dorpen wordt behouden en waar mogelijk versterkt. Waar sprake is van inbreiding moet deze aansluiten op het karakter van de kern en waar mogelijk niet te intensief en ‘dicht’ (ook in de kernen moeten de groene kwaliteiten benut worden en moet daarin variëteit worden geboden). De nieuwe woningen worden in de bestaande stedelijke structuur ter plaatse opgenomen door met de rooilijn van de bestaande bebouwing rekening te houden, doorzichten naar het achterland en landschap worden behouden en er is een passend stedenbouwkundig ontwerp opgesteld.
21
Conclusie Onderhavig plan sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten zoals verwoord in Structuurvisie Bernheze. Woonvisie 2022-2026 Toetsingskader Op 24 mei 2016 heeft de Gemeenteraad van Bernheze de Woonvisie 2016-2021 met als ondertitel ‘Creatief naar een nieuw evenwicht’ vastgesteld. Deze visie geeft een duidelijke richting: het streven naar een nieuw evenwicht van de woningmarkt in Bernheze, waarbij woningen toegevoegd en aangepast worden aan de hand van de wensen die er zijn. Doorwerking plan(gebied) Het plan is voor 2023 opgenomen in de woningbouwplanning van 2020. Dat betekent impliciet dat het plan kwalitatief en kwantitatief aansluit op de woningbouwbehoefte van de gemeente. Prijzen Woonvisie 2022-2026: • Sociale huur < € 763,47 • Goedkope koop < € 260.000 • Betaalbare koop € 260.000 - € 355.000 (NHG) • Middenhuur € 763,47 - € 1.000 • Duur Koop > € 355.000 De Woonvisie gaat uit van de volgende uitgangspunten: • Minimaal 25% huur • 5% middenhuur • minimaal 15% goedkope koop • 20% betaalbare koop • maximaal 25% dure koop. Hierbij is differentiatie op projectbasis voorstelbaar. Wel dient betaalbaarheid uitgangspunt te blijven. Insteek planvoornemen:
In Q3 2020 is de raad geïnformeerd over de resultaten van de woningbouw in relatie tot de prijscategorieën. Er ligt relatief veel ruimte in de categorieën ‘koop – gestapeld’. Het plan overschrijdt deze waarden iets. Gezien de nieuwe woonvisie en de kernmerken van de huidige woningmarkt is dat geen bezwaar. Hierbij geldt als uitgangspunt dat met onderhavig bestemmingsplan binnen de grenzen van de onderliggende wijzigingsbevoegdheid wordt gebleven. In het kader van de nieuwe Woonvisie 2022-2026 kan geconcludeerd dat het volledige programma betaalbaar is. Omdat het gaat om de bouw van appartementen in/nabij het centrum zullen de woningen in dit plan (ook) aantrekkelijk zijn voor senioren. Ander pluspunt is de combinatie tussen appartementen en centrumgebied. Derhalve wordt met het type woningen, de locatie en prijzen van de woningen – zowel kwantitatief als kwalitatief – aangesloten bij de vraag en behoefte welke momenteel binnen de gemeente Bernheze aanwezig is. Het is dan wel zaak de woningen betaalbaar te houden. De nieuwe woonvisie gaat ervan uit dat bewust wordt omgegaan met het 22
instrumentarium dat hiervoor beschikbaar is. Hierbij moet gedacht worden aan de zelfbewoningsplicht, anti-speculatie, anterieure overeenkomst e.d. Aan de minimale vereisten uit de Woonvisie 2022-2026 wordt voldaan in termen van betaalbaarheid. Conclusie Onderhavig plan sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten zoals verwoord in de Woonvisie 2022-2026. Parkeernormennota Toetsingskader Op 12 juni 2018 heeft de gemeenteraad van Bernheze de Parkeernormennota vastgesteld. De norm heeft tot doel toepassing van de parkeernormen duidelijk te maken. De parkeernorm is van toepassing op nieuw- en verbouw, niet op bestaande situaties en geeft bewoners, bedrijven en initiatiefnemers duidelijkheid over welke normen gebruikt worden bij een bouwaanvraag. In ieder nieuw bestemmingsplan dient de systematiek van de gebruikte parkeernorm te worden vermeld. Het is ook toegestaan in het bestemmingsplan te verwijzen naar de parkeernormennota van de gemeente. Doorwerking plan(gebied) In paragraaf 3.11 van dit bestemmingsplan wordt nader ingegaan op het parkeeraspect. Conclusie Onderhavig plan sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten zoals verwoord in de Parkeernormennota.
