CConstaterende datBergen
Koppel je AI →
Document · PDF

VA Toelichting en regels vast te stellen BP Moleneind 2a

Gemeenteraad 12 mei 2026, gemeente BergenBij agendapunt: Voorstel tot het gewijzigd vaststellen van het bestemmingsplan Moleneind 2a Well;21.319 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Voor de risico’s als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen over de N271 kan ingevolge artikel 7 en 8 van het Besluit externe veiligheid transportroute volstaan worden met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Beperkte verantwoording groepsrisico Bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, zal de brandweer inzetten op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen.

30

bestemmingsplan "Moleneind 2a" (vastgesteld)

bestemmingsplan Moleneind 2a

Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij het genoemde incidentscenario is het advies om te schuilen in een gebouw en de ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten. In het plangebied zijn voldoende mogelijkheden aanwezig om dit advies tijdig op te volgen. De toekomstige bewoners zullen zelf redzaam zijn. Er is in het plangebied geen sprake van het realiseren van een (beperkt) kwetsbaar object. Gelet op de hiervoor genoemde overwegingen zijn er voldoende mogelijkheden voor de zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid bij een zwaar ongeval op deze transportroute. Dit betekent dat geen nadere eisen aan het plan gesteld hoeven te worden in het kader van het aspect externe veiligheid. Advies veiligheidsregio Er heeft inmiddels ook afstemming plaatsgevonden met de Veiligheidsregio Limburg-Noord (zie bijlage 7). Hieruit komen aandachtspunten naar voren op het gebied van bluswater (aanleg primaire blusvoorziening) en bereikbaarheid (opstelplaats, keermogelijkheid en breedte & vrije hoogte toegangsweg).

Dit betreffen echter uitvoeringsaspecten die maakbaar zijn en bij de verdere uitwerking van de plannen mee zullen worden genomen richting de omgevingsvergunningaanvraag voor bouwen. De nadere uitwerking van het aspect externe veiligheid is al in deze paragraaf opgenomen (zie beperkte verantwoording groepsrisico). Het aspect 'externe veiligheid' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.8

Waterhuishouding

4.8.1

Regelgeving

De laatste jaren heeft het waterbeleid een wezenlijk andere oriëntatie gekregen, namelijk van reageren naar anticiperen. In ruimtelijke plannen moet steeds meer aandacht besteed worden aan waterhuishoudkundige aspecten. Daarbij staan naast een duurzaam waterbeheer de integrale afweging en het creëren van maatwerk voorop. Water moet altijd bekeken worden in het licht van het watersysteem of stroomgebied waarin een stad of een dorp ligt. Een goede afstemming van waterbeleid (kwantitatieve en kwalitatieve eigenschappen) en ruimtelijke ordening, ook in het direct aangrenzende gebied, is daarom noodzakelijk. Beleid Waterschap Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn de Verordening Fysieke Leefomgeving gemeente Bergen (L) 2022, het gemeentelijk rioleringsplan (GRP) 2020 – 2025, het Waterbeheerprogramma 2022 - 2027 van Waterschap Limburg, de Omgevingsverordening Limburg (2021), het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het (stads)landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend:  vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit);  voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit).

Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering relevant. Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de driestapsstrategieën. Gemeentelijk beleid Door de gevolgen van klimaatveranderingen wordt de gemeente Bergen kwetsbaarder voor verdroging, extreme hitte en extreme neerslag. In 2020 is het GRP Bergen (L) 2020 - 2025 vastgesteld waarin staat dat in de gemeente Bergen een natuurlijk en klimaatbestendig watersysteem willen creëren. Regenwater vasthouden en een impuls zijn belangrijke uitgangspunten hierbij. Dit beleid is ook verankerd in de gemeentelijke 'Verordening Fysieke leefomgeving gemeente Bergen (L) 2022'. Om wateroverlast door extreme neerslag te voorkomen en verdroging tegen te gaan is het van belang dat zowel op particulier terrein als in openbaar gebied voldoende waterberging wordt gerealiseerd. In de verordening zijn hiervoor concrete regels opgenomen.

bestemmingsplan "Moleneind 2a" (vastgesteld)

31

bestemmingsplan Moleneind 2a

4.8.2

Doorvertaling bestemmingsplan

Huidige situatie Bestaande situatie bebouwing en verhard oppervlak In de bestaande situatie bevindt er zich één gebouw in het plangebied van circa 240 m². Daarnaast loopt er een verhard pad richting het gebouw en is er een (deels overgroeid) verhard parkeerterrein aanwezig. Ligging van beschermingszones, reserveringsgebieden Op basis van het Omgevingsverordening Limburg blijkt dat het plangebied niet is gelegen binnen een waterwingebied, grondwaterbeschermingsgebied of boringsvrije zone. Vanuit grondwaterkwaliteit zijn er dan ook geen belemmeringen. Huidige verwerking hemelwater Volgens de indicatieve kaarten van het Waterschap Limburg is de doorlatendheid voor hemelwater ter plaatse zeer goed, met 1,5 tot 10,0 m per dag. Het hemelwater zal ter plaatse goed kunnen infiltreren. Huidige verwerking afvalwater en waterkwaliteit Er vindt verwerking van afvalwater plaats in de huidige situatie. Aanwezig oppervlaktewater In het plangebied en de directe omgeving is geen primair oppervlaktewater aanwezig. In de toekomst zal hier ook niet in voorzien worden. Grondwaterstanden en maaiveldhoogte Op basis van de kaarten behorende bij het Basisregistratie Ondergrond (BRO) is het plangebied aangewezen als Duinvaaggronden; grof zand. De gemiddelde diepte van de grondwaterspiegel is gelegen op meer dan 5,0 m onder het maaiveld.

De bestaande maaiveldhoogte ligt volgens het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) op circa 20,0 à 22,5 m +NAP. Toekomstige situatie en waterbergingsopgave Planbeschrijving In paragraaf 2.2 is de beoogde uitwerking weergegeven van het nieuwe woongebouw, ter plaatse van de bestaande (te slopen) bebouwing. Dit betreft een uitwerking op hoofdlijnen. Ontwerp nieuw watersysteem Hemelwater Wat betreft hemelwater streeft de gemeente Bergen ernaar om bij nieuwbouw en herstructurering regenwater volledig af te koppelen en zoveel mogelijk binnen het plangebied te verwerken conform de Verordening Fysieke Leefomgeving gemeente Bergen (L) 2022 en het gemeentelijk rioleringsplan 2020 – 2025. Worst-case wordt ervan uitgegaan dat alle terreinverharding voor parkeren in het plangebied nieuw is en daarnaast vindt er een uitbreiding van het bebouwd oppervlak plaats (van circa 245 m² naar maximaal 440 m² (= 100 % van het toekomstige bouwvlak). Voor de toename aan verhard oppervlak wordt uitgegaan van 95 m² terreinverharding en 220 m² aan extra bebouwing. In totaal dus 315 m² aan extra verhard oppervlak dat niet aangesloten wordt op de riolering (afgekoppeld). Gezien de hoeveelheid extra verhard oppervlak zal er een infiltratievoorziening gerealiseerd moeten worden met een capaciteit van 18,9 m³ (315 m² x 60 mm).

