230240.01_BOPA_Appartementencomplex Heuvelstraat Nistelrode_19-12-2024
Tekst van het document
Conclusie Het besluit voldoet aan de kaders voor het aspect geluid.
6.4
Luchtkwaliteit
6.4.1
Algemeen Indien een ontwikkeling niet is gelegen in of in de nabijheid van een aandachtsgebied, hoeft de luchtkwaliteit in de meeste gevallen niet beoordeeld te worden. Net als onder de voormalige Wet milieubeheer is er namelijk een uitzondering voor activiteiten die maar weinig bijdragen aan de luchtvervuiling, oftewel: niet in betekenende mate (NIBM). In een aantal situaties moet de luchtkwaliteit wel beoordeeld worden: 1 bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit (als bedoeld in het Bal); 2 bij de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter of als een tunnel wijzigt en daarbij minimaal 100 meter in lengte toeneemt; 3 bij de aanleg van een auto(snel)weg.
6.4.2
Motivering De categorie woningbouw is opgenomen in bijlage 3A van de Regeling NIBM. De NIBM-grens voor woningbouwlocaties (voorschrift 3A.2) is ≤ 1.500 (netto) woningen met één ontsluitingsweg. Het voorgenomen plan zal de NIBM-grens uit de regeling niet overschrijden en derhalve niet in betekenende mate bijdragen aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen. Met behulp van de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN) is beoordeeld of er ter hoogte van het plan sprake is van een (dreigende) overschrijding van luchtverontreinigende stoffen. In de volgende tabel zijn voor de jaren 2021 en 2030 voor de relevante stoffen de concentraties en de grenswaarden weergegeven. Stoffen
Grenswaarde
2022
2030
NO2 concentratie
40 µg/m
3
10 – 16 µg/m
3
10 – 15 µg/m3
PM10 concentratie
40 µg/m3
18 – 20 µg/m3
14 – 16 µg/m3
PM2,5 concentra-
25 µg/m
3
9 – 10 µg/m
tie
32
3
6 – 8 µg/m3
Uit de resultaten blijkt dat er geen sprake is van een (dreigende) normoverschrijding. Voor de concentraties verontreinigende stoffen ter plekke van de te realiseren woningen wordt ruim voldaan aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Geconcludeerd wordt dat er geen belemmeringen zijn voor het aspect luchtkwaliteit. 6.4.3
Conclusie Het besluit voldoet aan de kaders voor het aspect luchtkwaliteit.
6.5
Geur
6.5.1
Algemeen Er zijn diverse sectoren waarbij geurhinder een rol kan spelen, zoals onder meer bij veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen en (andere) milieubelastende activiteiten. De gemeente moet bij de vaststelling van (een wijziging van) het omgevingsplan rekening houden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Rekening houden met geur werkt twee kanten op: 1 bij het mogelijk maken van activiteiten met gebruiksruimte in de buurt van geurgevoelige gebouwen; 2 bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande activiteiten met gebruiksruimte (geurveroorzakende bedrijven). Aanvaardbare geurhinder De geur van een activiteit (met gebruiksruimte) op een geurgevoelig gebouw moet aanvaardbaar zijn (artikel 5.92 lid 2 Bkl). Dit betekent dat de gemeente moet beoordelen of waarden, afstanden of gebruiksregels in het omgevingsplan leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. Gemeenten bepalen zelf welke mate van geurhinder zij aanvaardbaar vinden. De gemeente legt in het omgevingsplan vast wat de plaats is waar waarden voor geur gelden. Ook kennen sommige activiteiten afstandsregels. Dit zijn minimumafstanden tussen een geurgevoelig gebouw en een geurveroorzakende activiteit.
6.5.2
Motivering In de directe omgeving van het projectgebied bevinden zich geen geurveroorzakende activiteiten. Ook voorziet de ontwikkeling niet in nieuwe geurveroorzakende activiteiten. Een nadere beschouwing van dit aspect is dan ook niet noodzakelijk.
6.5.3
Conclusie Het besluit voldoet aan de kaders voor het aspect geur.
6.6
Omgevingsveiligheid
6.6.1
Algemeen Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke 33
slachtoffers. Ook wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (ofwel 10-6). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Deze kans mag niet groter zijn dan eens in de miljoen jaar. Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).
In hoofdstuk 4 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn alle activiteiten opgenomen waarbij een vaste norm van toepassing is en voor welke activiteiten een berekening van PR-contour en aandachtsgebied vereist is. Groepsrisico Het groepsrisico betreft de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als gevolg van een ongewoon voorval. Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Onder de Omgevingswet is gekozen voor een nieuwe benadering van het groepsrisico, met aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden laten zien op welke locaties extra aandacht nodig is om aanwezigen te beschermen tegen mogelijke ongevallen bij activiteiten met gevaarlijke stoffen. Aandachtsgebieden laten zien waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd zijn tegen gevaren uit de omgeving. Voorbeelden van die gevaren zijn warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Via de aandachtsgebieden worden deze gevaren zichtbaar op de kaart, zodat direct duidelijk is welke gevaren waar op kunnen treden. Daardoor heeft het bevoegd gezag bij het nemen van besluiten over ruimtelijke ordening de risico’s van activiteiten met gevaarlijke stoffen meteen in beeld. Zo kan het bevoegd gezag ze al aan het begin van het planproces meenemen.
