CConstaterende datBerg en Dal
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlagenboek Bestemmingsplan recreatieterrein De Oude Molen

Gemeenteraad 23 juni 2022, gemeente Berg en DalBij agendapunt: Bestemmingsplan "Recreatieterrein De Oude Molen, Groesbeek"22.977 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Waarnemingen binnen het onderzoeksgebied In ARCHIS staan alle bekende archeologische waarnemingen geregistreerd. Binnen het plangebied zijn geen waarnemingen geregistreerd. Binnen het onderzoeksgebied staan 33 waarnemingen geregistreerd (zie Tabel VI en figuur 8). Tabel VI. Waarnemingsnummer 7558

Overzicht ARCHIS-waarnemingen Locatie t.o.v. plangebied 130 meter ten

15071707 GRO.SRO.ARC

Datering IJzertijd - Romeinse tijd :

Pagina 14 van 27

zuidoosten

7542

190 meter ten noordwesten

7541

250 meter ten noordwesten

- handgevormd aardewerk Romeinse tijd : - 4 fragmenten van gedraaid aardewerk Late Middeleeuwen : - 2 fragmenten van grijsbakkend gedraaid aardewerk - 1 fragment van steengoed IJzertijd : - handgevormd aardewerk Romeinse tijd : - 1 fragment van gedraaid aardewerk

7559 7543

250 meter ten oosten 350 meter ten noorden

Late Middeleeuwen : - 1 fragment van grijsbakkend gedraaid aardewerk - 1 fragment van steengoed IJzertijd : - handgevormd aardewerk Neolithicum - IJzertijd : - vuursteen afslag IJzertijd - Romeinse tijd : - handgevormd aardewerk

7545 7540

400 meter ten noordwesten 450 meter ten noordwesten

Romeinse tijd : - 1 fragment van een handgevormde kurkurn IJzertijd : - handgevormd aardewerk Neolithicum : - handgevormd aardewerk - 1 fragment van een vuursteen bijl Neolithicum - Nieuwe tijd : - fragment van huttenleem/verbrande leem IJzertijd : - handgevormd aardewerk Romeinse tijd : - 3 fragmenten van gedraaid aardewerk

48383

60394

60396

406541

450 meter ten zuiden

450 meter ten zuiden

450 meter ten zuiden

450 meter ten zuiden

15071707 GRO.SRO.ARC

Late Middeleeuwen : - 2 fragmenten van steengoed - 1 fragment van roodbakkend geglazuurd aardewerk Complextype: kasteel Tijdens het onderzoek is door middel van negen boringen een archeologische vindplaats aangetroffen. Op het grotendeels opgehoogde plangebied bevindt zich een ongeveer 1,5 meter diepe zijgracht (of afvoergracht) van het Laat Middeleeuwse kasteel Groesbeek. Tevens bevindt zich zuidelijk hiervan een deel van een laag gelegen voorhof van het kasteel. Dit gebied is niet recent opgehoogd. Ook is het mogelijk dat zich in het westelijke deel van het plangebied een deel van de hoofdgracht zich bevindt. Het deel van de vindplaats dat zich in het huidige plangebied ligt heeft waarschijnlijk een omvang van circa 0,10 ha. Aangezien de archeologische grondsporen op de vindplaats door de recente ophogingen redelijk goed zijn afgedekt en er geen diepe recente bodemverstoringen zijn waargenomen, lijken de gaafheid en conservering hier van de grachten en eventuele andere grondsporen goed te zijn. Indien besloten wordt dat de vindplaats niet behouden kan worden, is het wenselijk zo snel mogelijk een vervolgonderzoek door middel van proefsleuven uit te laten voeren. Late Middeleeuwen - Nieuwe tijd : - grachten Complextype: kasteel Kasteel van de heren van Groesbeek. Houtbouwfase/steenbouwfase nog steeds aanwezig in de ondergrond.

Onder de nieuwbouw op palen nog belangrijke archeologische resten aanwezig. Late Middeleeuwen : - 1 fragment van een niet van toepassing plattegrond Complextype: kasteel Kasteel van de heren van Groesbeek. Houtbouwfase/steenbouwfase nog steeds aanwezig in de ondergrond. Onder de nieuwbouw op palen nog belangrijke archeologische resten aanwezig. Late Middeleeuwen : - 1 fragment van een niet van toepassing palissade Complextype: kasteel Het inventariserend veldonderzoek op de locatie Hoflaan heeft geresulteerd in een scala aan archeologische sporen, die tezamen een beeld schetsen van de bewoningsgeschiedenis van het terrein. Uit histori-

Pagina 15 van 27

sche bronnen en archeologische data, verkregen middels het door RAAP verrichte booronderzoek, was bekend dat op het plangebied een archeologische vindplaats te verwachten was. In plaats van een afvoere e gracht en een gedeelte van een voorhof van het westelijk gelegen 14 /16 eeuwse kasteel werden een e e gracht en muurwerk van een 13 /14 eeuwse kasteel gevonden. Hoogstwaarschijnlijk zijn het de resten van het eerste kasteel van de heren van Groesbeek. Deze vestigden zich volgens historische bronnen in de e tweede helft van de 13 eeuw in het dorp Groesbeek. Het kasteel lag op het diepste gedeelte van het dal. De kasteelbouwers vonden het waarschijnlijk belangrijk dat de versterking omgeven werd door een natte gracht. De Groesbeek kon die gracht van water voorzien en de hoger gelegen hellingen bevonden zich kennelijk op voldoende afstand. Het inventariserend veldonderzoek is beperkt van omvang zodat er geen uitspraken gedaan kunnen worden over het uiterlijk van de versterking. Gedacht kan worden aan een kleine versterking zoals een omgrachte donjon. Aangezien de heren van Groesbeek niet bijzonder bemiddeld kunnen zijn geweest (zoals bijvoorbeeld de hertogen van Gelre) is een groter type kasteel in deze periode onwaarschijnlijk. De funderingen zijn van verschillende aard zodat ervan uitgegaan kan worden dat het gebouw een of meerdere malen verbouwd is geweest.

De grote hoeveelheid dakleien geeft aan dat het e dak, in ieder geval ten tijde van de sloop in de 15 eeuw, met leien bedekt was. Mogelijk bevond de voorhof e e van het 13 -/14 -eeuwse kasteel zich op het westelijk gelegen perceel. Het komt vaker voor dat een voorhof zich ontwikkeld tot hoofdburg. De voormalige hoofdburg wordt dan meestal de voorhof van het nieuwe kasteel. Deze laatste ontwikkeling lijkt zich niet te hebben voorgedaan in Groesbeek. De voorhof van het jongere kasteel werd aangelegd ten westen daarvan. Het terrein waar de 13e-/14e-eeuwse versterking heeft gestaan bleef tot aan de 20e eeuw grotendeels ongestoord. Vooronderzoek wordt beschreven in eindrapport samen met resultaten D.O.

21353

500 meter ten zuiden

Late Middeleeuwen : - muurrestanten Vroege Middeleeuwen - Nieuwe tijd : - organisch plantaardig zaden/vruchten Late Middeleeuwen : - tufsteen objecten

31404

500 meter ten zuiden

Late Middeleeuwen - Nieuwe tijd : - niet van toepassing plattegronden Vroege Middeleeuwen : - 55 fragmenten van geelwitbakkend gedraaid aardewerk - 6 fragmenten van gedraaid aardewerk - 15 fragmenten van keramische kogelpotten - 99 fragmenten van Badorf aardewerk Late Middeleeuwen : - 12 fragmenten van steengoed - 686 fragmenten van grijsbakkend handgevormd aardewerk - proto-steengoed - 66 fragmenten van Andenne aardewerk - niet van toepassing ophogingen - 466 fragmenten van geelwitbakkend Pingsdorf aardewerk - steenblokken

427118

415234

500 meter ten zuiden

550 meter ten zuiden

15071707 GRO.SRO.ARC

Nieuwe tijd : - 32 fragmenten van gedraaid aardewerk - stenen funderingen In het noordoostelijk deel van het plangebied zijn de restanten van een waterloop aangetroffen. Mogelijk is hier sprake van een restant van een zij- of afvoergracht van het voormalige kasteel Groesbeek , waarvan de diepte in oostelijke richting toeneemt van circa 85 t/m 120 m -Mv. In de vulling van deze waterloop zijn op 55-120 cm -Mv partikels houtskool en fragmenten houtskool aangetroffen. In de directe nabijheid van de waterloop zijn fragmenten aardewerk uit de Volle Middeleeuwen aangetroffen. Op grond van deze indicatoren is er sprake van een archeologische vindplaats daterend uit de Middeleeuwen. Late Middeleeuwen : - 2 fragmenten van gedraaid aardewerk - 1 niet van toepassing geul/kreek/priel - houten afval Complextype: kasteel Het vondstmateriaal komt uit uitgezeefd deel van de grachtvulling (110-190 cm -Mv; 15 cm edelmanboor). In het plangebied is een ongeveer 2,1 m diepe aanvoergracht (of zijgracht) van het laatmiddeleeuwse kasteel Groesbeek aangetoond. Tevens bevinden zich centraal in het plangebied waarschijnlijk nog resten van de buitengracht van het kasteel. Het booronderzoek was op sommige locaties niet goed uit te voeren vanwege grind, stenen en mogelijk puin. Daarnaast is het overgrote deel overbouwd en/of onderkeldert of komen recente diepe bodemverstoringen voor.

