Was-wordt-tabel Wijziging Fysieke Leefomgeving
Tekst van het document
Bijlage bij wijziging Verordening Fysieke Leefomgeving gemeente Bergen (L) 2022 Was-wordt-tabel wijziging Verordening Fysieke Leefomgeving gemeente Bergen (L) 2022 Leeswijzer In de ‘bestaande tekst’ zijn de woorden en leestekens waaraan iets verandert, cursief gezet. In de ‘nieuwe tekst’ zijn de nieuwe woorden en leestekens vet gedrukt. Artikel 1:2 (artikel I, onderdeel A, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 1:2 Toepassingsbereik Deze verordening geeft regels over aanwijzingen in de fysieke leefomgeving en regels voor activiteiten in de fysieke leefomgeving die gaan vallen onder de reikwijdte van de toekomstige Omgevingswet en die niet mogen worden opgenomen in een bestemmingsplan.
Nieuwe tekst Artikel 1:2 Toepassingsbereik Deze verordening geeft regels over aanwijzingen in de fysieke leefomgeving en regels voor activiteiten in de fysieke leefomgeving die vallen onder de reikwijdte van de Omgevingswet.
Artikel 1:4 (artikel I, onderdeel B, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 1:4 Beslistermijn 1. Het bevoegd gezag beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. 2. Het bevoegd gezag kan de termijn voor ten hoogste acht weken verdagen. 3. In afwijking van het eerste en tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing als beslist wordt op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 5:1 of artikel 7:1.
Nieuwe tekst Artikel 1:4 Beslistermijn 1. Het bevoegd gezag beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. 2. Het bevoegd gezag kan de termijn voor ten hoogste acht weken verdagen. 3. Dit artikel is niet van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning.
Artikel 1:5 (artikel I, onderdeel C, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 1:5 Voorschriften en beperkingen 1. Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. 2. Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.
Nieuwe tekst Artikel 1:5 Voorschriften en beperkingen 1. Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. 2. Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. 3. Dit artikel is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.
Artikel 1:6 (artikel I, onderdeel D, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 1:6 Persoonlijk karakter van
Nieuwe tekst Artikel 1:6 Persoonlijk karakter van
vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald.
vergunning of ontheffing 1. De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.
Artikel 1:7 (artikel I, onderdeel E, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 1:7 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing 1. De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als: a. ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; b. op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; c. de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; d. van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of e. de houder dit verzoekt. 2. Naast deze intrekkings- en wijzigingsgronden kunnen voor specifieke vergunningen of ontheffingen nog aanvullende gronden gelden.
Nieuwe tekst Artikel 1:7 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing 1. De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als: a. ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; b. op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; c. de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; d. van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of e. de houder dit verzoekt. 2. Naast deze intrekkings- en wijzigingsgronden kunnen voor specifieke vergunningen of ontheffingen nog aanvullende gronden gelden. 3. Dit artikel is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.
Afdeling 3 van hoofdstuk 1 en de artikelen 1:10, 1:11, 1:12, 1:13, 1:14, 1:15, 1:16 en 1:17 (artikel I, onderdeel F, van het wijzigingsbesluit) vervallen: Bestaande tekst Afdeling 3. Advisering Artikel 1:10 De advisering door de welstandscommissie 1. De advisering over redelijke eisen van welstand is opgedragen aan Dorp, Stad en Land, die personen voordraagt als lid van de welstandscommissie, hierna gezamenlijk te noemen: de welstandscommissie. 2. De welstandscommissie adviseert over de welstandsaspecten van aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen. 3. De welstandscommissie baseert haar advies op de in de welstandsnota genoemde welstandscriteria. Artikel 1:11 Samenstelling van de welstandscommissie 1. De welstandscommissie bestaat ten minste uit een voorzitter en drie leden, die allen
Nieuwe tekst Afdeling 3. (Vervallen) Artikel 1:10 (Vervallen) Artikel 1:11 (Vervallen) Artikel 1:12 (Vervallen) Artikel 1:13 (Vervallen) Artikel 1:14 (Vervallen) Artikel 1:15 (Vervallen)
deskundig zijn op het gebied van architectuur, ruimtelijke kwaliteit dan wel cultuurhistorie. 2. Voor de voorzitter en leden worden plaatsvervangers aangewezen die hen bij afwezigheid kunnen vervangen. 3. De welstandscommissie kan slechts adviezen uitbrengen indien ten minste twee leden aanwezig zijn, tenzij sprake is van gemandateerde behandeling als bedoeld in het Reglement Integrale Kwaliteits Commissie conform bijlage 2 van deze verordening. 4. De voorzitter en leden van de welstandscommissie zijn onafhankelijk ten opzichte van het gemeentebestuur. 5. Een van de leden van de welstandscommissie fungeert tevens als secretaris. Artikel 1:12 Benoeming en zittingsduur 1. De voorzitter en leden van de welstandscommissie en hun plaatsvervangers worden op voorstel van Dorp, Stad en Land benoemd en ontslagen door het college. 2. Het Reglement Integrale Kwaliteits Commissie dat als bijlage 2 van deze verordening is vastgesteld, bevat, binnen het gestelde in het voorgaande, nadere benoemingsprocedures. 3. De leden van de commissie blijven bij het verstrijken van de benoemingstermijn hun functie vervullen totdat in de opvolging is voorzien. 4. Het gemeentebestuur kan een tijdelijk voorziening treffen in het belang van de continuïteit van de samenstelling van de commissie.