De bergingsvoorziening moet binnen 24 uur na de neerslaggebeurtenis opnieuw beschikbaar zijn voor waterberging. Er is een voorwaardelijke verplichting in de regels opgenomen (zie sublid 4.2.3), dat voorzien moet worden in voldoende waterbergingscapaciteit. Afvalwater Het afvalwater van de 12 appartementen zal worden geloosd op de riolering. De huidige aansluiting loopt op dit moment door de tuin van één van de achterburen. Deze oplossing heeft bij de nieuwe ontwikkeling niet onze voorkeur en qua capaciteit is het ook nog de vraag of deze zal volstaan. Daarom zal er een nieuwe riolering worden aangelegd richting de N271. De bestaande riolering zal worden verwijderd.

32

bestemmingsplan "Moleneind 2a" (vastgesteld)

bestemmingsplan Moleneind 2a

Er wordt uitgegaan van gemiddeld 129 l afvalwater per dag per persoon (bron: Vewin). Indien wordt uitgegaan 2,13 personen per woning (= gemiddelde huishoudgrootte in Nederland in 2022) zal er per dag circa 3,3 m³ afvalwater worden geloosd op het bestaande rioleringsstelsel ter plaatse Met het aansluiten van het nieuwe woongebouw moet voldaan worden aan de uitgangspunten uit het GRP Bergen (L) 2020 - 2025 uit 2019 en conform Afdeling 3 van de Verordening Fysieke Leefomgeving gemeente Bergen (L) 2022. Grondwater De beoogde ontwikkeling is niet van wezenlijke invloed op de grondwaterstand in het plangebied. Waterkwaliteit en beheer Het hemelwater dat terecht komt op de bebouwing en verharding wordt beschouwd als schoon wanneer geen uitlogende bouwmaterialen gebruikt worden. Daarom mogen er uitsluitend nietuitlogende bouwmaterialen gebruikt voor het nieuwe woongebouw. Het aspect 'waterhuishouding' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.9

Ecologie

4.9.1

Regelgeving

In 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze wet vervangt drie oude wetten: de Natuurbeschermingswet 1998 (gebiedsbescherming: Natura 2000), de Flora- en faunawet (soortenbescherming) en de Boswet (kapvergunningen). Soortenbescherming Voor ruimtelijke ingrepen die resulteren in overtreding van één of meer artikelen van de Wnb moet ontheffing worden aangevraagd. Voor een aantal soorten geldt daarenboven het beschermingsregime van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Voor werkzaamheden die uit een bestemmingsplan voortvloeien moet voor de start van die werkzaamheden ontheffing worden aangevraagd indien beschermde soorten voorkomen. Bij de vaststelling van het plan moet duidelijk zijn of en in hoeverre een ontheffing kan worden verkregen. Voor alle in de wet genoemde diersoorten (inclusief vogels) geldt dat het verboden is individuen van deze soorten (opzettelijk) te doden of te vangen. Bovendien is het verboden nesten (en eieren) en (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen dan wel weg te nemen. Voor de in de wet genoemde plantensoorten geldt dat het verboden is exemplaren in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. In de Wnb worden drie beschermingsregimes onderscheiden voor beschermde soorten.

Voor de eerste twee regimes gelden aanvullende verbodsbepalingen. 1. Het beschermingsregime Vogelrichtlijn (Vrl), dat van toepassing is op van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vrl. Met betrekking tot deze vogelsoorten geldt dat het - aanvullend aan de bovengenoemde verbodsbepalingen - verboden is vogels opzettelijk te storen, behalve als de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Ruimtelijke inrichting of ontwikkeling en dwingende redenen van groot openbaar belang zijn geen reden om ontheffing te verlenen. Ontheffing is uitsluitend toegestaan op basis van de ontheffingsgronden die in de Vrl zijn genoemd. Overigens is het, indien geen ontheffing nodig is, volgens de huidige interpretatie van de wet wel verplicht rekening te houden met het broedseizoen van vogels. Voor sommige vogelsoorten met vaste verblijfplaatsen geldt dat deze vaste verblijfplaatsen en het essentiële leefgebied jaarrond beschermd zijn.

bestemmingsplan "Moleneind 2a" (vastgesteld)

33

bestemmingsplan Moleneind 2a

2. Het beschermingsregime Habitatrichtlijn (Hrl), dat van toepassing is op soorten van bijlage IV bij de Hrl, bijlage I en II bij het Verdrag van Bern en bijlage I bij het Verdrag van Bonn. Met betrekking tot deze soorten is het - aanvullend aan de bovengenoemde verbodsbepalingen verboden dieren opzettelijk te verstoren. Ontheffing wordt voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling alleen verleend indien: a. er geen andere bevredigende oplossing is, en b. geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort, en c. sprake is van één van de volgende (bij ruimtelijke ontwikkeling relevante) belangen:  de bescherming van wilde flora en fauna of natuurlijke habitats, of  de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en voor het milieu wezenlijk gunstige effecten. 3. Het beschermingsregime Andere Soorten, dat van toepassing is op soorten van de bijlage behorende bij artikel 3.10 van de Wnb. Ontheffing is alleen mogelijk indien: a. er geen andere bevredigende oplossing is, en b. indien geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort. Er is echter geen ontheffing nodig indien gewerkt wordt volgens een geldige gedragscode die van toepassing is op de betreffende soort(en).

