230240.01_BOPA_Appartementencomplex Heuvelstraat Nistelrode_19-12-2024
Tekst van het document
Heuvelstraat, Nistelrode Motivering buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) Gemeente Bernheze
sab adviseurs in ruimtelijke ontwikkeling
19 december 2024, projectnummer 230240.01
sab adviseurs in ruimtelijke ontwikkeling info@sab.nl - www.sab.nl Disclaimer tekst Bij het samenstellen is de grootst mogelijke zorgvuldigheid nagestreefd. Toch kan de informatie in deze uitgave niet juist of onvolledig zijn. De Opdrachtgever is hiervoor niet aansprakelijk. Als u van mening bent dat er beeldmateriaal is gebruikt waarover u het beeldrecht heeft, neem dan contact op met de opdrachtgever via onze website of bovengenoemde adres. Copyright Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen, in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt worden in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch door fotokopieën of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever.
Inhoudsopgave 1
2
3
Inleiding
3
1.1
Aanleiding
3
1.2
Besluitgebied
3
1.3
Omgevingsplan
4
1.4
Medewerking opheffen strijdigheid
5
Planbeschrijving
6
2.1
Ruimtelijke vertaling
6
2.2
Toekomstige situatie
9
2.3
Kaders voor ruimtelijke ontwikkeling
11
Voorbereiding
16
3.1
Vooroverleg
16
3.2
Participatie omgeving
16
4
Toetsing aan het omgevingsplan
17
5
Visie en Beleid
18
5.1
Rijksbeleid
18
5.2
Provinciaal beleid
19
5.3
Gemeentelijk beleid
23
6
Aspecten fysieke leefomgeving
25
6.1
Milieueffectrapportage
25
6.2
Bodem
27
6.3
Geluid
29
6.4
Luchtkwaliteit
32
6.5
Geur
33
6.6
Omgevingsveiligheid
33
6.7
Gezondheid
35
6.8
Water
35
6.9
Natuur
40
6.10
Archeologie
44
6.11
Cultuurhistorie
45
6.12
Mobiliteit en parkeren
46
6.13
Ladder voor duurzame verstedelijking
47
6.14
Omgevingskwaliteit
49
7
8
Uitvoerbaarheid
50
7.1
Economisch
50
7.2
Maatschappelijk
50
Evenwichtige toedeling van functies aan locaties
Bijlagen Bijlage 1: Stedenbouwkundig plan Bijlage 2: Verslag omgevingsdialoog Bijlage 3: M.e.r.-beoordeling Bijlage 4: Verkennend bodemonderzoek Bijlage 5: Akoestisch onderzoek geluid wegverkeer Bijlage 6: Akoestisch onderzoek milieubelastende activiteiten Bijlage 7: Onderzoek stikstofdepositie Bijlage 8: Ecologisch veldonderzoeken huismus, gierzwaluw en vleermuizen Bijlage 9: Beschikking Wet natuurbescherming Bijlage 10: Ecologisch Werkprotocol Bijlage 11: Toets Ladder voor duurzame verstedelijking
51
1 Inleiding 1.1
Aanleiding De maatschappelijke en politieke druk om meer woningen te bouwen is groot. Om sneller bij te kunnen dragen aan deze opgave kijkt woningcorporatie Mooiland ook naar de mogelijkheden om binnen de eigen woningportefeuille te verdichten. Aan de Heuvelstraat 4 t/m 14 te Nistelrode bevinden zich 6 grondgebonden sociale huurwoningen die zijn gerealiseerd rond jaren ’50 van de vorige eeuw. In combinatie met de vraag om nieuwe woningen te bouwen ziet Mooiland kansen om samen met gemeenten bij te dragen aan sociaal duurzame en klimaatbestendige oplossingen met meer ruimte voor de natuur. Daarom is Mooiland voornemens om de 3 twee-onder-één kap woningen te slopen om plaats te maken voor een appartementencomplex met in totaal 18 appartementen. De ontwikkeling past niet binnen de juridisch-planologische kaders die ter plaatse gelden op grond van het tijdelijk omgevingsplan. Daarom wordt van het omgevingsplan afgeweken door middel van een omgevingsvergunningaanvraag voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (Bopa). Het voorliggend document voorziet in de motivering behorende bij de Bopa.
1.2
Besluitgebied Het besluitgebied is gelegen naast het centrum van de kern Nistelrode in de gemeente Bernheze. De Poelstraat en de Heuvelstraat vormen respectievelijk de westelijke en zuidelijke grens van het besluitgebied. In het oosten wordt het besluitgebied begrenst door de oprit van de parkeerplaats van de Van Tilburg Sport winkel. De parkeerplaats zelf vormt een deel van de noordelijke begrenzing. De tuin van de Poelstraat 2 sluit het gebied verder in. Kadastraal gezien maakt het besluitgebied deel uit van het kadastrale perceel Nistelrode, sectie C en nummers 3516, 3517 en 3938 en een deel van 3514. De oppervlakte van het besluitgebied is circa 2.600 m 2. In navolgende afbeelding is het plangebied met een rode ster weergegeven binnen de kern Nistelrode.
3
Planlocatie binnen de kern Nistelrode (rode ster) (bron: arcgis.com/mapviewer)
In de navolgende afbeelding is het besluitgebied weergegeven met het rode kader.
Globale begrenzing besluitgebied weergegeven met het rode kader (bron: arcgis.com/mapviewer)
1.3
Omgevingsplan Op dit moment geldt voor het besluitgebied ‘Bestemmingsplan De kommen van Bernheze’. Dit bestemmingsplan is opgenomen in het (tijdelijke) omgevingsplan van gemeente Bernheze en is vastgesteld op 1 juni 2011 door de gemeenteraad. Op grond van dit bestemmingsplan hebben de gronden de enkelbestemmingen ‘Wonen’ en ‘Tuin’, gedeeltelijk de dubbelbestemmingen ‘Waarde - Archeologie -2’ en ‘Waarde - Archeologie -3’. Het gehele besluitgebied heeft de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – molenbiotoop’. Ter plaatse van de huidige bebouwing ligt een
4
bouwvlak met de bouwaanduiding ‘twee-aaneen’ en met een maximum goot- en bouwhoogte van respectievelijk 4 en 8 meter. Wonen De voor ‘Wonen’ aangewezen grond zijn bestemd voor het bestaande aantal woningen ter plaatse van de aanduiding ‘twee-aaneen’ en aan huis verbonden beroepen, met dien verstande dat per woning maximaal 40% van de vloeroppervlakte mag worden gebruikt voor het aan huis verbonden beroep tot een maximum van 50 m 2 met de bijbehorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tuinen en erven. Hoofdgebouwen mogen alleen gebouwd worden binnen een bouwvlak en de afstand aan één zijde van een ‘twee-aaneen’ gebouwde woning bedraagt minimaal 3 m. Bijgebouwen zijn toegestaan onder voorwaarde dat wordt voldaan aan de omvang beperkende maatregels specifiek benoemd in de regels. De erf- en terreinafscheidingen vóór (het verlengde van) de voorgevel van de op het bouwperceel gelegen woningen mogen maximaal 1 m bedragen, achter mogen deze maximaal 2 m bedragen. De bouwhoogte van de overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag maximaal 3 m bedragen. Tuin De voor ‘Tuin’ aangewezen gronden zijn bestemd voor tuinen, met bijbehorende gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Bijgebouwen zijn toegestaan onder voorwaarde dat wordt voldaan aan de omvang beperkende maatregels specifiek benoemd in de regels.
De erf- en terreinafscheidingen vóór (het verlengde van) de voorgevel van de op het bouwperceel gelegen woningen mogen maximaal 1 m bedragen, achter mogen deze maximaal 2 m bedragen. De bouwhoogte van de overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag maximaal 3 m bedragen. Conclusie De voorgenomen plannen voor het besluitgebied zijn in strijd met (tijdelijke) omgevingsplan. Er kan niet worden voldaan aan het de bouwaanduiding twee-aaneen en ook de maatvoering van een maximum bouwhoogte van 8 meter en maximum goothoogte van 4 meter wordt niet voldaan.
