Toelichting bestemmingsplan Koningin Wilhelminaweg 41a, 43 en Mies 17, Groesbeek
Tekst van het document
Het wordt daarom afgeraden het freatisch grondwater te gebruiken voor consumptie, besproeiing of proceswater.
5.1.3
Archeologie Het Besluit Ruimtelijke Ordening (artikel 3.6.1 lid 5) bepaalt dat er in een bestemmingsplan of andersoortige planologische regeling een beschrijving dient te
27
worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. In dit plan dient aangetoond te worden dat de ontwikkeling geen negatieve effecten heeft op de archeologische en/of cultuurhistorische waarden. In deze ruimtelijke onderbouwing is een splitsing gemaakt tussen archeologie en cultuurhistorie. Archeologie is in de bodem aanwezig en is meestal niet beleefbaar, terwijl cultuurhistorie zichtbaar en beleefbaar is in de omgeving. In de volgende paragraaf wordt verder ingegaan op het aspect ‘landschap en cultuurhistorie’. Conform het bestemmingsplan heeft de planlocatie de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologische verwachtingswaarden’. Voor deze gebieden geldt dat bij bodemingrepen (bouw- sloop- en aanlegwerkzaamheden) dieper dan 40 centimeter en een minimale verstoringsoppervlakte van 100 m2 een archeologisch onderzoek dient te worden uitgevoerd. In het kader van de bestemmingsplanherziening wordt een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk geacht omdat de geldende dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologische verwachtingswaarden’ behouden en overgenomen zal worden.
Het eventueel noodzakelijk archeologisch onderzoek zal in het kader van de omgevingsvergunning ‘bouwen’ uitgevoerd worden waardoor het aspect ‘Archeologie’ in het kader van deze bestemmingsplanprocedure niet noodzakelijk wordt geacht. Mochten er bij de werkzaamheden archeologische resten aangetroffen worden is de meldingsplicht conform de Erfgoedwet van 2016, artikel 5.10 (Archeologische toevalsvondst) en 5.11 (Waarneming) van toepassing.
5.1.4
Landschap en cultuurhistorie Met de komst van de Erfgoedwet is het verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en esembles van een grotere schaal. Conform de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Gelderland en de cultuurhistorische waardenkaart 2013 van de voormalige gemeente Groesbeek zijn er geen monumenten of cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig binnen het plangebied. Toch bezit met name de bestaande woning met nummer 43 cultuurhistorische waarde en dient bij de situering van de nieuwe woning ten zuiden hiervan rekening gehouden te worden met deze bestaande woning. Door de nieuwe woning ten zuiden van de woning met nummer 43 als erfwoning aan te duiden, conform de gemeentelijke Nota ruimtelijke kwaliteit, krijgt de nieuwe woning dezelfde verdraaiing ten opzichte van de Wilhelminaweg. Met onderhavige ontwikkeling zijn de cultuurhistorische en landschappelijke kenmerken dan ook niet in het geding.
5.1.5
Lucht Sinds 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en staan de hoofdlijnen voor regeling rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer. Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan
28
minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a. er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. een plan leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c. een plan draagt ‘niet in betekende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; d. een plan past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) of binnen een regionaal programma van maatregelen. Voor fijnstof (PM10) geldt een grenswaarde van 40 µg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie en 50 µg/m3 voor de daggemiddelde concentratie. De waarde voor fijnstof (PM10) ter plaatse van de planlocatie bedraagt circa 17,18 µg/m3. Dat betekent dat dit ruim beneden de gestelde grenswaarden volgens de Wet milieubeheer ligt en er ter plaatse van de woning dus sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. Voor stikstofdioxide (NO2) geldt een grenswaarde van 40 µg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie en 200 µg/m3 voor de uurgemiddelde concentratie. De waarde voor stikstofdioxide (NO2) ter plaatse van de planlocatie bedraagt circa 12,94 µg/m3. Dat betekent dat ook de hoeveelheid stikstofdioxide beneden de gestelde grenswaarden volgens de Wet milieubeheer ligt en er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Het beëindigen van het pluimveebedrijf heeft een positieve invloed op de luchtkwaliteit voor zowel de planlocatie als voor de omgeving. Er is geen sprake van overschrijding van grenswaarden en de ontwikkeling leidt tot een verbetering van de luchtkwaliteit. Met betrekking tot het aspect ‘lucht’ kan het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen acceptabel worden geacht.
