Was-wordt-tabel Wijziging Fysieke Leefomgeving
Tekst van het document
Nieuwe tekst Artikel 5:5 Kampeermiddelen en andere voertuigen 1. Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt: a. langer dan op drie achtereenvolgende dagen te plaatsen of te hebben op een binnen de bebouwde kom gelegen weg; b. op een door het college aangewezen plaats te plaatsen of te hebben, waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte of schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente; c. te plaatsen of te hebben bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of anderszins hinder of overlast wordt aangedaan. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening.
Artikel 5:9 (artikel I, onderdeel AG, van het wijzigingsbesluit) vervalt:
Bestaande tekst Artikel 5:9 Parkeren of laten stilstaan van voertuigen anders dan op de rijbaan 1. Het is verboden een voertuig te parkeren of te laten stilstaan op een door het college aangewezen, niet tot de rijbaan behorend weggedeelte. 2. Het verbod is niet van toepassing op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam.
Nieuwe tekst Artikel 5:9 (Vervallen)
Artikel 5:11 (artikel I, onderdeel AH, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 5:11 Overlast van fietsen of bromfietsen Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast of ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan.
Nieuwe tekst Artikel 5:11 Overlast van fietsen of bromfietsen 1. Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of beëindiging van overlast of ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan. 2. Het is verboden op door het college aangewezen openbare plaatsen fietsen of bromfietsen langer dan een door het college vastgestelde periode onafgebroken te laten staan (weesfietsen). 3. Het is verboden fietsen en bromfietsen, die rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en in een verwaarloosde toestand verkeren, op of aan de weg te laten staan (fietswrakken).
Artikel 5:12 (artikel I, onderdeel AI, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 5:12 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden 1. Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben. 2. Het college weigert de vergunning wegens strijd met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:9 kan de vergunning worden geweigerd als: a. de standplaats hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; of b. een kwantitatieve of territoriale beperking als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente noodzakelijk is in verband met een dwingende reden van algemeen belang. 4. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van
Nieuwe tekst Artikel 5:12 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden 1. Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben. 2. Het college weigert de vergunning wegens strijd met het omgevingsplan. 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:9 kan de vergunning worden geweigerd als: a. de standplaats hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; of b. een kwantitatieve of territoriale beperking als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente noodzakelijk is in verband met een dwingende reden van algemeen belang. 4. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen)
de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
niet van toepassing.
Artikel 5:14 (artikel I, onderdeel AJ, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 5:14 Afbakeningsbepalingen 1. Artikel 5:12, eerste lid, is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Omgevingsverordening Limburg. 2. De weigeringsgrond van artikel 5:12, derde lid, onder a, is niet van toepassing op bouwwerken.
Nieuwe tekst Artikel 5:14 Afbakeningsbepalingen 1. Artikel 5:12, eerste lid, is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening. 2. De weigeringsgrond van artikel 5:12, derde lid, onder a, is niet van toepassing op bouwwerken.
Artikel 5:30 (artikel I, onderdeel AK, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 5:30 Verbodsbepalingen reclame buitengebied 1. Binnen het gebied zoals nader aangegeven op de bij deze afdeling behorende kaart, opgenomen in bijlage 3 van deze verordening, is het verboden om ten behoeve van reclame opschriften, aankondigingen, afbeeldingen, constructies ten behoeve daarvan, of kennelijk voor reclamedoeleinden gebezigde vervoersmiddelen (verder te noemen: reclame) te plaatsen of te doen plaatsen dan wel als eigenaar of andere zakelijk gerechtigde of gebruiker van enige onroerende zaak plaatsing toe te staan. 2. Het in lid 1 vervatte verbod is niet van toepassing op reclame: a. die is aangebracht op een bedrijfsperceel voor zover deze reclame betrekking heeft op een aldaar uitgeoefend beroep, bedrijf of dienst; b. die is aangebracht op een wachtruimte bij een halteplaats voor het openbaar vervoer; c. aan of bij een onroerende zaak, waarbij deze te koop, te huur, of in pacht wordt aangeboden, voor zolang zij feitelijke betekenis heeft; d. in het inwendige deel van een onroerende zaak en niet zichtbaar van buitenaf; e.