1.4
Medewerking opheffen strijdigheid Op 13 maart 2023 heeft de gemeente Bernheze haar principemedewerking kenbaar gemaakt. Hoewel het plan in strijd is met het bestemmingsplan/de ruimtelijke regelgeving is het op basis van de eerste beoordeling voorstelbaar. De gemeente heeft een aantal randvoorwaarden opgesteld voor het oprichten van de 18 sociale huurappartementen.
5
2 Planbeschrijving 2.1
Ruimtelijke vertaling
2.1.1
Historische ontwikkeling 1900 Nistelrode is een dorp, waarvan het centrum ten zuiden van het plangebied ligt. Rond 1900 is de lintbebouwing langs de weg van Uden naar Heesch goed zichtbaar. Deze weg, De Weijen en de Laar, werd in 1858 verhard. Ook de Heuvelstraat is al zichtbaar op de kaart van 1900. Oostelijk van Nistelrode ligt de hoger gelegen Maashorst. Vanaf de Maashorst stromen enkele beken in westelijke richting. Een daarvan ligt parallel aan de Heuvelstraat. Het plangebied in de omgeving kenmerkt zich door een open karakter en kent agrarisch gebruik. 1960 Na de Tweede Wereldoorlog is de bebouwing in het plangebied één van de eerste planmatige uitbreidingen van Nistelrode. De twee-onder-één kapwoningen, die zich uitstrekken tot de Weidestraat, zijn gebouwd in 1947-48. Op deze foto zijn de woningen nog niet te zien, maar wel de beoogde verkaveling. 1990 Er hebben grootschalige uitbreidingen plaatsgevonden in oostelijke als westelijke richting. Ten zuidwesten van de Heuvelweg is een nieuwe buurt ontwikkeld. Aan de Weijen zijn grotere winkelpanden verrezen, die onderdeel zijn van het centrum van Nistelrode. De bebouwing aan de Heuvelstraat heeft een kleinschaliger karakter dan de panden aan de Weijen en Laar. Ruimtelijk gezien vormen deze grootschalige panden een samenhangend ensemble en markeren de overgang naar het centrum.
Ten zuiden van het plangebied bevindt zich een nog open plek in het dorp. 2022 Nistelrode heeft zich verder uitgebreid met de woonwijk Weijen ten noorden van het plangebied. De open plek in het dorp is ook ingevuld met woningbouw en een parkeerplaats bij van Tilburg.
6
Besluitgebied in oude kaartbeelden
2.1.2
Ruimtelijke analyse Weijen Weijen kent een lange historie. De lintbebouwing met verspringende rooilijnen is duidelijk herkenbaar. Ter hoogte van het plangebied maakt de lintbebouwing plaats voor de veel grotere winkelpanden die een afwijkende schaal en maat hebben. De Weijen kent geen continue groenstructuur. Incidenteel is er sprake van bomen langs deze structuurlijn. Groene ruimte Heuvelstraat Aan de Weijen ligt een groen plantsoen met een beek. Dit is een welkome groene plek in het centrum van Nistelrode. Deze vormt een zichtas met de Heuvelstraat ten westen van de Laar. Heuvelstraat De Heuvelstraat kent een sterk samenhangende rooilijn aan weerszijden van de straat. Aan de noordzijde bevinden zich twee-onder-een-kapwoningen met een regelmatige tussenruimte en ruime voortuinen. Het plangebied markeert de overgang naar de grootschaligere winkelpanden aan de Weijen/Laar. Dit winkelpand van twee lagen met een kap heeft een parkeerplaats op het achterterrein die toegankelijk is vanaf de Heuvelstraat en een uitrit heeft op de Weijen. Aan de zuidzijde is het beeld diverser. Hier wisselt bebouwing met verschillende frontbreedtes en
7
bouwhoogtes elkaar af. Tegenover het plangebied bevindt zich een grote, maar groen ingerichte parkeerplaats behorende bij de winkelpanden van Van Tilburg. Dit winkelpand heeft een entree aan de parkeerplaats, maar is hoofdzakelijk georiënteerd op Laar. Langs de Heuvelstraat bevinden zich incidenteel bomen, maar deze vormen geen doorgaande structuur. De Heuvelstraat is een belangrijke straat richting het centrum van Nistelrode, ook voor fietsers (fietssuggestiestroken op de rijbaan). Poelstraat De Poelstraat, een zijstraat van de Heuvelstraat, vormt met volwassen bomen en een watergang een groene oase. Een achterpad dat aansluit op het plangebied sluit aan op de Poelstraat.
Besluitgebied gelegen aan de Heuvelstraat
Huidige woningen gezien vanaf de Heuvelstraat
8
2.2
Toekomstige situatie Voor onderhavige ontwikkeling is een stedenbouwkundig plan1 opgesteld. Met de sloop van zes woningen verdwijnt een deel van de eerste uitbreiding in de wederopbouwperiode. Echter de ligging aan het centrum van Nistelrode en de grotere winkelpanden, maakt dat de schaalsprong in de huidige situatie groot is. Een nieuw complex kan de schaalsprong verzachten en tevens zorgen voor meer wandwerking aan de Heuvestraat ten opzichte van de parkeerplaats. Het sluit aan bij de aanwezige samenhangende rooilijn. Een bouwhoogte van twee lagen met kap is passend om de overgang van centrum naar woongebied te maken. Het parkeren wordt uit het zicht op eigen terrein gerealiseerd met een groene inpassing om hittestresss te voorkomen. Appartementen − 18 appartementen − beukmaat appartement: 7,2 m − diepte appartement: 10.5 m − bergingen 2 x 3 meter met pad van 1,5 rondom Parkeren − 18 x 1,1 = 19,8 parkeerplaatsen benodigd voor de ontwikkeling. − 20 parkeerplaatsen in parkeerkoffer, waarvan 2 geschikt voor minder validen Toelichting Stedenbouwkundig ontwerp − Met de ruimtelijke opzet wordt de rooilijn van de huidige woningen aan de Heuvelstraat doorgezet. Daardoor is er ruimte voor groen aan de voorzijde van het appartementencomplex. − Het appartementencomplex bestaat uit 3 bouwlagen, waarvan de bovenste laag ondergeschikt is aan de eerste twee woonlagen (qua vormgeving dak).
− De appartementen hebben een terras/balkon aan de groenzone aan de zuidzijde. − Parkeren is uit het zicht gerealiseerd in een parkeerkoffer die via de Heuvelstraat te bereiken is. De bewoners kunnen deze parkeerplaatsen eenvoudig via de achterzijde bereiken. Voor de kwetsbare doelgroep zijn korte loopafstanden naar de auto belangrijk. Daarom zijn er twee minder valide parkeerplaatsen gerealiseerd dichtbij de ingang van het appartementencomplex. − Er zijn 18 bergingen gerealiseerd aan de west- en noordzijde van de gemeenschappelijke tuin op de perceelsgrens. De bergingen zijn via een voetpad te bereiken. − De collectieve tuin biedt mogelijkheden om water te laten infiltreren, maar ook een ontmoetingsplek voor de bewoners. Bovendien is hier ruimte voor enkele bomen, welke voor schaduw zorgen en een groene uitstraling. Ambitie is om het geheel zo groen mogelijk in te passen. De collectieve tuin, groene erfafscheidingen, een groenzone aan de voorzijde van de appartementen, 1
SAB (2024). Stedenbouwkundig plan Nistelrode Heuvelstraat 4-14 (concept). 230240.01, 10 december 2024
9
groene daken (op de bergingen) en halfverharding (grasbeton) bij de parkeerplaatsen dragen daaraan bij. De groeninrichting is nader uit te werken in een inrichtingsplan.
