VA Toelichting en regels vast te stellen BP Moleneind 2a
Tekst van het document
Toelichting en regels
Vast te stellen
Bestemmingsplan
Moleneind 2a
bestemmingsplan Moleneind 2a
Inhoudsopgave Toelichting
5
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging plangebied 1.3 Geldend(e) bestemmingsplan(nen) 1.4 Leeswijzer
6 6 6 8 8
Hoofdstuk 2 Gebiedsvisie 2.1 Huidige situatie 2.2 Toekomstige situatie
10 10 13
Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1 Nationaal beleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Gemeentelijk beleid 3.4 Conclusie
15 15 16 17 20
Hoofdstuk 4 Milieu- & omgevingsaspecten 4.1 Verkeer & parkeren 4.2 Bodem 4.3 Geluid 4.4 Milieuzonering 4.5 Luchtkwaliteit 4.6 Geur 4.7 Externe veiligheid 4.8 Waterhuishouding 4.9 Ecologie 4.10 Archeologie & cultuurhistorie 4.11 Leidingen 4.12 Vormvrije MER-beoordeling
21 21 22 23 25 26 27 28 31 33 38 40 41
Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen 5.2 Bestemmingen
42 42 43
Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid 6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.2 Overleg 6.3 Inspraak
45 45 45 45
Bijlagen bij toelichting
47
Bijlage 1
Verkennend bodemonderzoek
48
Bijlage 2
Aanvullend bodemonderzoek
49
Bijlage 3
Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai
50
Bijlage 4
Quickscan Wet natuurbescherming
51
Bijlage 5
Aanvullend ecologisch onderzoek
52
Bijlage 6
Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit
53
Bijlage 7
Advies Veiligheidsregio
54
Bijlage 8
Zienswijzennota
55
2
bestemmingsplan "Moleneind 2a" (vastgesteld)
bestemmingsplan Moleneind 2a
Regels
57
Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2
Inleidende regels Begrippen Wijze van meten
58 58 62
Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6
Bestemmingsregels Natuur Wonen Waarde - Archeologie 3 Waarde - Ecologische hoofdstructuur
63 63 65 67 71
Hoofdstuk 3 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11 Artikel 12
Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene afwijkingsregels Algemene wijzigingsregels Overige regels
73 73 73 74 74 75 75
Hoofdstuk 4 Artikel 13 Artikel 14
Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel
77 77 77
Bijlagen bij regels
78
Bijlage 1
79
Kaart landschappelijke waarden
bestemmingsplan "Moleneind 2a" (vastgesteld)
3
bestemmingsplan Moleneind 2a
4
bestemmingsplan "Moleneind 2a" (vastgesteld)
bestemmingsplan Moleneind 2a
Toelichting
bestemmingsplan "Moleneind 2a" (vastgesteld)
5
bestemmingsplan Moleneind 2a
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
Op het perceel aan de Moleneind 2a te Well is de voormalige Pico Bello Club met bijbehorend erf aanwezig. Deze voormalige seksclub heeft al enkele jaren geen vergunning meer. Het gebouw is in 2017 door brand verwoest en sindsdien is het perceel niet meer in gebruik. De gemeente heeft het perceel aangekocht en is voornemens het perceel te herontwikkelen voor wonen bestaande uit maximaal 12 appartementen. Dit bestemmingsplan maakt de ontwikkeling in juridisch-planologische zin mogelijk. Door het bestemmingsplan te herzien kunnen tevens de aanwezige natuurwaarden beter beschermd worden, waardoor sprake is van een ruimtelijke kwaliteitsverbetering. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet inwerking getreden. De Omgevingswet heeft de wet- en regelgeving die betrekking had op de fysieke leefomgeving gebundeld. Wetten en regels waar in voorliggende toelichting naar verwezen wordt zullen deels door inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn vervallen. De bepalingen uit de vervallen wetten en regels zijn deels terug te vinden in het Besluit activiteiten leefomgeving, het Besluit bouwwerken leefomgeving en het Omgevingsplan gemeente Bergen (L). De wet- en regelgeving van voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet is te raadplegen op www.wetten.nl door bij [regeling geldig op] '31 december 2023' in te voeren.
Voor onderhavig plan is voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet een ontwerpplan ter inzage gelegd. Ingevolgde artikel 4.6, tweede lid, sub a, onder 1, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft het oude recht van toepassing tot het plan van kracht is. Het plan wordt, zodra het van kracht is, ingevolge artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet onderdeel van het gemeentelijk omgevingsplan.
1.2
Ligging plangebied
Het plangebied is gelegen aan de oostzijde van de kern Well en staat kadastraal bekend als gemeente Bergen Limburg, sectie F, nr. 5847. Het plangebied heeft een oppervlakte van 11.675 m² en wordt globaal gezien begrensd door: Noordzijde: de perceelgrens van het woonperceel aan de Klokkemakerstraat 12 en de grens van het kadastrale perceel nr. 6134; Oostzijde: de Provinciale weg (N271) en de perceelgrens van het bedrijf aan het Moleneind 4; Zuidzijde: de perceelsgrenzen van de woonpercelen aan het Sterrenbos 8A, het Sterrenbos 10 en de Klokkemakerstraat 2; Westzijde: de perceelsgrenzen van de woonpercelen aan de Klokkemakerstraat 2 t/m 8. Navolgende afbeeldingen tonen globaal de ligging en begrenzing van het plangebied in de omgeving. Voor de exacte begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar de verbeelding:
6
bestemmingsplan "Moleneind 2a" (vastgesteld)
bestemmingsplan Moleneind 2a
Globale ligging plangebied in groter verband (rode cirkel)
Globale begrenzing plangebied (witte omkadering, bron: maps.google.nl)
bestemmingsplan "Moleneind 2a" (vastgesteld)
7
bestemmingsplan Moleneind 2a
1.3
Geldend(e) bestemmingsplan(nen)
Voor de gronden in het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Well', zoals de gemeenteraad dat heeft vastgesteld op 18 juni 2013. In het bestemmingsplan is het plangebied voorzien van de bestemming 'Cultuur en ontspanning'. Daarbij is voorzien in een 'bouwvlak' met de functieaanduiding 'seksinrichting' en een maximum goot- en bouwhoogte van 6,0 m. Het merendeel van het plangebied (=noordzijde) is daarnaast voorzien van een dubbelbestemming 'Waarde - Ecologische hoofdstructuur'. Aan de zuidzijde van het plangebied is een deel van het plangebied voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3'.
Uitsnede verbeelding geldend bestemmingsplan met globale begrenzing plangebied (rode omkadering) Omdat het beoogde bouwplan niet past binnen de maximum bouwhoogte van 6,0 m en ter plaatse geen woningen mogen worden gerealiseerd, zal de bestemming voor de gronden in het plangebied herzien moeten worden.