die is geplaatst op een terrein waar een openbare wedstrijd, manifestatie, evenement of tentoonstelling wordt gehouden, welke niet behoort tot de gebruikelijke commerciële uitoefening van een beroep, bedrijf of dienst, voor zolang zij feitelijke betekenis heeft en voor zover zij niet eerder dan twee weken daaraan voorafgaand is geplaatst; f. van tijdelijke aard, voor de verkoop van seizoensgebonden agrarische producten ter
Nieuwe tekst Artikel 5:30 Verbodsbepalingen reclame buitengebied 1. Binnen het gebied zoals nader aangegeven op de bij deze afdeling behorende kaart, opgenomen in bijlage 3 van deze verordening, is het verboden om ten behoeve van reclame opschriften, aankondigingen, afbeeldingen, constructies ten behoeve daarvan, of kennelijk voor reclamedoeleinden gebezigde vervoersmiddelen (verder te noemen: reclame) te plaatsen of te doen plaatsen dan wel als eigenaar of andere zakelijk gerechtigde of gebruiker van enige onroerende zaak plaatsing toe te staan. 2. Het in lid 1 vervatte verbod is niet van toepassing op reclame: a. die is aangebracht op een bedrijfsperceel voor zover deze reclame betrekking heeft op een aldaar uitgeoefend beroep, bedrijf of dienst; b. die is aangebracht op een wachtruimte bij een halteplaats voor het openbaar vervoer; c. aan of bij een onroerende zaak, waarbij deze te koop, te huur, of in pacht wordt aangeboden, voor zolang zij feitelijke betekenis heeft; d. in het inwendige deel van een onroerende zaak en niet zichtbaar van buitenaf; e.
die is geplaatst op een terrein waar een openbare wedstrijd, manifestatie, evenement of tentoonstelling wordt gehouden, welke niet behoort tot de gebruikelijke commerciële uitoefening van een beroep, bedrijf of dienst, voor zolang zij feitelijke betekenis heeft en voor zover zij niet eerder dan twee weken daaraan voorafgaand is geplaatst; f. van tijdelijke aard, voor de verkoop van seizoensgebonden agrarische producten ter
plaatse waar deze worden gekweekt; g. die betrekking heeft op een werk in uitvoering, mits zij onmiddellijk bij het werk is geplaatst en niet langer aanwezig is dan de uitvoering van dat werk duurt; h. die is aangebracht op borden, die voldoen aan de door de overheid gestelde regels ten aanzien van bewegwijzering; i. die betrekking heeft op het openbaren van gedachten en gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid van de Grondwet; j. op borden ten behoeve van een bedrijf indien deze niet op het bedrijfsperceel worden geplaatst en indien en voor zover aan de navolgende voorwaarden wordt voldaan: het bedrijf kan geen gebruik maken van bebording in het kader van de provinciale richtlijn Handboek Toeristische Bewegwijzering; het bedrijf mag ten hoogste twee borden plaatsen; borden mogen uitsluitend verwijzen naar het bedrijf dan wel producten van het bedrijf; borden mogen uitsluitend worden geplaatst binnen een straal van 500 meter van de grens van het bedrijfsperceel zoals is vastgelegd in het bestemmingsplan; borden mogen niet in de bestemming 'Natuur', 'Bos' of daarmee vergelijkbare bestemmingen in het bestemmingsplan worden geplaatst; borden mogen niet groter zijn dan 1.00 m²; het bedrijfsperceel moet zijn gelegen in het gebied waarvoor het in lid 1 geldende verbod van toepassing is; k.
op bebording en/of aankondigen met een gezamenlijk oppervlak van ten hoogste 1.00 m² bij de oprit van een bedrijf indien en voor zover de oprit geen deel uitmaakt van het bedrijfsperceel; l. van tijdelijke aard ten behoeve van een openbare wedstrijd, manifestatie, evenement of tentoonstelling met een grootschalig karakter en als zodanig door het college erkend, voor zolang zij feitelijke betekenis heeft en voor zover zij niet eerder dan vier weken daaraan voorafgaand is geplaatst en voor zover een voor reclame gebruikt bord de omvang van 4 vierkante meter niet overstijgt. 3. Het college is bevoegd de begrenzing van de gebieden, waarvoor het in lid 1 geldende verbod van toepassing is, te wijzigen dan wel de bepalingen in lid 2 uit te breiden. 4. Indien toepassing van het bepaalde in dit artikel naar het oordeel van het college tot kennelijke onbillijkheid leidt, dan kan het college, al dan niet onder het stellen van voorwaarden, het bepaalde in lid 1 buiten toepassing verklaren.
