CConstaterende datBerg en Dal
Koppel je AI →
Document · PDF

M48 Bijlage 1 - Toelichting en regels BP Herontwikkeling Schoollocatie fase 3 MadR

Gemeenteraad 16 december 2021, gemeente Berg en DalBij agendapunt: Schriftelijke mededelingen c.q. informatie van het college van burgemeester en wethouders ter kennisname21.183 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Dit uitgangspunt is uitgewerkt in het landelijk informatiedocument ‘Handleiding Geur Industrie’ en beschrijft de methodiek voor de bepaling van het aanvaardbaar hinderniveau voor geur ten gevolge van bedrijfsmatige activiteiten. Vanwege het lokale aspect van geurhinder is de hoogte van het aanvaardbaar hinderniveau niet landelijk vastgelegd. Het bevoegd gezag moet daar een eigen afweging in maken. De provincie Gelderland heeft deze afweging uitgewerkt in de ‘Beleidsregels geur bedrijven (niet-veehouderijen) Gelderland 2017’ voor de industriële bedrijven waarvoor de provincie het bevoegde gezag is. Daarin is het aanvaardbaar geurhinderniveau vertaald naar streef-, richt- en grenswaarden. De streefwaarde is de waarde waaronder geen sprake is van hinder. De grenswaarde is de waarde waarboven sprake is van ernstige hinder. Over het algemeen wordt een geurcontour die ligt tussen streef- en grenswaarde als aanvaardbaar geurhinderniveau vastgesteld en vastgelegd in de milieuvergunning voor een industrieel geurrelevant bedrijf.

4.6.2

Doorvertaling bestemmingsplan

Er is geen sprake van agrarische bedrijven in de directe omgeving van het plangebied, met een geurcontour die (deels) over het plangebied ligt. Bovendien zijn tussen de omliggende agrarische bedrijven en het plangebied andere gevoelige (woon)bestemmingen gelegen, die maatgevend zijn voor de bedrijfsvoering van de betreffende agrarische bedrijven. Het aspect 'geurhinder' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.7

Externe veiligheid

4.7.1

Regelgeving

Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's die ontstaan voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen als vuurwerk, lpg en munitie over weg, water en spoor en door buisleidingen. Het beleid rondom externe veiligheid is vastgelegd in circulaires, regelingen, AMvB's en wetten. In Nederland worden twee maten gehanteerd voor externe veiligheidsrisico's, namelijk het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Bij het plaatsgebonden risico (PR) gaat het om de kans per jaar dat een denkbeeldig persoon overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen als deze persoon zich onafgebroken en onbeschermd in de nabijheid van een risicovolle inrichting of transportas bevindt. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven als een contour rondom de risicovolle inrichting of de transportas.

(ontwerp)

27

bestemmingsplan Herontwikkeling Schoollocatie fase 3, Millingen aan de Rijn Het groepsrisico (GR) is de cumulatieve kans dat een (werkelijk) aanwezige groep van 10, 100 of 1.000 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico moet verantwoord worden voor het gebied waarbinnen zich de gevolgen van een incident met gevaarlijke stoffen voordoen. Dit is de zogenaamde 1 %-letaliteitsgrens; de afstand vanaf een risicobedrijf waarop nog slechts 1 % van de blootgestelde mensen in de omgeving overlijdt bij een ongeval op het risicobedrijf (invloedsgebied). Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein, bijvoorbeeld rondom chemische fabrieken, LPG-tankstations en spoorwegemplacementen waar goederentreinen met gevaarlijke stoffen rangeren. Deze bedrijven verrichten soms risicovolle activiteiten dichtbij woningen, kantoren, ziekenhuizen, scholen of winkels. Het besluit verplicht gemeenten en provincies wettelijk vanaf de inwerkingtreding van het besluit bij het verlenen van milieuvergunningen en het maken van ruimtelijke plannen met externe veiligheid rekening te houden. Het gaat daarbij niet alleen om het oprichten van of veranderen van inrichtingen of projecteren van nieuwe bestemmingen.

Ook bij het vaststellen of herzien van een bestemmingsplan moet de externe veiligheid worden beoordeeld. Het besluit is op 27 oktober 2004 in werking getreden. Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. Daarin wordt geregeld hoe een gemeente moet omgaan met risico’s langs relevante buisleidingen. De hogedruk gasleidingen van Gasunie zijn het meest relevant. De risico’s worden vooral bepaald door de maximale druk en diameter van de leiding, maar ook door getroffen maatregelen. Op 1 april 2015 is de Wet basisnet in werking getreden. De Wet basisnet voorziet in een wijziging van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen ('Wvgs') ter verankering van een landelijk basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het basisnet is een samenstel van wegen, binnenwateren en hoofdspoorwegen waaraan een bepaalde risicoruimte voor het vervoer van gevaarlijke stoffen wordt toegekend. Als deze risicoruimte, de zogenaamde risicoplafonds, door een groei van het vervoer van gevaarlijke stoffen wordt overschreden of dreigt te worden overschreden, moet de minister maatregelen nemen. De risicoplafonds moeten daarnaast in acht worden genomen bij het toestaan van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van basisnetroutes. Op deze manier kan de veiligheid langs de transportroutes voor gevaarlijke stoffen in toenemende mate worden gegarandeerd.

Gelijktijdig met de Wet Basisnet zijn ook andere regelingen in werking getreden zoals de wijziging van het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen (Bvgs), de Regeling basisnet en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). In het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) is een aandachtsgebied gedefinieerd waarbinnen het groepsrisico verantwoord moet worden (200 m). Buiten deze zone hoeft in het invloedsgebied alleen ingegaan te worden op de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid (beperkte verantwoording).

28

(ontwerp)

bestemmingsplan Herontwikkeling Schoollocatie fase 3, Millingen aan de Rijn 4.7.2

Doorvertaling bestemmingsplan

Op navolgende afbeelding is een uitsnede weergegeven van de provinciale risicokaart. Hierop is informatie weergegeven ten aanzien van inrichtingen met gevaarlijke stoffen, transportroutes en buisleidingen:

Uitsnede risicokaart met globale aanduiding plangebied (blauwe omkadering) Inrichtingen c.q. bedrijven Uit de provinciale risicokaart blijkt dat het plangebied niet is gelegen binnen het invloedsgebied van een inrichting. Shipyard Millingen bv aan de Rijndijk 19 ligt op circa 600 m, zodat de aldaar aanwezige bovengrondse propaantank en zuurstoftank niet van invloed zijn op het plangebied. Vervoer van gevaarlijke stoffen Het plangebied is op circa 700 m van de Waal gelegen. Conform het Basisnet Water, is de Waal een zwarte vaarweg (belangrijke vaarwegen). Voor een dergelijke vaarweg geldt dat de 10 -6/jaar plaatsgebonden risicocontour niet verder dan de oever komt. Het plangebied is niet gelegen in de directe nabijheid van een transportroute voor gevaarlijke stoffen (weg of spoorlijn). Voor zover het plangebied al is gelegen binnen het invloedsgebied van een vervoersas, is deze in ieder geval buiten het aandachtsgebied gesitueerd. Het vervoer van gevaarlijke stoffen is dan ook niet van invloed op deze ontwikkeling. Vervoer van gevaarlijke stoffen door een buisleiding De kortste afstand van het plangebied tot de dichtstbijzijnde hogedrukaardgastransportleiding betreft circa 1,2 km. De woningen zijn daarmee buiten de invloedssfeer van deze leiding gelegen.

Bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, zal de brandweer inzetten op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij het genoemde incidentscenario is het advies om te schuilen in een gebouw en de ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten. In het plangebied zijn voldoende mogelijkheden aanwezig om dit advies tijdig op te volgen.

(ontwerp)

29

bestemmingsplan Herontwikkeling Schoollocatie fase 3, Millingen aan de Rijn Gelet op de hiervoor genoemde overwegingen zijn er voldoende mogelijkheden voor de zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid bij een zwaar ongeval op deze transportroutes. Dit betekent dat geen nadere eisen aan het plan gesteld hoeven te worden in het kader van het aspect externe veiligheid. Het aspect 'externe veiligheid' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.8

Waterhuishouding

4.8.1

Regelgeving

Algemeen Het plangebied ligt in het beheersgebied van het Waterschap Rivierenland. Voor het plangebied is het volgende waterhuishoudkundige beleid van toepassing:  Rijksbeleid: Waterwet, Nationaal Waterplan 2016 - 2021, Waterbeleid in de 21e eeuw en Nationaal Bestuursakkoord Water;  Provinciaal beleid: Omgevingsvisie Gelderland;  Waterschapsbeleid: Waterbeheerprogramma 2016 – 2021 'Koers houden en kansen benutten', Nota riolering 'Samen door één buis' (2018) en de Keur voor waterkeringen en wateren; Voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder ver- en nieuwbouwplannen, wordt door de overheid het volgende criterium met betrekking tot het duurzaam omgaan met water gehanteerd. Doordat een toename van het verhard oppervlak ertoe leidt dat het afvoerverloop niet meer natuurlijk is, is het beleid erop gericht het regenwater zoveel mogelijk te infiltreren naar het freatisch grondwater, waardoor een meer natuurlijk afvoerverloop ontstaat. Dit vertaalt zich in de volgende richtlijnen: 1. Nieuwe plannen dienen te voldoen aan het principe van het “hydrologisch neutraal” bouwen. Hierbij moet de hydrologische situatie, voor wat betreft de afvoer van hemelwater, minimaal gelijk blijven aan de oorspronkelijke situatie. De oorspronkelijke landelijke afvoer (naar het oppervlaktewater) mag niet overschreden worden. 2.

In aansluiting op het landelijk beleid hanteert het waterschap het beleid dat bij nieuwe plannen altijd onderzocht moet worden hoe met het schone hemelwater omgegaan kan worden. 3. Bij alle nieuwbouwplannen moet (vuil) afvalwater en (schoon) hemelwater gescheiden worden behandeld. Het schone en vuile water worden daarbij apart aangeleverd aan de riolering of, indien mogelijk, wordt het schone water aan de natuur teruggegeven. Dit is ook het geval als in openbaar gebied nog steeds een gemengd rioolstelsel aanwezig is. Bij de inrichting, het bouwen en het beheer dienen zo min mogelijk vervuilende stoffen aan het bodem- en oppervlaktewatersysteem te worden toegevoegd. Hierbij verdient het materiaalgebruik speciale aandacht: uitloogbare of uitspoelbare bouwmaterialen dienen te worden vermeden om watervervuiling te voorkomen. Uitgangspunten Waterschap Rivierenland De uitgangspunten die door het waterschap worden gehanteerd in het kader van de watertoets kunnen worden verwoord als: a. Waterneutraal inrichten. Om te voorkomen dat door de aanleg van nieuw verhard oppervlak wateroverlast ontstaat, is de aanleg van extra waterberging van belang om het verlies aan waterberging in de bodem te compenseren. b. Schoon inrichten. Om te voorkomen dat de waterkwaliteit van het oppervlaktewater negatief wordt beïnvloed.

Binnen het stedelijk gebied zal daarom schoon hemelwater van nieuwbouwprojecten gescheiden van het vuilwater dienen te worden afgevoerd: afkoppelen. Het waterschap streeft naar 100 % afkoppeling van schoon hemelwater van verharde oppervlakken (gebouwen, wegen en ander terreinverharding). c. Veilig inrichten. Door nieuwbouwplannen mag de veiligheid van een (primaire) waterkering, het waterkerend vermogen, niet worden aangetast. Dit geldt niet alleen voor de dijk zelf, maar tevens voor de beschermingszones ter weerszijden van de dijk. Voor het lozen van overtollig hemelwater op het oppervlaktewater, hetzij rechtstreeks, hetzij via een bestaande of een nieuwe inrichting (zoals een regenwaterriool), is een watervergunning noodzakelijk. Daarnaast moeten in die gebieden die onderhevig zijn aan rivierkwel de effecten van de

30

(ontwerp)

bestemmingsplan Herontwikkeling Schoollocatie fase 3, Millingen aan de Rijn voorgenomen plannen op de kwel in beeld worden gebracht. Indien compensatie vereist is hanteert Waterschap Rivierenland de volgende twee ontwerpbuien ten aanzien van de benodigde bergingscapaciteit:  De T=10+10% neerslag. Hierbij mag het peil (van het oppervlaktewater) niet meer dan 0,2 of 0,3 m stijgen, afhankelijk van het deelgebied waarin de ontwikkeling plaats vindt. Vuistregel hierbij is 436 m3 berging per ha verhard oppervlak, overeenkomend met een neerslag van 43,6 mm.  De T=100+10%-neerslag. Hierbij is een peilstijging toegestaan tot laagste putdekselhoogte op wijkniveau. Vuistregel hierbij is 664 m3 berging per ha verhard oppervlak, overeenkomend met een neerslag van 66,4 mm. Deze vuistregel geldt vooral voor droogvallende voorzieningen. Indien de waterberging wordt gerealiseerd in de vorm van droogvallende retentie, wordt onderscheid gemaakt tussen systemen waarbij infiltratie naar de ondergrond wel en niet mogelijk is. In dat laatste geval moet de bodem van de voorziening zich gelijk of hoger dan de GHG bevinden en mag bij een ontwerpbui T=100+10% het systeem tot aan maaiveld gevuld zijn. De ledigingstijd van het systeem moet 48 tot 96 uur te bedragen.

Volgens de Beleidsregels Keur Waterschap Rivierenland geldt vanaf nieuw verhard oppervlak een vrijstelling van de compensatieplicht voor toename tot 500 m² voor stedelijk gebied en 1.500 m 2 voor het buitengebied. Als peildatum voor het eenmalig gebruik is 1 januari 2010 aangehouden, Dit betekent dat alleen aanspraak gemaakt kan worden op de vrijstelling als hier in het verleden (na 1 januari 2010) nog geen gebruik van is gemaakt.