Vaak is daarnaast ecologische begeleiding en een ecologisch werkprotocol nodig bij de uitvoering van werkzaamheden. De provincies kunnen voor het beschermingsregime Andere Soorten een algemene vrijstelling verlenen voor onder meer ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. In het plangebied is de provincie Gelderland het bevoegd gezag voor de Wnb. Indien nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van soorten niet (kunnen) worden ontzien, is ontheffing noodzakelijk. Ontheffing is niet benodigd indien de functionaliteit van de nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen gegarandeerd wordt (het beschadigen en vernielen wordt voorkomen door maatregelen of er zijn voldoende alternatieven). Ten slotte is altijd de algemene zorgplicht van toepassing, die inhoudt dat een ieder voldoende zorg in acht neemt voor alle inheemse dieren en planten en hun directe leefomgeving (artikel 1.11 van de Wnb). Concreet betekent dit dat bij ruimtelijke ontwikkeling gezorgd moet worden dat dieren niet gedood worden en dat planten verplant worden. Ook moet gelet worden op bijvoorbeeld de voortplantingsperiode van amfibieën en de zoogperiode van zoogdieren. Gebiedsbescherming De Wnb ziet op de bescherming van Natura 2000-gebieden (Vrl- en Hrl-gebieden). Voor ieder Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld voor één of meerdere soorten en/of habitats.

Voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen de Natura 2000-gebieden en tevens voor ontwikkelingen daarbuiten die van invloed kunnen zijn (door 'externe werking') op die beschermde natuurgebieden, gelden (strenge) restricties. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Middels een 'habitattoets' moet worden onderzocht of een activiteit (significante) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000gebieden veroorzaakt. De uitkomsten van de habitattoets moeten worden beoordeeld door het bevoegd gezag. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden (de voormalige Ecologische Hoofdstructuur / EHS). Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het doel van het NNN is de instandhouding en ontwikkeling van natuurgebieden om daarmee een groot aantal soorten en ecosystemen te laten voortbestaan. Sinds 2014 zijn de provincies het eerste verantwoordelijke bevoegde gezag voor het NNN (daarvoor was dat de rijksoverheid). De provincies hebben in een verordening regelgeving vastgelegd ten aanzien van het NNN. 4.9.2

Doorvertaling bestemmingsplan

Er is een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd voor het plangebied. De rapportage van dit onderzoek is als bijlage 4 bij de toelichting gevoegd.

34

bestemmingsplan "Moleneind 2a" (vastgesteld)

bestemmingsplan Moleneind 2a

Soortenbescherming De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Er zijn geen kapwerkzaamheden voorzien. Er moeten enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de algemene zorgplicht, foeragerende vleermuizen, rugstreeppadden en algemene broedvogels. Voorafgaand aan de werkzaamheden moet met aanvullend onderzoek worden vastgesteld of de te slopen bebouwing een relevante functie heeft voor vleermuizen en steenmarter (soortenbescherming). Aanvullend onderzoek naar de steenmarter is niet nodig indien de werkzaamheden worden gestart in de vrijgestelde periode van de steenmarter (15 augustus tot en met februari). Om geen aanvullend onderzoek te hoeven uitvoeren naar de steenmarter, zal bij de start van de uitvoeringswerkzaamheden rekening worden gehouden met deze periode. Ook zal er een alternatieve verblijfplaats worden gerealiseerd voor de steenmarter (zie hierna onder de kop 'aanvullend onderzoek'). Te treffen maatregelen  Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht). Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, moet direct contact opgenomen worden met een ter zake deskundige.

 Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig het plangebied te verlaten.  Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden.  Het plangebied tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel).  Voor rugstreeppad moet het terrein gedurende de ontwikkeling ongeschikt gehouden worden (bijv. aanbrengen puinbed, voorkomen ontstaan puinhopen, egaliseren terrein e.d.) en/of ontoegankelijk gemaakt te worden voor de soort gedurende de bouwwerkzaamheden. Het ontoegankelijk maken moet bij voorkeur voor de migratie- en voortplantingsperiode plaatsvinden. Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van 50 cm hoog en minimaal 10 cm ingegraven in de grond.

De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie ten allen tijden kunnen vervullen. Zie voor meer instructies bijlage 3 van het onderzoek.  De sloopwerkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen moet voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd worden of er broedvogels aanwezig zijn. Uit het aanvullend onderzoek (zie bijlage 5 voor de rapportage van het onderzoek) blijkt dat er één zomerverblijfplaats van de gewone grootoorvleermuis is vastgesteld. Tijdens het onderzoek is tevens gelet op aanwijzingen van aanwezigheid van soorten op de planlocatie die vallen onder de Specifieke zorgplicht. Dit betreffen VR art. 4.2 en bijlage 1-soorten, Rode Lijst-soorten, HR-bijlage II, IV en V soorten en nationaal beschermde soorten. Tijdens de uitgevoerde onderzoeken is een verblijfplaats van de steenmarter aangetroffen die valt onder de Specifieke zorgplicht.

De soort is in de provincie Limburg vrijgesteld tussen 15 augustus en 1 februari. Dit betekent dat sloopwerkzaamheden moeten worden opgestart in deze periode. De zorgplicht is echter wel van toepassing. Dit betekent dat het opzettelijk vangen en doden van de vrijgestelde diersoorten zoveel mogelijk voorkomen moet worden. Aangezien er in de directe omgeving geen vergelijkbare verblijfplaatsen aanwezig zijn, moet er voor de steenmarter een alternatieve (permanente) verblijfplaats worden gerealiseerd alvorens de bebouwing wordt gesloopt. Voor de uitvoering van de ingreep is een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit nodig (tabel 4.1) vanwege het wegnemen van de zomerverblijfplaats van de grootoorvleermuis. Er is daarom in

bestemmingsplan "Moleneind 2a" (vastgesteld)

35

bestemmingsplan Moleneind 2a

het kader van de vergunningverlening een mitigatieplan ten behoeve van de aanvraag tot omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit opgesteld en een aanvraag omgevingsvergunning gedaan. Inmiddels is de omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit ook verleend (zie bijlage 6). Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, maar is wel onderdeel van de Goudgroene natuurzone. De beoogde werkzaamheden zullen echter niet leiden tot aantasting van de kernkwaliteiten van dit gebied. Bovendien zal in de toekomstige situatie een groot deel van het plangebied ter bescherming van de aanwezige natuurwaarden voorzien van de bestemming 'Natuur'. Gelet op de aard en omvang van de activiteiten die dit plan toelaat, de afstand tot voor stikstofgevoelige beschermde natuurwaarden in Natura 2000- moeten de effecten van stikstofdepositie inzichtelijk worden gemaakt. Uit zeer globale stikstofdepositie berekeningen voor zowel de aanleg- als de gebruiksfase blijkt echter dat sprake is van een stikstofdepositie van meer dan 0,00 mol/ha respectievelijk 0,00 mol/ha/jr. Er is daarom een ecologische beoordeling uitgevoerd, gebruikmakend van de rapportage 'Ecologische beoordeling snelheidsverlaging Rijkssnelwegen' (d.d. 16 maart 2020). De snelheidsverlaging op de rijkssnelwegen heeft geleid tot een verandering van verkeersstromen.

