6. Donzel 27 en Hoogbroeksesteeg ong., Nistelrode_Toelichting
Tekst van het document
4.1.1. Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling
Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming over plannen en projecten. Het gaat hierbij enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waardoor het milieu mogelijk nadelig wordt beïnvloed. Als uitgangspunt gelden voor plannen, waaronder wijzigingsplannen, onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: - Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden. - Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten; Ten aanzien van het eerste criterium geldt dat er in deze situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Gezien de behoorlijke afname van emissies bij voorliggend plan, kan worden geconcludeerd worden dat geen significante negatieve effecten worden verwacht op Natura 2000gebieden. Ten aanzien van het eerste criterium geldt dat er in deze situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden.
In voorliggende toelichting is een beschrijving opgenomen voor de mogelijke effecten van het plan op de Natura 2000-gebieden. Op basis van deze beschrijving kan worden geconcludeerd dat de gewenste ontwikkelingen geen negatieve effecten voor Natura 2000-gebieden tot gevolg hebben. Toevoegen woningen Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. Categorie D11.2 is mogelijk van toepassing bij onderhavig initiatief. Deze categorie betreft een stedelijk ontwikkelingsproject wat 2.000 of meer woningen omvat. Uit uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (van 15 maart 2017; ECLI:NL:RVS:2017:694, van 31 januari 2018; ECLI:NL:RVS:2018:348, van 17 april 2019; ECLI:NL:RVS:2019:1253 en van 11 maart 2020; ECLI:NL:RVS:2020:729) blijkt dat het antwoord op de vraag of sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r., afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen.
Uit deze uitspraken volgt eveneens dat het antwoord op de vraag of een activiteit kan worden aangemerkt als een activiteit als bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r., niet afhankelijk is van het antwoord op de vraag of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. Weliswaar verandert het gebruik van de percelen, maar dat betekent niet dat hetgeen waarin het plan voorziet moet worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Daarbij is van belang dat sprake is van
Bestemmingsplan – Donzel 27 en Hoogbroeksesteeg ong., Nistelrode
29
bestaand bebouwd gebied, dat het ruimtebeslag van de voorziene bebouwing beperkt is en dat er bestaande verouderde bedrijfsbebouwing gesaneerd wordt. Uit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de bijbehorende procedure. Agrarisch bedrijf Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. Voor de oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van vee zijn de grenswaarden opgenomen in categorie D14. Voor het houden van paarden zijn in D14 grenswaarden opgenomen van respectievelijk 100 paarden of pony’s. In de beoogde bedrijfsopzet is sprake van 3 volwassen paarden. Amfibiënpoel Op de natuurgronden waar de amfibiënpoel wordt gerealiseerd is geen bedrijf gevestigd. Deze activiteit komt niet voor op de C- en D-lijst van het Besluit m.e.r. Er geldt voor het initiatief derhalve geen (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsplicht. Er kan worden geconcludeerd dat er voor het initiatief geen (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsplicht geldt.
4.1.2. Geur
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) betreft een wet waarmee de nationale regels inzake geurhinder ten opzichte van de tot veehouderijen behorende dierenverblijven vastgesteld staan. De Wet geurhinder en veehouderij heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting, onder andere als gevolg van emissies door bedrijven. Indirect heeft de Wgv ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten en dus voor de ruimtelijke ordening, dit wordt ‘omgekeerde werking’ genoemd. Voor wat betreft geurhinder van veehouderijen betekent dit dat de volgende aspecten in ogenschouw moeten worden genomen: a. Wordt er een onevenredige inbreuk gemaakt op de mogelijkheden voor bedrijfsontwikkeling van de nabijgelegen veehouderijen? b. Is ter plaatse van de planlocatie een goed woon- en verblijfklimaat gegarandeerd? De Wet Geurhinder veehouderij (Wgv) is op 1 januari 2007 in werking getreden en vormt het toetsingskader voor het aspect geur uit dierenverblijven van veehouderijen bij de individuele omgevingsvergunningverlening milieu. Hetzij via een maximaal toegelaten geurbelasting (geurnorm cq. voorgrondbelasting), hetzij via een minimumafstand. Andere geurbronnen bij een veehouderij vallen buiten de scope van de geurgebiedsvisie en geurverordening.
Het bevoegd gezag, het college van burgemeester en wethouders van Bernheze, heeft aanvullend een geurverordening en een beleidsregel opgesteld.
Omgekeerde werking Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) moeten veehouderijen, waar dieren worden gehouden waarvoor bij ministeriële regeling geuremissiefactoren zijn vastgesteld, geurcontouren in acht nemen ten opzichte van geurgevoelige objecten. Dit geldt onder andere voor pluimveehouderijen en varkenshouderijen. Voor dieren waarvoor bij ministeriële regeling geen geuremissiefactoren zijn vastgesteld, zoals melkrundvee en paarden, gelden vaste afstanden. In de beoogde situatie worden er een 3-tal volwassen paarden gehouden. De gemeente Bernheze heeft in de ‘Verordening Fysieke Leefomgeving’ (VFL) vaste afstanden met betrekking tot het aspect geur vastgesteld. Dit houdt in dat indien een geurgevoelig object is gelegen binnen de bebouwde kom de afstand ten minste 50 meter moet zijn, wanneer het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom ligt geldt een afstand van 25 meter. Het dichtstbijzijnde geurgevoelige object is gelegen binnen de bebouwde kom aan de Donzel 24, deze ligt op een afstand van ruim 88 meter. Hiermee wordt voldaan aan de vaste afstanden. Wanneer er een nieuw geurgevoelig object wordt opgericht binnen de geurcontour of vaste afstand van een veehouderij, kan dat de ontwikkelingsmogelijkheden van die veehouderij belemmeren.
In dit geval liggen er reeds bestaande geurgevoelige objecten dichter bij de omliggende veehouderijen, dan de
Bestemmingsplan – Donzel 27 en Hoogbroeksesteeg ong., Nistelrode
30
beoogde woonkavels op de Hoogbroeksesteeg ong.. Die objecten zijn dan ook maatgevend voor de ontwikkelingsmogelijkheden van de omliggende veehouderijen, niet de nieuwe woningen. Hierdoor zullen bestaande geurgevoelige objecten de veehouderijen ook altijd meer belemmeren dan de beoogde geurgevoelige objecten binnen de locatie zullen doen. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de ontwikkeling met zekerheid niet zorgt voor een onevenredige belemmering voor de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijen in de omgeving.
