CConstaterende datBernheze
Koppel je AI →
Document · PDF

4. TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s Kasteellaan 2-4 Heesch motivering

Raadsvergadering 2 juli 2026, gemeente BernhezeBij agendapunt: Vaststelling TAM-IMRO Omgevingsplan ''Hoofdstuk 22S Kasteellaan 2-4, Heesch'' *25.533 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Deze contour wordt op termijn geometrisch begrensd in het Omgevingsplan.

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

56

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22S Kasteellaan 2-4 Heesch - Motivering

4.6.1.2 Voorgrondbelasting Met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting van een individuele veehouderij bedoeld, afkomstig van die veehouderij welke de meeste geur op het geurgevoelige object veroorzaakt, hetzij omdat het een grote veehouderij betreft, hetzij omdat de veehouderij dichtst bij het geurgevoelige object is gelegen. De voorgrondbelasting is maatgevend bij een ontwikkeling indien deze tenminste de helft van de waarde van de achtergrondbelasting betreft. 4.6.1.3 Achtergrondbelasting Onder de achtergrondbelasting wordt de geurbelasting als gevolg van de veelheid aan veehouderijen in de omgeving van een geurgevoelig object verstaan. De achtergrondbelasting is een maat voor het leefklimaat. Er dient een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te zijn.

4.6.2 4.6.2.1

Toets Voorgrondbelasting en vaste afstanden

4.6.2.1.1 Veehouderijen in de omgeving In de omgeving van het plangebied bevinden zich nog twee veehouderijbedrijven. Op navolgende figuur is dit inzichtelijk. Ter plaatse van rode stippen zijn veehouderijbedrijven al beëindigd. Het bedrijf Holkampstraat 3 is deelnemer van de lbv+ regeling.

Planlocatie

Figuur 29: Veehouderijbedrijven in de omgeving van het plangebied

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

57

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22S Kasteellaan 2-4 Heesch - Motivering

Het gaat hierbij om de volgende bedrijven met bijbehorende vergunde dieraantallen:

Figuur 30: Vergunde situatie Jonkerstraat 1TO (BVB-Brabant)

Figuur 31: Vergunde situatie Vinkelsestraat 65 (BVB-Brabant)

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

58

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22S Kasteellaan 2-4 Heesch - Motivering

Figuur 32: Vergunde situatie Vinkelsestraat 67 (BVB-Brabant)

Voor het bepalen van het woon- en leefklimaat wordt de voor- en achtergrondbelasting beschouwd. 4.6.2.2 Voorgrondbelasting Alle veehouderijbedrijven in de omgeving liggen op een afstand van 700 meter of meer. Derhalve kan worden gesteld dat de voorgrondbelasting niet maatgevend is voor het woon- en leefklimaat. Eveneens kan worden voldaan aan de vaste afstand. 4.6.2.3

Achtergrondbelasting

Door de Omgevingsdienst Zuid Oost Brabant is een kaart opgenomen waarop de indicatieve achtergrondbelasting is weergegeven (maart 2025). Navolgende figuur is een uitsnede van deze kaart waarop de ligging van het plangebied op deze kaart is aangeduid.

Figuur 33: Uitsnede kaart met indicatieve achtergrondbelasting voor de omgeving van het plangebied

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

59

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22S Kasteellaan 2-4 Heesch - Motivering

Binnen het plangebied is sprake van een indicatieve achtergrondbelasting van 7 tot 13 oue/m³. Hiermee is in het plangebied sprake van een ‘redelijk goed’ woon- en leefklimaat. De beoogde herontwikkeling in het kader van de achtergrondbelasting geen bezwaar. Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Bovendien is op kaartmateriaal de geuremissie van Holkampstraat 3 nog meegerekend. Deze geuremissie is komen te vervallen waardoor het woon- en leefklimaat significant is verbeterd. Ingevolge de ‘Beleidsregel geur en ruimtelijke plannen 2013 gemeente Bernheze’ is er sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat, wanneer het woon- en leefklimaat minder dan 20 oue/m³ bedraagt. Hiervan is sprake binnen het plangebied. Binnen het plangebied is sprake van een acceptabel woonen leefklimaat. 4.6.2.4 Ontwikkelingsmogelijkheden omliggende bedrijven Tussen de omliggende agrarische bedrijven en het plangebied zijn reeds meerdere voor geur gevoelige functies gelegen. Er worden middels deze ontwikkeling geen bedrijven belemmerd in de bedrijfsvoering.

4.7 Gezondheid 4.7.1

Endotoxinen

4.7.1.1 Wettelijk kader De intensieve veehouderijen dragen bij aan de emissies van fijnstof (PM10) in Nederland. Dit geëmitteerde fijnstof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit maken. Er zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is nog niet afgerond. Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld. In april 2018 is tevens de ‘Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 uitgebracht. Hierbij wordt een advieswaarde van 30 EU/m³ aangehouden als advieswaarde voor de maximale blootstelling aan endotoxine. Bij deze advieswaarde kan ervan uitgegaan worden dat de gezondheid van omwonenden van veehouderijen wordt beschermd tegen een overmaat aan endotoxine. Het uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden. 4.7.1.2 Toets Het plangebied is niet gelegen binnen een endotoxine-contour.

In de omgeving van het plangebied zijn drie varkensbedrijven gelegen. Het betreft de bedrijven aan Holkampweg 3, Vinkelsestraat 65 en Vinkelsestraat 67. Met een fijnstof uitstoot van respectievelijk 731 kg, 62 kg per jaar en 177 kg per jaar is sprake van een endotoxinen-contouren van 164 meter, 16 meter en 79 meter ten opzichte van de omliggende veehouderijen. Het plangebied is ruimschoots buiten deze afstanden gelegen. In de omgeving van het plangebied zijn geen pluimveehouderijen gelegen.

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

60

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22S Kasteellaan 2-4 Heesch - Motivering

4.7.2

Geitenhouderijen

4.7.2.1 Wettelijk kader Uit onderzoek blijkt dat mensen die wonen in de nabijheid van een geitenhouderij, meer dan gemiddeld kans hebben op een longontsteking. Totdat er meer duidelijkheid is over de oorzaak van longontstekingen in relatie tot geitenhouderijen en een integrale aanpak voorhanden is, adviseert de GGD het voorzorgsbeginsel toe te passen en terughoudend te zijn met de uitbreiding of nieuwvestiging van geitenhouderijen in de buurt van gevoelige functies. Andersom geldt ook dat geadviseerd wordt om terughoudend te zijn met het plaatsen van gevoelige functies in de buurt van bestaande geitenhouderijen. Dat betekent dat gemeenten wordt geadviseerd om in hun besluitvorming de risico’s op longontsteking mee te wegen. Op basis van onderzoeksresultaten is het risico op longontsteking groter naarmate de afstand tot een geitenbedrijf kleiner is. De GGD-richtlijn hanteert daarom een richtafstand van 2 kilometer tussen geitenhouderijen en gevoelige functies. 4.7.2.2 Toets Er is geen sprake van de ligging van een geitenbedrijf binnen twee kilometer tot het plangebied.

