B30 Bestemmingsplan Transformatie locatie Schreven Groesbeek
Tekst van het document
Transformatie locatie Schreven, Groesbeek
bestemmingsplan Transformatie locatie Schreven, Groesbeek
Inhoudsopgave
Toelichting
6
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging plangebied 1.3 Geldend bestemmingsplan 1.4 Leeswijzer
7 7 7 8 8
Hoofdstuk 2 Beschrijving plangebied 2.1 Bestaande situatie 2.2 Planbeschrijving
9 9 10
Hoofdstuk 3 Beleid 3.1 Nationaal beleid 3.2 Provinciaal en regionaal beleid 3.3 Gemeentelijk beleid 3.4 Conclusie
12 12 13 15 16
Hoofdstuk 4 Milieu- en omgevingsaspecten 4.1 Vormvrije m.e.r.-beoordeling 4.2 Niet gesprongen explosieven 4.3 Bodem 4.4 Geluid 4.5 Luchtkwaliteit 4.6 Milieuzonering 4.7 Externe veiligheid 4.8 Trillingen 4.9 Waterhuishouding 4.10 Ecologie 4.11 Archeologie en cultuurhistorie 4.12 Leidingen 4.13 Verkeer en parkeren 4.14 Duurzaamheid
17 17 17 19 20 21 23 25 26 26 29 34 36 36 38
Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen 5.2 Inleidende regels 5.3 Bestemmingsregels 5.4 Algemene regels 5.5 Overgangs- en slotregels
40 40 40 40 42 42
Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid 6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
43 43 43
2
(vastgesteld)
bestemmingsplan Transformatie locatie Schreven, Groesbeek
Bijlagen bij de toelichting
46
Bijlage 1
Vooronderzoek Conventionele Explosieven
47
Bijlage 2
Actualiserend bodemonderzoek
48
Bijlage 3
Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai
49
Bijlage 4
Quickscan flora en fauna
50
Bijlage 5
Aanvullend ecologisch onderzoek
51
Bijlage 6
Stikstofberekening gebruiksfase
52
Bijlage 7
Stikstofdepositieonderzoek aanlegfase
53
Bijlage 8
Archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek
54
Bijlage 9
PvE proefsleuvenonderzoek
55
(vastgesteld)
3
bestemmingsplan Transformatie locatie Schreven, Groesbeek
Regels
56
Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2
Inleidende regels Begrippen Wijze van meten
57 57 61
Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6
Bestemmingsregels Groen Verkeer Woongebied Waarde - Archeologische verwachtingswaarden
62 62 63 64 68
Hoofdstuk 3 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10
Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene afwijkingsregels
70 70 70 70 71
Hoofdstuk 4 Artikel 11 Artikel 12
Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel
72 72 72
4
(vastgesteld)
bestemmingsplan Transformatie locatie Schreven, Groesbeek
(vastgesteld)
5
bestemmingsplan Transformatie locatie Schreven, Groesbeek
Toelichting
6
(vastgesteld)
bestemmingsplan Transformatie locatie Schreven, Groesbeek
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
Om de (toekomstige) woonbehoefte binnen de kern Groesbeek op te vangen, wordt de voormalige bedrijfslocatie van Schreven Bouwmaterialen B.V. - direct ten zuidoosten van het centrum getransformeerd tot woongebied. Onderdeel van deze transformatie is de reconstructie van de Gooiseweg, die wordt verlegd. Omdat de beoogde ontwikkeling niet mogelijk is op grond van de geldende beheersverordening 'Groesbeek-Zuid', dient een nieuwe juridisch-planologisch kader opgesteld te worden. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hierin. Voor de ontwikkeling van het plangebied is gekozen voor een globale eindbestemming. Deze opzet maakt het mogelijk om de definitieve stedenbouwkundige verkaveling van het nieuwe woongebied in een later stadium op ondergeschikte onderdelen te wijzigen en – waar nodig - te verfijnen.
1.2
Ligging plangebied
Het plangebied is gelegen nabij het centrum van Groesbeek, globaal ingeklemd tussen de Kloosterstraat aan de noordzijde, de Gooiseweg aan de zuid- en oostzijde en de woningen aan de Aelbert Cuypweg / Kloosterstraat aan de westzijde. Onderstaande afbeelding toont globaal de ligging van het plangebied in de omgeving. Voor de exacte begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar de verbeelding.
Afbeelding 1.1.: globale ligging en begrenzing plangebied
(vastgesteld)
7
bestemmingsplan Transformatie locatie Schreven, Groesbeek
1.3
Geldend bestemmingsplan
Voor de in dit bestemmingsplan begrepen gronden geldt momenteel de beheersverordening 'Groesbeek-Zuid', door de gemeenteraad vastgesteld op 25 september 2014. Een beheersverordening staat geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen toe. Bovendien is de bouw van woningen (en de reconstructie van de Gooiseweg) niet toegestaan op grond van besluitvlakken 'Bedrijf' (met het besluitsubvlak 'showroom'), 'Groen' en 'Verkeer'. Om de gewenste ontwikkeling mogelijk te maken is het dan ook noodzakelijk een nieuw bestemmingsplan vast te stellen.
1.4
Leeswijzer
Het bestemmingsplan bestaat uit meerdere onderdelen: een verbeelding waarop de bestemmingen in het plangebied zijn aangegeven en regels waarin de bepalingen voor de op de verbeelding vermelde bestemmingen zijn opgenomen. Het bestemmingsplan gaat vergezeld van een toelichting waarin de achtergronden van het bestemmingsplan zijn beschreven. De verbeelding vormt samen met de regels het juridische bindende deel van het bestemmingsplan. In de toelichting worden de keuzes die in het bestemmingsplan worden gemaakt nader gemotiveerd en verantwoord. De toelichting kan globaal opgedeeld worden in vier delen. Inleiding en beschrijving plangebied In hoofdstuk 1 zijn de aanleidingen en het kader voor de planherziening beschreven. Hoofdstuk 2 geeft een beschrijving van de huidige en toekomstige situatie van het plangebied. Verantwoording Hoofdstukken 3 en 4 geven de achtergronden, toelichting en motivering op de gemaakte keuzen weer die uiteindelijk hebben geleid tot de uitgewerkte planopzet. In dit planonderdeel worden onder meer het (beleids)kader en de milieuaspecten uiteengezet. Juridische planbeschrijving In hoofdstuk 5 wordt de juridische planopzet beschreven. Doel is een nadere onderbouwing te geven wat met het plan wordt beoogd en hoe de instrumenten regels en verbeelding hierbij worden gehanteerd.
Uitvoerbaarheid Het laatste deel (hoofdstuk 6) gaat in op de financieel-economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.
8
(vastgesteld)
bestemmingsplan Transformatie locatie Schreven, Groesbeek
Hoofdstuk 2 2.1
Beschrijving plangebied
Bestaande situatie
Al jaren bestaat de wens om het voormalige terrein van Schreven Bouwmaterialen B.V. aan de Kloosterstraat te transformeren naar woningbouw. De bedrijfsactiviteiten van het bedrijf zijn enkele jaren geleden reeds beëindigd. Op het perceel bevinden zich diverse bedrijfsgebouwen, een voormalige showroom en bedrijfswoning. De bedrijfswoning wordt nog altijd bewoond, maar de overige bebouwing heeft geen functie meer en staat inmiddels al geruime tijd leeg. Bovendien is aan een groot deel van de bebouwing al jaren geen onderhoud gepleegd, waardoor de bouwkundige staat van enkele gebouwen inmiddels slecht is. In de bestaande situatie wordt een groot deel van de bedrijfsbebouwing aan het zicht onttrokken door bosschages langs met name de Gooiseweg en de Aelbert Cuypweg. Hierdoor heeft het plangebied een groene uitstraling. De bosschages verhullen echter dat het perceel in de bestaande situatie grotendeels verhard is.