Woon- en leefklimaat
Vanuit een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat er ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaard woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect geur. Zoals hierboven genoemd wordt er voldaan aan de gestelde vaste afstanden in de Wet Geurhinder en Veehouderij. Dit betekent in beginsel een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor de toetsing van deze aspecten is een separaat geuronderzoek. Het rapport hiervan is als bijlage opgenomen bij deze toelichting (bijlage 5). Uit het geuronderzoek volgt dat het plangebied: - voldoet qua vaste afstanden aan de norm uit de gemeentelijke geurverordening; - voldoet aan de gestelde geurnormen uit de gemeentelijk geurverordening; - voldoet aan de achtergrond geurnorm uit de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant; - ligt in een gebied waar ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat wordt gewaarborgd. Op basis van het geuronderzoek uitgevoerd in 2022 wordt geconcludeerd dat voor de realisatie van het plan geen beperkingen gelden. De toetsingskaders zijn met de wijziging van de verordening niet veranderd. Met het plan worden de omliggende veehouderijen niet verder beperkt. Ten aanzien van het aspect geur zijn er dus geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
4.1.3. Luchtkwaliteit
In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de Wet luchtkwaliteit in beeld te worden gebracht. Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en sindsdien staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). In de Wet luchtkwaliteit zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen voor luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht. Met name de stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) worden beleidsmatig relevant geacht. Er dient te worden aangetoond dat het woon- en leefklimaat ten aanzien van deze stoffen ter plaatse aanvaardbaar is en als gevolg van de beoogde ontwikkeling in de omgeving aanvaardbaar blijft.
Niet in betekenende mate
Indien ontwikkelingen binnen de planlocatie gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit moet aandacht worden besteed aan de gevolgen voor de milieukwaliteitseisen. Onderzoek moet worden verricht naar de gevolgen voor de in bijlage 2 van de Wet milieubeheer genoemde milieukwaliteitseisen voor de buitenlucht. Volgens de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 moeten de concentraties worden bepaald vanaf de grens van het terrein van de inrichting. Dit onderzoek kan echter achterwege blijven indien de nieuwe bestemming betrekking heeft op één of meer categorieën van gevallen als genoemd in de Regeling niet in betekende mate bijdragen. In die gevallen wordt aangenomen dat de toename van de concentratie in de buitenlucht van zowel zwevende deeltjes (PM 10) als stikstofdioxide de 3% grens van de jaargemiddelde concentratie niet overschrijdt. Als sprake is van een beperkte toename van de luchtverontreiniging die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdraagt aan de concentratie PM10 of NO2 in de buitenlucht, hoeft een plan niet langer meer getoetst te worden. Dit volgt uit artikel 5.16, lid 1, sub c, van de Wet milieubeheer. Het Besluit NIBM legt vast wat geldt als niet in betekenende mate bijdragen.
Voor de volgende categorieën in de Regeling NIBM kan getoetst worden aan of een plan NIBM bijdraagt: - Categorie woningbouwlocaties; - Categorie kantoorlocaties; - Combinatie van woningbouw en kantoren; - Categorie inrichtingen.
Bestemmingsplan – Donzel 27 en Hoogbroeksesteeg ong., Nistelrode
31
Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor NO 2 en PM10. Voor de beoogde situatie aan de Donzel 27 dient bepaalt te worden of de eventuele toename in het aantal verkeersbewegingen van en naar de inrichting invloed hebben op de luchtkwaliteit in de omgeving. Het ministerie van Infrastructuur en Milieu heeft hier in samenwerking met Kenniscentrum InfoMil een specifieke rekentool voor ontwikkeld. Met die tool kan op een eenvoudige en snelle manier worden bepaald of de verkeersaantrekkende werking van een functie ‘Niet In Betekenende Mate’ bijdraagt aan de concentratie van fijnstof in de buitenlucht. Voor de transportbewegingen ten behoeve van de paardenhouderij en het akkerbouwbedrijf, zoals beoogd op deze locatie, is uitgegaan van een maximaal standaard worst-case scenario. Hierbij is uitgegaan van het maximaal aantal extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde) wat volgens de NIBM-tool mogelijk is. Dit betreffen veel meer transportbewegingen welke plaatsvinden op 1 dag als dat in de feitelijke situatie op 1 dag plaats zullen vinden binnen de projectlocatie. Het initiatief aan de Hoogbroeksesteeg ong. betreft het creëren van twee nieuwe woningen. Deze ontwikkeling behoort daarom tot de categorie woningbouwlocaties.
Voor woningbouwlocaties geldt dat deze NIBM zijn wanneer het netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, in geval van één ontsluitingsweg (bijlage 3A, Regeling niet in betekende mate bijdragen). Aangezien met het initiatief aan de Hoogbroeksesteeg ong. slechts twee nieuwe woningen mogelijk worden gemaakt, wordt het aandeel verkeer op 6 voertuigbewegingen per dag per woning geschat. Ten gevolge van het aan te leggen natuurpoel met wandelpad vindt er een beperkte verkeersaantrekkende werking plaats. De natuurpoel wordt gerealiseerd in de buurt van reeds bestaande wandelroutes. Omdat bij een paardenhouderij en het akkerbouwbedrijf de voertuigbewegingen ook bestaan uit zwaardere voertuigen is er in deze situatie van uitgegaan dat het aandeel vrachtverkeer maximaal 40% van de extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde bedraagt). Dit betekent dat maximaal 245 extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde) op de locatie plaats kunnen vinden zodat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekende mate is, zie onderstaande afbeelding.
Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit, GCN2022 Jaar van planrealisatie
2023
Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)
245
Aandeel vrachtverkeer
40,0%
NO2 in μg/m3
1,20
3
0,10
Extra verkeer als gevolg van het plan
Maximale bijdrage extra verkeer
PM10 in μg/m Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m
3
1,2
Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet-in-betekenende-mate; geen nader onderzoek nodig
Afbeelding 23: uitsnede NIBM-tool versie 2022
Er wordt dus ruimschoots voldaan aan de NIBM-grens. De beoogde ontwikkeling heeft dus met zekerheid geen significant negatieve effecten op de luchtkwaliteit in de omgeving. Er kan worden geconcludeerd dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor het initiatief.
Woon- en leefklimaat
Op grond van de Wet luchtkwaliteit zijn grenswaarden opgenomen voor de jaargemiddelde concentraties voor onder andere fijnstof (PM 10). De grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie bedraagt 40 μg/m3. Vanaf 1 januari 2015 geldt daarnaast een grenswaarde voor PM 2,5 waaraan door het bevoegd gezag bij vergunningverlening moet worden getoetst. Deze grenswaarde is opgenomen in de Wet milieubeheer en bedraagt 25 μg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie. Voor de kortdurende blootstelling van de mens aan piekconcentraties van NO 2 geldt een grenswaarde van 200 μg/m3 voor
Bestemmingsplan – Donzel 27 en Hoogbroeksesteeg ong., Nistelrode
32
het uurgemiddelde van NO2. Indien aan deze grenswaarden wordt voldaan, mag worden aangenomen dat het woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit aanvaardbaar is Het RIVM heeft Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten van Nederland waarop de achtergrondconcentratie van fijnstof PM 10, PM2,5 en NO2 ten aanzien van een goed woon- en leefklimaat geraadpleegd kan worden. De jaargemiddelde fijnstofconcentratie binnen de planlocatie is conform de GCN-kaart voor fijnstof PM10 16,36 μg/m3, voor PM2,5 9,50 μg/m3 en voor NO2 11.76 μg/m3, zie afbeeldingen 23, 24 en 25.
Hoogbroeksesteeg ong.
Afbeelding 24: Uitsnede GCN-kaart fijnstof PM10
Hoogbroeksesteeg ong.
