5. Toelichting bestemmingsplan Boogstraat ongenummerd dd 18-4-2024
Tekst van het document
De beleidsregel ziet erop toe dat de gemeente meer grip krijgt op de wijze waarop de ontwikkeling van Ruimte voor Ruimte woningen wordt onderbouwd. Het uitgangspunt daarbij is dat voor elke Ruimte voor Ruimte ontwikkeling de verplichte sloop en fosfaatafname moet plaatsvinden binnen Bernheze danwel dat via het realiseren van Ruimte voor Ruimte woningen een aantoonbare bijdrage wordt geleverd aan een kwaliteitsimpuls binnen Bernheze. Gelet op dat laatste is de op 23 juni 2021 met de provincie gesloten overeenkomst Ruimte voor Ruimte van belang. Op basis van deze overeenkomst ontvangt de gemeente een stimuleringsbijdrage (€ 50.000) voor elke Ruimte voor Ruimte woning die wordt gerealiseerd via aankoop van de bouwtitel bij de Ontwikkelingsmaatschappij Ruimte voor Ruimte (variant 2). Deze stimuleringsbijdrage dient vervolgens te worden ingezet ter verbetering van de kwaliteit in het buitengebied. Voor Ruimte voor Ruimte ontwikkelingen waarvoor de sloop en fosfaatafname niet binnen Bernheze heeft plaatsgevonden, dient op basis van voorliggende beleidsregel de betreffende bouwtitel(s) te worden aangekocht via de Ontwikkelingsmaatschappij Ruimte voor Ruimte. Onderhavig plan heeft de bouwtitel reeds aangekocht via de ORR zoals blijkt uit de toegevoegde bijlage.
Ruimte voor Ruimte locaties Behoudens dat voor elke Ruimte voor Ruimte woning een bouwtitel overlegd moet worden, geldt dat de locatie, waar de woning is geprojecteerd, planologische aanvaardbaar dient te zijn. Gemeente dient te beoordelen of dat er sprake is van een geschikte locatie om de beoogde Ruimte voor Ruimte woning(en) te realiseren. Gelet op het thans vigerende provinciaal ruimtelijk beleid mogen Ruimte voor Ruimte-woningen, voorzover geprojecteerd in het buitengebied, alleen worden gerealiseerd binnen de zogenoemde bebouwingsconcentraties. Daarnaast is gemeentelijk beleid zoals de Structuurvisie Bernheze uit 2010 en de Woonvisie 2016-2021 van belang bij de toetsing. Veel van de, voor Ruimte voor Ruimte-ontwikkeling planologisch geschikte locaties binnen de aangewezen bebouwingsconcentraties, zijn de afgelopen jaren benut. Daarmee bieden deze bebouwingsconcentraties nog maar beperkt ruimte voor het toevoegen van Ruimte voor Ruimte woningen. De gemeente blijft echter goede kansen zien om Ruimte voor Ruimte in te zetten in relatie tot de transitie van de landbouw. Gelet op de ontwikkelingen in de agrarische sector is een ingrijpende verandering ingezet.
Bestemmingsplan Boogstraat ongenummerd Heesch Pagina 23 van 59
Veel agrarische bedrijven stoppen hun bedrijfsvoering. In dat kader is het relevant om aan te geven dat de gemeente: - Het instrument Ruimte voor Ruimte zo ruim mogelijk wil toepassen, altijd met het oog op het behalen van aantoonbare kwaliteitswinst. Hoewel het provinciaal ruimtelijk beleid hiervoor ten tijde van formuleren van voorliggende beleidsregel niet de ruimte biedt, wordt in deze beleidsregel ruimte geboden om een Ruimte voor Ruimte ontwikkeling, bij hoge uitzondering en als sluitstuk voor een integraal onderbouwde kwaliteitsontwikkeling, af te wegen buiten de aangewezen bebouwingsconcentraties; - De mogelijkheden gaat aftasten om tot planmatige Ruimte voor Ruimte ontwikkeling(en) te komen. Het gaat daarbij om het aanwijzen van locaties waar meerdere Ruimte voor Ruimte woningen kunnen worden gerealiseerd al dan niet qua uitvoering in samenwerking met de ORR. Een dergelijke planmatige ontwikkeling dient te worden gekoppeld aan het oplossen van knelpunten in het kader van het programma Transitie Landbouw. De stimuleringsbijdrage die daarmee vrijkomt, dient te worden ingezet ter verbetering van de kwaliteit van het buitengebied.
Om deze planmatige ontwikkelingen te kunnen laten slagen, gaat de gemeente terughoudend om met het benutten van (vaak solitair) gelegen locaties ten behoeve van de ontwikkeling van 1 of enkele Ruimte voor Ruimte woningen; - De ontwikkeling van Ruimte voor Ruimte woningen qua aantallen goed afstemt op de gemeentelijke woonvisie. Daar waar de woonvisie vraagt om andere woontypologieën, dienen de mogelijkheden te worden afgetast om bij planmatige Ruimte voor Ruimte ontwikkelingen tot een gevarieerd woonprogramma te komen. Beleidsregel(s) Gemeente Bernheze verklaart de volgende voorwaarden van toepassing voor (nieuwe) Ruimte voor Ruimte plannen: Voor elke Ruimte voor Ruimte ontwikkeling geldt dat deze: 1. Dient te voldoen aan de Regeling Ruimte voor Ruimte 2006 van de provincie Noord- Brabant, op basis waarvan o.a. sprake moet zijn van voldoende sloop en fosfaatafname; Hier wordt aan voldaan door de aankoop van een bouwtitel bij de ORR. 2. De vereiste sloop en fosfaatafname wordt behaald binnen gemeente Bernheze; Zie verder onder punt 3. 3. Wanneer niet voldaan kan worden aan sub 2, de vereiste bouwtitel dient te worden aangekocht bij de Ontwikkelingsmaatschappij Ruimte voor Ruimte (ORR); Hier wordt aan voldaan. 4.
Ruimte voor Ruimte woningen worden bij voorkeur op planmatige wijze ontwikkeld in daarvoor aangewezen ontwikkellocaties; De woning wordt ontwikkeld tussen meerdere toegestane woningen, waarvan tevens de naastgelegen woning eveneens een Ruimte-voor-Ruimte woning betreft. Ruimtelijk gezien is hiermee een vergelijkbare situatie als zijnde een planmatige ontwikkeling. 5. In situaties waarin een intensieve veehouderij wordt gesaneerd en daarmee Ruimte voor Ruimte bouwtitels worden gegenereerd, kan de ontwikkeling van (een) Ruimte voor Ruimte woning(en) worden afgewogen op of aansluitend aan de saneringslocatie. Er dient sprake te zijn van een planologisch aanvaardbare ontwikkellocatie voor deze woning(en); Het bovenstaande is niet van toepassing op het plan.