Afbeelding: de entree van het plangebied met links de voormalige showroom
(vastgesteld)
9
bestemmingsplan Transformatie locatie Schreven, Groesbeek
Afbeelding: Gooiseweg, met rechts de bosschages die de bedrijfsbebouwing aan het zicht onttrekken.
2.2
Planbeschrijving
2.2.1
Programma
Het voorliggende bestemmingsplan maakt de realisatie van maximaal 32 grondgebonden woningen mogelijk inclusief de voormalige bedrijfswoning aan de Kloosterstraat. Om de nodige flexibiliteit te behouden, is het woningbouwprogramma niet in een keurslijf gegoten. Dat betekent dat binnen de bestemming 'Woongebied' zowel vrijstaande woningen, als ook twee-aaneengebouwde en aaneengebouwde woningen kunnen worden gebouwd De meest recente stedenbouwkundige verkaveling voorziet in de bouw van 10 aaneengebouwde woningen, 16 twee-aaneengebouwde woningen en 5 vrijstaande woningen, in totaal 31 woningen. Het voorgenoemde programma is gebaseerd op de meest recente stedenbouwkundige uitwerking van het gebied, maar vormt nadrukkelijk geen blauwdruk. De verkaveling en differentiatie in het woningbouwprogramma is indicatief en kan op onderdelen nog wijzigen.
2.2.2
Ontwikkeling
Uitgangspunt voor de voorgenomen ontwikkeling is de reconstructie van de Gooiseweg, die in de toekomstige situatie wordt doorgetrokken en zal aansluiten op de Spoorlaan. Dit leidt tot een verbetering van de zuidoostelijke verkeersroute van en naar het centrum van Groesbeek. Een deel van de Gooiseweg verliest hiermee de functie van 'erftoegangsweg plus' en zal daarom worden afgewaardeerd tot erftoegangsweg. Dit gedeelte van de Gooiseweg wordt in de toekomstige situatie aangesloten op de Gerard Douwweg (zie navolgende afbeelding):
10
(vastgesteld)
bestemmingsplan Transformatie locatie Schreven, Groesbeek
Afbeelding: stedenbouwkundig plan locatie Schreven De Spoorlaan is momenteel nog 50 km/u. Beleidsmatig heeft de gemeenteraad de Spoorlaan in 2017 aangewezen als 'erftoegangsweg plus'. In de nabije toekomst wordt de Spoorlaan nog heringericht en wordt de toegestane maximum snelheid verlaagd van 50 km/u naar 30 km/u. Het merendeel van de woningen in het plangebied oriënteert zich op de doorgetrokken Gooiseweg en Kloosterstraat. De beoogde woningen staan in principe in een vaste rooilijn, die het verloop van de voornoemde wegen volgt. Hierdoor vormen de woningen een duidelijke begeleiding van de route. Uitzondering hierop zijn de aaneengebouwde woningen op de hoek Kloosterstraat - Gooiseweg, die haaks op de Gooiseweg zijn gesitueerd. Hierdoor ontstaat een groene wig aan de voorzijde van de rijwoningen. Tot slot is een aantal woningen aan de Aelbert Cuypweg gesitueerd; dit betreft een smal woonpad dat haaks op de Vermeerweg ligt. De nieuwe woningen bestaan in de basis uit twee bouwlagen met een kap, aansluitend bij de bestaande bebouwing in de directe omgeving van het plangebied. Uitzondering hierop vormen de woningen aan de Aelbert Cuypweg, die een volledig woonprogramma op de begane gronden hebben en dus uit één bouwlaag met kap bestaan. De bestaande bosschages langs de Gooiseweg worden deels behouden, als groene begeleiding van de route en afscherming van de achtertuinen.
Daarnaast wordt de groene begeleiding c.q. laanbeplanting langs de Gooiseweg doorgetrokken tot de Kloosterstraat.
(vastgesteld)
11
bestemmingsplan Transformatie locatie Schreven, Groesbeek
Hoofdstuk 3
Beleid
3.1
Nationaal beleid
3.1.1
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en Barro
Het Rijk heeft haar ruimtelijk beleid vastgelegd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). De leidende gedachte van het rijksbeleid is ruimte maken voor groei en beweging, waarbij het Rijk zich vooral concentreert op decentralisatie. De verantwoordelijkheid wordt verplaatst van Rijksniveau naar provinciaal en gemeentelijk niveau. In het SVIR en Barro worden geen specifieke uitspraken gedaan met betrekking tot het voorliggende plangebied.
3.1.2
Ladder voor duurzame verstedelijking
De in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte geïntroduceerde 'ladder voor duurzame verstedelijking' is als procesvereiste vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet in de toelichting een onderbouwing opgenomen worden van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. De ladder wordt in artikel 3.1.6, lid 2 Bro als volgt omschreven: "De toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien, bevat de toelichting een motivering daarvan en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied." Kwantitatieve behoefte Op basis van de 'Woonagenda Subregio Nijmegen en omstreken 2017-2027' - door gedeputeerde staten vastgesteld op 13 maart 2018 - mogen er in de gemeente Berg en Dal 700 woningen worden gebouwd in de periode tot en met 2027, waarvan 70 % in de eerste vijf jaar zou moeten worden gerealiseerd (versnelling).
In de provinciale 'Woningmarktmonitor' is voor de gemeente Berg en Dal een netto plancapaciteit van 588 woningen opgenomen (harde en zachte plannen), waardoor er nog ruimte is voor het toevoegen van nieuwe woningen. Overigens is voorliggende ontwikkeling reeds als 'zachte plancapaciteit' opgenomen in de Woningmarktmonitor. Uit het recente Actieplan wonen van de gemeente Berg en Dal (zie subparagraaf 3.3.2) blijkt dat er behoefte is aan 1.200 woningen tot 2030, met nadruk op kernen dichtbij Nijmegen zoals Groesbeek. Omdat de behoefte aan woningen tot 2030 vooralsnog groter is dan het beoogde aanbod 'netto plancapaciteit', is de kwantitatieve behoefte voldoende aangetoond. Kwalitatieve behoefte Het meest recente stedenbouwkundig plan speelt in op de gewenste kwalitatieve ontwikkelingen in het aanbod naar grondgebonden (middel)dure koopwoningen in dorpse woonmilieus. Ligging binnen bestaand stedelijk gebied Tot slot dient aangetoond te worden dat de ontwikkeling is gelegen binnen bestaand stedelijk gebied. Onder bestaand stedelijk gebied wordt verstaan een “bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur” (artikel 1.1.1 onder h Bro).
Gelet op de ligging van het plangebied nabij het centrum van Groesbeek en het feit dat het plangebied in de huidige situatie reeds bebouwd is (er is sprake van transformatie), is het plangebied aan te merken als bestaand stedelijk gebied. Daarmee wordt voldaan aan de ladder voor duurzame verstedelijking. 3.1.3
Conclusie
In het SVIR en Barro worden dan ook geen specifieke uitspraken gedaan met betrekking tot het voorliggende plangebied. Er wordt voldaan aan de Ladder voor duurzame verstedelijking.