Afbeelding 25: Uitsnede GCN-kaart fijnstof PM2,5
Bestemmingsplan – Donzel 27 en Hoogbroeksesteeg ong., Nistelrode
33
Hoogbroeksesteeg ong.
Afbeelding 26: Uitsnede GCN-kaart fijnstof NO2
Ten aanzien van de luchtkwaliteit zijn er dus geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
4.1.4. Geluid
De Wet geluidhinder (Wgh) vormt sinds 1979 het juridisch kader voor het Nederlandse geluidsbeleid. Deze wet zorgt voor de bescherming van geluidsgevoelige bestemmingen tegen geluidhinder van wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai. Hierbij wordt o.a. gebruik gemaakt van zonering en geluidsnormen. In de Wgh is bepaald dat voor locaties in een bestemmingsplan waar woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen kunnen worden gerealiseerd, de geluidbelasting dient te worden onderzocht binnen de zones behorende bij verkeersbewegingen, spoorwegen en industrieterreinen. In de omgeving van de locatie Donzel 27 liggen geen spoorwegen of industrieterreinen. De locatie ligt wel binnen de geluidszone van de Donzel. Met de beoogde ontwikkeling wordt echter geen nieuw geluidsgevoelig object opgericht. De bedrijfswoning betreft een reeds bestaand geluidsgevoelig object in het kader van de Wgh. Dit verandert met de beoogde ontwikkeling niet. Er hoeft daarom geen onderzoek te worden gedaan naar de geluidsinvloed van industrieterreinen in de omgeving of omliggende wegen en spoorlijnen op geluidsgevoelige objecten binnen de planlocatie. In de omgeving van de locatie Hoogbroeksesteeg ong. liggen geen spoorwegen of industrieterreinen. Een nader onderzoek naar industrielawaai is daarom niet noodzakelijk.
De locatie ligt wel binnen de geluidszone van de Hoogbroeksesteeg, en is gelegen in een 30 km-zone. Het gedeelte van de Hoogbroeksesteeg waar de woningen zijn gesitueerd is momenteel niet verhard, en wordt daarom niet gebruikt als erftoegangsweg of ontsluitingsweg. Ter ontsluiting van de woningen zal één oprit op het perceel aangelegd worden. Deze oprit zal aansluiten op het onverharde deel van de Hoogbroeksesteeg. De oprit zal maximaal 5 meter uit de hoek van het perceel worden gesitueerd, derhalve spreken we over een onverharde aanrijweg van maximaal 5 meter. Hierdoor is er nauwelijks tot geen wegverkeerslawaai te verwachten, en is ten behoeve van de realisatie van de woningen geen nader onderzoek naar wegverkeerslawaai noodzakelijk. Er kan worden geconcludeerd dat er voor wat betreft het aspect geluid geen belemmeringen zijn voor het initiatief. 4.2. Planologische aspecten
4.2.1. Waterhuishouding
Sinds 1 november 2003 is het verplicht om bij ruimtelijke ingrepen de watertoets toe te passen. Deze verplichting is wettelijk geregeld in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Door middel van deze watertoets moet inzicht worden geboden in de effecten van het initiatief op de waterhuishouding. In het kader van de watertoets dient de gemeente voorafgaand aan de procedure het voornemen van de ruimtelijke ingreep aan het waterschap te verzenden. De gemeente en het waterschap kunnen
Bestemmingsplan – Donzel 27 en Hoogbroeksesteeg ong., Nistelrode
34
afspraken maken over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is opgenomen. In deze waterparagraaf komen de volgende onderdelen aan bod: - Beschrijving waterrelevant beleid; - Bestaande waterhuishoudkundige situatie; - Beoogde waterhuishoudkundige situatie.
Waterrelevant beleid
De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is vanaf 22 december 2000 van kracht. De KRW heeft als doel om te komen tot schone, ecologisch gezonde stroomgebieden, waarin water op een duurzame manier wordt gebruikt. Om dit doel te bereiken is een systematiek opgesteld die alle Europese lidstaten in de nationale wetgeving moeten implementeren en uitvoeren. De Nederlandse regering heeft invulling aan de KRW gegeven door middel van de Waterwet, die in werking is getreden op 22 december 2009. De Waterwet regelt het beheer van het oppervlakte- en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen het waterbeleid en ruimtelijke ordening. De visies met betrekking tot het waterbeleid worden door de verschillende bestuurslagen in diverse plannen beschreven. Provincie Het beleid van de provincie Noord-Brabant richt zich op het bereiken en in stand houden van watersystemen die ruimte bieden aan een gezond leefmilieu voor mens, dier en plant. Daarbij zijn economische en ecologische ontwikkelingen met elkaar in evenwicht en is het hebben en houden van een veilige en bewoonbare provincie een randvoorwaarde. Dit beleid is vertaald in de Omgevingsvisie en Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. De belangrijkste aspecten zijn: - Een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem; - Een betere waterveiligheid door preventie; - Koppeling van waterberging en droogtebestrijding.
Zoals reeds uiteen is gezet in paragraaf 3.2.3 liggen er binnen de Iov geen werkingsgebieden voor wat betreft het aspect water op de locaties. Er zijn daarom geen voorwaarden waar in het kader van de Iov aan getoetst dient te worden. De watertoets en de wijze waarop de provincie daar mee omgaat, is beschreven in het Provinciaal Milieu en Waterplan (PMWP). Provinciale Staten hebben op 18 december 2015 het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016 – 2021 ‘Samen naar een duurzaam gezonde en veilige leefomgeving in Brabant vastgesteld (PMWP). Hiermee zijn twee aparte provinciale plannen samengevoegd, te weten het voormalige ‘PWP 2010-2015’ en het ‘Provinciale Milieuplan 2012-2015’. Het doel van dit plan is het creëren van een gezonde leefomgeving voor mens, dier en plant, waarin we veilig kunnen wonen en waar ruimte is voor economische, maatschappelijke en ecologische ontwikkelingen. Het aspect water maakt hier onderdeel van uit. Kort gezegd gaat het PMWP voor: - Voldoende water voor mens, plant en dier; - Schone en gezonde leefomgeving (bodem, water en lucht); - Bescherming van Brabant tegen overstromingen en externe risico’s; - Verduurzaming van de grondstoffen-, energie- en voedselvoorziening. Gemeenten en waterschappen dienen hun waterbeleid te baseren op de uitgangspunten die de provincie in hun PMWP stelt. De PMWP is enkel voor de provincie Noord-Brabant zelf bindend.
Zoals weergegeven is in navolgende afbeelding heeft de locatie Donzel 27 in het PMWP de waterhuishoudkundige functie ‘Water voor de groenblauwe mantel’ toegekend gekregen. De locatie Hoogbroeksesteeg ong. heeft de functie ‘Water voor het gemengd landelijk gebied’ toegekend gekregen. Deze aanduidingen komen overeen met de aanduiding ‘groenblauwe mantel’ en ‘gemengd landelijk gebied’ uit de Structuurvisie ruimtelijke ordening en Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Het initiatief betreft de sloop van stallen en verkleining van het bouwvlak aan de Donzel 27 en realisatie van twee woningen met bijgebouw aan de Hoogbroeksesteeg ong.. Er is hierdoor geen sprake van waterhuishoudkundige ingrepen, die een negatief effect kunnen hebben op de ontwikkeling van de groenblauwe mantel en/of het gemengd landelijk gebied.