1.4
Leeswijzer
Het bestemmingsplan bestaat uit meerdere onderdelen: een verbeelding waarop de bestemmingen in het plangebied zijn aangegeven en regels waarin de bepalingen voor de op de verbeelding vermelde bestemmingen zijn opgenomen. Het bestemmingsplan gaat vergezeld van een toelichting waarin de achtergronden van het bestemmingsplan zijn beschreven. De verbeelding vormt samen met de regels het juridische bindende deel van het bestemmingsplan. In de toelichting worden de keuzes die in het bestemmingsplan worden gemaakt nader gemotiveerd en verantwoord. De toelichting kan globaal opgedeeld worden in vier delen. Inleiding en gebiedsvisie In hoofdstuk 1 zijn de aanleiding en het kader voor de planherziening beschreven. Hoofdstuk 2 geeft een beschrijving van de huidige en toekomstige situatie van het plangebied. Verantwoording Hoofdstukken 3 en 4 geven de achtergronden, toelichting en motivatie op de gemaakte keuzen weer die uiteindelijk hebben geleid tot de uitgewerkte planopzet. In dit planonderdeel worden onder meer het (beleids)kader en de milieuaspecten uiteengezet. Juridische planbeschrijving In hoofdstuk 5 wordt de juridische planopzet beschreven. Doel is een nadere onderbouwing te geven wat met het plan wordt beoogd en hoe de instrumenten regels en verbeelding hierbij worden gehanteerd.
8
bestemmingsplan "Moleneind 2a" (vastgesteld)
bestemmingsplan Moleneind 2a
Uitvoerbaarheid Het laatste deel (hoofdstuk 6) gaat in op de financieel-economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.
bestemmingsplan "Moleneind 2a" (vastgesteld)
9
bestemmingsplan Moleneind 2a
Hoofdstuk 2 2.1
Gebiedsvisie
Huidige situatie
Het plangebied ligt aan de westzijde van de provinciale weg N271 (ter plaatse Moleneind genoemd). Het plangebied ligt aan de oostelijke rand van Well, begrensd door het buitengebied van de gemeente Bergen. De directe omgeving wordt gedomineerd door burgerwoningen en aan de overzijde van de N271 door het Nationaal park de Maasduinen. De voormalige seksclub aanwezig op het perceel heeft al enkele jaren geen vergunning meer en het gebouw staat leeg. Tevens is het aanwezige gebouw in 2017 door brand verwoest en in vervallen staat geraakt. Het plangebied bestaat grotendeels uit een bosgebied met in het midden de voormalige seksclub. Het gebouw bestaat uit twee bouwlagen zonder kap. Vanaf de N271 is een verharde oprit (klinkers) aanwezig, die leidt naar een naast het gebouw gelegen verharde parkeerplaats. Op navolgende afbeelding een impressie van de bestaande bebouwing in het plangebied:
Impressie huidige bebouwing plangebied
10
bestemmingsplan "Moleneind 2a" (vastgesteld)
bestemmingsplan Moleneind 2a
Schematisch impressie bestaande terreininrichting (bebouwing en terreinverharding) met globale aanduiding plangrens (rode omkadering)
bestemmingsplan "Moleneind 2a" (vastgesteld)
11
bestemmingsplan Moleneind 2a
Impressie verharde oprit vanaf de N271 In de omgeving van het plangebied zijn voornamelijk burgerwoningen aanwezig, alsmede enkele andere functies. Op navolgende afbeelding is een impressie van de omliggende bebouwing te zien:
Impressie omliggende bebouwing met globale aanduiding plangebied (blauwe omkadering)
12
bestemmingsplan "Moleneind 2a" (vastgesteld)
bestemmingsplan Moleneind 2a
2.2
Toekomstige situatie
De gemeente heeft de wens om in het plangebied de huidige bestemming te herzien naar een woonbestemming. Met de herontwikkeling aan het pand aan de Moleneind 2a wordt een nieuwe, kwalitatieve invulling gegeven aan een locatie aan de N271 en is het niet langer mogelijk ter plaatse een seksinrichting te exploiteren. Met dit initiatief wordt een bijdrage geleverd aan de diversificatie van het woningaanbod in de gemeente Bergen. Tevens wordt er een bijdrage geleverd aan het behouden van de groene dorpsrand, zoals opgenomen in de beeldkwaliteitsvisie N271. Het aanwezige bos zal worden gerespecteerd en hiermee blijft de groene dorpsrand aanwezig. De herziening van het bestemmingsplan bied kansen voor een kwaliteitsverbetering van de omgeving. Het perceel ligt binnen de Goudgroene natuurzone. Een nieuwe bestemming zal bijdragen aan het verankeren van de bijhorende natuurwaarden. Momenteel heeft het gehele perceel de bestemming 'Cultuur en ontspanning - seksinrichting'. Door de bestemming te herbestemmen naar 'Wonen' en 'Natuur', zal meer recht worden gedaan aan de ligging in het Natuurnetwerk Nederland. In programmatische zin wordt ingezet op maximaal 12 levensloopbestendige middeldure appartementen in de huur- of koopsector voor kleinere huishoudens, waaraan thans behoefte is binnen de gemeente Bergen.
De appartementen worden gelijkvloers uitgevoerd en zijn toegankelijk via een lift, zodat ze geschikt zijn voor ouderen en mindervaliden. Hiermee worden de appartementen wat betreft interne en externe toegankelijkheid als nultredenwoningen gerealiseerd. Op navolgende afbeelding is een schematische impressie van de ruimtelijke opzet weergegeven:
bestemmingsplan "Moleneind 2a" (vastgesteld)
13
bestemmingsplan Moleneind 2a
Het perceel heeft een forse oppervlakte van 11.675 m2. Het aanwezige bouwvlak is nu circa 240 m2. De voorgestelde bebouwing is gepland op de locatie van de nu aanwezige bebouwing en zal een oppervlakte van maximaal circa 440 m2 beslaan. Het vergroten van het bouwvlak zal geen gevolgen hebben voor de aanwezige bomen. Het nieuwe bouwvlak is zo gesitueerd dat verwijdering van bomen niet nodig is. De nieuwe bebouwing zal uit 3 bouwlagen bestaan, waardoor de bouwhoogte maximaal 11,0 m zal bedragen. De locatie Moleneind 2a is een inbreidingslocatie gelegen binnen de bebouwde kom. Een herontwikkeling met woningen en in dit geval appartementen is hier zeker voorstelbaar en een passende invulling binnen de bestaande woonomgeving. Enige vermindering van privacy is hierbij helaas niet altijd te vermijden. Gezien de relatief grote afstand van de omliggende woningen tot het nieuwe bouwvlak in het plangebied en de robuuste groene beplanting met bomen en struiken die er rond het toekomstige appartementencomplex aanwezig zijn en blijven zal de inkijk op de omliggende tuinen en in de woningen beperkt zijn. Dit geldt ook voor zicht vanuit appartementen op omliggende woningen. Met name in de zomer staan de bomen volledig in het blad, maar ook in de winter zal het zicht beperkt zijn omdat de aanwezige dennen groen blijven.