4.8.2

Doorvertaling bestemmingsplan

Ten aanzien van een eerdere ontwikkeling van de voormalige schoollocatie (fase 1 en 2) is in 2011 reeds een watertoets opgesteld. Voor de ontwikkeling van fase 3 is de plansituatie opnieuw beoordeeld en is de watertoets uit 2011 daar waar nodig aangevuld en geactualiseerd. De watertoets is als bijlage 4 bij de toelichting gevoegd. Randvoorwaarden en uitgangspunten In het kader van de planontwikkeling is het proces van de digitale watertoets doorlopen. Op basis van de digitale procedure blijkt dat het plan geen groot effect heeft op water (geen groot waterbelang) en dat kan worden volstaan met een standaard wateradvies van het waterschap. Het waterschap adviseert positief over het plan onder de voorwaarde dat er wordt voorzien in voldoende waterberging. Ten aanzien van het plan en de omgang met hemelwater zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd:  Toepassen voorkeursvolgorde waterkwantiteit (vasthouden, bergen en afvoeren);  Toepassen voorkeursvolgorde waterkwaliteit (schoonhouden, scheiden, zuiveren);  De ontwikkeling dient hydrologisch neutraal plaats te vinden (HNO);  Niet afwentelen op anderen in ruimte en tijd;  De wateropgave baseren op de daadwerkelijke toekomstig verhard oppervlak.

Vooralsnog is uitgegaan van 1.800 m2;  Eenmalige vrijstelling van 500 m2;  Infiltratie- en bergingsvoorzieningen in het plan dimensioneren conform 664 m3/ha (T=100+10%) gerekend over het aantal m2;  Wateropgave 90 m3;  De maximale ledigingsduur van het systeem bij voorkeur gelijk of kleiner dan 48 tot 96 uur;  Calamiteit in beschouwing nemen (mag niet tot overlast leiden);  Aanlegdiepte bergingsvoorzieningen boven de GHG;  GHG ingeschat op 11,0 m +NAP (1,5 m -mv). Hemelwater In de toekomstige situatie zal het schone hemelwater (zogenaamde hemelwaterafvoer; HWA) separaat van het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) worden ingezameld en binnen het plangebied worden verwerkt. Infiltratie van hemelwater in de bodem is op, qua bodemopbouw, niet goed mogelijk. Het infiltreren van hemelwater in het diepere goed doorlatende watervoerend pakket zal vanwege het optreden van hoge grondwaterstanden en stijghoogten ten tijde van hoogwater op de Rijn eveneens niet tot de mogelijkheden behoren.

(ontwerp)

31

bestemmingsplan Herontwikkeling Schoollocatie fase 3, Millingen aan de Rijn Het plan voorziet in de mogelijkheid om aan de noord en/of zuidzijde van het plan een "groene" bovengrondse voorziening (wadi) aan te leggen. Een wadi is een bovengrondse afkoppelvoorziening waarbij het hemelwater bij voorkeur oppervlakkig wordt getransporteerd naar een laagte in de openbare ruimte. Een dergelijke voorziening is controleerbaar en beheersbaar en kan tevens een zuiverende werking hebben. In sommige situatie kan een gemeente specifieke eisen stellen aan het ontwerp, aanleg, beheer en onderhoud. In verband met de landschappelijke inpassing, onderhoud en veiligheid is bij het ontwerp van de wadi net als in 2011 uitgegaan van een talud 1:3 en een maximale waterdiepte van 0,3 m. Wanneer een wadi wordt aangelegd met een diepte van 0,5 m en een talud van 1 op 3 is, met inachtneming van een waking van 0,2 m, een oppervlak van circa 345 m2 benodigd om de volledige wateropgave te kunnen bergen. Indien wordt uitgegaan van een talud van 1 op 5 bedraagt de benodigde ruimte 380 m2. Voor de berekening van het te bergen volume en ruimtebeslag in de wadi is gebruik gemaakt van de formule voor de bepaling van de inhoud van een (afgeknotte) kegel. Hemelwater wordt, indien mogelijk, zoveel mogelijk zichtbaar afgevoerd richting de wadi. Daar waar dit niet mogelijk blijkt zal afvoer verbuisd plaatsvinden.

Lediging en calamiteit De hemelwatervoorziening kan vertraagd worden afgevoerd op het hemelwaterriool in de Vivaldistraat of mogelijk worden aangesloten op de bestaande voorzieningen van fase 1 en 2. De (vertraagde) afvoer mag niet meer bedragen dan 1,5 l/s/ha. Op basis van de waterbergingsopgave (volume) en toegestane afvoer bedraagt de ledigingstijd maximaal 48 uur. Het beschreven systeem is dusdanig robuust dat een situatie waarbij in een korte tijd 66,4 mm neerslag valt geborgen kan worden. In een situatie waarbij in een korte tijd meer regen valt kan water overstorten op hemelwaterriool in de rondom liggende wegen. Indien wordt aangesloten op de bestaande voorzieningen van fase 1 en 2 kan ook de overstort via dit systeem plaatsvinden. Afstroming van hemelwater richting gebouwen en/of aangrenzende percelen wordt in ieder geval ten aller tijde voorkomen. Kwaliteit Uitgangspunt bij elke ruimtelijke ontwikkeling is, dat de kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater niet mag verslechteren ten opzichte van de huidige situatie. De gemeente streeft naar het terugdringen van het gebruik van uitlogende bouwmaterialen (koper, zink, lood) om de water- en bodemkwaliteit niet negatief te beïnvloeden.

Dit aspect is als aanbeveling opgenomen in het Nationale Pakketten Duurzaam Bouwen: Woningbouw nieuwbouw, Woningbouw beheer en Utiliteitsbouw is een tweetal maatregelen (S/U237 en S/U444) en is ook van toepassing op onderhavige plangebied. Voor het gebruik van onkruidwerende middelen in groen en op verharding wordt het landelijke beleid gevolgd. Onkruidwerende middelen worden niet meer gebruikt in het openbaar groen. Voor bestrijding op verhardingen vindt gebruik, voor zover toegestaan, plaats via de DOB-systematiek en wordt gezocht naar alternatieven zoals branden, heet water en/of borstelen. Riolering Het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) wordt in de toekomstige situatie aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel in de omgeving. De mogelijkheden en wijze van aansluiting wordt in overleg met de gemeente bepaald. Conclusie Op basis van de randvoorwaarden en uitgangspunten is de ontwikkeling in zowel ruimte als tijd waterneutraal uit te voeren. Er worden dan ook vanuit het oogpunt van de waterhuishouding geen belemmering verwacht ten aanzien van de bestemmingswijziging en de uitvoering van het plan. Het aspect 'waterhuishouding' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

32

(ontwerp)

bestemmingsplan Herontwikkeling Schoollocatie fase 3, Millingen aan de Rijn

4.9

Ecologie

4.9.1

Regelgeving

Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. De Wnb kent drie algemene beschermingsregimes waarin de voorschriften van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en twee verdragen (Bern en Bonn) zijn geïmplementeerd en waarin aanvullende voorschriften zijn gesteld voor de dier- en plantensoorten die niet onder die specifieke voorschriften vallen, maar wel bescherming behoeven. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Het gaat om de volgende beschermingsregimes: 1. Vogels (paragraaf 3.1): alle vogels in de zin van de Vogelrichtlijn; 2. Dieren en planten (paragraaf 3.2): alle dieren en planten, genoemd in de bijlagen bij de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn; 3. Overige soorten (paragraaf 3.3): soorten genoemd in de bijlage bij de Wnb, die niet onder de reikwijdte van paragraaf 3.2 vallen. De verboden en afwijkingsmogelijkheden die zijn opgenomen in de paragrafen 3.1 en 3.2, zijn direct overgenomen uit de genoemde richtlijnen en verdragen. Deze bepalingen zijn dus ook uitsluitend van toepassing op de soorten waarvoor dit onmiddellijk voortvloeit uit deze richtlijnen en verdragen.