Artikel 1:13 Jaarlijkse verantwoording De welstandscommissie stelt jaarlijks een verslag op van haar werkzaamheden voor de gemeenteraad, waarin ten minste aan de orde komt: op welke wijze toepassing is gegeven aan de welstandscriteria uit de welstandsnota; de werkwijze van de welstandscommissie; op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van vergaderen; de aard van de beoordeelde plannen; de bijzondere projecten. De welstandscommissie kan in haar jaarverslag aanbevelingen doen ten aanzien van het gemeentelijk ruimtelijk kwaliteitsbeleid in het algemeen en de aanpassing van de gemeentelijke welstandsnota in het bijzonder. Artikel 1:14 Termijn van advisering 1. De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen uit binnen vier weken nadat door of namens het college daarom is verzocht.
Artikel 1:16 (Vervallen) Artikel 1:17 (Vervallen)
2. De welstandscommissie brengt het advies, over de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen, indien deze vergunning betrekking heeft op een deel van een project of een gefaseerde aanvraag betreft, uit binnen drie weken nadat door of namens het college daarom is verzocht. 3. Het college kan in hun verzoek om advies de welstandscommissie een langere termijn dan genoemd in de bovengenoemde leden van dit artikel geven voor het uitbrengen van het welstandsadvies. Een langere termijn kan door het college worden gegeven indien de termijn van afdoening van de aanvraag is verlengd met toepassing van artikel 3.9, tweede lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Artikel 1:15 Openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting 1. De behandeling van bouwplannen door of onder verantwoordelijkheid van de welstandscommissie is openbaar. De datum van de vergadering van de welstandscommissie wordt tijdig bekendgemaakt in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huisaan-huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze. Indien het college – al dan niet op verzoek van de aanvrager – een verzoek doet tot niet-openbare behandeling, dan dient het college daaraan klemmende redenen op grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur ten grondslag te leggen. De openbaarheid geldt zowel voor de beraadslagingen, de beoordeling als de adviezen. 2.
Indien de aanvrager van de omgevingsvergunning voor bouwen hierom bij het indienen van de aanvraag om bouwvergunning heeft verzocht, wordt deze door of namens de welstandscommissie in staat gesteld tot het geven van een toelichting op het bouwplan. 3. In het geval dat het bouwplan in de vergadering van de commissie wordt behandeld en een verzoek tot het geven van een toelichting is gedaan, dient de aanvrager van de omgevingsvergunning voor bouwen een uitnodiging te ontvangen voor de vergadering van de commissie, waarin de aanvraag wordt behandeld. 4. Er is spreekrecht. Artikel 1:16 Afdoening onder verantwoordelijkheid 1. De welstandscommissie kan de advisering over een aanvraag om advies, in afwijking van artikel 1:11, onder verantwoordelijkheid van de commissie overlaten aan een of meerdere daartoe aangewezen leden. Het aangewezen lid of de aangewezen leden adviseren over bouwplannen waarvan volgens hen het oordeel van de welstandscommissie als bekend mag
worden verondersteld. 2. In geval van twijfel wordt het bouwplan alsnog voorgelegd aan de welstandscommissie. Artikel 1:17 Vorm waarin het advies wordt uitgebracht 1. De welstandscommissie adviseert en motiveert haar advies schriftelijk. 2. Zodra het advies wordt uitgebracht, wordt het door of namens het college gevoegd bij de omgevingsvergunning voor het bouwen. Artikel 2:1 (artikel I, onderdeel G, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 2:1 Gemeentelijk erfgoedregister 1. Het college houdt een door eenieder te raadplegen gemeentelijk erfgoedregister bij van krachtens deze verordening onherroepelijk aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed. 2. Het gemeentelijk erfgoedregister bevat: a. gegevens over de inschrijving en ter identificatie van het aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed; b. gegevens over door het college van de minister ontvangen afschriften van de inschrijving van een rijksmonument in het rijksmonumentenregister als bedoeld in artikel 3.3, vijfde lid, van de Erfgoedwet.
Nieuwe tekst Artikel 2:1 Gemeentelijk erfgoedregister 1. Het college houdt een door eenieder te raadplegen gemeentelijk erfgoedregister bij van krachtens deze verordening aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed inclusief de locaties waaraan krachtens artikel 4.2, eerste lid, van de Omgevingswet in het omgevingsplan de functie cultureel erfgoed is toebedeeld. 2. Het gemeentelijk erfgoedregister bevat: a. gegevens over de inschrijving en ter identificatie van het aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed; b. gegevens over door het college van de minister ontvangen afschriften van de inschrijving van een rijksmonument in het rijksmonumentenregister als bedoeld in artikel 3.3, vijfde lid, van de Erfgoedwet en instructies als bedoeld in artikel 2.34, vierde lid, van de Omgevingswet betreffende een locatie met de functieaanduiding rijksbeschermd stads- en dorpsgezicht; c. gegevens over door het college van gedeputeerde staten ontvangen instructies als bedoeld in artikel 2.33, eerste lid, van de Omgevingswet betreffende een locatie met de functieaanduiding provinciaal monument, provinciaal archeologisch monument of provinciaal beschermd stads- en dorpsgezicht.