14
bestemmingsplan "Moleneind 2a" (vastgesteld)
bestemmingsplan Moleneind 2a
Hoofdstuk 3
Beleidskader
3.1
Nationaal beleid
3.1.1
Nationale omgevingsvisie
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de opvolger van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), waarin het Rijk een lange termijn visie geeft op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft richting en helpt keuzes te maken. Bij de afweging van keuzes wordt bij voorkeur gekozen voor slimme combinaties van functies, wordt uitgegaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden en worden beslissingen niet uitgesteld of doorgeschoven. De nationale belangen en opgaven waarop het Rijk wil sturen en richting wil geven, komen samen in de volgende vier prioriteiten: Ruimte maken voor klimaatadaptatie en energietransitie; De economie van Nederland verduurzamen en ons groeipotentieel behouden; Steden en regio's sterker en leefbaarder maken Het landelijk gebied toekomstbestendig ontwikkelen. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling is niet in strijd met de prioriteiten uit de NOVI. De NOVI vormt geen belemmering voor dit plan. 3.1.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) borgt een aantal van de nationale ruimtelijke belangen die deel uitmaken van het beleid, zoals beschreven in de voorganger van de NOVI, oftewel de SVIR. Op het moment dat de Omgevingswet in werking treedt, vervalt het Barro. De regels van het Barro worden dan vervangen door het Besluit kwaliteit leefomgeving (BKL). Het BKL wordt de uitwerking, in regelgeving, van het beleid dat in de NOVI staat. Zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is, is het Barro nog van toepassing. In het Barro, ook wel bekend als de AMvB Ruimte, zijn 14 nationale belangen opgenomen die juridische borging vereisen. Het besluit is gericht op doorwerking van de nationale belangen in provinciaal beleid en gemeentelijke bestemmingsplannen. Dat betekent dat het Barro voor de opgenomen onderwerpen regels geeft over bestemmingen en het gebruik van gronden. Daarnaast kan zij aan de gemeente opdragen in de toelichting bij een bestemmingsplan bepaalde zaken uitdrukkelijk te motiveren. Planspecifiek Voor onderhavig plangebied zijn geen specifieke doelstellingen geformuleerd. Het Barro is verder niet specifiek van toepassing op het plangebied. 3.1.3
Ladder voor duurzame verstedelijking
De in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte geïntroduceerde 'ladder voor duurzame verstedelijking' is als procesvereiste vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet in de toelichting een onderbouwing opgenomen worden van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. De ladder worden in artikel 3.1.6, lid 2 Bro als volgt omschreven: 'De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.'
bestemmingsplan "Moleneind 2a" (vastgesteld)
15
bestemmingsplan Moleneind 2a
In het kader van de duurzame ladder wordt ten aanzien van de definitie van bestaand stedelijk gebied de definitie uit de Bro gehanteerd: 'bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.' Volgens de nota van toelichting bij het Bro moet worden bekeken of door het benutten van leegstaande verstedelijkingsruimte in bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien in de behoefte. Zoals ook volgt uit onder andere de uitspraak met het nummer 201303578/1/R4 kunnen, naar het oordeel van de Raad van State, planologische mogelijkheden waarvan nog geen gebruik is gemaakt, als leegstaande verstedelijkingsruimte worden aangemerkt. Een dergelijke locatie wordt gezien als onderdeel van het bestaand stedelijk gebied. Conform actuele jurisprudentie wordt een ontwikkeling van 12 woningen of meer gezien als stedelijke ontwikkeling. Planspecifiek De voorliggende ontwikkeling maakt in planologische zin maximaal 12 nieuwe woningen mogelijk. Gelet hierop is sprake van een stedelijke ontwikkeling en moet getoetst worden aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Er is sprake van een binnenstedelijke locatie, aangezien het plangebied is gelegen binnen de bebouwde kom.
Aan de bestaande bestemming 'Cultuur en ontspanning' wordt geen invulling meer gegeven. Door de voorgenomen herbestemming wordt optimaal gebruik gemaakt van een potentiële binnenstedelijke locatie voor woningbouw. Tevens levert herbestemmen een bijdrage aan de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse. De voorliggende ontwikkeling past qua aantallen binnen het gemeentelijke volkshuisvestingsprogramma gemeente Bergen 2025 - 2030 (zie verder subparagraaf 3.3.2). Het beoogde woningbouwinitiatief sluit daarnaast goed aan op de kwalitatieve woningbehoefte. Het plan speelt in op de gewenste kwalitatieve ontwikkelingen in het aanbod naar levensloopbestendige appartementen (huur en/of koop, middelduur), met enig comfort en onderhoudsarm. 3.1.4
Conclusie
In het plangebied zijn geen nationale belangen in het geding.
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1
Provinciale Omgevingsvisie Limburg
Provinciale Staten hebben op 1 oktober 2021 de nieuwe Provinciale Omgevingsvisie Limburg vastgesteld. Op 25 oktober is deze visie in werking getreden. De Omgevingsvisie is een strategische en lange termijn (2030 - 2050) visie op de fysieke leefomgeving en beschrijft onderwerpen zoals wonen, infrastructuur, milieu, water, natuur, landschap, bodem, ruimtelijke economie, luchtkwaliteit en cultureel erfgoed. Daarnaast worden ook de aspecten gezondheid en een gezonde leefomgeving in de Omgevingsvisie meegenomen. In de Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020 - 2024 wordt nadrukkelijk de verbinding gelegd tussen de (toekomstige) bevolkingssamenstelling en de bestaande woningvoorraad. Uit de regionale analyse die inzicht geeft in de sterke en zwakke segmenten van de woningvoorraad blijkt dat de aandacht met name moet uitgaan naar de bestaande voorraad. De transformatie van de bestaande woningvoorraad naar meer toekomstbestendige woonvormen en woningen speelt ook in NoordLimburg. Hierbij is speciale aandacht nodig voor het toenemend aantal ouderen, bijzondere doelgroepen (waaronder woonurgenten en internationale werknemers), verduurzaming en de beschikbaarheid van betaalbare woningen. Daarbij kiest de provincie primair voor inbreiding, aanpassing en functieverandering en slechts beperkt voor uitbreiding in de nabijheid van kleine kernen.
Uitbreiding via uitleggebieden vindt slechts in uitzonderlijke gevallen plaats, met als uitgangspunt dat de kwantitatieve en kwalitatieve woonbehoefte leidend is.