Aandachtsgebieden zijn er voor brandgevaar, explosiegevaar en gifwolken. 6.6.2
Motivering Het project betreft de realisatie van een appartementencomplex. De voorgenomen ontwikkeling voorziet niet in risicovolle activiteiten die van invloed kunnen zijn op het aspect omgevingsveiligheid. De locatie is niet gelegen in een aandachtsgebied en er zijn geen activiteiten met gevaarlijke stoffen in de directe omgeving.
34
Daarnaast wordt uitgegaan dat in de huidige situatie de locatie reeds geschikt is in het kader van omgevingsveiligheid en dat verder toetsing niet noodzakelijk is. 6.6.3
Conclusie Het besluit voldoet aan de kaders voor het aspect omgevingsveiligheid.
6.7
Gezondheid
6.7.1
Algemeen Het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit is een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet (artikel 1.3, sub a, Omgevingswet). Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten zijn in de voorgaande paragrafen gemotiveerd, echter ligt het voor de hand om hier te schetsen op welke wijze het gezondheidsaspect bij de motivering van de besluitvorming omtrent het vaststellen van het wijzigingsbesluit omgevingsplan is meegenomen. Gemeenten kunnen hun gezondheidsambities tevens vastleggen in de omgevingsvisie, een programma en/of omgevingsplan.
6.7.2
Motivering Uit de toetsing op afzonderlijke relevante thema’s blijkt dat er sprake is van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Op de locatie is er bij voorbaat geen sprake van hinder door geur en trillingen en in voorgaande paragrafen zijn de aspecten geluid, kwaliteit buitenlucht en bodem nader onderbouwd. Daarnaast is er sprake van gezondheidsbevordering. Door de aanleg van een woongebouw met sociale huurwoningen wordt de sociale cohesie in de kern van Nistelrode versterkt wat bijdraagt aan een goede gezondheid.
6.7.3
Conclusie Het besluit voldoet aan de kaders voor het aspect gezondheid.
6.8
Water
6.8.1
Algemeen Het waterbeleid in Nederland is vastgelegd in verschillende nationale, provinciale en gemeentelijke beleidstukken. Dit zal hieronder nader worden toegelicht. Rijksbeleid - Nationaal Waterprogramma 2022-2027 Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 is op 18 maart 2022 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2022-2027, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. 35
In het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 wordt allereerst de nationale belangen opgesomd: − waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit); − waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater; − waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; − in stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit; − realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening die in 2050 CO₂¬arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur; − verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit; − behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang. Deze nationale belangen worden aangevuld met drie hoofdambities: 1 een veilige en klimaatbestendige delta; 2 een concurrerende, duurzame en circulaire delta; 3 een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur. De wateropgaven staan niet op zichzelf; een integrale aanpak met andere opgaven in de fysieke leefomgeving, zoals de energietransitie, de woningbouw, het herstel van de natuur en de landbouwtransitie is ook noodzakelijk. Daarnaast hebben de vijf volgende thema’s een centrale rol in dit waterprogramma: 1. Klimaatadaptatie; 2. Waterveiligheid; 3. Zoetwater; 4.
Grondwater; 5. Scheepvaart. Een integrale aanpak van samenhangende nationale en regionale opgaven vereist een gebiedsgerichte aanpak. Daarom zijn voor de rijkswateren in dit Nationaal Waterprogramma gebiedsgerichte uitwerkingen opgenomen. Het gaat om de Noordzee, de Zuidwestelijke Delta, de RijnMaasmonding, de grote rivieren, het IJsselmeergebied, de Waddenzee en Eems-Dollard en de Kanalen in het beheer van het Rijk. Deze zijn verbonden met de diverse gebiedsgerichte programma’s en uitwerkingen onder het Nationaal Waterprogramma, zoals de Gebiedsagenda’s Grote Wateren. Voor de overige wateren van Nederland wordt in andere programma’s de gebiedsgerichte uitwerking van het waterbeleid meegenomen. In de eerste plaats in de Omgevingsagenda’s onder de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). In het coalitieakkoord van eind 2021 is aangegeven dat de komende jaren structureel meer budget wordt uitgetrokken voor instandhouding van wegen, spoor, hoofdwatersysteem en vaarwegen. Het structureel extra budget loopt op via een
36
geleidelijk ingroeimodel. De budgettaire kaders voor instandhouding zijn daarmee verruimd. Voor het Hoofdwatersysteem en het Hoofdvaarwegennet zal IenW binnen deze budgetaire kaders nog aanvullende keuzes moeten maken om de instandhoudingsopgaven op termijn beheersbaar te houden. Regionaal Waterprogramma Noord-Brabant 2022-2027 Het Regionaal Waterprogramma (RWP) 2022 – 2027 Provincie Noord-Brabant treedt op 22 december 2021 in werking. In het Provinciaal Waterprogramma 20222027 zijn de opgaven van de Europese Kaderrichtlijn Water, het Nationaal Bestuursakkoord Water en het Nationaal Waterplan vertaald naar strategische doelstellingen voor Noord- Brabant. Het Waterplan is onderverdeeld in vijf deelprogramma’s: 1. Voldoende water: de provincie creëert beleidsinstrumenten en uitgangspunten voor een goed peilbeheer. Het tegengaan van de verzilting en voldoende water voor natuur vormen andere speerpunten. 2. Schoon water: Zowel het afvalwater als het grond- en oppervlaktewater moeten zonder schadelijke stoffen (her)gebruikt kunnen worden. De provincie wil in het bijzonder aandacht besteden aan natuurgebieden en grondwaterbeschermingszones. 3. Veilig water: het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit het primaire en het regionale watersysteem. 4. Vitale bodem: De sponswerking van de bodem is de laatste jaren afgenomen door verdichting.