De bepalingen in paragraaf 3.3 zien op de “overige soorten” die zijn genoemd in de bijlagen A en B bij de Wnb. Laatstgenoemde groep is te vergelijken met de Tabel 2-soorten uit de Flora- en faunawet.

Verbodsbepalingen Wet natuurbescherming De Wnb brengt voor de bescherming van soorten in ieder geval de volgende drie voor de praktijk belangrijke wijzigingen met zich: 1. Allereerst is onder de Wnb niet langer de minister van Economische Zaken, maar zijn gedeputeerde staten van de provincies het bevoegd gezag voor het verlenen van ontheffingen. 2. Ten tweede kunnen de in de praktijk gehanteerde 'tabelsoorten' niet langer gebruikt worden. In plaats daarvan wordt met de nieuwe indeling van de Wnb gewerkt. 3. Ten derde is de inhoud van de verboden en de ontheffingsgrondslagen gewijzigd. In de Wet natuurbescherming zijn de bevoegdheden van het rijk (Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO)) aan de provincies overgedragen. Zij maken dan de afwegingen voor de vergunningen en ontheffingen. De beschermde status van soorten kan per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor

(ontwerp)

33

bestemmingsplan Herontwikkeling Schoollocatie fase 3, Millingen aan de Rijn nationaal beschermde soorten. Er is dan geen ontheffing nodig voor werkzaamheden. Onder de Wnb geldt een zorgplicht voor alle in het wild levende dieren. De zorgplicht houdt in dat werkzaamheden, die nadelig kunnen zijn voor dieren en planten, in redelijkheid zo veel mogelijk worden nagelaten of maatregelen genomen om onnodige schade aan dieren en planten te voorkomen. Wet Stikstofreductie en Natuurverbetering Op 1 juli 2021 is de wet Stikstofreductie en Natuurverbetering (Wsn) in werking getreden. Onderdeel van deze wet is de vrijstelling voor bouw-, sloop- en eenmalige aanlegactiviteiten, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen, in het kort de bouwvrijstelling. Er is een knip gemaakt tussen het bouwen en het gebruiken van een bouwwerk. De milieubelasting tijdens de bouw is tijdelijk, terwijl het gebruik een permanent karakter heeft. Vanwege de vrijstelling is het niet langer nodig een activiteit met tijdelijke emissies te toetsen op stikstof. Dit betekent dat voor het aspect stikstof alleen nog de depositie in de gebruiksfase een rol speelt. De vrijstelling geldt expliciet alleen voor stikstof en niet voor andere negatieve effecten die tijdens de bouwfase als gevolg van geluid, licht en trillingen op Natura 2000-gebieden kunnen optreden.

4.9.2

Doorvertaling bestemmingsplan

In het kader van de beoogde herontwikkeling van het plangebied is er een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 5 bij de toelichting gevoegd. Soortenbescherming Het plangebied heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. Het plangebied is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels, welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is 'Rijntakken', circa 500 m ten noordwesten van het plangebied en op circa 700 m afstand liggen Duitse Natura 2000-gebieden, waarvan ‘Vogelschutzgebiet Unterer Niederrhein’ het meest nabij ligt. Vanwege de kleinschalige aard van de ontwikkeling en de afstand tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied, worden geen significante nadelige effecten, als gevolg van verstoring door geluid, licht, trillingen en dergelijke, op de aangewezen habitattypen en doelsoorten van dit Natura 2000-gebied verwacht. Voor deze storingsfactoren is daarom geen verdere toetsing aan de natuurwetgeving nodig. Ten aanzien van stikstofdepositie naar de Natura 2000-gebieden is een stikstofdepositie onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 7 bij de toelichting gevoegd.

Nederlandse Natura 2000-gebieden: Uit de berekeningen blijkt dat er ten gevolge van de aanlegfase tijdelijke stikstofdeposities op Natura 2000-gebieden optreden. De maximale tijdelijke stikstofdepositiebijdrage op een Natura 2000-gebied bedraagt 0,07 mol N/ha/jaar gedurende 1 jaar. Hiermee kan er aangesloten worden op de provinciale redeneerlijn. Sinds 1 juli 2021 kan voor de aanlegfase bovendien worden aangesloten bij de in de Wet stikstofreductie en natuurbescherming (Wsn) opgenomen vrijstelling. Het effect van de gebruiksfase op de Natura 2000-gebieden is kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar. Bij een dergelijke projecteffect zal het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie zorgen en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten. Duitse Natura 2000-gebieden: Uit de berekeningen blijkt dat de stikstofdepositie op de rekenpunten voor de aanlegfase 0,04 mol/ha/jaar bedraagt en voor de gebruiksfase maximaal 0,00 mol/ha/jaar. Het projecteffect is hiermee ruim lager dan de drempelwaarde van 7,14 mol/ha/jaar voor Duitse Natura 2000-gebieden. Voor de Natura 2000-gebieden in Duitsland worden geen significant negatieve effecten verwacht met de realisatie van het plan. Dit betekent dat de beoogde ontwikkeling niet voor een significante toename in stikstofdepositie zorgt en negatieve effecten als gevolg hiervan kunnen worden uitgesloten.

Voor dit plan is geen vergunning voor de Wet natuurbescherming noodzakelijk.

34

(ontwerp)

bestemmingsplan Herontwikkeling Schoollocatie fase 3, Millingen aan de Rijn Houtopstanden In het plangebied zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Conclusie De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van soortenbescherming en houtopstanden in het kader van de Wnb en negatieve effecten omtrent gebiedsbescherming zijn op basis van de AERIUS berekeningen uitgesloten. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden moet wel rekening worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels in het kader van Algemene Zorgplicht. Het aspect 'ecologie' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.10

Archeologie & cultuurhistorie

4.10.1 Regelgeving In artikel 3.1.6 lid 5 van het Besluit ruimtelijke ordening is bepaald dat in de toelichting van een ruimtelijk plan ten minste een beschrijving wordt opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Met deze wetswijziging wordt de huidige Monumentenwet 1988 opgesplitst: een gedeelte (dat ziet op de fysieke leefomgeving) zal opgaan in de Omgevingswet, het overige gedeelte is opgenomen in de nieuwe Erfgoedwet. Daarbij is voorzien in overgangsrecht. De bedoeling is dat in de Erfgoedwet een betere integratie met verschillende soorten erfgoed komt. Daarnaast worden de procedures uniformer en daarmee overzichtelijker. Onderdelen van de Monumentenwet 1988 met betrekking tot de fysieke leefomgeving, worden opgenomen in de Omgevingswet. De aanwijzing van ruimtelijk cultureel erfgoed - beschermde stadsen dorpsgezichten en cultuurlandschappen - en omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving, komen in de Omgevingswet terecht en zijn dus niet in de Erfgoedwet geregeld. Hierbij wordt wel als vuistregel gehanteerd: omgang met het erfgoed in de Omgevingswet, duiding van het erfgoed in de Erfgoedwet. De inwerkingtreding van de Omgevingswet staat gepland voor 2022.

