Sterke werkwoorden
Tekst van het document
Daarna wordt meer duidelijk over de planning en de aanpak.
Een voortzetting van de jongerenaanpak Zoals eerder gemeld, moet het Werkbedrijf allianties smeden met het onderwijsveld. Jongeren die in het onderwijs buiten de boot vallen, komen bij het Werkbedrijf binnen. Vaak ligt een oplossing in het onderwijs dan meer voor de hand dan een oplossing op de arbeidsmarkt, zeker als een jongere geen startkwalificatie heeft. Daarnaast kan het Werkbedrijf de kennis die het onderwijsveld al heeft, goed gebruiken. Het Werkbedrijf stelt, samen met het onderwijsveld en de regio, een sluitende keten op voor jongerenaanpak. Versterking met de onderwijsketen is verder nodig om de kloof tussen onderwijs en arbeidsmarkt te verminderen. In 2014 wordt de huidige aanpak verder doorontwikkeld. Een privaatrechtelijke rechtsvorm Het Werkbedrijf valt onder de MGR (een GR). Het nieuwe Werkbedrijf moet geen klassieke sociale dienst worden, maar krijgt een andere bedrijfscultuur. Een medewerker van het nieuwe Werkbedrijf is een flexibele netwerker, die zelf initiatieven ontplooit om kandidaten en bedrijven direct aan elkaar te verbinden. Het Werkbedrijf heeft een hoog dienstverleningsniveau, is een lerende organisatie en handelt snel, constructief en adequaat. Bij de bouw van het nieuwe bedrijf, is cultuurverandering een prioriteit.
Tijdens de bouwfase wordt nader bekeken of een privaatrechtelijke rechtsvorm voor het Werkbedrijf meer garanties biedt op de gewenste cultuurverandering en flexibiliteit. Dit
ontwikkelpunt, dat ter oriëntatie op de agenda staat, wordt met de medezeggenschapsorganen (ook ten aanzien van een eventuele derde rechtsvorm voor nieuw personeel) uitgewerkt. De positie van Support BV – die valt onder Breed – wordt in de oriëntatie en in het scenario voor de integratie van delen van Breed meegenomen. Uiteindelijk blijft het vraagstuk een bestuurlijk vraagstuk. Het is aan de kwartiermaker om dit vraagstuk nader uit te werken. De bestuurscommissie Werk maakt op basis van de uitkomsten van de verkenning een eigenstandige afweging.
mondt uit in een paper over wie die Wajongers met arbeidsmogelijkheden in de regio Sterke werkwoorden zijn en hoe zij op een effectieve en efficiënte wijze ondersteund kunnen worden bij het vinden en behouden van werk. Deze kennis zal gebruikt worden bij de ontwikkeling van de re-integratieverordening en de inrichting van het Werkbedrijf.
De positionering van kandidaten De regio hecht sterk aan actieve betrokkenheid van personen die (potentieel en daadwerkelijk) met het Werkbedrijf te maken krijgen. Verder krijgt de regio van de rijksoverheid, zoals het er nu naar uitziet, de vrijheid om actieve betrokkenheid van cliënten vorm te geven. In de Participatiewet zullen hier ook voorwaarden aan worden gesteld. In 2014 wordt met de huidige cliëntenraden het gesprek aangegaan over dit onderwerp. Wajong in beeld Vanaf 2015 gaan Wajongers met arbeidsmogelijkheden naar het Werkbedrijf. Deze groep kandidaten valt dan onder het regime van de Participatiewet. Dit gaat (op termijn) ook gelden voor het huidige zittende bestand Wajongers met arbeidsvermogen. Om zicht te krijgen op deze groep kandidaten is in 2013 een onderzoeksopdracht door gemeente én UWV uitgezet: “Wajong in beeld”. De onderzoeksopdracht
de transformatie — hoofdstuk 9 — van tien naar één
sterke werkwoorden pagina 43
transactiekosten en risico’s deel 2 > hoofdstuk 10 Om tot een nieuw Werkbedrijf te komen, zijn er eenmalige transitiekosten en is er een risico op frictiekosten. Op beide onderdelen wordt in deze paragraaf ingegaan. Voorafgaand hieraan, wordt stilgestaan bij gemeentelijke keuzes. .
1 0 . 1 Ge m ee n t e l i j ke ke u z es Alle gemeenten zetten op dit moment meer middelen dan enkel het participatiebudget in voor re-integratie. In totaal gaat het om een budget van ongeveer € 5,6 miljoen. Gemeenten doen dit op verschillende manieren: 1. door inzet van extra personeel ten laste van gemeentelijke middelen; 2. door doorbelasting van overhead; 3. door inzet van extra programmagelden voor bijvoorbeeld leerwerkplekken.
de transformatie — hoofdstuk 10 — transactiekosten en risico’s
sterke werkwoorden pagina 44
transactiekosten en risico’s In onderstaande tabel een overzicht van deze extra middelen. [zie schema] De middelen in deze tabel, die gemeenten op dit moment feitelijk inzetten voor extra dienstverlening, worden niet overgeheveld naar het Werkbedrijf. Het Werkbedrijf wordt gebouwd op een lager budget dan er op dit moment werkelijk wordt uitgegeven aan re-integratieactiviteiten. Gemeenten bepalen lokaal wat ze met deze middelen in de nieuwe situatie gaan doen.
