CConstaterende datBerg en Dal
Koppel je AI →
Document · PDF

M48 Bijlage 1 - Toelichting en regels BP Herontwikkeling Schoollocatie fase 3 MadR

Gemeenteraad 16 december 2021, gemeente Berg en DalBij agendapunt: Schriftelijke mededelingen c.q. informatie van het college van burgemeester en wethouders ter kennisname21.183 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Toelichting en regels

Bestemmingsplan Herontwikkeling Schoollocatie fase 3, Millingen aan de Rijn

bestemmingsplan Herontwikkeling Schoollocatie fase 3, Millingen aan de Rijn

Inhoudsopgave

Toelichting

5

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging plangebied 1.3 Geldend(e) plan(nen) 1.4 Leeswijzer

6 6 6 7 8

Hoofdstuk 2 Gebiedsvisie 2.1 Bestaande situatie 2.2 Toekomstige situatie

9 9 11

Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1 Nationaal beleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Gemeentelijk beleid 3.4 Conclusie

14 14 16 17 19

Hoofdstuk 4 Milieu- & omgevingsaspecten 4.1 Verkeer & parkeren 4.2 Bodem 4.3 Geluid 4.4 Milieuzonering 4.5 Luchtkwaliteit 4.6 Geur 4.7 Externe veiligheid 4.8 Waterhuishouding 4.9 Ecologie 4.10 Archeologie & cultuurhistorie 4.11 Leidingen 4.12 Duurzaamheid 4.13 Vormvrije MER-beoordeling

20 20 21 22 23 25 26 27 30 33 35 36 37 38

Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen 5.2 Bestemmingsplan

40 40 41

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid 6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.2 Overleg 6.3 Inspraak 6.4 Zienswijzen

42 42 42 42 43

Bijlagen toelichting

45

Bijlage 1

Stedenbouwkundig plan en beeldkwaliteitplan

46

Bijlage 2

Verkennend bodemonderzoek

47

Bijlage 3

Akoestisch onderzoek industrielawaai

48

Bijlage 4

Watertoets

49

Bijlage 5

Quickscan Wet natuurbescherming

50

Bijlage 6

Archeologisch bureau- en inventariserend booronderzoek

51

Bijlage 7

Stikstofdepositieonderzoek

52

2

(ontwerp)

bestemmingsplan Herontwikkeling Schoollocatie fase 3, Millingen aan de Rijn

Regels

53

Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2

Inleidende regels Begrippen Wijze van meten

54 54 57

Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6

Bestemmingsregels Groen Verkeer - Verblijfsgebied Wonen Waarde - Archeologie 2

58 58 60 62 65

Hoofdstuk 3 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9

Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene afwijkingsregels

67 67 67 67

Hoofdstuk 4 Artikel 10 Artikel 11

Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel

68 68 68

(ontwerp)

3

bestemmingsplan Herontwikkeling Schoollocatie fase 3, Millingen aan de Rijn

4

(ontwerp)

bestemmingsplan Herontwikkeling Schoollocatie fase 3, Millingen aan de Rijn

Toelichting

(ontwerp)

5

bestemmingsplan Herontwikkeling Schoollocatie fase 3, Millingen aan de Rijn

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

De herontwikkeling van de voormalige schoollocatie tussen de Chopinstraat, de Vivaldistraat en het Gengske bestaat uit drie fasen. Voor het zuidelijk deel van dit plangebied geldt het bestemmingsplan ‘Herontwikkeling Schoollocatie Chopinstraat 3’, zoals vastgesteld op 7 februari 2012. Op basis van dit bestemmingsplan zijn twee van de drie fasen ingevuld met concrete bouwplannen, die inmiddels zijn gerealiseerd. Aan de oostzijde (fase 1) is een complex met 20 huurappartementen en een kinderdagverblijf gebouwd. Het gebouw kenmerkt zich door een oriëntatie naar alle zijden. Het gebouw aan de westzijde (fase 2) bestaat uit drie bouwlagen met een kap, met in totaal 21 appartementen. De woningen worden ontsloten via een galerij aan het binnengebied. De onderhavige planlocatie betreft de afrondende 3e fase van de herontwikkeling. De gemeenteraad van Berg en Dal heeft op 17 juni 2021 besloten de schoollocatie 3e fase her te ontwikkelen voor de bouw van 26 sociale huurwoningen. Woningcorporatie Waardwonen is voornemens het appartementencomplex te realiseren. De ontwikkeling vindt plaats conform het stedenbouwkundig plan en beeldkwaliteitplan dat de gemeenteraad eveneens op 17 juni 2021 heeft vastgesteld. Om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken, moet het geldende bestemmingsplan voor de gronden in het plangebied worden herzien.

Het betreft een bestemmingsplan met enige flexibiliteit, aangezien het het ontwerp van het woongebouw in een later stadium middels een Design & Build aanpak zal worden gerealiseerd. Bij een Design & Build project wordt zowel het ontwerp als de realisatie van van een object aan één marktpartij overgelaten.

1.2

Ligging plangebied

Het plangebied is gelegen in de kern Millingen aan de Rijn en staat kadastraal bekend als gemeente Millingen, sectie A, nummers 4.778, 4.779 en 6.073 en heeft een totale oppervlakte van circa 3.380 m². Het plangebied wordt begrensd door:  Noordzijde: de Chopinstraat en een basisschool;  Oostzijde: het Gengske en een drietal woonpercelen;  Zuidzijde: de wooncomplexen uit fase 1 en 2;  Westzijde: de Vivaldistraat en een begraafplaats. Navolgende afbeeldingen tonen globaal de ligging en begrenzing van het plangebied in de omgeving. Voor de exacte begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar de verbeelding.

Globale ligging plangebied (rode stip)

6

(ontwerp)

bestemmingsplan Herontwikkeling Schoollocatie fase 3, Millingen aan de Rijn

Globale begrenzing plangebied (rode omkadering)

1.3

Geldend(e) plan(nen)

Voor de gronden in het plangebied gelden de bestemmingsplannen 'Kom Millingen' en 'Herontwikkeling Schoollocatie Chopinstraat 3', zoals de gemeenteraad van de voormalige gemeente Millingen aan de Rijn op respectievelijk 6 juli 2004 en 7 februari 2012 heeft vastgesteld. Op basis van het bestemmingsplan 'Kom Millingen' geldt ter plaatse van het plangebied de bestemming 'Maatschappelijke doeleinden' met bouwvlak. Daarnaast is voor het plangebied een wijzigingsbevoegdheid opgenomen, om herontwikkeling van het volledige wijzigingsgebied mogelijk te maken. In het kader van deze wijzigingsbevoegdheid kunnen Burgemeester en wethouders de bestemmingen 'Maatschappelijke doeleinden' in het plangebied, 'wijzigen in de bestemmingen 'Woondoeleinden', 'Groen' en 'Verblijfsdoeleinden', indien onder andere wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de wijziging in de bestemming ''Woondoeleinden'' mag uitsluitend plaatsvinden ten behoeve van maximaal 60 woningen, waarvan maximaal 40 gestapelde woningen uitsluitend gelegen aan ’t Gengske en voor het overige vrijstaande, half-vrijstaande en aaneengesloten woningen, waarbij de volgende maatvoering van toepassing is: 1. de bouwhoogte van de gestapelde woningen bedraagt maximaal 9 m, met dien verstande dat geen kap verplicht is; 2. de goothoogte van de vrijstaande, half-vrijstaande, geschakelde en aaneengesloten woningen bedraagt maximaal 6 m.

Op basis van het bestemmingsplan 'Herontwikkeling Schoollocatie Chopinstraat 3' gelden ter plaatse van het plangebied de bestemmingen 'Groen' en 'Verkeer - Verblijfsgebied'.