Op grond van de resultaten van het karterend booronderzoek wordt derhalve aanbevolen de zone met mogelijke nederzettingsresten (buiten de op figuur 1 aangegeven verstoorde of diep vergraven delen van het plangebied) in de huidige staat te behouden en van verdere bodemingrepen af te zien. Aanbevolen wordt om de mogelijkheid te onderzoeken om de vindplaats te beschermen door het aanbrengen van een conserverende ophogingslaag. Indien de vindplaats niet behouden kan worden, is het wenselijk zo snel mogelijk een waarderend vervolgonderzoek door middel van proefsleuven uit te laten voeren. Dit om in een vroeg stadium over voldoende gegevens te kunnen beschikken op grond waarvan het bevoegd gezag een besluit kan nemen met betrekking tot het al dan niet (ge-

Pagina 16 van 27

heel) opgraven van de desbetreffende archeologische resten. Romeinse tijd - Late Middeleeuwen : - tufsteen brokken Romeinse tijd - Nieuwe tijd : - 3 fragmenten van leisteen dakbedekking

428662

550 meter ten zuiden

Late Middeleeuwen : - proto-steengoed - grachten In het zuidoostelijke deel van het plangebied zijn in een oude akkerlaag (circa 55-85 cm -Mv) drie fragmenten aardewerk aangetroffen. Twee fragmenten dateren uit de periode IJzertijd- Vroege Middeleeuwen. Het derde fragment is een mogelijk een randfragment van een Stuart 213B, een ruwwandige kookpot, daterend uit de 2e-3e eeuw na Chr. De archeologische indicatoren wijzen op een vindplaats uit de IJzertijd/Romeinse periode in het zuidoostelijke deel van het plangebied. IJzertijd - Vroege Middeleeuwen : - handgevormd aardewerk

438393

550 meter ten zuiden

31435

650 meter ten zuidwesten

410857

650 meter ten zuidwesten

Romeinse tijd : - 1 fragment van een ruwwandige (kook)pot IJzertijd - Middeleeuwen : - handgevormd aardewerk Romeinse tijd : - 1 fragment van ruwwandig gedraaid aardewerk Late Middeleeuwen : - aardewerk - 1 metalen munt - stenen funderingen - stenen funderingen - 3 fragmenten van geelwitbakkend Pingsdorf aardewerk - 1 fragment van een roodbakkend geglazuurde kan In het plangebied zijn eerdgronden (esdek) aangetroffen met hieronder intacte (afgedekte) bodemprofielen. Er heeft een goede bodemvorming plaatsgevonden, waardoor zich een goed ontwikkelde B-horizont heeft gevormd (maximaal 65 cm dikte). Ondanks de vastgestelde verstoringen in het plangebied (maximaal 60 cm), en lijken, de diepteligging van de archeologische resten (circa 60-140 cm -Mv), de gaafheid en conservering van de archeologische resten goed te zijn. Naar verwachting zal een leesbaar sporenniveau zichtbaar worden vanaf een diepte van ongeveer 90 cm -Mv (BC-horizont). In de hoger gelegen B-horizont zijn sporen nauwelijks waar te nemen door bodemprocessen waardoor degeneratie heeft plaatsgevonden van het archeologische sporenniveau, waardoor de spoorleesbaarheid minimaal zal zijn. In het plangebied Kruispad is tijdens het veldonderzoek een archeologische vindplaats uit de IJzertijd en de Vroege/Late Middeleeuwen aangetroffen (vindplaats 1). Een mogelijk vroegere datering is niet uit te sluiten.

Het terrein maakt mogelijk deel uit van een nederzettingsterrein of huisplaats. De vindplaats heeft een onbekende omvang en loopt buiten het plangebied door. Het terrein heeft deel uit gemaakt van de oude middeleeuwse dorpskern van Groesbeek. IJzertijd : - handgevormd aardewerk IJzertijd - Late Middeleeuwen : - 1 fragment van een ijzeren slak - houtskool - fragmenten van huttenleem/verbrande leem Vroege Middeleeuwen - Late Middeleeuwen : - fragmenten van keramische kogelpotten

416491

431798

650 meter ten zuidwesten

650 meter ten zuidwesten

15071707 GRO.SRO.ARC

Late Middeleeuwen : - fragmenten van grijsbakkend gedraaid aardewerk Complextype: Basiskamp Late Middeleeuwen : - 45 fragmenten van gedraaid aardewerk - 14 fragmenten van keramische kogelpotten - 42 fragmenten van Elmpter aardewerk - grondspoor Complextype: metaalbewerking/smederij Voor de gebieden met een middelhoge verwachtingswaarde valt niet uit te sluiten dat archeologische resten aanwezig zijn. De ligging in het historische centrum van Groesbeek, en op de overgang van lage naar hoge gronden, tezamen met deels intact zwarte enkeerdgronden en de omliggende waarnemingen, geeft aanleiding tot een middelhoge specifieke verwachting op archeologische resten uit de Middeleeuwen en eerdere perioden. Voor gebieden met de lage verwachting adviseert BAAC geen vervolgonderzoek uit te voeren.

Pagina 17 van 27

433997

7561

410454

650 meter ten zuidwesten

700 meter ten zuidoosten

700 meter ten zuidoosten

Nieuwe tijd : - 6 fragmenten van ijzeren objecten Uit het inventariserend archeologisch onderzoek aan de Kerkstraat is gebleken dat het gaat om twee gebieden met een hoge archeologische verwachting. Aan de westkant van de Kerkstraat is deze hoge verwachting gebaseerd op de aanwezigheid van een esdek met een dikte van 90-120 cm. Aan de oostkant is de hoge verwachting gebaseerd op de aanwezigheid van de bron van de Groesbeek. Late Middeleeuwen - Nieuwe tijd : - 1 fragment van gedraaid aardewerk IJzertijd : - handgevormd aardewerk Romeinse tijd : - 5 fragmenten van gedraaid aardewerk Tijdens een booronderzoek zijn verspreid over het plangebied archeologische resten uit de Romeinse tijd en de Middeleeuwen aangetroffen. Vermoedelijk betreft het aanwijzingen voor een nederzettingsterrein. Tijdens een eerdere veldkartering zijn scherven uit de IJzertijd aan het oppervlak aangetroffen. Het is derhalve niet uit te sluiten dat ook deze periode in de ondergrond aanwezig is. Neolithicum - Nieuwe tijd : - 3 fragmenten van keramische objecten IJzertijd - Nieuwe tijd : - 2 fragmenten van gedraaid aardewerk Romeinse tijd : - 1 fragment van gedraaid aardewerk - handgevormd aardewerk - 1 fragment van een keramisch object - 2 fragmenten van belgisch grijs/terra nigra-achtig aw.