Voorafgaand aan de verlaging van de maximum snelheid is een inschatting gemaakt van de toename van verkeer op de N271, wat de effecten daarvan zijn en hoe die effecten ecologisch beoordeeld moeten worden. In de 'Ecologische beoordeling snelheidsverlaging Rijkssnelwegen' is op basis van een ecologische onderbouwing geconcludeerd dat de stikstofdepositietoename van 3,05 mol/ha/j op delen van leefgebieden van de zwarte specht en de nachtzwaluw in Natura 2000-gebied Maasduinen niet leidt tot vergunningplicht voor de snelheidsmaatregel:

*) beïnvloede areaal t.o.v. aanwezig areaal in het betreffende Natura 2000-gebied, bij vogelsoorten is gekeken naar het gehele leefgebied

36

bestemmingsplan "Moleneind 2a" (vastgesteld)

bestemmingsplan Moleneind 2a

Lokale toename stikstofdepositie Maasduinen als gevolg van de snelheidsverlaging met globale aanduiding plangebied (rode omcirkeling) Omdat de verkeerstoename op en in de directe nabijheid van de N271 als gevolg van de voorgenomen woningbouw verwaarloosbaar is ten opzichte van de verkeerstoename als gevolg van de snelheidsverlaging, is ondanks de toename van de stikstofdepositie, geen sprake van de aantasting van de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied 'Maasduinen'. Op basis van zeer globale berekeningen kan geconcludeerd worden dat de stikstofdepositie enkel toeneemt in Natura 2000-gebied Maasduinen in de directe omgeving van de N271 in de leefgebieden 'Bos van arme zandgronden' (Lg13) en 'Eiken- en beukenbos van lemige zandgronden'. Dit zijn leefgebieden voor de voor het Natura 2000-gebied Maasduinen aangewezen soorten zwarte specht en de nachtzwaluw. Vanwege verstoring door het huidige verkeer op de N271 is ter plekke feitelijk geen sprake van geschikt leefgebied voor de nachtzwaluw en zwarte specht. Het aspect 'ecologie' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

bestemmingsplan "Moleneind 2a" (vastgesteld)

37

bestemmingsplan Moleneind 2a

4.10

Archeologie & cultuurhistorie

4.10.1 Regelgeving In artikel 3.1.6 lid 5 van het Besluit ruimtelijke ordening is bepaald dat in de toelichting van een ruimtelijk plan ten minste een beschrijving wordt opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Met deze wetswijziging wordt de huidige Monumentenwet 1988 opgesplitst: een gedeelte (dat ziet op de fysieke leefomgeving) zal opgaan in de Omgevingswet, het overige gedeelte is opgenomen in de nieuwe Erfgoedwet. Daarbij is voorzien in overgangsrecht. De bedoeling is dat in de Erfgoedwet een betere integratie met verschillende soorten erfgoed komt. Daarnaast worden de procedures uniformer en daarmee overzichtelijker. Onderdelen van de Monumentenwet 1988 met betrekking tot de fysieke leefomgeving, worden opgenomen in de Omgevingswet. De aanwijzing van ruimtelijk cultureel erfgoed - beschermde stadsen dorpsgezichten en cultuurlandschappen - en omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving, komen in de Omgevingswet terecht en zijn dus niet in de Erfgoedwet geregeld. Hierbij wordt wel als vuistregel gehanteerd: omgang met het erfgoed in de Omgevingswet, duiding van het erfgoed in de Erfgoedwet. De inwerkingtreding van de Omgevingswet staat gepland voor 2024.

Voor de onderdelen die in de Omgevingswet zullen worden opgenomen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen voor de tussenliggende periode. De bepalingen uit de Monumentenwet 1988 die naar de Omgevingswet over zullen gaan, blijven van kracht tot de Omgevingswet in werking treedt. Het Besluit ruimtelijke ordening en de Erfgoedwet schrijven niet voor in welke mate met archeologie rekening moet worden gehouden. De gemeente heeft wat dit betreft beleidsvrijheid en kan het archeologische belang afwegen ten opzichte van andere belangen, de belangen van de burger en van de gemeente. 4.10.2 Doorvertaling bestemmingsplan Archeologie In november 2012 heeft de gemeente Bergen de ‘Nota Archeologiebeleid Bergen’ met bijbehorende archeologische beleidsadvieskaart vastgesteld. Op de archeologische beleidsadvieskaart is het grondgebied van de gemeente ingedeeld in zeven categorieën waarbij voor iedere categorie een afzonderlijk beleidsadvies geldt. Voor de categorieën gelden verschillende ondergrenzen voor het verplicht stellen van archeologisch onderzoek bij ruimtelijke ontwikkelingen.

38

bestemmingsplan "Moleneind 2a" (vastgesteld)

bestemmingsplan Moleneind 2a

Uitsnede archeologische beleidsadvieskaart gemeente Bergen met globale ligging plangebied (rode omkadering). Uit de gemeentelijke archeologische beleidskaart blijkt dat het deel van het plangebied waar bouwwerkzaamheden voorzien zijn, is aangemerkt als categorie 6. Dit betreft gebieden van lage archeologische verwachting. De kans op het aantreffen van archeologische nederzettingen is in deze gebieden/terreinen in vergelijking met andere landschappelijke zones, lager. Op deze gebieden zijn geen ondergrenzen of vergunningstelsel van toepassing vanuit het gemeentelijke bestemmingsplan. Nader archeologisch onderzoek is daarom niet noodzakelijk. De zuidzijde van het plangebied valt in categorie 3. Dit betreft gebieden met een hoge archeologische waarde. Ter plaatse is de archeologische dubbelbestemming uit het geldende bestemmingsplan overgenomen. Het aspect 'archeologie' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan. Cultuurhistorie Er komen geen cultuurhistorische waarden voor in het plangebied. Wel is het plangebied op de gemeentelijke kaart met groenelementen aangeduid als 'woonbos (2,56 ha)' bestaande uit zomereiken en gemengde soorten als afscheiding tussen Well en de voormalige club Pico Bello. Dit woonbos blijft echter behouden. Er worden geen bomen gekapt.

bestemmingsplan "Moleneind 2a" (vastgesteld)

39

bestemmingsplan Moleneind 2a

4.10.3 Conclusie De aspecten 'archeologie' en 'cultuurhistorie' vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.11

Leidingen

4.11.1 Regelgeving Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen moeten worden gewaarborgd. Tevens moet rond dergelijke leidingen rekening worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd:  gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen;  aardgastransportleiding met een diameter groter of gelijk aan 18”;  defensiebrandstoffen;  warmte en afvalwater, ruwwater of halffabrikaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18”. 4.11.2 Doorvertaling bestemmingsplan In (de directe omgeving) van het plangebied zijn geen hoofdtransportleidingen of persleidingen van water, olie, aardgas, brandstof en/of hoogspanningsverbindingen gelegen, die in het kader van het bestemmingsplan op de verbeelding met bijbehorende bebouwingsvrije zones moeten worden opgenomen.