Omdat het nieuwe financiële kader van het Werkbedrijf lager is dan het huidige financiële kader van de regiogemeenten voor werk en re-integratie, heeft dit consequenties voor de omvang van de dienstverlening. Aangeven hoeveel extra kandidaten cq bedrijven we kunnen bedienen met deze middelen.
Extra middelen voor Categorie 1 Categorie 2 Categorie 3 re-integratie (* 1000 euro) Beuningen
73
83
Druten
35
28
Groesbeek
152
92
Heumen
15
10
Millingen aan de Rijn
81
44
Mook en Middelaar
0
76
Nijmegen
451
1.380
Ubbergen
63
88
Wijchen
0
236
Totaal
870
2.037
2.802
2.802
1 0 . 2 F r i ct ies - e n desi n t e g r at ie r isi c o Bij het opzetten van het nieuwe Werkbedrijf, wordt uitgegaan van budgetneutraliteit voor alle deelnemende gemeenten samen en individueel. Daarbij dragen de deelnemende gemeenten zelf (primair) de frictiekosten en wordt een eventueel nadeel bij de ene gemeente gedekt uit een voordeel dat eventueel elders ontstaat. Dit geldt gedurende een periode van drie jaar. Drie jaar wordt gezien als een redelijke periode, waarbinnen deelnemende gemeenten hun fricties kunnen terugdringen. De afgelopen periode heeft de regionale projectgroep Financiën berekend of het streven van budgetneutraliteit haalbaar is. Dit lijkt haalbaar te zijn. De omvang van de frictiekosten is nu niet te bepalen, omdat dit voor een belangrijk deel afhankelijk is van de wijze waarop de overgang van het personeel naar het Werkbedrijf gaat plaatsvinden (sociaal plan). In 2014 wordt dit in een businesscase nader uitgewerkt en worden de effecten per gemeente zichtbaar. Voor de frictie die ontstaat zijn de geformuleerde universele uitgangspunten voor regionalisering in de regio leidend. Een belangrijke variabele in deze discussie is het instapniveau voor personeel bij het nieuwe Werkbedrijf. Hoe hoger de lat gelegd wordt, hoe meer financiële ruimte er ontstaat bij het Werkbedrijf en hoe meer fricties er zijn bij de deelnemende gemeenten.
Een hogere ambitie leidt – zeker wanneer deze op korte termijn gerealiseerd moet worden – tot hogere fric-
tiekosten. Het streven is om de frictie voor alle partijen zo minimaal mogelijk te laten zijn. De komende periode gaat de kwartiermaker in gesprek met alle betrokkenen om een inrichtingsplan, functieprofielen en een sociaal plan vast te stellen. Het ambitieniveau van de regio met het nieuwe Werkbedrijf is hoog; zeker met het uitgangspunt dat personeel de mogelijkheid moet krijgen om naar het instapniveau en het basisniveau toe te groeien. Voor de PIOFACH-functies (PIOFACH: personeel, ICT, organisatie, financiën, administratie, communicatie en huisvesting) treedt de gemeente Nijmegen – net als bij de ODRN – op als gastheer. Nijmegen stelt zich flexibel op richting de regiogemeenten, als daar fricties ontstaan. Voor de frictie die ontstaat, zijn de geformuleerde uitgangspunten voor de regio geldend. Voor de overige ondersteunende functies geldt dat, op basis van gezamenlijke randvoorwaarden, de bedrijfseconomisch meest gunstige (goedkoopste) oplossing wordt gekozen op regionaal niveau. Als een gemeente een andere (duurdere) oplossing wil, draagt zij zelf de meerkosten. Gedurende de transformatie naar het nieuwe Werkbedrijf, worden de deelnemende gemeenten nauw betrokken bij de overgang van de medewerkers naar het Werkbedrijf.
de transformatie — hoofdstuk 10 — transactiekosten en risico’s
sterke werkwoorden pagina 45
transactiekosten en risico’s 1 0 . 3 T r a n si t iek o s t e n De bouw van een nieuw bedrijf gaat gepaard met transitiekosten. In 2014 wordt een kwartiermaker aangesteld die ondersteuning nodig heeft en vanaf 2015 moet een aantal zaken ontwikkeld worden (investeringen in ICT die los staan van frictiekosten, extra ondersteuning, het geven van een impuls aan de marktpositionering van het nieuwe bedrijf, etc.). Hiervoor begroten de gemeenten gezamenlijk een budget van € 1.500.000, dat uitgesmeerd wordt over 2014 tot en met 2016. Dit is een vergelijkbaar bedrag als het bedrag dat is ingezet voor de overgang naar de ODRN. Jaarlijks vindt verantwoording plaats op de inzet van dit budget.