12
(vastgesteld)
bestemmingsplan Transformatie locatie Schreven, Groesbeek
3.2
Provinciaal en regionaal beleid
3.2.1
Algemeen
Op 19 december 2018 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening vastgesteld. In de Omgevingsvisie staan de hoofdlijnen van het beleid en in de Omgevingsverordening de regels en afspraken om de opgaven uit de Omgevingsvisie te realiseren. De Omgevingsvisie en -verordening zijn beide op 1 maart 2019 in werking getreden. De Omgevingsvisie en –verordening zijn dynamische instrumenten. Doordat wetten veranderen of door de komst van nieuwe initiatieven, kijkt de provincie twee keer per jaar of de plannen moeten worden aangepast.
3.2.2
Omgevingsvisie
De komende decennia komt er veel op Gelderland af: het energievraagstuk, klimaatverandering, uitputting van grondstoffen, kwetsbare biodiversiteit, digitalisering, internationalisering. Deze zaken vragen stevige antwoorden en oplossingen als investering in de toekomst. Met de schaarse ruimte en de vele uiteenlopende belangen en inzichten gaat dit niet vanzelf. De provincie zet in de Omgevingsvisie een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal. Gezond en veilig; dat is een gezonde leefomgeving, schone en frisse lucht, een schoon milieu, een niet vervuilde bodem, voldoende schoon en veilig (drink)water, bescherming van onze flora en fauna. Dat is ook voorbereid zijn op klimaatverandering, zoals hitte, droogte, bosbranden en overstromingen. En dat is ook aandacht hebben voor verkeersveiligheid en veilige bedrijvigheid. Schoon en welvarend; dat is een dynamisch, duurzaam en aantrekkelijk woon-, werk- en ondernemersklimaat, goed bereikbaar en met een goed functionerende arbeidsmarkt en dito kennis- en onderwijsinstellingen. Maar dat is ook het tegengaan van schadelijke uitstoot, afval en uitputting van grondstoffen, alsmede het investeren in nieuwe, alternatieve vormen van energie.
Om Gelderland voor mensen en bedrijven aantrekkelijk te houden, is de kwaliteit van de leefomgeving van groot belang, zoals goed bereikbare voorzieningen, aansprekende evenementen, unieke cultuurhistorie, inspirerende culturele voorzieningen en een mooie natuur. Ook goed wonen hoort daarbij. Gelderland heeft op woongebied een bijzondere positie met uiteenlopende stedelijke en landelijke woonkwaliteiten. Om het landschap open, groen en het voorzieningenniveau op peil te houden en leegstand te voorkomen, is bouwen binnen bestaand verstedelijkt gebied het vertrekpunt. De provincie geeft de voorkeur aan het benutten van bestaande gebouwen en het concentreren van bebouwing. Pas als er geen andere goede mogelijkheden zijn, kan er aan de randen van steden of dorpen uitgebreid worden. De dynamiek op de woningmarkt is groot. Mensen worden ouder, wonen steeds langer alleen en zelfstandig, worden steeds meer energiebewust en zijn mobieler dan vroeger, waardoor ze ook meer en makkelijker verhuizen. Het grootste deel van de woningen die in 2050 in Gelderland nodig zijn, staat er al. Maar deze woningen zijn niet klaar voor de toekomst en moeten aangepast of vervangen worden. Voor de provincie staat een goede balans tussen de vraag en aanbod van woningen in verschillende prijscategorieën voorop, ook voor specifieke doelgroepen.
De meeste woningen zijn verre van energieneutraal en klimaatbestendig. De provincie stimuleert innovaties op dit terrein, zoals het aardgasloos maken van bestaande woningen en het verduurzamen van woonwijken. Daarnaast is de provincie met haar partners in gesprek over hoe het vraagstuk van klimaatadaptatie en wonen slimmer aangepakt kan worden. Voldoende groene ruimte, koele plekken, opvang van water in het licht van de klimaatverandering is immers van belang, zeker met het oog op de gezondheid van de Gelderlanders. Klimaatadaptatie De provincie wil graag verder kijken. Bij de aanleg, inrichting, veiligheid en leefbaarheid van de gebouwde omgeving – steden, dorpen, bedrijventerreinen – neemt de provincie de gevolgen van het veranderende klimaat mee en maken zij afspraken over hoe met de risico’s om te gaan. De provincie wenst daarom bij de aanleg, inrichting, veiligheid en leefbaarheid van de gebouwde omgeving – steden, dorpen, bedrijventerreinen – de gevolgen van het veranderende klimaat mee te wegen en afspraken te maken over hoe met deze risico’s wordt omgegaan. De nieuwe woningen in het
(vastgesteld)
13
bestemmingsplan Transformatie locatie Schreven, Groesbeek plangebied zullen gasloos en energieneutraal (EPC = 0) zijn. In paragraaf 4.14 van deze toelichting is beschreven welke klimaatadapatieve maatregelen in het voorliggende plangebied worden toegepast. Kortheidshalve wordt hiernaar verwezen.
3.2.3
Omgevingsverordening
De Omgevingsverordening vormt de juridische doorwerking in regels van het beleid uit de Omgevingsvisie. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Ten aanzien van 'Wonen' is in artikel 2.2 opgenomen dat een bestemmingsplan alleen nieuwe woningen mogelijk maakt als die ontwikkeling past binnen een door Gedeputeerde Staten vastgestelde regionale woonagenda. Op 14 maart 2018 hebben Gedeputeerde Staten de Subregionale woonagenda Nijmegen e.o. vastgesteld. In deze subregio - waar Berg en Dal onder valt - mogen in de periode 2017 - 2027 circa 16.400 woningen gebouwd worden. Van gemeenten wordt gevraagd de productie in de eerstkomende 5-jaarsperiode - nu de druk groot en de markt gunstig is - te versnellen.
Voor een onderbouwing van de lokale woningbehoefte wordt kortheidshalve verwezen naar subparagraaf 3.1.2. In de Subregionale woonagenda Nijmegen e.o. is overigens ook afgesproken dat inbreiding voor uitbreiding gaat. De voorliggende ontwikkeling betreft een transformatie binnen bestaand stedelijk gebied, waardoor sprake is van inbreiding. Daarmee is de voorgenomen ontwikkeling in lijn met het provinciaal beleid.
3.2.4
Steengoed benutten
Onderhavige ontwikkeling wordt mede mogelijk gemaakt dankzij een subsidie vanuit het programma 'SteenGoed Benutten' van de provincie Gelderland. De essentie van SteenGoed Benutten is om gezien vanuit leegstaand vastgoed, transformatie en overprogrammering - ruimtelijke kwaliteit te behouden en te versterken en Gelderland nog mooier, leefbaarder en economisch aantrekkelijker te maken. Dat doet de provincie door de aanpak in gebieden centraal te stellen. De provincie ziet leegstaand vastgoed in samenhang met de omgeving. Bijvoorbeeld: als in een mooi initiatief een leegstaand pand in een dorp tot multifunctioneel centrum wordt omgevormd, wat gebeurt er dan met de school, de bibliotheek, het dorpshuis dat achterblijft? Wat is de relatie met de groenstructuur? En wat is de relatie met andere opgaven? Wat is bijvoorbeeld de samenhang van ontwikkelingen in een stadscentrum met ontwikkelingen aan de randen van de stad? En wat zijn de relaties tussen steden en dorpen op regionale schaal? De provincie sluit aan bij het karakter en DNA van het gebied en maakt keuzes die ook op lange termijn rendabel zijn. De aanpak is elke keer anders. Het is maatwerk waarbij de provincie in een open gesprek met haar partners de initiatieven verkent en steeds opnieuw haar rol en inzet bepaalt.
De provincie draagt graag een steentje bij in projecten die maatschappelijke impact hebben en die de ruimtelijke kwaliteit in Gelderland verbeteren.
14
(vastgesteld)
bestemmingsplan Transformatie locatie Schreven, Groesbeek 3.2.5
Conclusie
Het bestemmingsplan is passend in de Omgevingsvisie en -verordening van de provincie.