(ontwerp)

7

bestemmingsplan Herontwikkeling Schoollocatie fase 3, Millingen aan de Rijn

Uitsnede geldende bestemmingsplannen met globale begrenzing plangebied (rode omkadering) Omdat de beoogde 26 sociale huurappartementen, de ontsluiting van het complex en de bijbehorende parkeervoorziening niet passend zijn binnen enerzijds de maatschappelijke bestemming en de wijzigingsbevoegdheid uit het bestemmingsplan 'Kom Millingen' en anderzijds de bestemming 'Groen' uit het bestemmingsplan 'Herontwikkeling Schoollocatie Chopinstraat 3', worden de bestemmingen van de gronden in het plangebied herzien.

1.4

Leeswijzer

Het bestemmingsplan bestaat uit meerdere onderdelen: een verbeelding waarop de bestemmingen in het plangebied zijn aangegeven en regels waarin de bepalingen voor de op de verbeelding vermelde bestemmingen zijn opgenomen. Het bestemmingsplan gaat vergezeld van een toelichting waarin de achtergronden van het bestemmingsplan zijn beschreven. De verbeelding vormt samen met de regels het juridische bindende deel van het bestemmingsplan. In de toelichting worden de keuzes die in het bestemmingsplan worden gemaakt nader gemotiveerd en verantwoord. De toelichting kan globaal opgedeeld worden in vier delen. Inleiding en gebiedsvisie In hoofdstuk 1 zijn de aanleiding en het kader voor de planherziening beschreven. Hoofdstuk 2 geeft een beschrijving van de huidige en toekomstige situatie van het plangebied. Verantwoording Hoofdstukken 3 en 4 geven de achtergronden, toelichting en motivatie op de gemaakte keuzen weer die uiteindelijk hebben geleid tot de uitgewerkte planopzet. In dit planonderdeel worden onder meer het (beleids)kader en de milieuaspecten uiteengezet. Juridische planbeschrijving In hoofdstuk 5 wordt de juridische planopzet beschreven. Doel is een nadere onderbouwing te geven wat met het plan wordt beoogd en hoe de instrumenten regels en verbeelding hierbij worden gehanteerd.

Uitvoerbaarheid Het laatste deel (hoofdstuk 6) gaat in op de financieel-economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.

8

(ontwerp)

bestemmingsplan Herontwikkeling Schoollocatie fase 3, Millingen aan de Rijn

Hoofdstuk 2 2.1

Gebiedsvisie

Bestaande situatie

Het plangebied is onderdeel van een voormalige schoollocatie tussen de Chopinstraat, de Vivaldistraat en het Gengske. Het oude schoolcomplex is gesloopt en het zuidelijk deel van de voormalige schoollocatie is nadien ingevuld met twee nieuwe woongebouwen. Aan de oostzijde is één complex met 20 huurappartementen en één kinderdagverblijf gebouwd (fase 1) en aan de westzijde is één complex met 21 appartementen gebouwd (fase 2). Het onderhavige plangebied vormt de afrondende 3e fase van de herontwikkeling. In de huidige situatie bestaat het plangebied uit een gazon, met een wandelpad en verschillende bomen, waaronder een plataan met bijzondere status. Navolgend zijn verschillende impressies opgenomen van de bestaande situatie in en om het plangebied:

Impressie plangebied vanaf de Chopinstraat met op de achtergrond de bebouwing uit fase 1 en 2 Aan de overzijde van de Chopinstraat, ten noorden van het plangebied, ligt een basisschool. De toegangswegen ten oosten en westen van de school en het Gengske worden begeleid door bomen:

(ontwerp)

9

bestemmingsplan Herontwikkeling Schoollocatie fase 3, Millingen aan de Rijn

Impressie vanuit het plangebied in noordelijke richting met de school en de bomenrijen Tegenover het Gengske ligt een kerk, drie vrijstaande woningen en de achterzijde van winkelbebouwing:

Impressie vanaf de Chopinstraat in de richting van het Gengske

10

(ontwerp)

bestemmingsplan Herontwikkeling Schoollocatie fase 3, Millingen aan de Rijn Het plangebied is gelegen in een groene omgeving. Het groene raamwerk zorgt voor de samenhang in het gebied. Vooral in de noord-zuid richting begeleiden grote bomen de verkeersstructuur en de randen van de percelen. De losse bomenstructuur binnen de percelen geeft een parkachtige sfeer. In oost-westrichting liggen de langzaamverkeersroutes, grotendeels in een groene zone:

Impressie van de groenstructuur rond het plangebied

2.2

Toekomstige situatie

2.2.1

Stedenbouwkundige opzet

Fase 3 van de herontwikkeling van de voormalige schoollocatie bestaat uit één gebouw, bestaande uit twee geschakelde volumes. Het nieuwe complex vormt één ensemble met de twee zuidelijke gebouwen (fase 1 en 2). De haakvorm van het beoogde gebouw complementeert het ensemble. Het oostelijke volume volgt de oriëntatie van fase 1 en presenteert zich aan het Gengske, het westelijke volume staat haaks op fase 2 en heeft de meest representatieve gevel aan de Chopinstraat. Het gebouw staat vrij in het groen, in een parkachtige setting. De begeleiding van de toegangswegen en het Gengske wordt in het plangebied voorgezet, door de bestaande bomen te behouden en nieuwe bomen ter omkadering van het plangebied aan te planten. Het bouwvlak van het gebouw is afgestemd op de grote Plataan aan de zijde van de Chopinstraat, zodat deze behouden kan blijven. Ook bij het nader civieltechnisch uitwerken van de nieuwe parkeerplaatsen wordt rekening gehouden met deze boom.

(ontwerp)

11

bestemmingsplan Herontwikkeling Schoollocatie fase 3, Millingen aan de Rijn

Verkavelingsopzet en beoogde gebiedsinrichting van de herontwikkeling aangevuld met bouwvlak (gele omkadering) Het appartementengebouw wordt voorzien van een galerijontsluiting en bestaat uit 3 bouwlagen met 26 sociale huurappartementen. Het gebouw heeft een samenhang in maat en schaal met de gebouwen uit fase 1 en 2. De oppervlakte van het complex bedraagt circa 1.020 m2, inclusief galerij en balkons. De appartementen krijgen een oppervlakte van circa 60 - 90 m2 bvo en zijn bestemd voor de doelgroep kleine huishoudens, waarbij de nadruk ligt op 55-plussers. Aan de noordzijde van het gebouw worden 20 parkeerplaatsen gerealiseerd, die via een inrit vanaf de Vivaldistraat te bereiken zijn. Aanvullend worden in het verlengde van de bestaande parkeerplaatsen aan de Vivaldistraat 7 parkeerplaatsen aangelegd. Hier geldt reeds een verkeersbestemming. Vandaar dat deze gronden niet zijn opgenomen in het voorliggende bestemmingsplan. Daarnaast worden 4 van de bestaande parkeerplaatsen aan de Vivaldistraat toegeschreven aan fase 3, deze vormen een overcapaciteit uit fase 1 en 2. De gewenste ontsluiting via de Vivaldistraat en het behoudt van de oude grote Plataan zijn kaderstellend voor het stedenbouwkundig ontwerp. Vandaar dat de mogelijkheden om het gebouw te draaien beperkt zijn. Het stedenbouwkundig plan en beeldkwaliteitplan is als bijlage 1 bij de toelichting toegevoegd.