Bestemmingsplan Boogstraat ongenummerd Heesch Pagina 24 van 59
6. In situaties, zoals onder 5 omschreven, dient de ontwikkellocatie te zijn gelegen binnen of aansluitend aan een bebouwingsconcentratie. De gemeente bepaalt of er al dan niet sprake is van een bebouwingsconcentratie. Toetsing aan het dan geldend provinciaal ruimtelijk beleid dient plaats te vinden; Het bovenstaande is niet van toepassing op het plan. 7. Indien dit de beste garantie biedt om te komen tot een maatschappelijk gewenste kwaliteitsverbetering, kan worden afgeweken van voorgaande regels voor zowel: o De wijze waarop de bouwtitel tot stand komt; o De plek waar de betreffende woning(en) worden gerealiseerd; Het bovenstaande is niet van toepassing op het plan. Er hoeft niet te worden afgeweken van de beleidsregel. 8. Voor elke Ruimte voor Ruimte plan geldt dat een ruimtelijke onderbouwing is vereist waarin alle relevante beleidsaspecten zijn belicht en onderbouwd. Aanvullend daarop geldt voor elk plan dat: a. Voldaan wordt aan voorliggende beleidsregel Ruimte voor Ruimte gemeente Bernheze 2021; Hier wordt aan voldaan zoals beschreven in deze paragraaf. b. Bebouwing en bestemmingsvlakken stedenbouwkundig-landschappelijk verantwoord worden gesitueerd en landschappelijk worden ingepast; Hier wordt aan voldaan. c.
Onbenutte bestemmingsvlakken/bouwvlakken worden juridisch-planologisch weggenomen; Met onderhavig plan is geen sprake van onbenutte bestemmingsvlakken en/of bouwvlakken. d. De mogelijkheden voor aanleg of herstel van natuur-en landschapselementen, op en in nabijheid van de ontwikkellocatie, ter versterking van de landschapsstructuur, worden afgewogen. Een fysieke bijdrage aan de realisatie en/of versterking van het NatuurNetwerk Brabant en ecologische verbindingszones (EVZ’s) is een pré; Met het plan worden nieuwe landschapselementen opgericht. e. De mogelijkheden voor aanleg recreatieve voorzieningen ten behoeve van extensief recreatief medegebruik (bankjes, wandelpaden, bebording, etc.), op en in nabijheid van de ontwikkellocatie, worden afgewogen; In de nabijheid van de planlocatie en op de planlocatie zijn, na afweging, geen mogelijkheden gebleken voor de aanleg van recreatieve voorzieningen. f.
Dat zonodig en/of gewenst fysieke inrichtingsmaatregelen worden getroffen gericht op behoud en herstel van cultuurhistorie en archeologie; Niet van toepassing.
g. De vereiste sloop wordt zeker gesteld conform de basisvereisten voor Ruimte voor Ruimte. Expliciet geldt daarbij dat wanneer de ontwikkeling van (een) Ruimte voor Ruimte woning(en) plaatsvindt op de slooplocatie, de sloop van bebouwing die administratief niet meegerekend wordt om de bouwtitel(s) te genereren, in beginsel wordt gesaneerd. Ook erfverharding wordt gesaneerd, tenzij deze (al dan niet deels) aantoonbaar en Bestemmingsplan Boogstraat ongenummerd Heesch Pagina 25 van 59
verantwoord onderdeel uitmaakt van het ontwikkelplan. Wanneer sprake is van cultuurhistorisch waardevolle waarden, dient in overleg met gemeente te worden bezien of behoud (en versterking) van bebouwing (of onbebouwde elementen) aan de orde kan zijn. Sloop is zekergesteld door de aankoop van een bouwtitel bij de ORR. Overgangsbepaling Voor wat betreft de ruimtelijke afweging van Ruimte voor Ruimte initiatieven in specifieke gevallen geldt overgangsrecht voor: - De reeds verzonden principebesluiten ten aanzien van Ruimte voor Ruimte initiatieven en; - Voor de in voorbereiding en in procedure zijnde bestemmingsplannen die een Ruimte voor Ruimte initiatieven. Onderhavig plan valt niet onder de overgangsbepalingen. Gezien het plan voldoet aan de eisen van de beleidsregels staat hetgeen een goede ruimtelijke ordening niet in de weg. 3.4.4 Volkshuisvesting Woonvisie 2016-2021 In samenwerking met onder andere woningcorporaties, huurdersorganisaties, dorpsraden, zorg- en welzijnsinstellingen heeft de gemeente Bernheze een nieuwe woonvisie opgesteld. Deze is op 14 juli 2016 door de gemeenteraad van Bernheze vastgesteld. Het plan voor de komende vijf jaar is nog steeds woningen toe te voegen, maar daarbij vooral te kijken naar de woningbehoefte en de woonwensen die er zijn. In 2015 zijn de woonwensen en -behoeften van de inwoners gepeild.
De uitkomsten van dit onderzoek zijn gebruikt voor het opstellen van de nieuwe woonvisie. Deze spitst zich toe op vier speerpunten: Inspelen op woonwensen, door onder andere: • maximaal 900 woningen toe te voegen aan de voorraad de komende 5 jaar; • minimaal 5% van de nieuwbouwplannen te reserveren voor CPO en vrije kavels. Betaalbaar wonen, voor wie dat nodig heeft, door onder andere: • de toevoeging van 200 sociale huurwoningen; • het behouden van voldoende sociale huurwoningen voor de mensen met de laagste inkomens. Onbezorgd wonen, door onder andere: • mantelzorgmogelijkheden uit te breiden; • zorgen voor passende huisvesting voor de zorgdoelgroepen; Een duurzame woningvoorraad, door onder andere: • in te zetten op een gemiddeld energielabel-B van de huurvoorraad; • bouwers te stimuleren om nu al de EPC norm 0 te hanteren. Onderhavig initiatief vindt aansluiting bij de nieuwe woonvisie in die zin dat aandacht zal worden besteed aan duurzaamheid en levensloopbestendigheid. Dit zal zichtbaar worden in het gebruik van o.a. duurzame materialen. Onderhavig plan is in lijn met de woonvisie 2016 – 2021.
3.4.5 Welstandsbeleid In de gemeente Bernheze zijn veel gebieden welstandsvrij. Voor enkele locaties blijft welstandstoezicht wel van toepassing. Dit geldt voor cultuurhistorische waardevolle gebieden die het
Bestemmingsplan Boogstraat ongenummerd Heesch Pagina 26 van 59
bijzondere karakter van Bernheze bepalen. Er zijn in deze nota 15 gebieden aangewezen waar welstandseisen gelden. De welstandseisen zijn samengebracht in drie gebiedstypen: - het agrarisch cluster; - het historisch dorpscentrum; - de woningbouw uit de wederopbouwperiode. Onderhavige ontwikkeling ligt niet in één van deze welstandsgebieden. Dit betekent dat de welstandscommissie de omgevingsvergunning niet toetst. 3.4.6 Omgevingsvisie Bernheze 2040 De gemeente Bernheze heeft op 7 maart 2024 de omgevingsvisie Bernheze 2040 vastgesteld. De omgevingsvisie stelt de volgende richtinggevende ambities voor leefbare kernen: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9.
Identiteit van de kernen versterken; Innovatie, compact, en betaalbaar wonen; Groen, klimaatadaptief en circulair; Vitale dorpscentra; Meer prioriteit aan langzaam verkeer en ontmoedigen doorgaan verkeer; Aantrekkelijk wonen en leven; Duurzame kernen; Veilige leefomgeving; Ruimte aan inwonersinitiatieven.
Beoordeling De planlocatie is gelegen in een gebied dat is aangewezen als zoekgebied voor wonen, natuur, recreatie, groen en klimaat. Het plan betreft een inwonersinitiatief en met de aanschaf van een bouwtitel via de ontwikkelingsmaatschappij wordt een bijdrage geleverd aan een vitalere gemeente.