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1
Structuurvisie Groesbeek
Een structuurvisie is een document waarin het ruimtelijk beleid van de gemeente in grote lijnen vastgelegd is. De gemeente is wettelijk verplicht om voor al het grondgebied in de gemeente één of meerdere structuurvisies vast te stellen. De structuurvisie geeft geen eindbeeld, maar schetst de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen binnen de gemeente voor de komende jaren. In Berg en Dal zijn er drie structuurvisies. Voor dit bestemmingsplan is uitsluitend de Structuurvisie Groesbeek van belang. In Groesbeek wordt hoofdzakelijk voor eigen behoefte gebouwd. De gemeente Berg en Dal wenst duurzaam met de ruimte om te gaan door middel van efficiënt ruimtegebruik, wat inhoudt dat de gemeente zo veel mogelijk binnen bestaand stedelijk gebied wil bouwen en niet meer op uitbreidingslocaties. Derhalve wordt ingezet op de herontwikkeling c.q. transformatie van reeds bebouwde locaties en niet zozeer op het volbouwen van bestaande open plekken (al dan niet buiten bestaand stedelijk gebied). In de Structuurvisie Groesbeek is daarnaast beschreven dat "er voor de uitwerking van nieuwe woonmilieus binnen bestaande projecten weinig ruimte meer is, omdat voor alle locaties de plannen reeds zijn uitgewerkt." Een groot deel van deze projecten is inmiddels gerealiseerd.
Voor nieuwe (herstructurerings)locaties is het dan ook noodzakelijk woonmilieus te ontwikkelen die aansluiten bij de behoefte vanuit de markt en bijdragen aan een gevarieerd woningaanbod in Groesbeek. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de transformatie van een voormalige bedrijfslocatie binnen bestaand stedelijk gebied. Zoals blijkt uit subparagraaf 3.1.2 sluit het beoogde woningbouwprogramma en woonmilieu aan bij de behoefte vanuit de markt. Gelet hierop is de voorliggende ontwikkeling passend binnen de kaders van de structuurvisie.
3.3.2
Actieplan Wonen
Op 24 september 2020 heeft de gemeenteraad het Actieplan wonen vastgesteld. Sinds de vorige woonagenda is de druk op de woningmarkt toegenomen Het is lastiger geworden om een betaalbare woning te vinden in Berg en Dal. Zeker in de kernen nabij Nijmegen zorgt de instroom vanuit deze stad voor meer schaarste van beschikbare woningen. Om hier een antwoord op te hebben en het woningaanbod toe te laten nemen is het zorg voor de gemeente om in de ruimtelijke ordening stimulerend en faciliterend op te treden. De druk op de woningmarkt maakt dat er minder betaalbare woningen beschikbaar zijn. Daarnaast is het lastiger geworden voor corporaties en ontwikkelaars om goedkope woningen te realiseren. Dit zorgt dat de gemeente werk moeten maken om beschikbaar goedkoop aanbod te realiseren. De voor het plangebied relevante punten zijn hieronder weergegeven: Ontwikkeling voorraad 1.200 woningen toe voegen tot 2030 met de nadruk op kernen dichtbij Nijmegen zoals Berg en Dal, Beek, Groesbeek en Ooij; De gemeente houdt bij ontwikkelingen vinger aan de pols. Dat betekent monitoren of de vraag wijzigt, bijhouden of de ontwikkelingen op peil blijven en planuitval van 30 % incalculeren Betaalbaarheid De helft van de te bouwen 1.200 woningen is sociale huur en koop, middenhuur en betaalbare koop, waar mogelijk vast te leggen in bestemmings- of omgevingsplannen.
Stimuleren van doorstroming door toegankelijke woningen te bouwen, daarnaast in kaart brengen andere stimuleringsmaatregelen voor doorstroming. Betaalbaarheid borgen door enerzijds passend toewijzen door de woningcorporaties en anderzijds prioriteit geven aan ontwikkelingen in het betaalbare segment.
(vastgesteld)
15
bestemmingsplan Transformatie locatie Schreven, Groesbeek Duurzaamheid Berg en Dal is in 2050 klimaatneutraal; Herbestemmen van vastgoed stimuleren. Leefbaarheid Sturen op een goede verdeling koop/huur en duur/goedkoop per wijk, waarbij de gemeente op inbreidingslocaties ook de verdeling in de directe omgeving meeweegt. In het actieplan komen verschillende ambities bijeen, zoals 1.200 woningen realiseren voor 2030, vergroening van de wijken, aanbod goedkope woningen vergroten, toegankelijke hofjeswoningen, etc.. Het liefst wil de gemeente alle ambities voor de volle 100 % realiseren, maar zij weet ook dat dit niet altijd (financieel) haalbaar is. Bij plannen zullen concessies gedaan moeten worden. Om realistisch om te gaan met dit spanningsveld werkt de gemeente met het ambitiekader woningbouw. Hiermee daagt de gemeente ontwikkelaars uit om aan zo veel mogelijk ambities te voldoen. Het college van burgemeester en wethouders houdt regie op het totale programma, zodat alle ambities in vergelijkbare mate aandacht krijgen. Planspecifiek Het plangebied betreft een inbreidingslocatie in Groesbeek waar een voormalige bedrijfslocatie wordt getransformeerd naar een nieuw woongebied. Onderdeel van deze transformatie is de reconstructie van de Gooiseweg, die wordt verlegd. De afspraken over het woningbouwprogramma in het plangebied zijn al in het verleden gemaakt.
Daarom worden in dit geval uitsluitend koopwoningen gebouwd, zodat er doorstroming kan ontstaan in de Groesbeekse woningmarkt. Als onderdeel van deze afspraken zijn alle nieuwe woningen gasloos en energieneutraal (EPC = 0). De beoogde ontwikkeling draagt daarmee vooral bij aan het aspect 'duurzaamheid' (klimaatneutraliteit en herbestemmen bedrijfslocatie) binnen het ambitiekader woningbouw. Bij de bouw van de woningen wordt daarnaast zoveel mogelijk rekening gehouden met de toegankelijkheid/ aanpasbaarheid.
3.3.3
Integrale mobiliteitsvisie gemeente Berg en Dal 2016 - 2026
De gemeenteraad heeft op 2 februari 2017 de Integrale Mobiliteitsvisie vastgesteld. Het doortrekken van de Gooiseweg naar de Spoorlaan is in deze visie overgenomen uit het beleidsplan 'Verkeersafwikkeling centrum Groesbeek', dat de gemeenteraad heeft vastgesteld op 10 mei 2007. De gemeente Berg en Dal kiest voor het spreiden van het gemotoriseerde verkeer over haar wegennet. Dit betekent dat er op verschillende wegen maatregelen genomen moeten worden om een toename van verkeer en de functie die is toegekend aan specifieke wegen goed samen te laten gaan. Hierbij kiest de gemeente er wel nadrukkelijk voor vast te houden aan de categorisering van haar wegen. Acties die hierbij horen zijn o.a. dat bij een herontwikkeling van het plangebied de Gooiseweg rechtstreeks verbonden wordt met de Spoorlaan. Zodra de Gooiseweg met de Spoorlaan kan worden verbonden ontstaat tevens een rechtstreekse verbinding tussen de Gooiseweg en de bedrijventerreinen I en II via de Industrieweg. De Kloosterstraat kan dan aan belang voor het bedrijventerrein inleveren. Het rechtstreeks verbinden van de Spoorlaan met de Gooiseweg biedt tevens een verdere kans voor verbetering van de parkeerroute. De rotonde bij de Zuidmolen wordt via zo'n verbinding vlot verbonden met de oostzijde van het centrum, alsmede met het gezondheidscentrum Op de Paap.