- 2 fragmenten van gladwandige kruiken Romeinse tijd - Vroege Middeleeuwen : - 1 fragment van gladwandig aardewerk Vroege Middeleeuwen - Late Middeleeuwen : - 1 fragment van een keramische kogelpot - 1 fragment van geelwitbakkend Pingsdorf aardewerk

413327

700 meter ten zuidwesten

Late Middeleeuwen : - proto-steengoed - 1 fragment van een proto-steengoed kan - 1 fragment van een steengoed drinkschaal Complextype: Basiskamp Neolithicum - Nieuwe tijd : - bot, dierlijk afval IJzertijd - Romeinse tijd : - handgevormd aardewerk Romeinse tijd : - 6 fragmenten van gladwandig aardewerk Vroege Middeleeuwen : - 1 fragment van Badorf aardewerk Vroege Middeleeuwen - Late Middeleeuwen : - 117 fragmenten van keramische kogelpotten - 1 greppel/sloot - 156 fragmenten van geelwitbakkend Pingsdorf aardewerk - 2 niet van toepassing plattegronden - fragmenten van bronzen schoeisel (onderdeel) Late Middeleeuwen : - handgevormd aardewerk - 68 fragmenten van grijsbakkend handgevormd aardewerk - 1 kuil - 3 metalen munten - proto-steengoed - 388 fragmenten van Elmpter aardewerk - 53 fragmenten van Andenne aardewerk - 181 fragmenten van Paffrath aardewerk - 1 niet van toepassing palenrij - 2 niet van toepassing plattegronden

15071707 GRO.SRO.ARC

Pagina 18 van 27

Late Middeleeuwen - Nieuwe tijd : - 21 fragmenten van steengoed - 1 fragment van een majolica borden/schotels

427521

700 meter ten zuidoosten

Nieuwe tijd : - 1 huisplattegrond - 2 koperen munten, duit/oord/cent/stuiver - 2 fragmenten van industrieel wit (Maastrichts/Regout) Mesolithicum - Neolithicum : - vuursteen afslag IJzertijd : - handgevormd aardewerk - crematieresten - 1 greppel/sloot IJzertijd - Romeinse tijd : - handgevormd aardewerk Romeinse tijd : - 1 fragment van terra sigillata - 17 fragmenten van ruwwandig gedraaid aardewerk - 2 messing munten, sestertius - 1 fragment van een terra nigra kom/schaal - 1 fragment van een terra sigillata kom/schaal - 3 fragmenten van dikwandige amforen - 13 fragmenten van dakpannen - 55 fragmenten van dolia/voorraadvaten - 2 fragmenten van ruwwandige kommen/schalen - 3 fragmenten van ruwwandige (kook)potten - 1 fragment van een terra sigillata bord/schotel - 12 fragmenten van Belgisch grijs aardewerk kook/voorraadpotten - 4 fragmenten van geverfde bekers - 3 fragmenten van gladwandige borden - 1 fragment van een gladwandige kruik - complete bronzen paardentuig - 3 fragmenten van ruwwandige borden - 2 fragmenten van terra sigillata wrijfschalen - 2 fragmenten van tubuli/verwarmingsbuizen - 1 fragment van een keramische wrijfschaal Vroege Middeleeuwen - Late Middeleeuwen : - 2 fragmenten van geelwitbakkend Pingsdorf aardewerk Late Middeleeuwen : - 1 fragment van een keramische kogelpot - proto-steengoed Late Middeleeuwen - Nieuwe tijd : - fragmenten van gedraaid aardewerk

433494

700 meter ten zuidoosten

15071707 GRO.SRO.ARC

Nieuwe tijd : - 1 ijzeren object - 1 zilveren munt, schelling Vooronderzoek heeft aangetoond dat zich in het plangebied een tweetal archeologische vindplaatsen bevinden. Deze vindplaatsen zijn beide onderzocht. Tijdens het onderzoek zijn vondsten uit het Neolithicum, de IJzertijd, de Romeinse tijd en de Middeleeuwen gedaan. De oudste vondsten betreffen een structuur, waarschijnlijk een huisplattegrond, uit het Midden- Neolithicum van de Vlaardingengroep. In dit tweebeukige huis zijn een aantal potscherven en vuurstenen werktuigen aangetroffen die het kunnen dateren tussen 3100-2900 v. Chr. Uit het Late Neolithicum is een tweetal scherven van (imitaties van) klokbekers aangetroffen. Deze scherven komen uit één van de kuilen van het Romeinse huis en geven verder geen beeld van deze periode in het plangebied. In de Vroege IJzertijd ontstaat op de Hüsenhoff een grafveld. Dit grafveld lijkt te relateren te zijn aan waarnemingen en onderzoeken in de naaste omgeving. Hierdoor bestaat het sterke vermoeden dat tussen de Spoorlaan en de Hüsenhoff zich een groot grafveld heeft bevonden. Deze waarnemingen gaven aan dat het grafveld vanaf de Vroege IJzertijd tot in de LaatRomeinse tijd in gebruik is geweest. De vondsten op de Hüsenhoff bestaan onder andere uit een urnbegraving uit de Vroege IJzertijd, een langbedgraf en een tweetal graven waarin speerpunten zijn gevonden.

Deze laatste groep is opvallend. Graven waarin ijzeren wapens (speren) bijgezet zijn worden in de regio Nijmegen vaker aangetroffen en worden geassocieerd met de lokale elite. Opmerkelijk aan beide graven is dat in tegenstelling tot wat gebruikelijk is deze randstructuren hadden en in de graven aardewerken bijgiften aangetroffen zijn. Een enkele grafstructuur is in de Late IJzertijd en Romeinse tijd te dateren. Dit betreft onder andere de Romeinse palenkrans en een dodenhuisje. Dit dodenhuisje betreft een rechthoekige grafstructuur waarin de overledene opgebaard lag. Laat in de 2 e eeuw n. Chr. wordt in het noorden van het plangebied een Romeinse Einzelhof gesticht. Deze bestaat uit een huisplattegrond en een aantal bijgebou-

Pagina 19 van 27

e

wen. De bewoners leven van de landbouw. In het begin van de 3 eeuw wordt het erf grondig heringericht. Hiertoe wordt een aantal greppels en palenrijen volgens Romeinse maatvoering (de actus, 35,5 m) uitgezet. Binnen dit patroon worden vervolgens een op stiepen gefundeerd horreum, een bijgebouw en een aantal spiekers gebouwd. Ten oosten van het huis wordt in die tweede fase een bijgebouw geplaatst dat mogelijk als heiligdom functioneerde. In dit bijgebouw is een bronzen Minerva-beeldje aangetroffen. Dit beeld lijkt lokaal vervaardigd te zijn naar gebruikelijke Romeinse voorbeelden. In zowel het horreum als de huisplattegrond zijn enkele honderden vondsten gedaan. Deze vondsten geven een indicatie van het gebruik van beide structuren. Het huis is onderverdeeld, volgens de Gulden Snede, in een tweetal ruimten. De grootste, zuidelijke, ruimte betreft het woondeel. Daarin lag de haardkuil en een grote hoeveelheid aan tafelwaren, een haarnaald, fragmenten van sleutels en het handvat van een bronzen olielamp of kan. In de noordelijke ruimte kan het vee gestaan hebben, daarnaast wijst het vondstmateriaal op de opslag van goederen en de maalsteen op het verwerken van voedsel. Het horreum bevatte nog meer opslaggerei, veel fragmenten van dolia en voorraadpotten. Daarnaast is daarin een grote wrijfschaal, met een diameter van ong.

40 cm, en vele maalsteenfragmenten aangetroffen waarmee voedsel verwerkt kon worden. Vondsten uit deze beide e structuren vertonen sporen van verbranding en de einddatering is in de tweede helft van de 3 eeuw te plaatsten. Mogelijk dat tijdens de onrust in die periode in het noorden van het Romeinse Rijk de Einzelhof verlaten en/of afgebrand is. In de Laat-Romeinse tijd of Vroege Middeleeuwen is een maalsteen begraven in het langbed. Na de Romeinse tijd is de Hüsenhoff bebost geraakt. In de Late Middeleeuwen werden de bomen gerooid voor de productie van houtskool en later is het terrein als akker in gebruik genomen. Neolithicum : - handgevormd aardewerk - 1 huisplattegrond: 2-schepig Neolithicum - IJzertijd : - 46 fragmenten van vuursteen objecten IJzertijd : - handgevormd aardewerk - 112 fragmenten van bot, dierlijk objecten - 22 graven, crematie - 12 ijzeren onderdelen van wapens - crematieresten Romeinse tijd : - 2460 fragmenten van gedraaid aardewerk - 364 fragmenten van metalen objecten - 3 fragmenten van glazen flessen - 6 bronzen munten - 1 compleet bronzen beeld - 1 huisplattegrond:2-schepig - 1 ijzeren onderdeel van een wapen - 2 fragmenten van bronzen fibulae - 430 fragmenten van keramische bouwmateriaal Romeinse tijd - Vroege Middeleeuwen : - 248 fragmenten van maalstenen Vroege Middeleeuwen - Nieuwe tijd : - 15 fragmenten van gedraaid aardewerk