16
bestemmingsplan "Moleneind 2a" (vastgesteld)
bestemmingsplan Moleneind 2a
Planspecifiek De provincie bekijkt woningbouwontwikkelingen vanuit een brede maatschappelijke context. Dit vraagt een integrale aanpak van locaties en gebieden in de vorm van herstructurering en transformatie/ herbestemming in centra, buurten, wijken, dorpen en het buitengebied. Bij haar keuzes houdt de provincie rekening met samenhangende belangen zoals leegstand bij detailhandel, kantoren, maatschappelijk vastgoed, monumenten, etc. Daarnaast beziet de provincie de woningopgave altijd in samenhang met veiligheid en leefbaarheid. De beoogde ontwikkeling betreft een inbreidingslocatie waarbij functieverandering plaatsvindt van een incourante functie 'cultuur en ontspanning' waar geen invulling aan wordt gegeven, naar een meer courante functie 'wonen'. Met de voorliggende plannen wordt ingezet op de gewenste aanvulling op het huidige aanbod in deze kern en het geven van een kwaliteitsimpuls ter plaatse van het plangebied en aan de N271. 3.2.2
Omgevingsverordening Limburg 2014
Naast het POL2014 (inmiddels vervangen door de nieuwe Provinciale Omgevingsvisie Limburg (zie subparagraaf hiervoor) is ook de Omgevingsverordening Limburg 2014 op 12 december 2014 vastgesteld. Deze verordening blijft nog geldig tot dat de nieuwe Omgevingswet in werking treedt. Hierin staan de regels die nodig zijn om het omgevingsbeleid uit de omgevingsvisie juridische binding te geven. Planspecifiek Uit de kaarten behorende bij de Omgevingsverordening Limburg 2014 blijkt dat het plangebied ligt binnen een beschermingszone ten behoeve van natuur en landschap, namelijk de Goudgroene natuurzone. Binnen de Omgevingsverordening worden deze natuurzones planologisch beschermd door een nee-tenzij bescherming. Hierover wordt in de Omgevingsverordening het volgende aangegeven: "een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op een gebied dat deel uitmaakt van de Goudgroene natuurzone, maakt geen nieuwe activiteiten dan wel wijziging van bestaande activiteiten mogelijk die de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied aantasten". Omdat de beoogde woningbouwontwikkeling plaatsvindt ter plaatse van de al bestaande, te slopen bebouwing, en in de bestaande situatie het hele plangebied gebruikt kan worden voor de functie 'cultuur en ontspanning' treden er geen negatieve effecten op voor de kenmerken en waarden van het gebied.
Het aantal verkeersbewegingen en het gewijzigde gebruik en de bebouwde oppervlakte zijn niet zodanig dat dit (significant) negatieve effecten oplevert. Bovendien wordt in de toekomstige situatie een groot deel van het plangebied ter bescherming van de huidige natuurwaarden voorzien van de bestemming 'Natuur'. 3.2.3
Conclusie
In het plangebied zijn geen provinciale belangen in het geding.
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1
Omgevingsvisie Bergen 2030
In de afgelopen jaren is ook in de gemeente Bergen veel veranderd op het gebied van onder andere bevolkingsopbouw, duurzaamheid en economie. Daarom heeft de gemeenteraad op 23 april 2019 de Omgevingsvisie Bergen 2030 vastgesteld. Deze visie bepaalt in welke richting de gemeente zich wil ontwikkelen.
bestemmingsplan "Moleneind 2a" (vastgesteld)
17
bestemmingsplan Moleneind 2a
De Omgevingsvisie heeft betrekking op het hele grondgebied van de gemeente Bergen, met uitzondering van het gebied Wells Meer. Concrete aanvragen van overheden, organisaties, ondernemers en burgers toetst Gemeente Bergen voortaan aan de tien navolgende uitgangspunten van deze visie: 1. Waterbeheer op maat; 2. Voorzieningen bereikbaar houden; 3. Verder bouwen aan een gezonde leefomgeving; 4. Energie onafhankelijk in 2030; 5. Woningvoorraad op maat; 6. Versterken natuurwaarden en biodiversiteit; 7. De meest toekomstbestendige gemeente; 8. Leefklimaat in de dorpen verbeteren; 9. Landschap en Landbouw in balans; 10. Kwaliteitsslag en zonering recreatievoorzieningen. Planspecifiek Uit de visiekaart blijkt dat de hele bestaande kern van Well is aangemerkt als 'lokale centra voor voorzieningen en zorg in Afferden, Siebengewald, Well & Wellerlooi behouden & versterken' (doel 2). Door het toevoegen van maximaal 12 woningen wordt bijgedragen aan de versterking van Well als lokaal centrum voor voorzieningen. Daarnaast wordt een bijdrage geleverd aan een woningvoorraad op maat (doel 5): het meer levensloopbestendig en duurzaam maken van de woningvoorraad door maximaal 12 appartementen levensloopbestendig uit te voeren. Er is steeds meer behoefte aan relatief kleine woningen voor ouderen en jongeren in de vorm van appartementen of grondgebonden woningen.
De appartementen zijn geschikt voor de huisvesting van senioren, maar ook jongere één- en twee persoonshuishoudens en kleine gezinnen kunnen hier prima wonen. Tevens worden de woningen gerealiseerd zonder gasaansluiting en volgens de meest recente isolatienormen. De realisatie van de woningen draagt daarmee bij aan de ambitie van de gemeente Bergen om in 2030 energie onafhankelijk te worden (doel 4). Het initiatief kan bijdragen aan de ambitie natuurwaarden en biodiversiteit te versterken (doel 6). Het perceel maakt deel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en grenst tevens aan Nationaal Park De Maasduinen. Als huidige bestemming geldt 'Cultuur en ontspanning', door de bestemming grotendeels te wijzigen naar 'Natuur', worden de huidige natuurwaarden verankerd en behouden. 3.3.2
Volkshuisvestingsprogramma gemeente Bergen (2025 - 2030)
De gemeenteraad heeft op 17 december 2024 het Volkshuisvestingsprogramma gemeente Bergen (2025 - 2030) vastgesteld. De gemeente heeft de ambitie om gemeente Bergen uit te bouwen tot de meest toekomstbestendige gemeente van Nederland. Dit betekent dat ze een aantrekkelijke woongemeente wil zijn met een passend en toekomstbestendig aanbod. De gemeente wil dat al haar inwoners (zowel jong als oud) hun woonwensen zoveel mogelijk binnen de eigen gemeentegrenzen kunnen realiseren. Hiervoor stemt de gemeente het woningaanbod af op de vraag. De gemeente heeft nadrukkelijk aandacht voor de juiste woning op de juiste plek. Het is daarbij belangrijk dat mensen zo lang mogelijk thuis kunnen blijven wonen en mee kunnen (blijven) doen in de samenleving. De gemeente zet daarom in op een gezonde leefomgeving en een prettig leefklimaat in de dorpen. De gemeente wil een aantrekkelijke woongemeente zijn en blijven voor al haar inwoners. Hiervoor is vernieuwing nodig. Tot en met 2026 voegt de gemeente daarom minimaal 400 bouwtitels toe. Eén bouwtitel geeft het recht op de bouw van één woning. De gemeente zet daarbij de in 2022 ingezette lijn (realiseren van bouwtitels) door en maakt snelheid in de voor- en procedurefase van woningbouwplannen.