5.1.6
Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het beoordelingskader voor geurhinder van veehouderijen. Deze wet geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). Met name de handreiking wet geurhinder en veehouderij geeft nadere invulling in het gebruik van de wet. Om te voorkomen dat de bestemmingswijziging een belemmering kan vormen voor de bedrijfsontwikkeling van omliggende (intensieve) veehouderijen is onderzocht of er hierdoor nieuwe geurgevoelige objecten ontstaan in dit agrarische gebied. Er worden vijf typen geurgevoelige objecten onderscheiden in de handreiking: a. Ruimte-voor-ruimte woning (of ander geurgevoelig object ): - gebouwd na 19 maart 2000 - op een kavel die op dat moment in gebruik was als veehouderij - waarbij de veehouderij (deels) buiten werking is gebracht, én - waarbij stallen (of andere bedrijfsgebouwen) zijn gesloopt b. Bedrijfswoning (of ander geurgevoelig object) bij een andere veehouderij c. Voormalige bedrijfswoning (of ander geurgevoelig object) die op of na 19 maart 2000 geen onderdeel meer was van een andere veehouderij
29
d. e.
Voormalige bedrijfswoning (of ander geurgevoelig object) die vóór 19 maart 2000 geen onderdeel meer was van een andere veehouderij Alle woningen (en andere geurgevoelige objecten) die niet onder a t/m d vallen
Vaste afstanden Op dit moment is de bedrijfswoning te kenmerken als een categorie b-object. In de gewenste situatie wordt de veehouderij beëindigd en wordt de woning gezien als een voormalige bedrijfswoning die geen onderdeel meer is van een veehouderij, zoals bedoeld onder categorie c. Hierover wordt in de handreiking het volgende gesteld: “Voor voormalige bedrijfswoningen (en andere geurgevoelige objecten) bij andere veehouderijen, gelden vaste afstanden, ook bij dieren met geuremissiefactoren, als de woning op of na 19 maart 2000 geen onderdeel meer uitmaakt van de veehouderij”. De beoogde nieuwbouwwoningen betreffen categorie a-objecten. De afstand zoals deze is vastgelegd in de handreiking bedraagt ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Hier wordt in onderhavig geval ruimschoots aan voldaan. In artikel 5 van de Wgv zijn minimale afstanden opgenomen vanaf de buitenzijde van een dierenverblijf tot de buitenzijde van een geurgevoelig object. Buiten de bebouwde kom dient deze afstand tenminste 25 meter te bedragen. De bestaande en beoogde woningen aan de Wilhelminaweg te Groesbeek voldoen hier ruimschoots aan. Naast deze vaste afstand is tevens de geurbelasting van omliggende veehouderijen op de woning berekend.
Achtergrondbelasting Naast toetsing op basis van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende veehouderijen (Wgv), dient er in het kader van een goede ruimtelijke ordening (Wro) tevens beoordeeld te worden of er ter plaatse van de geurgevoelige objecten een aanvaardbaar woon- en leefklimaat heerst. In figuur 9 is een uitsnede weergegeven van de geurkaart (achtergrondbelasting) van de gemeente Berg en Dal.
30
Figuur 9. Uitsnede geurkaart achtergrondbelasting gemeente Berg en Dal.
De belangrijkste geurbron uit de omgeving, het eigen bedrijf, verdwijnt. Daarnaast zijn de bedrijven met nummer 85838 en 85842 sinds het uitbrengen van bovenstaande geurkaart gestopt met het houden van dieren, waardoor deze bedrijven geen geuremissie meer hebben. De emissie van de maatgevende bron, het bedrijf aan de Dennenkamp 1c, is ongewijzigd gebleven. Gelet op het bovenstaande kan aan de hand van de geurkaart geconcludeerd worden dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. Het aspect geur vormt dan ook geen belemmering voor de ontwikkeling. Gelet op bovenstaande kan worden geconcludeerd dat in de omgeving van de Wilhelminaweg 41a en 43 en Mies 14 te Groesbeek niemand onevenredig in zijn belangen geschaad wordt en dat ter plaatse van de woningen een aanvaardbaar woonen leefklimaat gewaarborgd wordt.