12

(ontwerp)

bestemmingsplan Herontwikkeling Schoollocatie fase 3, Millingen aan de Rijn 2.2.2

Beeldkwaliteit

Ook bij het opstellen van het stedenbouwkundig plan en beeldkwaliteitplan (zie bijlage 1) is rekening gehouden met de gewenste dorpse uitstraling. Daarnaast wordt in het kader van de Design & Build aanpak ruimte geboden binnen de gestelde beeldkwaliteitseisen om te komen tot een passende architectonische invulling. De beeldkwaliteitregels zijn vooral een communicatiemiddel, waarmee wordt aangegeven wat de ‘doelstellingen’ zijn ten aanzien van de stedenbouwkundige en architectonische kwaliteit en samenhang. De herkenbaarheid van het plangebied als zelfstandige eenheid (het ‘eilandgevoel’) wordt vertaald in de inrichting van het openbaar gebied, de vormgeving van de gebouwen en de samenhang hiertussen. In de uitwerking van de stedenbouwkundige opzet staat de onderlinge afstemming en gelijkheid voorop. Het nieuwe appartementengebouw van fase 3 moet in samenhang worden bezien met de bestaande appartementengebouwen uit fase 1 en 2. Op hoofdlijnen (bouwmassa, bouwhoogte e.d.) is gekozen voor verwantschap, op onderdelen (gevelbeeld, detaillering e.d.) kunnen andere keuzes worden gemaakt. De beeldkwaliteitsaspecten zijn onderverdeeld in vier categorieën: 1. Situering 2. Bouwmassa 3. Vormgeving en detaillering 4.

Kleur- en materiaalgebruik Voorbeelden architectonische uitwerking In de paragraaf over beeldkwaliteit zijn ook enkele referentiebeelden opgenomen als voorbeeld voor de architectonische uitwerking:

(ontwerp)

13

bestemmingsplan Herontwikkeling Schoollocatie fase 3, Millingen aan de Rijn

Hoofdstuk 3

Beleidskader

3.1

Nationaal beleid

3.1.1

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

De kaders van het rijksbeleid zijn opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). In de SVIR schetst het Rijk de ambities tot 2040 en de doelen, belangen en opgaven tot 2028. Daarmee moet Nederland concurrerend, bereikbaar en veilig worden. De structuurvisie gaat uit van het adagium 'decentraal, tenzij'. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Dit betekent dat de verantwoordelijkheid voor het ruimtelijk beleid meer bij provincies en gemeenten komen te liggen. Het Rijk zal zich alleen bezig houden met de zaken die prioriteit hebben. Afspraken over verstedelijking, groene ruimte en landschap laat het Rijk over aan de provincies en gemeenten. Bij het beheren en ontwikkelen van natuur krijgen boeren en particulieren in het landelijk gebied een grotere rol. De structuurvisie is juridisch vertaald in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), zie 3.1.2. Planspecifiek Voor onderhavig plangebied zijn geen specifieke doelstellingen geformuleerd. De SVIR is niet specifiek van toepassing op het plangebied.

3.1.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) borgt een aantal van de nationale ruimtelijke belangen die deel uitmaken van het geldende nationale ruimtelijke beleid, zoals beschreven in de SVIR. In het Barro, ook wel bekend als de AMvB Ruimte, zijn 14 nationale belangen opgenomen die juridische borging vereisen. Het besluit is gericht op doorwerking van de nationale belangen in provinciaal beleid en gemeentelijke bestemmingsplannen. Dat betekent dat het Barro voor de opgenomen onderwerpen regels geeft over bestemmingen en het gebruik van gronden. Daarnaast kan zij aan de gemeente opdragen in de toelichting bij een bestemmingsplan bepaalde zaken uitdrukkelijk te motiveren. Planspecifiek Voor het plangebied is alleen nationaal belang 13 'Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde' van belang. Het plangebied valt namelijk binnen de indicatieve zone voor de 'Romeinse Limes' (Voorlopige Lijst). De categorie 'Voorlopige Lijst' bevat erfgoederen die het Rijk op verzoek van de betrokken medeoverheden de komende jaren gaat voordragen voor de Werelderfgoedlijst van UNESCO. Het rijksbelang heeft betrekking op het behoud en de versterking van de uitzonderlijke universele waarde van de erfgoederen.

De kernkwaliteiten die bepalend zijn voor deze waarde zijn in het Barro als volgt omschreven: 'De unieke, samenhangende en goed bewaard gebleven voormalige (militaire) grens van het Romeinse Rijk. De Limes ligt langs de toenmalige loop van de Rijn met archeologische overblijfselen uit de periode 0 tot 400 na Chr. bestaande uit:  forten (castella)  burgerlijke nederzettingen (kampdorpen/vici) en grafvelden;  militaire infrastructuur, bestaande uit wegen, waterwerken en wachttorens;  scheepswrakken.' De in het besluit omschreven kernkwaliteiten dienen door het provinciaal bestuur te worden uitgewerkt. De uitwerking moet dusdanig zijn, dat de uitgewerkte kernkwaliteiten sturend kunnen zijn voor ruimtelijke ontwikkelingen op het niveau van bestemmingsplannen. Het uitgangspunt is, dat ruimtelijke ontwikkelingen in erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde mogelijk zijn, mits de uitgewerkte kernkwaliteiten van de erfgoederen worden behouden of versterkt («ja, mits»-principe). Ontwikkelingen die de uitgewerkte kernkwaliteiten niet aantasten zijn dus in beginsel toegestaan. Maatvoering, schaal en ontwerp van ruimtelijke projecten bepalen sterk het effect van het project op de kernkwaliteiten. In toelichting paragraaf 4.10 wordt nader ingegaan op het aspect archeologie.

14

(ontwerp)

bestemmingsplan Herontwikkeling Schoollocatie fase 3, Millingen aan de Rijn

3.1.3

Ladder voor duurzame verstedelijking

De in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte geïntroduceerde 'ladder voor duurzame verstedelijking' is als procesvereiste vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet in de toelichting een onderbouwing opgenomen worden van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. De ladder worden in artikel 3.1.6, lid 2 Bro als volgt omschreven: 'De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.' In het kader van de duurzame ladder wordt ten aanzien van de definitie van bestaand stedelijk gebied de definitie uit de Bro gehanteerd: 'bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.' Volgens de nota van toelichting bij het Bro moet worden bekeken of door het benutten van leegstaande verstedelijkingsruimte in bestaand stedelijk

gebied kan worden voorzien in de behoefte. Zoals ook volgt uit onder andere de uitspraak met het nummer 201303578/1/R4 kunnen, naar het oordeel van de Raad van State, planologische mogelijkheden waarvan nog geen gebruik is gemaakt, als leegstaande verstedelijkingsruimte worden aangemerkt. Een dergelijke locatie wordt gezien als onderdeel van het bestaand stedelijk gebied. Planspecifiek Kwantitatieve behoefte Voor de gemeenten Berg en Dal, Beuningen, Druten, Heumen, Mook en Middelaar, Nijmegen en Wijchen is sinds 15 december 2020 de nieuwe gezamenlijk regionale 'Woonagenda Nijmegen e.o. 2020-2030' van kracht. Op basis van een analyse van de regionale behoefte, kunnen in de regio gedurende de looptijd van de agenda circa 20.500 woningen worden gebouwd. Voor Berg en Dal komt dit neer op circa 1.455 woningen. In de provinciale 'Woningmarktmonitor' is voor de gemeente Berg en Dal een netto plancapaciteit van 588 woningen opgenomen (harde en zachte plannen), waardoor er nog ruimte is voor het toevoegen van nieuwe woningen. Uit het recente Actieplan wonen van de gemeente Berg en Dal (zie subparagraaf 3.3.2) blijkt dat er behoefte is aan 1.200 woningen tot 2030. Omdat de behoefte aan woningen tot 2030 vooralsnog groter is dan het beoogde aanbod 'netto plancapaciteit', is de kwantitatieve behoefte voldoende aangetoond.