plaatse waar deze worden gekweekt; g. die betrekking heeft op een werk in uitvoering, mits zij onmiddellijk bij het werk is geplaatst en niet langer aanwezig is dan de uitvoering van dat werk duurt; h. die is aangebracht op borden, die voldoen aan de door de overheid gestelde regels ten aanzien van bewegwijzering; i. die betrekking heeft op het openbaren van gedachten en gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid van de Grondwet; j. op borden ten behoeve van een bedrijf indien deze niet op het bedrijfsperceel worden geplaatst en indien en voor zover aan de navolgende voorwaarden wordt voldaan: het bedrijf kan geen gebruik maken van bebording in het kader van de provinciale richtlijn Handboek Toeristische Bewegwijzering; het bedrijf mag ten hoogste twee borden plaatsen; borden mogen uitsluitend verwijzen naar het bedrijf dan wel producten van het bedrijf; borden mogen uitsluitend worden geplaatst binnen een straal van 500 meter van de grens van het bedrijfsperceel zoals is vastgelegd in het omgevingsplan; borden mogen niet in de bestemming 'Natuur', 'Bos' of daarmee vergelijkbare bestemmingen in het omgevingsplan worden geplaatst; borden mogen niet groter zijn dan 1.00 m²; het bedrijfsperceel moet zijn gelegen in het gebied waarvoor het in lid 1 geldende verbod van toepassing is; k.
op bebording en/of aankondigen met een gezamenlijk oppervlak van ten hoogste 1.00 m² bij de oprit van een bedrijf indien en voor zover de oprit geen deel uitmaakt van het bedrijfsperceel; l. van tijdelijke aard ten behoeve van een openbare wedstrijd, manifestatie, evenement of tentoonstelling met een grootschalig karakter en als zodanig door het college erkend, voor zolang zij feitelijke betekenis heeft en voor zover zij niet eerder dan vier weken daaraan voorafgaand is geplaatst en voor zover een voor reclame gebruikt bord de omvang van 4 vierkante meter niet overstijgt. 3. Het college is bevoegd de begrenzing van de gebieden, waarvoor het in lid 1 geldende verbod van toepassing is, te wijzigen dan wel de bepalingen in lid 2 uit te breiden. 4. Indien toepassing van het bepaalde in dit artikel naar het oordeel van het college tot kennelijke onbillijkheid leidt, dan kan het college, al dan niet onder het stellen van voorwaarden, het bepaalde in lid 1 buiten toepassing verklaren.
Artikel 5:31 (artikel I, onderdeel AL, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd:
Bestaande tekst Artikel 5:31 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame 1. Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Activiteitenbesluit milieubeheer.
Nieuwe tekst Artikel 5:31 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame 1. Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving. 2. Het verbod is niet van toepassing in gevallen waarin een omgevingsvergunning is verleend en het gevaar en de hinder zijn betrokken bij de afweging.
Artikel 5:32 (artikel I, onderdeel AM, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 5:32 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen 1. Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan, de beheersverordening, exploitatieplan of een voorbereidingsbesluit is bestemd of mede bestemd. 2. Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein. 3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:9 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van de bescherming van: a. natuur en landschap; of b. een stadsgezicht.
Nieuwe tekst Artikel 5:32 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen 1. Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het omgevingsplan is bestemd of mede bestemd. 2. Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein. 3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:9 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van de bescherming van: a. natuur en landschap; of b. een stadsgezicht.
Artikel 5:34 (artikel I, onderdeel AN, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 5:34 Ligplaats vaartuigen 1. Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar water. 2. Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op niet krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar water: a. nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente; b. beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen. 3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Woningwet, de Wet algemene bepalingen
Nieuwe tekst Artikel 5:34 Ligplaats vaartuigen 1. Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar water. 2. Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op niet krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar water: a. nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente; b. beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen. 3. Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk
omgevingsrecht, de Wet milieubeheer, het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet, de Omgevingsverordening Limburg en afdeling 8 (Leukermeer e.o.) van dit hoofdstuk. 4. Het college kan aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente. 5. De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen.
waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door het Besluit bouwwerken leefomgeving of het overige bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet, de Wet milieubeheer, het Binnenvaartpolitiereglement en afdeling 8 (Leukermeer e.o.) van dit hoofdstuk. 4. Het college kan aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente. 5. De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen.
Artikel 5:36 (artikel I, onderdeel AO, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 5:36 Veiligheid op het water 1. Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet of de Omgevingsverordening Limburg.
Nieuwe tekst Artikel 5:36 Veiligheid op het water 1. Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de provinciale omgevingsverordening of het bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet.
Artikel 5:38 (artikel I, onderdeel AP, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 5:38 Watersportvoorzieningen 1. Het is verboden havens, aanlegsteigers, dag- en/of surfstranden, hellingen, beschoeiingen, dan wel andere watersportvoorzieningen te hebben of te houden zonder ontheffing van het college. 2. Dit verbod geldt niet voor die voorzieningen, die ingevolge een geldend bestemmingsplan als zodanig zijn aangewezen dan wel waarvoor de benodigde wettelijke medewerking ingevolge de Woningwet en/of de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en/of de Wet op de ruimtelijke ordening is verleend.