5.1.7
Geluid In de Wet geluidhinder (Wgh) is vastgelegd dat, indien binnen het plangebied geluidgevoelige functies zijn voorzien binnen de invloedsfeer van (weg)verkeerslawaai, een akoestisch onderzoek uitgevoerd dient te worden bij vaststelling of herziening van het bestemmingsplan. Dit geldt voor alle straten en wegen, met uitzondering van: • wegen die in een als ‘woonerf’ aangeduid gebied liggen • wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt Op basis van art. 76 lid 3 van de Wet geluidhinder (Wgh) hoeft de geluidsbelasting van een aanwezige weg op een bestaande woning niet getoetst te worden aan de grenswaarden. Hieronder valt ook het omzetten van een agrarische bedrijfswoning naar een (burger)woning. Voor de nieuw te bouwen woningen dient echter, gezien de ligging 31
van het plangebied binnen de geluidzones van de Wilhelminaweg en Hulsbroek (waar een maximumsnelheid van respectievelijk 60 en 50 km/uur geldt) een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd te worden. Onderstaand zijn de conclusies uit het onderzoek weergegeven. Voor het volledige rapport wordt verwezen naar bijlage III. Koningin Wilhelminaweg De voorkeursgrenswaarde wordt wel, maar de maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. De geluidbelasting ten gevolge van de Koningin Wilhelminaweg is maximaal 52 dB (incl. aftrek art. 110g Wgh). Bij de gemeente Berg en Dal zal een verzoek worden ingediend voor het verlenen van een hogere waarde. In de voorliggende situatie kan als ontheffingscriterium worden aangedragen dat het nieuwbouwproject wordt gebouwd tussen bestaande woningen. Wanneer een hogere waarde wordt verleend, moet in het kader van de uiteindelijke omgevingsvergunning ‘Bouwen’ worden aangetoond welke geluidwerende maatregelen aan de gevel noodzakelijk zijn om te kunnen voldoen aan het gestelde in Afdeling 3.1 van het Bouwbesluit. De minimaal vereiste geluidwering is het verschil in geluidbelasting (zonder aftrek artikel 110g Wgh) en 33 dB. Hulsbroek De geluidbelasting ten gevolge van deze weg is maximaal 35 dB, incl. aftrek artikel 110g.
De waarde ligt onder de voorkeursgrenswaarde waardoor geen hogere waarde ten aanzien van deze weg hoeft te worden aangevraagd. De Wet geluidhinder legt ten gevolge van deze weg geen restricties op aan het plan. Tot slot zal, gezien de beëindiging van het pluimveebedrijf ter plaatse, het aantal verkeersbewegingen opde Wilhelminaweg afnemen. Er vindt namelijk geen aan- en afvoer van eieren, mest en voer meer plaats, waardoor ook de geluidsbelasting zal afnemen. Het woon- en leefklimaat voor de bestaande gevoelige objecten aan de Wilhelminaweg zal ten aanzien van het aspect geluid dan ook verbeteren.
5.1.8
Bedrijven en milieuzonering Onder milieuzonering wordt verstaan: een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Om het begrip hanteerbaar te maken is gebruik gemaakt van de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG. In deze publicatie zijn bedrijven ingedeeld in milieucategorieën. Per bedrijfstype is indicatief aangegeven wat de afstand tot gevoelige functie dient te zijn (de zogenaamde afstandentabel). De aan te houden afstanden hebben betrekking op stof, geluid, gevaar en geur. Deze afstanden kunnen als basis worden gehanteerd, maar zijn indicatief. De richtafstanden welke zijn opgenomen in de VNG-publicatie worden aangehouden of er genoeg ruimte zit tussen bedrijven en gevoelige objecten. Deze afstanden zijn gebaseerd op het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. In het geval dat een locatie is gelegen binnen een ‘gemengd gebied’ kunnen de richtafstanden met 1 stap worden verkleind. Een gemengd gebied heeft verschillende kenmerken. Dit kan bijvoorbeeld een lint zijn waar meerdere functies naast elkaar zijn gevestigd of een gebied dat langs een drukke ontsluitingsweg is gelegen. In het buitengebied kan dit een lint zijn met overwegend (agrarische) bedrijvigheid. Een gemengd gebied kent hierdoor al een
32
hogere milieubelasting, waardoor er kleinere aangehouden dan bij een rustige woonwijk.