Kwalitatieve behoefte De beoogde woningbouwontwikkeling met 26 sociale huurappartementen voorziet specifiek in de groeiende vraag naar kleine(re) en betaalbare woningen. Ligging binnen bestaand stedelijk gebied Tot slot dient aangetoond te worden dat de ontwikkeling is gelegen binnen bestaand stedelijk gebied. Onder bestaand stedelijk gebied wordt verstaan een 'bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur' (artikel 1.1.1 onder h Bro). Gelet op de ligging van het plangebied nabij het centrum van Millingen aan de Rijn en het feit dat het plangebied voorheen bebouwd was (er is sprake van herstructurering), is het plangebied aan te merken als bestaand stedelijk gebied. Daarmee wordt voldaan aan de ladder voor duurzame verstedelijking.

3.1.4

Conclusie

In het plangebied zijn geen nationale belangen in het geding.

(ontwerp)

15

bestemmingsplan Herontwikkeling Schoollocatie fase 3, Millingen aan de Rijn

3.2

Provinciaal beleid

Op 19 december 2018 heeft het college van Gedeputeerde Staten de 'Omgevingsvisie Gaaf Gelderland' vastgesteld. De bijbehorende geactualiseerde 'Omgevingsverordening Gelderland (maart 2021)' heeft het college van Gedeputeerde Staten op 31 maart 2021 vastgesteld. In de Omgevingsvisie staan de hoofdlijnen van het beleid en in de Omgevingsverordening de regels en afspraken om de opgaven uit de Omgevingsvisie te realiseren. De Omgevingsvisie en –verordening zijn dynamische instrumenten. Doordat wetten veranderen of door de komst van nieuwe initiatieven, kijkt de provincie 2 keer per jaar of de plannen moeten worden aangepast.

3.2.1

Omgevingsvisie Gaaf Gelderland

De wereld verandert ingrijpend en er komt veel op de inwoners van Gelderland af. Het energievraagstuk, klimaatverandering, uitputting van grondstoffen, kwetsbare biodiversiteit, digitalisering, internationalisering. Deze zaken vragen stevige antwoorden en oplossingen als investering in de toekomst. Met de schaarse ruimte en de vele uiteenlopende belangen en inzichten gaat dit niet vanzelf. We moeten samen keuzes maken over de voorliggende vraagstukken en de betekenis daarvan voor de inrichting van Gelderland. In onderling overleg zoeken naar synergie, samenhang en uitruilmogelijkheden. Daarom zet de provincie een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal. Om Gelderland voor mensen en bedrijven aantrekkelijk te houden, is de kwaliteit van de leefomgeving van groot belang, zoals goed bereikbare voorzieningen, aansprekende evenementen, unieke cultuurhistorie, inspirerende culturele voorzieningen en een mooie natuur. Ook goed wonen hoort daarbij. Gelderland heeft op woongebied een bijzondere positie met uiteenlopende stedelijke en landelijke woonkwaliteiten. Om het landschap open, groen en het voorzieningenniveau op peil te houden en leegstand te voorkomen, is bouwen binnen bestaand verstedelijkt gebied het vertrekpunt. De provincie geeft de voorkeur aan het benutten van bestaande gebouwen en het concentreren van bebouwing.

Pas als er geen andere goede mogelijkheden zijn, kan er aan de randen van steden of dorpen worden uitgebreid. De dynamiek op de woningmarkt is groot. Mensen worden ouder, wonen steeds langer alleen en zelfstandig, worden steeds meer energiebewust en zijn mobieler dan vroeger, waardoor ze ook meer en makkelijker verhuizen. Het grootste deel van de woningen die in 2050 in Gelderland nodig zijn, staat er al. Maar deze woningen zijn niet klaar voor de toekomst en moeten aangepast of vervangen worden. Voor de provincie staat een goede balans tussen de vraag en aanbod van woningen in verschillende prijscategorieën voorop, ook voor specifieke doelgroepen. De meeste woningen zijn verre van energieneutraal en klimaatbestendig. De provincie stimuleert innovaties op dit terrein, zoals het aardgasloos maken van bestaande woningen en het verduurzamen van woonwijken. Daarnaast is de provincie met haar partners in gesprek over hoe het vraagstuk van klimaatadaptatie en wonen slimmer aangepakt kan worden. Voldoende groene ruimte, koele plekken, opvang van water in het licht van de klimaatverandering is immers van belang, zeker met het oog op de gezondheid van de Gelderlanders. Planspecifiek De beoogde ontwikkeling sluit aan bij het vertrekpunt dat zoveel mogelijk binnen bestaand stedelijk gebied gebouwd wordt.

Bovendien betreft het woningen, die onder andere geschikt zijn voor ouderen om langer zelfstandig te wonen. Hiermee wordt bijgedragen aan de provinciale ambitie om voor een ieder een passende woning te hebben. Daarnaast wordt ook aan de provinciale duurzaamheidambities gedacht door de nieuwe woningen zonder aardgasaansluitingen te realiseren. De Omgevingsvisie doet verder geen specifieke uitspraken die van belang zijn voor de voorliggende ontwikkeling. De Omgevingsvisie vormt geen belemmering voor de nieuw te bouwen appartementen.

16

(ontwerp)

bestemmingsplan Herontwikkeling Schoollocatie fase 3, Millingen aan de Rijn 3.2.2

Omgevingsverordening

De Omgevingsverordening vormt de juridische doorwerking in regels van het beleid uit de Omgevingsvisie. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Planspecifiek In artikel 2.2 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat een ruimtelijk plan alleen nieuwe woningen mogelijk maakt, als die ontwikkeling past binnen een door Gedeputeerde Staten vastgestelde regionale woonagenda. Zoals in subparagraaf 3.3.2 is beschreven, past de beoogde ontwikkeling binnen de gemeentelijke woonagenda (en derhalve binnen de subregionale woonagenda). Daarmee is het plan passend binnen de omgevingsverordening. Daarnaast is het plangebied onderdeel van de Romeinse Limes.

Voor de Romeinse Limes, die op de Voorlopige Lijst Unesco Werelderfgoed van het Koninkrijk der Nederlanden staat om als werelderfgoed aangewezen te worden, zijn de begrenzingen van de gebieden indicatief aangegeven. In artikel 2.60 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat een bestemmingsplan, voor gronden gelegen binnen de Romeinse Limes, geen activiteiten mogelijk mag maken die de kernkwaliteiten (forten, burgerlijke nederzettingen, kampdorpen, grafvelden en militaire infrastructuur) aantasten. Hiervan is geen sprake, zie ook paragraaf 4.10. Voor het onderhavige plangebied zijn geen andere specifieke doelstellingen geformuleerd in de Omgevingsverordening. Vandaar dat de Omgevingsverordening geen belemmering vormt voor de nieuw te bouwen appartementen.

3.2.3

Conclusie

In het plangebied zijn geen provinciale belangen in het geding.

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1

Structuurvisie Millingen aan de Rijn 2025

Op 29 januari 2013 heeft de gemeenteraad van de voormalige gemeente Millingen aan de Rijn de 'Structuurvisie gemeente Millingen aan de Rijn 2025' vastgesteld. In de structuurvisie wordt voor verschillende thema's aangegeven wat de basisverantwoordelijkheid van de gemeente is, wat de ambities en ontwikkelingen zijn die de gemeente mede wil realiseren, wat de kansen en ontwikkelingen zijn die de gemeente mogelijk wil maken en wat de bedreigingen en ontwikkelingen zijn die de gemeente tegen wil houden. De thema's betreffen:  Wonen en woonomgeving;  Voorzieningen;  Bedrijvigheid en werken;  Recreatie en toerisme;  Ruimtelijke kwaliteit;  Verkeer en infrastructuur. De integrale structuurvisiekaart geeft de hoofdlijnen van de thema's in structuurvisie weer:

(ontwerp)

17

bestemmingsplan Herontwikkeling Schoollocatie fase 3, Millingen aan de Rijn

Structuurvisiekaart met globale aanduiding plangebied (blauwe omkadering) De gemeente richt haar woonbeleid voor de voormalige gemeente Millingen op:  het bouwen op basis van de behoefte, levensloopbestendig, aansluitend op de sociaaleconomische positie van de bevolking;  accenten in het programma voor starters én goed en betaalbaar wonen voor jong en oud;  het aantrekken van huishoudens van buiten de gemeente;  het behouden en versterken van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving. Planspecifiek Het plan om betaalbare sociale huurappartementen te realiseren, voor kleine huishoudens en in het bijzonder 55-plussers, past binnen de in de structuurvisie gestelde ambities. Bovendien gaat het om een inbreidingslocatie, waarvoor woningbouw voorzien is. Daarnaast worden de gronden rond het beoogde wooncomplex passend binnen het bestaande groene raamwerk ingepast, waardoor de kwaliteit van de woon- en leefomgeving versterkt wordt. Door de voortzetting van de parkachtige setting heeft het openbaar gebied binnen het plangebied een functie als ontmoetingsplek.