Nieuwe tekst Artikel 5:38 Watersportvoorzieningen 1. Het is verboden havens, aanlegsteigers, dag- en/of surfstranden, hellingen, beschoeiingen, dan wel andere watersportvoorzieningen te hebben of te houden zonder ontheffing van het college. 2. Dit verbod geldt niet voor die voorzieningen, die ingevolge het omgevingsplan als zodanig zijn aangewezen dan wel waarvoor de benodigde wettelijke medewerking ingevolge het Besluit bouwwerken leefomgeving of ingevolge het overige bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet is verleend.
Artikel 5:49 (artikel I, onderdeel AQ, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 5:49 Voorzieningen voor verkeer en verlichting 1. De rechthebbende op een bouwwerk is
Nieuwe tekst Artikel 5:49 Voorzieningen voor verkeer en verlichting 1. De rechthebbende op een bouwwerk is
verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet of de Belemmeringenwet Privaatrecht.
verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door hoofdstuk 10 van de Omgevingswet.
Artikel 6:2 (artikel I, onderdeel AR, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 6:2 Omgevingsvergunning gemeentelijk monument 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het college een gemeentelijk monument: a. te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen, of b. te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op: a. de uitvoering van normaal onderhoud, voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur van het monument niet wijzigen, en voor zover de aanleg van een tuin, park of andere aanleg, niet wijzigt; of b. inpandige veranderingen van het monument, voor zover het een onderdeel daarvan betreft dat vanuit het oogpunt van monumentenzorg zonder betekenis is. 3. Het college kan in het belang van de monumentenzorg nadere regels stellen met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden aan een gemeentelijk monument. Deze regels kunnen mede inhouden een vrijstelling van het verbod, bedoeld in het eerste lid, of een plicht tot het melden van handelingen bedoeld in het tweede lid.
Nieuwe tekst Artikel 6:2 Omgevingsvergunning gemeentelijk monument 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het college een gemeentelijk monument: a. te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen, of b. te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op: a. de uitvoering van normaal onderhoud, voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur van het monument niet wijzigen, en voor zover de aanleg van een tuin, park of andere aanleg, niet wijzigt; b. alleen inpandige veranderingen van een onderdeel van het monument dat uit het oogpunt van monumentenzorg geen waarde heeft; c. het binnen een monument dat als begraafplaats in gebruik is met inachtneming van de monumentale waarden: 1° plaatsen van grafmonumenten, met inbegrip van het tijdelijk verwijderen daarvan en het bijwerken van het opschrift; 2° doen van begravingen of asbijzettingen, of 3° ruimen van graven waarvan het grafmonument niet is beschermd als gemeentelijk monument. 3. Het college kan in het belang van de monumentenzorg nadere regels stellen met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden aan een gemeentelijk monument.
Deze regels kunnen mede inhouden een vrijstelling van het verbod, bedoeld in het eerste lid, of een plicht tot het melden van handelingen bedoeld in het tweede lid.
Artikel 6:3 (artikel I, onderdeel AS, van het wijzigingsbesluit) vervalt: Bestaande tekst Artikel 6:3 Intrekken van de omgevingsvergunning
Nieuwe tekst Artikel 6:3 (Vervallen)
De omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 6:2, eerste lid, kan door het college worden ingetrokken: a. als de verlening berust op onjuiste of onvolledige gegevens en de juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid; b. voor zover veranderde omstandigheden of feiten met betrekking tot de activiteit waarvoor de omgevingsvergunning is verleend, zich in overwegende mate tegen voortzetting of ongewijzigde voortzetting van die activiteit verzetten. Artikel 6:5 (artikel I, onderdeel AT, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 6:5 Voorbescherming bij voornemen tot aanwijzing 1. Deze afdeling is van overeenkomstige toepassing op het monument of archeologisch monument ten aanzien waarvan een voornemen als bedoeld in artikel 2:3, eerste lid, is bekendgemaakt. 2. De voorbescherming, bedoeld in het eerste lid, vervalt op het moment van inschrijving van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister of op het moment waarop het aanwijzingsbesluit wordt herroepen of door de bestuursrechter wordt vernietigd.
Nieuwe tekst Artikel 6:5 Voorbescherming bij voornemen tot aanwijzing 1. Deze afdeling is van overeenkomstige toepassing op het monument of archeologisch monument ten aanzien waarvan een voornemen als bedoeld in artikel 2:3, eerste lid, is bekendgemaakt. 2. De voorbescherming, bedoeld in het eerste lid, vervalt op het moment van inschrijving van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister.