Bestemmingsplan – Donzel 27 en Hoogbroeksesteeg ong., Nistelrode
35
Donzel 27 Hoogbroeksesteeg ong.
Afbeelding 27: uitsnede kaart ‘Gezondheid – 1’ PWMP (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)
Op de kaart 2 en 3 behorende bij de PMWP hebben de locaties geen aanduiding gekregen. Volgens het beleidskader van de PMWP is dus geen specifiek beschermingsregime van toepassing binnen de planlocatie. Hiermee past het initiatief binnen het beleidskader van de PMWP. Waterschap Sinds 1 november 2003 is het verplicht om bij ruimtelijke ingrepen de watertoets toe te passen. Deze verplichting is wettelijk geregeld in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Door middel van deze watertoets moet inzicht worden geboden in de effecten van het initiatief op de waterhuishouding. In het kader van de watertoets dient de gemeente voorafgaand aan de procedure het voornemen van de ruimtelijke ingreep aan het waterschap te verzenden. De gemeente en het waterschap kunnen afspraken maken over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is opgenomen. De projectlocatie valt onder het beheer van waterschap Aa en Maas.
Waterbeheerplan
Op 19 november 2021 is het nieuwe waterbeheerplan van waterschap Aa en Maas vastgesteld. In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het plan geldt van 22 december 2021 tot en met 21 december 2027. Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende drie programma’s: 1. Waterveiligheid; Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas en het regionale watersysteem. 2. Klimaatbestendig en gezond watersysteem; Het programma ‘Klimaatbestendig en gezond watersysteem’ draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch). 3. Schoon Water; In het programma ‘Schoon Water’ speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol. Voor bebouwde gebieden heeft het waterschap specifieke doelen geformuleerd. In bebouwd gebied werkt het waterschap toe naar een klimaatrobuust watersysteem waarin: - schoon water niet naar de zuivering gaat, maar het grondwater voedt;
Bestemmingsplan – Donzel 27 en Hoogbroeksesteeg ong., Nistelrode
36
-
de waterkwaliteit geen risico’s geeft voor de volksgezondheid en geschikt is voor een goede ontwikkeling van flora en fauna, maar ook voor recreatie en evenementen; de kans op wateroverlast en problemen door droogte en hittestress acceptabel is; de betrokkenheid en het waterbewustzijn van inwoners, bedrijven en andere stedelijke partners is toegenomen.
Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; Keur, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen.
Keur
De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt in beleids- en algemene regels.
Legger
De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven.
Uitgangspunten watertoets waterschap Aa en Maas
Bij ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder ver- en nieuwbouwplannen, hanteert het waterschap een aantal uitgangspunten ten aanzien van het duurzaam omgaan met water, die van belang zijn als vertrekpunt van het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient de initiatiefnemer hier invulling aan te geven: 1. Wateroverlastvrij bestemmen Bij de locatiekeuze voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met de norm uit het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW). In eerste instantie zal bij de locatiekeuze van een ontwikkeling gezocht moeten worden naar een plek „die hoog en droog genoeg‟ is. Mocht dit echter niet mogelijk of wenselijk zijn, dan zal in de compenserende of mitigerende sfeer gezocht moeten worden naar maatregelen die het gewenste beschermingsniveau tegen wateroverlast helpen realiseren. Liever nog dan mitigeren of compenseren, wordt bij voorkeur gebouwd op locaties die als gevolg van hun ligging nú al voldoen aan de NBW-norm voor de toekomstige functie. 2. Gescheiden houden van vuil water en schoon hemelwater Het streefbeeld is het afvoeren van het vuile water via de riolering en het binnen het plangebied verwerken van het schone hemelwater.
Afhankelijk van de omstandigheden ter plaatse kan een compromis gesloten worden, waarbij de minimale inzet (in bestaand bebouwd gebied) is om het vuile en het schone water gescheiden aan te bieden op het (reeds aanwezige) gemengde rioolstelsel. Het waterschap zal echter niet akkoord gaan met de aanleg van nieuwe gemengde rioolstelsels. 3. Doorlopen van de afwegingsstappen: “hergebruik - infiltratie - buffering -afvoer” In aansluiting op het landelijke beleid (NW4, WB21) hanteert het waterschap het beleid dat bij nieuwe plannen altijd onderzocht dient te worden hoe omgegaan kan worden met het schone hemelwater. Hierbij worden de afwegingsstappen “hergebruik - infiltratie - buffering - afvoer” (afgeleid van de trits “vasthouden - bergen - afvoeren”) doorlopen. Hergebruik van hemelwater wordt voornamelijk overwogen bij grootschalige voorzieningen als scholen, kantoorgebouwen ed. Voor particuliere woningen wordt dit, ook gezien de landelijke ervaringen met grijswatersystemen, niet gestimuleerd. Binnen grondwaterbeschermingsgebieden kunnen door de grondwaterbeheerder (provincie) aanvullende kwalitatieve eisen gesteld worden in de Provinciale Milieu Verordening. Ook kan een vergunning nodig zijn van de grondwaterbeheerder. 4.
Hydrologisch neutraal ontwikkelen Nieuwe ontwikkelingen dienen te voldoen aan het principe van hydrologisch neutraal ontwikkelen, waarbij de hydrologische situatie minimaal gelijk moet blijven aan de
Bestemmingsplan – Donzel 27 en Hoogbroeksesteeg ong., Nistelrode
37
uitgangssituatie. Hierbij mag de natuurlijke GHG (Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand) niet verlaagd worden en mag bijvoorbeeld bij transformatie van landelijk naar bebouwd gebied de oorspronkelijke landelijke afvoer in de normale situatie niet overschreden worden. Het waterpeil sluit aan bij optimale grondwaterstanden en in poldergebieden worden seizoensfluctuaties toegestaan.
5. Water als kans ”Water” wordt door stedenbouwkundigen bij inrichtingsvraagstukken vaak benaderd als een probleem (“er moet ook ruimte voor water gecreëerd worden, en m2 zijn duur”). Dat is erg jammer, want “water” kan ook een meerwaarde geven aan het plan, bijvoorbeeld door gebruik te maken van de belevingswaarde van water. Zo is „wonen aan het water‟ erg gewild, een mooie waterpartij met bijbehorend groen wordt door vele inwoners gewaardeerd etc. 6. Meervoudig ruimtegebruik “Er moet ruimte voor water gecreëerd worden, en m2 zijn duur”. Maar door bij de inrichting van een plangebied ruimte voor twee of meer doeleinden te gebruiken, is het “verlies” van m2 als gevolg van de toegenomen ruimtevraag vanuit water te beperken. Zo is het in bepaalde gevallen mogelijk om het flauwe talud ook te gebruiken als onderhoudsstrook. Flauwe taluds geven veel ruimte voor buffering van water, maar zijn ook te gebruiken voor recreatieve doeleinden (een fietspad dat af en toe niet te gebruiken is). 7. Voorkomen van vervuiling Bij de inrichting, het bouwen en het beheer van gebieden wordt het milieu belast. Vanuit zijn wettelijke taak ten aanzien van het waterkwaliteitsbeheer streeft het waterschap ernaar om nieuwe bronnen van verontreiniging zoveel mogelijk te voorkomen. Deze bronaanpak is ook verwoord in het Emissiebeheersplan.