Artikel 2:2 (artikel I, onderdeel H, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 2:2 Aanwijzing als gemeentelijk monument 1. Het college kan besluiten een monument of archeologisch monument dat van bijzonder belang is voor de gemeente vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde aan te wijzen als gemeentelijk monument. 2. Dit artikel is niet van toepassing op: a. rijksmonumenten, en
Nieuwe tekst Artikel 2:2 Aanwijzing als gemeentelijk monument 1. Het college kan besluiten een monument of archeologisch monument dat van bijzonder belang is voor de gemeente vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde aan te wijzen als gemeentelijk monument. 2. Dit artikel is niet van toepassing op: a. rijksmonumenten, en
b. monumenten en archeologische monumenten die zijn aangewezen op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet.
b. monumenten en archeologische monumenten die zijn aangewezen op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet of een omgevingsverordening als bedoeld in artikel 2.6 van de Omgevingswet.
Artikel 2:4 (artikel I, onderdeel I, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 2:4 Advies gemeentelijke adviescommissie 1. Het college vraagt over het voornemen om toepassing te geven aan artikel 2:2, eerste lid, advies aan een gemeentelijke adviescommissie waarbinnen enkele leden deskundig zijn op het gebied van de monumentenzorg. Van de adviescommissie maken geen deel uit leden van het gemeentebestuur. 2. De gemeentelijke adviescommissie betrekt in ieder geval de leden die deskundig zijn op het gebied van de monumentenzorg bij het advies. 3. De gemeentelijke adviescommissie brengt binnen acht weken na ontvangst van de adviesaanvraag schriftelijk en deugdelijk gemotiveerd advies uit.
Nieuwe tekst Artikel 2:4 Advies gemeentelijke adviescommissie 1. Het college vraagt over het voornemen om toepassing te geven aan artikel 2:2, eerste lid, advies aan een gemeentelijke adviescommissie zoals bedoeld in artikel 17.9 van de Omgevingswet en de Verordening Gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit Bergen (L). 2. De gemeentelijke adviescommissie betrekt in ieder geval de leden die deskundig zijn op het gebied van de monumentenzorg bij het advies.
Artikel 2:6 (artikel I, onderdeel J, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 2:6 Bekendmaking aanwijzingsbesluit aan rechthebbenden en inschrijving 1. De aanwijzing wordt schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet. 2. Zodra een aanwijzing onherroepelijk is geworden wordt deze onverwijld opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister.
Nieuwe tekst Artikel 2:6 Bekendmaking aanwijzingsbesluit aan rechthebbenden en inschrijving 1. De aanwijzing wordt schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet. 2. Het college verwerkt de aanwijzing direct in het gemeentelijk erfgoedregister.
Artikel 2:8 (artikel I, onderdeel K, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 2:8 Wijziging gemeentelijk erfgoedregister, vervallen aanwijzing monument 1. Het college kan ten aanzien van gemeentelijke monumenten en voorlopige gemeentelijke monumenten ambtshalve wijzigingen aanbrengen in het gemeentelijk erfgoedregister. 2. Als de wijziging ziet op het schrappen uit het register is deze afdeling van overeenkomstige toepassing, tenzij het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan. 3. Een aanwijzing vervalt met ingang van de
Nieuwe tekst Artikel 2:8 Wijziging gemeentelijk erfgoedregister, vervallen aanwijzing monument 1. Het college kan ten aanzien van gemeentelijke monumenten en voorlopige gemeentelijke monumenten wijzigingen aanbrengen in het gemeentelijk erfgoedregister. 2. Als de wijziging ziet op het schrappen uit het register is deze afdeling van overeenkomstige toepassing, tenzij het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan. 3. Een aanwijzing vervalt met ingang van de
dag waarop het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft is ingeschreven in het rijksmonumentenregister of een provinciaal erfgoedregister als bedoeld in artikel 3.17, derde lid, van de Erfgoedwet. Het vervallen van de aanwijzing wordt onverwijld bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister.
dag waarop het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft is ingeschreven in het rijksmonumentenregister of een provinciaal erfgoedregister als bedoeld in artikel 3.17, derde lid, van de Erfgoedwet of een omgevingsverordening als bedoeld in artikel 2.6 van de Omgevingswet. Het vervallen van de aanwijzing wordt onverwijld bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister.