Artikel 6:6 (artikel I, onderdeel AU, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 6:6 Voorbescherming bij voorlopig gemeentelijke monument Deze afdeling is van overeenkomstige toepassing vanaf het moment dat belanghebbenden schriftelijk in kennis worden gesteld van het besluit van het college tot aanwijzing van het monument of archeologisch monument als voorlopig gemeentelijk monument als bedoeld in artikel 2:7.
Nieuwe tekst Artikel 6:6 Voorbescherming bij voorlopig gemeentelijke monument Deze afdeling is van overeenkomstige toepassing vanaf het moment dat zakelijk gerechtigden schriftelijk in kennis worden gesteld van het besluit van het college tot aanwijzing van het monument of archeologisch monument als voorlopig gemeentelijk monument als bedoeld in artikel 2:7.
Afdeling 2 van hoofdstuk 6 en artikel 6:7 (artikel I, onderdeel AV, van het wijzigingsbesluit) vervallen: Bestaande tekst Afdeling 2. Rijksmonumenten Artikel 6:7 Advies omgevingsvergunning rijksmonument Het college zendt onverwijld een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om omgevingsvergunning voor een rijksmonument als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voor advies aan de adviescommissie, bedoeld in artikel 2.4, eerste lid. Artikel 2.4, tweede en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
Nieuwe tekst Afdeling 2. (Vervallen) Artikel 6:7 (Vervallen)
Artikel 6:8 (artikel I, onderdeel AW, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 6:8 Verbodsbepaling en aanvraag omgevingsvergunning 1. Het is in een gemeentelijk beschermd stadsof dorpsgezicht verboden om zonder omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, een bouwwerk te slopen. 2. De omgevingsvergunning kan in ieder geval worden geweigerd als naar het oordeel van het college niet aannemelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd. 3. De artikelen 6.3 en6.4 zijn van overeenkomstige toepassing. 4. Het eerste lid is niet van toepassing op het slopen ingevolge een verplichting als bedoeld in de artikelen 13, 13a of 13b van de Woningwet.
Nieuwe tekst Artikel 6:8 Verbodsbepaling en aanvraag omgevingsvergunning 1. Het is in een gemeentelijk beschermd stadsof dorpsgezicht verboden om zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te slopen. 2. De omgevingsvergunning kan in ieder geval worden geweigerd als naar het oordeel van het college niet aannemelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd. 3. Artikel 6:4 is van overeenkomstige toepassing. 4. Het eerste lid is niet van toepassing op het slopen ingevolge een verplichting als bedoeld in de artikelen 13, 13a of 13b van de Woningwet of ingevolge een verplichting zoals gesteld in een maatwerkvoorschrift op grond van artikel 3.5 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
Artikel 7:1 (artikel I, onderdeel AX, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 7:1 Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden
Nieuwe tekst Artikel 7:1 Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een houtopstand te vellen of te doen vellen. 2. Het verbod geldt niet voor: a. wegbeplantingen en éénrijige beplantingen op of langs landbouwgronden, beide voor zover bestaande uit niet-geknotte populieren of wilgen; b. laagstamfruitbomen en windschermen om boomgaarden; c. fijnsparren of andere coniferen niet ouder dan 12 jaar, bestemd om te dienen als kerstbomen en geteeld op daarvoor in het bijzonder bestemde terreinen; d. kweekgoed; e. houtopstand die bij wijze van dunning moet worden geveld; f. houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantgezondheidswet of krachtens een aanschrijving of last van het bevoegd gezag; g. houtopstanden waarvoor een aanlegvergunning nodig is; h. hakhout. 3. In afwijking van het eerste lid is voorts geen vergunning vereist voor het vellen of doen
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een houtopstand te vellen of te doen vellen. 2. Het verbod geldt niet voor: a. wegbeplantingen en éénrijige beplantingen op of langs landbouwgronden, beide voor zover bestaande uit niet-geknotte populieren of wilgen; b. laagstamfruitbomen en windschermen om boomgaarden; c. fijnsparren of andere coniferen niet ouder dan 12 jaar, bestemd om te dienen als kerstbomen en geteeld op daarvoor in het bijzonder bestemde terreinen; d. kweekgoed; e. houtopstand die bij wijze van dunning moet worden geveld; f. houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantgezondheidswet of krachtens een aanschrijving of last van het bevoegd gezag; g. houtopstanden waarvoor een aanlegvergunning nodig is; h. hakhout. 3. In afwijking van het eerste lid is voorts geen vergunning vereist voor het vellen of doen
vellen van een houtopstand binnen de bebouwde kom met een stamomtrek tot maximaal 80 cm, gemeten op 130 cm boven het maaiveld, met uitzondering van houtopstanden die staan in het gebied “Kobslocatie” zoals aangegeven op de bij deze verordening behorende tekening, opgenomen in bijlage 5. 4. In afwijking van het eerste lid is voorts geen vergunning vereist voor het vellen of doen vellen van een houtopstand buiten de bebouwde kom met een stamomtrek tot maximaal 80 cm, gemeten op 130 cm boven het maaiveld, voor zover deze houtopstanden zich bevinden op erven of tuinen bij woningen. 5. Het derde en vierde lid zijn niet van toepassing wanneer het een houtopstand betreft welke is aangeplant met een door het bevoegd gezag opgelegde herplantplicht. 6. Het bevoegd gezag kan een herplantplicht opleggen onder nader te stellen voorschriften. 7. Het bevoegd gezag kan toestemming geven tot direct vellen, indien sprake is van grote gevaarzetting of vergelijkbaar spoedeisend belang.