Bestemmingsplan Boogstraat ongenummerd Heesch Pagina 27 van 59
met het plan wordt een nieuwe woning gerealiseerd die voldoet aan de hoogste duurzaamheidseisen. Tevens worden nieuwe landschapselementen opgericht. Hierdoor wordt bijgedragen aan een duurzamere dorpskern en aantrekkelijk wonen en leven. Het planvoornemen is daarmee passend binnen de Omgevingsvisie 2040.
Bestemmingsplan Boogstraat ongenummerd Heesch Pagina 28 van 59
4 PLANOLOGISCH RELEVANTE (MILIEU)ASPECTEN 4.1 Inleiding Milieubeleid wordt steeds meer geïncorporeerd in andere beleidsvelden. Verbreding van milieubeleid naar andere beleidsterreinen is dan ook een belangrijk uitgangspunt. Ook in de ruimtelijke planvorming is structureel aandacht voor milieudoelstellingen nodig. De milieudoelstellingen worden daartoe integraal en vanaf een zo vroeg mogelijk stadium in het planvormingsproces meegewogen. Een duurzame ontwikkeling van de gemeente Bernheze is een belangrijk beleidsuitgangspunt dat zijn doorwerking heeft in meerdere beleidsterreinen. In dit hoofdstuk wordt aangetoond dat in milieutechnisch opzicht geen belemmeringen bestaan voor het planvoornemen. Achtereenvolgens worden behandeld: • • • • • • • • • • • •
bodem; waterhuishouding; cultuurhistorie; archeologie; natuur; flora en fauna; wegverkeerslawaai; bedrijven en milieuzonering; externe veiligheid; luchtkwaliteit; kabels en leidingen; milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling.
4.2 Bodem Toetsingskader De bodemkwaliteit is in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van belang indien er sprake is van functieveranderingen en/of een ander gebruik van de gronden. De bodem moet geschikt zijn voor de functie. Mocht er een verontreiniging te verwachten zijn dan wel mocht deze feitelijk aanwezig zijn, dan dient voor vaststelling van een plan en/of het nemen van het besluit inzichtelijk gemaakt te worden of de bodemverontreiniging de voorgenomen functie- en/of bestemmingswijziging in het kader van gezondheid en/of financieel gezien in de weg staat. Hierbij dient inzichtelijk gemaakt te worden of sprake is van een te verwachten of feitelijke verontreiniging. Beoordeling Voor de planlocatie, kadastrale gemeente Heesch, sectie G, nummer 626, is op 1 juni 2022 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd wat is toegevoegd als bijlage. Hieruit blijkt dat zowel de vaste bodem als het grondwater niet (noemenswaardig) verontreinigd zijn met de onderzochte parameters. Het onderzoek heeft vastgesteld dat op de locatie geen bodemverontreiniging aanwezig is, waardoor sprake kan zijn van beperkingen of belemmeringen ten aanzien van het toekomstige gebruik voor de woonfunctie. Eventueel vrijkomende grond mag op de locatie worden hergebruikt.
Indien grond van de locatie afgevoerd dient te worden, is de Regeling bodemkwaliteit van toepassing: - Op basis van dit rapport is de grond binnen het gebied van dezelfde bodemkwaliteitskaart herbruikbaar; - Vrijkomende grond die elders wordt hergebruikt, dient voorafgaand aan de toepassing als een partij gekeurd te worden conform het BRL SIKB 1000 VKB protocol 1001; Bestemmingsplan Boogstraat ongenummerd Heesch Pagina 29 van 59
Afvoer van de vrijkomende grond naar een erkende grondbank of verwerker is op basis van dit rapport eveneens mogelijk. In november van 2023 is aanvullend onderzoek uitgevoerd naar asbest in de bodem waarvan een rapportage is toegevoegd als bijlage. De aangetroffen hoeveelheid asbest geeft geen belemmeringen voor de voorgenomen bestemmingswijziging -
Conclusie Het aspect ‘bodem’ staat het planvoornemen niet in de weg. Door het in acht nemen van de gestelde voorwaarden wordt uiteindelijk voldaan aan de Wet bodembescherming. 4.3 Waterhuishouding Per 1 november 2003 is het verplicht om bij ruimtelijke ingrepen de watertoets toe te passen. Deze verplichting is wettelijk geregeld in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In deze watertoets moet inzicht worden geboden in de effecten van het initiatief op de waterhuishouding. In het kader van de watertoets dient de gemeente voorafgaand aan de procedure het voornemen van de ruimtelijke ingreep aan het waterschap te verzenden. De gemeente en het waterschap kunnen afspraken maken over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is opgenomen. In deze waterparagraaf komen de volgende onderdelen aan bod: - Beschrijving waterrelevant beleid; - Bestaande waterhuishoudkundige situatie; - Beoogde waterhuishoudkundige situatie. 4.3.1 Waterrelevant beleid Toetsingskader De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is vanaf 22 december 2000 van kracht. De KRW heeft als doel om te komen tot schone, ecologisch gezonde stroomgebieden, waarin water op een duurzame manier wordt gebruikt. Om dit doel te bereiken is een systematiek opgesteld die alle Europese lidstaten in de nationale wetgeving moeten implementeren en uitvoeren.
De Nederlandse regering heeft invulling aan de KRW gegeven middels de Waterwet, die in werking is getreden op 22 december 2009. De Waterwet regelt het beheer van het oppervlakte- en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen het waterbeleid en ruimtelijke ordening. De visies met betrekking tot het waterbeleid worden door de verschillende bestuurslagen in diverse plannen beschreven. Het beleid van de provincie Noord-Brabant richt zich op het bereiken en in stand houden van watersystemen die ruimte bieden aan een gezond leefmilieu voor mens, dier en plant. Daarbij zijn economische en ecologische ontwikkelingen met elkaar in evenwicht en is het hebben en houden van een veilige en bewoonbare provincie een randvoorwaarde. Dit beleid is vertaald in de Structuurvisie 2010 en de Verordening ruimte 2014. In de structuurvisie komen over het onderwerp water de volgende aspecten aan bod: - Een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem; - Een betere waterveiligheid door preventie; - Koppeling van waterberging en droogtebestrijding. De watertoets en de wijze waarop de provincie daar mee omgaat is beschreven in het Provinciaal Milieu en Waterplan (PMWP). Provinciale Staten hebben op 18 december 2015 het Provinciaal Milieu en Waterplan 2016 – 2021 ‘Samen naar een duurzaam gezonde en veilige leefomgeving in Brabant vastgesteld (PMWP).
Hiermee zijn twee aparte provinciale plannen samengevoegd, te weten het voormalige ‘PWP 2010-2015’ en het ‘Provinciale Milieuplan 2012-2015’. Het doel van dit plan is het Bestemmingsplan Boogstraat ongenummerd Heesch Pagina 30 van 59
creëren van een gezonde leefomgeving voor mens, dier en plant, waarin we veilig kunnen wonen en waar ruimte is voor economische, maatschappelijke en ecologische ontwikkelingen. Het aspect water maakt hier onderdeel van uit. Kort gezegd gaat het PMWP voor: - voldoende water voor mens, plan en dier; - schone en gezonde leefomgeving (bodem, water en lucht); - bescherming van Brabant tegen overstromingen en externe risico’s; - verduurzaming van de grondstoffen-, energie- en voedselvoorziening. Gemeenten en waterschappen dienen hun waterbeleid te baseren op de uitgangspunten die de provincie in hun PMWP stelt. De PMWP is enkel voor de provincie Noord-Brabant zelf bindend. Waterschap Aa en Maas Op 18 december 2020 heeft het waterschap Aa en Maas het Waterbeheerplan 2022-2027 vastgesteld. In dit waterbeheerplan staan de doelstellingen die het waterschap nastreeft en wat het waterschap in de periode 2022-2027 gaat doen om deze doelen te halen.