425159

429131

750 meter ten zuidwesten

750 meter ten zuiden

Late Middeleeuwen : - 15 kuilen De vindplaats betreft waarschijnlijk een terrein met resten van een nederzetting die niet nader gedateerd kan worden dan in de periode IJzertijd- Late Middeleeuwen. In het gehele plangebied komen direct onder het maaiveld verschillende verstorings- en ophogingslagen voor. De meeste archeologische indicatoren zijn aangetroffen in de ongestoorde B-horizont. Het roodbakkend geglazuurd aardewerk en het steengoed dateren uit de Nieuwe tijd. Het overige aardewerk kan door het ontbreken van meer diagnostische kenmerken niet preciezer gedateerd worden dan de periode IJzertijd- Late Middeleeuwen. IJzertijd - Late Middeleeuwen : - handgevormd aardewerk Neolithicum - Nieuwe tijd : - handgevormd aardewerk - 21 paalgaten Bronstijd - Late Middeleeuwen : - 2 fragmenten van bronzen fibulae Bronstijd - Nieuwe tijd : - 110 complete ijzeren spijkers IJzertijd - Romeinse tijd : - 50 graven, crematie - 25 kuilen

15071707 GRO.SRO.ARC

Pagina 20 van 27

- 56 greppels/sloten IJzertijd - Nieuwe tijd : - 2 complete ijzeren messen - 1 bronzen munt Romeinse tijd : - 1 fragment van dunwandig nijmeegs/holdeurns aardewerk - 44 fragmenten van terra nigra bekers - 1 fragment van een keramische wrijfschaal Romeinse tijd - Vroege Middeleeuwen : - 79 gladwandig aardewerk - 88 fragmenten van ruwwandig gedraaid aardewerk - 55 fragmenten van geverfd aardewerk

429139

750 meter ten zuidwesten

Romeinse tijd - Nieuwe tijd : - 7 fragmenten van ijzeren haarspelden Mesolithicum - Nieuwe tijd : - 1 graf - 4 paalgaten IJzertijd - Nieuwe tijd : - 3 metalen munten Vroege Middeleeuwen - Late Middeleeuwen : - 4 fragmenten van keramische kogelpotten - 2 fragmenten van geelwitbakkend Pingsdorf aardewerk Late Middeleeuwen : - 5 fragmenten van grijsbakkend gedraaid aardewerk - 1 fragment van Brunssum-Schinveld geelwit aardewerk Late Middeleeuwen - Nieuwe tijd : - 12 fragmenten van steengoed - 17 fragmenten van roodbakkend geglazuurd aardewerk

430995

750 meter ten zuiden

Nieuwe tijd : - 19 fragmenten van metalen objecten - 2 kuilen - 14 fragmenten van keramische kleipijpen - 4 fragmenten van industrieel wit (Maastrichts/Regout) - 1 fragment van majolica lood- en tingeglazuurd aardewerk - 1 fragment van porselein In het plangebied zijn tien proefsleuven met een oppervlakte van in totaal 1104 m2 aangelegd. Tijdens het archeologisch onderzoek zijn sporen uit de IJzertijd, Romeinse tijd en Nieuwe tijd vastgesteld. Deze sporen zijn aan twee vindplaatsen toe te schrijven: Vindplaats 1. Grafveld uit de Romeinse tijd. Tot dit grafveld behoren zes crematiegraven, die zijn waargenomen in werkput 4 en 5. Deze werkputten bevinden zich in het midden van het onderzoeksgebied. Bij twee graven konden randstructuren worden vastgesteld in de vorm van greppels die mogelijk een vierkante structuur hebben gevormd. Daarnaast zijn er greppels, waarschijnlijk eveneens randstructuren van graven, in de werkputten 2, 3 en 4 vastgesteld. Uit drie crematiegraven is dateerbaar vondstmateriaal afkomstig. Zo dateren twee graven uit de vroege Romeinse tijd (tweede helft 1e eeuw na Chr.) en één graf uit de 3e eeuw. Vindplaats 1 maakt met grote waarschijnlijkheid deel uit van het reeds bekende grafveld ‘Het Veldje’ ten noorden van het plangebied dat sinds 1865 is bekend. Vindplaats 2.

Sporen uit de IJzertijd tot Romeinse tijd In de werkputten 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 8 bevinden zich sporen van paalgaten, kuilen en greppels. Twee kuilen in werkput 1 en 8 hebben vondstmateriaal opgeleverd dat gedateerd kon worden. Het gaat met name om handgevormd aardewerk uit de IJzertijd tot Romeinse tijd. Er bestaat mogelijk een relatie of continuïteit tussen vindplaats 1 en 2, wat één van de redenen is om beide vindplaatsen als behoudenswaardig te beoordelen. Daarnaast is de gaafheid en conservering voldoende en de inhoudelijke waarde, in het bijzonder van het Romeinse grafveld hoog te noemen. Indien voor de nieuwbouw bodemingrepen dieper dan 0,2 m gepland zijn, is archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk in een gebied van tenminste 6.280 m² (het oostelijke deel van het plangebied). IJzertijd - Romeinse tijd : - handgevormd aardewerk - kuilen - crematieresten Romeinse tijd : - 2 fragmenten van gladwandig aardewerk - 6 graven, crematie - 41 fragmenten van terra nigra - 2 complete dunwandig nijmeegs/holdeurns aardewerk - 20 fragmenten van geverfde bekers

15071707 GRO.SRO.ARC

Pagina 21 van 27

15901

30975

800 meter ten zuiden

800 meter ten zuiden

Romeinse tijd - Vroege Middeleeuwen : - 71 fragmenten van ruwwandig gedraaid aardewerk Complextype: grafveld Romeinse tijd : - aardewerk Mesolithicum - Neolithicum : - 1 complete gerollkeule

Vondstmeldingen binnen het onderzoeksgebied In ARCHIS staan vondstmeldingen geregistreerd. Nadat deze zijn gecontroleerd worden het waarnemingen. Tot die tijd staan ze als vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het plangebied en onderzoeksgebied zijn geen vondstmeldingen geregistreerd. NUMIS NUMIS, oftewel het NUMismatisch InformatieSysteem, is een database waarin beschrijvingen zijn te vinden van in Nederland gevonden munten, penningen en andere numismatische voorwerpen. In NUMIS zijn alle bij het Geldmuseum bekende schatvondsten beschreven. Van de losse vondsten is 15 met name materiaal van vóór het jaar 1600 na Christus opgenomen. Aangezien de accuratesse van de gegevens in NUMIS niet toereikend is voor dit onderzoek, is NUMIS niet geraadpleegd. 3.8

Aanvullende informatie

Heemkundekring Groesbeek Voor aanvullende informatie is contact gezocht met de plaatselijke Heemkundekring Groesbreek. Deze informatie is verwerkt in paragraaf 3.5. 3.9

Korte bewoningsgeschiedenis van Groesbeek

In deze paragraaf wordt een bespreking van de bewoningsgeschiedenis van de streek gegeven. Een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland wordt weergegeven in bijlage 4. Het Groesbeekse landschap met zijn fraaie heuvels en dalen, heeft zijn ontstaan te danken aan een wal die in de voorlaatste ijstijd (het Saalien = ongeveer 200.000 jaar geleden) door gletsjerijs werd opgestuwd. Ondanks de na die tijd opgetreden erosie en afvlakking heeft de stuwwal hier en daar nog een hoogte van meer dan 90 meter boven NAP. Het laagste punt in Groesbeek ligt op ruim 13 meter boven NAP. De naam Groesbeek (Groes = weiland) verwijst ongetwijfeld naar de beek die zijn oorsprong heeft nabij de N.H. Kerk en die in oostelijke richting stroomt. Deze beek is overigens in de loop der tijden in verregaande mate beduikerd en gekanaliseerd, en was daardoor in zeer beperkte mate als beek herkenbaar. Inmiddels is deze beek weer in oude glorie hersteld bij de oorsprong, nabij de N.H. kerk. Vondsten uit de Prehistorie en de Romeinse tijd duiden erop dat er al lang in dit gebied gewoond en gewerkt werd. Vermeldenswaard zijn de opgegraven Romeinse potten-, steen- en pannenbakkerije bij De Holdeurn in Berg en Dal, 3,5 km ten noorden van het plangebied.

De villa 'Gronspech' en latere Heerlijkheid Groesbeek, op circa 600 m ten zuidwesten van het plangebied, zijn vanaf 1040 tot 1699 in het bezit van het geslacht van de Heren van Groesbeek. In 1990 werden aan de Hoflaan de restanten van het kasteel (uit 1375-1425) van deze edellieden opgegraven en werden ook overblijfselen van de eerste vestiging blootgelegd. Er zijn sporen aangetroffen in Berg en Dal van een Romeins waterwerken er is ook een grafveld in Groesbeek gevonden op een locatie aan de Spoorlaan. 15

www.geldmuseum.nl/museum/content/zoeken-numis.