40

bestemmingsplan "Moleneind 2a" (vastgesteld)

bestemmingsplan Moleneind 2a

4.12

Vormvrije MER-beoordeling

4.12.1 Regelgeving Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging betreft het indicatief maken van de drempelwaarden in onderdeel D (betreft de m.e.r.beoordeling) van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Concreet betekent dit dat, ook wanneer ontwikkelingen onder de in bijlage D opgenomen drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er nog steeds van moet vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben, de zogenaamde 'vergewisplicht'. De consequentie van de nieuwe regeling is dat in elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteiten die voorkomen op de D-lijst aandacht moet worden besteed aan m.e.r. Het komt er op neer dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die beneden de drempelwaarden vallen uit de D-lijst, een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets, die dus een nieuw element is in de m.e.r.-regelgeving, wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd.

Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden:  belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk;  belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor m.e.r. 4.12.2 Doorvertaling bestemmingsplan In bijlage D van het Besluit m.e.r. is een groot aantal activiteiten genoemd waarvoor een m.e.r.beoordelingsplicht geldt. Eén van de genoemde activiteiten betreft ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject, met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’ (activiteit D11.2). Deze activiteit is m.e.r.-beoordelingsplichtig indien deze betrekking heeft op een oppervlakte van 100 ha of meer of een aangesloten gebied van 2.000 woningen of meer omvat of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. De voorgenomen activiteiten in dit bestemmingsplan liggen ruim onder de plandrempel waarvoor conform het Besluit m.e.r. een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. De in dit hoofdstuk beschreven onderzoeksresultaten voldoen desondanks niet alleen aan de onderzoeksverplichting uit het Besluit ruimtelijke ordening, maar kunnen ook worden opgevat als een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Daarbij wordt geconcludeerd dat belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten.

bestemmingsplan "Moleneind 2a" (vastgesteld)

41

bestemmingsplan Moleneind 2a

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische planbeschrijving

Algemeen

Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding vormen het juridisch bindende deel, terwijl de toelichting geen juridische binding heeft, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. In deze paragraaf worden de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd moeten worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, de Wabo en andere bestemmingsplannen van de gemeente. Voor het bouwen is verder het Besluit omgevingsrecht (Bor) van belang. In het Bor zijn onder andere regels voor vergunningsvrije bouwwerken opgenomen. Hieronder wordt de opbouw en dergelijke van de regels kort toegelicht. 5.1.1

Inleidende regels

Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Bestemmingsregels In het tweede hoofdstuk komen de bestemmingen aan de orde. 5.1.2

Opbouw bestemmingen

Bestemmingsomschrijving Bevat de omschrijving van de doeleinden die met de bestemming aan de grond worden toegekend. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies zoals bedrijven, wonen, centrum etc. De aard van de toegelaten inrichtingen van gronden (bouwwerken en werken, geen bouwwerken zijnde) vloeit dan voort uit de toegelaten functies. Bouwregels In de bouwregels worden voor alle hoofdgebouwen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de van toepassing zijnde bouwregels gesteld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding. Afwijken van de bouwregels In deze bepaling zijn afwijkingsbevoegdheden toegekend aan het bevoegd gezag ten aanzien van bepaalde bouwregels. Afwijken van de gebruiksregels In deze bepaling zijn afwijkingsbevoegdheden toegekend aan het bevoegd gezag ten aanzien van bepaalde gebruiksregels.

42

bestemmingsplan "Moleneind 2a" (vastgesteld)

bestemmingsplan Moleneind 2a

5.1.3

Algemene regels

Anti-dubbeltelregel Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Algemene bouwregels Deze bepaling bevat algemene regels omtrent ondergronds bouwen en ondergeschikte bouwdelen. Algemene gebruiksregels Deze regels bevatten een verbodsbepaling ten aanzien van gebruik in strijd met het bestemmingsplan. Algemene afwijkingsregels In deze bepaling zijn regels opgenomen ten aanzien van afwijkingsmogelijkheden die voor het hele plangebied gelden en die Burgemeester en wethouders de benodigde flexibiliteit bieden ten aanzien van het bestemmingsplan. Algemene wijzigingsregels In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden met een algemene strekking. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven. Overige regels Deze bepaling bevat regels omtrent landschappelijke waarden en parkeren. 5.1.4

Overgangs- en slotregels

Overgangsregels Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bouwregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan, mag eveneens worden voortgezet. Slotregel Dit artikel geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.

5.2

Bestemmingen

Het bestemmingsplan kent twee enkelbestemmingen en twee dubbelbestemmingen: Artikel 3 Natuur De gronden met de natuurbestemming zijn bedoeld voor duurzame instandhouding van natuurgebieden, behoud, versterking en/of ontwikkeling van de aan de natuurgebieden eigen zijnde natuurwaarden, in samenhang met de waterhuishouding alsmede voor extensief recreatief medegebruik. Het realiseren van gebouwen is binnen deze bestemming niet toegestaan. Alleen ter plaatse van de aanduiding 'ontsluiting' is een toegangspad toegestaan. Het realiseren van parkeerplaatsen is zowel toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'ontsluiting' als de aanduiding 'parkeren'. Artikel 4 Wonen Binnen de woonbestemming mag een appartementengebouw worden opgericht, met een maximum bouwhoogte en maximum aantal wooneenheden.

bestemmingsplan "Moleneind 2a" (vastgesteld)

43

bestemmingsplan Moleneind 2a

Gebruik In tegenstelling tot wat gebruikelijk is binnen de gemeente, ontbreekt de mogelijkheid om een beroep aan huis uit te oefenen in het plangebied. Dit heeft te maken met de stikstofdepositie die voortkomt uit deze activiteiten en de stikstofgevoeligheid van het Natura 2000-gebied 'Maasduinen' dat op korte afstand van het plangebied ligt. Bouwmogelijkheden Gebouwen moeten worden opgericht in het aangegeven bouwvlak. De maximum bouwhoogte van het hoofdgebouw is aangegeven op de verbeelding. Erfafscheidingen Erf- en terreinafscheidingen zijn -met uitzondering van enkele uitzonderingen- aan de wegzijde toegestaan tot een maximum bouwhoogte van 1,0 m. Voor het overige zijn deze toegestaan tot een bouwhoogte van 2,0 m. Artikel 5 Waarde - Archeologie 3 Aan de zuidzijde van het plangebied bevinden zich gronden met een archeologische waarde. Op basis van de gemeentelijke archeologische beleidskaart zijn vier dubbelbestemmingen opgenomen om deze archeologische verwachtingen en bekende AMK-terreinen te beschermen. In de archeologische beleidskaart zijn ondergrenzen bepaald ten aanzien van archeologisch onderzoek. Deze ondergrens is in de dubbelbestemming opgenomen.