3.3.4
Conclusie
De transformatie van deze binnenstedelijke locatie en de Verlengde Gooiseweg zijn passend binnen het gemeentelijke beleid. De locatie is opgenomen in de woningbouwprogrammering van de gemeente.
3.4
Conclusie
Dit bestemmingsplan is passend binnen het beleid van de verschillende overheden.
16
(vastgesteld)
bestemmingsplan Transformatie locatie Schreven, Groesbeek
Hoofdstuk 4 4.1
Milieu- en omgevingsaspecten
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
Het voorkomen van aantasting van het milieu is van groot maatschappelijk belang. Het is daarom zaak om het milieubelang volwaardig in de besluitvorming te betrekken. Om hier in de praktijk vorm aan te geven is het instrument milieueffectrapportage of te wel m.e.r. ontwikkeld. De m.e.r.beoordeling is een instrument met als hoofddoel het milieubelang volwaardig te laten meewegen bij de voorbereiding en vaststelling van plannen en besluiten. Voorliggend bestemmingsplan maakt de bouw van maximaal 31 nieuwe woningen mogelijk. Woningbouwontwikkelingen zijn opgenomen in de eerste kolom van de zogenaamde D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage (categorie D.11.2). De realisatie van maximaal 31 woningen in het voorliggende plangebied blijft echter ver onder de drempelwaarde van 2.000 woningen. Dit neemt niet weg dat in dit geval een vormvrije m.e.r.-beoordeling dient plaats te vinden aan de hand van drie criteria: Kenmerken van het project; Plaats van het project; Kenmerken van het potentiële effect. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling worden in dit hoofdstuk diverse milieuaspecten zorgvuldig afgewogen. Per aspect is bepaald of de ontwikkeling gevolgen heeft voor de (milieu)aspecten bedrijven- en milieuzonering, geluid, luchtkwaliteit, externe veiligheid, bodemgeschiktheid, flora en fauna, water, archeologie en cultuurhistorie.
Uit de afweging is gebleken dat er geen negatieve milieueffecten zijn te verwachten, waardoor het uitvoeren van een m.e.r.beoordeling of MER niet zinvol wordt geacht.
4.2
Niet gesprongen explosieven
Om het risico op het aantreffen van Conventionele Explosieven (CE) voorafgaande aan de werkzaamheden in te kunnen schatten, is er een vooronderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 1 bij de toelichting opgenomen. Op basis van literatuur- en archiefonderzoek en de luchtfotoanalyse blijkt dat het onderzoeksgebied van half september 1944 tot halverwege februari 1945 frontgebied is geweest. In deze periode is er geschutmunitie en infanteriemunitie achtergelaten en verschoten. Er hebben vele ruimingen van gedumpte/achtergebleven en verschoten CE plaatsgevonden in de (directe) omgeving van het onderzoeksgebied. Conform de regelgeving van het WSCS-OCE is als gevolg hiervan het gehele onderzoeksgebied aangeduid in de niet naoorlogs geroerde bodemlagen als ‘verdacht’. Zie hiervoor navolgende CE-Bodembelastingkaart:
(vastgesteld)
17
bestemmingsplan Transformatie locatie Schreven, Groesbeek
Op basis van contra-indicatieonderzoek is vastgesteld dat in de naoorlogse periode de navolgende werkzaamheden binnen en nabij het onderzoeksgebied hebben plaatsgevonden, waarbij grondroerende werkzaamheden hebben plaatsgevonden: Naoorlogse verwijdering van de spoorlijn; Asfaltering van het terrein; Bouw, verbouwing of sloop van gebouwen. ECG is echter niet bekend met de dieptes van deze naoorlogse grondroerende werkzaamheden en waar deze exact hebben plaatsgevonden. Tevens zijn gegevens omtrent maatvoering niet achterhaalbaar gebleken. Er is sprake van een feitelijk verdacht gebied. In navolgende tabel is aangegeven welke (sub)soort, hoeveelheid en de verschijningsvorm van de vermoede Conventionele Explosieven verwacht worden:
18
(vastgesteld)
bestemmingsplan Transformatie locatie Schreven, Groesbeek ECG adviseert op basis hiervan het proces van explosievenopsporing voort te zetten en contact op te nemen met een gecertificeerd opsporingsbureau om de vervolgstappen te bespreken voor de geplande werkzaamheden.
4.3
Bodem
4.3.1
Regelgeving
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in verband met de uitvoerbaarheid van een project rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat, indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). De Wet bodembescherming heeft betrekking op landbodems; waterbodems vallen onder de Waterwet. Op grond van de Woningwet en de Bouwverordening dient voor elke individuele bouwlocatie aangetoond te worden dat de bodem geschikt is voor de beoogde bebouwing, alvorens een omgevingsvergunning kan worden verleend. Bij het opstellen van een bestemmingsplan is de vraag of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en of deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Het uitgangspunt hierbij is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem en dat de bodemkwaliteit niet verslechtert door grondverzet. Dit is het zogenaamde stand still-beginsel.
Het vaststellen van de bodemkwaliteit wordt bij het opstellen/herzien van een bestemmingsplan alleen van belang geacht voor de locaties waar ontwikkelingen gepland zijn (zoals functiewijzigingen, bouwen, graven/ophogen). Bij nieuwe ontwikkelingen dient bekeken te worden of de bodemkwaliteit een belemmering op kan leveren voor de realisering hiervan. Bijna altijd is het mogelijk om bodem geschikt te maken voor het gewenste gebruik. Het is echter mogelijk dat een plan financieel onuitvoerbaar wordt, bijvoorbeeld omdat de kosten van de sanering te hoog zijn. Bij een wijziging van de bestemming of van de functie wordt een bodemonderzoek alleen noodzakelijk geacht, indien deze wijziging tevens een meer gevoelige vorm van bodemgebruik inhoudt.
4.3.2
Onderzoek
In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een actualiserend bodemonderzoek uitgevoerd. De resultaten zijn hieronder beknopt weergegeven, de volledige rapportage is als bijlage 2 bij de toelichting opgenomen. In het actualiserend bodemonderzoek zijn verontreinigingen naar voren gekomen die nog niet in het voorgaande bodemonderzoek van 2008 zijn vastgesteld. Daarvoor dient nader bodemonderzoek plaats te vinden om de omvang vast te stellen. Dit betreffen de volgende verontreinigingen: Boring 233 Op boorlocatie 233 is in de oude betonfabriek in de bodemlaag tot 1 m -mv een (zeer) sterke verontreiniging met minerale olie aangetoond. Het gemeten gehalte vormt aanleiding tot uitvoering van een nader bodemonderzoek om de omvang en daarmee ernst van de verontreiniging vast te stellen. Boring 230 Dit betreft ook de betonfabriek. Hier is een matig puin- en teerhoudende laag aangetroffen (0,25 0,8 m -mv) die matig verontreinigd is met PAK, nikkel en zink. Er is dus vooralsnog geen sterke verontreiniging aangetoond.