In de tabel hieronder staat een onderbouwing voor dit transitiebudget. [zie schema]
1 0 . 4 V e r dee l s l e u t e l Zoals al aangegeven gaat de transitie naar het Werkbedrijf uit van budgetneutraliteit. Toch is het goed om aan de voorkant af te spreken hoe verevening plaats gaat vinden in geval van tegenvallers én bij de transitiekosten. Voorgesteld wordt om dit alleen te laten gelden voor het bedrijf in de huidige startsituatie. Op het moment dat (onderdelen van) Breed worden toegevoegd aan het Werkbedrijf wordt dit herzien.
Transitiebudget
bedrag
Kwartiermaker Projectleider (2x) Ondersteuning P&O Financiële ondersteuning Juridische ondersteuning Fiscale ondersteuning Vergaderkosten Oprichting, opleiding en advies OR Vertrouwenspersoon vakbond Functiewaardering Opleidingskosten Inrichting systemen en coördinatie Begeleiding, investeringen in de cultuur Huisstijl ontwikkelen, intranet en website Verhuizing Onvoorzien (10%) Totaal
135.000 180.000 90.000 90.000 50.000 50.000 10.000 20.000 10.000 35.000 250.000 250.000 80.000 50.000 50.000 150.000 1.500.000
gemeente
Verdeling van de transitiekosten over de gemeenten: - 50% op basis van het inwoneraantal per eind 2012 - 50% op basis van het aantal bijstandsgerechtigden eind 2012 Uitgaande van deze verdeling is er sprake van de volgende inzet van middelen ten behoeve van de transitiekosten (paragraaf 10.3), over een periode van drie jaar per gemeente. [zie schema rechtsonder]
1 0 . 5 S p e c i f ieke g e m ee n t e n De gemeenten Mook en Middelaar en West Maas en Waal hebben een aparte status in dit traject. Mook en Middelaar participeert niet in Breed, maar gaat wel participeren in de MGR en in het nieuwe Werkbedrijf. West Maas en Waal participeert wel in Breed, moet nog bepalen of ze participeert in het nieuwe Werkbedrijf. inwoners
klanten
Transitiebudget
Beuningen Druten Heumen Ubbergen Nijmegen Mook en Middelaar Groesbeek Wijchen Millingen aan de Rijn
61.394 44.130 39.893 23.041 403.367 18.975 46.084 98.753 14.362
25.646 17.188 16.006 11.459 588.032 6.366 24.372 51.291 9.640
87.040 61.318 55.899 34.500 991.399 25.341 70.456 150.044 24.002
Totaal
750.000
750.000
1.500.000
Mook en Middelaar krijgt – net als de andere gemeenten – een plek in het Algemeen Bestuur van de MGR. Omdat Mook en Middelaar op dit moment niet participeert in Breed, maar in een ander SW-bedrijf (Intos), worden er in de toekomst afspraken gemaakt over wat dit betekent voor de risicoverdeling. Die afspraken kunnen pas gemaakt worden nadat gekozen is voor een scenario voor de integratie van delen van Breed in het nieuwe Werkbedrijf en nadat duidelijk is hoe Mook en Middelaar in de toekomst omgaat met de huidige SW-ers. Uitgangspunt is dat Mook en Middelaar niet twee keer verantwoordelijk kan zijn voor een risico op de SW. Na de keuze van een scenario voor de integratie van Breed en de keuze van West Maas en Waal over óf ze participeert in het nieuwe Werkbedrijf, wordt gekeken welke exacte consequenties er zijn voor West Maas en Waal en worden ook met deze gemeente nadere afspraken gemaakt.
1 0 . 6 Risi c o ’ s Deze risicoparagraaf heeft tot doel om verantwoording af te leggen over en inzicht te geven in de risico’s die voor het Werkbedrijf (zowel procesmatig als voor het bedrijf zelf) van belang zijn. Het is essentieel dat de risicoparagraaf voldoende vooruitkijkt naar toekomstige risico’s in beleid, uitvoering en de gevolgen ervan voor de middelen. De risicoparagraaf geeft informatie over de houdbaarheid van de strategie voor de komende periode. In deze pa-
de transformatie — hoofdstuk 10 — transactiekosten en risico’s
sterke werkwoorden pagina 46
transactiekosten en risico’s ragraaf worden de grootste risico’s benoemd. De frictiekosten komen in deze paragraaf niet meer aan de orde. Verslechtering uitstroomcijfers De transitie naar het nieuwe Werkbedrijf, mag niet ten koste gaan van de uitstroomcijfers. Deze beweging kan elders in de gemeentelijke organisaties namelijk extra kosten opleveren (inkomensdeel: uitkeringsverstrekking). Deelnemende gemeenten maken individueel afspraken met het Werkbedrijf over de te leveren prestaties en leggen deze vast in een dienstverleningsovereenkomst en het Werkbedrijf heeft de inspanningsverplichting deze prestaties te realiseren. Tijdens een uitvoeringsperiode vindt er terugkoppeling plaats tussen het Werkbedrijf en de deelnemende gemeente over de realisatie. Op het moment dat er grote afwijkingen zijn tussen de afspraken en de realisatie, komt dit in eerste instantie aan de orde in dit overleg. De afspraken die het Werkbedrijf met de deelnemende gemeenten maakt en de prestatierealisatie van het Werkbedrijf per gemeente, zijn transparant.