In het waterbeheerplan wordt de navolgende missie geschetst: “Het ontwikkelen, beheren en in stand houden van gezonde, robuuste en veerkrachtige watersystemen, die ruimte bieden aan een duurzaam gebruik voor mens, dier en plant in het gebied, waarbij de veiligheid is gewaarborgd en met oog voor economische aspecten.” Als belangrijke ontwikkelingen in en om het waterbeheer worden onder meer klimaatverandering, Natuurnetwerk Brabant, stikstofproblematiek, landbouwtransitie, gezondheid, energietransitie en circulaire economie genoemd. Om de doelen en ambities waar te maken heeft het waterschap een en ander onderverdeeld in drie programma’s: 1. Waterveiligheid; 2. Klimaatbestendig en gezond watersysteem; 3. Schoon water. Rond het plangebied zijn vanuit het waterbeheerplan geen specifieke maatregelen gepland. Op 26 februari 2015 heeft het waterschap de nieuwe Keur vastgesteld, die op 1 maart 2015 inwerking is getreden. Deze keur is in samenwerking tussen de waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel tot stand gekomen, waardoor nu sprake is van een uniforme Keur. Het waterschap is verantwoordelijk voor het waterbeheer (waterkwaliteit en -kwantiteit) binnen het plangebied. Voor waterhuishoudkundige ingrepen is de Keur van toepassing. In de Keur staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen.
Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels. Met de invoering van de Waterwet is de samenhang tussen het waterbeleid en ruimtelijke ordening verbeterd. De ruimtelijke aspecten van rijks- en regionale waterplannen worden aangemerkt als structuurvisie in de zin van de Wro. Met AMvB’s of provinciale verordeningen wordt geborgd dat deze structuurvisies doorwerken in de ruimtelijke ordeningen. In bestemmingsplannen wordt rekening gehouden met deze structuurvisies door de ruimtelijke inpassing van de maatregelen die de waterbeheerder treft. Per 1 januari 2008 is de Wet Gemeentelijke Watertaken van kracht geworden. Met de inwerkingtreding heeft de gemeente de zorg voor afvalwater, hemelwater en grondwater. De Bestemmingsplan Boogstraat ongenummerd Heesch Pagina 31 van 59
zorgplicht voor hemelwater en grondwater beperkt zich tot het stedelijk gebied. Op particulier terrein is de eigenaar verantwoordelijk voor het hemelwater en het grondwater binnen het eigen perceel. Daar waar van de eigenaar redelijkerwijs niet kan worden gevraagd zelf voor het eigen hemel- en grondwater zorg te dragen, draagt de gemeente zorg voor de inzameling en afvoer. Voor de voorzieningen binnen het eigendom blijft de eigenaar van het perceel verantwoordelijk. Deze locatie ligt buiten het stedelijk gebied. De gemeentelijke taak beperkt zich hier tot de zorg voor het inzamelen van huishoudelijk afvalwater. De gemeente heeft besloten al het huishoudelijk afvalwater in het buitengebied in te zamelen en heeft daarvoor in het buitengebied drukriolering aangelegd. 4.3.2 Beleid gemeente Bernheze In het ‘Gemeentelijk Rioleringsplan Bernheze 2016 t/m 2020’ staat omschreven dat de gemeente Bernheze een - niet-verplichtende - verwachting uitspreekt dat inwoners van de gemeente hemelwater zoveel mogelijk zelf opvangen en bergen. De gemeente Bernheze heeft meer specifieke beleidsregels omtrent de verwerking van hemelwater. De hydrologische uitgangspunten van de Brabantse waterschappen zoals bovenstaand omschreven worden door de gemeente Bernheze in principe nageleefd maar zijn niet leidend; de gemeente Bernheze is het bevoegde gezag aangaande het verwerken van hemelwater.
De ondergrens van de toename van het verharde oppervlak met 2.000 m2, waarbij volgens de Keur van de Brabantse waterschappen geen compensatie noodzakelijk wordt geacht, wordt door de gemeente Bernheze bijvoorbeeld niet gehanteerd. 4.3.3 Beoogde waterhuishoudkundige situatie Afvalwater van huishoudelijke aard wordt geloosd op het gemeentelijk riool. Voor dit plan is de toename van het verhard oppervlak maximaal 300 m². Dit bestaat uit een hoofdgebouw en verharding zoals in-/ uitrit, paden, terras. Op basis van de in de keur gestelde compensatie-eis in samenhang met het gemeentelijke beleid dient een voorziening van 18 m3 (300 m2 verharding * 0,06 (m) * 1 = 18 m3) aangelegd te worden. Gekozen wordt voor een voorziening met een bergend vermogen van 18 m3 in de vorm van een zaksloot, volledig op eigen terrein, nog niet gepositioneerd. Met vorenstaande voorzieningen wordt aan de compensatie-eis i.v.m. de berging en afvoer van hemelwater voldaan. Het omgevingsaspect 'water' vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan. 4.4 Cultuurhistorie Toetsingskader Per 1 januari 2012 is de Modernisering Monumentenzorg (MoMo) in werking getreden. Als gevolg van de MoMo is artikel 3.1.6, lid 5 Bro toegevoegd. Wat eerst voor alleen archeologie gold, geldt nu ook voor al het cultureel erfgoed.
In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.
Bestemmingsplan Boogstraat ongenummerd Heesch Pagina 32 van 59
Afbeelding 12 Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Bron: provincie Noord-Brabant (planlocatie is indicatief aangeduid met zwarte stippellijn)
Beleid provincie Noord-Brabant In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven. Cultuurhistorische waardenkaart Bernheze Op basis van de Cultuurhistorische Waardenkaart 2014 van de gemeente Bernheze is zichtbaar dat het plangebied is gelegen in een met groen gearceerde gebied, dat is aangeduid als ‘overige historische groenstructuur’. Zie de uitsnede van de kaart hieronder.
Bestemmingsplan Boogstraat ongenummerd Heesch Pagina 33 van 59
Beoordeling Op basis van de Provinciale kaart en het beleid van gemeente Bernheze is sprake van een aanduiding ‘historisch groen’. In de bij het gebied behorende beschrijving op basis van de Provinciale kaart staat: Geaccidenteerd terrein met bos, laan en houtwallen met zomereik, valse acacia, Amerikaanse vogelkers, vogelkers, wilde lijsterbes, berk, ratelpopulier en grove den uit 1900-1935. Het bouwvlak voor de nieuwe woning houdt rekening met de boomkruinen ter hoogte van de doorgaande weg. Het bouwvlak komt hierdoor iets naar achteren. In het plangebied zijn in de bestaande situatie 4 Quercus robur aanwezig. In de beoogde situatie blijven deze behouden en wordt nieuwe beplanting toegevoegd. Dit is opgenomen op het landschappelijk inpassingsplan. 4.5 Archeologie Toetsingskader In Europees verband is het zogenaamde ‘Verdrag van Malta’ tot stand gekomen. De uitgangspunten van dit verdrag dienen te worden vertaald in nationale wetgeving. In Nederland heeft deze vertaling plaatsgevonden in de Erfgoedwet, welke in werking is getreden op 1 juli 2016. Ten aanzien van het aspect ‘archeologie’ is in art. 9.1, lid 1 van de Erfgoedwet, welk artikel een deel van het overgangsrecht regelt, bepaalt dat tot het tijdstip waarop de Omgevingswet in werking treedt onder meer Hoofdstuk V, paragraaf 1 van de inmiddels vervallen Monumentenwet 1988 van toepassing blijft.