richtafstanden
mogen
worden
In dit geval is de planlocatie gelegen in een gemengd gebied van bedrijvigheid en woonbestemmingen en is er geen sprake van een rustige woonwijk. De aan te houden afstanden conform de VNG-publicatie mogen daarom met 1 stap worden verkleind. In dit geval zijn in de directe omgeving van de planlocatie een aantal bedrijven gelegen. Hoewel de bestaande bedrijfswoning ook in de huidige situatie al maatgevend is in het kader van de milieuzonering van de bestaande omliggende bedrijven, is in de onderstaande tabel voor de bestaande woningen en de nieuw te bouwen woningen de toets aan de van toepassing zijnde afstanden weergegeven. Hierbij is tevens rekening gehouden met de maximaal toelaatbare milieucategorieën op het bedrijventerrein ‘Mies’ ten westen van de planlocatie. De werkelijke afstand heeft betrekking op de afstand tussen de dichtstbijzijnde woonbestemming aan de Wilhelminaweg en de grens van het bouwvlak waarbinnen het bedrijf is gelegen. In onderstaande tabel zijn de aan te houden afstanden conform de VNG-publicatie reeds met 1 stap verkleind. Adres
Soort bedrijf
Kon. Wilhelminaweg 32 De Ren 6 De Ren 8 De Ren 10 De Ren 12 De Ren 3
Loonbedrijf
De Ren 18 De Ren 22 Mies 17
Tweewielerhandel Dakdekbedrijf Koeltechniekbedrijf Wegenbouwbedrijf Metaalbewerkingsbedrijf Metaalbedrijf Zand-, grind-, containerbedrijf Nieuwe bedrijfskavel
Milieucat. 3.1
Minimumafstand 30 meter
Werkelijke afstand 15 meter
Voldaan
2 2 2 2 3.1
10 meter 10 meter 10 meter 10 meter 30 meter
150 meter 130 meter 110 meter 80 meter 120 meter
Ja Ja Ja Ja Ja
3.1 3.2
30 meter 50 meter
60 meter 85 meter
Ja Ja
2
10 meter
25 meter
Ja
Nee
Uit bovenstaande tabel blijkt dat er formeel niet aan de minimum richtafstand tot het loonbedrijf aan de Wilhelminaweg 32 kan worden voldaan. Het beoogde bestemmingsvlak ‘Wonen’ van de bestaande (bedrijfs)woning aan de Wilhelminaweg 43 is binnen deze richtafstand gelegen. De overige beoogde woonbestemmingen binnen het plangebied zijn op een afstand van meer dan 30 meter van het loonbedrijf gelegen. In de huidige situatie is aan de Wilhelminaweg 45 reeds een burgerwoning gelegen welke eveneens op een afstand van 15 meter van het loonbedrijf is gelegen. Deze woning was (en is) in deze situatie dus maatgevend. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat ter plaatse van de bestaande en nieuw te projecteren woningen, bijgebouwen en tuinen sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Daarnaast zal de omzetting van de bedrijfs- naar burgerwoningen en de realisatie van de nieuwe woningen niet leiden tot een belemmering van uitbreidingsmogelijkheden van de bedrijfsactiviteiten ter plaatse van de bedrijfslocatie aan de Wilhelminaweg 32 aangezien de woning aan de Wilhelminaweg 45 reeds de maatgevende woning is. Aan de overige richtafstanden van omliggende bedrijven in de omgeving kan worden voldaan. Het aspect ‘Bedrijven en milieuzonering’ vormt dan ook geen belemmering voor voorgestane ontwikkeling.
33
5.1.9
Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico’s vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste besluiten zijn: • Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) • Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) • Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Risiconormering In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR.
Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijke harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico’s in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal bij de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten weten bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer.
In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Wanneer verantwoorden?
34
Bron Inrichtingen (Bevi)
Wanneer groepsrisicoverantwoording? Altijd wanneer binnen invloedgebied ruimtelijk besluit wordt genomen.
Buisleidingen (Bevb)
Altijd wanneer binnen invloedgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen1. Wanneer sprake is van toename van het groepsrisico of overschrijding van de oriëntatiewaarde.