De provincie wil meer natuurinclusievere ruimtelijke ontwikkelingen faciliteren 5. Klimaatadaptatie: de provincie zet zich scherp in op een klimaatbestendige en waterrobuuste provincie. Deze constatering vertaalt zich in het aanpassen van ons handelen op deze verandering, bijvoorbeeld het beperken van de hittestress en de aanpassing van ruimtelijke ontwikkelingen aan hevige buien. In het plan zijn deze programma’s verder uitgewerkt in maatregelen, in samenhang met economische, milieu- en maatschappelijke opgaven. Dit heeft geleid tot een integrale visie op de ontwikkeling van de provincie Noord-Brabant. In de Omgevingsverordening is onder andere regelgeving opgenomen voor de regionale en primaire waterkeringen. Voor bestemmingsplannen c.q. wijzigingsplannen zijn randvoorwaarden opgenomen die een onbelemmerde werking, instandhouding en het onderhoud van de primaire en regionale waterkeringen mogelijk maken, Dit geldt voor de beschermingszone en de kernzone die hoort bij de waterkeringen zoals opgenomen in de vastgestelde leggers van het waterschap. Waterschapsbeleid – Waterbeheerplan 2022-2027 Waterschap Aa en Maas Op 19 november 2021 is het waterbeheerplan (WBP) van waterschap Aa en Maas vastgesteld. In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het
37
plan geldt van 22 december 2021 tot en met 21 december 2027. Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende drie programma’s: 1. Waterveiligheid: Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas en het regionale watersysteem. 2. Klimaatbestendig en gezond watersysteem: Het programma ‘Klimaatbestendig en gezond watersysteem’ draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch). 3. Schoon Water: In het programma ‘Schoon Water’ speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol. Voor bebouwde gebieden heeft het waterschap specifieke doelen geformuleerd. In bebouwd gebied werkt het waterschap toe naar een klimaatrobuust watersysteem waarin: •
schoon water niet naar de zuivering gaat, maar het grondwater voedt;
•
de waterkwaliteit geen risico’s geeft voor de volksgezondheid en geschikt is voor een goede ontwikkeling van flora en fauna, maar ook voor recreatie en evenementen;
•
de kans op wateroverlast en problemen door droogte en hittestress acceptabel is;
•
de betrokkenheid en het waterbewustzijn van inwoners, bedrijven en andere stedelijke partners is toegenomen.
Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; verordening, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen. 6.8.2
Motivering Om de belangen van het watersysteem in de planvorming te borgen en invulling te geven aan een duurzame waterhuishouding is navolgende waterparagraaf als watertoets opgesteld. Legger Waterschap Aa en Maas De legger van het waterschap laat zien dat er een A-watergang langs het plangebied loopt. Deze is grotendeels onzichtbaar (duiker). Alleen ten westen van Laar is deze oorspronkelijke beek vanaf de Maashorst zichtbaar. Ook in de Poelstraat komt deze watergang gedeeltelijk aan het oppervlak.
38
Verharding en waterberging Het projectgebied is in de huidige situatie al voor een deel verhard vanwege de aanwezigheid van de bestaande woningen. Met de voorgenomen ontwikkeling zal het verhard oppervlak toenemen. De toename in (erf)verharding wordt binnen het plangebied gecompenseerd met infiltratievoorzieningen. Oppervlaktewater Het project veroorzaakt geen nadelige gevolgen voor het oppervlaktewatersysteem in de omgeving. Raadpleging van de legger van het Waterschap Aa en Maas wijst uit dat in en direct rondom het projectgebied geen oppervlaktewater aanwezig is. Afvalwater Het vuilwater wordt aangesloten op de gemeentelijke riolering. Het water- en rioleringssysteem zal in een nader uit te werken ontwerp gedetailleerd worden.