In Hoofdstuk V, paragraaf 1 is vastgelegd dat een gemeente in de ruimtelijke besluitvorming (w.o. bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor planologisch afwijken) rekening dient te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (artt. 38a t/m 41 Monw 1988). Daartoe kan de gemeente in dat besluit regels stellen, bijvoorbeeld tot het doen van archeologisch onderzoek. Het al dan niet stellen van regels ten aanzien van archeologie dient te rusten op voldoende informatie over de archeologische situatie (ECLI:NL:RVS:2011:BU7102, r.o. 2.9.7). Deze informatie kan worden verkregen door gebiedsdekkende kaarten waarop archeologische verwachtingswaarden zichtbaar zijn. Op basis hiervan kan archeologisch beleid worden ontwikkeld. Beleid gemeente Bernheze De gemeente Bernheze heeft ervoor gekozen om in het kader van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz, 2007) en de nieuwe Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2008) een eigen gemeentelijk archeologiebeleid te formuleren. Dit archeologiebeleid is op 3 februari 2011 door de gemeenteraad vastgesteld en bestaat uit de "Nota Archeologiebeleid gemeente Bernheze" en de "Archeologische Verwachtings- en Beleidsadvieskaart Gemeente Bernheze".
Op basis van deze documenten implementeert de gemeente Bernheze haar archeologiebeleid waarbij zij rekening houdt met de juiste balans tussen een goede omgang met het archeologisch erfgoed en andere maatschappelijke belangen die bij planontwikkelingen moeten worden gewogen.
Bestemmingsplan Boogstraat ongenummerd Heesch Pagina 34 van 59
Afbeelding 13 Uitsnede Archeologische beleidskaart
Beoordeling Volgens het archeologiebeleid van de gemeente Bernheze geldt op onderhavige locatie een middelhoge archeologische verwachting. Hierbij is archeologisch onderzoek vereist als dieper dan 0,40 m en meer dan 2.500 m2 aan verstoringsoppervlakte geldt. Zie de volgende twee uitsneden uit dit archeologiebeleid. Omdat ter plaatse van onderhavig plangebied niet meer grond geroerd gaat worden dan 2.500 m2 is nader archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. Dit betekent dat dergelijk onderzoek in het kader van onderhavige ontwikkeling niet is uitgevoerd en de dubbelbestemming in het kader van de van toepassing verwachtingswaarde ook in dit bestemmingsplan weer opgenomen wordt. Op deze manier blijven de mogelijke – nog resterende - archeologische waarden in het plangebied beschermd. Hoewel ten behoeve van deze kleinschalige ontwikkeling geen onderzoek zal worden verlangd, dient men wel attent te blijven op mogelijk nog aanwezige archeologische waarden. Te allen tijde geldt een meldingsplicht bij het aantreffen van archeologische toevalsvondsten op basis van art. 5.10 van de Erfgoedwet. Conclusie Archeologie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 4.6 Natuur Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur.
De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent
Bestemmingsplan Boogstraat ongenummerd Heesch Pagina 35 van 59
natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. De gebiedsbescherming van de Natura 2000-gebieden is geregeld in hoofdstuk 2 van de Wnb. 4.5.1 Relevante emissies en Wet Stikstofreductie en Natuurverbetering Natura 2000-gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, optische verstoring, verzuring en vermesting. Aanlegfase In onderstaande tabel zijn de machines en werktuigen weergeven welke noodzakelijk zijn in de aanlegfase. Hierbij is rekening gehouden met een worst-case situatie en zijn de draaiuren ruim overschat.
Bovenstaande activiteiten en emissies zijn doorgerekend middels het rekenprogramma AERIUS, zie hiervan het afschrift in de bijlage, en heeft niet geleid tot rekenresultaten van meer dan 0,00 mol/ha/jr. op omliggende Natura 2000-gebieden. Gebruiksfase Gelet op de aard van onderhavig initiatief is er sprake van onderstaande relevante emissies: -
dagelijks 8 lichte voertuigbewegingen richting noord (CROW verkeersgeneratie vrijstaande woning) tot opgaand in heersend verkeersbeeld dagelijks 8 lichte voertuigbewegingen richting zuid (CROW verkeersgeneratie vrijstaande woning) tot opgaand in heersend verkeersbeeld woning wordt gasloos uitgevoerd (geen stikstofemissie)
Bovenstaande emissies zijn doorgerekend middels het rekenprogramma AERIUS, zie hiervan het afschrift in de bijlage, en heeft niet geleid tot rekenresultaten van meer dan 0,00 mol/ha/jr. op omliggende Natura 2000-gebieden. Bestemmingsplan Boogstraat ongenummerd Heesch Pagina 36 van 59
Bovendien is de afstand tot de beschermde gebieden dermate groot dat relevante deposities of overige effecten op de beschermde natuurgebieden zijn uitgesloten. Het dichtst gelegen stikstofgevoelige deel van een Natura2000-gebied betreft Vlijmens Ven, Moerputten en Bossche Broek op circa 15,2 kilometer.
Conclusie Gelet op de aard van onderhavig initiatief is er geen sprake van een relevante toename van emissies of verstorende activiteiten. Bovendien is de afstand tot de beschermde gebieden dermate groot dat relevante deposities of overige effecten op de beschermde natuurgebieden zijn uitgesloten. Onderhavige ontwikkeling heeft met zekerheid geen mogelijk effect tot gevolg op de Natura 2000gebieden en derhalve zijn er geen belemmeringen voor onderhavige plan. 4.7 Flora en fauna Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen.
Voor de soortenbescherming is wettelijk bovendien rechtstreeks verwezen naar het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn. Het beschermingsregime betreffende soorten (flora en fauna) is opgenomen in hoofdstuk 3 van de Wnb. De verbodsbepalingen zijn hierbij afhankelijk gesteld van de soort (en daarmee de opname van die soort op de diverse lijsten) en de voorgenomen handelingen. Bovendien is een algemeen geldende Bestemmingsplan Boogstraat ongenummerd Heesch Pagina 37 van 59
zorgplicht opgenomen om handelingen achterwege te laten of maatregelen te treffen, om te voorkomen dat nadelige gevolgen ontstaan voor in het wild levende dieren en planten. Conform de Wet natuurbescherming is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde soorten binnen het plangebied. Vanuit die kennis dienen plannen en projecten getoetst te worden aan eventuele strijdigheid met de verbodsbepalingen uit de Wnb. Conform vaste jurisprudentie kan een plan worden vastgesteld indien aannemelijk wordt gemaakt dat het aspect flora en fauna niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Beoordeling Voor het planinitiatief is op 15 april 2022 een veldbezoek en quickscan flora en fauna uitgevoerd in het kader van de Wet natuurbescherming. De rapportage hiervan is opgenomen in de bijlage. Uit de quickscan blijkt dat er geen onevenredig negatief effect uitgeoefend wordt op de in de zoals in de Wet natuurbescherming omschreven beschermde Flora en Fauna op de projectlocatie en directe omgeving. Conclusie Het voorliggend initiatief heeft geen nadelige gevolgen voor flora en fauna, er is geen ontheffing noodzakelijk is in het kader van de Wet natuurbescherming. Het aspect flora en fauna staat de uitvoerbaarheid van het plan dan ook niet in de weg.