(vastgesteld)
19
bestemmingsplan Transformatie locatie Schreven, Groesbeek Asbest In een mengmonster van 5 boringen van onder de betonverharding is, geheel tegen de verwachting, een sterke verontreiniging met asbest aangetoond. Het betreft asbest in de fijne fractie. Om te proberen na te gaan welke boorlocatie(s) verantwoordelijk zijn voor deze verontreiniging zijn de monsterpotten die bij de boringen ten behoeve van de chemische analyses zijn gebruikt kwalitatief onderzocht op asbest. Daarbij is echter geen asbest aangetoond. Op dit moment is dus onbekend of daadwerkelijk sprake is van een verontreiniging met asbest en zo ja, waar deze zich bevindt. Nader bodemonderzoek zal dit moeten uitwijzen. Aanbevelingen Op basis van het uitgevoerde onderzoek wordt nader onderzoek aanbevolen ter plaatse van: De sterke verontreiniging met minerale olie en de matige verontreiniging met PAK, nikkel en zink in de betonfabriek (omgeving boring 233 resp. 230); De (mogelijke) verontreiniging met asbest in de grond onder de betonverharding op het westelijke terreindeel (boringen 201, 205, 214, 215 en 216). Aanbevolen wordt om dan ook te verifiëren of de verontreiniging op deellocatie B (boring 12 uit 2008) nog aanwezig is omdat deze op korte afstand in dit onderzoek (boring 206) niet is aangetoond en het bovendien een redelijk afbreekbare verontreiniging is.
Deze nadere onderzoeken zullen worden uitgevoerd na het slopen van alle bestaande bebouwing in het plangebied. 4.3.3
Conclusie
Het aspect 'bodem' vormt, na uitvoering van de sanering van voornoemde verontreinigingen, geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
4.4
Geluid
4.4.1
Regelgeving
Op basis van artikel 76 van de Wet geluidhinder (hierna: Wgh) dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of uitwerkingsplan als bedoeld in art. 3.6 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de waarden als bedoeld in art. 82 t/m 85 van de Wgh in acht te worden genomen, indien dat plan gelegen is in een zone rondom een weg als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh en (het betreffende onderdeel van) dat plan mogelijkheden biedt voor: de realisatie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen (functies zoals genoemd in art. 1 Wgh en art 1.2 Bgh - het Besluit geluidhinder zoals gewijzigd op 4 april 2012); de aanleg van een nieuwe weg en/ of een reconstructie van een bestaande weg; functiewijzigingen van een niet-geluidsgevoelige functie in een geluidsgevoelige functie (bijvoorbeeld via afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid). De onderzoekszone voor wegen zoals bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh is afhankelijk van de hoeveelheid rijbanen. Artikel 74 lid 2 Wgh regelt dat, indien de bovengenoemde ontwikkelingen zijn gelegen binnen een als 'woonerf' aangeduid gebied of in een zone nabij wegen waarvoor een maximum snelheidsregime van 30 km/u geldt, de betreffende waarden niet in acht hoeven te worden genomen.
Uit een akoestisch onderzoek moet blijken of, indien sprake is van een van de bovengenoemde ontwikkelingen binnen een zone als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh, deze binnen de waarden valt zoals deze voor diverse typen ontwikkelingen is vastgelegd in de Wgh. De grenswaarde voor de toelaatbare etmaalwaarde van de equivalente geluidbelasting van wegen binnen zones langs wegen is voor woningen 48 dB. In bijzondere gevallen is een hogere waarde mogelijk. Burgemeester en Wethouders zijn binnen de grenzen van de gemeente en onder voorwaarden bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogst toelaatbare geluidsbelasting.
20
(vastgesteld)
bestemmingsplan Transformatie locatie Schreven, Groesbeek 4.4.2
Onderzoek
Wegverkeerslawaai Omdat de beoogde nieuwe woningen niet zijn gelegen in de zone van een geluidgezoneerde weg, is akoestisch onderzoek in het kader van de Wet geluidhinder niet benodigd. Wel dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening beschouwd te worden wat het effect is van de omliggende wegen. Daarom is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. De resultaten zijn hieronder beknopt weergegeven, de volledige rapportage is als bijlage 3 bij de toelichting opgenomen. Nieuwe woningen In het onderzoek is de geluidbelasting op de geluidgevoelige bestemmingen inzichtelijk gemaakt en beoordeeld op basis van het toetsingskader en een geactualiseerd verkeersmodel voor het jaar 2031. De resultaten van het akoestisch onderzoek laten zien dat de geluidsbelasting op de nieuw te bouwen woningen maximaal 56 dB bedraagt. Er vindt dan ook geen overschrijding van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 63 dB plaats. Er gelden vanuit akoestisch oogpunt geen beperkingen voor de realisatie van de nieuwe geluidgevoelige bestemmingen. Bestaande woningen De omliggende 30 km-wegen hebben op basis van de Wgh geen zone. Formeel gelden de normen uit de Wgh dan ook niet voor 30 km-wegen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn echter bij de beoordeling van de geluidsbelastingen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB en de hoogste toelaatbare geluidsbelastingen van 63 dB gebruikt.
Deze normen gelden voor een vergelijkbare weg met een 50 km-regime. Bij 9 woningen is de toename van de geluidsbelasting meer dan 2 dB door de aanpassing van de omliggende 30 km-wegen. Bij deze woningen zou er (als er sprake zou zijn geweest van een 50 km/u regime) sprake zijn van een reconstructie in de zin van de Wgh. Aangezien de omliggende wegen echter een 30 km-regime hebben, en daarmee niet gezoneerd zijn, zijn geen maatregelen noodzakelijk in het kader van de Wgh. De optredende geluidsbelasting in 2035 is bij de 9 woningen ook dusdanig beperkt in de toekomstige situatie (2035), dat bij die woningen nog steeds sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Railverkeerslawaai De nieuwe woningen zijn niet gelegen binnen de zone van een spoorlijn. Akoestisch onderzoek naar railverkeerslawaai is derhalve niet benodigd. Industrielawaai De nieuwe woningen zijn niet gelegen binnen de zone van een geluidgezoneerd industrieterrein. Akoestisch onderzoek naar industrielawaai is derhalve niet benodigd.
4.4.3
Conclusie
Het aspect 'geluid' vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
4.5
Luchtkwaliteit
4.5.1
Regelgeving
In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' in beeld te worden gebracht. De Wet luchtkwaliteit van 15 november 2007 - inmiddels opgenomen in hoofdstuk 5, onder titel 5.2 van de Wet milieubeheer (hierna: Wm) - gaat in op luchtkwaliteitseisen. In Bijlage 2 van de Wm zijn wettelijke grenswaarden vastgelegd van onder andere de stoffen stikstofdioxide (NO 2), fijn stof (PM10), benzeen (C6H6), zwaveldioxide (SO2), lood (Pb) en koolmonoxide (CO). Projecten dienen te worden beoordeeld op basis van de voormalige Wet luchtkwaliteit c.q. artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen geen belemmering voor vergunningverlening als:
(vastgesteld)
21
bestemmingsplan Transformatie locatie Schreven, Groesbeek
er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging; een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden. In artikel 2 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is opgenomen dat een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de zogenaamde '3% grens' niet wordt overschreden. Na vaststelling van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) op 1 augustus 2009 is deze grens gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. In artikel 4 van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden.
4.5.2
Onderzoek
Een project draagt niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toenemen dan 1,2 µg/m3. In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen. In de regeling NIBM is aangegeven dat een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. De ontwikkeling van maximaal 31 nieuwe woningen in dit bestemmingsplan valt ook binnen de NIBMregeling zodat onderzoek op grond van de Wet luchtkwaliteit niet noodzakelijk is. Los hiervan heeft het plangebied in de geldende beheersverordening 'Groesbeek-Zuid' een bedrijfsbestemming. Alle voertuigbewegingen die het gevolg waren van de bedrijfsvoering ter plaatse (op basis van de maximale planologisch mogelijkheden) komen te vervallen. Het bestemmingsvlak van het bedrijf had een oppervlakte van circa 11.650 m². Op basis van CROW-publicatie 381 geldt voor arbeidsextensieve en bezoekersextensieve bedrijven een verkeersgeneratie van 3,3 – 5,0 motorvoertuigbewegingen per 100 m² bruto vloeroppervlak op een gemiddelde weekdag, uitgaande van een ligging in weinig stedelijk gebied, in de schil rondom het centrum. Dit betekent worst-case een afname van 116,5 x 3,3 = 384,5 voertuigbewegingen per etmaal.