Het waterschap besteedt hier reeds aandacht aan in de fase van de watertoets, zodat dit aspect als randvoorwaarde kan worden meegenomen in het verdere ontwerpproces. 8. Waterschapsbelangen Er zijn „waterschapsbelangen‟ met een ruimtelijke component. Dit betreft het volgende: a. ruimteclaims voor waterberging b. ruimteclaims voor de aanleg van natte EVZ‟s en beekherstel c. aanwezigheid en ligging watersysteem d. aanwezigheid en ligging waterkeringen e. aanwezigheid en ligging van infrastructuur en ruimteclaims tbv de afvalwaterketen in beheer van het waterschap. Indien deze belangen een rol spelen in het ruimtelijke plan dan zou hieraan in de toelichting, de voorschriften en de plankaart aandacht besteed moeten worden.
Bestaande waterhuishoudkundige situatie
Ten noorden en westen van de locatie Donzel 27 is een A-watergang gelegen. Deze is in eigendom van het Waterschap Aa en Maas. Hiervoor is tevens een beschermingszone opgenomen ten behoeve van deze watergang, zoals te zien is op navolgende uitsnede van de kaart ‘Vastgestelde Legger Oppervlaktewater’ van het Waterschap Aa en Maas. Deze beschermingszone is in het vigerende bestemmingsplan tevens vastgelegd met de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Beschermingszone watergang’. Binnen deze beschermingszone zullen geen obstakels of beplanting geplaatst worden.
Bestemmingsplan – Donzel 27 en Hoogbroeksesteeg ong., Nistelrode
38
Donzel 27 Hoogbroeksesteeg ong.
Afbeelding 28: uitsnede Vastgestelde Legger Oppervlaktewater (bron: Waterschap Aa en Maas)
In de bestaande waterhuishoudkundige situatie voor de locatie Donzel 27 wordt het bedrijfsafvalwater van huishoudelijke aard geloosd op het gemeentelijk riool. Voor het overige wordt er uit de inrichting enkel niet-verontreinigd hemelwater geloosd. Dit hemelwater is afkomstig van regenwater dat op de daken en erfverharding valt. Gemiddeld valt er jaarlijks 0,8 m 3 niet-verontreinigd hemelwater per m 2 verhard oppervlak. Dit hemelwater wordt door middel van afschot van daken en erfverharding geloosd op omliggende perceelsloten. Op het bedrijf wordt aandacht besteed aan het schoonhouden van het verhard oppervlak. Er is sprake van good-house-keeping management. De erfverharding en de daken worden zo vaak als voor de goede orde noodzakelijk is schoongehouden. Op het bedrijf vinden geen bijzondere activiteiten plaats die ertoe kunnen leiden dat er stoffen in aanraking kunnen komen met het hemelwater. In de bestaande waterhuishoudkundige situatie voor de locatie Hoogbroeksesteeg ong. is het perceel in gebruik als grasland/akkerland. Er vinden geen bijzondere activiteiten plaats die ertoe kunnen leiden dat er stoffen in aanraking kunnen komen met het hemelwater. Het hemelwater kan dus zonder problemen infiltreren op het perceel.
Beoogde waterhuishoudkundige situatie
De toekomstige waterhuishoudkundige situatie voor de locatie Donzel 27 blijft nagenoeg gelijk aan de bestaande situatie. Er vindt een afname van verharding plaats (door sloop van stallen). De afname van verhard oppervlak heeft geen negatief effect op de waterhuishoudkundige situatie. In de gewenste situatie op de Hoogbroeksesteeg ong. worden twee woningen met bijgebouw gerealiseerd. Het afvalwater van huishoudelijke aard zal geloosd worden op het gemeentelijk riool. Bij de nieuwbouw zal gebruik worden gemaakt van milieuvriendelijke bouwmaterialen en niet van uitlogende bouwmaterialen, zoals lood, koper, zink en zacht PVC. Deze stoffen kunnen zich ophopen in het water(bodem)systeem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie. Zoals aangegeven is waterschap Aa en Maas de beheerder van de kwaliteit en kwantiteit van het gronden oppervlaktewater binnen het plangebied. Door middel van de Keur van Waterschap Aa en Maas, die in werking is getreden op 1 maart 2015, kan worden bepaald bij welke ontwikkelingen mitigerende maatregen getroffen moeten worden. Dit om versnelde afvoer van hemelwater op het watersysteem te
Bestemmingsplan – Donzel 27 en Hoogbroeksesteeg ong., Nistelrode
39
voorkomen. Bij voorkeur wordt ervoor gezorgd dat het hemelwater alsnog kan infiltreren in de bodem, eventueel via mitigerende maatregelen zoals een retentievoorziening. De Keur schrijft voor dat mitigerende maatregelen nodig zijn indien sprake is van een toename van het verhard oppervlak met meer dan 500 m2. De grootte van de retentievoorziening moet worden berekend conform de rekenregel die in de nieuwe Algemene regels van de Keur van de waterschappen is geïntroduceerd. Deze rekenregel luidt als volgt: Benodigde compensatie (in m3) = toename verhard oppervlak (m2) x ‘gevoeligheidsfactor’ x 0,06 (m) In de beoogde situatie wordt een toename verwacht van circa 950 m2 verhard oppervlak (ca. 300 m2 voor de woningen, ca. 200 m2 voor de bijgebouwen en ca. 450 m 2 voor de erfverharding). Omdat er een toename van verharding is dient er een compenserende maatregel getroffen te worden om het hemelwater op te vangen. De grootte van de retentievoorziening wordt berekend conform de rekenregel die in de nieuwe Algemene regels van de Keur van de waterschappen is geïntroduceerd. Deze rekenregel luidt als volgt: De gevoeligheidsfactor is af te leiden uit de kaart die bij de nieuwe Keur is gevoegd. Hierbij is het grondgebied van het desbetreffende waterschap, in dit geval Aa en Maas, verdeeld in drie categorieën.
Naarmate de gevoeligheid van een gebied of oppervlaktewatersysteem voor de gevolgen van piekafvoeren lager is, is minder compensatie nodig. Er worden drie waarden voor de gevoeligheidsfactor gehanteerd: ¼ (Laag), ½ (Gemiddeld) en 1 (Hoog). Zoals uit navolgende afbeelding blijkt is er voor de locatie aan de Hoogbroeksesteeg ong. een gevoeligheidsfactor van 1 (Hoog) van toepassing. Hoogbroeksesteeg ong.