4.8 Wegverkeerslawaai Toetsingskader Op basis van artikel 76 van de Wet geluidhinder (Wgh) dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of uitwerkingsplan de waarden als bedoeld in art. 82 t/m 85 van de Wgh in acht te worden genomen, indien dat plan gelegen is in een zone rondom een weg als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh en (het betreffende onderdeel van) dat plan mogelijkheden biedt voor: • de realisatie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen (functies zoals genoemd in art. 1 Wgh en art 1.2 Bgh – het Besluit geluidhinder zoals gewijzigd op 4 april 2012); • de aanleg van een nieuwe weg en/ of een reconstructie van een bestaande weg; • functiewijzigingen van een niet-geluidsgevoelige functie in een geluidsgevoelige functie (bijvoorbeeld via afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid). Tevens is in de Wet geluidhinder geregeld dat als een ontwikkeling is gelegen binnen een als ‘woonerf’ aangeduid gebied, of in een zone nabij wegen waarvoor een maximaal snelheidsregime van 30 km/u geldt, de betreffende waarden niet in acht hoeven te worden genomen. Beoordeling De nieuwe woonbestemming is gelegen binnen de bebouwde kom op het perceel locatie Boogstraat ongenummerd (perceelnummers 796 en 624, sectie G) in Heesch in de gemeente Bernheze.
Voor wat betreft de juridische bronnen wordt uitgegaan van de doorgaande routes voor het autoverkeer. Dit zijn de Boogstraat en de Deken van der Cammenweg. Het snelheidsregime op deze wegen is 30 km/u waardoor de waarden uit de Wgh niet in acht hoeven te worden genomen. Om een goed woon- en leefklimaat in het kader van een goede ruimtelijke ordening te waarborgen moeten worden aangetoond dat de geluidbelasting binnen de woning in de geluidgevoelige vertrekken niet hoger is dan 33 dB.
Bestemmingsplan Boogstraat ongenummerd Heesch Pagina 38 van 59
Recentelijk is voor de naastgelegen ontwikkeling aan de Boogstraat een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. In het onderzoek is geconcludeerd dat de gecumuleerde geluidbelasting 48 dB bedraagt. De benodigde gevelwering is (48 dB -33 dB) = 15 dB. Minimaal is 20 dB vereist op grond van het Bouwbesluit. Nader onderzoek is derhalve niet noodzakelijk. Bovenstaande conclusies worden ondersteund door de actuele geluidskaart van het wegverkeer, zie onderstaand. Ter plaatse van de woningen is sprake van een geluidsbelasting 46-50 dB.
Afbeelding 1 Wegverkeerslawaai 2019-2021 met indicatieve weergave woning
Conclusie Het aspect wegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. 4.9 Bedrijven en milieuzonering Toetsingskader Door het aanbrengen van een zone tussen milieubelastende bedrijvigheid en milieugevoelige bestemmingen (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen. Op basis van de VNG-handreiking 'Bedrijven en Milieuzonering 2009' (hierna: VNG-handreiking) wordt onder milieugevoelige functies verstaan: woningen, woongebieden, ziekenhuizen, scholen en verblijfsrecreatie. Sommige functies kunnen zowel milieubelastend als milieugevoelig zijn (bijvoorbeeld ziekenhuizen en scholen). Beoordeling Het plan ziet toe op het bouwen van een nieuwe woning, zijnde een milieugevoelig object. In de directe omgeving van de planlocatie zijn geen bedrijven aanwezig die beperkt kunnen worden in hun ontwikkeling door het plan. Op circa 240 meter afstand is een bedrijventerrein gelegen waar aan de zijde van het plangebied bedrijven zijn toegestaan binnen milieucategorie 2. Voor dergelijke bedrijven geldt een adviesafstand van 30 meter.
Gezien de planlocatie buiten deze afstand is gelegen worden de Bestemmingsplan Boogstraat ongenummerd Heesch Pagina 39 van 59
bedrijven niet gehinderd in hun bedrijfsvoering. Tevens mag hierdoor worden aangenomen worden dat ter plaatse van de planlocatie sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Afbeelding 15 Afstand planlocatie tot gevoelige objecten (planlocatie is indicatief voorzien van een rode omlijning)
Conclusie Ruimschoots wordt voldaan aan de adviesafstanden. Omliggende bedrijven worden niet beperkt in hun ontwikkelingsmogelijkheden. Tevens is aangetoond dat bij realisatie van de beoogde nieuwe functie sprake blijft van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de omliggende woningen. 4.10 Geurhinder en veehouderijen Geur kan hinder veroorzaken in de leefomgeving. Wanneer deze hinder inderdaad ondervonden wordt, kan dit zelfs invloed hebben op de gezondheid. Het is derhalve zaak geurhinder zoveel mogelijk te beperken, door regels te stellen aan de uitstoot van geuremissies en afstanden ten opzichte van geurgevoelige objecten. Woningen zijn aan te merken als geurgevoelige objecten. Gezien het vigerende beleid is het belangrijk onderscheid te maken tussen geurhinder uit de agrarische sector en industriële geurhinder (geurhinder van bedrijven die niet behoren tot de agrarische sector). Van industriële geurhinder is geen sprake. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen nietagrarische bedrijven gelegen die geurhinder tot gevolg hebben. Als het gaat om geurhinder vanwege dierverblijven van veehouderijen vormt de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) het toetsingskader voor vergunningverlening. De Wgv geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning).
Voor de geurbelasting op geurgevoelige objecten gelden wettelijke geurnormen. Voor een concentratiegebied geldt een maximale geurbelasting van 3 odour units per kubieke meter lucht (oue/m³) binnen de bebouwde kom en een norm van 14 oue/m³ buiten de bebouwde kom. Voor veehouderijen waarvoor geen wettelijke geuremissies zijn vastgesteld, geldt een vaste afstand tot geurgevoelige objecten.
Bestemmingsplan Boogstraat ongenummerd Heesch Pagina 40 van 59
De normen op grond van de Wgv gelden voor de geurbelasting van een individuele veehouderij. De (hoogste) geurbelasting van een individuele veehouderij op een geurgevoelig object wordt ook wel ‘voorgrondbelasting’ genoemd. De geurbelasting van alle veehouderijen samen op enige locatie wordt ‘achtergrondbelasting’ genoemd. Dit is vergelijkbaar met het begrip cumulatieve stankhinder uit de ‘stankrichtlijnen’. De Wgv kent geen normen voor de achtergrondbelasting of de mogelijkheid dergelijke normen te stellen. De achtergrondbelasting die optreedt of op kan treden is dan ook een gevolg van de aanwezige veehouderijen en de individuele geurbelasting. De gemeenteraad beoordeelt of de milieukwaliteit (de mate van geurhinder) die behoort bij een bepaalde achtergrondbelasting acceptabel is en of deze past binnen de doelstellingen voor een gebied. Voorgrondbelasting (oue/m³) < 1,5 1,5 – 3,5 3,5 – 6,5 6,5 – 10 10 – 14 14 – 19 19 - 25 > 25
Achtergrondbelasting (oue/m³) <3 3–7 7 – 13 13 – 20 20 – 28 28 - 38 38 - 50 > 50
Geurgehinderden (%)
Leefklimaat
<5 5 – 10 10- 15 15 – 20 20 – 25 25 – 30 30 - 35 > 35
Zeer goed Goed Redelijk goed Matig Tamelijk slecht Slecht Zeer slecht Extreem slecht
Tabel 1: relatie tussen voor- en achtergrondbelasting conform Wgv
4.10.1 Cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) Op basis van de beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder Bernheze is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij een gecumuleerde geurbelasting tot 13 OuE/m3 bij bebouwde kom, woonkernen en nieuwe woongebieden en tot 20 OuE/m3 bij de overige gebieden. Op basis van de kaart van de ODZOB met de achtergrondbelasting voor geur, zie onderstaande uitsnede, is sprake van een “goed” woon- en leefklimaat met een achtergrondbelasting van 3-7 OuE/m3.