Welstandsnota Bernheze Toetsingskader De gemeenteraad van Bernheze heeft op 5 oktober 2015 de Welstandsnota Bernheze vastgesteld. Doorwerking plan(gebied) Conform de Welstandsnota is onderhavige locatie (deels) aangemerkt als ‘Het historische dorpscentrum – Heeswijk centrum’ en als gebied ‘Algemeen – Welstandsnota’. In de nota zijn welstandscriteria opgenomen waaraan een omgevingsvergunning voor de te bouwen woningen getoetst zal gaan worden. De Welstandsnota Bernheze is geen onderdeel van de planologische onderbouwing en juridische verankering van de ontwikkeling. Het gebouw aan de Monseigneur van Oorschotstraat 9 vormt een lint tezamen met de rest van de woningen. Verder wijkt het bestaande gebouw qua footprint niet af van het huidige pand. Het gebouw aan de Hoofdstraat ligt voor een klein deel in het historisch dorpscentrum. Vanwege de verspringingen in de voorgevel en rooilijnen vormt het tezamen met de rest van de woningen een lintbebouwing. Omdat woongebouwen in het historisch dorpscentrum vaak dicht aan de straat zijn gesitueerd komt het nieuwe woongebouw ook iets naar voren t.o.v. de bestaande bebouwing. Verder variëren ook de afstanden tot de zijdelingse perceelsgrenzen wat gebruikelijk is in de kommen. Het materiaalgebruik en indeling is traditioneel met baksteen en pannendak wat aansluit met de rest van de lintbebouwing.
In het vervolgstadium worden de Welstandscriteria bij de aanvraag omgevingsvergunning en de bouw van het pand daarnaast zoveel mogelijk in acht genomen.
23
Conclusie Onderhavig plan sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten zoals verwoord in Welstandsnota Bernheze.
24
3. Milieu-hygiënische aspecten 3.1 Inleiding en aanleiding Er bestaat een duidelijke relatie tussen milieubeleid en ruimtelijke ordening. De beleidsvelden groeien naar elkaar toe. De milieukwaliteit vormt een belangrijke afweging bij de ontwikkelingsmogelijkheden van ruimtelijke functies. Bij de afweging van het al dan niet toelaten van bepaalde ruimtelijke ontwikkelingen, dient onderzocht te worden welke milieuaspecten daarbij een rol kunnen spelen. Tevens is het van belang milieubelastende functies, zoals bedrijfsactiviteiten, ruimtelijk te scheiden ten opzichte van milieugevoelige functies, zoals woningen. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de milieu- en ruimtelijke aspecten die van belang zijn bij de oprichting van de woningen aan de Hoofdstraat – Monseigneur van Oorschotstraat te Heeswijk-Dinther. De resultaten van de onderzoeken naar de milieukundige haalbaarheid worden beschreven en er wordt aan de andere – ruimtelijk relevante – waarden en omgevingsaspecten, zoals verkeer en mobiliteit, getoetst. Zo is, naast diverse nadere deelonderzoeken, door De Roever Omgevingsadvies een ‘quickscan milieuaspecten’ uitgevoerd welke als bijlage 1 bij deze plantoelichting is gevoegd. Tevens zijn de conclusies uit de quickscan in navolgende paragrafen verwerkt.
In dit hoofdstuk wordt daarom achtereenvolgens aandacht besteed aan de aspecten geluid, milieuzonering, bodem, water, flora en fauna, verkeer en parkeren. Tot slot worden de overige aspecten behandeld, waarbij conclusies vooral zijn overgenomen uit het vigerende bestemmingsplan.