Voor de onderdelen die in de Omgevingswet zullen worden opgenomen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen voor de tussenliggende periode. De bepalingen uit de Monumentenwet 1988 die naar de Omgevingswet over zullen gaan, blijven van kracht tot de Omgevingswet in werking treedt. Het Besluit ruimtelijke ordening en de Erfgoedwet schrijven niet voor in welke mate met archeologie rekening moet worden gehouden. De gemeente heeft wat dit betreft beleidsvrijheid en kan het archeologische belang afwegen ten opzichte van andere belangen, de belangen van de burger en van de gemeente.

4.10.2 Doorvertaling bestemmingsplan Algemeen Het plangebied ligt in de historische woonzone van de dorpskern van Millingen aan de Rijn. Archeologie Volgens de gemeentelijke beleidskaart geldt voor het plangebied een hoge archeologische verwachting. Vandaar dat ter plaatse van het plangebied een archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek is uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 6 bij de toelichting gevoegd.

(ontwerp)

35

bestemmingsplan Herontwikkeling Schoollocatie fase 3, Millingen aan de Rijn Op basis van de resultaten van het veldonderzoek is in het plangebied sprake van een hoge verwachting op de aanwezigheid van archeologische resten vanaf een diepte van 1,2 - 1,3 m -mv (10,9 - 11,2 m +NAP). Aangezien van de voorgenomen nieuwbouw (1.000 m²) nog geen bouwtekeningen en verstoringsdieptes beschikbaar zijn, is het onduidelijk of de voorgenomen ingrepen tot in het archeologisch relevante niveau zullen reiken. Aangezien het archeologisch relevante niveau bestaat uit kleigrond, bestaat echter het risico dat door het bebouwen van het plangebied kan verblauwen (ook wel verstikken genoemd) waardoor het niveau in de toekomst archeologisch onleesbaar zal worden. Gezien de archeologische verwachting en de vastgestelde vindplaatsen in de omgeving van het plangebied, adviseert Transect daarom een aanvullend archeologisch onderzoek uit te laten voeren naar de aanwezigheid en aard van een vindplaats in het plangebied. Het verdient de aanbeveling een dergelijk onderzoek uit te voeren in de vorm van een Inventariserend Veldonderzoek door middel van Proefsleuven (IVO-P).

De kaders en wetgeving waarbinnen een dergelijk onderzoek uitgevoerd dient te worden, moet vooraf worden vastgelegd in een Programma van Eisen (PvE), dat voorafgaand aan het gravende onderzoek moet zijn goedgekeurd door de bevoegde overheid, de gemeente Berg en Dal. De gemeente onderschrijft de resultaten van dit onderzoek. Het aspect 'archeologie' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan. Ter waarborging van de archeologische waarden is het hele plangebied voorzien van een archeologische dubbelbestemming. Te zijner tijd, als er meer informatie over het bouwplan bekend is, zal er (indien noodzakelijk) een PvE opgesteld worden. Cultuurhistorie In het plangebied zelf zijn geen monumenten aanwezig. In de directe omgeving van het plangebied zijn verschillende gemeentelijke- en rijksmonumenten te vinden. Ten noordoosten van het plangebied zijn twee rijksmonumenten te vinden (Antonius van Paduakerk en pastorie) en twee gemeentelijke monumenten (gevelkunstwerk en kosterswoning). Ten noordwesten van het plangebied is een agrarisch rijksmonument gesitueerd (Zeelandsestraat 1). Het aspect 'cultuurhistorie' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.11

Leidingen

4.11.1 Regelgeving Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens moet rond dergelijke leidingen rekening worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd:  gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen;  aardgastransportleiding met een diameter groter of gelijk aan 18”;  defensiebrandstoffen;  warmte en afvalwater, ruwwater of halffabrikaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18”. 4.11.2 Doorvertaling bestemmingsplan In of in de directe omgeving van het plangebied zijn geen hoofdtransportleidingen of persleidingen van water, olie, aardgas, brandstof en/of hoogspanningsverbindingen gelegen, die in het kader van het bestemmingsplan op de verbeelding met bijbehorende bebouwingsvrije zones dienen te worden opgenomen.

36

(ontwerp)

bestemmingsplan Herontwikkeling Schoollocatie fase 3, Millingen aan de Rijn

4.12

Duurzaamheid

Het klimaat verandert; de neerslaghoeveelheid (en intensiteit) neemt toe, waardoor er meer kans is op wateroverlast. Daarnaast stijgt de gemiddelde temperatuur en neemt de kans op hittegolven toe, wat in de zomer kan leiden tot hittestress. In Nederland zijn de gevolgen van klimaatverandering waarschijnlijk te beheersen. Hoe groot de problemen straks worden, hangt af van de maatregelen die we nemen. Aan de ene kant moeten we de uitstoot van broeikasgassen verminderen zodat de opwarming beperkt blijft (deze aanpak wordt ‘mitigatie’ genoemd, dat betekent ‘vermindering’). Aan de andere kant is het verstandig dat we ons aanpassen aan een ander klimaat (dit type maatregelen wordt ‘adaptatie’ genoemd). Beide type maatregelen zijn nodig. Voor alle nieuwbouw (woning en utiliteit) geldt dat sinds 1 januari 2021 de aanvraag van de omgevingsvergunning moet voldoen aan de BENG-eisen (Bijna EnergieNeutrale Gebouwen). BENG gaat uit van 1) het beperken van de energiebehoefte van de buitenkant van het gebouw, 2) het zo efficiënt mogelijk opwekken van de primaire fossiele energiegebruik van het gebouw, voor bijvoorbeeld verwarming, koeling, warmtapwaterbereiding en ventilatoren, en 3) de energievraag van een gebouw bestaat zoveel mogelijk uit hernieuwbare energie.

Doorwerking plangebied Dat de nieuwe woningen in het plangebied gasloos en aan de BENG-eisen voldoen, is niet het enige wat er op het gebied van duurzaamheid gebeurd. Bovenop de BENG-eisen verlangt Waardwonen dat de toekomstige nieuwbouw volledig energieneutraal word gerealiseerd en wordt de markt uitgedaagd om een circulair gebouw te realiseren. Hierbij wordt aandacht gegeven aan zowel het materiaalgebruik alsmede het toekomstig hergebruik van het gebouw ten tijde van het einde van de levensduur. Verder wordt tijdens het ontwerp de toekomstige demontabiliteit als uitgangspunt meegenomen. Naast de circulariteit worden ook de aspecten natuurinclusief- en klimaatadaptief bouwen meegewogen in de selectieprocedure. Door in het ontwerp van de openbare ruimte daarnaast rekening te houden met de mogelijke gevolgen van klimaatverandering, wordt de leefbaarheid van het nieuwe woongebied in de toekomst gegarandeerd. Deze verwachte gevolgen zullen het meest merkbaar zijn in een toenemende regenintensiteit enerzijds en een toenemende droogte en hitte anderzijds. De keuzes met betrekking tot het voorliggende plangebied houden direct verband met deze aspecten.