Afbeelding 16 Kaart achtergrondbelasting planlocatie (Bron: ODZOB, peildatum maart 2022) (planlocatie is indicatief aangeduid met een zwarte stippellijn)
Bestemmingsplan Boogstraat ongenummerd Heesch Pagina 41 van 59
4.10.2 Individuele geurhinder De planlocatie is gelegen buiten de komgrens van de gemeente Bernheze, maar wel in een gebied dat op de kaart van de “Verordening Geurhinder en Veehouderij gemeente Bernheze 2013” is aangewezen als woon-werk ontwikkelingsgebied. In dit gebied geldt ten aanzien van de voorgrondbelasting een geurnorm van 8 ou/m³. Omdat er geen veehouderijen met dieren waarvoor een emissiefactor geldt in de directe omgeving liggen, wordt voldaan aan deze norm. Vaste afstanden In de nabijheid van onderhavig plangebied zijn geen veehouderijen gelegen waarvoor vaste afstanden gelden waarmee in onderhavige situatie rekening gehouden moet worden. 4.10.3 Conclusie Op basis van de voorgrond- en achtergrondbelasting is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Tevens worden omliggende veehouderijen niet beperkt in hun ontwikkelingen. 4.11 Gezondheid Voorafgaand aan de realisatie van de beoogde situatie dient onderzocht te worden of er ter plaatse van de planlocatie geen sprake is van aantasting van de volksgezondheid, daarom is het onderwerp volksgezondheid meegenomen in deze ruimtelijke ordening. 4.11.1 Endotoxinen (varkens- en pluimveehouderijen) De intensieve veehouderijen binnen de agrarische sector dragen bij aan de emissies van fijn stof PM10 in Nederland.
Dit geëmitteerde fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Op 7 juli 2016 zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stof emissie uit veehouderijen. De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is nog niet afgerond. Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld. Inmiddels is ook de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 vastgesteld. Deze handreiking verwijst op zijn beurt weer naar de notitie die inhaakt op de lopende ontwikkeling van het landelijke endotoxinetoetsingskader en maakt gebruik van de daaruit voortkomende onderzoeksresultaten. De voorlopige onderzoekresultaten zijn voor de Gezondheidsraad in 2012 aanleiding geweest om voor de algemene bevolking een gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine van 30 EU/m³ aan het Rijk te adviseren. Deze advieswaarde wordt tevens gehanteerd in de notitie.
Uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden. Door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) is een berekeningsmodel opgesteld waarmee de individuele afstandscontour of endotoxine-risicocontour van 30 EU/m³ eenvoudig bepaald kan worden. Gemeenten adviseren bij een situatie waarbij binnen een afstand van 250 meter van het te realiseren kwetsbare object een veehouderij gelegen is, gebruik te maken van de afstandsbepalingen uit de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’. Alsook de laatste Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 verwijst naar deze ‘richt-afstand’. De planlocatie is niet gelegen binnen 250 meter van pluimvee of varkenshouderijen.
Bestemmingsplan Boogstraat ongenummerd Heesch Pagina 42 van 59
4.11.2 Geitenhouderijen Uit het onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO) van het RIVM onderzoek in 2017 is gebleken dat zich in een straal tot tussen 1,5 en 2 kilometer rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Het is nog onbekend waardoor dit precies komt. Van belang is wat nog toegestaan kan worden binnen de invloedssfeer van een geitenhouderij. Zolang nog niet duidelijk is waardoor het verhoogde risico bij geitenhouderijen ontstaat heeft het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht een advies memo opgesteld. Daarin wordt gesteld dat de goede ruimtelijke ordening vraagt om aanhouding van besluitvorming over het toevoegen van gevoelige functies binnen 2 km van een geitenhouderij totdat meer duidelijk is over de oorzaak van de gezondheidsrisico’s. In onderstaand overzicht zijn de geitenhouderijen weergeven binnen het grondgebied van de gemeente Bernheze conform de gegevens van KRD Noord Brabant met de afstand tot de planlocatie:
7,5 km 4,5 km 7,9 km 3,9 km n.v.t. < 50 stuks geiten 2,7 km Zoals blijkt uit bovenstaand overzicht zijn geen geitenhouderijen gelegen binnen 2 kilometer van de planlocatie. 4.11.3 Emissies In de ‘Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0’ wordt ingegaan op emissies. De beoogde ontwikkeling mag niet leiden tot een toename in de emissie voor geur en/of fijnstof en/of ammoniak. In paragraaf 4.10 (geur) en 4.13 (fijnstof) van deze ruimtelijke onderbouwing wordt hier nader op ingegaan en wordt geconcludeerd dat het aspect emissies geen belemmering vormt voor het planinitiatief.
4.11.4 De 7 stappen Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 (versie mei 2018) Stap 1 In stap 1 van de handreiking wordt getoetst aan endotoxine. Op basis van het ‘Endotoxine toetsingskader 1.0’ kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Navolgende tabel geeft een beeld met ligging van agrarische bedrijven de omgeving waar varkens of pluimvee wordt gehouden en de aan te houden richtlijnafstand tot deze bedrijven. Stap 2 Toets aan toename van emissies. Dit is niet van toepassing omdat het plan geen uitbreiding van een veehouderij betreft. Stap 3 In stap 3 wordt getoetst aan geur. Bij 3b wordt voor geur getoetst aan de gezondheidskundige advieswaarden. Voor het buitengebied zijn deze waarden: Bestemmingsplan Boogstraat ongenummerd Heesch Pagina 43 van 59
• • •
5 ouE/m3 voor de voorgrondbelasting. 10 ouE/m3 voor de achtergrondbelasting. 100 meter voor de afstand tussen de rand van een bedrijf en de gevel van het geurgevoelige object.
Er wordt voldaan aan de vaste afstand. De achtergrondbelasting is gelegen tenmidden de range van 3 t/m 7 ouE/m3, afgaande op de zoneringskaart van de ODZOB bedraagt de achtergrond-geurbelasting ca. 5 ouE/m3. Gezien een primair veehouderijbedrijf in de omgeving ontbreekt mag er van worden uitgegaan dat de voorgrondbelasting eveneens 5 ouE/m3 of minder bedraagt. Stap 5 a t/m c Uit toetsing op afstanden door de ODBN blijkt dat wordt voldaan aan de endotoxine richtafstanden voor varkens- en/of pluimveehouderijen (stap 1). De planlocatie is niet gelegen binnen de straal van 2 kilometer van geitenhouderijen (stap 5a). De planlocatie is niet gelegen binnen een afstand van 500 meter* van een pluimveebedrijf (stap 5b), ook niet binnen 250 meter van overige veehouderijen (stap 5c). Stap 6 Er vindt geen zelfstandige mestbewerking of verwerking plaats. Aan stap 6 wordt voldaan. Stap 7 Er is er geen ongerustheid bij omwonenden over de volksgezondheid. Aan 7 wordt daarmee voldaan. 4.11.5 Conclusie Op basis van endotoxinen afkomstig van varkens- en pluimveehouderijen alsmede ten aanzien van geitenhouderijen kan worden gesteld dat geen nadelige effecten voor de gezondheid ter plaatse van de planlocatie zijn te verwachten. Daarnaast blijkt uit het stappenplan van de ‘Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0’ dat er geen advies van de GGD nodig is.