Spoor-, Rijks- en waterwegen (Bevt)
In artikel 7 van het Bevt is opgenomen dat bij het toevoegen van nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten een verantwoording van het groepsrisico dient plaats te vinden. Indien de verantwoordingsplicht niet juist is uitgewerkt terwijl dit wel verplicht is, kan dit tot vernietiging van het ruimtelijk besluit door de Raad van State leiden. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het ‘restrisico’ dat overblijft nadat de benodigde veiligheidverhogende maatregelen genomen zijn. Tot slot moet in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening’ (art. 3.1. Wro) ook getoetst worden aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit bijvoorbeeld het Activiteitenbesluit, effectafstanden uit de ‘Circulaire effectafstanden LPG-tankstations’ enzovoort. Toetsing Het omzetten van een bedrijfswoning naar een burgerwoning is het omzetten van een beperkt kwetsbaar object naar een kwetsbaar object. Daarnaast vormen de nieuw te bouwen woningen kwetsbare objecten. Met behulp van de risicokaart is gekeken welke
Bij buisleidingen kan volstaan worden met een beperkte verantwoording wanneer: 1. Het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde of; 2. De toename minder is dan 0,1 keer oriëntatiewaarde of; 3. Personen zich buiten de 100% letaliteitgrens bevinden. Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden. 1
35
risicobronnen in de nabijheid van het plangebied zijn gelegen. In figuur 10 is een uitsnede van de risicokaart weergegeven. Risicovolle inrichtingen
Figuur 9. Uitsnede Risicokaart met planlocatie rood omcirkeld
Figuur 10. Uitsnede risicokaart. Plangebied blauw omcirkeld.
De dichtstbijzijnde risicobron is een opslagruimte voor consumentenvuurwerk welke behoort tot het bedrijf ‘Sanders Tweewielers’ en is gelegen aan De Ren 6. Bij deze risicovolle inrichting is geen risicocontour (PR 10-6 contour) opgenomen. Gezien de afstand tussen deze risicovolle inrichting en het plangebied 150 meter bedraagt, vormt deze risicovolle inrichting geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. Risicovol transport In de nabije omgeving zijn geen transportroutes gelegen waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Buisleidingen In de nabije omgeving zijn geen buisleidingen gelegen waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Conclusie Ten aanzien van het aspect externe veiligheid zijn er geen belemmeringen.
5.1.10
Spuitzones gewasbescherming Kenmerkend voor de land- en tuinbouw zijn de intensieve teeltsystemen met een relatief hoog gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Bij het spuiten van gewasbeschermingsmiddelen komt drift vrij. Drift is een term die gebruikt wordt voor de spuitvloeistof die tijdens de bespuiting buiten het te behandelen gebied terecht komt als gevolg van wind- en luchtstromen. Drift is hoger bij toepassing in fruitteelt op stam (bijv. appels, peren etc.) dan bij de akkerbouw en lage fruitteelt bijvoorbeeld aardbeien en bessen), waarbij voornamelijk neerwaarts wordt gespoten. Derhalve dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening afstand te worden gehouden tussen gevoelige 36
objecten en teeltgebieden ten behoeve van boomteelt en. Er zijn geen wettelijke bepalingen over de aan te houden afstand. Door de Raad van State wordt bij beoordeling van nieuwe ruimtelijke situaties vanwege drift een afstand van 50 meter aangehouden. Per 1 september 2017 is in het activiteitenbesluit milieubeheer (wettelijk bepaald) besloten dat driftreducerende maatregelen genomen moeten worden bij gebruik van bestrijdingsmiddelen. Deze maatregelen zijn noodzakelijk wanneer gronden grenzen aan openbare wegen of gevoelige functies (zoals woningen). De aangrenzende gronden (< 50 meter) zijn in gebruik als agrarische grond, specifiek grasland en akkerbouw. Boomteelt wordt niet toegepast binnen een straal van 50 meter rondom de woningen, waardoor de kans op drift zeer klein is. Daarnaast is tussen de percelen en de woningen een (openbare) weg gelegen, waardoor de gebruiker van de gronden reeds rekening dient te houden met het gebruik van bestrijdingsmiddelen. Tot slot is in het plangebied reeds sprake van twee bestaande woningen, waardoor de gebruiker van de omliggende gronden rekening dient te houden met het gebruik van bestrijdingsmiddelen en aan de andere kant de nieuwe woningen niet zorgen voor een nieuwe belemmering ten aanzien van de gebruiksmogelijkheden van de gronden in relatie tot het gebruik van bestrijdingsmiddelen.