39
Waterwingebied/grondwaterbescherming Raadpleging van de provinciale viewer wijst uit dat onderhavig projectgebied niet ligt in een waterwin- of grondwaterbeschermingsgebied. Gelet op de beoogde activiteiten wordt aangenomen dat er geen activiteiten een plek zullen krijgen die van negatieve invloed zullen zijn op de kwaliteit van het grondwater. Waterkering Raadpleging van de legger van het Waterschap Aa en Maas wijst uit dat onderhavig projectgebied niet is gelegen in de beschermingszone van een waterkering. Dit project heeft tevens geen invloed op overige waterstaatkundige elementen. 6.8.3
Conclusie Het besluit voldoet aan de kaders voor het aspect water.
6.9
Natuur
6.9.1
Algemeen
6.9.1.1
Soortenbescherming Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het plangebied. De Omgevingswet beschermt bepaalde plant- en diersoorten. Het gaat hoofdzakelijk om soorten van Europees belang die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen. Daarnaast betreft het bepaalde soorten van nationaal belang. In principe zijn provincies verantwoordelijk voor de bescherming van soorten (artikel 2.18, lid 1, sub f). Echter kunnen ook andere overheden actief beleid voeren. Zo is het vaststellen van een programma voor soortenbescherming een mogelijkheid. Soortenbescherming is in de Omgevingswet vooral gericht op het reguleren van flora-en fauna-activiteiten. Een flora en fauna-activiteit is een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten. Door deze brede formulering van een flora- en fauna-activiteit is het bij activiteiten in de fysieke leefomgeving nodig om te controleren of: 1 er soorten aanwezig zijn; 2 welke soorten dat zijn. Voordat een flora en fauna-activiteit mag worden verricht, moet gecontroleerd worden of er aanwijzingen zijn dat op die plek of in de directe nabijheid bepaalde beschermde soorten of habitats voorkomen.
Als er aanwijzingen zijn dat deze aanwezig zijn, dan is het verplicht om na te gaan of nadelige gevolgen voor die dieren of planten uit te sluiten zijn. Als nadelige gevolgen niet uitgesloten kunnen worden, moet degene die de activiteit verricht alle passende preventieve maatregelen treffen om nadelige gevolgen voor dier- en plantensoorten te voorkomen. Voor schadelijke handelingen geldt in de meeste gevallen een vergunningplicht. In een aantal gevallen is echter ook sprake van een vrijstelling.
40
6.9.1.2
Gebiedsbescherming De bescherming van natuurgebieden is tweeledig; het Rijk is verantwoordelijk voor de bescherming van Natura 2000-gebieden en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een verantwoordelijkheid van de provincies. Natura 2000 Een Natura 2000-gebied is een beschermd natuurgebied van Europees belang. Bescherming van deze gebieden is nodig voor het behoud van de biodiversiteit (soortenrijkdom) en om te voldoen aan de verplichtingen van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Nieuwe ontwikkelingen (activiteiten) die - afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten – significant negatieve gevolgen kunnen hebben op een Natura 2000-gebied, zijn onder de Omgevingswet gedefinieerd als ‘Natura 2000-activiteit’. Deze kunnen zowel binnen als buiten een Natura 2000-gebied plaatsvinden. In de meeste gevallen vindt de activiteit echter plaats buiten een Natura 2000-gebied. Ook dan kan een activiteit effect hebben op het Natura 2000-gebied. Dit wordt ook wel de 'externe werking van een Natura 2000-gebied' genoemd. Als het effect significant kan zijn, is in veel gevallen een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit nodig. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is verankerd in de omgevingsverordening van de provincies.
Daarin zijn de wezenlijke kenmerken en waarden van NNN-gebieden vastgelegd en zijn regels gesteld in het belang van de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de kenmerken en waarden van NNN-gebieden.
6.9.2 6.9.2.1
Motivering Gebiedsbescherming In de omgeving van de projectlocatie zijn een tweetal Natura 2000-gebieden aanwezig. Het betreffen de volgende twee gebieden: - Rijntakken - Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek
circa 17,2 kilometer; circa 17,5 kilometer.
Vanwege de aanwezigheid van de Natura 2000-gebieden is een stikstofonderzoek7 uitgevoerd. Aanlegfase Met de gehanteerde parameters blijkt uit de uitgevoerde berekeningen van de aanlegfase dat er geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol stikstof/ha/j op de stikstofgevoelige habitattypen in de omliggende Natura 2000-gebieden. Er zijn daardoor geen nadelige milieueffecten te verwachten op de omliggende Natura 2000gebieden.