Artikel 2:9 (artikel I, onderdeel L, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 2:9 Aanwijzing als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht 1. De gemeenteraad kan, op voorstel van het college, stads- of dorpsgezichten aanwijzen als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht. 2. Het college zendt het voorstel voor advies aan de adviescommissie, bedoeld in artikel 2.4, eerste lid. Artikel 2.4, tweede en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing. 3. De gemeenteraad beslist binnen 26 weken na verzending van het voorstel, bedoeld in het tweede lid. 4. Een aangewezen gemeentelijk stads- of dorpsgezicht wordt onverwijld opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister. 5. Dit artikel is niet van toepassing op een beschermd stads- of dorpsgezicht die zijn aangewezen op grond van artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 of een provinciale verordening als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
Nieuwe tekst Artikel 2:9 Aanwijzing als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht 1. De gemeenteraad kan, op voorstel van het college, stads- of dorpsgezichten aanwijzen als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht. 2. Het college zendt het voorstel voor advies aan de adviescommissie, bedoeld in artikel 2.4, eerste lid. Artikel 2.4, tweede en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing. 3. De gemeenteraad beslist binnen 26 weken na verzending van het voorstel, bedoeld in het tweede lid. 4. Een aangewezen gemeentelijk stads- of dorpsgezicht wordt onverwijld opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister. 5. Dit artikel is niet van toepassing op een beschermd stads- of dorpsgezicht dat via instructies de functie-aanduiding rijksbeschermd of provinciaal beschermd stads- of dorpsgezicht heeft, of dat is aangewezen op grond van artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 of een provinciale verordening als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
Artikel 2:10 (artikel I, onderdeel M, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 2:10 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht 1. De gemeenteraad kan, op voorstel van het college, een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 2.9, eerste lid, wijzigen of intrekken. Artikel 2.9, tweede en derde lid, is hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het stads- of dorpsgezicht waarop aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan. 2. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het stads- of dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft wordt aangewezen als:
Nieuwe tekst Artikel 2:10 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht 1. De gemeenteraad kan, op voorstel van het college, een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 2.9, eerste lid, wijzigen of intrekken. Artikel 2.9, tweede en derde lid, is hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het stads- of dorpsgezicht waarop aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan. 2. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het stads- of dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft wordt aangewezen als beschermd stads- of
a. beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988, of b. beschermd stads- of dorpsgezicht op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 3. Zodra de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing onherroepelijk is geworden wordt dat onverwijld bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister.
dorpsgezicht op grond van een instructie als bedoeld in artikel 2.33, eerste lid, of artikel 2.34, vierde lid, van de Omgevingswet. 3. Het college verwerkt de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing direct in het gemeentelijk erfgoedregister.
Artikel 2:11 (artikel I, onderdeel N, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 2:11 Aanwijzing als gemeentelijk beschermd cultuurgoed of gemeentelijk beschermde verzameling 1. Het college kan ambtshalve besluiten een cultuurgoed dat van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis of uitzonderlijke schoonheid is en dat als onvervangbaar en onmisbaar behoort te worden behouden voor het gemeentelijk cultuurbezit en dat in eigendom is van de gemeente of dat aan de zorg van de gemeente is toevertrouwd aan te wijzen als gemeentelijk beschermd cultuurgoed. 2. Het college kan ambtshalve besluiten een verzameling van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis, die als geheel of door een of meer van de cultuurgoederen die een wezenlijk onderdeel van de verzameling zijn, als onvervangbaar en onmisbaar behoort te worden behouden voor het gemeentelijk cultuurbezit en die in eigendom van de gemeente is of die aan de zorg van de gemeente is toevertrouwd aan te wijzen als gemeentelijk beschermde verzameling. 3. Voor de aanwijzing van een cultuurgoed dat of een verzameling die aan de zorg van de gemeente is toevertrouwd is toestemming van de eigenaar vereist. 4.
Over het voornemen van een aanwijzing, bedoeld in het eerste of tweede lid, alsmede over de vervreemding van een gemeentelijk beschermd cultuurgoed of een gemeentelijk beschermde verzameling of over het afstand doen van de zorg daarvoor vraagt het college advies aan een commissie als bedoeld in artikel 4.18 van de Erfgoedwet. 5. Dit artikel is niet van toepassing op: a. door de minister beschermde cultuurgoederen en beschermde verzamelingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet, en b. cultureel erfgoed dat is aangewezen op
Nieuwe tekst Artikel 2:11 Aanwijzing als gemeentelijk beschermd cultuurgoed of gemeentelijk beschermde verzameling 1. Het college kan besluiten een cultuurgoed dat van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis of uitzonderlijke schoonheid is en dat als onvervangbaar en onmisbaar behoort te worden behouden voor het gemeentelijk cultuurbezit en dat in eigendom is van de gemeente of dat aan de zorg van de gemeente is toevertrouwd aan te wijzen als gemeentelijk beschermd cultuurgoed. 2. Het college kan besluiten een verzameling van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis, die als geheel of door een of meer van de cultuurgoederen die een wezenlijk onderdeel van de verzameling zijn, als onvervangbaar en onmisbaar behoort te worden behouden voor het gemeentelijk cultuurbezit en die in eigendom van de gemeente is of die aan de zorg van de gemeente is toevertrouwd aan te wijzen als gemeentelijk beschermde verzameling. 3. Voor de aanwijzing van een cultuurgoed dat of een verzameling die aan de zorg van de gemeente is toevertrouwd is toestemming van de eigenaar vereist. 4.
Over het voornemen van een aanwijzing, bedoeld in het eerste of tweede lid, alsmede over de vervreemding van een gemeentelijk beschermd cultuurgoed of een gemeentelijk beschermde verzameling of over het afstand doen van de zorg daarvoor vraagt het college advies aan een commissie als bedoeld in artikel 4.18 van de Erfgoedwet. 5. Dit artikel is niet van toepassing op: a. door de minister beschermde cultuurgoederen en beschermde verzamelingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet, en b. cultureel erfgoed dat is aangewezen op grond van een provinciale erfgoedverordening
grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet. 6. Zodra een aanwijzing onherroepelijk is geworden wordt deze onverwijld opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister.
als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet. 6. Het college verwerkt de aanwijzing direct in het gemeentelijk erfgoedregister.