Onder de hiervoor genoemde omstandigheden, wordt de kans zeer klein geacht dat er drift in de tuin of de woning terecht komt. Doorwerking plangebied Ter plaatse van het plangebied kan gesteld worden dat sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat met betrekking tot eventuele drift dat vrijkomt bij het gebruik van bestrijdingsmiddelen. De huidige wet- en regelgeving (activiteitenbesluit) zorgt in principe voor voldoende bescherming. Daardoor kan gesteld worden dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening en het aspect bestrijdingsmiddelen geen belemmering vormt voor het plan.
5.2
Water Water verdient een belangrijke plek in de ruimtelijke planvorming. In het verleden werd het water voornamelijk gevormd en waterlopen veranderd naar de wensen van inrichters en gebruikers. De laatste jaren blijkt steeds meer dat dit kan leiden tot waterproblematiek. Hierbij kan worden gedacht aan verdrogingsverschijnselen, maar ook aan zeespiegelstijging, hogere afvoeren van rivieren en hevigere weersveranderingen. Bij de locatiekeuze, de (her)inrichting en het beheer van nieuwe ruimtelijke functies moeten de relevante waterhuishoudkundige aspecten worden meegenomen. In het kader van het Besluit Ruimtelijke Ordening is het wettelijk verplicht een watertoets te verrichten. In de toelichting bij ruimtelijke besluiten en plannen is het noodzakelijk een beschrijving te geven van de manier waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding.
5.2.1
Beleid Het plangebied valt onder het beheer van Waterschap Rivierenland. De doelen van het waterschap voor de periode van 2016 tot 2021 staan beschreven in het Waterbeheerprogramma en zijn gericht op waterveiligheid, een kwalitatief watersysteem en een schonere en efficiëntere waterketen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder ver- en nieuwbouwplannen, hanteert het waterschap een
37
aantal uitgangspunten ten aanzien van het duurzaam omgaan met water, die van belang zijn als vertrekpunt van het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. In aansluiting op het landelijke beleid hanteert het Waterschap het beleid dat bij nieuwe plannen onderzocht en aangegeven dient te worden hoe omgegaan wordt met het schone hemelwater. Het uitgangspunt is om ontwikkelingen hydrologisch neutraal uit te voeren. Kortom, het initiatief mag niet leiden tot een verandering in de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse en in de directe omgeving. Het streven is daarbij om het schone en het verontreinigde water zoveel mogelijk te scheiden. Door samenwerking met de verschillende bevoegdheden (Gemeente, Provincie, Waterschap, Rijk) wordt gestreefd naar een duurzaam watersysteem. De beleidsregels behorende bij de Keur van het Waterschap Rivierenland maakt inzichtelijk welke hydrologische consequentie(s) ruimtelijke ontwikkelingen kunnen hebben op het watersysteem. Het bevat beleidsuitgangspunten, voorwaarden en normen om negatieve hydrologische consequenties te compenseren.
5.2.2
Toekomstige waterhuishoudkundige situatie Het initiatief heeft betrekking op de sloop en verwijdering van de aanwezige stallen en een aanzienlijk deel van de erfverharding. Daarnaast bestaat de ontwikkeling uit de realisatie van twee nieuwbouwwoningen en een bedrijfskavel. Aangezien de oppervlakte aan verharding die gesloopt wordt groter is dan de oppervlakte aan verharding die toegevoegd wordt, is er sprake van een afname in verhard oppervlak. Dit betekent dat vanuit het oogpunt van hydrologisch neutraal ontwikkelen er geen verdere maatregelen noodzakelijk zijn. Voor de resterende bebouwing en verharding kan de bestaande wijze van opvangen en infiltreren in stand blijven. Zo ook kunnen de bedrijfswoning en de resterende bedrijfsbebouwing zoals in de huidige situatie aangesloten blijven op het riool. Bij de nieuw te bouwen woningen dient geen grond- of hemelwater te worden afgevoerd naar de rioolwaterzuivering, oftewel niet-aankoppelen. Dit grond- of hemelwater wordt in het plangebied verwerkt. Er wordt een natuurvriendelijke oever gerealiseerd die dient als waterbergingsvoorziening. Bij afvoer of het maken van een overloop op oppervlaktewater zal dit afgestemd moeten worden met het waterschap. Hiermee vormt het aspect water geen belemmering voor onderhavig plan.