4.7.3

Gewasbeschermingsmiddelen

4.7.3.1 Wettelijk kader In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bij het mogelijk maken van een nieuwe gevoelige functie in de nabijheid van agrarische functies aandacht gevraagd voor spuitzones in verband met het risico’s voor de volksgezondheid vanwege eventuele blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen via drift. Met de term drift wordt de hoeveelheid gewasbeschermingsmiddel bedoeld die bij het spuiten buiten het agrarisch perceel op de grond terecht kan komen en/of op hoogte door de lucht passeert. Vooral bij middelen met een hoge toxiciteit en/of voor kwetsbare groepen, zoals jonge kinderen of ouderen, kan drift risico’s voor de gezondheid inhouden. 4.7.3.2

Toets

De nieuwe woningbouwkavel grenst aan de westzijde aan agrarische gronden. De afstand van het kavel tot die westzijde bedraagt circa 45 meter. De woning staat op meer dan 50 meter afstand. Daarmee mag worden aangenomen dat dat er redelijkerwijs sprake is van een aanvaarbare afstand. Daarnaast wordt het plangebied in zijn geheel landschappelijk ingepast met streekeigen beplanting. Deze beplanting zorgt eveneens voor een afschermende werking bij mogelijke drift. De gronden ten noorden van het plangebied zijn eveneens in gebruik als cultuurgrond. De woning staat op circa 11 meter tot de cultuurgrond. Ook hier is sprake van een forse houtsingel die een afschermde werking vormt bij mogelijke drift. Tussen de houtsingel en de woning met tuin wordt tevens een wintergroene haag gerealiseerd welke een afschermde werking heeft in het geval van drift. De haag heeft een hoogte van ten minste 2 meter en bestaat uit bladhoudend sortiment. De aanleg en instandhouding hiervan is voorgeschreven in de planregels. Bovendien geldt in dit specifieke geval dat de overwegende windrichting in Nederland afwaarts van het plangebied verplaatst. Er zijn geen gronden in de directe omgeving aangemerkt of in gebruik voor boom- of fruitteelt.

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

61

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22S Kasteellaan 2-4 Heesch - Motivering

In het Besluit Activiteiten Leefomgeving (BAL) zijn voorwaarden opgenomen om drift en/of afspoeling tegen te gaan. Deze regels zijn strenger dan de Europese richtlijnen. In paragraaf 4.64 van het Besluit Activiteiten Leefomgeving (BAL) is aangegeven dat bij de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen bij de teelt van gewassen en op braakliggend land in de open lucht een techniek moet worden gebruikt die een driftreductie bereikt van ten minste 75% ten opzichte van een bij ministeriële regeling aangewezen referentietechniek. In paragraaf 4.64 van het Besluit Activiteiten Leefomgeving (BAL) zijn lozingsvoorschriften voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen of meststoffen bij telen van gewassen in de openlucht opgenomen. Relevant is dat een bedrijf bij het uitvoeren van een activiteit de beste beschikbare technieken (BBT) moet toepassen om de leefomgeving te beschermen. Dit is onderdeel van de specifieke zorgplicht. Bij gebruik van gewasbeschermingsmiddelen betekent dit dat drift naar het oppervlaktewater en de leefomgeving zo veel mogelijk moet worden voorkomen of beperkt. Op basis van het Besluit Activiteiten Leefomgeving dient een spuittechniek met ten minste met 75% driftreductie ten opzichte van een vastgestelde referentietechniek te worden toegepast. Dit betreft een wettelijk vereiste dat ook in de worst-case situatie geldt.

Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam en het beschermen van de gezondheid worden geen gewasbeschermingsmiddelen gebruikt als de windsnelheid meer is dan 5 m/s. Hiermee kan redelijkerwijs worden gesteld dat ter plaatse van de woning geen onevenredig nadelige gevolgen voor het woon- en leefklimaat zullen ontstaan en waardoor strijdigheid met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties ontstaat.

4.7.4

Stappenplan bij realisatie van nieuwe woningen

In de Handreiking veehouderij en volksgezondheid is tevens een stappenplan opgenomen waaraan getoetst dient te worden bij de wijziging van een bestemmingsplan voor realisatie van (een) nieuwe woning(en) in de buurt van een of meerdere veehouderijen. Navolgend wordt getoetst aan het stappenplan. Hierin wordt nagegaan of er aandachtspunten worden gevonden in het kader van gezondheid en of advies ingewonnen dient te worden bij de GGD. Stap 1 In stap 1 wordt alle informatie verzameld over de mogelijke risico’s van omliggende veehouderijen voor de gezondheid van toekomstige bewoners van de geplande woningen. In de paragraaf 4.7.1 zijn alle veehouderijen in de omgeving getoetst aan de aspecten geur en endotoxine. Het plangebied is niet gelegen binnen een endotoxinecontour. Ook is op basis van geurhinder sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Geen risico’s worden verwacht van omliggende veehouderijen. Stap 2 In stap 2 wordt in kaart gebracht wat de planologische ruimte en de milieuruimte is in het plangebied. Onderzocht dient ook te worden welke percelen in en bij het plangebied de bestemming ‘bedrijf’ of ‘agrarisch’ hebben en of mogelijkheden bestaan voor uitbreiding. Het plangebied kent in de huidige situatie een bedrijfsfunctie, maar wordt gesaneerd.

Rondom het plangebied is sprake van een landgoederenomgeving waar een een tranfsormatie gaande van agrarisch gebied naar een nietagrarisch gebied met onder andere meerdere reguliere burgerwoningen. In paragraaf 4.6 is aandacht besteed aan de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijen in de omgeving.

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

62

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22S Kasteellaan 2-4 Heesch - Motivering

Stap 3 In stap 3 wordt beoordeeld of gezondheidsrisico’s voor de toekomstige bewoners te verwachten zijn. Er zijn grofweg twee uitkomsten mogelijk (zie stap 4a en 4b): Stap 4a Zijn er wel gezondheidsrisico’s te verwachten voor de bewoners, dan moet een nadere afweging gemaakt worden van de risico's en mogelijke oplossingen (stap 5). Het plangebied is niet gelegen in de nabijheid van een geitenhouderij, is niet gelegen binnen een endotoxinecontour en ook op basis van het aspect ‘geur’ kan worden gesteld dat ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Geitenhouderijen zijn nader tegen het licht gehouden in paragraaf 4.7.2. Geurhinder is nader tegen het licht gehouden in paragraaf 6.1.3.7. Gesteld kan worden dat geen gezondheidsrisico’s te verwachten zijn. Stap 5 is dan ook niet van toepassing. Stap 4b Als er geen gezondheidsrisico’s te verwachten zijn, is sprake van een goed woon- en leefklimaat bij de toekomstige woning wat betreft risico’s voor de gezondheid. Stap 7b is dan ook van toepassing. Stap 5 Als er wel gezondheidsrisico’s te verwachten zijn voor de toekomstige bewoners, dan dient onderzocht te worden wat mogelijke oplossing zijn via het ruimtelijk spoor. Hiervan is met deze ontwikkeling geen sprake. Stap 6 In stap 6 wordt beoordeeld of veehouders niet onevenredig in de belangen worden geschaad. Dat is in onderhavige situatie niet het geval.

Dit aspect is nog nader toegelicht in paragraaf 4.6. Stap 7 In stap 7 wordt een positief dan wel negatief besluit genomen door het bevoegd gezag. Uit de doorlopen stappen kan worden geconcludeerd dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Niemand wordt onevenredig in de belangen geschaad. Gesteld kan dan ook worden dat op grond van het aspect ‘gezondheid’ het plan mogelijk is. Advies van de GGD wordt niet noodzakelijk geacht.