Artikel 2:12 (artikel I, onderdeel O, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 2:12 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk beschermd cultuurgoed of gemeentelijk beschermde verzameling 1. Het college kan een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 2:11, eerste of tweede lid, ambtshalve wijzigen of intrekken. Artikel 2:11, vierde lid, is hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het gemeentelijk beschermd cultuurgoed of de gemeentelijk beschermde verzameling waarop de aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan. 2. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het gemeentelijk beschermd cultuurgoed of de gemeentelijk beschermde verzameling waarop de aanwijzing betrekking heeft wordt aangewezen als: a. door de minister beschermd cultuurgoed of beschermde verzameling als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet, of b. beschermd cultureel erfgoed op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet. 3. Zodra de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing onherroepelijk is geworden wordt dat onverwijld bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister.
Nieuwe tekst Artikel 2:12 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk beschermd cultuurgoed of gemeentelijk beschermde verzameling 1. Het college kan een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 2:11, eerste of tweede lid, wijzigen of intrekken. Artikel 2:11, vierde lid, is hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het gemeentelijk beschermd cultuurgoed of de gemeentelijk beschermde verzameling waarop de aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan. 2. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het gemeentelijk beschermd cultuurgoed of de gemeentelijk beschermde verzameling waarop de aanwijzing betrekking heeft wordt aangewezen als: a. door de minister beschermd cultuurgoed of beschermde verzameling als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet, of b. beschermd cultureel erfgoed op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet. 3. Het college verwerkt de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing direct in het gemeentelijk erfgoedregister.
De artikelen 3:1, 3:2, 3:3 en 3:4 (artikel I, onderdeel P, van het wijzigingsbesluit) vervallen: Bestaande tekst Artikel 3:1 Bodemonderzoek 1. Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in artikel 8, vierde lid, van de Woningwet bestaat in ieder geval uit de resultaten van een recent milieuhygiënisch bodemonderzoek verricht volgens NEN 5740:2009+A1:2016 nl. Als op basis van het onderzoek aanleiding bestaat te veronderstellen dat asbest, daaronder mede begrepen asbestvezels, -deeltjes of –stof, in de bodem aanwezig is, vindt het onderzoek mede plaats op de wijze als voorzien in NEN 5707:2015 nl. 2. De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport, bedoeld in artikel 2.4 van
Nieuwe tekst Artikel 3:1 (Vervallen) Artikel 3:2 (Vervallen) Artikel 3:3 (Vervallen) Artikel 3:4 (Vervallen)
de Regeling omgevingsrecht, geldt niet als het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in de artikelen 2 of 3 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht. Deze verwijzing geldt niet voor de hoogtebepalingen in de artikelen 2 en 3 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht. 3. Het bevoegd gezag staat een geheel of gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport, bedoeld in artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht, toe als voor toepassing van artikel 3.2 bij het bevoegd gezag reeds bruikbare recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn. 4. Het bevoegd gezag kan een gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport, bedoeld in artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht, toestaan als uit het in NEN 5725, uitgave 2009, bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik en de bodemgesteldheid blijkt dat de locatie onverdacht is of dat de gerezen verdenkingen een volledig veldonderzoek volgens NEN 5740:2009+A1:2016 nl niet rechtvaardigen. 5. Als het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige bouwwerken zijn gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te vinden nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt begonnen.
Artikel 3:2 Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden gebouwd voor zover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk: a. waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven; b. voor het bouwen waarvan een omgevingsgunning voor het bouwen is vereist; en c. dat de grond raakt, of waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik niet wordt gehandhaafd. Artikel 3:3 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen In afwijking van het bepaalde in artikel 3.2 en onverminderd het bepaalde in artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht, kan het bevoegd gezag voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen, in het geval zij op grond van de Regeling omgevingsrecht bedoelde onderzoeksrapport en/of andere bij hen bekende onderzoeksresultaten dan wel op grond van het overeenkomstig het tweede lid van artikel 39 van de Wet bodembescherming
goedgekeurde saneringsplan bedoeld in artikel 39, eerste lid, van die Wet van oordeel zijn, dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan worden gemaakt. Artikel 3:4 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere voorschriften Het bevoegd gezag is bevoegd om rekening te houden met de herziening en vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en andere voorschriften waarnaar in deze afdeling wordt verwezen, indien de bevoegde instantie de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het voorschrift heeft herzien of vervangen en die herziening of vervanging heeft gepubliceerd. Artikel 3:5 (artikel I, onderdeel Q, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 3:5 Vangnet archeologie 1. Het is verboden de bodem te verstoren in een archeologisch monument of een gebied waar archeologische vondsten worden verwacht als in het daar vigerende bestemmingsplan niet is voldaan aan artikel 3.1.6, vijfde lid, van het Besluit ruimtelijke ordening, tenzij: a. voor de activiteit een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste of tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is verleend; b.
het de verstoring betreft van een archeologisch monument of verwachtingsgebied dat is aangegeven op de provinciale archeologische monumentenkaart of de landelijke indicatieve kaart van archeologische waarden en het verrichten van de activiteiten geen strijd oplevert met door het college vastgestelde regels over de toegestane mate van verstoring; c. de activiteit plaatsvindt op basis van een deugdelijke beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening wordt gehouden en onevenredige schade voor archeologische waarden wordt voorkomen, of d. met een vooronderzoek is aangetoond dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn. 2. Het college kan nadere regels stellen over het verrichten van archeologisch onderzoek.