7
SAB (2024) Onderzoek stikstofdepositie. Nistelrode, Heuvelstraat 4 – 14. 230240.01, 14 november 2024
41
Gebruiksfase Uit de uitgevoerde berekeningen van de gebruiksfase blijkt dat er geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol stikstof/ha/j op de stikstofgevoelige habitattypen in de omliggende Natura 2000-gebieden. Er zijn daardoor geen nadelige milieueffecten te verwachten op de omliggende Natura 2000-gebieden. 6.9.2.2
Soorten bescherming Uit een verkennende fase bleek dat de gebouwen potentiele verblijfplaatsen van huismus, gierzwaluw en vleermuizen bevat. Hierop volgend is in het seizoen van 2021 protocollair huismus-, gierzwaluw- en vleermuisonderzoek8 uitgevoerd. Hierbij zijn in de te slopen woningen in totaal 1 zomerverblijfplaats en 2 paarverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis. Om de werkzaamheden mogelijk te maken is bij de provincie Noord-Brabant, via de Omgevingsdienst Brabant Noord, ontheffing aangevraagd op artikel 3.5, tweede en vierde lid, voor respectievelijk het opzettelijk verstoren van, en het beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de gewone dwergvleermuis. Deze ontheffing, met kenmerk Z/212485-3736969, is verleend per 5 februari 2024. Het ecologisch werkprotocol10 is opgezet in verband met de aanwezigheid van verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis in de woningen binnen complex 3402 te Nistelrode. Bij de werkzaamheden worden drie fasen van te nemen maatregelen onderscheiden: 1 maatregelen die tijdig voorafgaand aan de werkzaamheden genomen moeten worden om de te beschermen soorten een al dan niet tijdelijke voorziening te bieden voor de duur van de werkzaamheden; 2 maatregelen die tijdens de werkzaamheden genomen moeten worden; 3 maatregelen die na afloop van de werkzaamheden moeten zijn gerealiseerd als vervangende voorziening.
Maatregelen die tijdig voorafgaand aan de werkzaamheden genomen moeten worden om de te beschermen soorten een al dan niet tijdelijke voorziening te bieden voor de duur van de werkzaamheden: 1.
Tijdelijke voorzieningen (vleermuiskasten) zijn op 12-13 februari 2024 geplaatst conform bijlage 1 van het besluit.
2.
De ontheffinghouder dient uiterlijk 2 weken voor aanvang van de activiteiten de startmelding (bijlage 3 bij het besluit) volledig in te vullen en samen met dit ecologisch werkprotocol op te sturen.
3.
De bebouwing wordt in september 2024 tijdens gunstige weersomstandigheden met behulp van exclusion flaps en rugvulling ongeschikt gemaakt
8
9
10
BRO (2022). Ecologisch veldonderzoeken huismus, gierzwaluw en vleermuizen 2021. P03077, 6 januari 2022 Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant (2024). Beschikking Wet natuurbescherming Heuvelstraat 4, 6, 8, 10, 12 en 14 te Nistelrode. Z/212485-373696, 5 februari 2024 BRO (2024). Ecologisch Werkprotocol, Energetische renovatie Mooiland woningen complex 3402 te Nistelrode. P06913, 28 februari 2024
42
voor gewone dwergvleermuis. De weersomstandigheden moeten zodanig zijn dat in de 3 opvolgende dagen de temperatuur bij zonsondergang minimaal 8 °C is, zonder regen of harde wind. De afstand tussen twee exclusion flaps is maximaal 2 meter. 4.
Minimaal 3 dagen na het ontoegankelijk maken wordt een controleronde uitgevoerd op de aanwezigheid van vleermuizen. De controle wordt uitgevoerd bij geschikte weersomstandigheden. Deze vindt plaats om de werking van de maatregelen te controleren.
5.
Indien bij de controleronde vleermuizen worden aangetroffen dan dient in overleg met een ter zake kundige op het gebied van vleermuizen te worden bepaald hoe het betreffende gebouw beter gedicht kan worden. Na het aanbrengen van een dergelijke constructie dient na enkele dagen bij een nieuwe controleronde te worden bepaald of het pand vleermuisvrij is.
Maatregelen die tijdens de werkzaamheden genomen moeten worden: 6.
Sloopwerkzaamheden van de woningen kan starten na het vleermuisvrij verklaren van de gebouwen.
7.
Gedurende de werkzaakheden dient de ontheffing, het ecologisch werkprotocol en het logboek aanwezig te zijn op de bouwplaats.
8.
Indien tijdens de werkzaamheden vleermuizen of andere dieren worden aangetroffen dient contact te worden opgenomen met de begeleidend ecoloog.
9.
Tijdens de werkzaamheden worden de gebouwen geschikt gemaakt voor vleermuizen. Dit betreft het creëren van permanente verblijfplaatsen binnen de spouwen van de kopgevels (zie paragraaf 3.1)
10.
Handelingen en maatregelen worden verwerkt in een logboek, met duidelijke foto’s van de werkzaamheden en de voorzieningen.
Maatregelen die na afloop van de werkzaamheden moeten zijn gerea-liseerd als vervangende voorziening: 11.
Alle voorzieningen dienen tijdens en/of na realisatie te worden gecontroleerd door ter zake kundige ecoloog. De resultaten dienen in het logboek opgenomen te worden.
12.
De tijdelijke mitigerende voorzieningen (vleermuiskasten in de omgeving) dienen na afronding van de renovatie minimaal 6 maanden in de periode februari t/m oktober aanwezig te zijn. Verwijderen dient buiten de gevoelige perioden en in overleg met een ter zake kundige ecoloog te worden uitgevoerd.