Inrichtingsplan (CIER Architecten)
Vooraanzicht impressie (CIER Architecten)
10
Achteraanzicht impressie (CIER Architecten)
2.3
Kaders voor ruimtelijke ontwikkeling In het principeakkoord waar in paragraaf 1.4 naar is verwezen zijn een aantal randvoorwaarden gesteld waaraan voldaan moet worden om onderhavige ontwikkeling mogelijk te maken. In onderhavige paragraaf zijn deze voorwaarden weergegeven.
2.3.1
Milieu Uw plan mag de belangen van derden niet onevenredig schaden. Daarnaast moet een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in de woning worden gegarandeerd. De toelichting op het ruimtelijke plan gaat onder andere in op alle gevolgen van uw plan voor de omgeving.
2.3.2
Stedenbouw Het bebouwen van 18 appartementen, na sloop van 6 woningen, is vanuit stedenbouwkundig oogpunt voorstelbaar. Er moet echter rekening gehouden worden met een aantal voorwaarden: − de rooilijn van het appartementengebouw komt niet verder naar voren t.o.v. de voorgevels van de huidige woningen; − maximaal 3 lagen, waarvan de bovenste laag een ondergeschikte uiterlijk heeft t.o.v. de eerste twee woonlagen (bijvoorbeeld door een ander materiaalgebruik, iets terug liggende positie en/of vormgegeven als dak (de afbeelding suggereert al zoiets); − er overleg is geweest met de bewoners van Heuvelstraat 16/18 en Poelstraat 2 t/m 8 over inkijk in de tuinen en indien dit een probleem oplevert voorstellen komen om de inkijk te minimaliseren;
2.3.3
Verkeer/parkeren Er dienen twee parkeerplaatsen per woning is aangehouden volgens de parkeernormennota Bernheze. Voor de indeling van de parkeerplaatsen moet nog onderzocht worden of iedere parkeerplek voldoende manoeuvreerruimte heeft. Dit dient verder
11
te worden uitgewerkt in de vervolgprocedure. De parkeerplaatsen links bovenaan van het plan moet met uitdraaien deels over het groen, dit is niet wenselijk. 2.3.4
Wonen Met de vernieuwing van de woningbouw wordt een intensiverings- en verduurzamingsslag gemaakt. Het is een volledig sociale huurplan en voorziet in de grote behoefte aan sociale huur- vooral lokaal – maar ook regionaal. Gezien de bijzondere omstandigheden van dit geval, zijnde het bijzondere acute en urgente belang voor het realiseren van meer sociale huurwoningen, het informeren van de gemeente voorafgaand aan dit proces, het participatieproces rondom de buurt en de juridische inmenging wordt voor deze twee principeverzoeken aanspraak gemaakt op de hardheidsclausule. Dit houdt in dat het zal leiden tot bijzondere hardheid wanneer dit proces verdere vertraging zal oplopen. We adviseren dan ook om ondanks het per 18 oktober 2022 vastgestelde Beleidsregels aanvullende beoordelingscriteria woningbouw Bernheze positief te besluiten op voorliggende twee principeverzoeken.
2.3.5
Groen WET NATUURBESCHERMING Bij o.a. het verwijderen van houtopstanden, sloopwerkzaamheden en verbouwingen (aanpassingen van gevels en daken) is de Wet Natuurbescherming van toepassing. Ongeacht de locatie van het initiatief. Uitgangspunt: initiatiefnemer moet aannemelijk maken dat zijn plan doorgang kan vinden. Een quickscan is hiervoor niet altijd noodzakelijk. Als de initiatiefnemer aangeeft dat er geen gevolgen zijn, dan is dat in principe zijn verantwoordelijkheid en kunnen wij hierin meegaan. De risico’s zijn ook voor de initiatiefnemer. Echter, als wij aanleiding zien om te twijfelen aan zijn verhaal, dan kunnen we dat natuurlijk delen en een onderbouwing verlangen, al dan niet in de vorm van een quickscan. De term quickscan is feitelijk ook vrij rekbaar, dat hoeft niet altijd een ellenlang rapport te zijn, als maar blijkt dat er geen twijfel meer overblijft. LEEFOMGEVING Uitgangspunt is dat de openbare ruimte (leefomgeving) niet bij ons in beheer komt. Dit blijft eigendom van Mooiland.
2.3.6
Waterbeheer/kIimaat Er wordt veel verharding aangelegd in het huidige plan. Er zal moeten worden voldaan aan de bergingseis van 6Omm berging per m2 verharding op het eigen perceel. Een groen dak kan hierbij helpen. Waterhuishouding − Sinds 01-11-2021, is de verordening fysieke leefomgeving vastgesteld, in artikel 3.4 zijn vereisten over waterberging opgenomen. Vanaf heden dient dan ook hydrologisch neutraal ontwikkeld te worden. Dit betekent dat voor een plan 60 mm berging per m2 verharding gerealiseerd moet worden 12
− Bestaande sloten en watergangen handhaven m.u.v. inritten met duikers. Bestaande sloten mogen niet gebruikt worden voor de benodigde waterberging op eigen terrein. − Oppervlakkige/bovengrondse waterberging (nieuwe sloten/wadis) mogen alleen met een noodoverstort boven de GHG aangesloten worden op een bestaand watersysteem/(zak)sloot indien gewenst. − Inrichtingseisen conform PvE gemeente Bernheze. Riolering − Conform PvE gemeente Bernheze − Riool technisch is vooroverleg nodig met rioolbeheerder. Toename van afvalwater mogelijk knelpunt bij ontwikkeling. Indien er nieuwe riolering moet worden aangelegd zijn de kosten geheel voor de aanvrager. − Regenwater dakoppervlakken oppervlakkig/bovengronds afvoeren naar bergingsvoorziening. Overstort infiltratie/bergingssysteem mag aangesloten worden op gemeentelijke riolering. Aansluiting afvalwater op gemeentelijk (druk)rioolstelsel afstemmen met rioolbeheerder. Gebruik maken van ringleidingen voor regen- en afvalwater < 0,5m vanuit erfgrens. Overnamepuntlontstoppingsstuk gemeente-ontwikkeling realiseren via bovengronds toegankelijkeinspectieput met deksel − Geen gebruik van uitlogende materialen. Klimaatadaptatie − Toepassing van groen (bijvoorbeeld sedum) op platte daken of daken met maximale helling 35% onderzoeken. Het groene dakoppervlak wordt niet gerekend als verhard oppervlak.
Hierdoor hoeft voor het aantal m2 aan groen dak niet aan de bergingseis van 20160mm te worden voldaan. Hiervoor is een subsidie beschikbaar via Subsidie klimaatbestendige maatregelen - Gemeente Bernheze − Voor de parkeervakken kan halfverharding gebruikt worden om extra waterberging op het terrein te waarborgen. Dit zorgt ook voor 50% minder bergingsopgave van dit oppervlak. − Bouwpeilhoogte tenminste 20 a 30 cm hoger dan het aanwezige straatpeil. Eventuele ophoging, toename verharding mag geen nadelige gevolgen hebben voor omliggende percelen/buren/gemeentelijke eigendommen. Geen afwenteling van probleem. Nadere afstemming op het thema waterbeheer / klimaat dient plaats te vinden om de aan de eisen voor waterberging te voldoen. 2.3.7
De omgevingswet De omgevingswet zal naar verwachting per 1 januari 2024 van toepassing zijn. Ontwerpplannen die na 1 juni 2023 bij ons worden ingediend zullen afgehandeld worden onder het regime van de Omgevingswet. Het omgevingsplan is een nieuw instrument voor de gemeente Bernheze. Het is nog onbekend hoe de juridische regels en het beleid vorm worden gegeven. Een adviesbureau kan u helpen bij het opstellen van een omgevingsplan.