Hieronder een opsomming van die onderdelen van de inrichting die tegemoet komen aan het klimaatbestendig maken van het nieuwe woongebied:  Afkoppelen regenwater: door het regenwater bovengronds af te koppelen wordt wateroverlast tegengegaan en verkoeling gebracht.  Ruimte bieden aan een groene inrichting met verschillende soorten (inheemse) beplanting en nieuwe bomen ter verbetering van het microklimaat en de biodiversiteit, waardoor een bijdrage wordt geleverd aan een gezonde leefomgeving. Voorbeelden zijn: de groenzone langs de noord-, oost- en zuidzijde.  Het behouden van de bestaande grote Plataan in het plangebied. Bomen dragen bij aan een gezonde leefomgeving: zuiveren lucht en kunnen zorgen voor verkoeling. Bovenstaande adaptaties in de openbare ruimte richten zich voornamelijk op het beperken van de verwachte gevolgen van klimaatverandering; wateroverlast en hitte. Dit gebeurt grotendeels door het aanleggen van betere groenvoorzieningen. Dit heeft niet alleen positieve gevolgen voor het tegengaan van de mogelijke effecten van klimaatverandering. De aanleg van groen heeft tevens invloed op de gezondheid en het woongenot van de nieuwe bewoners.

(ontwerp)

37

bestemmingsplan Herontwikkeling Schoollocatie fase 3, Millingen aan de Rijn

4.13

Vormvrije MER-beoordeling

Het voorkomen van aantasting van het milieu is van groot maatschappelijk belang. Het is daarom zaak om het milieubelang volwaardig in de besluitvorming te betrekken. Om hier in de praktijk vorm aan te geven is het instrument milieueffectrapportage of te wel m.e.r. ontwikkeld. De m.e.r.beoordeling is een instrument met als hoofddoel het milieubelang volwaardig te laten meewegen bij de voorbereiding en vaststelling van plannen en besluiten. Planspecifiek Voorliggend bestemmingsplan maakt het toevoegen van maximaal 26 appartementen mogelijk. Woningbouwontwikkelingen zijn opgenomen in de eerste kolom van de zogenaamde D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage (categorie D.11.2). Het toevoegen van maximaal 26 woningen in het voorliggende plangebied blijft echter ver onder de drempelwaarde van 2.000 woningen. Het opstellen van een milieueffectrapportage is derhalve niet noodzakelijk. Wel dient een vormvrije mer-beoordeling te worden opgesteld. Natuurlijke hulpbronnen In de woningbouw wordt op beperkte schaal gebruik gemaakt van natuurlijke hulpbronnen. Nieuwe woningen moeten immers gasloos gebouwd worden. Het gaat daarom alleen nog om fossiele brandstoffen voor transport en het ruimtebeslag door het bouwen van de woningen. Standaard wordt in milieuregelgeving al aandacht besteed aan een zuinig gebruik van grondstoffen, water en energie. Het project moet hieraan voldoen.

Dit betreft onder andere de per 1 januari 2021 in werking getreden BENG-normen. Voor dit project zijn er geen bijzondere omstandigheden die het noodzakelijk maken dat het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, en alternatieven daarvoor, via een milieueffectrapportage nader worden onderzocht. Daarnaast zijn in de directe omgeving geen belangrijke natuurlijke hulpbronnen aanwezig, zoals bijvoorbeeld een waterwingebied. Afvalstoffen Het afvalwater van huishoudelijke aard wordt geloosd op het openbare riool. Er wordt geen afvalwater geloosd op het oppervlaktewater. Verontreiniging en hinder Er is geen sprake van verontreiniging en milieuhinder vanuit de nieuwe woningen naar omliggende woningen. Voor de beoordeling van de aspecten milieuzonering, geluidhinder en de emissie van fijn stof wordt verwezen naar de paragrafen 4.4 Milieuzonering, 4.3 Geluid respectievelijk 4.5 Luchtkwaliteit. De grenswaarde van het langtijdsgemiddeld beoordelingsniveau (stap 3) op de appartementen wordt als gevolg van de basisschool met maximaal 4 dB overschreden. Het maximale geluidsniveau wordt met maximaal 4 dB overschreden. Een afweging van geluidsreducerende maatregelen is uitgevoerd. De grenswaarden uit het Activiteitenbesluit worden met de geluidsbelasting op de appartementen niet overschreden.

De geluidbelastingen op de appartementen zijn lager dan de geluidsbelastingen op omliggende woningen van de school. Hierdoor vormt de realisatie van het appartementencomplex geen belemmering voor de school. De geluidsbelastingen worden met de aangevoerde aanvullende motivatie acceptabel geacht. Wat betreft soorten- en gebiedsbescherming wordt verwezen naar paragraaf 4.9 Ecologie. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van soortenbescherming en houtopstanden in het kader van de Wnb en negatieve effecten omtrent gebiedsbescherming zijn doormiddel van de AERIUS berekeningen uitgesloten. Er hoeft geen vergunningsaanvraag ingediend te worden in het kader van de Wet natuurbescherming. Ongevallenrisico Woningen vormen geen bijzonder risico voor externe veiligheid. Incidenten als brand en explosie hebben doorgaans alleen gevolgen voor mensen, dieren en zaken op het bedrijf zelf. Aan de omgevingsvergunning worden standaard voorschriften verbonden om de risico's op ongevallen te verkleinen en de gevolgen van bijvoorbeeld brand te beperken.

38

(ontwerp)

bestemmingsplan Herontwikkeling Schoollocatie fase 3, Millingen aan de Rijn Het plan leidt tot een beperkte toename in het aantal aanwezigen. Het ligt in de verwachting dat de aanwezige personen zichzelf in veiligheid kunnen brengen, mits geïnformeerd en tijdig gewaarschuwd. Cultuurhistorische, archeologische en/of landschappelijke waarden Het plangebied kent geen hoge cultuurhistorische en/of landschappelijke waarden. Omdat het exacte bouwplan nog niet duidelijk is, is ter bescherming van de archeologische waarden een dubbelbestemming in de regels en op de verbeelding opgenomen. Zie verder paragraaf 4.10 Archeologie & cultuurhistorie. Uit voorgaande analyse volgt dat de gevolgen voor de milieuaspecten goed in beeld zijn gebracht en dat de gevolgen voor deze aspecten in relatie tot de mogelijkheden die dit bestemmingsplan biedt nihil zijn, danwel gemitigeerd kunnen worden. Bijzondere omstandigheden waarvoor deze wetten of regelingen geen kader vormen doen zich bij dit bestemmingsplan niet voor. Een verdere m.e.r.beoordeling wordt zodoende niet noodzakelijk geacht.