18
bestemmingsplan "Moleneind 2a" (vastgesteld)
bestemmingsplan Moleneind 2a
De gemeente voegt in alle dorpen bouwtitels toe en doet dit om haar dorpen vitaal en leefbaar te houden en om ervoor te zorgen dat inwoners hun wooncarrière (indien gewenst) zoveel mogelijk binnen hun eigen dorp kunnen maken. De afgelopen jaren is namelijk te zien dat maar weinig jongeren een woning kunnen vinden in hun eigen dorp. Door het gebrek aan opties verlaten ze hun dorp (en de gemeente). Hierdoor komt het voorzieningenniveau en de leefbaarheid onder druk te staan. Dit moet in de toekomst voorkomen worden. Op basis van de meest actuele huishoudensprognose (inclusief migratie) is er in de gemeente Bergen in de periode 2024 t/m 2030 behoefte aan zo’n 305 extra woningen. Het zwaartepunt van de behoefte ligt in de dorpen Nieuw Bergen en Well, maar ook in alle andere dorpen is behoefte aan extra woningen. Er is vooral behoefte aan extra nultredenwoningen. De behoefte is het grootste in het sociale huur-, middenhuur- en koopsegment. Daarom focust de gemeente eerst op deze segmenten. Ook na 2030 blijft de gemeente Bergen licht groeien. Tussen 2030 en 2040 stijgt het aantal huishoudens nog met zo’n 125. Met de gemeentelijke ambitie om tot en met 2026 400 bouwtitels toe te voegen, vult de gemeente haar woningbehoefte (circa 430 extra woningen tot 2040) dus deels versneld. In de prognose wordt echter nog geen rekening gehouden met het inlopen van het huidige woningtekort.
Deze bedraagt in de gemeente Bergen zo’n 80 woningen. Dit resulteert in een totale opgave van 510 woningen tot 2040. In onderstaande tabel is, aansluitend op bovenstaande woningbehoefte, de indicatieve woningbouwopgave per dorp uiteengezet in een bandbreedte. Deze moet als richtinggevend te worden gezien:
Planspecifiek De locatie Moleneind 2a ligt binnen het bestemmingsplan Well en maakt op basis van de begrenzing van de Wegenwet en de Wegenverkeerswet deel uit van de bebouwde kom van het dorp Well. De locatie kan derhalve gezien worden als een inbreidingslocatie. Met het voorliggende initiatief worden maximaal 12 appartementen toegevoegd op een herbestemmingslocatie. Aan de bestaande bestemming 'Cultuur en ontspanning' wordt geen invulling meer gegeven. De locatie staat al langere tijd leeg en is door verpaupering een 'rotte plek' aan de N271 geworden. Herbestemmen levert een bijdrage aan de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse en van de N271. Het doel is om hier een nieuw woongebouw met middeldure koop- en/of huurappartementen te realiseren. De locatie met zijn ruime groene omgeving leent zich hier goed voor. De nieuwe woningen zijn verder duurzaam (gasloos en BENG) en dragen bij aan een meer gevarieerde wijkopbouw in Well en dragen bij aan de invulling van de woonbehoefte van 90 à 110 woningen in het dorp Well. Er zit de komende jaren nog groei in de 65+ groep. De gemeente zet daarom in op het in samenhang invullen van de woonbehoefte vanuit vooral de ouderendoelgroep. Deze appartementen kunnen zorgen voor doorstroming op onze woningmarkt doordat senioren die graag kleiner willen gaan wonen hun eengezinswoning verlaten.
Die woningen komen dan beschikbaar voor gezinnen met kinderen. Om de appartementen geschikt te maken voor de oudere doelgroep, zal het gebouw voorzien worden van een lift.
bestemmingsplan "Moleneind 2a" (vastgesteld)
19
bestemmingsplan Moleneind 2a
Onder deze voorwaarden kunnen de appartementen een passende aanvulling vormen op het woningaanbod van Bergen en past dit initiatief binnen de woonvisie van de gemeente. 3.3.3
Conclusie
In het plangebied zijn geen gemeentelijke belangen in het geding.
3.4
Conclusie
Het plan is passend binnen c.q. niet strijdig aan het beleid van de verschillende overheden.
20
bestemmingsplan "Moleneind 2a" (vastgesteld)
bestemmingsplan Moleneind 2a
Hoofdstuk 4
Milieu- & omgevingsaspecten
4.1
Verkeer & parkeren
4.1.1
Parkeren
Op 25 april 2023 heeft de gemeenteraad de Nota parkeernormen (gemeente Bergen L.) vastgesteld. Daarom is op basis van deze nota het aantal benodigde parkeerplaatsen bepaald. Het plangebied is gelegen in de zone 'rest bebouwde kom' en er wordt worst-case uitgegaan van de categorie 'koop, appartement, middel (60 - 110 m²) met een parkeernorm van 1,9 parkeerplaatsen per appartement. Dit leidt tot de navolgende parkeerbehoefte:
De parkeernorm geeft aan wat de parkeerbehoefte van een functie is. Wanneer binnen een gebied meerdere functies aanwezig zijn of worden gebouwd, vallen de pieken in parkeerbehoefte van die functies niet altijd op hetzelfde moment. Bij woningen is de parkeerbehoefte bijvoorbeeld op werkdagen in de avond en nacht maximaal. Het moment waarop alle gecombineerde functies tezamen een maximale parkeerbehoefte genereren wordt de maatgevende parkeerbehoefte genoemd. De maatgevende parkeerbehoefte wordt bepaald aan de hand van de aanwezigheidspercentages. Hierbij wordt bij woningen het bewonersdeel en het bezoekersdeel van de toekomstige parkeerbehoefte van elkaar gescheiden. Uitgaande van dubbelgebruik van het bewoners- en bezoekersdeel van de 12 beoogde woningen bedraagt de maatgevende parkeerbehoefte 20,2 parkeerplaatsen, afgerond 21 parkeerplaatsen. Er is voldoende ruimte in het plangebied aanwezig om in deze parkeerbehoefte te voorzien. Op de verbeelding is ten behoeve van deze parkeerplaatsen een aanduiding 'parkeren' opgenomen. 4.1.2
Verkeer
De gemeente Bergen (L.) is qua stedelijkheidsgraad aan te merken als een 'weinig stedelijk' gebied en het plangebied maakt onderdeel uit van de 'rest bebouwde kom'. De voertuiggeneratie van 12 appartementen (koop of huur is nog niet bekend, maar worst-case wordt uitgegaan van de categorie 'koop, appartement, midden). De voertuiggeneratie komt daarmee volgens publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' van het CROW (uitgaande van het gemiddelde van de aangegeven bandbreedte) uit op het navolgende aantal voertuigbewegingen per etmaal: Nieuw
Aantal Norm Totaal
Koop, appartement, midden
12
6,0
72,0
De toename van het aantal voertuigbewegingen bedraagt 72 extra voertuigbewegingen per etmaal. Bij de voormalige functie was natuurlijk ook sprake van een voertuigaantrekkende werking, maar omdat het pand is afgebrand, worden deze aantallen 'worst-case' buiten beschouwing gelaten. Het plangebied wordt ontsloten via de bestaande inrit die uitkomt op de N271. Het aspect 'verkeer' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
bestemmingsplan "Moleneind 2a" (vastgesteld)
21
bestemmingsplan Moleneind 2a
4.2
Bodem
4.2.1
Regelgeving
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet in verband met de uitvoerbaarheid van een project rekening worden gehouden met de bodemgesteldheid. Bij functiewijzigingen moet worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig moet worden gesaneerd, dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). De Wet bodembescherming heeft betrekking op landbodems; waterbodems vallen onder de Waterwet. Op grond van de Woningwet en de Bouwverordening moet voor elke individuele bouwlocatie aangetoond te worden dat de bodem geschikt is voor de beoogde bebouwing, alvorens een omgevingsvergunning verleend kan worden. Bij het opstellen van een bestemmingsplan is de vraag of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en of deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Het uitgangspunt hierbij is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem en dat de bodemkwaliteit niet verslechtert door grondverzet. Dit is het zogenaamde stand still-beginsel.