3.3.2

Actieplan Wonen

Op 24 september 2020 heeft de gemeenteraad het Actieplan wonen vastgesteld.

18

(ontwerp)

bestemmingsplan Herontwikkeling Schoollocatie fase 3, Millingen aan de Rijn Sinds de vorige woonagenda is de druk op de woningmarkt toegenomen Het is lastiger geworden om een betaalbare woning te vinden in Berg en Dal. Zeker in de kernen nabij Nijmegen zorgt de instroom vanuit deze stad voor meer schaarste van beschikbare woningen. Om hier een antwoord op te hebben en het woningaanbod toe te laten nemen is het zorg voor de gemeente om in de ruimtelijke ordening stimulerend en faciliterend op te treden. De druk op de woningmarkt maakt dat er minder betaalbare woningen beschikbaar zijn. Daarnaast is het lastiger geworden voor corporaties en ontwikkelaars om goedkope woningen te realiseren. Dit zorgt dat de gemeente werk moeten maken om beschikbaar goedkoop aanbod te realiseren. De voor het plangebied relevante punten zijn hieronder weergegeven: Ontwikkeling voorraad  1.200 woningen toe voegen tot 2030;  De gemeente houdt bij ontwikkelingen vinger aan de pols. Dat betekent monitoren of de vraag wijzigt, bijhouden of de ontwikkelingen op peil blijven en planuitval van 30 % incalculeren.

Betaalbaarheid  De helft van de te bouwen 1.200 woningen is sociale huur en koop, middenhuur en betaalbare koop, waar mogelijk vast te leggen in bestemmings- of omgevingsplannen;  Stimuleren van doorstroming door toegankelijke woningen te bouwen, daarnaast in kaart brengen andere stimuleringsmaatregelen voor doorstroming;  Betaalbaarheid borgen door enerzijds passend toewijzen door de woningcorporaties en anderzijds prioriteit geven aan ontwikkelingen in het betaalbare segment. Duurzaamheid  Berg en Dal is in 2050 klimaatneutraal;  Herbestemmen van vastgoed stimuleren. Leefbaarheid  Sturen op een goede verdeling koop/huur en duur/goedkoop per wijk, waarbij de gemeente op inbreidingslocaties ook de verdeling in de directe omgeving meeweegt. In het actieplan komen verschillende ambities bijeen, zoals 1.200 woningen realiseren voor 2030, vergroening van de wijken, aanbod goedkope woningen vergroten, toegankelijke hofjeswoningen, etc.. Het liefst wil de gemeente alle ambities voor de volle 100 % realiseren, maar zij weet ook dat dit niet altijd (financieel) haalbaar is. Bij plannen zullen concessies gedaan moeten worden. Om realistisch om te gaan met dit spanningsveld werkt de gemeente met het ambitiekader woningbouw. Hiermee daagt de gemeente ontwikkelaars uit om aan zo veel mogelijk ambities te voldoen.

Het college van burgemeester en wethouders houdt regie op het totale programma, zodat alle ambities in vergelijkbare mate aandacht krijgen. Planspecifiek Het plangebied betreft een inbreidingslocatie in Millingen aan de Rijn waar 26 sociale huurappartementen worden gerealiseerd. Er is grote behoefte aan meer betaalbare huurwoningen binnen de gemeente. Alle nieuwe woningen zijn gasloos en voldoen aan de Bijna Energieneutraal Gebouwen (BENG)norm. De beoogde ontwikkeling draagt daarmee zeker ook bij aan het aspect 'duurzaamheid' (klimaatneutraliteit) binnen het ambitiekader woningbouw.

3.3.3

Conclusie

In het plangebied zijn geen gemeentelijke belangen in het geding.

3.4

Conclusie

Het plan is passend binnen c.q. niet strijdig met het beleid van de verschillende overheden.

(ontwerp)

19

bestemmingsplan Herontwikkeling Schoollocatie fase 3, Millingen aan de Rijn

Hoofdstuk 4

Milieu- & omgevingsaspecten

4.1

Verkeer & parkeren

4.1.1

Verkeer

De Heerbaan is de hoofdstraat van Millingen en de doorgaande route van Duitsland richting Nijmegen. Hieraan liggen de meeste functies van het dorp verbonden. Het plangebied ligt direct achter de Heerbaan. Het plangebied ligt niet aan een doorgaande autoweg en is daarom autoluw. Er bevinden zich wel doorgaande langzaamverkeersroutes in het gebied. Twee horizontale verbindingen met het centrum en het Genske, richting het sportpark. Voor de ontsluiting van het woongebouw zal gebruik worden gemaakt van de bestaande omliggende infrastructuur. Dit zijn de Vivaldistraat en Ravelstraat, richting de Zeelandsestraat. Om inzicht te bieden in de mate van verkeerstoename als gevolg van de ontwikkeling, die met dit bestemmingsplan wordt gefaciliteerd, moet de verkeersaantrekkende werking worden bepaald. Daarvoor is gebruik gemaakt van de CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren'. Voor het berekenen van de verkeersgeneratie wordt uitgegaan van een gemiddelde weekdag. Om de verkeersgeneratie van de nieuwe woningen te bepalen is gekeken naar de ligging van het plangebied.

De gemeente Berg en Dal is qua stedelijkheidsgraad aan te merken als een 'weinig stedelijk' gebied en het plangebied maakt onderdeel uit van de 'rest bebouwde kom', waardoor de verkeersgeneratie (uitgaande van het gemiddelde van de aangegeven bandbreedtes) uitkomt op:  4,1 voertuigbewegingen per appartement, sociale huur; Uitgaande van de beoogde 26 appartementen betekent dit dat er: 26 x 4,1 = 106,6 extra voertuigbewegingen per etmaal plaatsvinden. De infrastructuur rond het plangebied kan de extra 107 voertuigbewegingen per etmaal verwerken. Ook omdat voorheen in het plangebied een basisschool gevestigd was en ter plaatse van het plangebied een brede 'maatschappelijke' bestemming geldt. Oftewel de infrastructuur rond het plangebied is berekend op de maatschappelijke functies die volgens het huidige bestemmingsplan binnen het bouwvlak in het plangebied mogelijk zijn. Vanwege de beperkte verkeersgeneratie is er qua verkeersveiligheid geen indicatie dat door het bouwplan de straten in de omgeving dusdanig druk worden dat verkeersmaatregelen noodzakelijk zijn. Het aspect 'verkeer' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.1.2

Parkeren

Voor het bepalen van de parkeerbehoefte is gebruik gemaakt van CROW publicatie 381 'Toekomstbestending parkeren'. De gemeente Berg en Dal is qua omgevingsadressendichtheid aan te merken als een 'weinig stedelijke gemeente' en het plangebied is gelegen in de 'rest bebouwde kom'. De parkeerkencijfers uit de publicatie worden weergegeven in de vorm van een bandbreedte. De gemeente Berg en Dal gaat bij het bepalen van de parkeerbehoefte uit van het gemiddelde van deze bandbreedte. Navolgend is de parkeerbalans voor de bouw van het wooncomplex weergegeven.