4.7.5

Hoogspanningsverbindingen

4.7.5.1 Wettelijk kader Hoogspanningsverbindingen kunnen van negatieve invloed zijn op de gezondheid van de omgeving, maar dragen tegelijkertijd ook bij aan de Nederlandse infrastructuur en zijn van essentieel belang voor het functioneren van het energienetwerk. Hoogspanningsverbindingen leveren dus zowel een positieve als negatieve bijdrage aan de fysieke leefomgeving. Een negatieve invloed op de gezondheid van de omgeving, kan worden veroorzaakt door magneetvelden en geluid van de hoogspanningsverbindingen. Voor ‘magneetvelden’ geldt op basis van advies van

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

63

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22S Kasteellaan 2-4 Heesch - Motivering

het Rijk dat zoveel als redelijkerwijs mogelijk is vermeden dient te worden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen tot 15 jaar langdurig verblijven in een gebied rond bovengrondse hoogspanningslijnen, waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microtesla. Ten aanzien van ‘geluid’ geldt dat rekening moet worden gehouden met geluid in de vorm van windfluiten en knetterend geluid door elektrische ontladingen (coronageluid) veroorzaakt door hoogspanningsverbindingen. 4.7.5.2 Toets In de omgeving van het plangebied zijn geen hoogspanningslijnen aanwezig.

4.7.6

Positieve gezondheid

4.7.6.1 Wettelijk kader Als onderdeel van de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten dient ook rekening te worden gehouden met het belang van het bevorderen van de gezondheid. Gezondheidsbevordering wordt veelal geassocieerd met het verminderen van de druk van de leefomgeving op de gezondheid, bijvoorbeeld door geluid en luchtverontreiniging te beperken. Bij positieve gezondheid staat een brede kijk op gezondheid centraal: een fysieke leefomgeving die uitnodigt tot gezond gedrag en mensen stimuleert tot meer bewegen, gezonder eten en elkaar ontmoeten, wordt als een leefomgeving met positieve gezondheidseffecten beschouwd. Een concreet wettelijk kader waarin wordt geduid waaraan een leefomgeving met positieve gezondheidseffecten minimaal aan dient te voldoen ontbreekt. Wel wordt gestimuleerd om de leefomgeving zo in te richten dat positieve gezondheidseffecten worden bevorderd. De GGD GHOR Nederland heeft in samenwerking met het RIVM kernwaarden opgesteld die de basis vormen voor de uitwerking en borging van het thema positieve gezondheid in het Omgevingsplan. De kernwaarden zijn onderverdeeld in drie categorieën, namelijk: woonomgeving, mobiliteit en gebouwen. 4.7.6.2

Toets

Dit plan is zeer kleinschalig en ziet op de functiewijziging voor de functie van één agrarische bedrijfsfunctie in het buitengebied naar een woonfunctie. Het effect van deze ontwikkeling reikt niet buiten het plangebied, anders dan dat er met deze functiewijziging een toekomstbestendig hergebruik van een locatie plaatsvindt. Dit plan leidt niet tot nadelige gezondheidsaspecten voor functies in de omgeving.

4.7.7

Luchtkwaliteit

4.7.7.1

Wettelijk kader

4.7.7.1.1 Inleiding Omdat luchtverontreiniging kan zorgen voor negatieve gezondheidseffecten bij de mens, is het belang om het thema luchtkwaliteit mee te nemen in de beoordeling of met een plan sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In het Bkl is aangegeven in welke gevallen een beoordeling van de luchtkwaliteit noodzakelijk is (paragraaf 5.1.4). Of een beoordeling nodig is hangt af van de activiteit, de locatie en het effect van de activiteit en de mate van het effect. Voor de toetsing van het Omgevingsplan moet daarom inzichtelijk

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

64

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22S Kasteellaan 2-4 Heesch - Motivering

worden gemaakt welke ontwikkelingen en activiteiten het Omgevingsplan faciliteert. Daarna kan worden bepaald of een beoordeling vereist is. De grenswaarden voor de voor luchtverontreiniging relevante stoffen uit het Bkl betreffen: -

Stikstofdioxide NO2 40 μg/m3 als kalenderjaargemiddelde. Fijnstof PM10: 40 μg/m3 als kalenderjaargemiddelde en 50 μg/m3 als 24-uurgemiddelde, dat ten hoogste 35 maal per kalenderjaar wordt overschreden. Fijnstof PM2,5 : 25 μg/m3 als kalenderjaargemiddelde.

4.7.7.1.2 Aandachtsgebieden In het Bkl staan aandachtsgebieden voor stikstofdioxide en fijnstof vermeld (paragraaf 5.1.4, artikel 5.51 in het Bkl). Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO 2) en fijnstof (PM10). Wanneer de activiteiten binnen deze gebieden voor een verhoging van de concentratie veroorzaken, geldt een beoordelingsplicht. Het kan ook voorkomen dat de activiteit zich niet in het aandachtsgebied bevindt, maar daar wel voor een verhoogde concentratie zorgt. De beoordelingsplicht is alleen van toepassing als het gaat om milieubelastende activiteiten waarover in het Bal regels zijn gesteld met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht of wanneer het de aanleg of wijzigingen van wegen, spoorwegen of vaarwegen betreft. 4.7.7.1.3 Uitgezonderde locaties (blootstelling) De luchtkwaliteit hoeft alleen te worden beoordeeld door een toetsing aan de omgevingswaarde. De omgevingswaarde is bepaald voor de bescherming van de gezondheid van mensen. Het is daarom alleen zinvol om de luchtkwaliteit te beoordelen wanneer er blootstelling aan mensen plaatsvindt. Op plaatsen waar publiek niet toegankelijk is of geen vaste bewoning is, is een beoordeling daarom niet nodig (paragraaf 5.1.4, artikel 5.53 in het bkl).

4.7.7.1.4 Niet in betekenende mate Toetsing aan de Rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit (NO2 en PM10) is niet nodig als een project of activiteit maar weinig bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Dit wordt ook ‘niet in betekende mate’ (NIBM) genoemd. Er is sprake van NIBM wanneer de concentratie stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentratie. Of een activiteit zorgt voor een concentratieverhoging van NIBM wordt bepaald met de NIBMtoets. Daarnaast is er een aantal categorieën bepaald voor standaardgevallen waarbij NIBM kan worden aangenomen. Deze standaardgevallen betreffen onder andere kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Deze zijn terug te vinden in artikel 5.54 van het Bkl. Voor woonwijken geldt hierbij een aantal van 1.500 woningen bij 1 ontsluitingsweg en van 3.000 woningen bij 2 of meer ontsluitingswegen. 4.7.7.2

Toets

4.7.7.2.1 Aandachtsgebieden Het plangebied is gelegen binnen een aandachtsgebied in het kader van de luchtkwaliteit. In een aantal gemeenten is de fijnstofconcentraties relatief hoog door veehouderijen. De gemeenten en provincies binnen deze aandachtsgebieden verzamelen gegevens over de veehouderijen voor de monitoring van de concentratie PM10. Dit hoeft alleen voor de veehouderijen die meer dan 800 kg fijnstof per jaar

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

65

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22S Kasteellaan 2-4 Heesch - Motivering

uitstoten of meer dan 500 kg fijnstof per jaar als de achtergrondconcentratie PM10 in die gebieden hoger is dan 27 µg/m3. Deze ontwikkeling ziet toe op hert saneren van een veehouderij. 4.7.7.2.2 Uitgezonderde locaties (blootstelling) Binnen het plangebied is sprake van jaargemiddelde concentratie PM10 van circa 15-16 µg/m³. De jaargemiddelde concentratie PM2,5 bedraagt circa 9-10 µg/m³. Navolgende figuren geven de jaargemiddelde concentratie van PM10 en PM2,5 voor het plangebied en directe omgeving weer.