Nieuwe tekst Artikel 3:5 Vangnet archeologie 1. Het is verboden de bodem te verstoren in een archeologisch monument of een gebied waar archeologische vondsten of waarden worden verwacht als in het daar vigerende omgevingsplan niet is voldaan aan artikel 5:130 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, tenzij: a. voor de activiteit een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste of tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet is verleend; b. het de verstoring betreft van een archeologisch monument, waarde of verwachting die is aangegeven op de gemeentelijke archeologische beleids-, waarden- of verwachtingskaart, de provinciale archeologische monumentenkaart of de landelijke indicatieve kaart van archeologische waarden en het verrichten van de activiteiten geen strijd oplevert met door het college vastgestelde regels over de toegestane mate van verstoring; c. de activiteit plaatsvindt op basis van een deugdelijke beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening wordt gehouden en onevenredige schade voor archeologische waarden wordt voorkomen, of d. met een vooronderzoek is aangetoond dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn. 2.
Het college kan nadere regels stellen over het verrichten van archeologisch onderzoek.
Artikel 3:7 (artikel I, onderdeel R, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd:
Bestaande tekst Artikel 3:7 Gebiedsaanwijzing lozingsverbod hemelwater
Nieuwe tekst Artikel 3:7 Gebiedsaanwijzing lozingsverbod hemelwater
1. Het college kan een gebied aanwijzen waarbinnen het verboden is afvloeiend hemelwater te lozen op het openbaar riool. 2. Het college houdt bij het aanwijzen van de gebieden rekening met het gemeentelijk rioleringsplan en het basisrioleringsplan. 3. Het verbod als gevolg van de gebiedsaanwijzing treedt in werking 6 maanden na de bekendmaking ervan. 4. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid, als van de eigenaar van het gebouw of het perceel redelijkerwijs geen andere wijze van afvoer van het hemelwater kan worden gevergd. Aan de ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden. 5. Op de voorbereiding van de gebiedsaanwijzing is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
1. Het college houdt bij het aanwijzen van de gebieden rekening met het gemeentelijk rioleringsplan en het basisrioleringsplan. 2. Het verbod als gevolg van de gebiedsaanwijzing treedt in werking 6 maanden na de bekendmaking ervan. 3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als gevolg van de gebiedsaanwijzing als van de eigenaar van het gebouw of het perceel redelijkerwijs geen andere wijze van afvoer van het hemelwater kan worden gevergd. Aan de ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.
Artikel 4:12 (artikel I, onderdeel S, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 4:12 Dumpingsverbod 1. Het is verboden zonder ontheffing van het college, buiten een inrichting, hinder of nadelige beïnvloeding van het milieu te veroorzaken, door een afvalstof, een stof of een voorwerp op of in de bodem te brengen, te storten, te houden, achter te laten of anderszins daar te plaatsen. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op: a. het aanbieden, overdragen of achterlaten van huishoudelijke afvalstoffen of bedrijfsafvalstoffen in overeenstemming met deze verordening; b. het composteren van huishoudelijk groente-, fruit- of tuinafval op het perceel waar dit is ontstaan; c. het laden, lossen of vervoeren van afvalstoffen, met inbegrip van daarbij niet te vermijden plaatsing van afvalstoffen, stoffen of voorwerpen op de weg, bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994; d. handelingen die zijn verboden bij of krachtens de Wet bodembescherming, de Waterwet of het Besluit bodemkwaliteit. 3. Indien de overtreder van dit artikel onbekend is, wordt de persoon tot wie de aangetroffen afvalstof, stof of voorwerp kan worden herleid, geacht te hebben gehandeld in strijd met dit artikel.
Nieuwe tekst Artikel 4:12 Dumpingsverbod 1. Het is verboden zonder ontheffing van het college, buiten een inrichting, hinder of nadelige beïnvloeding van het milieu te veroorzaken, door een afvalstof, een stof of een voorwerp op of in de bodem te brengen, te storten, te houden, achter te laten of anderszins daar te plaatsen. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op: a. het aanbieden, overdragen of achterlaten van huishoudelijke afvalstoffen of bedrijfsafvalstoffen in overeenstemming met deze verordening; b. het composteren van huishoudelijk groente-, fruit- of tuinafval op het perceel waar dit is ontstaan; c. het laden, lossen of vervoeren van afvalstoffen, met inbegrip van daarbij niet te vermijden plaatsing van afvalstoffen, stoffen of voorwerpen op de weg, bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994; d. handelingen die zijn verboden bij of krachtens de Wet bodembescherming, de Omgevingswet of het Besluit bodemkwaliteit. 3. Indien de overtreder van dit artikel onbekend is, wordt de persoon tot wie de aangetroffen afvalstof, stof of voorwerp kan worden herleid, geacht te hebben gehandeld in strijd met dit artikel.