Artikel 6 Waarde - Ecologische hoofdstructuur De gronden voorzien van deze dubbelbestemming zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de instandhouding en verbetering van het Nationaal Natuurnetwerk (NNN). Deze dubbelbestemming is overgenomen in het plangebied ter bescherming van de natuurlijke waarden rondom het nieuwe woongebouw.

44

bestemmingsplan "Moleneind 2a" (vastgesteld)

bestemmingsplan Moleneind 2a

Hoofdstuk 6 6.1

Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

Bij het opstellen van een nieuw bestemmingsplan moet op grond van artikel 3.1.6 lid 1 sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaatsvinden naar de economische uitvoerbaarheid van het plan. Het voorliggende plan staat een ontwikkeling in de zin van artikel 6.2.1 Bro toe. Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening bepaalt dat de gemeenteraad bij de vaststelling van een bestemmingsplan, waar sprake is van een ontwikkeling in de zin van artikel 6.2.1 Bro, een exploitatieplan vaststelt tenzij kostenverhaal op een andere wijze is verzekerd. De gemeente heeft alle gronden op deze locatie in eigendom. De gemeente zal het plan verder in samenwerking met een bouwpartij ontwikkelen. Daartoe zal een samenwerkingsovereenkomst worden gesloten. Voor de ontwikkeling van deze locatie voert de gemeente een grondexploitatie. Hierin zijn opgenomen de aankoop van de gronden, de kosten voor het bouwrijp maken van de grond, de gemeentelijke plankosten en overige kosten. Deze kosten zijn gedekt door de opbrengst van de gronduitgifte en gemeentelijke middelen. De financieel-economische uitvoerbaarheid is hiermee in voldoende mate verzekerd.

6.2

Overleg

In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) staat dat de gemeente bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moet plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Er is alleen een formele vooroverlegreactie ontvangen (d.d. 26 januari 2026) van de veiligheidsregio (zie bijlage 7). Voor de bespreking van deze reactie wordt verwezen naar het einde van paragraaf 4.7 Externe veiligheid).

6.3

Inspraak

Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf zaterdag 11 november 2023 t/m vrijdag 22 december 2023 (gedurende 6 weken) ter visie gelegen. Tijdens de inzagetermijn zijn er 2 zienswijzen ingediend. Deze zijn in de zienswijzennota (zie bijlage 8) van een gemeentelijke reactie voorzien.

bestemmingsplan "Moleneind 2a" (vastgesteld)

45

bestemmingsplan Moleneind 2a

46

bestemmingsplan "Moleneind 2a" (vastgesteld)

bestemmingsplan Moleneind 2a

Bijlagen bij toelichting

bestemmingsplan "Moleneind 2a" (vastgesteld)

47

bestemmingsplan Moleneind 2a

Bijlage 1

48

Verkennend bodemonderzoek

bestemmingsplan "Moleneind 2a" (vastgesteld)

bestemmingsplan Moleneind 2a

Bijlage 2

Aanvullend bodemonderzoek

bestemmingsplan "Moleneind 2a" (vastgesteld)

49

bestemmingsplan Moleneind 2a

Bijlage 3

50

Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai

bestemmingsplan "Moleneind 2a" (vastgesteld)

bestemmingsplan Moleneind 2a

Bijlage 4

Quickscan Wet natuurbescherming

bestemmingsplan "Moleneind 2a" (vastgesteld)

51

bestemmingsplan Moleneind 2a

Bijlage 5

52

Aanvullend ecologisch onderzoek

bestemmingsplan "Moleneind 2a" (vastgesteld)

bestemmingsplan Moleneind 2a

Bijlage 6

Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit

bestemmingsplan "Moleneind 2a" (vastgesteld)

53

bestemmingsplan Moleneind 2a

Bijlage 7

54

Advies Veiligheidsregio

bestemmingsplan "Moleneind 2a" (vastgesteld)

bestemmingsplan Moleneind 2a

Bijlage 8

Zienswijzennota

bestemmingsplan "Moleneind 2a" (vastgesteld)

55

bestemmingsplan Moleneind 2a

56

bestemmingsplan "Moleneind 2a" (vastgesteld)

bestemmingsplan Moleneind 2a

Regels

bestemmingsplan "Moleneind 2a" (vastgesteld)

57

bestemmingsplan Moleneind 2a

Hoofdstuk 1 Artikel 1

Inleidende regels

Begrippen

In deze regels wordt verstaan onder: 1.1 plan het bestemmingsplan Moleneind 2a met identificatienummer NL.IMRO.0893.BP23010MO2AWELVA01 van de gemeente Bergen (L.); 1.2 bestemmingsplan de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels; 1.3 aanduiding een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolgde deze regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.4 aanduidingsgrens de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.5 aan-huis-verbonden-bedrijf het door de bewoner van de woning bedrijfsmatig verlenen van diensten c.q. het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid, geheel of overwegend door handwerk, dat door zijn beperkte omvang in een woning en daarbij behorende bijbehorende bouwwerken met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend, niet zijnde detailhandel, behoudens de beperkte verkoop van artikelen verband houdende met de activiteiten; 1.6 aan-huis-verbonden-beroep een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied, dat door zijn beperkte omvang in een woning en daarbij behorende bijbehorende bouwwerken, met behoud van de woonfunctie, kan worden uitgeoefend.