Besluitgebied

Figuur 34: Fijnstof 2023 (PM)10) (bron: RIVM) voor het plangebied en omgeving

Besluitgebied

Figuur 35: Fijnstof 2023 (PM)2,5) (bron: RIVM) voor het plangebied en omgeving

Binnen het plangebied is sprake van jaargemiddelde concentratie NO2 van 12 tot 14 µg/m³. Navolgende figuur geeft de jaargemiddelde concentratie van NO2 binnen het plangebied en in de omgeving weer. VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

66

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22S Kasteellaan 2-4 Heesch - Motivering

Besluitgebied

Figuur 36: Stikstofdioxide 2023 (bron: RIVM) voor het plangebied

Geconcludeerd kan worden dan de beoogde functiewijziging in het kader van de blootstelling aan luchtverontreiniging als gevolg van fijnstof en stikstofdioxide aanvaardbaar is. De EU grenswaarden en de grenswaarden voor de voor luchtverontreiniging relevante stoffen uit het Bkl worden niet overschreden. 4.7.7.2.3 Niet in betekenende mate Met dit plan wordt een bestaande agrarische bedrijfslocatie met een bedrijfswoning hergebruikt voor een reguliere woonfunctie. Het aantal verkeersbewegingen verminderd door sanering van de agrarische bedrijfsfunctie. Al het vrachtverkeer vervalt met deze functiewijziging. Na deze functiewijziging is slechts sprake van personenverkeer. Daarmee valt dit plan onder het begrip ‘niet in betekenende mate’. Deze functiewijziging is aanvaardbaar in het kader van de luchtkwaliteit.

4.8 Bedrijvigheid 4.8.1

Wettelijk kader

Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzoneringen van bestaande en toekomstige bedrijven om zodoende de kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde Lijst van Bedrijfsactiviteiten uit de handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’. Deze (indicatieve) lijst geeft de richtafstanden weer voor milieubelastende activiteiten voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden gelden tussen de grens van de functie en de uiterste grens van de gevel van een woning die volgens het Omgevingsplan of via vergunning vrij bouwen mogelijk is.

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

67

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22S Kasteellaan 2-4 Heesch - Motivering

4.8.2

Toets

Bedrijvigheid binnen het plangebied Binnen het plangebied is sprake van een wijziging van het gebruik van een agrarische bedrijfsfunctie naar een woonfunctie. Hiermee worden alle bedrijfsactiviteiten binnen het plangebied gesaneerd. Bedrijvigheid buiten het plangebied In de omgeving van het plangebied zijn geen niet-agrarische bedrijven aanwezig. Op een afstand van meer dan 300 meter liggen enkele varkenshouderijen. Aan Jonkerstraat 1-3 is sprake van een burgerwoning met daarbij kleinschalige bedrijvigheid. Ter plaatse mag bij de woning een kleinschalige bedrijfsactiviteit tot en met milieucategorie 2 worden geëxploiteerd. Voor deze functie geldt een richtafstand van 30 meter. De nieuwe woning wordt gerealiseerd op ten minste 100 meter afstand. De bestaande boerderijwoning ligt op meer dan 50 meter. Aan Berktstraat 7 is een agrarisch bedrijf (categorie 2) bestemd. Het plangebied bevindt zich op een afstand van 170 meter en voldoet daarmee ruimschoots aan de richtafstand. Het aspect bedrijven en milieuzonering leidt niet tot belemmeringen met betrekking tot deze functiewijziging.

4.9 Omgevingsveiligheid 4.9.1

Wettelijk kader

Als onderdeel van de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten dient ook rekening te worden gehouden met risico’s van branden, rampen en crises (paragraaf 5.1.2 Bkl). Bij omgevingsveiligheid gaat het om de risico’s van het gebruik en transport van gevaarlijke stoffen over weg, spoor, water of via buisleidingen, de veiligheid van bedrijven en de veiligheid van nieuwe, zich snel ontwikkelende technologieën. Daarbij gaat het om de ‘feitelijke’ risico’s (met soms grote onzekerheden), maar ook om hoe risico’s worden ervaren. Ten behoeve van deze wijziging van het Omgevingsplan zijn de relevante risico’s geïnventariseerd en is de aanvaardbaarheid van deze wijziging van het Omgevingsplan beoordeeld. De resultaten daarvan worden hierna beschreven. Daarbij wordt ook aangegeven op welke wijze rekening is gehouden met het voorkomen en bestrijden van branden, rampen en crisis, het beperken en vertragen van de gevolgen van incidenten, de mogelijkheden van personen om zich in veiligheid te brengen in geval van een incident en de gevolgen voor de (continuïteit) van de geneeskundige hulpverlening. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (ofwel 10-6).

Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Deze kans mag niet groter zijn dan eens in de miljoen jaar. Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

68

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22S Kasteellaan 2-4 Heesch - Motivering

Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). In hoofdstuk 4 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn alle activiteiten opgenomen waarbij een vaste norm van toepassing is en voor welke activiteiten een berekening van PR-contour en aandachtsgebied vereist is. Groepsrisico Het groepsrisico betreft de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als gevolg van een ongewoon voorval. Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Onder de Omgevingswet is gekozen voor een nieuwe benadering van het groepsrisico, met aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden laten zien op welke locaties extra aandacht nodig is om aanwezigen te beschermen tegen mogelijke ongevallen bij activiteiten met gevaarlijke stoffen.

Aandachtsgebieden laten zien waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd zijn tegen gevaren uit de omgeving. Voorbeelden van die gevaren zijn warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Via de aandachtsgebieden worden deze gevaren zichtbaar op de kaart, zodat direct duidelijk is welke gevaren waar op kunnen treden. Daardoor heeft het bevoegd gezag bij het nemen van besluiten over ruimtelijke ordening de risico's van activiteiten met gevaarlijke stoffen meteen in beeld. Zo kan het bevoegd gezag ze al aan het begin van het planproces meenemen. Aandachtsgebieden zijn er voor brandgevaar, explosiegevaar en gifwolken.

4.9.2 4.9.2.1

Toets Activiteiten met gevaarlijke stoffen

4.9.2.1.1 Inleiding Binnen het plangebied is sprake van een wijziging van het gebruik van een agrarisch bedrijfsfunctie naar een woonfunctie. Er worden twee extra gevoelige gebouwen toegevoegd. 4.9.2.1.2 Activiteiten in de omgeving In de omgeving van het plangebied zijn geen risico activiteiten aanwezig. Navolgende figuur geeft een uitsnede van de risicokaart externe veiligheid waarop de ligging van het plangebied is aangeduid. milieubelastende activiteiten vormen geen belemmering voor herontwikkeling van het plangebied.