Het vaststellen van de bodemkwaliteit wordt bij het opstellen/wijzigen van een bestemmingsplan dan ook alleen van belang geacht voor de locaties waar ontwikkelingen gepland zijn (zoals functiewijzigingen, bouwen, graven/ophogen). 4.2.2
Doorvertaling bestemmingsplan
Verkennend bodemonderzoek Er is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd in het plangebied. De rapportage van dit onderzoek is als bijlage 1 bij de toelichting gevoegd. Conclusies Voor de uitvoering van het verkennend bodemonderzoek volgens NEN 5740 is uitgegaan van een diffuus belaste locatie met heterogeen verdeelde verontreiniging voor wat betreft het bebouwde en verharde terreindeel en de onderzoekshypothese 'onverdacht' voor het bosgebied. Voor het bebouwde en verharde terreindeel is tevens een verkennend bodemonderzoek asbest volgens NEN 5707 in combinatie met NEN 5897 uitgevoerd. In het onderzoek is tevens aandacht geschonken aan de kwaliteit van de funderingslagen onder de toegangsweg en parkeerplaatsen. Bij de uitvoering van het veldonderzoek zijn voor wat betreft de grond geen waarnemingen gedaan die duiden op de aanwezigheid van bodemverontreiniging. Onder de verharding van de toegangsweg bevindt zich een funderingslaag bestaande uit zandcement, gebroken asfalt en/of ongebroken puin. Op één monsterpunt is in de puinlaag een aantal fragmenten asbestverdacht materiaal aangetroffen. Uit de resultaten van het laboratoriumonderzoek van de vaste bodem volgt dat hierin incidenteel (zeer) lichte verontreinigingen met PAK voorkomen. Het grondwater is niet verontreinigd.
In de bovengrond rondom het pand blijkt het gehalte PFOS verhoogd ten opzichte van de toepassingswaarden voor de functie wonen/industrie. In het verkennend bodemonderzoek asbest is voor wat betreft de grond in zowel het veld- als laboratoriumonderzoek, in het geheel geen asbest aangetroffen. Het in het verkennend bodemonderzoek van 2018 vastgestelde asbestgehalte van 99 mg/kg d.s. is in dit onderzoek niet bevestigd. In de funderingslaag van de terreinverharding is op één monsterpunt een aantal fragmenten asbestverdacht materiaal aangetroffen wat resulteert in een gehalte van 350 mg/kg d.s. dat de hergebruiksnorm voor asbest in bouwstoffen overschrijdt. Verder is in de funderingslagen geen asbest aangetroffen. In de zandfractie van de funderingslaag overschrijden, getoetst als grond, de gehalten minerale olie en zink de maximale waarden voor de bodemkwaliteitsklasse industrie. Het verhoogde gehalte minerale olie is mogelijk te relateren aan asfaltbijmenging. Getoetst als bouwstof is geen sprake van normoverschrijdingen.
22
bestemmingsplan "Moleneind 2a" (vastgesteld)
bestemmingsplan Moleneind 2a
Het gebroken asfalt dat op een aantal monsterpunten als fundering onder de terreinverhardingen is aangetroffen is niet-teerhoudend en komt in aanmerking voor hergebruik. Aanbevelingen De resultaten van onderhavig bodemonderzoek geven, in combinatie met de resultaten van de in het verleden op de locatie uitgevoerde onderzoeken, voldoende inzicht in de bodemkwaliteit van de projectlocatie. In algemene zin wordt de locatie geschikt geacht voor herontwikkeling van de bebouwing voor bijvoorbeeld woondoeleinden. Bij het uitvoeren van grondwerkzaamheden op de locatie dient voor wat betreft de bovengrond rondom de bebouwing vanwege de overschrijding van de toepassingswaarde wonen/industrie voor PFOS, vermenging met andere grondstromen te worden vermeden. Geadviseerd wordt om vooraf een aanvullend bodemonderzoek in te stellen om inzicht te krijgen in de positie en omvang van het grondlichaam met verhoogde gehalten PFOS. Grond met gehalten PFOS boven de toepassingswaarde wonen/industrie is niet elders herbruikbaar. De funderingslaag van de terreinverhardingen bevat plaatselijk asbest boven de hergebruiksnorm. Het eventueel opbreken van de terreinverhardingen en funderingslagen dient vooraf te worden afgestemd met het betrokken bevoegde gezag en bij de uitvoering dienen passende (veiligheids)maatregelen te worden getroffen.
Uitvoering van aanvullend onderzoek ter afbakening van de verontreiniging met asbest kan noodzakelijk zijn. Met asbest verontreinigde materiaalstromen zijn niet herbruikbaar en dienen te worden afgevoerd naar een erkend verwerker. Aanvullend bodemonderzoek Naar aanleiding van het verkennend bodemonderzoek is er een aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd. De rapportage van dit onderzoek is als bijlage 2 bij de toelichting gevoegd. Uit het aanvullend onderzoek blijkt dat het oppervlak waarover het gehalte PFOS 3 mg/kg of meer bedraagt circa 110 m² (15 x 7,5 m) is. Bij een laagdikte van 0,5 m geeft dit een verontreinigd bodemvolume van circa 55 m³. Hierin zit ook nog een deel bestrating. Een aandachtspunt bij een sanering is dat aan de rand van de verontreiniging een viertal bomen staat met een diameter van 25 tot 40 cm. Voor de sanering van de verontreiniging tussen deze bomen moeten deze ofwel worden gekapt of moet de grond eventueel met een zuigwagen worden verwijderd. Dit is mede afhankelijk van de toekomstplannen (maar in dit stadium nog niet duidelijk). Als de bomen gehandhaafd blijven is acceptatie van een hoger restgehalte dan 3 µg/kg d.s. mogelijk ook acceptabel maar dat is aan het bevoegd gezag. Het aspect 'bodem' vormt, na uitvoering van de benodigde sanering, geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
4.3
Geluid
4.3.1
Regelgeving
Belangrijke basis voor de ruimtelijke afweging van het aspect geluid is de Wet geluidhinder (Wgh). Overeenkomstig de Wgh zijn (spoor-)wegen en industrieterreinen waar zich grote lawaaimakers kunnen vestigen voorzien van zones. Het gebied binnen deze zones geldt als akoestisch aandachtsgebied waar een toetsing uitgevoerd moet worden. Daarbij beperkt de Wgh zich tot een toetsing ter plaatse van zogenaamde geluidsgevoelige objecten. Dit zijn onder andere woningen, onderwijsgebouwen, gezondheidszorggebouwen, kinderdagverblijven, woonwagenstandplaatsen en ligplaatsen voor woonboten. Voor de geluidsgevoelige gebouwen en terreinen die binnen bepaalde afstanden (zones) van de verschillende geluidsbronnen liggen, schrijft de Wgh voor dat een aangewezen bevoegd gezag (meestal Burgemeester en Wethouders) (maatwerk)grenswaarden bepaalt. De terminologie die de wet hiervoor hanteert is: ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting. De getalsmatige invulling van deze grenswaarden voor nieuwe of bestaande geluidgevoelige bestemmingen verschillen per locatie en per geluidssoort. Naast grenswaarden op de gevels van de geluidsgevoelige gebouwen, zijn er in de Wgh ook grenswaarden gericht op de bescherming van het akoestische klimaat binnen de bestaande gebouwen.