Afbeelding 29: uitsnede kaart ‘Gevoeligheidsfactor’ (bron: Keurkaarten waterschap Aa en Maas)
De factor 0,06 (m) vertegenwoordigt een waterschijf van 60 mm (600 m 3/ha) die de hoeveelheid water aangeeft die onder maatgevende omstandigheden daadwerkelijk op het watersysteem terecht zou komen als er geen voorziening wordt aangelegd. Deze is door het waterschap vastgelegd op basis van eigen onderzoek en toekomstscenario’s. Dit is een vast gegeven in de formule. Alle onderdelen van de rekenregel zijn bekend. Dit betekent dat de volgende rekensom gemaakt kan worden. Benodigde compensatie = 950 m2 x 1 x 0,06 = 57 m3 Bij de uitwerking van de compenserende maatregelen zal ook rekening gehouden moeten worden met de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG). De voorziening mag namelijk niet dieper worden
Bestemmingsplan – Donzel 27 en Hoogbroeksesteeg ong., Nistelrode
40
afgegraven dan de GHG ter plaatse. De gemiddelde hoogste grondwaterstand is af te leiden uit de gedetailleerde bodematlas van de provincie Noord-Brabant. Zoals uit navolgende afbeelding blijkt ligt de gemiddelde hoogste grondwaterstand ter plaatse van de beoogde woningen tussen 20 en 40 cm beneden maaiveld. Hoogbroeksesteeg ong.
Afbeelding 30: uitsnede Bodematlas ‘Gemiddelde hoogste grondwaterstand’ (bron: provincie Noord-Brabant)
Het achterliggende perceel (ca. 1.800 m2 * 0,2 meter = 360 m3) zal het hemelwater infiltreren. Hiermee is de voorziening voldoende groot zijn om te voldoen aan de benodigde compensatie. Op navolgende afbeelding is de beoogde retentie/infiltratievoorziening weergegeven.
Afbeelding 31: weergave retentie/infiltratievoorziening op locatie Hoogbroeksesteeg ong.
Hieruit kan worden geconcludeerd dat er ten aanzien van het aspect water geen belemmeringen zijn voor het initiatief.
Bestemmingsplan – Donzel 27 en Hoogbroeksesteeg ong., Nistelrode
41
4.2.2. Bodemkwaliteit De bodemkwaliteit ter plaatse moet geschikt zijn voor het beoogde gebruik. In de huidige situatie op de locatie Donzel 27 is sprake van een agrarisch bedrijf, in de toekomstige situatie is dit ook het geval. Ter plaatse van de gewenste vormverandering en de nieuwe akkerbouwloods zal er geen verblijf van mensen plaatsvinden > 2 uur per dag. Het betreft daarom geen wijziging naar een gevoeliger gebruik. Op de locatie heeft inmiddels al sloop van de varkensstallen plaatsgevonden. Bij deze sloop is een volledig gecertificeerde afvoer van asbest plaatsgevonden, en ook is de sloop door een erkend bedrijf uitgevoerd. Er zijn diverse certificaten aanwezig van afvoer van puin, granulaat en dergelijke. De locatie Hoogbroeksesteeg ong. is momenteel in gebruik als gras/akkerland. In de bijlagen is een formulier ‘Historische toets vrijstelling bodemonderzoek’ opgenomen (bijlage 6). Hieruit blijkt dat er in het verleden geen bodemverontreinigingen hebben plaatsgevonden ter plaatse van de beoogde woonkavels. Omdat dit deel van het plangebied altijd in gebruik is geweest als landbouwgrond en er op basis van de historische toets geen aanwijzingen zijn voor de aanwezigheid van bodemverontreiniging, is de verwachting dat dit deel van het plangebied als onverdacht van bodemverontreiniging kan worden beschouwd. Het deel van het plangebied aan de Hoogbroeksesteeg ong.
is gelegen in de bodemkwaliteitszone landbouw/natuur van de ontgravingskaarten van de Bodemkwaliteitskaart regio Noordoost Brabant van 28 februari 2019. Op basis van het vastgestelde regionale bodembeleid in de Nota bodembeheer 2019-2024 geldt er in dit geval ontheffing van de bodemonderzoeksplicht, en mag er voor de bodemkwaliteit voor dit deel van het plangebied worden verwezen naar de bodemkwaliteitskaart en dus naar de bodemkwaliteit landbouw / natuur. Deze bodemkwaliteit is geschikt voor het voorgenomen gebruik wonen met tuin, en vormt dan ook geen belemmering voor de bestemmingswijziging. Voor het aspect bodemkwaliteit zijn er geen aanvullende onderzoeken noodzakelijk en vormt het daarom geen belemmering voor het voorgenomen initiatief.
4.2.3. Bedrijven en milieuzonering
De handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (editie 2009) is een publicatie van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en dient als hulpmiddel voor milieuzonering in de ruimtelijke planvorming. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. Voor verschillende typen bedrijven worden milieuzoneringen aangegeven in de richtafstandenlijst (uit de hierboven genoemde handreiking). In onderstaande tabel wordt de richtafstanden (in meters) van de huidige situatie voor de locatie Donzel 27 (met een varkenshouderijtak) en de toekomstige situatie (een akkerbouwbedrijf) weergegeven. Tabel 3: richtafstanden huidige situatie Omschrijving Fokken en houden van varkens Akkerbouw en fruitteelt (bedrijfsgebouwen)
Milieucat. 4.1 2
Geur 200 10
Stof 30 10
Geluid 50 30
Gevaar 0 10
Milieucat. 3.1
Geur 50
Stof 30
Geluid 30
Gevaar 0
2
10
10
30
10
Tabel 4: richtafstanden toekomstige situatie Omschrijving Fokken en houden van overige graasdieren: paardenfokkerijen Akkerbouw en fruitteelt (bedrijfsgebouwen)
De dichtstbijzijnde woning van derden (met enkelbestemming ‘Wonen’, zijnde Donzel 23 Nistelrode) is gelegen op ca. 4 meter (gemeten vanuit de randen van de bouwvlakken). Daarnaast zijn de woningen Donzel 22, 24 en 35 gelegen binnen de richtafstanden van de VNG handreiking. Er kan op grond van de Wet geurhinder wel voldaan worden aan de voorgeschreven afstanden voor wat betreft de paardenhouderijtak van het bedrijf. Verder vindt er, door de beëindiging van de intensieve veehouderijtak, een verbetering plaats van de milieucategorie (van 4.1 naar 3.1). In de nabijheid van de Hoogbroeksesteeg ong. zijn geen bedrijven gesitueerd. Op deze locatie hoeft daarom geen rekening gehouden te worden met richtafstanden vanuit de handreiking. Het aspect ‘bedrijven en milieuzonering’ vormt daarom geen belemmering voor voorgenomen initiatief.