Woningtype Appartement, sociale huur

Aantal

Parkeernorm

26

1,2

Parkeerbehoefte 31,2

In totaal zijn voor 26 wooneenheden 31,2 parkeerplaatsen nodig. Van de 1,2 parkeerplaatsen per appartement, moeten 0,3 parkeerplaatsen in de openbare ruimte worden gesitueerd, zodat deze toegankelijk zijn voor bezoekersparkeren. Oftewel minimaal 8 parkeerplaatsen moeten in de openbare ruimte worden gerealiseerd. In deze berekening is nog geen rekening gehouden met het feit dat bewoners en bezoekers niet allemaal tegelijkertijd aanwezig zijn. Daardoor kan er sprake zijn van zogeheten dubbelgebruik.

20

(ontwerp)

bestemmingsplan Herontwikkeling Schoollocatie fase 3, Millingen aan de Rijn Voorwaarde is dat bezoekers en bewoners van dezelfde parkeerplaatsen gebruik kunnen maken (volledig uitwisselbaar). Om de werkelijke parkeerbehoefte te kunnen berekenen heeft het CROW zogeheten aanwezigheidspercentages gepubliceerd. Die geven aan, verspreid over de week, wanneer een doelgroep ook daadwerkelijk gebruik maakt van de parkeerplaatsen. Het toepassen van de aanwezigheidspercentages voor bewoners en bezoekers levert de volgende parkeervraag op: Aanwezigheids Werkdag percentages

Koopavond Zaterdag

Ochtend Middag Avond

Nacht

Woningen bewoners

11,7

11,7

21,1

23,4

Woningen bezoekers

0,8

1,6

6,2

Totaal

12,5

13,3

27,3

Zondag middag

Middag

Avond

18,7

14,0

18,7

16,4

0,0

5,5

4,7

6,2

5,5

23,4

24,2

18,7

25,0

21,8

Bij volledige uitwisselbaarheid van parkeerplaatsen ligt de piek van de parkeervraag op de werkdag in de avond. Op dat moment bedraagt de behoefte, afgerond naar boven op hele aantallen, 28 parkeerplaatsen. In onderhavig plan wordt voorzien in 31 parkeerplaatsen, waarvan minimaal 11 openbaar toegankelijke parkeerplaatsen aan de Vivaldistraat. Dit betekent dat het plan voldoet aan zowel de parkeervraag, als de parkeernorm. Aan de noordzijde van het gebouw worden 20 parkeerplaatsen gerealiseerd, die via een inrit vanaf de Vivaldistraat te bereiken zijn. Aanvullend worden in het verlengde van de bestaande parkeerplaatsen aan de Vivaldistraat 7 parkeerplaatsen aangelegd. Daarnaast worden 4 van de bestaande parkeerplaatsen aan de Vivaldistraat toegeschreven aan fase 3, deze vormen een overcapaciteit uit fase 1 en 2. Het aspect 'parkeren' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.2

Bodem

4.2.1

Regelgeving

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet in verband met de uitvoerbaarheid van een project rekening worden gehouden met de bodemgesteldheid. Bij functiewijzigingen moet worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig moet worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). De Wet bodembescherming heeft betrekking op landbodems; waterbodems vallen onder de Waterwet. Op grond van de Woningwet en de Bouwverordening moet voor elke individuele bouwlocatie aangetoond worden dat de bodem geschikt is voor de beoogde bebouwing, alvorens een omgevingsvergunning verleend kan worden. Bij het opstellen van een bestemmingsplan is de vraag of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en of deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Het uitgangspunt hierbij is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem en dat de bodemkwaliteit niet verslechtert door grondverzet. Dit is het zogenaamde stand still-beginsel.

Het vaststellen van de bodemkwaliteit wordt bij het opstellen/wijzigen van een bestemmingsplan dan ook alleen van belang geacht voor de locaties waar ontwikkelingen gepland zijn (zoals functiewijzigingen, bouwen, graven/ophogen).

(ontwerp)

21

bestemmingsplan Herontwikkeling Schoollocatie fase 3, Millingen aan de Rijn 4.2.2

Doorvertaling bestemmingsplan

Er is in het kader van de geplande woningbouw een verkennend bodemonderzoek inclusief asbest en PFAS uitgevoerd in het plangebied. Dit onderzoek is als bijlage 2 bij de toelichting gevoegd. Grond In de bovengrond zijn licht verhoogde gehalten aan enkele zware metalen aangetoond. De verhoogde gehalten zijn vermoedelijk te relateren aan de bodemvreemde bijmenging met puin en/of het gebruik van de locatie door de jaren heen. Ten aanzien van de stoffengroep PFAS voldoet de bovengrond aan de functieklasse landbouw/natuur. De puinhoudende bovengrond bevat geen asbest. In de toplaag van de bodem, op het noordoostelijk terreindeel, is HCB licht verhoogd gemeten. Het gemeten gehalte is vermoedelijk te relateren aan het voormalige gebruik van de locatie. In de ondergrond zijn geen parameters verhoogd gemeten. Ten aanzien van de stoffengroep PFAS voldoet de ondergrond aan de functieklasse landbouw/natuur. Op basis van de rekenregels voldoet zowel de boven- als de ondergrond ten aanzien van de reguliere chemische parameters aan de achtergrondwaarde. De milieuhygiënische kwaliteit van zowel de boven- als ondergrond vormt geen belemmering voor de geplande herontwikkeling. Grondwater In het grondwater zijn geen parameters in een verhoogde concentratie gemeten. Er bestaat ten aanzien van de chemische kwaliteit van het grondwater geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

Conclusie Milieuhygiënisch zijn er geen belemmering voor de herontwikkeling van het plangebied. Het aspect 'bodem' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.3

Geluid

4.3.1

Regelgeving

Algemeen Belangrijke basis voor de ruimtelijke afweging van het aspect geluid is de Wet geluidhinder (Wgh). Overeenkomstig de Wgh zijn (spoor-)wegen en industrieterreinen waar zich grote lawaaimakers kunnen vestigen voorzien van zones. Het gebied binnen deze zones geldt als akoestisch aandachtsgebied waar een toetsing uitgevoerd moet worden. Daarbij beperkt de Wgh zich tot een toetsing ter plaatse van zogenaamde geluidsgevoelige objecten. Dit zijn onder andere woningen, onderwijsgebouwen, gezondheidszorggebouwen, kinderdagverblijven, woonwagenstandplaatsen en ligplaatsen voor woonboten. Voor de geluidsgevoelige gebouwen en terreinen die binnen bepaalde afstanden (zones) van de verschillende geluidsbronnen liggen, schrijft de Wgh voor dat een aangewezen bevoegd gezag (meestal Burgemeester en Wethouders) (maatwerk)grenswaarden bepaalt. De terminologie die de wet hiervoor hanteert is: ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting. De getalsmatige invulling van deze grenswaarden voor nieuwe of bestaande geluidgevoelige bestemmingen verschillen per locatie en per geluidssoort. Naast grenswaarden op de gevels van de geluidsgevoelige gebouwen, zijn er in de Wgh ook grenswaarden gericht op de bescherming van het akoestische klimaat binnen de bestaande gebouwen. De grenswaarden moeten bij de aanleg, dan wel wijzigingen van een (spoor)weg of industrieterrein in acht worden genomen.