13
Momenteel zijn wij ons nog aan het voorbereiden op de omgevingswet. Informatie hierover zullen wij publiceren op de gemeentelijke website. De algemene minimale indieningsvereisten voor een wijziging omgevingsplan/ omgevingsvergunning voor een Buitenplanse omgevingsplanactiviteit (Bopa) kunt u vinden in de bijlage. 2.3.8
Procedure Wij verzoeken u het ruimtelijk initiatief verder uit te werken op basis van de voorwaarden en uitgangspunten zoals genoemd in deze brief. U dient vervolgens het verder uitgewerkte plan, samen met deze reactiebrief, te sturen naar prescanbernheze.org. Een medewerker van het team ruimtelijke ordening zal hierna contact opnemen en de vervolgstappen met u bespreken. Het ruimtelijk initiatief zal na een eerste beoordeling vervolgens worden geagendeerd voor de (interne) Omgevingstafel. In deze procedure zal het plan verder worden uitgewerkt en gereed worden gemaakt voor de formele aanvraag. Het is mogelijk dat ook vertegenwoordigers van ketenpartners (provincie, waterschap etc.) en belanghebbenden aanschuiven tijdens een of meerdere omgevingstafel sessies. Onze collega’s kunnen u hier te zijner tijd meer over vertellen.
2.3.9
Participatie Participatie is een belangrijk onderdeel in de procedure behorende bij de totstandkoming van een omgevingsplan/ de Bopa. Belanghebbenden moeten vroegtijdig worden betrokken en geïnformeerd bij de verschillende stappen die moeten worden genomen voor het maken van het omgevingsplan/ de Bopa. Alle stappen die zijn doorlopen om belanghebbenden te informeren en betrekken moeten worden uitgewerkt in een participatieverslag. Indien van toepassing dient er ook te worden aangegeven welke acties er worden uitgevoerd naar aanleiding van de reacties gedurende het participatietraject. Het participatieverslag is vormvrij, u bent vrij om zelf te bepalen hoe het participatieverslag wordt ingestoken. Wij adviseren u om de richtlijnen uit de bijgevoegde “handleiding participatie” in acht te nemen bij het uitvoeren van het participatietraject.
2.3.10
Nadeelcompensatie Met het vaststellen van een nieuw omgevingsplan/ de Bopa kan er schade ontstaan in de omgeving als gevolg van dit rechtmatig overheidsoptreden. Nadeelcompensatie is een regeling voor het vergoeden van deze schade. Het gaat dan over schade boven het normale maatschappelijke risico die iemand onevenredig zwaar treft. Bijvoorbeeld omdat door vermindering van uitzicht woningen in de directe omgeving in waarde dalen. Wij verzoeken u met het omgevingsplan/ de Bopa een analyse aan te leveren die ons inzicht geeft in de mogelijke nadeelcompensatie. Een onafhankelijk adviseur, vooraf goedgekeurd door de gemeente, kan deze risicoanalyse nadeelcompensatie voor u opstellen. Op basis hiervan sluiten wij een nadeelcompensatie overeenkomst met u, waarmee u garant staat voor de eventuele nadeelcompensatie. Indien uit de risicoanalyse nadeelcompensatie blijkt dat deze van enige omvang is, dient u ter zekerheid van de betaling een bankgarantie te verstrekken. 14
2.3.11
Openbare ruimte Uitgangspunt is dat de inrichting van de openbare ruimte ongewijzigd blijft (wegen, bermen, sloten, bomen enz.) en dat u uw plan aanpast aan deze situatie. Indien u van mening bent dat er wel aanpassingen nodig zijn, kan dit alleen met toestemming van Team Realisatie en Beheer of middels een omgevingsvergunning. Als voorbeeld: een inrit kan worden geweigerd als daarvoor een gemeentelijke boom moet worden gekapt, of als de inrit te dicht bij een gemeentelijke boom komt te liggen. Denk hier dus al vroeg over na bij uw planvorming en stem uw inrichtingsplannen hierop af. Voor het aanleggen van een nieuwe inrit of het wijzigen van een bestaande inrit dient u omgevingsvergunning aan te vragen via het omgevingsloket: www.omgevingsloket.nl. Met de keuze om op een plek te gaan wonen, kiest u ook voor de omgeving. Ook in de gebruiksfase houden wij de openbare ruimte in stand zoals die is.
15
3 Voorbereiding 3.1
Vooroverleg De initiatiefnemer heeft op 21 oktober 2022 het verzoek ingediend bij het college van burgemeester en wethouders voor het slopen en (her)bouwen van 18 sociale huurappartementen op het perceel Heuvelstraat 4 t/m 14 te Nistelrode. Op 13 maart 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders kenbaar gemaakt dat onder een aantal randvoorwaarden het plan voorstelbaar is.
3.2
Participatie omgeving Voor onderhavig plan is uitvoerig met de buurt geparticipeerd. De 6 huurders van de huidige woningen zijn uitgenodigd voor een bewonersbijeenkomst op 11 april 2022 waarbij de plannen zijn medegedeeld. Daaropvolgend zijn er een vijftal nieuwsbrieven verzonden welke verstuurd zijn in de volgende maanden: − juli 2022 − december 2022 − december 2023 − februari 2024 − april 2024 De nieuwsbrieven zijn verzonden aan de bewoners, omwonende en de stakeholders. Op 7 maart 2024 heeft er een omgevingsdialoog plaats gevonden. Omgevingsdialoog De omgevingsdialoog op 7 maart 2024 is bezocht door 12 omwonende, diverse medewerkers van de initiatiefnemer en een afgevaardigde van de huurdersorganisatie. Tijdens het dialoog is het volgende besproken: − Projectstand en prognose planning sloop- uitvoering − Voorlopig stedenbouwkundig ontwerp (situatietekeningen, plattegronden, bouwvlakken, volumes, doorsneden en 3d tekeningen) − Informatie over de BOPA-procedure De reacties in de vorm van vragen, opmerkingen en zorgen zijn opgehaald en vastgelegd in het verslag omgevingsdialoog 2.
2
Mooiland (2024). Verslag omgevingsdialoog wijziging omgevingsplan ‘de kommen van Bernheze’. Locaties Heuvelstraat 4 t/m 14 te Nistelrode.
16
4 Toetsing aan het omgevingsplan In dit hoofdstuk wordt het initiatief getoetst aan het Omgevingsplan gemeente Bernheze. De functie wonen is reeds toegestaan op de locatie en is zodanig niet strijdig met de bruidsschat en andere verordeningen. Echter is de beoogde bebouwing niet passend in het vigerende planologisch regime. Het plan is enkel in strijd met het bestemmingsplan ‘De kommen van Bernheze’ dat is opgenomen in het omgevingsplan. De strijdigheid vindt plaats in artikel 18.2.2a: de gezamenlijke oppervlakte per bouwperceel van vrijstaande en niet-vrijstaande bijgebouwen voor zover gebouwd buiten het bouwvlak per hoofdgebruik bedraagt voor de bestemmingen “tuin” en “wonen” tezamen maximaal 70m2 voor bouwpercelen met een oppervlakte tot 600 m2, mits het bebouwingspercentage van het bouwperceel maximaal 50% is. Daarnaast wordt de maximum bouw- en goothoogte van 8 meter en 4 meter overschreden.
17
5 Visie en Beleid 5.1
Rijksbeleid
5.1.1
De Nationale Omgevingsvisie De NOVI biedt een duurzaam perspectief voor de leefomgeving met ambities. In deze NOVI worden de nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Er worden vier prioriteiten voor Nederland geformuleerd: ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Om beleidskeuzes op een heldere en voorspelbare manier te maken, hanteert de NOVI drie afwegingsprincipes, die helpen bij het prioriteren en afwegen van de verschillende belangen en opgaven: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Er wordt weer gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van ruimte. 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: er moet altijd gekeken worden naar de context van het gebied. Keuzes in verschillende gebieden kunnen daarom verschillen. 3. Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van toekomstige generaties.
Toetsing Het onderhavig plan voorziet in de realisatie van een appartementencomplex met 18 wooneenheden. Hiervoor worden 6 verouderde grondgebonden woningen gesloopt. De woningen voldoen niet aan de huidige standaard op het gebied van duurzaamheid en het gasverbruik binnen de woningen is hoog. Het nieuwe appartementencomplex zal duurzaam worden ingericht en zal indien mogelijk worden voorzien van een bodem warmte pompinstallatie. Het dak van de berging zal groen worden ingericht en ook het dak van het appartementencomplex zal benut worden door de aanbreng van zonnepanelen of een groen dak. Bij het stedenbouwkundig ontwerp is aandacht besteed aan het karakter van de woningen en het landschap in de omgeving, zodat de identiteit van het gebied niet wordt aangetast. De voorliggende ontwikkeling is daarmee in lijn met de doelstellingen van de NOVI.