Als blijkt dat er grote verschillen zitten tussen de realisatie van het Werkbedrijf en de prestaties van de vroegere gemeentelijke afdelingen Werk, en dit niet toe te schrijven is aan: - een krimp van het budget; - een vertaling van beleidsmatige kaders in de DVO; - en/of specifieke demografische en of economische ontwikkelingen, dan wordt dit onderwerp geagendeerd in de bestuurscommissie Werk (met de portefeuil-
lehouders Werk). De regio hanteert op dat moment een solidariteitsprincipe, waarbij het uitgangspunt is dat compensatie in principe gerealiseerd wordt door extra inspanning van het Werkbedrijf. Tekorten op de WSW De financiële doorrekeningen van het wetsvoorstel Participatiewet leert dat gemeenten de komende jaren moeten toeleggen op de uitvoering van de WSW. De meerkosten zullen gefinancierd moeten worden. Als deze uit het gebundelde participatiebudget betaald worden, blijft er voor andere werkzoekenden minder budget over. Op dit moment worden deze tekorten door een aantal gemeenten gedekt uit de algemene middelen. Het is de uitdaging voor het Werkbedrijf om zoveel mogelijk mensen te plaatsen bij reguliere werkgevers. En om het werk op een krapper wordende arbeidsmarkt zo te organiseren, dat mensen met een grotere afstand tot de arbeidsmarkt meer participeren dan nu het geval is. Financieringsbasis beschut werk Het rijk hanteert als uitgangspunt dat mensen die minder loonwaarde hebben dan 40%, in aanmerking komen voor beschut werk. De VNG verwacht dat voor deze doelgroep de loonwaarde dichter bij de 30% zal liggen. Als de rijksoverheid er vanuit gaat dat de groep mensen waarvoor het Werkbedrijf diensten verleent, dichter bij de arbeidsmarkt staat dan feitelijk het geval is en haar financiering hierop aanpast, is dit een risico voor gemeenten.
Het rijk en de VNG zijn ook nog in gesprek over de
budgetten voor begeleiding van beschut werk, regulier werk en de Wajong. Het Rijk gaat nu uit van lagere gemiddelde uitvoeringskosten. Systematiek Gemeentefonds De rijksoverheid overweegt de uitvoeringskosten (deels) mee te laten lopen onder de systematiek van het Gemeentefonds. Nadeel van die keuze is dat – in tegenstelling tot nu – de budgetten niet veranderen ten tijde van bijvoorbeeld crisis, terwijl het aantal uitkeringsgerechtigden op zo’n moment wel stijgt. BTW-risico Het opstarten van het Werkbedrijf heeft consequenties voor de BTW en daarmee de financiële dekking van het Werkbedrijf. Het risico bestaat dat BTW ontstaat en ongemerkt een kostenpost vormt die er voorheen niet was. Bij de verdere keuzes en inrichting van het Werkbedrijf moet hier rekening mee worden gehouden (soort activiteiten, vorm van bekostigen, huisvesting, etc.).
accountant. Wijzigingen in de wet- en regelgeving kunnen effect hebben op de wijze waarop de lasten van het Werkbedrijf gedekt kunnen worden. Momenteel voert de gemeenteaccountant (van Nijmegen) een onderzoek uit om de mogelijke risico’s op dit punt in beeld te brengen. De verwachting is overigens – op basis van een brief van het rijk – dat wijzigingen in wet- en regelgeving een positief effect zullen hebben op de verantwoordingswijze van de Participatiemiddelen. Afbouw Participatiebudget of niet doorgaan Participatiewet Tenslotte bestaat het toekomstige risico dat de rijksoverheid besluit de Participatiewet af te schaffen of Participatiebudget verder af te bouwen dan wel af te schaffen. Op dat moment ontstaat er frictie, omdat de formatie niet meer gedekt kan worden met de participatiebudgetten. Niet anders dan nu, maar wel een reden om te werken met een flexibele schil. Ook is de Participatiewet nog niet vastgesteld.