6.9.3
Conclusie Het besluit voldoet aan de kaders voor het aspect natuur.
43
6.10
Archeologie
6.10.1
Algemeen Door ondertekening van het verdrag van Valletta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met archeologische waarden. De omgevingswet schrijft voor dat het aspect archeologie een plek heeft in het omgevingsplan. In het omgevingsplan is vastgesteld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. In beginsel moet de gemeente aan projecten kleiner dan 100 m 2 vrijstelling verlenen van de verplichting tot archeologisch onderzoek (artikel 5.130 lid 4 Bkl). Met een inhoudelijke onderbouwing kan de gemeente echter afwijken van deze vrijstellingsgrens. De instructieregels voor de omgang met archeologie in het omgevingsplan zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.130, eerste lid). Uitgangspunt is dat bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. De archeologische verwachtingswaarde en de omgang daarmee legt de gemeente vast in het omgevingsplan (artikel 5.130 lid 3, 4 en 5 Bkl). Wanneer er een archeologische verwachtingswaarde is voor het projectgebied moet er een archeologisch onderzoek uitgevoerd worden conform de door de gemeente gestelde voorwaarden.
De uitkomsten van het onderzoek bepalen of vervolgonderzoek nodig is en of de bodemroerende werkzaamheden kunnen plaatsvinden.
6.10.2
Motivering Voor het aspect archeologie is de Archeologische beleidskaart Bernheze geraadpleegd. De bebouwing van onderhavig plan vindt plaats in een gebied met een middelhoge archeologische verwachting, waarbij een onderzoeksplicht geldt bij verstoringsdiepte van meer dan 40 cm en een verstroringsoppervlakte van meer dan 2.500 m2. De oppervlakte wordt niet meer dan 2.500 m2 dus voor dit gedeelte geldt geen onderzoeksplicht. Daarnaast is een klein gedeelte van het besluitgebied gelegen in gebied met hoge archeologische waarde en gebied met hoge archeologische verwachting, waarvoor beide een onderzoeksplicht geldt bij verstoringsdiepte van meer dan 40 cm en een verstroringsoppervlakte van meer dan 250 m 2. In deze gedeeltes van de projectlocatie wordt de verstoringsoppervlakte eveneens niet overschreden. In navolgende afbeelding is een uitsnede van de archeologische beleidskaart van Bernheze weergegeven, waarbij het besluitgebied rood is omkaderd.
44
Uitsnede archeologische beleidskaart Bernheze, besluitgebied is rood omkaderd.
De drempelwaarden van de onderzoeksplicht wordt met onderhavig plan niet overschreden, zodoende hoeft er geen archeologisch onderzoek verricht te worden. 6.10.3
Conclusie Het besluit voldoet aan de kaders voor het aspect archeologie.
6.11
Cultuurhistorie
6.11.1
Algemeen Gemeenten moeten in hun omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Uit Europees beleid volgt dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van cultuurhistorische waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.130, eerste lid) zijn instructieregels opgenomen die zich richten op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, (voorbeschermde) Rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van Rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.
6.11.2
Motivering In voorliggende situatie is sprake van de sloop van een 6-tal woningen in de kern van Nistelrode en de realisatie van een appartementengebouw. De woningen hebben geen cultuurhistorische waarde. Daarnaast is de cultuurhistorische 45
waardenkaart van de provincie Noord-Brabant geraadpleegd. Het besluitgebied kent geen cultuurhistorische waarde vanuit de provinciale waardenkaart. 6.11.3
Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit project.
6.12
Mobiliteit en parkeren
6.12.1
Algemeen
6.12.1.1
Mobiliteit In de Omgevingswet is geen regelgeving opgenomen met betrekking tot mobiliteit en parkeren. De verkeersveiligheid is primair geborgd in de weg- en verkeerswetgeving, waaronder de Wegenverkeerswet. Daarnaast zijn richtlijnen opgenomen in het ASVV (Aanbevelingen voor Verkeersvoorzieningen Binnen de Bebouwde Kom).
6.12.1.2
Parkeren Bij nieuwe (ruimtelijke) ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving dient aangetoond te worden dat voorzien wordt in de aanleg en instandhouding van voldoende parkeergelegenheid. De gemeente Bernheze heeft voor het aspect parkeren gemeentelijk beleid vastgesteld in de vorm van de ‘Nota Parkeerbeleid Gemeente Bernheze’.