Artikel 4:15 (artikel I, onderdeel T, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd:
Bestaande tekst Artikel 4:15 Zwerfafval rondom inrichtingen 1. Degene die een inrichting drijft waar eet- of drinkwaren worden verkocht die ter plaatse kunnen worden genuttigd, draagt zorg voor de aanwezigheid in of nabij de inrichting van een steeds voor gebruik door het publiek beschikbare en tijdig geleegde afvalbak of soortgelijk middel voor het houden van afval. 2. Degene die de inrichting drijft verwijdert zo vaak als nodig etenswaren, verpakkingen, afval of andere materialen, die kennelijk uit de inrichting afkomstig zijn of voor de inrichting zijn bestemd, binnen een straal van ten minste 25 meter van de inrichting. 3. De vorige leden gelden niet voor situaties waarin wordt voorzien door het Activiteitenbesluit milieubeheer.
Nieuwe tekst Artikel 4:15 Zwerfafval rondom inrichtingen Degene die een inrichting drijft waar eet- of drinkwaren worden verkocht die ter plaatse kunnen worden genuttigd, draagt zorg voor de aanwezigheid in of nabij de inrichting van een steeds voor gebruik door het publiek beschikbare en tijdig geleegde afvalbak of soortgelijk middel voor het houden van afval.
Artikel 4:17 (artikel I, onderdeel U, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 4:17 Geen opslag van afval in de open lucht 1. Het is verboden afvalstoffen op een voor het publiek waarneembare plaats in de open lucht en buiten een inrichting als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer op te slaan of opgeslagen te hebben, anders dan door het in overeenstemming met afdeling 1 van dit hoofdstuk aanbieden, achterlaten of overdragen van huishoudelijke afvalstoffen. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid.
Nieuwe tekst Artikel 4:17 Geen opslag van afval in de open lucht 1. Het is verboden afvalstoffen op een voor het publiek waarneembare plaats in de open lucht op te slaan of opgeslagen te hebben, anders dan door het in overeenstemming met afdeling 1 van dit hoofdstuk aanbieden, achterlaten of overdragen van huishoudelijke afvalstoffen. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid.
Artikel 4:18 (artikel I, onderdeel V, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 4:18 Ontdoen van autowrakken Het is verboden zich te ontdoen van een autowrak dat afkomstig is van een perceel, anders dan door afgifte aan een inrichting als bedoeld in artikel 6 van het Besluit beheer autowrakken.
Nieuwe tekst Artikel 4:18 Ontdoen van autowrakken Het is verboden zich te ontdoen van een autowrak dat afkomstig is van een perceel, anders dan door afgifte aan de houder van een omgevingsvergunning voor het demonteren van autowrakken of wrakken van tweewielige motorvoertuigen.
Artikel 4:19 (artikel I, onderdelen W en X, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 4:19 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken 1. Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben. 2. Mits geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving, is het verbod niet van toepassing op:
Nieuwe tekst [vanaf 31 december 2023: Artikel 4:19 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken 1. Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben. 2. Mits geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving, is het verbod niet
a. verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke; b. sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, voor zover geen afvalstoffen worden verbrand; c. vuur voor koken, bakken en braden. 3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:9 van deze verordening kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna. 5. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1˚ of 3˚, van het Wetboek van Strafrecht of de Omgevingsverordening Limburg. 6. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt daarnaast niet voor zover het betreft: a. verbranding van snoeihout; b. verbranding van hout in geval van besmettelijke ziekten waardoor vervoer niet mogelijk is; c. kampvuren; d. Sint Maartensvuren; Mits voldaan wordt aan door het college vast te stellen nadere regels.
van toepassing op: a. verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke; b. sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, voor zover geen afvalstoffen worden verbrand; c. vuur voor koken, bakken en braden. 3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:9 van deze verordening kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna. 5. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1˚ of 3˚, van het Wetboek van Strafrecht of de Omgevingsverordening Limburg. 6. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt daarnaast niet voor zover het betreft: a. verbranding van hout in geval van besmettelijke ziekten waardoor vervoer niet mogelijk is; b. kampvuren; c. Sint Maartensvuren; Mits voldaan wordt aan door het college vast te stellen nadere regels.] [vanaf datum inwerkingtreding Omgevingswet: Artikel 4:19 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken 1. Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben. 2. Mits geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving, is het verbod niet van toepassing op: a.
verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke; b. sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, voor zover geen afvalstoffen worden verbrand; c. vuur voor koken, bakken en braden. 3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:9 van deze verordening kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna. 5. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1˚ of 3˚, van het Wetboek van Strafrecht of de provinciale omgevingsverordening. 6. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt daarnaast niet voor zover het betreft:
a. verbranding van hout in geval van besmettelijke ziekten waardoor vervoer niet mogelijk is; b. kampvuren; c. Sint Maartensvuren; Mits voldaan wordt aan door het college vast te stellen nadere regels.] Artikel 4:22 (artikel I, onderdeel Y, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 4:22 Overige geluidhinder 1. Het is verboden buiten een inrichting op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit, het Activiteitenbesluit milieubeheer, het Bouwbesluit 2012 of de Omgevingsverordening Limburg.
Nieuwe tekst Artikel 4:22 Overige geluidhinder 1. Het is verboden buiten een inrichting op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de provinciale omgevingsverordening.
Artikel 4:23 (artikel I, onderdeel Z, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 4:23 Crossterreinen 1. Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben. 2. Het verbod is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van: a. het voorkomen of beperken van overlast; b. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden; c. de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek. 3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, het Besluit omgevingsrecht, de Zondagswet of het Besluit geluidproduktie sportmotoren.