Een complex transitieproces Het transitieproces is een complex proces: het nieuwe Werkbedrijf heeft straks één personeelsbestand, één ICT-systeem en is goed toegankelijk. Dat is in veel opzichten een uitdaging. Verantwoording Participatiemiddelen Bij de inrichting van het Werkbedrijf en de dekking van de lasten van het Werkbedrijf is uitgegaan van de huidige wet- en regelgeving en de afspraken die daarover gemaakt zijn met de
de transformatie — hoofdstuk 10 — transactiekosten en risico’s
sterke werkwoorden pagina 47
de eerste module van de MGR deel 3 > hoofdstuk 11 1 1 . 1 N u e n s t r aks Binnen de module “Werkbedrijf” zijn er diverse maatschappelijke doelstellingen. Deze doelstellingen zijn in deel 1 van dit plan beschreven en sluiten aan op de functies die het Werkbedrijf van ons krijgt. Deelnemende gemeenten willen dat het Werkbedrijf diensten levert aan bedrijven en dat mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt naar zo regulier mogelijk werk worden geholpen. In de huidige situatie sturen de lokale gemeenteraden op hoofdlijn op een tweetal aspecten: 1. Gemeenten willen de stijging van het aantal bijstandsgerechtigden beperken. Dit gebeurt door de instroom in de bijstand te beperken en de uitstroom te bevorderen. De mogelijke interventies zijn veelal een mix van handhavings- en re-integratieactiviteiten. 2. Daarnaast verwachten de gemeenten van Breed dat zij op termijn 85% van de SW-medewerkers bij reguliere werkgevers detacheert, individueel of in groepsverband. Alle activiteiten van de gemeentelijke afdelingen Werk, zijn erop gericht om mensen zo snel mogelijk aan het werk te helpen. Gemeenten gaan op dit moment niet over de arbeidsmatige dagbesteding. De AWBZ-instellingen die dit vormgeven, hebben hierover geen afspraken met gemeenten. Soms wordt
er samengewerkt of geëxperimenteerd, omdat partijen elkaar steeds beter vinden. UWV voert op dit moment de Wajong uit. In de toekomst zullen gemeenten anders sturen. Dan komt de regie over de participatieketen aan de onderkant van de arbeidsmarkt onder de vlag van de gemeente. Dit betekent ook dat de deelnemende gemeenten opnieuw na moeten denken over de doelen die zij stellen. Dit wordt een zoektocht, want de regio weet nog niet hoeveel kandidaten met welk budget goed geholpen kunnen worden en welke methode het meest geschikt is. Met de groep mensen die arbeidsmatige dagbesteding krijgen, heeft de gemeentelijke overheid nog helemaal geen ervaring. Niemand zal betwisten dat zoveel mogelijk kandidaten naar zo regulier mogelijk werk moeten worden geleid. Maar als er echte keuzes gemaakt moeten worden, ontstaat het debat. Het Werkbedrijf moet dit debat faciliteren. Waar wordt per deelnemende gemeente tijd en energie in gestoken? In nieuwe instroom of in het zittende bestand, in het werven van vacatures of in het ondersteunen van lokale zorgstructuren, in jongere werklozen of in oudere werklozen? In de informatievoorziening aan de deelnemende gemeenten, staan de prestatieindicatoren uit paragraaf 7.6 centraal.
aansturing van het werkbedrijf — hoofdstuk 11 — de eerste module van de MGR
sterke werkwoorden pagina 48
de eerste module van de MGR Dit betekent dat raadsleden hier kaders voor moeten stellen: aan welke groep mensen biedt een gemeente ondersteuning. Collegeleden vertalen deze kaders in goed overleg met het Werkbedrijf naar dienstverleningsovereenkomsten.
1 1 . 4 Maat we r k Van het totaalbudget gaan de kosten af voor de basisdienstverlening en de verplichtingen uit het verleden. Het budget dat overblijft, wordt gebruikt om lokale kleur toe te voegen aan het Werkbedrijf.
1 1 . 2 MGR De regio heeft aangegeven een flexibel organisatiemodel te willen voor het Werkbedrijf en de regio. De ontwikkelingen in deze context – zowel op het sociaal domein als op het domein van de bestuurlijke indeling van Nederland – is dynamisch. Daar past geen star model bij. Dit, en het uitgangspunt dat de regiogemeenten zelf vrijheidsgraden willen behouden om keuzes te maken, maakt dat de voorkeursvariant de “modulaire gemeenschappelijke regeling (MGR)” is. Deze rechtsvorm wordt beschreven in het document In een goede relatie geef je elkaar de ruimte.
1 1 . 5 D ie n s t ve r l e n i n g s o ve r ee n komst Iedere deelnemende gemeente sluit met (de module Werkbedrijf van de) MGR een dienstverleningsovereenkomst (DVO) af. In die DVO staat een aantal standaardbepalingen. Daarnaast bestaat de DVO uit afspraken over de te leveren prestaties: de basisdienstverlening en de maatwerkafspraken.