Dit geldt ook bij vaststelling of herziening van een bestemmingsplan of bij een projectbesluit wanneer de betreffende gronden/gebouwen voor een geluidgevoelige functie in een geluidszone zijn gelegen. Onder bepaalde voorwaarden is een hogere geluidsbelasting dan de voorkeursgrenswaarde mogelijk (tot de maximaal toelaatbare geluidsbelasting). Hiervoor moet een “hogere waarde procedure” worden doorlopen door het college van burgemeester en wethouders. Een uitzondering waar toetsing aan de grenswaarden niet hoeft, is wanneer een geluidsgevoelig gebouw een zogenoemde 'dove' gevel heeft. Een 'dove gevel' is een bouwkundige constructie:  waarin geen te openen delen aanwezig zijn en met een bepaalde geluidwering;  waarin alleen bij uitzondering te openen delen aanwezig zijn, mits de delen niet direct grenzen aan een geluidsgevoelige ruimte.

22

(ontwerp)

bestemmingsplan Herontwikkeling Schoollocatie fase 3, Millingen aan de Rijn Bij ontheffing van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting kan (in het kader van de omgevingsvergunning) een nader akoestisch onderzoek noodzakelijk zijn ten behoeve van het woonen leefklimaat in de woning. De karakteristieke geluidwering van de gevel moet voor nieuwbouw zodanig zijn dat wordt voldaan aan de eisen uit het Bouwbesluit, zijnde het verschil tussen de geluidsbelasting op de gevel en het gewenste binnenniveau met een minimum van 20 dB. Wegverkeerslawaai In de Wgh en het Bgh is de zonering van wegen en het daarbij horende normenstelsel geregeld. Een zone is het akoestisch aandachtsgebied. Volgens de Wgh bevinden zich langs alle wegen wettelijke geluidzones, met uitzondering van woonerven, 30-km/uur-gebieden en wegen waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveaukaart blijkt dat de geluidsbelasting op 10 m uit de meest nabij gelegen wegas 48 dB of minder bedraagt. Bij vaststelling van een bestemmingsplan moet voor alle wegen waarvan de zone een overlap met het plangebied kent, een akoestisch onderzoek worden verricht (artikel 76 lid 1 Wgh). De breedte van deze zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en de aard van de omgeving (stedelijk of buitenstedelijk), zie navolgende tabel.

Overzicht zonebreedtes (vanaf de as van de weg tot de volgende breedte aan weerszijden van de weg) De definities van het buitenstedelijk en stedelijk gebied zijn opgenomen in artikel 1 van de Wgh. Als buitenstedelijk gebied wordt aangemerkt het gebied buiten de bebouwde kom en het gebied binnen de zone van een autoweg of autosnelweg, die binnen de bebouwde kom ligt. Voor nieuwe woningen bedraagt de wettelijke (voorkeurs)grenswaarde 48 dB.

4.3.2

Doorvertaling bestemmingsplan

De wegen in en om het plangebied (o.a. de Vivaldistraat, de Chopinstraat, het Gengske en de Heerbaan) kennen allemaal een snelheidsregime van 30 km/u, zodat nader onderzoek naar het aspect wegverkeerslawaai niet noodzakelijk is. Het plangebied valt niet binnen een zone (200 m) van een weg met een snelheidsregime van 50 km/u of hoger. Bovendien zijn de wegen rond het plangebied autoluw en is de doorgaande weg, de Heerbaan, op circa 150 m van het plangebied gelegen. Door de afstand tot deze weg en de tussen gelegen bebouwing wordt de voorkeursgrenswaarde niet overschreden. Er zijn geen spoorwegen in de directe nabijheid van het plangebied gelegen. Voor nader onderzoek naar het aspect industrielawaai wordt verwezen naar paragraaf 4.4. Het aspect 'geluid' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.4

Milieuzonering

4.4.1

Regelgeving

Wanneer ruimtelijke ontwikkelingen in de directe omgeving van inrichtingen en/of bedrijven worden gerealiseerd, zal een milieukundig onderzoek uit moeten wijzen in hoeverre er sprake is van mogelijke beperkingen ten gevolge van de aanwezige inrichtingen en of bedrijven. Maar ook andersom moet aandacht te worden besteed aan de rechten van de aanwezige inrichtingen en/of bedrijven. Het is immers niet de bedoeling dat nieuwe ontwikkelingen de huidige bedrijfsvoering in de directe omgeving zullen beperken. Datzelfde geldt uiteraard ook voor de situatie dat inrichtingen en/of bedrijven wijzigen in de nabijheid van bestaande gevoelige functies.

(ontwerp)

23

bestemmingsplan Herontwikkeling Schoollocatie fase 3, Millingen aan de Rijn Via de milieuwetgeving wordt milieuhinder zoveel mogelijk voorkomen. Alle bedrijven en inrichtingen die in potentie hinder zouden kunnen veroorzaken, moeten een vergunning hebben in het kader van de Wet milieubeheer of moeten middels een melding aantonen dat zij aan de hierin gestelde richtwaarden kunnen voldoen. De gestelde richtwaarden zijn veelal vertaald in minimale afstanden tussen de inrichtingen waar activiteiten plaatsvinden en de milieugevoelige functies in de directe omgeving. Behalve van de aard en omvang van een bedrijf of inrichting, is deze mede afhankelijk van de omgevingskarakteristiek. Voor een rustige woonomgeving gelden andere afstanden (strengere eisen) dan voor bijvoorbeeld drukke woonwijken of een gemengd gebied. Voor het vaststellen van de genoemde minimum richtafstanden tussen inrichtingen en milieugevoelige functies worden in de regel de lijsten zoals deze zijn opgenomen in de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' gebruikt. Bedrijven zijn in de VNG-handreiking ingedeeld in een aantal categorieën met bijbehorende gewenste richtafstanden tot milieugevoelige functies. De categorieën geven de zwaarte van bedrijvigheid en mogelijke milieuhinder weer.

De richtafstanden kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandstap worden verlaagd indien sprake is van omgevingstype gemengd gebied.

Richtafstanden VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' Voorgaande tabel geeft een overzicht van de richtafstanden voor verschillende bedrijfscategorieën ten opzichte van een woonwijk en gemengd gebied. Indien de richtafstand niet wordt overschreden, kan verdere toetsing voor het aspect in beginsel achterwege blijven: inpassing is dan mogelijk. Indien niet aan de richtafstanden wordt voldaan, is een nadere beschouwing danwel onderzoek nodig.

4.4.2

Doorvertaling bestemmingsplan

Op circa 12 m ten noordwesten van het plangebied, aan de Chopinstraat 2, bevindt zich een basisschool. Vanwege het maatgevende aspect geluid, is een school een bedrijf in milieucategorie 2 met een richtafstand van 30 m in rustig woongebied. Het plangebied ligt binnen deze richtafstand. Vandaar dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening een akoestisch onderzoek industrielawaai is uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 3 bij de toelichting gevoegd. In het onderzoek is de geluidsbelasting op de geluidsgevoelige bestemming inzichtelijk gemaakt en beoordeeld op basis van het toetsingskader. Voor de inpasbaarheid van het plan in relatie tot de activiteiten en geluidbelastingen door de basisschool kan de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ worden gehanteerd. Voor de basisschool gelden conform de VNG-publicatie in beginsel de grenswaarden volgens stap 2 voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT), het maximale geluidniveau (LAmax) en de verkeersaantrekkende werking (Lih). Tevens mag de basisschool St. Marinus niet door het plan worden beperkt. Ook is er getoetst aan het Activiteitenbesluit. De geluidsbelastingen op de appartementen is getoetst op de VNG-publicatie. Hierbij bedraagt het hoogst berekende geluidniveau van de indirecte hinder op de appartementen 46 dB(A). Hiermee wordt de richtwaarde van de indirecte hinder niet overschreden.

De grenswaarde van het langtijdsgemiddeld beoordelingsniveau (stap 3) op de appartementen wordt met maximaal 4 dB overschreden. Het maximale geluidsniveau wordt met maximaal 4 dB overschreden. Een afweging van geluidsreducerende maatregelen is uitgevoerd. De grenswaarden uit het Activiteitenbesluit worden met de geluidsbelasting op de appartementen niet overschreden.