bestemmingsplan "Moleneind 2a" (vastgesteld)
23
bestemmingsplan Moleneind 2a
De grenswaarden moeten bij de aanleg, dan wel wijzigingen van een (spoor)weg of industrieterrein in acht worden genomen. Dit geldt ook bij vaststelling of herziening van een bestemmingsplan of bij een projectbesluit wanneer de betreffende gronden/gebouwen voor een geluidgevoelige functie in een geluidszone zijn gelegen. Onder bepaalde voorwaarden is een hogere geluidsbelasting dan de voorkeursgrenswaarde mogelijk (tot de maximaal toelaatbare geluidsbelasting). Hiervoor moet een “hogere waarde procedure” worden doorlopen door het college van burgemeester en wethouders. Een uitzondering waar toetsing aan de grenswaarden niet hoeft, is wanneer een geluidsgevoelig gebouw een zogenoemde 'dove' gevel heeft. Een 'dove gevel' is een bouwkundige constructie: waarin geen te openen delen aanwezig zijn en met een bepaalde geluidwering; waarin alleen bij uitzondering te openen delen aanwezig zijn, mits de delen niet direct grenzen aan een geluidsgevoelige ruimte. Bij ontheffing van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting kan (in het kader van de omgevingsvergunning) een nader akoestisch onderzoek noodzakelijk zijn ten behoeve van het woonen leefklimaat in de woning.
De karakteristieke geluidwering van de gevel moet voor nieuwbouw zodanig zijn dat wordt voldaan aan de eisen uit het Bouwbesluit, zijnde het verschil tussen de geluidsbelasting op de gevel en het gewenste binnenniveau met een minimum van 20 dB. Wegverkeerslawaai In de Wgh en het Bgh is de zonering van wegen en het daarbij horende normenstelsel geregeld. Een zone is het akoestisch aandachtsgebied. Volgens de Wgh bevinden zich langs alle wegen wettelijke geluidzones, met uitzondering van woonerven, 30-km/uur-gebieden en wegen waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveaukaart blijkt dat de geluidsbelasting op 10 m uit de meest nabij gelegen wegas 48 dB of minder bedraagt. Bij vaststelling van een bestemmingsplan moet voor alle wegen waarvan de zone een overlap met het plangebied kent, een akoestisch onderzoek worden verricht (artikel 76 lid 1 Wgh). De breedte van deze zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en de aard van de omgeving (stedelijk of buitenstedelijk), zie navolgende tabel:
Overzicht zonebreedtes (vanaf de as van de weg tot de volgende breedte aan weerszijden van de weg) De definities van het buitenstedelijk en stedelijk gebied zijn opgenomen in artikel 1 van de Wgh. Als buitenstedelijk gebied wordt aangemerkt het gebied buiten de bebouwde kom en het gebied binnen de zone van een autoweg of autosnelweg, die binnen de bebouwde kom ligt. Voor nieuwe woningen bedraagt de wettelijke (voorkeurs)grenswaarde 48 dB. 4.3.2
Doorvertaling bestemmingsplan
Wegverkeerslawaai Omdat de nieuwe woningen zijn gelegen in de wettelijk vastgestelde zone van de N271 (ter plaatse genaamd 'Moleneind') is akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. In deze paragraaf zijn de resultaten van dit onderzoek beknopt weergegeven; de volledige rapportage is als bijlage 3 bij de toelichting opgenomen. Bouwbesluit (inmiddels opgevolgd door het Besluit bouwwerken leefomgeving) De geluidbelasting bedraagt op zijn hoogst 57 dB ter plaatse van de oostgevel. De vereiste karakteristieke geluidwering Ga;k bedraagt dan ten hoogste 57 – 33 = 24 dB (eis uit het bouwbesluit). Hogere waarden Een hogere waarde is nodig omdat niet alle berekende geluidsniveaus komend van de gezoneerde wegen in de omgeving onder de voorkeursgrenswaarde van 48 dB liggen. Maatregelen worden niet doelmatig geacht, het verlenen van een hogere waarde blijkt mogelijk. Het (ontwerp)besluit hogere waarden is opgenomen achteraan het akoestisch onderzoek in bijlage 3.
24
bestemmingsplan "Moleneind 2a" (vastgesteld)
bestemmingsplan Moleneind 2a
Woon- en leefklimaat De milieukwaliteit wordt bij het gebouw geclassificeerd als 'Zeer Goed' tot 'Matig'. Het woon- en leefklimaat ter plaatse van het gebouw wordt als acceptabel aangemerkt. Er kan gesteld worden dat de cumulatieve geluidsbelasting (wegverkeer) een aanvaardbaar woon- en leefklimaat niet in de weg staat. Railverkeerslawaai De nieuwe woning is niet gelegen binnen de zone van een spoorlijn. Akoestisch onderzoek naar railverkeerslawaai is derhalve niet benodigd. Industrielawaai De nieuwe woning is niet gelegen binnen de zone van een geluidgezoneerd industrieterrein. Akoestisch onderzoek naar industrielawaai is derhalve niet benodigd. Het aspect 'geluid' vormt, na verlening van de hogere waarden, geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.4
Milieuzonering
4.4.1
Regelgeving
Wanneer ruimtelijke ontwikkelingen in de directe omgeving van inrichtingen en/of bedrijven worden gerealiseerd, zal een milieukundig onderzoek uit moeten wijzen in hoeverre er sprake is van mogelijke beperkingen ten gevolge van de aanwezige inrichtingen en of bedrijven. Maar ook andersom moet aandacht worden besteed aan de rechten van de aanwezige inrichtingen en/of bedrijven. Het is immers niet de bedoeling dat nieuwe ontwikkelingen de huidige bedrijfsvoering in de directe omgeving zullen beperken. Datzelfde geldt uiteraard ook voor de situatie dat inrichtingen en/of bedrijven wijzigen in de nabijheid van bestaande gevoelige functies. Via de milieuwetgeving wordt milieuhinder zoveel mogelijk voorkomen. Alle bedrijven en inrichtingen die in potentie hinder zouden kunnen veroorzaken, moeten een vergunning hebben in het kader van de Wet milieubeheer of moeten middels een melding aantonen dat zij aan de hierin gestelde richtwaarden kunnen voldoen. De gestelde richtwaarden zijn veelal vertaald in minimale afstanden tussen de inrichtingen waar activiteiten plaatsvinden en de milieugevoelige functies in de directe omgeving. Behalve van de aard en omvang van een bedrijf of inrichting, is deze mede afhankelijk van de omgevingskarakteristiek. Voor een rustige woonomgeving gelden andere afstanden (strengere eisen) dan voor bijvoorbeeld drukke woonwijken of een gemengd gebied.