vellen van een houtopstand binnen de bebouwde kom met een stamomtrek tot maximaal 80 cm, gemeten op 130 cm boven het maaiveld, met uitzondering van houtopstanden die staan in het gebied “Bargapark” zoals aangegeven op de bij deze verordening behorende tekening, opgenomen in bijlage 5. 4. In afwijking van het eerste lid is voorts geen vergunning vereist voor het vellen of doen vellen van een houtopstand buiten de bebouwde kom met een stamomtrek tot maximaal 80 cm, gemeten op 130 cm boven het maaiveld, voor zover deze houtopstanden zich bevinden op erven of tuinen bij woningen. 5. Het derde en vierde lid zijn niet van toepassing wanneer het een houtopstand betreft welke is aangeplant met een door het bevoegd gezag opgelegde herplantplicht. 6. Het bevoegd gezag kan een herplantplicht opleggen onder nader te stellen voorschriften. 7. Het bevoegd gezag kan toestemming geven tot direct vellen, indien sprake is van grote gevaarzetting of vergelijkbaar spoedeisend belang.
Artikel 7:8 (artikel I, onderdeel AY, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 7:8 Plukverbod paddenstoelen 1. Het is verboden ter bescherming van het natuur-, landschaps-, of dorps- of stadsschoon paddenstoelen te plukken of bij zich te hebben. 2. Het verbod is niet van toepassing a. ten aanzien van door of met toestemming van de rechthebbende ter plaatse verkregen of van elders afkomstige paddenstoelen; b. als de in dit artikel bedoelde handelingen worden verricht in het kader van normale onderhoudswerkzaamheden; c. voor zover de Wet natuurbescherming van toepassing is; d. voor zover het plukken van paddenstoelen gebeurt voor educatieve doeleinden, voor inventarisatie en voor beheerswerk. 3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid.
Nieuwe tekst Artikel 7:8 Plukverbod paddenstoelen 1. Het is verboden ter bescherming van het natuur-, landschaps-, of dorps- of stadsschoon paddenstoelen te plukken of bij zich te hebben. 2. Het verbod is niet van toepassing a. ten aanzien van door of met toestemming van de rechthebbende ter plaatse verkregen of van elders afkomstige paddenstoelen; b. als de in dit artikel bedoelde handelingen worden verricht in het kader van normale onderhoudswerkzaamheden; c. voor zover het plukken van paddenstoelen gebeurt voor educatieve doeleinden, voor inventarisatie en voor beheerswerk. 3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid.
Artikel 9:3 (artikel I, onderdeel AZ, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 9:3 Overgangsbepalingen 1. Besluiten, genomen krachtens de verordeningen, genoemd in artikel 9:1, en besluiten, genomen krachtens de artikelen, genoemd in artikel 9:2, die golden op het
Nieuwe tekst Artikel 9:3 Overgangsbepalingen 1. Besluiten, genomen krachtens de verordeningen, genoemd in artikel 9:1, en besluiten, genomen krachtens de artikelen, genoemd in artikel 9:2, die golden op het
moment van inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening. 2. De krachtens de Marktverordening Bergen 2015 vastgestelde wachtlijst geldt als wachtlijst krachtens deze verordening. 3. De intrekking van de verordeningen als bedoeld in artikel 9:1 en het vervallen van de artikelen als bedoeld in artikel 9:2, heeft geen gevolgen voor de geldigheid van op basis van die verordeningen en artikelen genomen nadere regels, beleidsregels en aanwijzingsbesluiten, indien en voor zover de rechtsgrond waarop die nadere regels, beleidsregels en aanwijzingsbesluiten zijn gebaseerd ook vervat is in deze verordening en voor zover zij niet eerder zijn vervallen of ingetrokken. 4. Op aanvragen en meldingen die zijn ingediend voor de inwerkingtreding van deze verordening en waarop bij de inwerkingtreding van deze verordening nog niet is beslist, wordt met toepassing van deze verordening een beslissing genomen. 5. In afwijking van het vierde lid worden aanvragen met betrekking tot erfgoed die zijn ingediend voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze verordening, afgehandeld met inachtneming van de Erfgoedverordening gemeente Bergen 2010.