6.12.2
Motivering
6.12.2.1
Mobiliteit Gemeente Bernheze wordt volgens de adressendichtheid volledig gezien als weinig stedelijk gebied, daarnaast is het besluitgebied gelegen in rest bebouwde kom. De woningen in het appartementencomplex zijn op te delen in twee categorieën, namelijk in categorie < 75 m2 en categorie 75 – 100 m2. In navolgende tabel zijn de woningen ingedeeld, waarbij direct de norm en verkeersgeneratie is weergegeven. Categorie < 75 m
2
75 – 100 m
2
Aantal woningen
Max. norm
Verkeersgeneratie
12
3,7
44,4
6
3,8
22,8
Totaal
67,2
Met onderhavig initiatief worden eveneens 6 huurwoningen gesloopt, voor deze huurwoningen geldt een verkeersgeneratie van 5,2 per woning, totaal (5,2 x 6) 31,2 verkeersbewegingen. De toename in verkeersbewegingen vanwege onderhavig plan komt zodoende uit op 67,2 – 31,2 = 36 verkeersbewegingen. Dit hele geringe aantal kan opgenomen worden in het heersende verkeersbeeld. 6.12.2.2
Parkeren Uit de nota parkeerbeleid gemeente Bernheze komt naar voren dat er 1,1 parkeerplaatsen per sociale huur appartement moet worden gerealiseerd. Met onderhavig
46
plan worden 18 sociale huur appartementen gerealiseerd en zodoende dienen er 1,1 x 18 = 19,8 (20) parkeerplaatsen te worden gerealiseerd. In het plan worden 20 parkeerplaatsen in een parkeerkoffer gerealiseerd, waarvan 2 geschikt voor minder validen. 6.12.3
Conclusie Het besluit voldoet aan de kaders voor het aspect mobiliteit en parkeren.
6.13
Ladder voor duurzame verstedelijking
6.13.1
Algemeen De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig gebruik van de ruimte en het tegengaan van leegstand. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.129g Bkl) is bepaald dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling de toepassing van de Ladder is vereist. Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zorgvuldig ruimtegebruik en de totstandkoming van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de Ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling ‘buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied’ mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen stedelijk gebied wordt voorzien. Wat onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan is in het Bkl opgenomen.
Een stedelijke ontwikkeling wordt gedefinieerd als ‘de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is.’ Of een ontwikkeling of uitbreiding voldoende substantieel is volgt uit jurisprudentie. Daaruit blijkt onder meer dat een woningbouwontwikkeling die voorziet in de realisatie van meer dan 11 woningen binnen de bebouwde kom moet worden aangemerkt als woningbouwlocatie. Ook een kantoor, detailhandelsvoorziening of bedrijf met een oppervlakte van meer dan 500 m2 brutovloeroppervlak kan worden beschouwd als een stedelijke ontwikkeling.
6.13.2
Motivering Het voornemen bestaat om 6 wooneenheden te slopen en in totaal 18 nieuwe wooneenheden te realiseren. Gelet op het voorgaande is voorliggende ontwikkeling binnen het besluitgebied aan te merken als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld
47
in artikel 5.129g Bkl. Daarom is een toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking11 doorlopen. Verzorgingsgebied Wanneer de verhuisbewegingen voor de gemeente Bernheze worden geanalyseerd, blijkt uit gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) dat bijna 40% van alle gevestigde personen in Bernheze uit de gemeente zelf afkomstig is. Er zijn vooral verhuisrelaties aanwezig met de gemeenten uit de omgeving, zoals de gemeenten Oss, ‘s-Hertogenbosch, Meierijstad en Maashorst. Zodoende wordt gesteld dat het verzorgingsgebied zich primair richt op de gemeente Bernheze. Het voorliggende project voorziet niet in de toevoeging van woningen, waarvan een dusdanige aantrekkingskracht uit gaat, dat dit een significante hoeveelheid bewoners van buiten de gemeente zal trekken. Mede op basis van de kenmerken van het project is daarom met betrekking tot het verzorgingsgebied ook geen noemenswaardig grotere reikwijdte te verwachten dan de gemeente Bernheze. Behoefte De herontwikkeling van het projectgebied ten behoeve van 18 sociale huurwoningen sluit aan op de woningbehoefte in de regio Noordoost-Brabant en de gemeente Bernheze en anticipeert op de demografische ontwikkelingen door onder andere in te zetten op woningen, gericht op kleinere huishoudensgroepen.