5.1.1
Besluit kwaliteit leefomgeving Het Besluit kwaliteit leefomgeving stelt de inhoudelijke normen voor gemeenten, provincies, waterschappen en het Rijk met het oog op het realiseren van de nationale doelstellingen en het voldoen aan internationale verplichtingen. Het Besluit 18
kwaliteit leefomgeving is één van de vier AMvB’s die invulling geven aan de Omgevingswet. In het besluit staan: •
instructieregels voor programma’s, omgevingsplannen, omgevingsverordeningen, waterschapsverordeningen en projectbesluiten: het betreft onder meer normen en regels voor geluid en geur van bedrijfsmatige activiteiten, externe veiligheid en erfgoed, maar ook inhoudelijke randvoorwaarden voor de programma’s voor de kwaliteit van de buitenlucht, de waterprogramma’s, de actieplannen geluid en de beheerplannen voor Natura 2000gebieden.
•
omgevingswaarden: het Bkl bevat o.a. omgevingswaarden voor luchtkwaliteit en de kwaliteit van oppervlaktewater, grondwater en zwemwater.
•
regels voor omgevingsvergunningen: dit betreft de regels die het bevoegd gezag hanteert bij het beoordelen van een aanvraag voor een omgevingsvergunning, het opnemen van voorschriften in een omgevingsvergunning en het wijzigen van voorschriften of intrekken van een omgevingsvergunning.
•
monitoring en informatie: dit gaat over de regels over monitoring, gegevensverzameling, gegevensbeheer, toegang tot gegevens, kaarten en verslagen over de toestand van de fysieke leefomgeving.
Toetsing In voorliggende situatie raakt dit project geen van de nationale belangen die in de instructieregels van het Bkl zijn opgenomen. Een nadere beschouwing van deze instructieregels is daarom niet vereist. In hoofdstuk 6 wordt nader stilgestaan bij de verder relevante instructieregels voor voorliggende ontwikkeling.
5.2
Provinciaal beleid
5.2.1
Brabantse Omgevingsvisie: De kwaliteit van Brabant, visie op de Brabantse leefomgeving Op 14 december 2018 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant’ vastgesteld. De Omgevingsvisie bevat de hoofdlijnen van het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. De visie beschrijft de strategische hoofdopgaven voor de lange termijn over klimaatverandering, energietransitie, verstedelijking en bereikbaarheid en concurrerende duurzame economie. Voor deze opgaven wordt aangegeven wat de ambities op lange termijn zijn: wat is er nodig om Brabant in 2050 een gezonde, veilige en prettige leefomgeving te laten zijn? Ook is een concreet tussendoel geformuleerd voor het jaar 2030, om zo te kijken wat in dat jaar minimaal bereikt moet zijn om het lange termijndoel te kunnen halen. De Omgevingsvisie geeft ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan.
19
Na de inwerkingtreding van de Omgevingswet zal de Omgevingsvisie de provinciale plannen, zoals de structuurvisie, het verkeers- en vervoersplan, het milieu- en waterplan en de natuurvisie vervangen. De basisopgave van de Brabantse Omgevingsvisie is werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit. Deze basisopgave is veelomvattend en gaat over milieuaspecten, als een schone bodem, schoon water (ondergrond) en schone lucht. Maar ook om landschappelijke en cultuurhistorische aantrekkelijkheid, een goede woon- en werkomgeving met een aantrekkelijk aanbod aan voorzieningen, stilte en een natuurrijke omgeving, waarin biodiversiteit en recreatie hand in hand gaan. Om deze basisopgave te verwezenlijken zijn er vier hoofdopgaven gesteld: Werken aan de Brabantse energietransitie Door de grote invloed van klimaatverandering nu en in de toekomst, werkt de provincie aan een energietransitie met als einddoel om in 2050 100% duurzame energie op te wekken. Door aan te sluiten bij de Nationale Energieagenda wordt het landelijk beleid gevolgd. Vervolgens wordt een heldere koers opgesteld met regio en gemeentes. Participatie zal een essentieel onderdeel vormen voor verdere planvorming. Werken aan een ‘klimaatproof’ Brabant Door de alsmaar groter wordende impact van klimaatverandering op ons dagelijks leven dient Brabant hier maatregelen voor te nemen.
Er zal een klimaatbestendige en waterrobuuste inrichting worden ontwikkeld. Dit houdt in dat het beeklandschap wordt aangepast om wateroverlast te voorkomen. Om schade aan de landbouwsector te voorkomen wordt innovatie van deze sector, om in te spelen op klimaatverandering, gestimuleerd. Het einddoel is dat Brabant in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust is ingericht. Werken aan de slimme netwerkstad Duurzame verstedelijking draagt bij aan de ontwikkeling van steden die voorbereid zijn op de toekomst. Steden worden beter met elkaar verbonden. Mensen moeten zich makkelijker kunnen verplaatsen. Ook wordt de bereikbaarheid van nabije voorzieningen gestimuleerd. Hierdoor wordt het aantal verkeersbewegingen met de auto teruggedrongen en wordt deze van de fiets bijvoorbeeld gestimuleerd. Ondertussen wordt de mobiliteit gestimuleerd door het openbaar vervoer toekomstbestendig te maken, wordt innovatie van zelfrijdende auto’s gestimuleerd en wordt de mobiliteit van bedrijven vergroot. Met als doel: dat in 2050 het stedelijk netwerk van Brabant als één samenhangend duurzaam en concurrerend netwerk van steden en dorpen functioneert, als onderdeel van de Noordwest-Europese metropool. Werken aan een concurrerende, duurzame economie Een concurrerende, duurzame economie bestaat uit verschillende onderdelen. Het stimuleren van een circulaire economie zorgt voor een toekomstbestendige
20
economie. Innovatie wordt hierdoor gestimuleerd en de productencyclus wordt efficiënter. Hiernaast is een verdergaande digitalisering een ontwikkeling die moet worden gestimuleerd en waaruit vele voordelen kunnen worden gehaald. Het kan bijdragen aan de aantrekkelijkheid van bedrijven in de provincie waarmee het vestigingsklimaat wordt gestimuleerd. Met al deze ontwikkelingen dient echter de sociale impact altijd in ogenschouw te worden genomen. Door het benadrukken van de sociale impact van al deze veranderingen worden de inwoners van Brabant betrokken en zullen zij uiteindelijk het meest profijt van de ontwikkelingen hebben. Met als einddoel: in 2050 is Brabant de top kennis- en innovatieregio in Europa. Toetsing De Brabantse Omgevingsvisie legt een grote focus op duurzaamheid en klimaat. Voorliggend plan voorziet in appartementen die aan de huidige (BENG-)normen voldoen en indien mogelijk wordt op de locatie een bodem warmtepomp in gebruik genomen. Daarnaast worden de daken binnen het plangebied benut door het aanbrengen van zonnepanelen of een groen dak. Ook wordt binnen het plan zoveel mogelijk aandacht besteed aan het behoud van groen voor het plaatselijk infiltreren van water en tegengaan van hittestress. Dit helpt bij het creëren van een klimaatadaptief ontwerp. 5.2.2
Omgevingsverordening Noord-Brabant De Omgevingsverordening Noord-Brabant is een uitvoeringsinstrument voor de provincie om haar doelen te realiseren. In de verordening vertaalt de provincie de kaderstellende elementen uit het provinciaal beleid in regels die van toepassing zijn op (gemeentelijke) bestemmingsplannen. De onderwerpen die in de Interim omgevingsverordening staan, komen uit de provinciale structuurvisie. Daarin staat welke belangen de provincie wil behartigen en hoe ze dat wil doen. De verordening is daarbij een van de manieren om die provinciale belangen veilig te stellen. De provincie wil de ruimtelijke kwaliteit van Brabant bevorderen. Dat betekent dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen een bijdrage dienen te leveren aan de kernkwaliteiten van Brabant en dat gemeenten bij ruimtelijke afwegingen het principe van zorgvuldig ruimtegebruik moeten toepassen. Hiermee wordt beoogd de groei en de spreiding van het stedelijk ruimtebeslag op het buitengebied af te remmen. Het provinciale beleid is al jaren gericht op het bundelen van de verstedelijking. Dit betekent dat de realisering van woningbouw, bedrijventerreinen, overige stedelijke voorzieningen en bijbehorende infrastructuur moet plaatsvinden in de stedelijke concentratiegebieden (bestaand stedelijk gebied van de grotere kernen).