5.3
Natuur
5.3.1
Gebiedsbescherming Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming het geldend wettelijk kader wanneer het gaat om natuurbescherming. Deze wet heeft drie wetten vervangen, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, Boswet en de Flora- en faunawet. De beleidsmatige natuurbescherming die voorheen was vastgelegd in de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is opnieuw vastgelegd, maar heeft een andere naam gekregen namelijk Natuur Netwerk Nederland (NNN). Daarnaast is de specifieke soortenbescherming geëvalueerd en gemonitord. Op basis daarvan is de soortbescherming voor sommige soorten gewijzigd. Sommige soorten worden daardoor beter beschermd, andere soorten komen in een lager beschermingsregime of worden nieuw toegevoegd. De algemene zorgplicht blijft bestaan voor alle inheemse flora- en fauna. (Nieuwe) ontwikkelingen kunnen namelijk negatieve gevolgen hebben voor beschermde flora- en
38
faunasoorten. Bij negatieve effecten van ontwikkelingen kan onder andere gedacht worden aan: optische verstoring door het toevoegen van bebouwing, verlies van oppervlakte, verdroging of vernatting, vermesting en verzuring, verstoring door licht, geluid, trilling en dergelijke. Bij ruimtelijke planvorming is daarom een toetsing aan de natuurwetgeving verplicht. Het plangebied is niet binnen een Natura 2000-gebied gelegen. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden betreffen ‘De Bruuk’ en ‘Sint Jansberg’ welke op een afstand van respectievelijk 1,3 kilometer en 3,7 kilometer van het plangebied zijn gelegen. Ook blijkt dat het plangebied niet binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is gelegen. Het dichtstbijzijnde natuurgebied behorende bij Natuurnetwerk Nederland is op een afstand van circa 525 meter gelegen ten zuidoosten van het plangebied. Voor het project dient te worden aangetoond of stikstofdepositie kan optreden ter plaatse van natuurgebieden (Natura 2000). Middels berekeningen is onderzocht of vanwege de gewenste ontwikkeling stikstofdepositie ontstaat. Voor de stikstofdepositieberekeningen en bijbehorende toelichting wordt verwezen naar bijlage IV, V en VI. Uit de berekening blijkt dat de depositieresultaten niet hoger dan 0,00 mol/ha/jr. te zijn, waarmee de grenswaarde niet wordt overschreden.
De nieuwe situatie heeft dus geen negatief effect op omliggende natuurgebieden.
5.3.2
Soortenbescherming De Wet natuurbescherming regelt de bescherming en instandhouding van planten- en diersoorten die in het wild voorkomen. Daarnaast dienen alle in het wild levende planten en dieren in principe met rust te worden gelaten. Eventuele schade aan in het wild levende planten en dieren dient beperkt te worden middels het nemen van mitigerende maatregelen. Als mitigatie niet voldoende is om schade te voorkomen is het verplicht de resterende schade te compenseren. Bij ruimtelijke planvorming en ingrepen is het verplicht om een toetsing aan de natuurwetgeving uit te voeren. De pluimveestallen op het perceel zouden als verblijfsplaats voor dieren kunnen fungeren. Aangezien de stallen worden gesloopt, dient vóór de sloop te worden vastgesteld of dit een negatief effect heeft op eventueel aanwezige dier- en plantensoorten. Daarom is op 23 januari 2021 een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is als separate bijlage VII bijgevoegd. Onderstaand zijn de conclusies uit het onderzoek weergegeven. Voorgenomen ontwikkeling en de daarbij behorende werkzaamheden, zal naar verwachting geen negatief effect hebben op de staat van instandhouding van beschermde soorten. Binnen het plangebied zijn geen (verblijfplaatsen van) strikt beschermde soorten aangetroffen die door de werkzaamheden worden beïnvloed.
Uit de effectenbeschrijving blijkt dat er geen onevenredige directe of indirecte gevolgen zijn van de voorgenomen activiteiten op de voortplanting en instandhouding van beschermde dieren- en/of plantsoorten. Lokaal zullen mogelijk algemene soorten uit het plangebied trekken op zoek naar een vervangende biotoop. Het oude kippenhok dient bij voorkeur buiten het broedseizoen te worden gesloopt.