3.2 Geluid Doelstelling en (wettelijk) beleidskader Bij de realisatie van geluidgevoelige bestemmingen, zoals woningen, in de nabijheid van wegen dient in het bestemmingsplan aandacht besteed te worden aan de akoestische omstandigheden. De gevels van de woningen ondervinden namelijk een geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer in de omgeving. De verplichting tot uitvoering van een akoestisch onderzoek is vastgelegd in de Wet geluidhinder. De Wet geluidhinder bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai, industrielawaai en luchtvaartlawaai. De Wet geluidhinder geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan, indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidzone van een bestaande geluidbron of indien het plan een nieuwe geluidbron mogelijk maakt. De Wet geluidhinder bepaalt in hoeverre het bouwen op een locatie is toegestaan, het Bouwbesluit bevat onder meer eisen die aan de geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie van het gebouw worden gesteld. Deze worden onder meer bepaald door de hoogte van de geluidbelasting, het type buitengeluid en de gebruiksfunctie.
Motivering geluid voor bestemmings-/bouwplan Wegverkeerslawaai De volgende objecten worden in Wet geluidhinder beschermd: • woningen; • andere geluidgevoelige gebouwen; • geluidgevoelige terreinen. 25
Ten behoeve van het planvoornemen is door De Roever Omgevingsadvies een onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Hierna zijn de conclusies uit het onderzoek letterlijk overgenomen. De integrale onderzoeksrapportage is als bijlage 2 bij de plantoelichting opgenomen.
Hogere waarden Het plangebied ligt niet binnen een geluidzone van een weg. Het verlenen van een hogere waarde is niet van toepassing. Benodigde gevelwering (wegverkeerslawaai) De gecumuleerde geluidbelasting bedraagt ten hoogste 62 dB ter plaatse van de voorgevel van het appartementencomplex aan de Hoofdstraat (alle etages). De vereiste karakteristieke geluidwering Ga;k bedraagt dan 62 – 33 = 29 dB. Het bevoegd gezag zal bepalen of er nader onderzoek naar de geluidwering van de gevels dient te worden gedaan. Woon- en leefklimaat De milieukwaliteit wordt geclassificeerd als ‘Zeer goed’ tot ‘Slecht’. Het woon- en verblijfsklimaat ter plaatse van de appartementen kan evenwel als acceptabel worden aangemerkt. Op basis van de toelichting in paragraaf 3.2.1 en 3.2.2 kan gesteld worden dat de cumulatieve geluidbelasting (wegverkeer) een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat niet in de weg staat
Ter plekke van de balkons kan de geluidbelasting beperkt worden door het plaatsen van een hoge, gesloten borstwering en het plaatsen van een absorberend plafond boven de balkons op de 1e verdieping. Bij de tuinen kan er een hoge schutting worden geplaatst om het geluid tegen te houden. Om de geluidbelasting nog verder te beperken kunnen de balkons ook geheel worden afgesloten met uitzondering van een ventilatievoorziening. In de serres moeten buitencondities heersen door een permanente ventilatievoorziening. Volgens het artikel ‘Balkons en serre-achtige constructies in de Wet geluidhinder’ d.d. 15 februari 2016 kan dat middels een niet afsluitbare ventilatieopening met een capaciteit van op zijn minst 3,0 l/s. Spoorweglawaai In de directe omgeving van het plangebied is geen actieve spoorlijn gelegen. Nader onderzoek naar de gevolgen van spoorweglawaai is derhalve niet noodzakelijk. Vliegtuiglawaai Het plangebied is niet gelegen nabij een (militair) vliegveld. Nader onderzoek naar de gevolgen van vliegtuiglawaai is derhalve niet noodzakelijk. Stiltegebieden Blijkens de kaarten, behorend bij de Milieuverordening Noord-Brabant, is het plangebied niet gelegen in of nabij een stiltecentrum. Conclusie Beoordeeld is welke voorzieningen benodigd zijn ten gevolge van de gevelbelasting van het wegverkeer voor de woningen. Vanuit akoestisch oogpunt levert het bestemmingsplan c.q.