Nieuw ruimtebeslag buiten deze gebieden kan slechts als inbreiding of herstructurering in bestaand stedelijk gebied niet tot de mogelijkheden behoren. In de omgevingsverordening wordt aandacht gevraagd voor de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking zoals deze is opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening. Daarnaast zijn in relatie tot het principe 'meer aandacht voor de onderste lagen' ook water en archeologie van belang. In hoofdstuk 6 wordt aan deze aspecten aandacht besteed.
21
Toetsing In hoofdstuk 3 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant zijn voor de volgende thema's rechtstreekse regels opgenomen: grondwater (-bescherming en -onttrekking), stortplaatsen, ontgrondingen, ontgrondingen, stiltegebied, natuur, varend ontgassen en provinciale wegen. De meeste van deze regels waren voorheen opgenomen in de Provinciale milieuverordening, de Verordening wegen, de Verordening ontgrondingen en de Verordening natuurbescherming. Artikel 3.42 Duurzame stedelijke ontwikkeling Een bestemmingsplan dat voorziet in de ontwikkeling van een locatie voor wonen ligt binnen Stedelijk gebied en bevat een onderbouwing dat de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken en het een duurzame stedelijke ontwikkeling is. Een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen bevordert een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving, bevordert zorgvuldig ruimtegebruik, waaronder de transformatie van verouderde stedelijke gebieden en geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor productie en gebruik van duurzame energie. Daarnaast houdt het rekening met klimaatverandering, waaronder het tegengaan van hittestress en voldoende ruimte voor de opvang van water, geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit en draagt bij aan een duurzame, concurrerende economie.
Onderhavige locatie voor wonen is gelegen in stedelijk gebied en onderhavige toelichting voorziet in de onderbouwing dat er sprake is van een duurzame ontwikkeling. Artikel 5.18 Prognoses Gedeputeerde Staten stellen in overleg met de regio's ten minste eens per bestuursperiode relevante prognoses en analyses op, zoals in ieder geval een bevolkings- en woningbehoefteprognose, die richting gevend zijn voor de gezamenlijk te maken afspraken. De prognoses en analyses houden rekening met het principe van concentratie van verstedelijking. In paragraaf 6.13 heeft reeds een toetsing plaatsgevonden met het doorlopen van de Ladder voor duurzame verstedelijking waarin getoetst is of voldaan wordt aan de bevolkings- en woningbouwbehoefteprognose. Artikel 4.2 Norm wateroverlast Stedelijk gebied Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht, geldt binnen Stedelijk gebied, als norm een overstromingskans van 1/100 per jaar voor gebieden die in een ruimtelijk plan bestemd zijn voor het doeleinde bebouwing. De norm betreft een inspanningsverplichting. In paragraaf 6.8 is de verantwoording voor het aspect water opgenomen.
22
5.3
Gemeentelijk beleid
5.3.1
Omgevingsvisie Bernheze 2040 De Omgevingsvisie Bernheze 2040 is de integrale visie op de fysieke leefomgeving van de gemeente. De kern van de omgevingsvisie bestaat uit de uitwerking in vijf strategische thema’s. In deze uitwerking worden de opgaven naar ambities en doelen vertaald. De vijf thema’s zijn: 1 Gezonde leefomgeving 2 Leefbare kernen 3 Klimaatadaptatie en herstel biodiversiteit 4 Vitale en duurzame landbouw en economie 5 Kwaliteit landschap en erfgoed Toetsing Met de beoogde herontwikkeling wordt ingespeeld op het thema ‘leefbare kernen’. De gemeente wil leefbare kernen creëren, waar het fijn wonen is met een goede leeftijd mix aan mensen. De gemeente wil dit doen door innovatief, groen en compact te bouwen en te ondernemen. De kernen staan voor een forse opgave en om in het grote woningtekort te voorzien, heeft de gemeente in de woondeal een enorme bouwopgave afgesproken. Betaalbare en duurzame woningen zijn de uitdaging, zeker met het oog op dat meer huishoudens uit minder personen bestaan. Tegelijkertijd moet worden geanticipeerd op demografische veranderingen, zoals de sterke vergrijzing in de plattelandsgebieden. De gemeente wil daarnaast ook de identiteit en het groene karakter van de kernen versterken. Veranderingen moeten hieraan bijdragen. De gemeente wil voor woningbouwopgaven inbreiden, maar niet ten koste van de identiteit en het groen.
Daar waar niet voldoende tempo gemaakt kan worden in het bouwen, wordt uitgeweken naar de kernranden. Gezondheid, groen, klimaat, landschap, bodem en water zij sturend voor het bepalen van de locatie en de inrichting. Met de beoogde herontwikkeling wordt gebruik gemaakt van een inbreidingslocatie. Ingespeeld wordt op de kwalitatieve en kwantitatieve woningbehoefte. Daarmee wordt bijgedragen aan de ambities en doelen zoals gesteld in de gemeentelijke omgevingsvisie.
5.3.2
Woonvisie 2022-2026 De gemeenteraad van de gemeente Bernheze heeft op 16 december 2021 de Woonvisie 2022-2026 vastgesteld. Met deze visie werkt de gemeente aan de ambitie dat iedereen goed moet kunnen wonen binnen de gemeente. ‘Samen door’ speelt hierbij een belangrijke rol, dit betekent dat in het algemeen de gemeente haar doelen samen met de gemeenteraad, burgers, ondernemers en maatschappelijke partners wil bereiken.
23
Specifiek voor het wonen betekent dat onder andere: − woningbouw betaalbaar, duurzaam, genoeg en passend bij de vraag; − voortzetten actief woningbouwbeleid; − blijven bouwen in alle kernen; − speciale aandacht voor senioren op de woningmarkt, door bestaande woningen levensloopgeschikt te maken; − inzetten op de realisatie van betaalbare en ook levensloopbestendige huur- en koopwoningen. Betaalbaarheid van woningen is één van de belangrijkste aandachtspunten. Hiermee bedienen we starters, jonge gezinnen en senioren; − gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de leefomgeving en bewust zijn van de mogelijkheden tot verduurzaming (en de eventuele mogelijkheden tot subsidie op dat gebied); − bestaande woningvoorraad verduurzamen; − ruimte voor andere en vernieuwende woningbouwconcepten en woonvormen (‘tiny houses’, flexwoningen, inzet vrijkomende agrarische bestemmingen (VAB’s) of maatschappelijk vastgoed, projecten met vernieuwende aanpak zoals een Collectief Particulier Opdrachtgeverschap (CPO) gericht op duurzaamheid, voor ouderen en/of jongeren); − (CPO) en Individueel Particulier Opdrachtgeverschap (IPO) blijven prominent op de agenda; − ruimte voor inbreidings- en uitbreidingslocaties met aandacht voor duurzaamheid en klimaatadaptatie; − aandacht voor bijzondere doelgroepen. We moeten oplossingen vinden voor mensen die echt in de knel zitten en met spoed een woning zoeken.