Bestemmingsplan – Donzel 27 en Hoogbroeksesteeg ong., Nistelrode
42
4.2.4. Verkeer en parkeren
De locatie Donzel 27 is gelegen aan de Donzel, buiten de bebouwde kom van Nistelrode. De locatie is bereikbaar via de Weijen en de Dijkstraat (richting de Noorderbaan/Heescheweg naar de A50). Door het voorgenomen initiatief, het verwijderen van de functieaanduiding ‘intensieve veehouderij’ zal er geen toename zijn van het aantal verkeersbewegingen. Het aspect verkeer vormt daarom geen belemmering voor het initiatief. De locatie Hoogbroeksesteeg ong. is gelegen aan de Hoogbroeksesteeg, tevens buiten de bebouwde kom van Nistelrode. De locatie is bereikbaar via de Donzel (richting de Weijen en Noorderbaan naar de A50). De realisatie van de twee woonkavels zal een lichte toename van verkeersbewegingen met zich meebrengen. De aangegeven wegen beschikken over voldoende capaciteit voor deze lichte toename van verkeersbewegingen. Het aspect verkeer vormt daarom geen belemmering voor het initiatief. Op basis van de Parkeernormennota van de gemeente Bernheze (in werking getreden op 9-7-2015) dient parkeren op eigen terrein plaats te vinden. Op de locatie Donzel 27 is sprake van de categorie ‘loods, opslag, transportbedrijf’. Hiervoor geldt dat buiten de bebouwde kom 0,9 plaatsen per 100 m2 b.v.o. aanwezig dient te zijn. Aangezien er een bedrijfsgebouw van 500 m 2 aanwezig is, zullen er 4,5 parkeerplaatsen aanwezig moeten zijn.
Op het erf van deze locatie is voldoende ruimte om 4,5 tot 5 parkeerplaatsen te realiseren; de erfverharding hiervoor is al aanwezig. Voor de locatie Hoogbroeksesteeg ong. geldt de categorie ‘meerpersoonswoning >60 m2’. Hiervoor geldt buiten de bebouwde kom dat er 2 parkeerplaatsen per woning gerealiseerd moeten worden. Het parkeren ten behoeve van de woning op initiatieflocatie zal plaatsvinden op eigen perceel. Het erf bij de woonkavels biedt hier ruimte voldoende voor. Hierbij zal voldaan worden aan de gestelde parkeernorm. De woningen in de vorm van een voeren erf gesitueerd, waarbij er sprake is van een “hoofdgebouw” en een “schuurwoning”. Er zal gebruik worden gemaakt van één inrit waardoor het boerenerfprincipe passend is qua karakter in de omgeving. Het aspect parkeren vormt daarom geen belemmering voor het initiatief.
4.2.5. Natuur
Voorafgaand aan de beoogde wijziging dient onderzocht te worden of er sprake is van een aantasting van wettelijk beschermde natuurwaarden op basis van de groene wet- en regelgeving. Onderstaand zijn de diverse aspecten ten aanzien van natuurwaarden beschreven.
Natuurnetwerk Nederland (NNN)
In de twintigste eeuw is veel Nederlandse natuur verdwenen. De overgebleven gebieden zijn vaak klein en liggen veelal ver uit elkaar. Hierdoor hebben bepaalde organismen moeite om gebieden te bereiken en zich er te handhaven, waardoor de diversiteit van planten, dieren en micro-organismen (de biodiversiteit) ook sterk achteruitgaat. Om de biodiversiteit te behouden en te versterken is het Natuurnetwerk Nederland opgericht. De Natuurnetwerk Nederland is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor veel planten en dieren. In het NNN liggen: - Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; - Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; - Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; - Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van Noordzee en de Waddenzee; - Alle Natura 2000-gebieden. Het Rijk heeft het algemene NNN-beleid in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) vastgelegd. Op grond van artikel 2.10.2 van het Barro moeten provincies bij provinciale verordening de NNN-gebieden aanwijzen en nauwkeurig begrenzen. Op grond van artikel 2.10.3 Barro moeten zij ook de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden vastleggen. Daarnaast wijzen de provincies de natuurdoelen in de NNN aan.
Elk NNN-gebied heeft een zogenaamd natuurdoel. Een natuurdoel beschrijft een bepaalde natuurkwaliteit en wordt gebruikt als een toetsbare doelstelling voor een natuurgebied.
Bestemmingsplan – Donzel 27 en Hoogbroeksesteeg ong., Nistelrode
43
Natuur Netwerk Brabant (NNB) Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijke voor de begrenzing en de ontwikkeling van het NNN. De provincie Noord-Brabant heeft in zijn Interim omgevingsverordening (Iov) de gebieden opgenomen als Natuur Netwerk Brabant. Men wil in 2027 alle gaten in het netwerk hebben gedicht met nieuwe natuur. Ongeveer 90% van het Natuur Netwerk Brabant wordt gevormd door bestaande natuurgebieden. Tussen deze gebieden is men voornemens om verbindingen te leggen in de vorm van Ecologische verbindingszones. Door deze verbindingen tussen natuurgebieden kunnen dieren van het ene gebied naar het andere foerageren. De concrete ambities van de provincie Noord-Brabant staan in het Natuurbeheerplan Noord-Brabant 2016. De begrenzing van het netwerk is daarnaast ook opgenomen in de Iov. Het NNB kent geen specifiek beschermingsregime, anders dan via het ruimtelijke spoor. Conform de kaart ‘instructieregels gemeente: natuur en stiltegebieden’ van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant is binnen de locaties geen NNB aanwezig, zie onderstaande afbeelding. De beoogde ontwikkelingen hebben daarom geen invloed op de concrete ambities uit het Natuurbeheerplan Noord-Brabant 2016.
Donzel 27 Hoogbroeksesteeg ong.
Afbeelding 32: uitsnede kaart ‘Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden’ Iov
Wet natuurbescherming
In de Wet natuurbescherming zijn regels gesteld met betrekking tot gebiedsbescherming, soortenbescherming en bescherming van houtopstanden. In deze paragraaf wordt getoetst of de ontwikkeling invloed heeft op de beschermde gebieden en soorten die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is beperkt tot de Natura 2000-gebieden en eventueel buiten het Natuur Netwerk liggende bijzondere provinciale natuurgebieden. De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland is al beschermd in het Barro en provinciale verordening. In Nederland zijn 164 Natura 2000-gebieden aangewezen. Voorbeelden van de Natura 2000-gebieden zijn Sint Jansberg, Oeffelter Meent en Boschhuizerbergen. De provincie Noord-Brabant heeft geen bijzondere provinciale natuurgebieden vastgesteld. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een
Bestemmingsplan – Donzel 27 en Hoogbroeksesteeg ong., Nistelrode
44
vergunning in het kader van Wet Natuurbescherming (Wnb) wordt aangevraagd. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied betreft Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek, welke is gelegen op een afstand van circa 17 kilometer. Er zijn verschillende factoren die kunnen leiden tot de verstoring van beschermde vogel- en habitattypen en soorten. Daarnaast kunnen andere factoren eveneens leiden tot een verstoring van habitattypen en soorten, indien een ontwikkeling op korte afstand van een gebied plaatsvindt.
Verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht
Middels het rekenprogramma AERIUS kan de stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden worden berekend. Hiermee wordt het effect op verzuring en vermesting in beeld gebracht. Wanneer met het rekenprogramma AERIUS kan worden aangetoond dat een initiatief geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft, kan de ontwikkeling doorgang vinden. Indien er wel sprake is van een toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden moet onderbouwd worden hoe deze toename in depositie ongedaan wordt gemaakt (door het treffen van maatregelen of extern salderen). Voor de locatie Donzel 27 zijn de gewenste akkerbouw- en paardehouderijactiviteiten reeds gemeld middels een melding Activiteitenbesluit. Voorliggend initiatief op deze locatie, het verwijderen van de functieaanduiding ‘intensieve veehouderij’ en de gewenste verkleining van het bouwvlak ten behoeve van het akkerbouw- en paardenhouderijbedrijf, zullen geen invloed hebben op de stikstofdepositie ter plaatse. Om aan te tonen dat er als gevolg van de beoogde ontwikkeling aan de Hoogbroeksesteeg ong. geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden plaatsvindt zijn middels het rekenprogramma AERIUS berekeningen gemaakt voor de aanlegfase van het initiatief. Tevens is voor de gebruiksfase een AERIUS berekening gemaakt.