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

69

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22S Kasteellaan 2-4 Heesch - Motivering

Besluitgebied

Figuur 37: Beeld met ligging van het plangebied ten opzichte van inrichtingen in de omgeving

4.9.2.2

Transport van gevaarlijke stoffen

4.9.2.2.1 Wegtransport De dichtstbij het plangebied gelegen weg waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt is de rijksweg A59. Het plangebied is gelegen op een afstand van circa 1,8 kilometer van deze weg. Het gifwolkaandachtsgebied van deze weg betreft 300 meter. 4.9.2.2.2 Transportleidingen Op een afstand van circa 200 meter ten noorden van het plangebied bevinden zich twee ondergrondse buisleidingen (Type Aardgasleiding NEN 3650-leiding) van Gasunie Transport Services B.V. het betreft de transportroutes A-527 en A-643. Beide transportroutes kennen een maximale werkdruk van respectievelijk 66,2 bar en 79,9 bar en een diameter van 1220 mm. Het plangebied is gelegen binnen het Brand Aandachtsgebied. Stappenplan afweging groepsrisico binnen aandachtsgebieden Op grond van artikel 5.15 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) moet een gemeente bijhet realiseren van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperktkwetsbare en kwetsbare locaties binnen een brand-, explosie- en/of gifwolkaandachtsgebied rekening houden met het groepsrisico. Daar waar het omgevingsplan beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties toelaat, waarborgt de gemeente: a. dat maatregelen zijn getroffen ter bescherming van personen in die gebouwen en op die locaties; of b.

dat het aantal doorgaans aanwezige personen of de tijd dat deze personen aanwezig

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

70

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22S Kasteellaan 2-4 Heesch - Motivering

zijn in die gebouwen en op die locaties beperkt is. Om te komen tot een passende bescherming voor de nieuwe populatie die een gemeente wiltoevoegen, maak je onderscheid tussen maatregelenniveaus. De maatregelenniveaus zijn onderverdeeld in drie categorieën: • Maatregelenniveau A: wettelijke basisbescherming • Maatregelenniveau B: bron- en omgevingsmaatregelen • Maatregelenniveau C: aanvullende bouwkundige maatregelen In dit aspect zijn bron- en omgevingsmaatregelen niet aan de orde omdat het plangebied niet hiertoe rijkt. Het is niet mogelijk de woningen te bouwen op grotere afstand of om binnen het plangebied meer afstand aan te houden. Evenmin is het mogelijk om het aantal aanwezige personen te beperken. Het gaat om een kwetbare gebouwen, er is sprake van een woonfunctie. Er is echter geen sprake van een bevolkingsdichtheid van meer dan 25 personen per hecare. Daarom dienen de onderdelen van de wettelijke basisbescherming op orde te zijn. waarbij je invulling moet geven aan artikel 5.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Dit bestaat uit de volgende onderdelen: • •

basis risicocommunicatie (artikel 46 Wet Veiligheidsregio’s); toepassen van de beste beschikbare technieken (BBT);

• • • • •

de beleidsregels bereikbaarheid en bluswatervoorziening; aanwezigheid van bedrijfshulpverlening (conform ARBO-wet); hanteren constructieve veiligheidsklasse passend bij het type gebouw (conform Bbl); grenswaarde plaatsgebonden risico; de eventuele aanwijzing van een bedrijfsbrandweer.

Omdat de (geprojecteerde) woningen zich eveneens bevinden buiten de plaatsgebondenrisicocontour bevinden kan volstaan worden met een beperkte verantwoording van het groepsrisico voor deze leidingen. Een beperkte verantwoording van het groepsrisico gaat over de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval en over de zelfredzaamheid van personen in het aandachtsgebied van de buisleiding. De veiligheidsregio wordt om advies gevraagd over de zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Er zijn in het kader van een calamiteit voldoende mogelijkheden om te vluchten of te schuilen. 4.9.2.2.3 Luchtvaart, Spoorwegen en waterwegen Er zijn vanuit luchtvaart, spoor- of waterwegen geen belemmeringen voor wijziging van het plangebied. 4.9.2.2.4 Conclusie Er bestaat vanuit extern veiligheidsoogpunt geen bezwaar tegen de gewenste ontwikkeling. Er is geen reden voor nader advies. De veiligheidsregio ziet geen reden tot het geven van een nader advies ten aanzien van de zelfredzaamheid van personen binnen het plangebied en de bestrijdbaarheid van een ramp op de wegen.

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

71

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22S Kasteellaan 2-4 Heesch - Motivering

4.10 Duurzaamheid en klimaat 4.10.1 Duurzaamheid 4.10.1.1 Wettelijk kader Uit de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet vloeit voort dat deze onder meer is gericht op een duurzame ontwikkeling van de fysieke leefomgeving. Dit houdt in, dat de wet voorziet in een ontwikkeling van de fysieke leefomgeving die tegemoet komt aan de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen. Duurzame ontwikkeling is een breed begrip waar een veelheid aan onderwerpen onder kan vallen, zoals energietransitie en klimaatadaptatie. In de Nationale Omgevingsvisie is ‘ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie’ als prioriteit opgenomen. Daarnaast vallen onder het begrip duurzaamheid ook onderwerpen als mobiliteit, duurzaam bouwen en biodiversiteit. Het beleid ten aanzien van energietransitie en klimaatadaptatie vloeit voort uit nationale programma's die vervolgens regionaal zijn uitgewerkt (Regionale Energiestrategie, Nationale Klimaatadaptatiestrategie). De doelstellingen die hieruit voortvloeien zijn vervolgens integraal opgenomen in het gemeentelijk beleid. Dit is weer uitgewerkt in programma's. In het Omgevingsplan zijn de beleidsdoelstellingen voorzover noodzakelijk vanuit het oogpunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties uitgewerkt in juridisch bindende regels.

4.10.1.2 Wettelijk kader Dit plan ziet op een functiewijziging waarbij een agrarische bedrijfslocatie locatie wordt omgevormd tot een tweetal woonfuncties. Hergebruik van een bestaande bebouwde locatie (bedrijfswoning) is duurzaam en toekomstbestendig. De nieuwe woning wordt opgericht aan de hand van de op het moment van realisatie geldende duurzaamheidseisen.

4.10.2 Klimaat 4.10.2.1 Wettelijk kader Om invulling te geven aan de in de Nationale Omgevingsvisie beschreven prioriteit ‘Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie’ dient bij de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten rekening te worden gehouden met maatregelen ten aanzien van klimaatadaptatie. Onder klimaatadaptatie wordt verstaan: het tijdig en effectief aanpassen aan het actuele of verwachte klimaat. Daardoor kan schade door klimaatverandering beperkt worden. Voor klimaatadaptatie is het belangrijk om integraal te werken en meekoppelkansen met andere ruimtelijke ontwikkelingen te benutten. Er zijn veel mogelijkheden om de aanpak en maatregelen uit de verschillende transities te combineren. Hierbij kan gedacht worden aan waterberging in natuurgebieden, groen in de stad en vermindering van hitte in de bebouwde omgeving. 4.10.2.2 Toets Met dit plan vindt hergebruik van een bestaande agrarische bedrijfslocatie naar woonfuncties plaats. De bebouwing binnen het plangebied neemt hierbij af en de locatie wordt groen ingepast met streekeigen

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

72

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22S Kasteellaan 2-4 Heesch - Motivering

beplanting. Dit plan is te kleinschalig om bij te dragen aan een beter klimaat, maar is op microniveau een verbetering.