1.7 achtergevel een van de weg afgekeerde gevel van een hoofdgebouw die parallel of nagenoeg parallel loopt aan de voorgevel; 1.8 afhankelijke woonruimte een (aangebouwd) bijbehorend bouwwerk dat qua ligging een ruimtelijke eenheid vormt met de woning en waarin een gedeelte van de huishouding gehuisvest is; 1.9 bebouwing één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde; 1.10 bebouwingspercentage een op de verbeelding of in de regels aangegeven percentage, dat het grootste deel van het bouwperceel c.q. bouwvlak of bestemmingsvlak aangeeft dat minimaal dan wel maximaal mag worden bebouwd; hierbij worden ondergrondse bouwwerken die zichtbaar zijn boven peil meegerekend, met uitzondering van ondergeschikte bouwdelen; 1.11 bed and breakfast het binnen en ondergeschikt aan de woonfunctie bedrijfsmatig verstrekken van nachtverblijf, al dan niet in combinatie met het bedrijfsmatig verstrekken van ter plaatse bereide ontbijtmaaltijden en nietalcoholhoudende dranken. 1.12 bestaand bouwwerk een bouwwerk dat:  op het moment van het ter inzage leggen van het ontwerp van dit plan bestaat of in uitvoering is;  na dat tijdstip is of mag worden gebouwd krachtens of bij de woningwet. 1.13 bestemmingsgrens de grens van een bestemmingsvlak;

58

bestemmingsplan "Moleneind 2a" (vastgesteld)

bestemmingsplan Moleneind 2a

1.14 bestemmingsvlak een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; 1.15 bijbehorend bouwwerk uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak; 1.16 bouwen het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk bouwen, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats; 1.17 bouwgrens de grens van een bouwvlak; 1.18 bouwlaag een boven het peil gelegen en doorlopend gedeelte van een gebouw, dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen binnenwerks is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder; 1.19 bouwperceel een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 1.20 bouwperceelsgrens de grens van een bouwperceel; 1.21 bouwvlak een geometrisch bepaald vlak, waarmee de gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten; 1.22 bouwwerk elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct, hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;

1.23 detailhandel het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder de uitstalling ten verkoop, het verkopen, verhuren en leveren van goederen aan personen die goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit; 1.24 gebouw elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 1.25 gestapelde woningen boven dan wel beneden en/of naast elkaar gesitueerde woningen waarbij per woning een zelfstandige toegankelijkheid, als niet direct vanaf het voetgangersniveau, gewaarborgd is; 1.26 hoofdbebouwingsvlak een bouwvlak waarin het hoofdgebouw wordt opgericht en qua grootte wordt gepaald door gevellijn, horizontale diepte en afstand tot de zijdelingse perceelsgrens; 1.27 hoofdgebouw een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn constructie, afmetingen of functie als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken;

bestemmingsplan "Moleneind 2a" (vastgesteld)

59

bestemmingsplan Moleneind 2a

1.28 huishouden een persoon of groep personen die een huishouding voert, waarbij sprake is van onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling ervan. Bedrijfsmatige kamerverhuur wordt daaronder niet begrepen; 1.29 kamerbewoning het gebruik van een hoofdgebouw of met het hoofdgebouw verbonden bijbehorende bouwwerken door meer dan twee onzelfstandige huishoudens; 1.30 ondergeschikt bouwdeel een buiten de gevel of dakvlakken uitstekend ondergeschikt deel van een bouwwerk met uitzondering van een uitgebouwd gedeelte van een gebouw dat dient ter uitbreiding van het oppervlak; 1.31 ondergronds bouwwerk een (gedeelte van) een bouwwerk, waarvan de bovenkant van de vloer is gelegen op ten minste 1,75 m beneden peil; 1.32 ondergrondse werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die onder peil plaatsvinden; 1.33 overkapping een bouwwerk, geen gebouw zijnde, omsloten door maximaal drie wanden, waarvan maximaal één eigen wand en voorzien van een gesloten dak, waaronder begrepen een carport; 1.34 parkeervoorzieningen elke al dan niet overdekte stallingsgelegenheid ten behoeve van gemotoriseerd vervoer; 1.35 parkeren het laten stilstaan van een voertuig anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of voor het onmiddellijk laden en lossen van goederen;

1.36 peil  voor gebouwen waarvan de toegang onmiddellijk aan de weg grenst: de hoogte van de kruin van de weg ter plaatse van de hoofdtoegang;  voor gebouwen in het talud van de dijk: de gemiddelde hoogte van het bestaande aansluitende afgewerkte maaiveld ter plaatse van de van de dijk afgekeerde zijde van het gebouw;  in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het bestaande aansluitende afgewerkte maaiveld. 1.37 perceelsgrens de grens van een bouwperceel; 1.38 prostitutie het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; 1.39 seksinrichting de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater, een parenclub, of een prostitutiebedrijf, waaronder begrepen een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar; 1.40 stedenbouwkundige kwaliteit de aan een gebied toegekende waarde in verband met stedenbouwkundige elementen, zoals situatie en infrastructuur alsmede de ligging van bouwwerken in dat gebied; 1.41 voorgevel de op de weg georiënteerde gevel van een hoofdgebouw dat maximaal één voorgevel heeft;

60

bestemmingsplan "Moleneind 2a" (vastgesteld)

bestemmingsplan Moleneind 2a

1.42 voorzieningen van algemeen nut voorzieningen ten behoeve van het op het openbare net aangesloten nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer en/of het wegverkeer; 1.43 wonen een permanente verblijfplaats ten behoeve van de huisvesting van een huishouden in een woning; 1.44 woning een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden; 1.45 zijgevel een van de weg afgekeerde gevel van een hoofdgebouw, niet zijnde achtergevel of voorgevel; 1.46 zolder een ruimte onder een kap voor zover de hoogte van de borstwering ter plaatse van de omtrekmuren minder dan 0,8 m boven de vloer is gelegen.

bestemmingsplan "Moleneind 2a" (vastgesteld)

61

bestemmingsplan Moleneind 2a

Artikel 2

Wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1 de afstand tot de bouwperceelsgrens tussen de grens van het bouwperceel en een bepaald punt van het bouwwerk, waar die afstand het kortst is; 2.2 de bouwhoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van onderschikte bouwdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; 2.3 de dakhelling langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak; 2.4 de goothoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; 2.5 de inhoud van een bouwwerk tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen; 2.6 de ondergrondse bouwdiepte van een bouwwerk vanaf het bouwkundig peil tot het diepste punt van het bouwwerk, de fundering niet meegerekend; 2.7 de oppervlakte van een bouwwerk tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