39
Voor aanvang van de werkzaamheden dient derhalve geen aanvullend onderzoek plaats te vinden. Een ontheffing met betrekking tot aantasting van beschermde soorten is niet nodig. De werkzaamheden kunnen leiden tot een beschadiging of vernietiging van mogelijke verblijfplaatsen en/of verstoring van eventueel aanwezige algemene soorten. Een algehele vrijstelling op basis van de Verordening natuurbescherming voor ruimtelijke ontwikkelingen is hierop van toepassing. De algemene zorgplicht blijft onverminderd van toepassing.
5.6
Verkeer Het toevoegen of veranderen van een functie heeft in veel gevallen een effect op het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen er optreden en of dit een effect heeft op het wegverkeer en het parkeren.
5.6.1
Mobiliteit Het pluimveebedrijf ter plaatse van de planlocatie wordt beëindigd en de pluimveestallen worden gesloopt. De woningen blijven de huidige functie behouden en op het perceel worden twee woningbouwkavels en een bedrijfskavel gerealiseerd. Onderhavige ontwikkeling zal zorgen voor een afname in het aantal verkeersbewegingen (aan- en/of afvoer van eieren, voer, mest, e.d.) ten behoeve van het agrarisch bedrijf en leiden tot een toename van het aantal verkeersbewegingen als gevolg van de twee woningen en de bedrijfskavel. In de beoogde situatie bedraagt de verkeersgeneratie van de twee woningen (2 x 8,2 =) 16,4 verkeersbewegingen en bedraagt de verkeersgeneratie van de bedrijfskavel (35 x 4,8 =) 168 verkeersbewegingen per etmaal. Gezien de verkeersgeneratie van de betreffende bestemmingen gering is, het plangebied meerdere ontsluitingen heeft en het gegeven dat de aansluitende infrastructuur voldoende restcapaciteit heeft om deze vlot en veilig af te wikkelen, levert het aspect mobiliteit geen belemmeringen op.
5.6.2
Parkeren Conform de ‘Integrale mobiliteitsvisie gemeente Berg en Dal 2016-2026’, dient voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen de parkeervraag bepaald te worden aan de hand van de richtlijnen en kencijfers uit de publicatie 381 ‘kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’ van het CROW of recenter indien beschikbaar. Conform de kencijfers van het CROW (publicatie 381) dienen er bij een vrijstaande koopwoning in 2,0 tot 2,8 parkeerplaatsen aanwezig te zijn. Bij de bestaande woningen zijn de benodigde parkeerplaatsen reeds aanwezig. Daarnaast zijn de beoogde nieuwbouwkavels voldoende groot om te voorzien in het benodigde aantal parkeerplaatsen. Tot slot dient het toekomstige bedrijf wat zich op de beoogde bedrijfskavel gaat vestigen te voorzien in voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein. De bedrijfskavel is voldoende groot om deze parkeerplaatsen te kunnen realiseren waardoor het aspect parkeren geen belemmering vormt voor de planontwikkeling.
40
HOOFDSTUK
6.1
6 Uitvoerbaarheid
Inleiding In dit hoofdstuk wordt de haalbaarheid van het bestemmingsplan aangetoond. De ontwikkeling moet zowel in financieel als in maatschappelijk opzicht haalbaar zijn.
6.2
Economische uitvoerbaarheid De kosten die gemaakt worden bij de uitvoering van de ontwikkeling zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Wanneer met een omgevingsvergunning een bouwplan, zoals gedefinieerd in artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening, mogelijk wordt gemaakt, dient conform artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening een exploitatieplan te worden opgesteld. Deze eis geldt niet indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd.
6.3
Maatschappelijke uitvoerbaarheid Het bestemmingsplan ‘Buitengebied, Koningin Wilhelminaweg 41a en 43 en Mies 17, Groesbeek’ wordt ingevolge artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening gedurende 6 weken ter visie gelegd, waarbij gelegenheid wordt geboden tot het indienen van zienswijzen. Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal 6 weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Vooruitlopend op de formele procedure heeft de initiatiefnemer zijn plannen kenbaar gemaakt aan de directe omgeving.
41