4.11 Toetsing m.e.r.-beoordeling 4.11.1 Wettelijk kader Overeenkomstig paragraaf 16.4.2 van de Omgevingswet en afdeling 11.2 van het Omgevingsbesluit dient te worden bepaald of een ontwikkeling m.e.r.-beoordelingsplichtig is. Dit kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit. Een milieueffectrapportage (m.e.r.) is een procedure die de milieueffecten van een plan of project in beeld brengt. Het doel van de m.e.r.-procedure is om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvoering over plannen, programma's en projecten die mogelijk duidelijke milieueffecten hebben. De verwachtte effecten op het milieu en alternatieve oplossingen worden beschreven in een milieueffectrapport (MER). Daarnaast is participatie en kennisgeving een belangrijk onderdeel binnen de m.e.r. Op deze manier vormt de mer een hulpmiddel voor de besluitvorming. Een omgevingsplan valt onder een plan of programma waarvoor een milieueffectrapportage van toepassing is (Omgevingswet, Paragraaf 16.4.1, artikel 16.34). De motivering van de beslissing (art. 11.11 lid 3 Omgevingsbesluit) bestaat uit: a. de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn; en b. als is beslist dat geen milieueffectrapport moet worden gemaakt: 1.

de kenmerken en maatregelen, bedoeld in artikel 11.10, derde lid, als degene die voornemens is het project uit te voeren deze heeft voorgesteld; en 2. het moment waarop die maatregelen moeten zijn gerealiseerd.

4.11.2 Toets 4.11.2.1 Toets bijlage V In Bijlage V bij de artikelen 11.6, 11.7 en 11.8 van het Omgevingsbesluit zijn de projecten en de daarvoor benodigde besluiten aangewezen waarvoor een m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt. In deze lijst zijn zowel de m.e.r.-plichtige als de m.e.r.-beoordelingsplichtige gevallen opgenomen en de daarvoor benodigde besluiten. In het Besluit milieueffectrapportage waren dat nog twee lijsten (onderdelen C en D in de bijlage bij dat besluit). Bij deze functiewijziging is geen sprake van een project met daartoe benodigd besluit zoals opgenomen in Bijlage V van het Omgevingsbesluit. 4.11.2.2 Toets m.e.r.-beoordeling 4.11.2.2.1 Inleiding Om te bepalen of alsnog een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is, dient bepaald te worden (1) of de ontwikkeling de drempelwaarden uit bijlage V van het Omgevingsbesluit overschrijdt, (2) of de ontwikkeling in een gevoelig gebied ligt en (3) of er belangrijke milieugevolgen zijn.

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

73

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22S Kasteellaan 2-4 Heesch - Motivering

4.11.2.2.2 Drempelwaarden Voor de beoogde herontwikkeling is gekeken naar activiteiten die een m.e.r.-(beoordelings)plicht kennen. Hierbij is de volgende activiteit gevonden die mogelijk m.e.r.-(beoordelings)plichtig is: ‘J11: Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen’.’ Overeenkomstig de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (201901439/1/R1) is gezien de zeer beperkte omvang met dit voornemen (geen) sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1 van categorie J11 van Bijlage V van het Omgevingsbesluit betreft daarmee (g)een m.e.r.- plichtige activiteit. 4.11.2.2.3 Ligging binnen een gevoelig gebied In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r is bepaald wat verstaan wordt onder een 'gevoelig gebied'. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. Het plangebied is (niet) gelegen binnen een 'gevoelig gebied' zoals gedefinieerd in het Besluit m.e.r. 4.11.2.2.4 Belangrijke milieugevolgen In Hoofdstuk 5 van deze motivering zijn de verschillende milieuaspecten met betrekking tot dit plan afgewogen. Daaruit is gebleken dat dit plan (geen) negatieve effecten heeft ten aanzien van deze aspecten.

De locatie, aard en omvang van het voornemen leiden niet tot dusdanige omstandigheden of milieueffecten, op basis waarvan alsnog een nadere m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. 4.11.2.2.5 Conclusie Uit de mer-beoordeling is gebleken dat de gevolgen van het uitvoeren van de activiteit op de fysieke leefomgeving geen aanleiding geven tot het opstellen van een mer-rapportage en dat er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

74

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22S Kasteellaan 2-4 Heesch - Motivering

5. JURIDISCHE PLANBESCHRIJVING 5.1 Eén omgevingsplan Sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 beschikt iedere gemeente van rechtswege over één (tijdelijk) omgevingsplan. Dit tijdelijk Omgevingsplan bestond op die datum uit alle op dat moment geldende ruimtelijke plannen, zoals bestemmingsplannen, wijzigings-, uitwerkingsplannen en beheersverordeningen, samen met een set regels die met de invoering van de Omgevingswet door het Rijk zijn overgedragen aan de gemeente. Deze set overgedragen regels wordt de ‘bruidsschat’ genoemd. Deze is opgenomen in hoofdstuk 22 van het omgevingsplan. Vanaf 1 januari 2024 worden geen nieuwe separate ruimtelijke plannen zoals bestemmingsplannen meer in procedure gebracht, maar wordt waar nodig het omgevingsplan gewijzigd om een functiewijziging mogelijk te maken. Via het Omgevingsloket is op termijn daarom nog maar één geconsolideerd omgevingsplan te vinden, waarin alle wijzigingen integraal zijn verwerkt. Uiterlijk 2032 moet het gebiedsdekken omgevingsplan ‘nieuwe stijl’ gereed zijn.

5.2 Tijdelijke Alternatieve Maatregel (TAM) De publicatie van een wijziging van het Omgevingsplan moet plaatsvinden volgens de Standaard officiele publicaties (STOP) en de wijziging dient om raadpleegbaar te zijn via het Omgevingsloket te voldoen aan het Toepassingsprofiel Omgevingsplan (TPOD omgevingsplan). Indien een gemeente technisch nog niet in staat is het omgevingsplan te wijzigen volgens STOP/TPOD kan gebruik worden gemaakt van een Tijdelijke Alternatieve Maatregel (TAM) die kort gezegd inhoudt dat bij de wijziging van het Omgevingsplan gebruik mag worden gemaakt van de IMRO-standaard, die voorheen werd gebruikt voor het opstellen en publiceren van bestemmingsplannen. Deze TAM wordt in de praktijk aangeduid als TAM-IMRO. Een gemeente mag er overigens ook om andere redenen dan technische redenen voor kiezen om TAMIMRO toe te passen, bijvoorbeeld in verband met een urgente gebiedsontwikkeling. Deze wijziging van het omgevingsplan gemeente Bernheze is opgesteld op basis van TAM-IMRO. Voor deze locatie is eerder een wijzigingsprocedure voorbereid.

5.3 Opzet planwijziging Ook al lijkt het juridisch deel van deze wijziging van het Omgevingsplan op een bestemmingsplan, het karakter van dit plan is anders. Inhoudelijk dient deze wijziging te voldoen aan de eisen die de Omgevingswet aan een Omgevingsplan stelt, met uitzondering van de wijze van digitale vormgeving en publicatie van het plan. Anders dan een bestemmingsplan maakt deze wijziging van het omgevingsplan géén onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan, maar maakt deze onderdeel uit van het nieuwe deel.