62

bestemmingsplan "Moleneind 2a" (vastgesteld)

bestemmingsplan Moleneind 2a

Hoofdstuk 2 Artikel 3

Bestemmingsregels

Natuur

3.1

Bestemmingsomschrijving

3.1.1

Algemeen

De voor 'Natuur' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. natuurgebieden; b. bosgebied; c. behoud, versterking en/of ontwikkeling van de aan de natuurgebieden eigen zijnde natuurwaarden, in samenhang met de waterhuishouding; d. extensief recreatief medegebruik; e. groenvoorzieningen, uitgezonderd ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - Natuurnetwerk Nederland'; f. water; g. paden en wegen, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'overige zone Natuurnetwerk Nederland' alleen halfverharde paden zijn toegestaan; h. een toegangspad ter plaatse van de aanduiding 'ontsluiting'; i. parkeren ter plaatse van de aanduidingen 'parkeren' en/of 'ontsluiting'. j. behoud en herstel van elementen met landschappelijke waarde zoals die zijn aangegeven op de in bijlage bij deze regels opgenomen Kaart landschappelijke waarden, waarbij het bepaalde in Artikel 12 van toepassing is. 3.2

Bouwregels

Ter plaatse van de in lid 3.1 genoemde gronden is het bouwen van gebouwen of overige bouwwerken niet toegestaan. 3.3

Afwijken van de bouwregels

Burgemeester en wethouders kunnen bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.2 ten behoeve van het realiseren van informatievoorzieningen, entreevoorzieningen en/of bouwwerken ten behoeve van extensief recreatief medegebruik, onder de voorwaarden dat: a. de bouwhoogte van overige bouwwerken niet meer mag bedragen dan 3,0 m; b. de natuurlijke waarden in de omgeving niet mogen worden aangetast. 3.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 3.4.1

Omgevingsvergunning

Het is verboden ter plaatse van de gronden als bedoeld in lid 3.1 de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren, te doen uitvoeren of te laten uitvoeren zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders: a. het aanleggen of verharden van wegen, paden of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; b. het ontginnen, bodem verlagen of afgraven, ophogen en/of egaliseren van de bodem, behoudens de aanleg van drinkpoelen; c. het vellen en/of rooien van houtgewas of het verrichten van werkzaamheden welke de dood of ernstige beschadigingen van houtgewas ten gevolge kunnen hebben, behoudens bij wijze van verzorging; d. het bemalen of draineren van gronden en het winnen van water of het anderszins verlagen van de grondwaterstand; e. het verrichten van exploratie- en exploitatieboringen ten behoeve van de winning van delfstoffen; f. het dempen, graven en vergraven van watergangen en het aanleggen van dammen en bruggen.

bestemmingsplan "Moleneind 2a" (vastgesteld)

63

bestemmingsplan Moleneind 2a

3.4.2

Uitzondering

Het bepaalde in sublid 3.4.1 is niet van toepassing op: a. werkzaamheden, normale onderhoudswerkzaamheden zijnde; b. werken of werkzaamheden van ondergeschikte betekenis; c. werken of werkzaamheden binnen het kader van het normale bodemgebruik; d. werken of werkzaamheden, welke op het tijdstip van de inwerkingtreding het plan legaal in uitvoering zijn dan wel krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde omgevingsvergunning of anderszins mogen worden uitgevoerd; e. werken en/of werkzaamheden ten behoeve van extensief recreatief medegebruik, mits de werken en/of werkzaamheden hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. 3.4.3

Afwegingskader

Een vergunning als bedoeld in sublid 3.4.1 wordt uitsluitend verleend indien: a. door de uit te voeren werkzaamheden geen onevenredige schade wordt of kan worden toegebracht aan de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarde dan wel de waterstaatkundige waarde van het gebied; b. er tevens vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen belemmeringen zijn; c. en voor zover de uit te voeren werkzaamheden plaatsvinden op of in de gronden zoals die zijn aangegeven op de in bijlage 1 Kaart landschappelijke waarden bij deze regels opgenomen Kaart Landschappelijke waarden, waarbij tevens wordt voldaan aan Artikel 12.

64

bestemmingsplan "Moleneind 2a" (vastgesteld)

bestemmingsplan Moleneind 2a

Artikel 4 4.1

Wonen

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. het wonen, al dan niet in combinatie met de uitoefening van een aan-huis-verbonden beroep in hoofd- en bijbehorende bouwwerken, met dien verstande dat maximaal 25 % van de vloeroppervlakte van de begane grond van het hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken mag worden gebruikt ten behoeve van het aan-huis-verbonden beroep, met een maximum van 20 m²; b. waterhuishoudkundige voorzieningen, waterlopen en waterpartijen, alsmede (ondergrondse) waterberging- en infiltratievoorzieningen; met de daarbij behorende: c. tuinen en erven; d. parkeervoorzieningen; e. voorzieningen van algemeen nut. 4.2

Bouwregels

4.2.1

Gebouwen

Voor het bouwen van hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken gelden de volgende bepalingen: a. hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd; b. binnen het bouwvlak, ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld', zijn uitsluitend gestapelde woningen toegestaan, waarbij ten hoogste drie bouwlagen boven peil gebouwd mag worden; c. nieuwe woningen mogen uitsluitend worden gebouwd ter plaatse van de gronden met de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden', voor het overige mogen geen nieuwe woningen worden gebouwd behoudens herbouw ter plaatse; d. het maximum bebouwingspercentage van het bouwperceel voor hoofdgebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere bouwwerken, welke hoger zijn dan 1,0 m gemeten vanaf het aansluitend terrein bedraagt 100 %; e. de bouwhoogte van hoofdgebouwen mag niet meer bedragen dan is aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)'; f. de voorgevel van een hoofdgebouw dient te worden gebouwd in dan wel maximaal 3,0 m achter de naar de weg gekeerde grens van het bouwvlak; 4.2.2

Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende bepalingen: a. de maximum bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen voor zover gelegen vóór de lijn vanaf 1,0 m achter de voorgevel bedraagt: 1. voor een gesloten erfafscheiding ten hoogste 1,0 m; 2. voor open hekwerken in de zijdelingse perceelsgrens, voor zover niet gesitueerd in de voortuin ten hoogste 2,0 m; 3. voor pergola's 2,5 m. b. de maximum bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt vanaf minimaal 1,0 m achter de voorgevel 2,0 m; met dien verstande dat voor hoekpercelen de naar het openbaar toegankelijk gebied gerichte erfafscheiding, indien hoger dan 1,0 m, open dient te worden uitgevoerd; c. de maximum bouwhoogte van een overkapping bedraagt 4,0 m, met dien verstande dat er slechts één overkapping per bouwperceel gerealiseerd mag worden, met een maximum oppervlakte van 30 m² en enkel opgericht mag worden binnen het bouwvlak; d. de maximum bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt 2,5 m.

bestemmingsplan "Moleneind 2a" (vastgesteld)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16808394/1