− beschermd wonen en wonen met zorg blijft een belangrijk aandachtspunt, waarbij we ons beleid in overleg met sociale en maatschappelijke partners nader vorm gaan geven. In de komende 10 jaar wil de gemeente Bernheze 1.800 woningen realiseren. Voor Nistelrode betekend dit een woningopgave van 232 woningen waarvan 54 op inbreidingslocaties. Minimaal 25% procent van deze woningen moet onder de sociale huurgrens vallen. Toetsing Met het onderhavig project worden 18 levensloopbestendige woningen gecreëerd binnen de sociale huursector. Door de locatie nabij het centrum zijn de woningen uitermate geschikt voor senioren, als ook ander kwetsbare bevolkingsgroepen. Het appartementencomplex wordt duurzaam en klimaatadaptief ingericht, met indien mogelijk een bodemwarmte pompinstallatie en voldoende groen in de vorm van onder andere groene daken voor het bergen van water en het tegengaan van hitte stress. De nieuwe woningen zullen voldoen aan de BENG-richtlijnen, in tegenstelling tot de woningen die gesloopt worden waar het gasverbruik erg hoog is. Dit maakt dat het plan in zijn geheel voldoet aan de ambities van de gemeente die gesteld zijn de Woonvisie 2022-2026.
24
6 Aspecten fysieke leefomgeving 6.1
Milieueffectrapportage
6.1.1
Algemeen De wetgeving over de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Daarin is bepaald dat het bevoegd gezag bij de voorbereiding van een plan of programma een milieueffectrapport opstelt, als dat plan of programma het kader vormt voor te nemen besluiten voor projecten die zijn aangewezen in artikel 16.43 van de Omgevingswet. Onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (EU-richtlijn voor strategische milieubeoordeling), wordt in ieder geval verstaan een omgevingsvisie, programma, omgevingsplan en voorkeursbeslissing. Voor de plannen en programma’s waarvoor een plan-milieueffectrapport moet worden opgesteld is in de Omgevingswet een generieke aanwijzing opgenomen. Hiervoor is aansluiting gezocht bij de SMB-richtlijn. In Bijlage V bij het Omgevingsbesluit staan de aangewezen categorieën van projecten waarvoor een m.e.r.-procedure verplicht is. Voor plannen en programma’s die betrekking hebben op kleine gebieden op lokaal niveau en/of kleine wijzigingen heeft de Omgevingswet de plan-m.e.r.-beoordeling geïntroduceerd. Voor deze ontwikkelingen is een plan-m.e.r. alleen verplicht als voor de activiteit aanzienlijke milieugevolgen worden verwacht.
Een plan-m.e.r.-beoordeling is ook van toepassing op plannen of programma’s die een kader vormen voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Omgevingsbesluit zijn genoemd. De plan-m.e.r.-beoordeling betreft een toets om na te gaan of sprake is van een plan met grote milieugevolgen. Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria van Bijlage III, van de EU-richtlijn m.e.r. De hoofdcriteria waaraan moet worden getoetst zijn: kenmerken van het project, plaats van het project en kenmerken van het potentiële effect.
6.1.2
Motivering Onderhavige ontwikkeling vormt een project dat in bijlage V van het Omgevingsbesluit is opgenomen. Het is volgens artikel 16.36 noodzakelijk te beoordelen of sprake is van aanzienlijke milieueffecten en of een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Zodoende is een m.e.r.-beoordeling3 opgesteld. Deze kan tevens worden gebruikt als aanmeldingsnotitie. Op basis van deze aanmeldingsnotitie kan het bevoegd gezag de gevolgen beoordelen van het project en de beslissing nemen of er een milieueffectrapport noodzakelijk is in het kader van dit project.
3
SAB (2024). M.e.r.-beoordeling Woningbouwontwikkeling Heuvelstraat 4 – 14, Nistelrode. 230240.01, 6 december 2024
25
De navolgende tabel geeft een overzicht van de beoordeelde milieuaspecten en de daarbij behorende conclusies weer, zoals deze in de m.e.r.-beoordeling aan bod zijn gekomen.
Aspect
Beoordeling milieueffecten
Natuur (gebiedsbe-
Op grond van het stikstofonderzoek kunnen nega-
scherming)
tieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden door stikstof worden uitgesloten. Van een negatief milieueffect op dit aspect is hierdoor geen sprake.
Natuur (soortenbescher-
Uit de verkennende fase (quickscan) bleek dat de
ming)
gebouwen potentiele verblijfplaatsen van huismus, gierzwaluw en vleermuizen bevat. Hierop volgend is in het seizoen van 2021 protocollair huismus-, gierzwaluw- en vleermuisonderzoek uitgevoerd. Hierbij zijn in de te slopen woningen in totaal 1 zomerverblijfplaats en 2 paarverblijf-plaatsen van de gewone dwergvleermuis. Om de werkzaamheden mogelijk te maken is bij de provincie Noord-Brabant ontheffing aangevraagd op artikel 3.5, tweede en vierde lid, voor respectievelijk het opzettelijk verstoren van, en het beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de gewone dwergvleermuis. Deze ontheffing, met kenmerk Z/212485-373696, is verleend per 5 februari 2024. Het opgestelde ecologisch werkprotocol vormt een verdere uitwerking van de voorschriften welke genoemd zijn in de ontheffing. Ervan uitgaande dat de benodigde maatregelen worden getroffen, zal er ten hoogste sprake zijn van een beperkt negatief effect. Op basis van voorgaande worden significant negatieve milieueffecten op het gebied van natuur in ieder geval uitgesloten.
Verkeer
De beoogde ontwikkeling zorgt voor een verkeersaantrekkende werking die heel beperkt toeneemt. Er is geen nadelig milieueffect te verwachten.
Geluid
Als gevolg van de ontwikkeling zal er sprake zijn van een verkeersaantrekkende werking. De toename van het verkeer blijft echter ruim onder de 40% waardoor geen sprake zal zijn van een merkbare geluidstoename bij de omliggende woningen. Er wordt geen belangrijk negatief milieueffect verwacht.
Luchtkwaliteit
Er zijn geen nadelige gevolgen te verwachten. Het project draagt Niet in Betekenende Mate bij aan een 26
verslechtering van de luchtkwaliteit en gezien de bestaande achtergrondconcentraties is geen sprake van een wezenlijke verslechtering. De uitkomst van de in m.e.r.-beoordeling uitgevoerde toets is dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van het project die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De conclusie is dan ook dat belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten. Het opstellen van een MER is daarom niet nodig. 6.1.3
Conclusie Een nadere beoordeling in een m.e.r-beoordeling of plan-m.e.r. is niet noodzakelijk.
6.2
Bodem
6.2.1
Algemeen Om een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie toe te staan, dient op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.89i en 5.89j) aangetoond te worden dat de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik. Een locatie is bodemgevoelig als hier een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of omgevingsvergunning. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend of toebehorend aan een bodemgevoelig gebouw, zoals een tuin of terrein. Onder een bodemgevoelig gebouw wordt verstaan; een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. Om aan te tonen of de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik is het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) noodzakelijk. Dit onderzoek moet uitwijzen of de locatie mag worden aangewend voor de beoogde ontwikkeling. Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie zijn (op grond van artikel 5.89i Bkl) opgenomen in het omgevingsplan. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen.
6.2.2
Motivering Vanwege onderhavig plan is op de locatie verkennend bodemonderzoek 4 uitgevoerd. De aanleiding tot het bodemonderzoek wordt gevormd door de voorgenomen sloop- en bouwactiviteiten op de locatie. Doel van het bodemonderzoek is het vaststellen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van de locatie en nagaan of er mogelijke gebruiksbeperkingen bestaan in relatie tot het beoogde gebruik.