(ontwerp)

39

bestemmingsplan Herontwikkeling Schoollocatie fase 3, Millingen aan de Rijn

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische planbeschrijving

Algemeen

Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding vormen het juridisch bindende deel, terwijl de toelichting geen juridische binding heeft, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. In deze paragraaf worden de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, de Wabo en andere bestemmingsplannen van de gemeente. Voor het bouwen is verder het Besluit omgevingsrecht (Bor) van belang. In het Bor zijn onder andere regels voor vergunningsvrije bouwwerken opgenomen. Hieronder wordt de opbouw en dergelijke van de regels kort toegelicht.

5.1.1

Inleidende regels

Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden.

5.1.2

Bestemmingsregels

In het tweede hoofdstuk komen de bestemmingen aan de orde. Bestemmingsomschrijving Bevat de omschrijving van de doeleinden die met de bestemming aan de grond worden toegekend. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies zoals bedrijven, wonen, centrum etc. De aard van de toegelaten inrichtingen van gronden (bouwwerken en werken, geen bouwwerken zijnde) vloeit dan voort uit de toegelaten functies. Bouwregels In de bouwregels worden voor alle hoofdgebouwen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de van toepassing zijnde bouwregels gesteld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding. Afwijken van de bouwregels In deze bepaling zijn afwijkingsbevoegdheden toegekend aan het bevoegd gezag ten aanzien van bepaalde bouwregels. Afwijken van de gebruiksregels In deze bepaling zijn afwijkingsbevoegdheden toegekend aan het bevoegd gezag ten aanzien van bepaalde gebruiksregels.

40

(ontwerp)

bestemmingsplan Herontwikkeling Schoollocatie fase 3, Millingen aan de Rijn 5.1.3

Algemene regels

Anti-dubbeltelregel Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Algemene bouwregels Deze bepaling bevat algemene regels omtrent ondergronds bouwen en ondergeschikte bouwdelen. Algemene wijzigingsregels In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden met een algemene strekking. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven.

5.1.4

Overgangs- en slotregels

Overgangsregels Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bouwregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan, mag eveneens worden voortgezet. Slotregel Dit artikel geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.

5.2

Bestemmingsplan

In het plangebied komen de volgende (dubbel)bestemmingen voor: Artikel 3 Groen De gronden met een structureel groen karakter hebben de bestemming 'Groen' gekregen. Artikel 4 Verkeer - Verblijfsgebied De toegangsweg en de parkeerplaatsen in het plangebied zijn voorzien van deze bestemming. Artikel 5 Wonen Deze bestemming heeft betrekking op nieuw te bouwen woningen. Omdat de regulering van nieuw te bouwen woningen een ontwikkelingsgericht karakter heeft, is bijvoorbeeld ook het woningtype en het maximum aantal wooneenheden voorgeschreven. De woningen en bijgebouwen moeten worden gerealiseerd binnen het aangeduide bouwvlak. Binnen dit bouwvlak wordt via verschillende aanduidingen de bouwmogelijkheden verder gereguleerd. Tevens zijn in de regels enkele nadere voorwaarden opgenomen. Artikel 6 Waarde - Archeologie 2 Met deze bestemming worden de archeologisch te verwachten waarden binnen het plangebied beschermd. Voor bouwplannen en werkzaamheden (in de regels nader beschreven) die groter zijn dan 100 m² en waarbij een bodemingreep moet worden gepleegd van 0,3 m of dieper, is een onderzoek naar de archeologisch waarden en omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders noodzakelijk.

(ontwerp)

41

bestemmingsplan Herontwikkeling Schoollocatie fase 3, Millingen aan de Rijn

Hoofdstuk 6 6.1

Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

De Wet ruimtelijke ordening maakt het vaststellen van een exploitatieplan verplicht voor een aantal bouwactiviteiten wanneer de bouw planologisch mogelijk wordt gemaakt in een bestemmingsplan of een projectafwijkingsbesluit. De bouwplannen waarbij een exploitatieplan verplicht is staan in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro):  de bouw van één of meer woningen;  de bouw van één of meer andere hoofdgebouwen;  de uitbreiding van een hoofdgebouw met tenminste 1.000 m² of met één of meer woningen;  de verbouwing van één of meer aangesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd;  de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.000 m² bedraagt;  de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m². Bovendien is een exploitatieplan nodig als locatie-eisen gesteld moeten worden en/of het bepalen van een tijdvak of fasering noodzakelijk is. Alle kosten die gemaakt moet worden het opstellen van het bestemmingplan zijn voor rekening van Waardwonen.

Hiervoor is een overeenkomst afgesloten, waarin ook de afwikkeling van eventuele verzoeken tot tegemoetkoming in planschade is geregeld. Daarmee is de financiële haalbaarheid voor de gemeente afdoende geregeld.

6.2

Overleg

In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) staat dat de gemeente bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moet plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In het kader van het vooroverleg is het plan onder andere besproken worden met de volgende partijen:  Provincie Gelderland;  Waterschap Rivierenland. Te zijner tijd zullen eventueel ingediende vooroverlegreacties hier, of in een separate nota, van een gemeentelijke reactie worden voorzien.

6.3

Inspraak

Er is nog geen architectonisch ontwerp van het appartementencomplex. Om omwonden alvast wel te kunnen betrekken bij de planvorming is op basis van het stedenbouwkundig plan een eerste schets van het gebouw ingetekend waarbij is getoond hoe het gebouw op de kavel gesitueerd kan zijn. Daarnaast is aangegeven dat de ontwikkeling 26 appartementen betreft met als doelgroep senioren en is de maximale bouwhoogte van 3 bouwlagen genoemd. Deze situatie is in maart 2021 gedeeld met de circa 50 omwonenden van de ontwikkeling. Vanwege de corona-maatregelen destijds was een algemene informatiebijeenkomst niet mogelijk en is gekozen om omwonenden per brief te informeren vooruitlopende op formele besluitvorming in college/raad en de daaropvolgende bestemmingsplanprocedure. Bewoners is gevraagd hun mening en gedachtes te geven over de voorgenomen ontwikkeling en hiervan is gebruik gemaakt. Er zijn veelal positieve reacties binnengekomen die de noodzaak en behoefte van deze ontwikkeling benadrukken, maar er zijn vanuit één direct omwonende aan het Gengske ook zorgen gedeeld in verband (verkeers)veiligheid en privacy vanwege o.a. de voorgenomen hoogte in combinatie met de oriëntatie van balkons.

42

(ontwerp)

bestemmingsplan Herontwikkeling Schoollocatie fase 3, Millingen aan de Rijn Met iedere omwonende die hier behoefte aan had is in de periode maart/april 2021, middels een video-overleg, doorgesproken over de door hen ingebrachte aandachtspunten/vragen. Hierbij zijn zowel Waardwonen alsook gemeente Berg en Dal betrokken geweest. Naar aanleiding van deze gesprekken en de discussie in de gemeenteraad ten tijde van het ontwikkelingsbesluit en vaststelling van de grondexploitatie is begin september nogmaals een dialoogronde met omwonenden gevoerd. In deze tweede ronde zijn direct omwonenden 'per gebouw/woning' actief uitgenodigd om om tafel te gaan. Dit betreffen de bewoners van één particuliere woning aan het Gengske, bewonersvertegenwoordiging van appartementencomplex Gengske en appartementencomplex Vivaldistraat. Ook het schoolbestuur van de basisschool gelegen aan de Chopinstraat is actief betrokken bij de voorgenomen planvorming. Tijdens deze gesprekken, die deze keer fysiek hebben plaatsgevonden, is een concept plankaart met bouwvlak getoond waarbij ruimte is gecreëerd in het bouwvlak om zodoende de eerder genoemde aandachtspunten van privacy en oriëntatie van appartementen/balkons een plek te kunnen geven en tevens de verkeersveiligheid te kunnen blijven waarborgen.