De woningen in voorliggend project zijn levensloopbestendig, waardoor deze aansluiten bij de toenemende vraag naar seniorenwoningen. Daarbij komt dat de ontwikkeling aansluit bij het ruimtelijk beleid van de regio. Ook wordt met dit plan rekening gehouden met de kwaliteiten van de gemeente Bernheze door te kiezen voor inbreiding. Dit tezamen maakt dat de ontwikkeling van het projectgebied voorziet in een behoefte van het marktgebied. Bestaand stedelijk gebied De voorliggende ontwikkeling is voorzien binnen stedelijk gebied. Bovendien is gemotiveerd dat de voorgestelde ontwikkeling op deze locatie past. De geconstateerde kwantitatieve en kwalitatieve behoefte wordt dan ook gerealiseerd in stedelijk gebied. Conclusie Op basis van het voorafgaande kan geconcludeerd worden dat de Ladder voor duurzame verstedelijking positief is doorlopen. De ontwikkeling voorziet in een behoefte die binnen stedelijk gebied kan worden voorzien. Dit tezamen maakt dat de ontwikkeling als haalbaar geacht wordt voor wat betreft de Ladder voor duurzame verstedelijking. 6.13.3
Conclusie De Ladder voor duurzame verstedelijking vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit project. 11
SAB (2024). Toets Ladder voor duurzame verstedelijking Nistelrode, Appartementencomplex Heuvelstraat. 230240.01, 6 december 2024
48
6.14
Omgevingskwaliteit
6.14.1
Algemeen Een goede omgevingskwaliteit is een van de centrale doelstellingen van de omgevingswet (artikel 1.3). De omgevingsweg legt zowel initiatiefnemers als overheden een zorgplicht op voor verbetering van de omgevingskwaliteit. Om de omgevingskwaliteit te waarborgen zijn gemeenten verplicht dit aspect op te nemen in het omgevingsplan. Initiatiefnemers moeten het aspect opnemen bij de aanvraag van een omgevingsvergunning. Er is geen heldere definitie van het begrip omgevingskwaliteit. Onderdelen die bijdragen aan een goed omgevingskwaliteit zijn het stedenbouwkundige plan architectuur, natuur en landschap. Wanneer deze losse aspecten kwaliteit hebben leidt dat tot ’omgevingskwaliteit’. De gemeente is op basis van de artikelen 2.4 en 4.2 van de omgevingswet verplicht dit aspect mee te nemen bij de évenwichtige toedeling van functies aan locaties’ (etfal). De gemeente is vrij om dit te doen door middel van beleid of door regels. Of het aspect omgevingskwaliteit getoetst moet worden aan het omgevingsplan of aan de omgevingsvisie is daarom afhankelijk van de keuze van de gemeente.
6.14.2
Motivering In voorliggende situatie worden 6 verouderde huurwoningen gesloopt om ruimte te maken voor een appartementengebouw met 18 woningen. Door de realisatie van het gebouw wordt aangesloten bij de grotere winkelpanden in het centrum van Nistelrode waardoor de schaalsprong naar de omliggende woningen wordt verkleind. Ook de bouwhoogte van twee lagen met kap is passend om de overgang van centrum naar woongebied te maken. Door aan de voorzijde bomen of heesters te planten wordt de groenverbinding met het plantsoen aan de Weijen versterkt. Op die manier draagt voorliggend project op een positieve manier bij aan de omgevingskwaliteit ter plaatse.
6.14.3
Conclusie Het besluit voldoet aan de kaders voor het aspect omgevingskwaliteit.
49
7 Uitvoerbaarheid 7.1
Economisch Overheden zijn verplicht om de kosten te verhalen. Het afsluiten van een overeenkomst tussen de initiatiefnemer van de bouwactiviteit en het bevoegd gezag heeft daarbij de voorkeur. Als het niet mogelijk is een overeenkomst af te sluiten, is de publiekrechtelijke weg verplicht. Dan verhaalt het bevoegd gezag de kosten op basis van de regels in een omgevingsplan, een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit of een projectbesluit. Kostenverhaal geldt voor kostenverhaalplichtige activiteiten. Dat zijn: − aangewezen bouwactiviteiten; − aangewezen activiteiten vanwege gebruikswijzigingen. Het overzicht van kostenverhaalplichtige activiteiten staat in artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit. De voorliggende ontwikkeling wordt gerealiseerd op initiatief van een private partij. De gemeente en de initiatiefnemer hebben een anterieure overeenkomst gesloten waarin de rechten en plichten van zowel de ontwikkelaar als de gemeente zijn aangegeven, alsmede de definitieve regeling ten aanzien van het kostenverhaal. Met deze overeenkomst is het plan verzekerd van kostendekking. De economische uitvoerbaarheid van dit project is hiermee voldoende aangetoond.
7.2
Maatschappelijk Het ontwerpbesluit zal te zijner tijd voor een periode van zes weken voor een ieder ter inzage liggen. Een ieder kan in deze periode zienswijzen indienen. In deze paragraaf of in een bijlage bij deze motivering zullen de binnengekomen zienswijzen worden samengevat en van een antwoord worden voorzien.
50
8 Evenwichtige toedeling van functies aan locaties In het kader van de Omgevingswet wordt gestreefd naar een 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. Om te komen tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, zijn enkele algemene doelen geformuleerd in artikel 1.3 Omgevingswet. Hierin staat dat de bepalingen in de wet gericht zijn op het volgende: − het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur. − het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften. In de voorliggende motivering is de realisatie van 18 woningen in een appartementencomplex getoetst aan uiteenlopende aspecten en thema’s van de fysieke leefomgeving. Het voorliggend project is niet in strijd met het landelijk, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid en voorziet in de lokale woningbehoefte. Landschappelijke en archeologische waarden worden niet aangetast. Het voorliggend project voldoet aan de wettelijke kaders van de verschillende milieu- en omgevingsaspecten. De woonfunctie zal de omliggende functies niet belemmeren en daarnaast vormen de omliggende functies geen belemmeringen voor de nieuwe ontwikkeling. Er is sprake van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving.
Daarom kan geconcludeerd worden dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In de toekomstige situatie zal sprake zijn van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en wordt voorzien in een maatschappelijke behoefte.
51
52