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

75

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22S Kasteellaan 2-4 Heesch - Motivering

In juridisch opzicht worden de in dit TAM-Omgevingsplan opgenomen regels en locaties dus fictief toegevoegd aan het initieel Omgevingsplan zoals dat per 1 januari 2024 is te raadplegen via het Omgevingsloket. Daarmee vormt het ook één geheel met de bruidsschat die reeds is opgenomen in hoofdstuk 22 van dat plan, de begripsbepalingen die zijn opgenomen in hoofdstuk 1 van dat plan en de slotbepaling die is opgenomen in hoofdstuk 23 van dat plan. Dit TAM-Omgevingsplan is gebaseerd op de Werkafspraak TAM-Omgevingsplan van Geonovum, de bijbehorende technische handreiking en de Bijsluiter TAM-IMRO omgevingsplan van de VNG. Dat houdt in het kort het volgende in: Met dit TAM-Omgevingsplan wordt één hoofdstuk toegevoegd aan het Omgevingsplan, tussen -

-

-

-

hoofdstuk 22 en hoofdstuk 23, in dit geval hoofdstuk 22a. Aangezien het omgevingsplan zoals dat raadpleegbaar is via het Omgevingsloket technisch alleen inhoudelijk kan worden gewijzigd volgens STOP/TPOD, vindt die toevoeging fictief plaats door een TAM-omgevingsplan op te stellen volgens de IMRO-standaard (plantype bestemmingsplan) en dat als zodanig te publiceren via ruimtelijkeplannen.nl, waarna het plan via de zogenoemde overbruggingsfunctie alsnog in het Omgevingsloket zichtbaar wordt. De plannaam maakt duidelijk dat sprake is van een TAM-omgevingsplan, waarbij ook het beoogde hoofdstuknummer in de plannaam terugkomt. In dit geval is dat TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Kasteellaan 2 en 4 te Heesch. De regels binnen een hoofdstuk van een Omgevingsplan kunnen worden ondergebracht in paragrafen en subparagrafen. IMRO kent geen paragrafen en subparagrafen binnen een hoofdstuk en de nummering van hoofdstukken begint binnen IMRO altijd bij 1. Gelet op het voorgaande is daarom een zogenoemde preambule nodig die onder meer toelicht dat het gehele IMRO-plan moet worden gezien als hoofdstuk 22a van het omgevingsplan en dat de daarin opgenomen hoofdstukken daarom moeten worden gelezen als paragrafen. Dit wordt in paragraaf 6.4 nader toegelicht. Voor de aanduiding van locaties in de regels c.q.

het koppelen van regels aan een locatie wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheden die IMRO biedt en de beperkingen die daaruit voortvloeien. Denk aan het gebruik van hoofdgroepen van bestemmingen, dubbelbestemmingen en gebiedsaanduidingen, functieaanduidingen en maatvoeringsaanduidingen, Een TAM-Omgevingsplan kan niet worden voorzien van annotaties. Voor deze motivering wordt conform de eerder genoemde werkafspraak gebruik gemaakt van het objecttype ‘motivering’ en is daarom onder dat kopje terug te vinden in het Omgevingsloket. De zogenoemde ‘pons’ die er kortgezegd voor zorgt dat (delen van) bestemmingsplannen die inmiddels zijn ‘overschreven’ door een nieuw deel van het omgevingsplan niet meer worden getoond in het omgevingsloket werkt niet voor TAM-omgevingsplanen. Daarom is het noodzakelijk door middel van voorrangsregels duidelijk vast te leggen of, en zo ja welke delen van een bestemmingsplan (als onderdeel van het tijdelijke deel van het omgevingsplan) komen te vervallen bij de inwerkingtreding van het TAM-Omgevingsplan.

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

76

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22S Kasteellaan 2-4 Heesch - Motivering

5.4 Artikelsgewijze motivering 5.4.1

Agrarisch

De voor ‘Agrarisch’ aangewezen gronden zijn aangewezen voor agrarisch grondgebruik, woning(en) binnen de aanduiding ‘wonen’, water en waterhuishoudkundige doeleinden, groenvoorzieningen, extensieve dagrecreatie en doeleinden van openbaar nut.

5.4.2

Waarde – Archeologie 3

Aan het plangebied is de functie ‘Waarde – Archeologie 3’ toegekend. Deze gronden zijn behalve voor de daar voorkomende functies, mede aangewezen voor instandhouding en bescherming van eventuele archeologische waarden. Hiertoe zijn in deze functie drempelwaarden voor bodemverstoringen opgenomen. Bij een overschrijding van deze drempelwaarden dient archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd.

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

77

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22S Kasteellaan 2-4 Heesch - Motivering

6. UITVOERBAARHEID 6.1 Participatie en omgevingsdialoog 6.1.1

Algemeen

Onder de Omgevingswet heeft participatie een prominente rol. De wetgever heeft het belang van participatie erkend en participatie vormt één van de belangrijkste pijlers van de Omgevingswet. De Omgevingswet zorgt ervoor dat het bevoegd gezag of initiatiefnemers, burgers, belanghebbenden of omwonenden in een vroeg stadium worden betrokken bij een planvoornemen/project. Door burgers, belanghebbenden of omwonenden in een vroeg stadium te betrekken bij een planvoornemen wordt verwacht dat tijdwinst ontstaat, omdat minder juridische procedures worden gestart. Daarnaast speelt participatie een belangrijke rol in de relatie tussen de burger en de overheid en het vertrouwen dat de burger in de overheid heeft. Het is daarbij van belang dat burgers het gevoel hebben ook daadwerkelijk gehoord te worden. Onder de Omgevingswet wordt onder participatie verstaan: het in een vroegtijdig stadium betrekken van belanghebbenden (burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere overheden) bij het proces van de besluitvorming over een project of activiteit. Participatie kent veel verschijningsvormen. Niet al deze vormen zijn voor ieder project of voor iedereen weggelegd. In de Omgevingswet, het omgevingsbesluit en de omgevingsregeling staan regels over participatie.

Als overheden instrumenten van de Omgevingswet vaststellen, moeten ze aangeven hoe de hierboven genoemde belanghebbenden betrokken zijn bij de totstandkoming van deze instrumenten. En welke resultaten dat heeft opgeleverd. Gemeenten, provincies en waterschappen moeten ook aangeven hoe ze hun eigen participatiebeleid hebben ingevuld. Er is een uitzondering: bij het aanvragen van een omgevingsvergunning moet juist de aanvrager het initiatief nemen. Hij moet aangeven of, en zo ja hoe, hij de omgeving betrokken heeft bij zijn plan en wat de resultaten hiervan zijn. Het participatieproces bij het opstellen of wijzigen van een omgevingsplan kent onder de Omgevingswet een kennisgeving(plicht) en een motiveringsplicht. Bij een motiveringsplicht moet het bevoegd gezag aangeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere overheden betrokken zijn en wat er met de resultaten is gedaan. Bij een omgevingsplan is naast de motiveringsplicht ook geregeld dat aan de voorkant bij de kennisgeving aangegeven wordt hoe een initiatiefnemer burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere overheden gaat betrekken.

6.1.2

Omgevingsdialoog

Bij dit plan is sprake van een wijziging van het Omgevingsplan. In het kader van participatie is een omgevingsdialoog gevoerd. Een verslag van deze dialoog is als bijlage toegevoegd.