Nieuwe tekst Artikel 4:23 Crossterreinen 1. Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben. 2. Het verbod is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van: a. het voorkomen of beperken van overlast; b. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden; c. de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek. 3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingswet, afdeling 3.9 van het Besluit activiteiten leefomgeving, de Zondagswet of het Besluit geluidproduktie sportmotoren.
Artikel 4:24 (artikel I, onderdeel AA, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 4:24 Beperking verkeer in natuurgebieden 1. Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig, een bromfiets, een fiets of een paard. 2. Het verbod is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van: a. het voorkomen van overlast; b. de bescherming van natuur- of milieuwaarden; c. de veiligheid van het publiek. 3. Het verbod is niet van toepassing op motorvoertuigen, bromfietsen, fietsen en paarden: a. ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de bevoegde minister aangewezen hulpverleningsdiensten; b. die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld; c. die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd; d. van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste lid bedoeld; e. voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen. 4. Het verbod is voorts niet van toepassing: a.
op wegen die gelegen zijn binnen de in het eerste lid bedoelde gebieden of terreinen; b. binnen de bij of krachtens de Omgevingsverordening Limburg aangewezen stiltegebieden ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als toestel. 5. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.
Artikel 4:24 Beperking verkeer in natuurgebieden 1. Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig, een bromfiets, een fiets of een paard. 2. Het verbod is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van: a. het voorkomen van overlast; b. de bescherming van natuur- of milieuwaarden; c. de veiligheid van het publiek. 3. Het verbod is niet van toepassing op motorvoertuigen, bromfietsen, fietsen en paarden: a. ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de bevoegde minister aangewezen hulpverleningsdiensten; b. die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld; c. die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd; d. van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste lid bedoeld; e. voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen. 4. Het verbod is voorts niet van toepassing: a.
op wegen die gelegen zijn binnen de in het eerste lid bedoelde gebieden of terreinen; b. binnen de bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening aangewezen stiltegebieden ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als toestel. 5. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.
Artikel 5:1 (artikel I, onderdeel AB, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 5:1 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegd gezag een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. 2. De vergunning wordt verleend als
Nieuwe tekst Artikel 5:1 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegd gezag een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. 2. Het verbod is niet van toepassing voor zover
omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, als de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. 3. Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht. 4. Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wegenwet, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de waterschapskeur, de Omgevingsverordening Limburg, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Algemene verordening ondergrondse infrastructuren Bergen (AVOI). 5. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht. 3. Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Wegenwet, het Wetboek van Strafrecht of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.
Artikel 5:2 (artikel I, onderdelen AC en AD, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 5:2 Maken of veranderen van een uitweg 1. Het is verboden een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg als: a. daarvan niet van tevoren melding is gedaan aan het college, onder indiening van een situatieschets van de gewenste uitweg en een foto van de bestaande situatie; of b. het college het maken of veranderen van de uitweg heeft verboden. 2. Het college verbiedt het maken of veranderen van de uitweg als: a. daardoor het verkeer op de weg in gevaar wordt gebracht; b. dat zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats; c. het openbaar groen daardoor op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of d. er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen. 3. Op het in lid 2 genoemde verbod is het Beleidskader uitwegen van de gemeente Bergen (L) van toepassing, dat een nadere uitwerking bevat van de in lid 2 genoemde weigeringsgronden. Indien niet wordt voldaan aan de bij deze weigeringsgronden behorende in het beleidskader genoemde voorwaarden, kan de uitweg worden verboden. 4.
De uitweg kan worden aangelegd als het college niet binnen zes weken na ontvangst van de melding heeft beslist dat de gewenste uitweg wordt verboden. 5. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet
Nieuwe tekst [vanaf 31 december 2023: Artikel 5:2 Maken of veranderen van een uitweg 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg. 2. De vergunning wordt geweigerd als: a. daardoor het verkeer op de weg in gevaar wordt gebracht; b. dat zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats; c. het openbaar groen daardoor op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of d. er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen. 3. Op de in lid 2 genoemde weigeringsgronden is het Beleidskader uitwegen van de gemeente Bergen (L) van toepassing, dat een nadere uitwerking bevat van de in lid 2 genoemde weigeringsgronden. Indien niet wordt voldaan aan de bij deze weigeringsgronden behorende in het beleidskader genoemde voorwaarden, kan de vergunning worden geweigerd. 4. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, de Keur waterschap Limburg 2019 of de Omgevingsverordening Limburg.] [vanaf datum inwerkingtreding
beheer Rijkswaterstaatswerken, de Keur waterschap Limburg 2019 of de Omgevingsverordening Limburg.
Omgevingswet: 4. Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening.]
Artikel 5:4 (artikel I, onderdeel AE, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 5:4 Voertuigwrakken 1. Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer.
Nieuwe tekst Artikel 5:4 Voertuigwrakken 1. Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Wet milieubeheer of het Besluit activiteiten leefomgeving.
Artikel 5:5 (artikel I, onderdeel AF, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 5:5 Kampeermiddelen en andere voertuigen 1. Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt: a. langer dan op drie achtereenvolgende dagen te plaatsen of te hebben op een binnen de bebouwde kom gelegen weg; b. op een door het college aangewezen plaats te plaatsen of te hebben, waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte of schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente; c. te plaatsen of te hebben bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of anderszins hinder of overlast wordt aangedaan. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingsverordening Limburg.