4.12 Externe veiligheid Toetsingskader Externe veiligheid heeft betrekking op de veiligheid rondom opslag, gebruik, productie en transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's dienen aanvaardbaar te blijven. Het beleid voor inrichtingen is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi). Voor het transport van gevaarlijke stoffen is het Bevt van toepassing. Voor buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).
Bestemmingsplan Boogstraat ongenummerd Heesch Pagina 44 van 59
Uitsnede risicosituatie (atlasvoordeleefomgeving)
Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: Het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit en kent geen vaste norm, maar een oriëntatiewaarde (=’1’). Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag.
Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico’s in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten Bestemmingsplan Boogstraat ongenummerd Heesch Pagina 45 van 59
komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Bij de verantwoording van het groepsrisico wordt een brede afweging van belangen van diverse beleidsvelden verwacht. Het integrale karakter van deze groepsrisicoverantwoording maakt dat nadrukkelijk afstemming moet plaatsvinden tussen de beleidsvelden ruimtelijke ordening, milieubeheer en de rampenbestrijding. ➢ De A50 knooppunt Paalgraven-Zeeland, wegvak B80, ligt op circa 3,5 km afstand. Over deze transportweg worden onder andere gevaarlijke stoffen uit de categorie GT4 vervoerd. GT4 heeft een invloedsgebied van > 4.000 meter. Omdat het plangebied niet binnen 200 meter van de transportroute ligt, kan worden volstaan met een beperkte verantwoording voor het scenario toxisch. ➢ Het plangebied ligt op 3,9 kilometer afstand van het spoortraject ’s-Hertogenbosch- Nijmegen. Over dit traject worden onder andere gevaarlijke stoffen vervoerd uit de stofcategorie D4. D4 heeft een invloedsgebied van > 4.000 meter. Omdat het plangebied niet binnen 200 meter van de transportroute ligt, kan worden volstaan met een beperkte verantwoording voor het scenario toxisch.
Een beperkte verantwoording van het groepsrisico gaat in op de zelfredzaamheid van personen binnen het plangebied bij een calamiteit en de mogelijkheden tot het bestrijden van de gevolgen van een calamiteit binnen het plangebied. In samenwerking met de Veiligheidsregio Brabant-Noord is een standaard verantwoording groepsrisico (beperkt) toxisch opgesteld: Verantwoording groepsrisico (beperkt) toxisch Vanwege de ligging van de planlocatie in het invloedsgebied van een risicobron waarvan een toxische wolk het maatgevende scenario is, dient een beperkte verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. Hierbij is de Veiligheidsregio om advies gevraagd. Het advies is verwerkt in de verantwoording. Scenario(‘s) Het relevante scenario voor het plangebied i.r.t. het transport van gevaarlijke stoffen is het overdrijven van een toxische wolk. Door bijvoorbeeld een incident tijdens de verlading of door een mechanische impact op de tank ontstaat een gat waardoor in korte tijd een groot deel van de toxische stof vrijkomt en met de wind mee wordt verspreid. De kans op een dergelijk ongeval is bijzonder klein. De gevolgen voor personen zijn afhankelijk van de concentratie en blootstellingstijd aan de stof. Mogelijkheden tot bestrijdbaarheid van een calamiteit Bij het scenario toxische wolk zal de brandweer proberen de toxische wolk neer te slaan.
Bij een snelle verspreiding van de toxische wolk zal dit echter beperkt effect hebben. De bestrijdbaarheid wordt om deze reden als matig beoordeeld. De mogelijkheden tot zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar. Het zelfredzame vermogen van personen is een belangrijke voorwaarde om grote aantallen slachtoffers bij een incident te voorkomen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen binnen bebouwing en ontvluchten van het plangebied. Mogelijkheden zelfredzaamheid De mogelijkheden ten aanzien van de zelfredzaamheid zijn goed. Er worden geen niet- of verminderd zelfredzame mensen in het plangebied gehuisvest. De aanwezigen zijn normaal gesproken in staat om
Bestemmingsplan Boogstraat ongenummerd Heesch Pagina 46 van 59
zelfstandig conform instructies bijvoorbeeld via NL-Alert te reageren. Het aantal mensen in het plangebied is beperkt. Is het gebied voldoende ingericht om de zelfredzaamheid te kunnen faciliteren? Behalve de vraag of zelfredding mogelijk is, zijn de fysieke eigenschappen van gebouwen en omgeving van invloed op de vraag of die zelfredding optimaal kan plaatsvinden. Vanuit de hierboven geschetste mogelijkheden is het dus van belang, dat het plangebied: - goed te alarmeren is. - goed te schuilen is. - goed te ontvluchten is. Alarmering In geval van een calamiteit zal NL-Alert worden ingezet. NL-Alert is een aanvullend alarmmiddel van de overheid voor de mobiele telefoon. Met NL-Alert kan de overheid mensen in de directe omgeving van een noodsituatie met een tekstbericht informeren. In het bericht staat specifiek wat er aan de hand is en wat je op dat moment het beste kunt doen. Schuilmogelijkheden Schuilen in de afgesloten bebouwing zal in beginsel de beste manier zijn om de calamiteit met het scenario toxische wolk te overleven. Schuilen voor een toxische wolk is mogelijk binnen de bebouwing op de planlocatie. Om veilig schuilen binnen de bebouwing mogelijk te maken dient de bebouwing aan bepaalde veiligheidseisen te voldoen. Als gevolg van energieprestatie-eisen zijn nieuwe woningen goed geïsoleerd en bieden daarom een goede bescherming.
Eventuele aanwezige ventilatieopeningen moeten afgesloten kunnen worden. Vluchtmogelijkheden Mocht vluchten noodzakelijk zijn, dan is het plangebied naar meerdere zijden te ontvluchten. Ontvluchten kan in alle gevallen van de risicobron af. Conclusie Er bestaat vanuit extern veiligheidsoogpunt geen bezwaar tegen de gewenste ontwikkeling. Er is geen reden voor nader advies. De Veiligheidsregio ziet geen reden tot het geven van een nader advies ten aanzien van de zelfredzaamheid van personen binnen het plangebied en de bestrijdbaarheid van een ramp op de wegen. Risicobronnen Het plan betreft het toevoegen van een woning, niet zijnde een risicobron. Met behulp van de risicokaart kan een eerste indruk van de risicobronnen in de omgeving van een plangebied worden gemaakt. Uit de risicokaart (atlasleefomgeving.nl/kaarten) blijkt dat in de directe omgeving nagenoeg geen risicovolle inrichtingen aanwezig zijn. Wel zijn inrichtingen aanwezig met risicovolle activiteiten, maar de risicocontour overschrijdt daarbij niet de inrichtingsgrens. Ter plaatse van de planlocatie zijn derhalve geen risicocontouren van inrichtingen of van transportassen en buisleidingen aanwezig. Externe veiligheid is geen belemmering voor het plan.