24

(ontwerp)

bestemmingsplan Herontwikkeling Schoollocatie fase 3, Millingen aan de Rijn De geluidbelastingen op de appartementen zijn lager dan de geluidsbelastingen op omliggende woningen van de St. Martinus. Hierdoor vormt de realisatie van het appartementencomplex geen belemmering voor St. Martinus. De geluidsbelastingen kunnen met een aanvullende motivatie acceptabel worden geacht. De overschrijdingen worden slechts veroorzaakt tijdens de pauzes van de school. De geluidsbronnen van St. Martinus beperken zich tot anderhalf uur in de dagperiode. In de avond- en nachtperiode vinden er geen overschrijdingen van de richtwaarden plaats. Er zal geen sprake van slaapverstoring zijn. Ten behoeve van een goed woon- en leefklimaat is een nader onderzoek naar de geluidwering van de gevels noodzakelijk, zodat het binnenniveau kan worden gegarandeerd. In het woongebouw ten zuiden van het plangebied is een kinderdagverblijf aanwezig. Een kinderdagverblijf valt onder milieucategorie 2, met een richtafstand van 30 m in rustig woongebied. Het maatgevende aspect is geluid. Aangezien het kinderdagverblijf gevestigd is een bouwblok met 20 bestaande appartementen, wordt verondersteld dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat het kinderdagverblijf geen beperkingen ondervindt van de beoogde nieuwe woningen.

De beoogde woningen zijn immers De beoogde woningen zijn immers op grotere afstand gelegen dan de bestaande woningen en worden in een afzonderlijk bouwblok, los van het kinderdagverblijf gerealiseerd. De ten zuidoosten van het plangebied gelegen detailhandel, evenals de ten zuidwesten van het plangebied gelegen begraafplaats, vormen geen belemmering. Dit zijn bedrijven/inrichtingen in milieucategorie 1, met een richtafstand van 10 m, terwijl de minimale afstand tussen het plangebied en deze bedrijvigheid 10 m bedraagt. Bovendien zijn de dichterbij gelegen bestaande woningen maatgevend voor de mogelijkheden van deze bedrijven/inrichtingen. Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling, mits voor het aanvragen van de omgevingsvergunning ten behoeve van de bouw van de appartementen een nader onderzoek naar de geluidwering van de gevels plaatsvindt.

4.5

Luchtkwaliteit

4.5.1

Regelgeving

Op 15 november 2007 is de wijziging van de Wet milieubeheer in werking getreden. Deze wet vervangt het 'Besluit luchtkwaliteit 2005' en is één van de maatregelen die de overheid heeft getroffen om:  negatieve effecten op de volksgezondheid als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging aan te pakken.  mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkeling te creëren ondanks de overschrijdingen van de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit. De paragraaf luchtkwaliteit in de Wet milieubeheer voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de nieuwe 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als:  er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde.  een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt.  een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging (meer dan 3 % ten opzichte van de grenswaarde).

Het gaat hier bijvoorbeeld om woningbouwlocaties met één ontsluitingsweg en niet meer dan 1.500 nieuwe woningen, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 3.000 woningen.  een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat in werking is getreden nadat de EU in april 2009 derogatie heeft verleend. Als aannemelijk kan worden gemaakt dat aan één of meerdere van de bovengenoemde criteria wordt voldaan, kan het project zonder toetsing aan de gestelde grenswaarden voor luchtkwaliteit worden uitgevoerd. In de Ministeriële regeling 'niet in betekenende mate bijdragen' zijn voor verschillende categorieën

(ontwerp)

25

bestemmingsplan Herontwikkeling Schoollocatie fase 3, Millingen aan de Rijn van projecten grenzen gesteld aan de projectomvang, waaronder een project met zekerheid NIBM bijdraagt aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht. Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) extra bescherming: substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 m van een provinciale weg of 300 m van een rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden, waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico's optreden. De zones worden afgemeten vanaf de rand van de weg. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties dus niet als gevoelige bestemming gezien.

4.5.2

Doorvertaling bestemmingsplan

In de regeling NIBM is aangegeven dat een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Voorliggend initiatief heeft betrekking op de realisatie van maximaal 26 wooneenheden en valt qua woningbouw dus ruimschoots binnen de NIBM-regeling. Vandaar dat onderzoek op grond van de Wet luchtkwaliteit niet noodzakelijk is. Goede ruimtelijke ordening In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn aan de hand van de Grootschalige Concentratieen Depositiekaarten (GCN en GDN), de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 bepaald ter hoogte van het plangebied. Daaruit blijkt dat de jaargemiddelde concentraties NO 2, PM10 en PM2,5 respectievelijk circa 14,0 µg/m3, 16,0 µg/m3 en 9,0 µg/m3 bedragen in 2020. Daarmee worden de jaargemiddelde grenswaarden van 40 µg/m3 (voor NO2 en PM10) en 25 µg/m3 (voor PM2,5) niet overschreden. Daarnaast is de trend dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten. Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.6

Geur

4.6.1

Regelgeving

Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) bevat het beoordelingskader voor geurhinder van veehouderijen die vergunningsplichtig zijn op basis van de Wet milieubeheer (Wm). Het beoordelingskader is als volgt:  voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld (in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv)) geldt een maximale geurbelasting) op een geurgevoelig object;  voor andere diercategorieën geldt een minimale afstand van de dierenverblijven ten opzichte van geurgevoelige objecten. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden (conform Reconstructiewet) en nietconcentratiegebieden en tussen situaties binnen de bebouwde kom en buiten de bebouwde kom. De wet beschrijft in artikel 3 de maximale norm voor geurbelasting van een veehouderij ten opzichte van een gevoelig object in vier situaties, zie onderstaande tabel.

Binnen bebouwde kom

Buiten bebouwde kom

Concentratiegebied

Niet-concentratiegebied

diercategorieën Rgv

max. 3 ouE/m³

max. 2 ouE/m³

andere diercategorieën

min. 100 m t.o.v. geurgevoelig object

min. 100 m t.o.v. geurgevoelig object

diercategorieën Rgv

max. 14 ouE/m³

max. 8 ouE/m³

andere diercategorieën

min. 50 m t.o.v. geurgevoelig object

min. 50 m t.o.v. geurgevoelig object

Geurnormen Wgv

26

(ontwerp)

bestemmingsplan Herontwikkeling Schoollocatie fase 3, Millingen aan de Rijn De Wgv biedt gemeenten de mogelijkheid om afwijkende geurnormen vast te stellen voor (delen van) het grondgebied. Op deze wijze kan de gemeente een geurhinderbeleid vaststellen dat is afgestemd op de plaatselijke situatie. Regeling geurhinder en veehouderij In de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) is de wijze vastgelegd waarop:  de geurbelasting wordt bepaald;  de afstand tussen veehouderij en geurgevoelig object) wordt gemeten. Activiteitenbesluit Per 1 januari 2013 zijn agrarische activiteiten onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit gebracht. In het Activiteitenbesluit zijn voor alle agrarische activiteiten, waaronder akkerbouwbedrijven en veehouderijen, eisen opgenomen. Voor de veehouderijen is aangesloten bij de systematiek uit de Wgv, dat wil zeggen dat in bepaalde gevallen een maximaal toegestane geurbelastingen geldt (diercategorieën waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld, bijvoorbeeld varkens en pluimvee) en in andere gevallen vaste afstandseisen gelden (diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld, waaronder melkrundvee). Geur bij niet-agrarische bedrijven Het voorkomen van (nieuwe) geurhinder is het algemene uitgangspunt in het rijksbeleid.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10761461/2