1 1 . 3 B asisdie n s t ve r l e n i n g De regiogemeenten kiezen ervoor een aantal zaken gezamenlijk te ontwikkelen in de basisdienstverlening van het Werkbedrijf. Het gaat dan om de uitvoering van de bedrijfsdienstverlening, verbindingsfunctie en kandidaatsbenadering met prioriteit voor jongeren, instroom en een deel van het zittend bestand. Een belangrijk onderdeel is de uitvoering van de (uniforme) instrumenten om bedrijven en kandidaten aan elkaar te verbinden. De uitgangspunten hiervoor staan in de hoofdstukken 2 tot en met 4.
worden. In de DVO per module wordt naar deze algemene afspraak verwezen. Het staat gemeenten altijd vrij om via een DVO aanvullende afspraken te maken. In de verantwoording van de MGR (module Werkbedrijf) staan de functies centraal die in de hoofdstukken 2 tot en met 4 beschreven worden en de indicatoren die in paragraaf 7.6 staan. In de verantwoording wordt één verdiepingsslag gemaakt, zodat bijvoorbeeld de categorie “ontwikkeling naar werktrajecten” kan worden onderverdeeld in subcategorieën. Door middel van de DVO wordt het Werkbedrijf aangestuurd op hoofdlijnen en dus op hoofdcategorieën.
1 1 . 5 . 2 P r es tat iea f s p r ake n In de DVO worden prestatieafspraken vastgelegd met het Werkbedrijf. Het betreft de prestaties op basis van het kader zoals beschreven in de hoofdstukken 2 tot en met 4. In hoofdstuk 7 wordt geschetst welk financieel kader gemeenten hebben om maatwerkafspraken met het nieuwe Werkbedrijf te maken. In 2014 werkt de kwartiermaker – in overleg met de vakinhoudelijke portefeuillehouders – de eerste DVO’s uit.
1 1 . 5 . 1 S ta n daa r dbe pa l i n g e n De belangrijkste standaardbepaling in de DVO is een bepaling over de verantwoording op financiën en prestaties. De MGR – waar het Werkbedrijf een onderdeel van is – stelt één jaarrekening op met daarin één financiële verantwoording. Alle modules (het Werkbedrijf is in het begin de enige module) komen terug binnen die financiële verantwoording en per module wordt de relatie gelegd met de deelnemende gemeenten. Hetzelfde geldt voor de verantwoording op prestaties: op modulair niveau verantwoordt de MGR, per gemeente, of de afgesproken prestaties geleverd zijn. Dat betekent dat in de algemene verantwoording en begroting transparant wordt welke activiteiten per gemeente afgesproken en gerealiseerd
aansturing van het werkbedrijf — hoofdstuk 11 — de eerste module van de MGR
sterke werkwoorden pagina 49
de eerste module van de MGR 1 1 . 5 . 3 Teke n bev o e g dheid Het besluit tot het aangaan van een DVO is een bevoegdheid van het college. De vakinhoudelijke portefeuillehouder(s) voert/voeren de gesprekken met de directie van de MGR over de DVO. Binnen de individuele colleges vindt afstemming plaats, ook vanwege de nauwe verbinding tussen het domein Werk en andere domeinen zoals Inkomen, Onderwijs, Economie en Zorg en Welzijn. Het is de verantwoordelijkheid van elke afzonderlijke gemeente om de DVO vorm te geven en hierin de gemeenteraad te betrekken. In het traject naar een DVO wordt rekening gehouden met het moment waarop gemeenten hun voorjaarsnota vaststellen. Op dit moment maken gemeenten strategische keuzes, die vertaald worden in DVO’s. Dit betekent ook dat de informatievoorziening van het Werkbedrijf op dit moment gericht moet zijn. Dat de gemeenteraden – ruim voordat een DVO moet worden afgesloten – de juiste informatie krijgen om kaders te kunnen stellen.
1 1 . 5 . 4 Ove r i g e z ake n Het woord “dienstverleningsovereenkomst” zegt het al: een overeenkomst is tweezijdig. Dat is anders dan bijvoorbeeld een subsidiebesluit, waarin de relatie eenzijdiger is. Deelnemende gemeenten verwachten dienstverlening van het Werkbedrijf, maar het Werkbedrijf mag deelnemende gemeenten ook aanspreken op een aantal onderwerpen. Te denken valt dan bijvoorbeeld aan het openstellen van gebouwen. Hiervoor is ruimte in de DVO’s. Inzet van extra middelen kan ook via een DVO ingebracht worden, inclusief andere afspraken over samenwerking.
1 1 . 6 Re g e l i n g - e n g e m ee n t e o n a f ha n ke l i j k Via een DVO kunnen veel zaken geregeld worden met de module Werkbedrijf. Belangrijk uitgangspunt bij het organiseren van lokaal maatwerk is wel dat de oplossingsrichting regeling- en gemeenteonafhankelijk is. De regio bouwt een Werkbedrijf om de dienstverlening onafhankelijk te maken van regelgeving én eenduidig voor kandidaten en bedrijven. Lokaal initiatief en maatwerk zijn uiteraard mogelijk en de MGR denkt daar altijd - als vanzelfsprekend - over mee. Maar, nieuwe fragmentatie moet in dit licht voorkomen worden.