Per saldo neemt het aantal voertuigbewegingen daarmee dus af ten opzichte van de voertuiggeneratie van 249,1 bewegingen (zie subparagraaf 4.13.1) als gevolg van de nieuwe woningen en treedt er geen verslechtering op van de luchtkwaliteit. Goede ruimtelijke ordening (NSL-monitoringstool) In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de jaargemiddelde concentraties NO 2, PM10 en PM2,5 bepaald ter hoogte van het plangebied. Met de NSL-monitoringstool zijn langs de belangrijkste toegangswegen van Groesbeek de jaargemiddelde concentraties NO 2, PM10 en PM2,5 bepaald. Daaruit blijkt dat de jaargemiddelde concentraties NO 2, PM10 en PM2,5 respectievelijk 19,7 µg/m 3, 18,4 µg/m3 en 11,5 µg/m3 bedragen. Daarmee worden de jaargemiddelde grenswaarden van 40 µg/m 3 (voor NO2 en PM10) en 25 µg/m3 (voor PM2,5) niet overschreden. Daarnaast is de trend dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten.
22
(vastgesteld)
bestemmingsplan Transformatie locatie Schreven, Groesbeek 4.5.3
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'luchtkwaliteit' geen belemmering vormt voor de onderhavige ontwikkeling.
4.6
Milieuzonering
4.6.1
Regelgeving
Wanneer ruimtelijke ontwikkelingen in de directe omgeving van inrichtingen en/of bedrijven worden gerealiseerd, zal een milieukundig onderzoek uit moeten wijzen in hoeverre er sprake is van mogelijke beperkingen ten gevolge van de aanwezige inrichtingen en of bedrijven. Maar ook andersom dient aandacht te worden besteed aan de rechten van de aanwezige inrichtingen en/of bedrijven. Het is immers niet de bedoeling dat nieuwe ontwikkelingen de huidige bedrijfsvoering in de directe omgeving zullen beperken. Voor het vaststellen van de genoemde minimale richtafstanden tussen inrichtingen en milieugevoelige functies worden in de regel de lijsten zoals deze zijn opgenomen in de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' gebruikt. Daarbij wordt o.a. gekeken naar de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar en zo nodig naar het risico op bodem- of luchtverontreiniging. Bedrijven zijn in de VNGhandreiking ingedeeld in categorieën met bijbehorende gewenste richtafstanden tot milieugevoelige functies. De categorieën geven de zwaarte van bedrijvigheid en mogelijke milieuhinder weer. De richtafstanden kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandstap worden verlaagd indien sprake is van omgevingstype gemengd gebied.
Tabel: richtafstanden VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' Bovenstaande tabel geeft een overzicht van de richtafstanden voor verschillende bedrijfscategorieën ten opzichte van een woonwijk en gemengd gebied. Indien de richtafstand niet wordt overschreden, kan verdere toetsing voor het aspect in beginsel achterwege blijven: inpassing is dan mogelijk. Indien er sprake is van een kortere afstand dan de richtafstand, is aanvullend onderzoek noodzakelijk.
(vastgesteld)
23
bestemmingsplan Transformatie locatie Schreven, Groesbeek 4.6.2
Onderzoek
In de directe omgeving van de woningbouwlocatie zijn enkele niet-woonfuncties aanwezig. In onderstaande tabel zijn de adressen en maximaal toegestane milieucategorieën van de aanwezige bedrijven weergegeven. Adres
Inrichting
Toelaatbare Maatgevende Richtafstand Feitelijke milieucategorie aspect in m* afstand in m
Kloosterstraat 29
Detailhandel voor zover n.e.g.
1
Geluid
10 (0)
31
Kloosterstraat 41
Kleine drukkerijen 2 en kopieerinrichtingen (DHD Drukkerij)
Geluid
30 (10)
21
Gooiseweg 32-36
Persoonlijke dienstverlening n.e.g.
1
Geluid
10 (0)
12
3.1
Geluid
50 (30)
47
Industrieweg 4 - 11 Diverse bedrijven en Atelierweg 1 3a
*de gereduceerde richtafstand is tussen haakjes weergegeven Tabel: overzicht relevante bedrijvigheid Op basis van de VNG-brochure is het beoogde nieuwe woongebied aan te merken als een 'rustig woongebied'. In een rustige woongebied komen naast woningen vrijwel geen andere functies voor, zoals kantoren of bedrijven. Zoals blijkt uit de bovenstaande tabel en de navolgende afbeelding reiken de richtafstanden van de inrichtingen aan de Kloosterstraat 29 en Gooiseweg 32 - 36 niet tot de bestemming 'Woongebied'. Deze inrichtingen vormen dan ook geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. De hindercontour van de bedrijven op het nabij gelegen bedrijventerrein overlappen daarentegen een klein gedeelte van het bouwvlak. Voor deze bedrijven geldt dat de woningen aan de Kloosterstraat 47 - 51 a kaderstellend zijn voor de milieuruimte. Indien de betreffende bedrijven zijn aan te merken als een inrichting (type A of type B) vallen zij onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit. In dat geval zijn de reguliere geluidsvoorschriften van het Activiteitenbesluit van toepassing. Dit houdt in dat de inrichting niet meer dan 50 dB(A) ter plaatse van de dichtstbijzijnde woning mag veroorzaken.
De gevels van de woningen aan de Kloosterstraat 47 - 51a zijn op slechts 7 m uit de inrichtingsgrens van de bedrijven gesitueerd, terwijl de woningen in het voorliggende plangebied op circa 47 m uit de inrichtingsgrens zijn gelegen. Als voor de bestaande woningen aan de Kloosterstraat een goed woonen leefklimaat kan worden gewaarborgd, kan worden aangenomen dat ter plaatse van het voorliggende plangebied evenwel sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. Hetzelfde geldt voor de drukkerij aan de Kloosterstraat 41, waarvoor een richtafstand van 30 m geldt. Aan deze richtafstand wordt niet voldaan. Echter zijn de woningen aan de Kloosterstraat 39 en 43 maatgevend voor de milieuruimte van het bedrijf. De woning aan de Kloosterstraat 43 grenst direct aan de inrichting en is derhalve kaderstellend. De bedrijfsactiviteiten van de drukkerij vinden bovendien hoofdzakelijk op het achterterrein plaats, waardoor een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het voorliggende plangebied is gewaarborgd.
4.6.3
Conclusie
Het aspect 'bedrijfsmilieuhinder' vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
24
(vastgesteld)
bestemmingsplan Transformatie locatie Schreven, Groesbeek
4.7
Externe veiligheid
4.7.1
Regelgeving
Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's die ontstaan voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen als vuurwerk, lpg en munitie over weg, water en spoor en door buisleidingen. Het beleid rondom externe veiligheid is vastgelegd in circulaires, regelingen, AMvB's en wetten. In Nederland worden twee maten gehanteerd voor externe veiligheidsrisico's, namelijk het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Bij het plaatsgebonden risico (PR) gaat het om de kans per jaar dat een denkbeeldig persoon overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen als deze persoon zich onafgebroken en onbeschermd in de nabijheid van een risicovolle inrichting of transportas bevindt. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven als een contour rondom de risicovolle inrichting of de transportas. Het groepsrisico (GR) is de cumulatieve kans dat een (werkelijk) aanwezige groep van 10, 100 of 1.000 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico moet verantwoord worden voor het gebied waarbinnen zich de gevolgen van een incident met gevaarlijke stoffen voordoen. Dit is de zogenaamde 1 %-letaliteitsgrens; de afstand vanaf een risicobedrijf waarop nog slechts 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving overlijdt bij een ongeval op het risicobedrijf (invloedsgebied).
Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein, bijvoorbeeld rondom chemische fabrieken, LPG-tankstations en spoorwegemplacementen waar goederentreinen met gevaarlijke stoffen rangeren. Het besluit is op 27 oktober 2004 in werking getreden. Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. Daarin wordt geregeld hoe een gemeente moet omgaan met risico's langs relevante buisleidingen. De hogedruk gasleidingen van Gasunie zijn het meest relevant. Op 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transport (Bevt) in werking getreden. Het Bevt verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd.
4.7.2
Onderzoek
In de directe omgeving van de planlocatie is de volgende relevante risicobron aanwezig: LPG tankstation, Herwendaalseweg 59-59a Op ruim 550 m ten zuidwesten van het plangebied ligt een LPG-tankstation aan de Herwendaalseweg 59-59a. Het invloedsgebied van het tankstation bedraagt 150 m vanuit het vulpunt en de ondergrondse tank. Geconcludeerd wordt dat het invloedsgebied van het LPG-tankstation niet tot het voorliggende plangebied reikt.
4.7.3
Conclusie
Het aspect 'externe veiligheid' vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
(vastgesteld)
25
bestemmingsplan Transformatie locatie Schreven, Groesbeek
4.8
Trillingen
4.8.1
Regelgeving
Wegverkeer kan leiden tot trillingen in gebouwen. Deze trillingen kunnen als hinderlijk ervaren worden door de personen in het gebouw of kunnen schade aan de gebouwen veroorzaken. In het kader van schade aan gebouwen en hinder voor personen in gebouwen door trillingen zijn in Nederland op dit moment geen wettelijke normen van kracht. Er zijn wel richtlijnen voor trillingen opgesteld door de Stichting Bouw Research (SBR). Uit jurisprudentie ten aanzien van vergunningverlening Wet milieubeheer is af te leiden dat deze richtlijnen beschouwd kunnen worden als de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten op het gebied van trillingen.
4.8.2
Onderzoek
Trillingen vanwege wegverkeer worden vrijwel uitsluitend veroorzaakt door zware motorvoertuigen. Vooral als de rijsnelheden boven de 30 km/u uitkomen. Op de relatief smalle Kloosterstraat, tussen de Spoorlaan en de Gooiseweg, geldt echter een snelheidsregime van 30 km/u en er rijden weinig zware motorvoertuigen. Uit het verkeersmodel 2031 blijkt dat er anno 2021 per etmaal circa 23 zware motorvoertuigen rijden. In 2031 zal sprake zijn van een kleine 40 zware motorvoertuigen per etmaal. Hiervan zijn circa 5 motorvoertuigen toe te schrijven aan de autonome groei van het verkeer (+2% per jaar). Per saldo zal er daarmee in 2031 per 2 uur gemiddeld 1 extra zwaar motorvoertuig door het deel van de Kloosterstraat tussen de Spoorlaan en de Gooiseweg rijden. Deze kleine toename acht de gemeente acceptabel. Vanwege de demping in de bodem, dempen trillingen in Groesbeek bovendien heel snel uit (exponentiele afname met de toename van de afstand van een woning tot de straat). De bodemopbouw in en om het plangebied bestaat namelijk uit een dik zandpakket, wat erg gunstig is voor het beperken van trillingen. Het aantal verkeersbewegingen van zware motorvoertuigen neemt dus weliswaar beperkt toe, maar de toename is zo laag dat er sprake blijft van een goed woon- en leefklimaat.
4.8.3
Conclusie
Het aspect 'trillingen' vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
4.9
Waterhuishouding
4.9.1
Regelgeving
Rijksbeleid Het Nationaal Waterplan 2016-2021 beschrijft de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid tot 2021, met een vooruitblik richting 2050. Het Rijk speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. Binnen de planperiode gaan realistische maatregelen in uitvoering die een antwoord bieden op de opgaven voor de korte termijn en voldoende mogelijkheden openlaten om op langere termijn verdere stappen te zetten. Om een duurzaam en klimaatbestendig watersysteem te bereiken moet het water meer bepalend zijn bij de besluitvorming over grote ruimtelijke opgaven dan voorheen. De mate van bepalendheid wordt afhankelijk gesteld van, onder meer, de omvang en de aard van de ingrepen, bestaande functies, nieuwe andere ruimteclaims en de bodemgesteldheid van een gebied.
26
(vastgesteld)
bestemmingsplan Transformatie locatie Schreven, Groesbeek Beleid waterbeheerder Op 27 november 2015 heeft het bestuur van Waterschap Rivierenland het Waterbeheerprogramma 2016 - 2021 vastgesteld, met als titel “Koers houden, kansen benutten”. Met dit programma blijft het waterschap op koers om het rivierengebied veilig te houden tegen overstromingen, om voldoende en schoon water te hebben en om het afvalwater effectief te zuiveren. Bij de uitvoering van het programma beweegt het waterschap mee met de (klimaat)veranderingen om ons heen en benut zij de kansen die zich voordoen in de regio. Het waterbeheerprogramma beschrijft wat het waterschap in de planperiode (2016 - 2021) wil bereiken en hoe zij dat willen bewerkstelligen. De drie speerpunten van het Waterbeheerprogramma zijn: Veel dijkverbeteringen: in het waterbeheerprogramma staat bescherming tegen overstromingen voorop. In de komende jaren zullen veel dijkverbeteringen in het rivierengebied plaatsvinden. Daarbij houdt het waterschap rekening met nieuwe normen voor waterveiligheid en met de belangen van de omgeving. Dijkverbeteringen worden op veel plaatsen innovatief uitgevoerd. Hierdoor kan het waterschap de overlast voor de omgeving beperken en efficiënter werken. Innovatie bij zuivering afvalwater: rioolwater is niet langer alleen maar afvalwater; het is ook een bron van nuttige energie en grondstoffen.
In het waterbeheerprogramma neemt het waterschap zich voor steeds meer technieken toe te passen om grondstoffen en energie terug te winnen uit het afvalwater. Klimaatbestendig watersysteem: het klimaatbestendig maken van het watersysteem is een van de aandachtspunten in het beheerprogramma. Watertoets In de brochure “Partners in Water” is het beleid van het waterschap Rivierenland verwoord. De brochure gaat in op de inhoud van de watertoets en behandeld de volgende thema’s: waterneutraal inrichten; schoon inrichten; veilig inrichten; bijzondere wateren en voorzieningen. Ten aanzien van het thema Waterneutraal inrichten wordt ingegaan op de benodigde waterberging bij verschillende projecten. Voor kleine projecten in stedelijk gebied is waterberging slechts in beperkte mate noodzakelijk en/of mogelijk. Tot 500 m 2 aan extra verharding geldt er voor particulieren een mogelijkheid voor een eenmalige vrijstelling. In alle andere gevallen dienen compenserende maatregelen getroffen te worden. Voor projecten tot 5.000 m 2 aan extra verharding bedraagt de compensatie 436 m2 per hectare verharding. Bij een toename groter dan 5.000 m 2 is maatwerk benodigd. Waterberging dient in principe binnen het plangebied opgelost te worden. Indien dit niet mogelijk is kan de waterberging elders binnen het peilgebied worden opgelost.