15071707 GRO.SRO.ARC

Pagina 22 van 27

Het dorp Groesbeek is - als belangrijkste nederzetting en als kern van de Heerlijkheid - vanuit de locaties aan Hoflaan en Kerkstraat (hof en kerk) via ontginningen ontstaan. Deze ontginningen vonden e tot het begin van de 20 eeuw plaats. Bos (houtproductie, bosbessen en wild), heide (plaggen, potstalcultuur, bezems en bijenteelt) en bouwland (graanteelt en vlas) vormden vanaf de Middeleeuwen de e kurk waarop de lokale economie eeuwenlang bleef drijven. Met name in de tweede helft van de 19 eeuw nam het zogenaamde hausieren (het uitventen van bezems, manden en boenders) tot ver in eigen land en het Duitse gebied een grote vlucht. Als belangrijkste ontwikkelingen in de lokale ecoe nomie vanaf medio 19 eeuw kunnen worden vermeld: de toepassing van kunstmest in de landbouw waardoor grootschalige ontginningen werden gestimuleerd; de aanleg van de spoorlijn en bijbehorend emplacement in 1865 en het begin van industrialisatie met de realisering van een stoomzuivelfabriek in 1905, opgevolgd door andere kleine fabriekjes in de jaren twintig. Hoewel door deze ontwikkelingen de lokale werkgelegenheid aanzienlijk toenam, bleef het merendeel van de Groesbeekse bevolking aangewezen op werkgelegenheid elders in de regio (Nijmegen en over de Duitse grens).

Na de verwoestingen in een groot deel van Groesbeek in 1944 werd direct na de oorlog de wederopbouw met voortvarendheid ter hand genomen, wat vooral ten doel had de woningnood te lenigen. Dat heeft als gevolg gehad dat, mede door de oost-westas van de spoorlijn en de noord-zuidas van de hoofdverkeersroute de centrumfunctie van de kern Groesbeek zich niet in alle 16 aantrekkelijkheid heeft kunnen ontwikkelen. 3.10 Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel Op grond van het bureauonderzoek is de volgende gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld: Tabel VII.

Gespecificeerde archeologische verwachting

Archeologische periode

Gespecificeerde verwachting

Te verwachten resten en/of sporen

Relatieve diepte t.o.v. het maaiveld

(Laat-)Paleolithicum

Hoog

Vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen

In de top van de dekzandafzettingen

Mesolithicum

Hoog

Vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen

In de top van de dekzandafzettingen

Neolithicum

Hoog

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, houtskool en gebruiksvoorwerpen

In de top van de dekzandafzettingen

Bronstijd

Hoog

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, metaalresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen

In de top van de dekzandafzettingen

IJzertijd

Hoog

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen

In de top van de dekzandafzettingen

Romeinse tijd

Hoog

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen,

In de top van de dekzandafzettingen

16

http://www.groesbeek.nl/

15071707 GRO.SRO.ARC

Pagina 23 van 27

metaalresten, glasresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen Middeleeuwen

Hoog

Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen

In de top van de dekzandafzettingen

Nieuwe tijd

Hoog

Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen

Onder maaiveld en in de top van de dekzandafzettingen

Uit de landschappelijke ligging, blijkt dat het plangebied vanaf het Paleolithicum gunstig is geweest voor jagers-verzamelaars en vanaf het Neolithicum voor landbouwers. Uit de archeologische gegevens die verzameld zijn uit het onderzoeksgebied blijkt dat er in de omgeving van het plangebied sporen van menselijke activiteit zijn waar genomen uit het Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd. In het hele plangebied kunnen archeologische resten voorkomen uit alle archeologische perioden. De kans op het voorkomen van de resten is hoog. De archeologische resten worden direct aan of onder het maaiveld verwacht. De vondstenlaag wordt verwacht in de eerste 30 cm beneden het maaiveld. Archeologische sporen (uitgezonderd diepe paalsporen en waterputten) worden binnen 50 cm beneden het maaiveld verwacht. Deze archeologische resten bestaan hoofdzakelijk uit aardewerk- en/of vuursteenstrooiïngen. Organische resten en bot zullen door de relatief droge en zure bodemomstandigheden slecht zijn geconserveerd. Het complextype en de omvang kunnen niet nader worden gespecificeerd door de beperkte gegevens. Bodemverstoring Dat een gebied een middelhoge of hoge archeologische verwachting heeft, betekent niet dat eventuele aanwezige archeologische resten behoudenswaardig zijn.

De waarde van archeologische vindplaatsen wordt grotendeels bepaald door de mate waarin grondsporen dan wel vondsten in situ bewaard zijn gebleven. Het plangebied is in het verleden in gebruik geweest als bouwland en akkerland. Tevens is het oostelijk gedeelte in gebruik geweest als boomgaard. Door ploegen, rooiwerkzaamheden, bouwactiviteiten kunnen eventueel aanwezige archeologische waarden, die vanaf het maaiveld worden verwacht, mogelijk verloren zijn gegaan. 3.11 Beantwoording onderzoeksvragen bureauonderzoek Voor het bureauonderzoek is een drietal onderzoeksvragen opgesteld. Hieronder worden deze vragen beantwoord voor zover het bureauonderzoek de daarvoor benodigde gegevens hebben opgeleverd. 

Wat is er bekend over bodemverstorende ingrepen binnen het plangebied uit het verleden? Is er bijvoorbeeld informatie bekend over vroegere ontgrondingen, bodemsaneringen, egalisaties, diepploegen of landinrichting? Het plangebied is in gebruik geweest als akkerland, grasland en boomgaard. Tevens is het zuidwesten van het plangebied bebouwd geweest. Door ploeg-, rooi- en bouwwerkzaamheden kan de bodem zijn verstoord.

Ligt het plangebied binnen een landschappelijke eenheid, welke vanuit archeologisch oogpunt een specifieke aandachtslocatie kan betreffen (zoals een relatief hoge dekzandkop of rug, nabij een veengebied, een beekdal)?

15071707 GRO.SRO.ARC

Pagina 24 van 27

Het plangebied ligt op de oostelijk flank van een hoge stuwwal, vlakbij een oud beekdal. 

4

Wat is de gespecificeerde archeologische verwachting van het plangebied? De archeologische verwachting is voor alle periodes hoog.

INVENTARISEREND VELDONDERZOEK

4.1

Methoden

Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd in de vorm van een verkennend booronderzoek, conform de eisen van de KNA, versie 3.3, specificatie VS03. Voor het inventariserend veldonderzoek is op 17 augustus 2015 door drs. A.H. Schutte (senior KNA-archeoloog) een Plan van aanpak (PvA) opgesteld. In totaal zijn er met behulp van een edelmanboor (diameter 7 cm) vijf boringen tot maximaal 1,50 m mv gezet (zie figuur 10). De boringen zijn verspreid binnen het plangebied gezet. Bij het zetten van de boringen is rekening gehouden met de aanwezige verhardingen, tenten, campers en gebouwen. De boringen zijn lithologisch conform de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode beschre17 ven. De boringen zijn met meetlinten ingemeten (x- en y-waarden). Van alle boringen is de maaiveldhoogte afgeleid van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN). Aan de hand van het opgeboorde materiaal is beoordeeld of er wel, geen of slechts deels sprake is van een gaaf bodemprofiel. Tevens is gekeken naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen. Het opgeboorde materiaal is in het veld door middel van versnijden/verkruimelen geïnspecteerd op het voorkomen van archeologische indicatoren, zoals fragmenten vuursteen, aardewerk, houtskool, verbrand leem en bot. 4.2

Resultaten

Geologie en bodem De resultaten van de boringen zijn opgenomen in de vorm van boorprofielen en worden in bijlage 6 weergegeven. Op basis van deze boorprofielen kan de bodemopbouw als volgt worden beschreven. De hoofdlijnen van de opbouw van de bodem kunnen als volgt worden weergegeven: Tabel VIII.

Hoofdlijn bodemopbouw

Diepte

Samenstelling

Interpretatie

0-50

Z2s1h1g2 matig puinhoudend donkergrijs

Bouwvoor

50-80

Z2s1g1 lichtbruin-grijs gevlekt

Verstoorde laag

80-140

Z2s1 sterk geleyhoudend lichtbruin

Verstoorde laag

140-150

Z2s1g2 lichtbruin

Intacte C-horizont

Bij alle boringen is een laag donkergrijs, zwak siltig, zwak humeus, matig puinhoudend en matig grindhoudend, fijn zand aangetroffen in de bovenste 50 cm. Deze laag wordt geïnterpreteerd als bouwvoor. Onder de bouwvoor bevind zich in boringen 1 en 2 een verstoorde laag met een dikte van ongeveer 30 cm. Dit is een zwak siltige, zwak grindhoudende, lichtbruin-grijs gevlekte zandlaag met een fijne korrel. In boringen 3 en 4 was de laag onder de bouwvoor zwak puinhoudend, lichtbruin – 17

Bosch, 2005.