4
De Klinker (2024). Verkennend bodemonderzoek, Heuvelstraat 4-14 Nistelrode. K240295, 17 december 2024
27
Conclusies Op basis van de onderzoeksresultaten kan geconcludeerd worden dat: − de bodem op de locatie bestaat uit zandlagen; − het zand is variërend van zeer fijn tot matig fijn, zwak tot matig siltig en zwak tot sterk humeus; − tijdens de veldwerkzaamheden is op zintuiglijke wijze een bijmenging met baksteen waargenomen; − op het maaiveld alsmede in de bodem is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Voormalige boomgaard Uit de resultaten kan het volgende geconcludeerd worden: − in de bovengrond (bodemlaag 0,0-0,3 m-mv) geen verhoogde gehalten aan OCB’s zijn gemeten; − de hypothese ‘de locatie is verdacht op de aanwezigheid van bestrijdingsmiddelen’ kan daarmee verworpen worden. Een nader onderzoek is niet noodzakelijk. Onderzoekslocatie Uit de resultaten kan het volgende geconcludeerd worden: − in de bovengrond is plaatselijk een verhoogd gehalte aan zink en PAK (10 VROM) gemeten. De grond wordt geclassificeerd als bodemklasse Landbouw/natuur; − in de baksteenhoudende ondergrond is een verhoogd gehalte aan zware metalen (lood en zink) aangetoond. Desondanks wordt de grond geclassificeerd als bodemklasse Landbouw/natuur; − in de overige ondergrond zijn geen verhoogde gehalten aangetroffen.
De grond wordt geclassificeerd als bodemklasse Landbouw/natuur; − het grondwater bevat een verhoogd gehalte aan barium; − de hypothese ‘de onderzoekslocatie is onverdacht op de aanwezigheid van verontreinigingen’ dient formeel verworpen te worden; − de aangetroffen gehalten in de grond en het grondwater geven geen aanleiding tot een nader onderzoek. Algemeen Ten behoeve van de verwerking van vrijkomende grond op een locatie buiten de onderzoekslocatie wordt verwezen naar de uitgangspunten van het Besluit Activiteiten Leefomgeving (Bal). De conclusies hebben uitsluitend betrekking op de geselecteerde deellocaties en de geanalyseerde componenten. Gezien het verkennende karakter van dit onderzoek is het, ondanks de zorgvuldigheid waarmee het is uitgevoerd, altijd mogelijk dat eventueel lokaal voorkomende verontreinigingen niet zijn ontdekt. 6.2.3
Conclusie Het besluit voldoet aan de kaders voor het aspect bodem.
28
6.3
Geluid
6.3.1
Algemeen Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds. Geluid door (spoor)wegen en industrieterreinen De mate waarin het geluid van (spoor)wegen en industrieterreinen omliggende geluidgevoelige functies mag belasten is geregeld in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Daarin zijn instructieregels opgenomen die erop zijn gericht het geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein te beheersen (artikel 3.18 lid 1 Bkl). De wetgever maakt daarbij onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (GPP) en bronnen met een basisgeluidemissie (BGE). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Daarom moet bij nieuwe ontwikkelingen gelegen binnen het geluidaandachtsgebied van de voornoemde bronnen, het geluid van deze bronnen op geluidgevoelige gebouwen moet altijd beoordeeld worden (artikel 3.20 Bkl).
Geluid door activiteiten Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, dient – naast het geluid afkomstig van (spoor)wegen en industrieterreinen – ook het geluid van overige activiteiten in de fysieke leefomgeving beoordeeld te worden. Bij een aanpassing van het omgevingsplan houdt de gemeente rekening met het geluid door activiteiten met gebruiksruimte op geluidgevoelige gebouwen. Het gaat hierbij om het geluid van alle activiteiten tezamen. In de afweging betrekt de gemeente de specifieke plaatselijke situatie en de (cumulatieve) gevolgen van activiteiten voor de gezondheid van haar burgers en het milieu. Rekening houden met geluid werkt twee kanten op, het gaat om het toelaten van: 1 activiteiten met gebruiksruimte nabij geluidgevoelige gebouwen; 2 geluidgevoelige gebouwen nabij bestaande activiteiten met gebruiksruimte. Dit wijzigingsbesluit maakt de realisatie van een geluidveroorzakende functie mogelijk. Beoordeeld moet worden of de nieuwe functies mogelijk geluidhinder veroorzaken op omliggende hindergevoelige gebouwen. Voorafgaand de inwerkingtreding van de Omgevingswet werd gewerkt met de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering 2009'. Hierin is een lijst van inrichtingen opgenomen waarbij de inrichtingen op grond van de hinder die zij veroorzaken, zijn opgedeeld in 6 categorieën.
Hierbij wordt ervan uit gegaan dat een inrichting uit categorie 1 relatief weinig hinder veroorzaakt en een inrichting uit categorie 6 bijzonder veel hinder veroorzaakt. In de Omgevingswet wordt niet langer gewerkt met de term inrichting en wordt gesproken over milieubelastende activiteiten. Omdat in voorliggende situatie het gemeentebrede omgevingsplan nog niet gereed is en daarmee de bestemmingsplannen nog onderdeel uitmaken van omgevingsplan, 29
is het kader van de VNG-publicatie nog wel relevant. Onder de Omgevingswet worden echter alleen nog de aspecten geluid en geur meegenomen in de afweging evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 6.3.2
Motivering Geluid door (spoor)wegen en industrieterreinen In het kader van deze procedure is onderzoek noodzakelijk naar de geluidbelasting vanwege wegverkeer5. Dit rapport is een uitwerking van dit onderzoek naar geluid. Onderstaande afbeelding laat de vertaling zien naar het akoestisch rekenmodel.
Op basis van dit onderzoek, waarbij is getoetst op de randen van het bouwplan kunnen de volgende conclusies worden getrokken: Gemeentewegen Als gevolg van de omliggende gemeente- en waterschapswegen tezamen wordt de standaardwaarde van 53 dB Lden niet overschreden. De hoogst berekende geluidbelasting bedraagt 53 dB Lden, op de zuidgevel. Geluid door activiteiten Er wordt een geluidgevoelig gebouw mogelijk gemaakt nabij vestigingen van detailhandel. Zodoende is een haalbaarheidsonderzoek uitgevoerd naar de geluidbelasting als gevolg van deze milieubelastende activiteiten 6. Onderhavige rapportage is
5
6
SAB (2024). Akoestisch onderzoek geluid wegverkeer. Nistelrode, Heuvelstraat. 230240.01 8 november 2024 SAB (2024). Akoestisch onderzoek milieubelastende activiteiten. Heuvelstraat 4-14, Nistelrode. 230240.01, 11 november 2024
30
een uitwerking van dat onderzoek. Onderstaande afbeelding laat de vertaling zien naar het akoestisch rekenmodel.
Uit dit onderzoek kunnen de volgende conclusies worden getrokken: Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau Er wordt voldaan aan de grens- en richtwaarden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau uit het Bkl en het tijdelijk omgevingsplan. Dit aspect vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Maximaal geluidniveau Er wordt niet voldaan aan de grens- en richtwaarden voor het maximaal geluidniveau uit het tijdelijk omgevingsplan in de avondperiode. Er wordt wel voldaan aan het Bkl. De hoogste geluidbelasting bedraagt 69 dB(A). Deze overschrijding komt voor door het aandrijfgeluid van de automotoren. Enkel op de oostgevel kan een overschrijding ontstaan bij het aandrijfgeluid van automotoren. Het gaat om 11 autobewegingen (worstcase uitgaande dat er geen elektrische auto’s tussen zitten) tussen 19 en 21 uur. De tijdsbek is echter nog korter doordat de uitrit van de parkeerruimte zich niet langs de beoogde bebouwing 31
bevindt. Er kan derhalve redelijkerwijs worden gesteld dat de beperkte hinder om 20u30 stopt. Daarnaast beschikken de woningen aan de oostkant over minstens 2 andere gevels (zuid- en noordgevels) waar geen overschrijdingen voorkomen. Er wordt aan deze zijden van de woning volledig aan de Bruidsschat voldaan. Een dergelijke geluidbelasting behoort tot een normaal omgevingsgeluid en vindt alleen plaats op de oostelijke gevel, waardoor het akoestisch klimaat gewaarborgd kan zijn. Tot slot wordt tevens voldaan aan het Bkl. De geluidbelasting wordt ook zonder maatregelen acceptabel geacht. 6.3.3