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

78

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22S Kasteellaan 2-4 Heesch - Motivering

6.2 Financiële uitvoerbaarheid 6.2.1

Algemeen

In tegenstelling tot de Wet (en het Besluit) ruimtelijke ordening geldt onder de Omgevingswet dat een gemeenteraad bij het toekennen van functies aan locaties niet meer aannemelijk hoeft te maken dat die ontwikkeling (financieel) uitvoerbaar is. In het Omgevingsplan wordt door de gemeente aangegeven dat een functie op een bepaalde locatie kan komen, dat minder verstrekkend is. Enkel behoeft te worden gemotiveerd dat een ontwikkeling in beginsel mogelijk is (‘niet evident onuitvoerbaar’). Pas als zich een concreet initiatief aandient dat past binnen de in het omgevingsplan toebedeelde functie, moet worden onderzocht hoe dat op een aanvaardbare wijze kan worden gerealiseerd.

6.2.2

Kostenverhaal

Op grond van Omgevingswet (afdeling 13.6 Ow) zijn overheden verplicht om de kosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen naar evenredigheid te verhalen op de initiatiefnemers die profijt hebben van de aan te leggen openbare voorzieningen. Indien sprake is van een ontwikkeling op eigendomsgronden van de overheid zelf, is het kostenverhaal verzekerd en zijn daartoe geen overeenkomst of kostenverhaalsregeling aan de orde.

6.2.3

Anterieure overeenkomst

Als sprake van een ontwikkeling die niet op eigendomsgronden van de overheid is gelegen, dan is het uitgangspunt van de overheid om middels het sluiten van een anterieure overeenkomst het kostenverhaal te verzekeren. Dit is mogelijk op grond van artikel 13.13 Ow. Indien de onderhandelingen over deze overeenkomst succesvol zijn, kan overgegaan worden tot het wijzigen van het Omgevingsplan en vinden betalingen plaats op grond van de gemaakte afspraken.

6.2.4

Publiekrechtelijk kostenverhaal

Naast het privaatrechtelijke spoor van het sluiten van een anterieure overeenkomst, kan het kostenverhaal ook via het publiekrechtelijke spoor worden verzekerd in het Omgevingsplan, in een omgevingsvergunning voor een buitenplanse Omgevingsplanactiviteit) of een projectbesluit (paragraaf 13.6.3 Ow). Dit spoor is aan de orde indien geen overeenkomst wordt bereikt bij de onderhandelingen over de anterieure overeenkomst. In het publiekrechtelijke spoor mag de overheid de kosten alleen verhalen als ze voldoen aan de criteria profijt, proportionaliteit en toerekenbaarheid. Daarnaast mogen er niet meer kosten worden verhaald dan dat er opbrengsten zijn.

6.2.5

Kostenverhaal binnen het plangebied

Het kostenverhaal van voorliggende planontwikkeling wordt verzekerd in het privaatrechtelijke spoor middels een anterieure overeenkomst.

6.2.6

Financiële bijdragen

Artikel 13.22 Ow biedt, in aanvulling op het kostenverhaal, een grondslag voor het maken van afspraken over een vrijwillige financiële bijdrage voor ontwikkelingen van een gebied. Het betreft andere kosten dan die verhaald worden via de anterieure overeenkomst over het kostenverhaal. De basis van deze

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

79

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22S Kasteellaan 2-4 Heesch - Motivering

bijdragen moet worden gelegd in een omgevingsvisie of programma. Dergelijke bijdragen dienen ter verbetering van de fysieke leefomgeving. In het kader van deze wijziging van het Omgevingsplan zijn geen aanvullende financiële bijdragen aan de orde.

6.2.7

Nadeelcompensatie

Nadeelcompensatie is de vergoeding van schade die de overheid veroorzaakt in de uitoefening van haar taak of bevoegdheid. In afdeling 15.1 van de Omgevingswet wordt een aantal besluiten of maatregelen aangewezen die als oorzaak van de schade kunnen optreden. Aangewezen zijn besluiten of maatregelen: die rechtstreeks werkende rechten en verplichtingen voor burgers en bedrijven bevatten, of die rechtstreeks gevolgen hebben voor burgers en bedrijven door verandering van de fysieke leefomgeving. De belangrijkste schadeveroorzakende besluiten zijn: -

het (gemeentelijk) omgevingsplan, een omgevingsvergunning, een projectbesluit voor realisatie van een project van het Rijk, provincie of waterschap, en rechtsreeks werkende regels in een verordening van provincie of waterschap.

Alleen schade veroorzaakt door die besluiten of maatregelen komt voor vergoeding in aanmerking. De schade moet redelijkerwijs toe te rekenen zijn aan de schadeoorzaak. De schade moet: het rechtstreekse gevolg zijn van het besluit of de maatregel. Bijvoorbeeld de bouw van een woning of aanleg van een weg, of het gevolg zijn van de feitelijke uitvoering van de activiteit. Bijvoorbeeld een tijdelijke wegafsluiting. De schade kan ook het gevolg zijn van een activiteit, die pas later zichtbaar wordt. Bijvoorbeeld schade door grondwateronttrekking kan zich jaren later openbaren. Bij de vraag of de schade moet worden vergoed, en zo ja hoeveel, speelt een aantal factoren een rol. Het moet gaan om schade die boven het normaal maatschappelijk risico (4%) uitsteekt. Bovendien moet de schade de aanvrager onevenredig treffen ten opzichte van anderen. Dit plan ziet op functiewijziging van een agrarische bedrijfslocatie naar twee woonfuncties. Met dit plan is geen sprake van een schadeveroorzakend besluit.

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

80

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22S Kasteellaan 2-4 Heesch - Motivering

7. PROCEDURE Op de voorbereiding van een besluit tot wijziging van (een tijdelijk deel van) een omgevingsplan is ingevolge artikel 16.30 Omgevingswet de uniforme openbare voorbereidingsprocedure als bedoeld in afdeling 3.4 Awb van toepassing. De te doorlopen procedure ziet er samengevat als volgt uit. 1. Voorbereiding: de gemeente geeft op de daartoe voorgeschreven wijze kennis van het voornemen om het Omgevingsplan te wijzigen en geeft aan hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding worden betrokken. 2. Ontwerp: de gemeente geeft op de daartoe voorgeschreven wijze kennis van de terinzagelegging van het ontwerp-omgevingsplan, zodat iedereen gedurende een termijn van 6 weken dat het ontwerp-Omgevingsplan ter inzage ligt een zienswijze (schriftelijk of mondeling) kan indienen. 3. Vaststelling: de gemeente stelt het (gewijzigde) omgevingsplan vast en geeft daarbij aan hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken, wat de resultaten daarvan zijn en hoe invulling is gegeven aan het geldende participatiebeleid. Het besluit tot vaststelling van het gewijzigde Omgevingsplan wordt op de daartoe voorschreven wijze bekendgemaakt, en tegelijkertijd wordt kennisgegeven van de terinzagelegging dit 4.

5.

besluit. Inwerkingtreding: het gewijzigde omgevingsplan treedt in werking op de dag waarop 4 weken zijn verstreken sinds de dag waarop de gemeente het besluit op de daartoe voorgeschreven wijze bekend heeft gemaakt. Beroep: tegen het besluit tot wijzigen van het omgevingsplan staat beroep open bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

81

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Bernheze&id=97640e11-b111-4b5e-88ba-4ea1f2ac747c