moment van inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening. 2. De krachtens de Marktverordening Bergen 2015 vastgestelde wachtlijst geldt als wachtlijst krachtens deze verordening. 3. De intrekking van de verordeningen als bedoeld in artikel 9:1 en het vervallen van de artikelen als bedoeld in artikel 9:2, heeft geen gevolgen voor de geldigheid van op basis van die verordeningen en artikelen genomen nadere regels, beleidsregels en aanwijzingsbesluiten, indien en voor zover de rechtsgrond waarop die nadere regels, beleidsregels en aanwijzingsbesluiten zijn gebaseerd ook vervat is in deze verordening en voor zover zij niet eerder zijn vervallen of ingetrokken. 4. Op aanvragen en meldingen die zijn ingediend voor de inwerkingtreding van deze verordening en waarop bij de inwerkingtreding van deze verordening nog niet is beslist, wordt met toepassing van deze verordening een beslissing genomen. 5. In afwijking van het vierde lid worden aanvragen en bezwaren met betrekking tot erfgoed die zijn ingediend voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze verordening, afgehandeld met inachtneming van de Erfgoedverordening gemeente Bergen 2010.
Bijlage 1 Begripsbepalingen, de begrippenlijst onder Algemeen (artikel I, onderdeel BA, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Algemeen bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994; bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, met inbegrip van een gedeelte daarvan, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren; bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994; college: het college van burgemeester en wethouders;
Nieuwe tekst Algemeen bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994; beperkingengebiedactiviteit: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet; bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Omgevingswet; bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet; bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994; college: het college van burgemeester en wethouders; gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving;
gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, van de Woningwet; handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen; motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn; parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht; voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen; weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994.
handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen; motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn; parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht; voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen; weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994.
Bijlage 1 Begripsbepalingen, de begrippenlijst onder Erfgoed (hoofdstuk 2, afdeling 1 t/m 4 en hoofdstuk 6) (artikel I, onderdeel BB, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Erfgoed (hoofdstuk 2, afdeling 1 t/m 4 en hoofdstuk 6) gemeentelijk beschermd cultuurgoed: cultuurgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet, dat als zodanig is aangewezen op grond van artikel 2:11, eerste lid; gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht: groep van onroerende zaken die van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang dan wel hun wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde en waarin zich één of meer monumenten bevinden, dat als zodanig is aangewezen op grond van artikel 2:9; gemeentelijk beschermde verzameling: verzameling als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet, die als zodanig is aangewezen op grond van artikel 2:11, tweede lid; gemeentelijk monument: monument of archeologisch monument als bedoeld
Nieuwe tekst Erfgoed (hoofdstuk 2, afdeling 1 t/m 4 en hoofdstuk 6) gemeentelijk beschermd cultuurgoed: cultuurgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet, dat als zodanig is aangewezen op grond van artikel 2:11, eerste lid; gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht: stads- of dorpsgezicht als bedoeld in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet dat als zodanig is aangewezen op grond van artikel 2:9; gemeentelijk beschermde verzameling: verzameling als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet, die als zodanig is aangewezen op grond van artikel 2:11, tweede lid; gemeentelijk monument: monument of archeologisch monument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet dat is ingeschreven in het gemeentelijk erfgoedregister; minister: minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
in artikel 1.1 van de Erfgoedwet dat is ingeschreven in het gemeentelijk erfgoedregister; minister: minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; omgevingsvergunning: omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
omgevingsvergunning: vergunning als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet voor een activiteit met betrekking tot een gemeentelijk monument of een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht.