15071707 GRO.SRO.ARC

Pagina 25 van 27

grijs gevlekt, zwak zandig leem. Ook deze laag was verstoord. Boring 4 is in deze laag gestuit op een grote hoeveelheid grind, ondanks dat deze vier keer verplaatst is. Bij boringen 1 en 2 bevindt zich tussen 80-90 en 140 cm onder het maaiveld een zwak siltige, sterk gleyhoudende, lichtbruine C-horizont die bestaat uit zeer fijn zand (boringen 2 is in deze laag gestuit op grind). In twee boringen (boring 3 en 5) bestaat deze laag uit zwak zandig, lichtbruin leem. Onder de verstoorde C-horizont bevindt zich in boring 1 nog een intacte C-horizont. Deze zandlaag is zwak siltig, matig grindhoudend, lichtbruin en heeft een zeer fijne korrel. In boringen 2 en 5 is de intacte Chorizont zwak gleyhoudend, zwak zandig lichtbruin leem. Archeologie In geen van de boringen zijn archeologische indicatoren waargenomen. Het gaat hier echter om een verkennend bodemonderzoek, dat zich richt op de bodemopbouw en mogelijke bodemverstoringen die de archeologische trefkans kunnen beïnvloeden en niet zo zeer op het onderzoeken op de aanwezigheid van archeologische vondsten en/of sporen.

4.3

Beantwoording onderzoeksvragen veldonderzoek

Voor het veldonderzoek is een aantal onderzoeksvragen opgesteld. Hieronder worden deze vragen beantwoord voor zover het veldonderzoek de daarvoor benodigde gegevens heeft opgeleverd; 

Wat is de bodemopbouw binnen het plangebied? Uit de resultaten van het inventariserend veldonderzoek blijkt dat de bodemopbouw bestaat uit een bouwvoor van 50 cm dik. Hieronder ligt een verstoorde B-horizont. Ook de bovenste 50-60 cm van de C-horizont zijn verstoord.

Is het bodemprofiel binnen het plangebied intact of (geheel of gedeeltelijk) verstoord en indien verstoord, tot welke diepte gaat deze verstoring? Het plangebied is deels verstoord van 80 tot ongeveer 110 cm onder het maaiveld.

Wat zijn de gevolgen van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting van het plangebied. De archeologische verwachting van alle periodes kan worden bijgesteld naar laag.

5 5.1

CONCLUSIE EN SELECTIEADVIES Conclusie

Het bureauonderzoek toonde aan dat er zich mogelijk archeologische waarden in het plangebied zouden kunnen bevinden. In het bijzonder verhoogt de aanwezigheid van de ligging op de oostelijk flank van een hoge stuwwal, vlakbij een oud beekdal de kans daarop. Daarom is aansluitend een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uitgevoerd. Uit de resultaten van het inventariserend veldonderzoek blijkt dat de bodemopbouw bestaat uit een bouwvoor van 50 cm dik met hieronder ligt een dikt verstoord verstoorde pakket bovenop de Chorizont. Op basis van de waargenomen bodemverstoringen en de aanwezigheid van bebouwing op een deel van de nieuwbouwlocatie, kan worden geconcludeerd dat archeologische waarden niet meer in situ worden verwacht.

15071707 GRO.SRO.ARC

Pagina 26 van 27

5.2

Selectieadvies

Op grond van de resultaten van het veldonderzoek adviseert Econsultancy om het plangebied vrij te geven en geen archeologisch vervolgonderzoek te laten uitvoeren. Bovenstaand advies vormt een selectieadvies. De resultaten van onderhavig onderzoek dienen te worden beoordeeld door het bevoegd gezag (gemeente Groesbeek). Het bevoegd gezag neemt vervolgens een selectiebesluit. Er is getracht een gefundeerd advies te geven op grond van de gebruikte onderzoeksmethode. De aanwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig worden uitgesloten. Econsultancy wijst er op dat, dat indien er tijdens de geplande werkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, er conform artikel 53 van de Monumentenwet uit 1988 een meldingsplicht geldt bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Voor het melden van een vondst kunt u terecht bij de Infodesk email: info@cultureelerfgoed.nl of tel: 033-4217456), de gemeente Groesbeek of de Provincie Gelderland.

15071707 GRO.SRO.ARC

Pagina 27 van 27

Figuur 1.

Situering van het plangebied binnen Nederland

Recreatieterrein De Oude Molen te Groesbeek Situering van het plangebied binnen Nederland (bron : http://gis.kademo.nl/gs2/wms) Legend a

Plangebied

15071707 GRO.SRO.ARC

Figuur 2.

Detailkaart van het plangebied

Recreatieterrein De Oude Molen te Groesbeek Detailkaart van het plangebied binnen Nederland Legenda Plangebied

15071707 GRO.SRO.ARC

Figuur 3.

Luchtfoto van het plangebied

Recreatieterrein De Oude Molen te Groesbeek Luchtfoto van het plangebied Legenda Plangebied

15071707 GRO.SRO.ARC

Figuur 4.

Situering van het plangebied binnen de historische kaarten

Situatie 1830-1850 (bron: www.watwaswaar.nl)

Situatie 1898 (bron: www.watwaswaar.nl)

Situatie 1931 (bron: www.watwaswaar.nl)

Situatie 1958 (bron: www.watwaswaar.nl)

Situatie 1967 (bron: www.watwaswaar.nl)

Situatie 1986 (bron: www.watwaswaar.nl)

Recreatieterrein De Oude Molen te Groesbeek Situering van het plangebied binnen de historische kaarten Legenda Plangebied

15071707 GRO.SRO.ARC

Figuur 5.

Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart

Recreatieterrein De Oude Molen te Groesbeek Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart

Plangebied

15071707 GRO.SRO.ARC

Figuur 6.

Situering van het plangebied binnen het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN)

Recreatieterrein De Oude Molen te Groesbeek Situering van het plangebied binnen Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Legenda Plangebied

15071707 GRO.SRO.ARC

Figuur 7.

Situering van het plangebied binnen de Bodemkaart

Recreatieterrein De Oude Molen te Groesbeek Situering van het plangebied binnen de bodemkaart Legenda Plangebied

15071707 GRO.SRO.ARC

Figuur 8.

Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied

Recreatieterrein De Oude Molen te Groesbeek Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied (bron: Archeologisch informatiesysteem Archis2, AHN)

15071707 GRO.SRO.ARC

Figuur 9.

Situering van het plangebied binnen de archeologische beleidskaart

Recreatieterrein De Oude Molen te Groesbeek Situering van het plangebied binnen de archeologische beleidskaart gemeente Groesbeek Legenda Plangebied

15071707 GRO.SRO.ARC

Figuur 10.

Boorpuntenkaart

Recreatieterrein De Oude Molen te Groesbeek Boorpuntenkaart Legenda Plangebied

15071707 GRO.SRO.ARC

Bijlage 1

Literatuur

Alterra, 2003: Digitale Geomorfologische kaart van Nederland, schaal 1:25.000. Berendsen, H.J.A., 2008: Fysische Geografie van Nederland, deel 1: De vorming van het land. Inleiding in de geologie en de geomorfologie. Van Gorcum, Assen. Bosch, J.H.A., 2005: Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode, Versie 5.2. Utrecht (TNOrapport, NITG 05-043-A). Locher, W.P. & H. de Bakker, 1990: Bodemkunde van Nederland. Deel 1: Algemene bodemkunde. Malmberg, Den Bosch. Mulder, E.F.J. de, M.C. Geluk, I.L. Ritsema, W.E. Westerhoff, T.E. Wong, 2003: De ondergrond van Nederland. Wolters-Noordhoff, Groningen. Stichting voor Bodemkartering, 1976: Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000, blad 46 WO/Vierlingsbeek.