Daarnaast is een toelichting gegeven over de te verwachtte doorlooptijd van het project, de doelgroep van de appartementen, (tijdelijke en permanente) verkeersaspecten, communicatie en contactmogelijkheden. Het overgrote deel van de omwonenden kan zich vinden in deze beoogde ontwikkeling en juicht een snelle realisatie toe om zodoende invulling te geven aan deze ontwikkellocatie en het woningtekort terug te dringen. Alleen de bewoners van de eerder genoemde woning aan het Gengske geven echter nog steeds aan de doorgevoerde verbeteringen onvoldoende recht doen aan o.a. privacy en bezonning en geven aan geen voorstander te zijn van de beoogde ontwikkeling. In de nog uit te zetten Design & Build-opgave wordt vanuit de opdrachtgever aan de bouwer/architect gevraagd om binnen de gestelde kaders ook nadrukkelijk rekening te houden met deze ingebrachte signalen en hiermee rekening te houden in het architectonisch ontwerp van het gebouw.

6.4

Zienswijzen

Te zijner tijd zullen eventueel ingediende zienswijzen hier, of in een separate nota, van een gemeentelijke reactie worden voorzien.

(ontwerp)

43

bestemmingsplan Herontwikkeling Schoollocatie fase 3, Millingen aan de Rijn

44

(ontwerp)

bestemmingsplan Herontwikkeling Schoollocatie fase 3, Millingen aan de Rijn

Bijlagen toelichting

(ontwerp)

45

bestemmingsplan Herontwikkeling Schoollocatie fase 3, Millingen aan de Rijn

Bijlage 1

46

Stedenbouwkundig plan en beeldkwaliteitplan

(ontwerp)

bestemmingsplan Herontwikkeling Schoollocatie fase 3, Millingen aan de Rijn

Bijlage 2

(ontwerp)

Verkennend bodemonderzoek

47

bestemmingsplan Herontwikkeling Schoollocatie fase 3, Millingen aan de Rijn

Bijlage 3

48

Akoestisch onderzoek industrielawaai

(ontwerp)

bestemmingsplan Herontwikkeling Schoollocatie fase 3, Millingen aan de Rijn

Bijlage 4

(ontwerp)

Watertoets

49

bestemmingsplan Herontwikkeling Schoollocatie fase 3, Millingen aan de Rijn

Bijlage 5

50

Quickscan Wet natuurbescherming

(ontwerp)

bestemmingsplan Herontwikkeling Schoollocatie fase 3, Millingen aan de Rijn

Bijlage 6 Archeologisch bureau- en inventariserend booronderzoek

(ontwerp)

51

bestemmingsplan Herontwikkeling Schoollocatie fase 3, Millingen aan de Rijn

Bijlage 7

52

Stikstofdepositieonderzoek

(ontwerp)

bestemmingsplan Herontwikkeling Schoollocatie fase 3, Millingen aan de Rijn

Regels

(ontwerp)

53

bestemmingsplan Herontwikkeling Schoollocatie fase 3, Millingen aan de Rijn

Hoofdstuk 1 Artikel 1 1.1

Inleidende regels

Begrippen

plan:

het bestemmingsplan Herontwikkeling Schoollocatie fase 3, Millingen aan de Rijn met identificatienummer NL.IMRO.1945.BPCHOPINSTR3-ONW1 van de gemeente Berg en Dal; 1.2

bestemmingsplan:

de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels; 1.3

aanduiding:

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.4

aanduidingsgrens:

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.5

achtergevel:

de gevel van het oorspronkelijke hoofdgebouw die (bij benadering) evenwijdig loop aan de voorgevel en die niet als belangrijkste gevel kan worden aangemerkt; 1.6

achtergevelrooilijn:

de lijn die gelijk loopt aan de achtergevel van het hoofdgebouw en het verlengde daarvan; 1.7

andere bouwwerken:

bouwwerken geen hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken zijnde; 1.8

bebouwing:

één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde; 1.9

bed & breakfast:

een niet-verkeersaantrekkende aan huis verbonden beroeps- en bedrijfsactiviteit bestaande uit het bieden van de mogelijkheid tot een toeristisch en veelal kortdurend verblijf met ontbijt in een (bedrijfs)woning; 1.10

bedrijf:

een commerciële onderneming gericht op het aanbieden van diensten of het produceren, verhandelen, bewerken of repareren van producten; 1.11

begane grond:

de bouwlaag van een gebouw, die rechtstreeks ontsloten wordt vanaf het straatniveau danwel waarvan de bovenkant van de vloer maximaal 1,0 m boven peil is gelegen; 1.12 

bestaand:

bij gebruik: aanwezig op het moment van de inwerkingtreding van dit plan en in overeenstemming met het bepaalde in de Woningwet of de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht tot stand gekomen; bij bouwwerken: aanwezig op het moment van de inwerkingtreding van dit plan en in overeenstemming met het bepaalde in de Woningwet of de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht tot stand gekomen;

54

(ontwerp)

bestemmingsplan Herontwikkeling Schoollocatie fase 3, Millingen aan de Rijn 1.13

bestemmingsgrens:

de grens van een bestemmingsvlak; 1.14

bestemmingsvlak:

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; 1.15

bevoegd gezag:

bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning; 1.16

bijbehorende bouwwerken:

uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk met een dak; 1.17

bouwen:

plaatsen, geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen, veranderen of vergroten; 1.18

bouwgrens:

de grens van een bouwvlak; 1.19

bouwlaag:

een gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of nagenoeg gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd. Bij de bepaling van het aantal bouwlagen worden de ruimten in de kap (zolder) en de bouwlagen die onder de begane grond zijn gelegen (kelder e.d.) niet meegerekend; 1.20

bouwperceel:

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 1.21

bouwperceelgrens:

een grens van een bouwperceel; 1.22

bouwvlak:

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten; 1.23

bouwwerk:

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond; 1.24

detailhandel:

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die deze goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit en waarbij een showroom en/of verkoopruimte ter plaatse aanwezig is; horeca-activiteiten zijn hieronder niet begrepen; 1.25

erfafscheiding:

een bouwwerk dat dient ter gehele of gedeeltelijke omheining van een bouwperceel, bouwvlak of ander stuk grond;

(ontwerp)

55

bestemmingsplan Herontwikkeling Schoollocatie fase 3, Millingen aan de Rijn 1.26

geaccidenteerd terrein:

een (gedeelte van een) bouwperceel met een helling van tenminste 1:10 gemeten over een afstand van 5,0 m; 1.27

gebouw:

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 1.28

hoofdgebouw:

een gebouw dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de bestemming van een perceel en door zijn constructie of afmetingen, dan wel gelet op de bestemming, als belangrijkste gebouw valt aan te merken; 1.29

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10761461/2