Bijlage 1 Begripsbepalingen, de begrippenlijst onder Bodem (hoofdstuk 3, afdeling 1) (artikel I, onderdeel BC, van het wijzigingsbesluit) vervalt: Bestaande tekst Bodem (hoofdstuk 3, afdeling 1) bevoegd gezag: dat wat daaronder wordt verstaan in de Woningwet; NEN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut uitgegeven norm; omgevingsvergunning voor het bouwen: dat wat daaronder wordt verstaan in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
Nieuwe tekst Bodem (hoofdstuk 3, afdeling 1) (Vervallen)
Bijlage 1 Begripsbepalingen, de begrippenlijst onder Geluid en verlichting (hoofdstuk 4, afdeling 4) (artikel I, onderdeel BD, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Geluid en verlichting (hoofdstuk 4, afdeling 4) collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden; gevoelige gebouwen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1. van het Activiteitenbesluit milieubeheer; gevoelige terreinen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1. van het Activiteitenbesluit milieubeheer; houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft; incidentele festiviteit: festiviteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen; inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in de zin van artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, met dien verstande dat de artikelen 4:20 en 4:21 uitsluitend van toepassing zijn op inrichtingen type A of type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer; onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt;
Nieuwe tekst Geluid en verlichting (hoofdstuk 4, afdeling 4) Activiteitenbesluit milieubeheer: Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet; collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden; gevoelige gebouwen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1. van het Activiteitenbesluit milieubeheer; gevoelige terreinen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1. van het Activiteitenbesluit milieubeheer; houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft; incidentele festiviteit: festiviteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen; inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de
categorie ‘horeca met muziek’: inrichtingen die vallen onder het begrip ‘horecabedrijf’ en waar op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot het ten gehore brengen van muziek en het organiseren van festiviteiten is toegestaan; categorie ‘overige horeca’: inrichtingen die vallen onder het begrip ‘horecabedrijf’ en niet tot de categorie ‘horeca met muziek’ worden gerekend; categorie ‘overige bedrijven’: inrichtingen die niet vallen onder het begrip ‘horecabedrijf’; horecabedrijf: een bedrijf dat tot doel heeft het bedrijfsmatig verstrekken van nachtverblijf en/of ter plaatse nuttigen van voedsel en dranken en/of het exploiteren van een zaalaccommodatie, een en ander gepaard gaande met dienstverlening; categorie ‘sport’: inrichtingen die vallen onder de SBI-code 9261.2 behorende omschrijving zoals opgenomen in de VNG-publicatie Bedrijven en Milieuzonering (uitgave 16 april 2007).
inwerkingtreding van de Omgevingswet, met dien verstande dat de artikelen 4:20 en 4:21 uitsluitend van toepassing zijn op inrichtingen type A of type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer; onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt; categorie ‘horeca met muziek’: inrichtingen die vallen onder het begrip ‘horecabedrijf’ en waar op grond van het omgevingsplan het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot het ten gehore brengen van muziek en het organiseren van festiviteiten is toegestaan; categorie ‘overige horeca’: inrichtingen die vallen onder het begrip ‘horecabedrijf’ en niet tot de categorie ‘horeca met muziek’ worden gerekend; categorie ‘overige bedrijven’: inrichtingen die niet vallen onder het begrip ‘horecabedrijf’; horecabedrijf: een bedrijf dat tot doel heeft het bedrijfsmatig verstrekken van nachtverblijf en/of ter plaatse nuttigen van voedsel en dranken en/of het exploiteren van een zaalaccommodatie, een en ander gepaard gaande met dienstverlening; categorie ‘sport’: inrichtingen die vallen onder de SBI-code 9261.2 behorende omschrijving zoals opgenomen in de VNG-publicatie Bedrijven en Milieuzonering (uitgave 16 april 2007).
Bijlage 1 Begripsbepalingen, de begrippenlijst onder Kamperen (hoofdstuk 5, afdeling 6) (artikel I, onderdeel BE, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Kamperen (hoofdstuk 5, afdeling 6) kampeermiddel: een onderkomen of voertuig waarvoor geen omgevingsvergunning voor het bouwen in de zin van artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.
Nieuwe tekst Kamperen (hoofdstuk 5, afdeling 6) kampeermiddel: een nietgrondgebonden onderkomen of voertuig, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.
Bijlage 2 Reglement Integrale Kwaliteits Commissie (artikel I, onderdeel BF, van het wijzigingsbesluit) vervalt: Bestaande tekst Bijlagen Bijlage 2: Reglement Integrale Kwaliteits Commissie
Nieuwe tekst Bijlagen Bijlage 2: (Vervallen)
Bijlage 5 Kobs-locatie Nieuw-Bergen (artikel I, onderdeel BG, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Bijlagen Bijlage 5: Kobs-locatie Nieuw-Bergen
Nieuwe tekst Bijlagen Bijlage 5: Bargapark Nieuw-Bergen