15071707 GRO.SRO.ARC

Bijlage 2

Bronnen

AHN; internetsite, augustus 2015. http://www.ahn.nl Archeologisch informatiesysteem Archis2, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort, augustus 2015. http://archis2.archis.nl/archisii/html/index.html Bodemloket, internetsite, augustus 2015. www.bodemloket.nl Dinoloket, internetsite, augustus 2015. http://www.dinoloket.nl/ Geldmuseum, internetsite, augustus 2015. www.geldmuseum.nl/museum/content/zoeken-numis. Gemeente Groesbeek, internetsite, augustus 2015. www.groesbeek.nl SIKB; internetsite, augustus 2015. http://www.sikb.nl Wat Was Waar; internetsite, augustus 2015. http://www.watwaswaar.nl

15071707 GRO.SRO.ARC

Bijlage 3 Ouderdom in jaren

Overzicht geologische en archeologische tijdvakken Chronostratigrafie

MIS

Holoceen 11.755 12.745 13.675 14.025

LaatWeichselien (LaatGlaciaal)

15.700

1 Late Dryas (koud) Allerød (warm) Vroege Dryas (koud) Bølling (warm)

Lithostratigrafie Formaties: Naaldwijk (marien), Nieuwkoop (veen), Echteld (fluviatiel)

2

LaatPleniglaciaal 29.000

50.000

MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)

MiddenPleniglaciaal VroegPleniglaciaal

3

Formatie van Kreftenheye

Formatie van Boxtel

4

75.000

VroegW eichselien (VroegGlaciaal) 115.000 130.000

370.000 410.000

5a 5c 5d

Eemien (warme periode)

5e

Saalien (ijstijd)

6

Holsteinien (warme periode)

Formatie van Beegden

5b

Eem Formatie Formatie van Drente

Formatie van Urk

Elsterien (ijstijd) 475.000

Cromerien (warme periode) 850.000

Pre-Cromerien 2.600.000

15071707 GRO.SRO.ARC

Formatie van Sterksel

Formatie van Peelo

Cal. jaren v/n Chr.

14

C jaren

Chronostratigrafie

Pollen zones

0

1950

Vb2

1500

Subatlanticum koeler vochtiger

450 0 12

Vb1 Va

Vegetatie Loofbos eik en hazelaar overheersen haagbeuk veel cultuurplanten rogge, boekweit, korenbloem

Archeologische perioden Nieuwe tijd Middeleeuwen Romeinse tijd IJzertijd

800 2650

815

IVb Subboreaal koeler droger

2000

IVa

5000

3755 4900

5300

Atlanticum warm vochtig

III

Boreaal warmer

II

Preboreaal warmer

I

8000

7020

8240

9000

8800 11.755

10.150

12.745

10.800

13.675

11.800

14.025

12.000

15.700

13.000

LaatWeichselien (LaatGlaciaal)

Late Dryas

LW III

Allerød

LW II

Vroege Dryas LW I Bølling

35.000

Loofbos eik en hazelaar overheersen beuk>1% invloed landbouw (granen)

Bronstijd

Neolithicum

Loofbos eik, els en hazelaar overheersen in zuiden speelt linde een grote rol den overheerst hazelaar, eik, iep, linde, es eerst berk en later den overheersend

Mesolithicum

parklandschap dennen- en berkenbossen open parklandschap open vegetatie met kruiden en berkenbomen

MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)

perioden met een poolwoestijn en perioden met een toendra

VroegWeichselien (VroegGlaciaal)

perioden met bos en perioden met een subarctisch open landschap

Laat-Paleolithicum

75.000

115.000 130.000

Eemien (warme periode)

Midden-Paleolithicum loofbos

Saalien (ijstijd) 300.000

Vroeg-Paleolithicum Chronostratigrafie voor Noordwest-Europa volgens Zagwijn (1974), Vandenberghe (1985) en De Mulder et al. (2003). Lithostratigrafie volgens De Mulder et al. (2003). Mariene isotoop stadium (MIS) volgens Bassinot et al. (1994). Atmosferische data volgens Stuiver et al. (1998). Zuurstofisotoop calibratie (OxCal) versie 3.9 Bronk Ramsey (2003), toegepast op het Laat-Weichselien en het Holoceen. Archeologische periode-indeling en ouderdom volgens de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB). Vegetatie bewerkt volgens Berendsen (2000). Pollenzones volgens P. Vos & P. Kiden (2005).

15071707 GRO.SRO.ARC

Bijlage 4

Bewoningsgeschiedenis van Nederland

Als aanvullende informatie wordt hieronder een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland weergegeven. Paleolithicum (tot ca. 8800 voor Chr.) De vroegste bewoningssporen in Nederland uit deze periode dateren uit de voorlaatste ijstijd, ca. 300.000-130.000 jaar geleden. Waarschijnlijk hebben in de koudste fasen van de ijstijden in Nederland geen mensen geleefd. Daarentegen was bewoning in de warmere perioden wel mogelijk. De mensen die hier toen leefden trokken als jagers/vissers/verzamelaars rond in kleine groepen en maakten gebruik van tijdelijke kampementen. Veranderingen in het klimaat zorgden voor een veranderende flora en fauna. Tijdens de koude perioden bestond het groot wild onder meer uit rendieren, mammoeten, paarden en steppewisenten. Vooral op paarden en rendieren werd in het LaatPaleolithicum intensief jacht gemaakt. Tijdens de warmere perioden werd er onder andere op herten, wilde zwijnen en oerossen gejaagd. Mesolithicum (ca. 8800-4900 voor Chr.) Rond de overgang van het Pleistoceen naar het Holoceen (ca. 9000 voor Chr.) verbeterde het klimaat voor een langdurige periode. De gemiddelde temperatuur steeg, waardoor de variatie in flora en fauna (o.a. bosontwikkeling) toenam. De mens kreeg nu de mogelijkheid om meer gevarieerd te eten: vruchten en andere eetbare gewassen stonden nu vaker op het menu.

Doordat de temperatuur steeg, trok het groot wild (met name rendieren) naar het noorden, en maakte plaats voor meer territoriumgebonden klein wild, vogels en vissen. Door deze veranderende leefomstandigheden werd de jachttechniek aangepast. De vuursteen bewerkingstechniek hield met deze ontwikkeling gelijke tred. Er werden kleine vuursteenspitsen vervaardigd die als pijl- en harpoenpunt werden gebruikt. Met de stijging van de temperatuur begon het landijs te smelten en de zeespiegel te stijgen. Het tot dan toe droge Noordzee-Bekken kwam onder water te staan. De groepen jagers/vissers/verzamelaars wisselden nog wel van locatie maar exploiteerden kleinere gebieden. In het voorjaar viste men in de rivieren, tijdens de zomer leefde men voornamelijk langs de kust, waar naast vis en schaaldieren ook zeehonden als voedselbron dienden. In de herfst verzamelde men noten en vruchten, terwijl in de winter op onder meer pelsdieren werd gejaagd. Neolithicum (ca. 5300-2000 voor Chr.) Aan het begin van deze periode gingen het jagen, vissen en verzamelen een steeds minder belangrijke rol spelen. Men ging nu zelf cultuurgewassen telen en dieren houden bij het kamp.

Uit vondsten valt af te leiden dat het om twee groepen mensen gaat, enerzijds kolonisten met een vrijwel agrarische levenswijze, anderzijds om de autochtone mesolitische bevolking die een halfagrarische levensstijl erop na gaat houden. Deze verandering ging gepaard met enkele technologische en sociale vernieuwingen zoals: het wonen op een vaste plek in een huis, het gebruik van vaatwerk van (gebakken) klei en de introductie van geslepen stenen dissels en bijlen. De bevolking groeide nu gestaag, mede door de productie van overschotten. Uit het Neolithicum zijn verschillende nu nog zichtbare grafmonumenten bekend, te weten grafkelders, hunebedden en grafheuvels. Bronstijd (ca. 2000-800 voor Chr.) Het begin van dit tijdvak valt samen met het eerste gebruik van bronzen voorwerpen zoals bijlen. Vuurstenen werktuigen bleven, zij het minder, in gebruik. Het aardewerk uit deze periode is over het algemeen tamelijk zeldzaam. Vuursteenmateriaal uit de Bronstijd is meestal niet goed te onderscheiden van dat uit andere perioden. Lange tijd bleven bronzen voorwerpen zeer schaars binnen Nederlands grondgebied. Door het van nature ontbreken van de benodigde grondstoffen moest het brons worden geïmporteerd en ontstonden er handelscontacten over langere afstanden. Eén en ander had wel tot gevolg dat er binnen de bevolking grotere verschillen ontstonden door verschillen op basis van bezit.