1 1 . 7 G o ve r n a n c e Het Werkbedrijf is de eerste module van de MGR en krijgt een bestuurscommissie. Dit
wordt de bestuurscommissie Werk, die binnen MGR-verband verantwoordelijk is voor het voeren van de regie over het instrumentarium en het vaststellen van de deelbegroting van het Werkbedrijf. Deze bestuurscommissie krijgt alle bevoegdheden die nodig zijn om het Werkbedrijf aan te sturen. De voorzitter van de bestuurscommissie vertegenwoordigt het bestuur van de MGR voor de module Werkbedrijf. De delegatie van deze bevoegdheden wordt binnen de MGR geregeld. De gemeenteraden geven hiervoor een verklaring van geen bezwaar af (formeel volgens de Wgr). Dit gebeurt na juli 2014.
1 1 . 8 B ev o e g dhede n o ve r d r a g e n De gemeenteraden bepalen de strategische beleidskaders en de MGR voert uit. De vertaalslag tussen beide vindt plaats in gesprekken tussen verantwoordelijke portefeuillehou-
ders en de directie van de MGR en landt in de dienstverleningsovereenkomst. Het AB borgt samenwerking en samenhang tussen de modules en de set aan instrumenten. Het DB is daarnaast verantwoordelijk voor het bedrijfsvoeringsonderdeel, dat is doorgemandateerd aan de directie. Bij het toevoegen van modules aan de MGR, blijft bovenstaande rolverdeling een uitgangspunt. Alle bevoegdheden van gemeenten die uitvoeringstechnisch van aard zijn, worden als bevoegdheid aan de MGR overgedragen. In het geval van het Werkbedrijf is dat het vaststellen van één re-integratieverordening voor het Sterke werkwoorden. In de dienstverleningsovereenkomst bepaalt de MGR, in overleg met deelnemende gemeenten, hoe de instrumenten uit die re-integratieverordening worden ingezet.
aansturing van het werkbedrijf — hoofdstuk 11 — de eerste module van de MGR
sterke werkwoorden pagina 50
vervolg deel 4 > hoofdstuk 12 1 2 . 1 K wa r t ie r m ake r Vanaf 1 januari 2014 wordt een kwartiermaker aangesteld die de opdracht krijgt het Werkbedrijf in te richten en in 2014 uitvoering te geven aan de ontwikkelagenda (zie paragraaf 9.7). Het regionale Portefeuillehoudersoverleg (PFO) Sociale Zaken – en het Bestuursteam Werk als afgeleide hiervan – is de opdrachtgever voor de implementatie van “Sterke werkwoorden” en het bijbehorend raadsbesluit. De gemeentesecretarissen fungeren als opdrachtnemer, waken voor de integrale koers (MGR) en sturen de kwartiermaker aan. Vanuit deze groep krijgt één gemeentesecretaris het mandaat - namens de regio - voor de dagelijkse aansturing van de kwartiermaker. De kwartiermaker wordt aangesteld voor een periode van één jaar, met een optie tot verlenging tot juli 2015.
De kwartiermaker zoekt en maakt daarnaast verbindingen met andere partijen, zoals werkgevers, UWV, de AWBZ- en onderwijsinstellingen en gemeentelijke afdelingen. De kwartiermaker wordt ondersteund door een bouwteam met experts.
Belangrijk daarbij is dat de kwartiermaker zich focust op het nieuwe Werkbedrijf. Daarnaast ontwikkelt Breed scenario’s voor de integratie van (onderdelen van) Breed in het nieuwe Werkbedrijf en de consequenties hiervan voor de eventuele resterende activiteiten en onderdelen. Breed blijft verantwoordelijk voor besluitvorming en uitvoering die vanuit het perspectief van Breed noodzakelijk zijn voor de integratie richting het nieuwe Werkbedrijf. De kwartiermaker werkt hierbij nauw samen met Breed.
het vervolgproces — hoofdstuk 12 — vervolg
sterke werkwoorden pagina 51
vervolg 1 2 . 2 B e t r o kke n heid p e r s o n ee l De OR en de werknemersvertegenwoordigers hebben in eerder stadium een concept van dit werkboek ontvangen. Zij hebben hun bevindingen aan de gemeentesecretarissen kenbaar gemaakt. Na besluitvorming in colleges op dit werkboek, worden de OR en de werknemersvertegenwoordigers formeel om advies gevraagd. Besluitvorming vindt onder voorbehoud hiervan plaats. In het vervolg wordt de betrokkenheid van personeel onder andere vormgegeven in een aantal (formele) momenten. De kwartiermaker betrekt deze partijen bij de uitwerking van: 1. een Sociaal Plan. Hierin staan onder andere de rechtspositionele afspraken voor de overgang (in detail)inclusief de overgangsregelingen. Verder wordt er aandacht besteed aan onder andere de plaatsingsprocedure en de “was-wordt-lijst”. Over de inhoud van dit Sociaal Plan wordt, met het doel overeenstemming te bereiken, in een Bijzonder Georganiseerd Overleg (BOG) onderhandeld tussen de werkgeversgeleding (vertegenwoordigd door bestuurders) en werknemersvertegenwoordiging (vertegenwoordigd door vakbondsbestuurders); 2. een Inventarisatie van Arbeidsvoorwaarden. Deze inventarisatie geeft een scherp beeld van de huidige arbeidsvoorwaarden van het personeel van de deelnemende partijen. Hierbij wordt ook duidelijk gemaakt welke verschillen er tussen de organisaties zijn; 3. een voorstel arbeidsvoorwaarden.
Ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden wordt aan sluiting gezocht bij het bestaande stelsel van
arbeidsvoorwaardenregelingen zoals het CAR/UWO; 4. een functieboek. In het functieboek worden functies in de nieuwe organisatie beschreven, inclusief de functiewaardering. Het Werkbe drijf maakt gebruik van het nieuwe functie boek van Breed.
verschillende partijen worden deze producten ontwikkeld en klaargezet om een goede start te kunnen maken vanaf 1 januari 2015. Dit proces wordt ondersteund door een expertteam P&O; hierin zitten de collega P&O-ers vanuit de verschillende gemeenten. Het medezeggenschapstraject krijgt een prominente plek in het spoorboekje.
1 2 . 3 V e r v o lg p r o c es In het werkdocument “Samen Sterker” zijn drie fasen onderscheiden: - In fase 1 werd het voornemen uitgesproken om te komen tot een modulaire gemeenschappelijke regeling (Samen Sterker, besluitvorming in februari 2013); - In fase 2 is dit werkboek ten behoeve van besluitvorming door de gemeenteraden geschreven; - In fase 3 wordt het bedrijf gebouwd door een kwartiermaker en een bouwteam. Tevens dient in deze fase de latende organisatie heringericht te worden. Dit vindt plaats binnen de eigen organisatie.
De colleges zijn betrokken bij de bouw van de nieuwe organisatie. Voor een aantal stappen is besluitvorming nodig. Soms – bijvoorbeeld bij het wijzigen of toedelen van een bevoegdheid aan het Werkbedrijf – moeten de gemeenteraden een besluit nemen. De gemeenteraden worden goed geïnformeerd over de voortgang van de transformatie. Als er sprake is van afwijkingen van de kaders in dit document, worden de gemeenteraden in een vroeg stadium betrokken. Indien nodig (bijvoorbeeld ingeval van grote afwijkingen en een heroverweging van de colleges), dan krijgen de raden de mogelijkheid om een nieuwe afweging te maken.
1 2 . 4 Ui t t r ede n u i t de MGR Separaat aan besluitvorming over dit werkboek, besluiten de regionale gemeenteraden over de bouw van een MGR. Indien alle raden instemmen, heeft de regio begin 2014 een MGR met een Algemeen Bestuur. Dat AB stelt een bestuurscommissie Werk in en zorgt voor de interne overdracht van bevoegdheden van het AB en het DB naar deze bestuurscommissie. Iedere gemeenschappelijke regeling heeft een procedure met betrekking tot uittreding. De regio gaat er vanuit dat een gemeente, indien gewenst, uit moet kunnen treden zonder dat toestemming van de meerderheid van deelnemende gemeenten is vereist. Wel worden – door bijvoorbeeld personele consequenties, consequenties ten aanzien van investeringen of andere financiële consequenties – voorwaarden verbonden aan uittreding. Deze gaan bijvoorbeeld over het bedrag dat een gemeente voor de uittreding moet betalen aan de regeling, ter compensatie van eventuele schade.
Er wordt een spoorboekje opgesteld met een overzicht van wat er wanneer op het P&Ogebied moet plaatsvinden. Zo kan de regio met ingang van 1 januari 2015 op het personele vlak, spreken van de nieuwe organisatie Werkbedrijf. Om een succesvolle transitie en overgang te kunnen realiseren, wordt een flink aantal producten ontwikkeld en bijbehorende processen ingericht. Ook is aandacht voor de ontwikkelagenda HRM bij de start van het nieuwe Werkbedrijf. In samenwerking met de
het vervolgproces — hoofdstuk 12 — vervolg
sterke werkwoorden pagina 52
colofon Sterke werkwoorden is geschreven in opdracht van het regionale portefeuillehoudersoverleg Sociale Zaken. De opdracht is uitgevoerd door het bestuursteam Werk en Inkomen. Sterke werkwoorden is besproken in het portefeuillehoudersoverleg Sociale zaken.
infographics: Studio Lakmoes ontwerp en vormgeving: mado.nu
© november 2013
colofon — sterke werkwoorden pagina 53