Hieruit blijkt dat de stikstofdepositie in de aanleg- en gebruiksfase van het plan niet groter is dan 0,00 mol/ha/jaar. De uitgangspunten voor deze berekeningen zijn uiteengezet in Bijlage 7. In Bijlage 8 zijn de rekenresultaten van deze berekeningen opgenomen. Het aspect stikstofdepositie vormt derhalve geen belemmering voor vaststelling en uitvoering van dit project. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit heeft op 17 juni 2020 een Kamerbrief gepubliceerd waarin een aantal aanvullende stappen staan die het kabinet zal nemen naar aanleiding van het advies van de Commissie Remkes. Deze publicatie is opgesteld in aanloop naar het Kamerdebat over het eindadvies voor de structurele aanpak van de stikstofproblematiek ‘Niet alles kan overal’. In deze publicatie heeft het kabinet als doelstelling gesteld om tijdelijke emissies gedurende de realisatiefase van kleinschalige projecten niet langer te onderwerpen aan gedetailleerde depositieberekeningen. Hiervoor zal onderzoek worden gedaan naar de mogelijkheid om een drempelwaarde voor de realisatiefase van projecten in te stellen. In het kader van deze doelstelling is geen AERIUS-berekening gemaakt van de tijdelijke emissies tijdens de realisatiefase van het initiatief.
Overige storingsfactoren
Vanwege de ruime afstand van de planlocatie tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Sint Jansberg leidt het initiatief verder niet tot andere voorkomende storende factoren op omliggende Natura 2000gebieden zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en bewuste verandering soortensamenstelling.
Conclusie
Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat negatieve effecten op soorten en habitattypen in beschermde Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. Er is daarom op grond van de Wet natuurbescherming geen omgevingsvergunning in het kader van gebiedsbescherming noodzakelijk.
Bestemmingsplan – Donzel 27 en Hoogbroeksesteeg ong., Nistelrode
45
Bescherming van soorten De soorten beschermende werking is rechtstreeks opgenomen in de Wnb. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn; Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn; Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 3. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage onderdeel A en B van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. De Wnb regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren.
In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. Bij het beoordelen van de in de planlocatie voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: - Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); - Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); - Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden. Ten behoeve van de ontwikkelingen op de Donzel 27 te Nistelrode is een Quickscan soortenbescherming uitgevoerd. Het rapport hiervan is als separate bijlage bijgevoegd bij deze toelichting (bijlage 9). In deze Quickscan wordt het volgende geconcludeerd: “Het voornemen zoals opgenomen in de inleiding en de daarbij behorende werkzaamheden, zal naar verwachting geen negatief effect hebben op de staat van instandhouding van beschermde soorten. Binnen de locaties zijn geen (verblijfplaatsen van) strikt beschermde soorten aangetroffen die door de werkzaamheden worden beïnvloed.
Uit de effectenbeschrijving blijkt dat er geen onevenredige directe of indirecte gevolgen zijn van de voorgenomen activiteiten op de voortplanting en instandhouding van beschermde dier- en/of plantsoorten. Lokaal zullen mogelijk algemene soorten uit het plangebied trekken op zoek naar een vervangende biotoop. De gebouwen dienen bij voorkeur gesloopt te worden buiten het broedseizoen. Voor aanvang van de werkzaamheden dient daarom geen aanvullend onderzoek plaats te vinden. Een ontheffing met betrekking tot aantasting van beschermde soorten is niet nodig. De werkzaamheden kunnen leiden tot een beschadiging of vernietiging van mogelijke verblijfplaatsen en/of verstoring van eventueel aanwezige algemene soorten. Een algehele vrijstelling op basis van de Verordening natuurbescherming is hierop van toepassing. De algemene zorgplicht blijft onverminderd van toepassing.” Inmiddels zijn de varkensstallen gesloopt, en zijn er geen verblijfplaatsen van beschermde soorten aangetroffen. Gelet op de aard van het initiatief aan de Hoogbroeksesteeg ong. te Nistelrode, dient met name bepaald te worden of ter plaatse van de beoogde woonkavels, beschermde natuurwaarden voorkomen, die verstoord zouden kunnen worden. Verboden handelingen dienen te worden voorkomen en handelingen mogen niet leiden tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding.
Het (onopzettelijk) doden, verwonden of verontrusten van deze soorten is zonder ontheffing niet toegestaan. Gezien het huidige intensieve gebruik van de landbouwgronden is de aanwezigheid van beschermde of bijzondere soorten echter niet te verwachten.
Bestemmingsplan – Donzel 27 en Hoogbroeksesteeg ong., Nistelrode
46
Door middel van de ‘Effectenindicator soorten’ van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit is gekeken of de werkzaamheden voor het realiseren van de beoogde situatie een bedreiging vormt voor de beschermde diersoorten. Voor de realisatie is er sprake van de activiteiten ‘bijbehorend bouwwerk bouwen’ en ‘handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening’. Uit de effectenindicator volgt dat de aanwezigheid van beschermde soorten onwaarschijnlijk is, zie onderstaande afbeeldingen.
Hoogbroeksesteeg ong. Afbeelding 33: uitsnede kaart ‘Effectenindicator soorten’ (bron: Min. LNV)
Afbeelding 34: conclusie ‘Effectenindicator soorten’ (bron: Min. LNV)
De locatie ten behoeve van de woonkavels is nu intensief in gebruik als grasland/akkerland. Vaste verblijfplaatsen voor vogels zijn daarom niet gesignaleerd door initiatiefnemer, en zijn ook niet te verwachten in de toekomst. Met het voorgenomen initiatief zal rekening gehouden worden met het broedseizoen van vogels. Gezien het voorstaande kan geconcludeerd worden dat het aantreffen van beschermde natuurwaarden niet aan de orde is. Een omgevingsvergunning in het kader van de bescherming van soorten is op grond van de Wet natuurbescherming daarom niet noodzakelijk. Bescherming van houtopstanden De bescherming van houtopstanden zoals die is vastgelegd in de Wnb vloeit voort uit de voormalige Boswet. Voorwaarden zijn gericht op de instandhouding van het bosareaal. Bij houtopstanden groter dan 10 are of 20 rijbomen en liggend buiten de bebouwde kom geldt een meldplicht, herplantplicht en mogelijke oplegging van een kapverbod. Binnen de locatie Donzel 27 en Hoogbroeksesteeg ong. is hier geen sprake van. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er op grond van de Wet natuurbescherming geen omgevingsvergunning in het kader van de bescherming van houtopstanden noodzakelijk is.