De grafheuveltraditie, die tijdens het Neolithicum haar intrede deed, werd in eerste voortgezet, maar rond 1200 voor Chr. vervangen door begravingen in urnenvelden. Het gaat hier om ingegraven urnen met crematieresten waar overheen kleine heuveltjes werden opgeworpen, omgeven door een

15071707 GRO.SRO.ARC

greppel. Een Kopertijd voorafgaand aan de Bronstijd wordt in Noordwest-Europa niet onderscheiden, in tegenstelling tot bijvoorbeeld het Middellandse Zeegebied. Wel zijn uit het Laat-Neolithicum koperen voorwerpen bekend. IJzertijd (ca. 800-12 voor Chr.) In deze periode werden voor het eerst ijzeren voorwerpen vervaardigd. Voor de productie van werktuigen en wapens werd brons vervangen door ijzer. Er ontstond een inheemse ijzerproductie. Het gebruik van vuursteen voor het vervaardigen van werktuigen duurde nog in beperkte mate voort. Ten opzichte van de Bronstijd traden er in de aardewerktraditie geen radicale veranderingen op. Evenals in het Neolithicum en de Bronstijd woonden de mensen in verspreid liggende hoeven ('Einzelhöfe') of in nederzettingen bestaande uit maar enkele huizen; deze werden in een beperkt gebied nogal eens verplaatst. Op de hogere zandgronden ontstonden uitgebreide omwalde akkercomplexen ('Celtic fields'). Opvallend zijn de verschillen in materiële welstand (bezit van metalen voorwerpen), die mogelijk op sociale ongelijkheid duiden. In de zogenaamde vorstengraven uit Zuid Nederland, met daarin luxe, geïmporteerde bijgaven, zijn vermoedelijk lokale of regionale autoriteiten begraven. De meeste begravingen vonden nog immer plaats in urnenvelden. Tijdens de IJzertijd werd het Friese kustgebied gekoloniseerd en ontstonden de eerste terpen. Romeinse tijd (ca.

12 voor Chr. - 450 na Chr.) Met de komst van de Romeinen eindigt de prehistorie en begint de geschreven geschiedenis. Aangezien de schriftelijke bronnen slechts een zeer fragmentarisch beeld schetsen, is men toch nog in belangrijke mate aangewezen op de archeologie als informatiebron. Een tijd lang diende het Nederlandse rivierengebied als uitvalsbasis voor veldtochten in het noorden van Germanië. In 47 na Chr. werd de Rijn definitief als Romeinse rijksgrens ingesteld. Ter controle en verdediging van deze zogenaamde 'limes' werden langs de Rijn, tot diep in Duitsland, 'castella' (militaire forten) gebouwd. De inheemse manier van leven handhaafde zich nog lange tijd. Wel werd, vooral na de opstand van de Bataven tegen de Romeinse overheersers in 69-70 na Chr., de Romeinse invloed steeds duidelijker. In veel inheems-Romeinse nederzettingen was bijvoorbeeld, naast het eigen handgevormde aardewerk, Romeins importaardewerk in gebruik, dat op de draaischijf was vervaardigd. Er werden, vooral in Limburg, grootse villa's (Romeinse herenboerderijen) gebouwd, hetzij nieuw gesticht, hetzij ontwikkeld vanuit een bestaande inheemse nederzetting. De Romeinen legden een voor die tijd al uitgebreide infrastructuur aan, waardoor het gebied steeds beter werd ontsloten.

Op verschillende plaatsen ontstonden aanzienlijke nederzettingen, waarvan er enkele met een stedelijk karakter (zoals Nijmegen). De inheemse bevolking, ten noorden van de Limes, werd niet zo sterk beïnvloed door de Romeinse aanwezigheid. Er was wel sprake van handelscontacten en het uitwisselen van geschenken. In de tweede helft van de derde eeuw ontstond, onder meer door invallen van Germaanse stammen, een instabiele situatie die met korte onderbrekingen voortduurde tot in de vijfde eeuw. Uiteindelijk leidde dit in het jaar 406 tot de definitieve ineenstorting van de grensverdediging langs de Rijn. Middeleeuwen (ca. 450-1500 na Chr.) Over de Vroege Middeleeuwen, vooral over het tijdvak 450-600 na Chr., is relatief weinig bekend. Zowel historische bronnen als archeologische overblijfselen zijn schaars. De bevolkingsomvang was ten opzichte van de voorafgaande periode sterk afgenomen. De marktgerichte economie verdween en de mensen vielen terug op zelfvoorziening. De politieke macht was na het wegvallen van de Romeinse staatsorganisatie in handen gekomen van regionale en lokale hoofdlieden. Een gezaghebbende status was nu vooral gebaseerd op militair succes en materiële welstand. Deze instabiele periode wordt ook wel aangeduid als de 'tijd van de volksverhuizingen'.

e e Vanaf de 10 – 11 eeuw wordt een overheersende positie van de al dan niet adellijke grootgrondbezitters waargenomen. Dit vertaalt zich in nieuwe nederzettingsvormen als mottes, kastelen en versterkte hoeven. In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei, en mede dankzij gunstige klimatologische omstandigheden, werd een begin gemaakt met het ontginnen van woeste gronden als bos,

15071707 GRO.SRO.ARC

heide en veen. Veel van de huidige dorpen en steden dateren uit deze periode. Door de aanleg van dijken en kaden werden laaggelegen gebieden beschermd tegen wateroverlast. De heersende rivaliteit tussen de vorsten leidde, in combinatie met een zwak centraal gezag, veelvuldig tot lokaal geweld, waarvan de bevolking vaak het slachtoffer werd. Door het aanleggen van burgen, schansen, landweren en wallen trachtte men zich te beveiligen. Nieuwe tijd (1500-heden) De Nieuwe tijd kenmerkt zich door een groot aantal veranderingen vooral op het gebied van mens- en wereldbeeld. Er is sprake van een Europese overzeese expansie wat leidt tot handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie. Er ontstaat een nieuwe wetenschappelijke belangstelling die resulteert in vele uitvindingen. Deze uitvindingen vormen de motor van de industriële revolutie. Er ontstaat een nationale staat die centraal bestuurd wordt. Als gevolg van deze ontwikkelingen neemt het belang en de omvang van steden toe en neemt de macht van adel af. Het grootste deel van de bevolking is niet meer werkzaam en woonachtig op het platteland maar in de steden. e In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei worden aan het eind van de 19 tot het begin van de e 20 eeuw op grote schaal woeste gronden gecultiveerd.

Door de industriële revolutie komen steeds meer producten beschikbaar voor steeds meer mensen waardoor de welvaart stijgt. In de Nieuwe tijd vindt er eveneens een hernieuwde oriëntatie op het erfgoed van de klassieke Oudheid plaats, wat e zich tot in het begin van de 20 eeuw uit in de kunsten.

15071707 GRO.SRO.ARC

Bijlage 5

AMZ-cyclus

Het AMZ-proces Archeologisch onderzoek in Nederland wordt in het algemeen uitgevoerd binnen het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ). Het gehele traject van de AMZ omvat een aantal stappen die elkaar kunnen opvolgen, afhankelijk van het resultaat van de voorgaande stappen. Om inhoudelijke, prijs- en planningstechnische redenen kan er soms voor gekozen worden om bepaalde stappen gelijktijdig uit te voeren. Bovendien kan, indien reeds voldoende gegevens bekend zijn, een stap worden overgeslagen. Elke stap eindigt met een rapport met daarin een advies voor de vervolgstappen. Na elke stap wordt er een selectiebesluit genomen door de bevoegde overheid, gemeente, provincie of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, op basis van de resultaten van het archeologisch onderzoek. Indien na een bepaalde stap blijkt dat geen nader vervolgonderzoek nodig is, wordt het archeologisch onderzoek afgesloten. Ook kan het bevoegd gezag besluiten dat een vindplaats van zo groot belang is, dat deze in situ behouden moet worden. Dan dienen de archeologische resten in de grond beschermd te worden door planaanpassing of planinpassing. Het begint met het bepalen van de onderzoeksplicht. Gemeentelijke, provinciale en landelijke archeologische waardenkaarten geven aan of het plangebied in een gebied ligt met een archeologische verwachting.

Indien dit het geval is, dan zal er in het kader van de planprocedure onderzoek verricht moeten worden om te bepalen of er archeologische waarden binnen het plangebied aanwezig zijn. Hiermee start de zogenaamde AMZ-cyclus (zie schema). De eerste fase: Bureauonderzoek Elk archeologisch onderzoek begint met een bureauonderzoek. Dit heeft tot doel het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende of verwachte archeologische waarden, binnen het plangebied om tot een gespecificeerd verwachtingsmodel te komen, op basis waarvan een beslissing genomen kan worden ten aanzien van een eventuele vervolgstap. De tweede fase: Inventariserend VeldOnderzoek (IVO) Het doel van een IVO is het aanvullen en toetsen van het gespecificeerde verwachtingsmodel. Het IVO moet informatie geven over de aan- of afwezigheid, de aard, het karakter, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Inventariserend Veldonderzoek; Booronderzoek en Veldkartering Door een booronderzoek kan er een goede inschatting gemaakt worden van de kans op archeologische waarden (grondsporen en daarmee samenhangende voorwerpen). Bij het booronderzoek is een onderscheid aangebracht in een verkennende, karterende en waarderende fase.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11543305/1