Voor het vaststellen van de genoemde minimum richtafstanden tussen inrichtingen en milieugevoelige functies worden in de regel de lijsten zoals deze zijn opgenomen in de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' gebruikt. Bedrijven zijn in de VNG-handreiking ingedeeld in een aantal categorieën met bijbehorende gewenste richtafstanden tot milieugevoelige functies. De categorieën geven de zwaarte van bedrijvigheid en mogelijke milieuhinder weer. De richtafstanden kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandstap worden verlaagd indien sprake is van omgevingstype gemengd gebied.
Richtafstanden VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' Bovenstaande tabel geeft een overzicht van de richtafstanden voor verschillende bedrijfscategorieën ten opzichte van een woonwijk en gemengd gebied. Indien de richtafstand niet wordt overschreden, kan verdere toetsing voor het aspect in beginsel achterwege blijven: inpassing is dan mogelijk. Indien niet aan de richtafstanden wordt voldaan, is een nadere beschouwing danwel onderzoek nodig.
bestemmingsplan "Moleneind 2a" (vastgesteld)
25
bestemmingsplan Moleneind 2a
4.4.2
Doorvertaling bestemmingsplan
In de directe omgeving van het plangebied zijn diverse niet-woonfuncties aanwezig. In navolgende tabel zijn de adressen en de maximaal toegestane milieucategorieën van de aanwezige functies aangegeven: Adres
Inrichting
Toelaatbare Maatgevende milieucategorie aspect
Richtafstand Feitelijke (m) afstand (m)
2
geluid
30
35
Kantoor/ 1 dienstverlening
geluid
10
60
Moleneind 4-10 J. van Vegchel Sterrenbos 8
In de directe omgeving komen geen bedrijven voor met een milieucontour die over het plangebied is gelegen. Dit betekent dat de beoogde woningen de betreffende bedrijven niet in hun bedrijfsvoering schaden en de beoogde woningen omgekeerd geen overlast ondervinden van de omliggende bedrijven. Er is dus sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het aspect 'milieuzonering' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.5
Luchtkwaliteit
4.5.1
Regelgeving
De paragraaf luchtkwaliteit in de Wet milieubeheer voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de nieuwe 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als: er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde. een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt. een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging (meer dan 3% ten opzichte van de grenswaarde). Het gaat hier bijvoorbeeld om woningbouwlocaties met één ontsluitingsweg en niet meer dan 1.500 nieuwe woningen, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 3.000 woningen. een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat in werking is getreden nadat de EU in april 2009 derogatie heeft verleend.
Als aannemelijk kan worden gemaakt dat aan één of meerdere van de bovengenoemde criteria wordt voldaan, kan het project zonder toetsing aan de gestelde grenswaarden voor luchtkwaliteit worden uitgevoerd. In de Ministeriële regeling 'niet in betekenende mate bijdragen' zijn voor verschillende categorieën van projecten grenzen gesteld aan de projectomvang, waaronder een project met zekerheid NIBM bijdraagt aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht. Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) extra bescherming: substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 m van een provinciale weg of 300 m van een rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden, waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico's optreden. De zones worden afgemeten vanaf de rand van de weg. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties dus niet als gevoelige bestemming gezien.
26
bestemmingsplan "Moleneind 2a" (vastgesteld)
bestemmingsplan Moleneind 2a
4.5.2
Doorvertaling bestemmingsplan
Beoogd plan betreft een ontwikkeling die NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Dit wordt bevestigd door de uitgevoerde berekening met de NIBM-tool (versie 22 juli 2023):
Goede ruimtelijke ordening Om na te gaan wat de (verwachte) situatie van de luchtkwaliteit in het plangebied is bij monitoringsronde 2022, in de monitoringsjaren 2021 en 2030 gebruik gemaakt van de monitoring van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK). In navolgende tabel is de luchtkwaliteit op het meest nabij gelegen rekenpunt langs de N271 weergeven: 2021 (µg/m³)
2030 (µg/m³)
NO2
12,7
10,0
PM10
16,2
13,5
PM2,5
9,6
7,0
Uit de tabel valt om te maken dat de jaargemiddelde grenswaarden van 40 µg/m 3 (voor NO2 en PM10) en 25 µg/m3 (voor PM2,5) niet worden overschreden. Het plan voegt daar ook geen in betekenende mate verslechtering aan toe. De daggemiddelde norm van 50 µg/m³ voor PM10 mag maximaal 35 dagen per jaar overschreden worden en is voor PM10 belangrijker dan de jaargemiddelde norm van 40 µg/m 3. Uit het CIMLK blijkt dat er sprake is van 6 overschrijdingsdagen in zowel 2021 als in 2030, waarmee ruimschoots aan de norm wordt voldaan. Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.6
Geur
4.6.1
Regelgeving
Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) bevat het beoordelingskader voor geurhinder van veehouderijen die vergunningsplichtig zijn op basis van de Wet milieubeheer (Wm). Het beoordelingskader is als volgt: voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld (in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv)) geldt een maximale geurbelasting) op een geurgevoelig object; voor andere diercategorieën geldt een minimale afstand van de dierenverblijven ten opzichte van geurgevoelige objecten. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden (conform Reconstructiewet) en niet-
bestemmingsplan "Moleneind 2a" (vastgesteld)
27
bestemmingsplan Moleneind 2a
concentratiegebieden en tussen situaties binnen de bebouwde kom en buiten de bebouwde kom. De wet beschrijft in artikel 3 de maximale norm voor geurbelasting van een veehouderij ten opzichte van een gevoelig object in vier situaties, zie navolgende tabel:
Binnen bebouwde kom
Buiten bebouwde kom
Concentratiegebied
Niet-concentratiegebied
diercategorieën Rgv
maximaal 3 ouE/m³
maximaal 2 ouE/m³
andere diercategorieën
minimaal 100 m t.o.v. geurgevoelig object
minimaal 100 m t.o.v. geurgevoelig object
diercategorieën Rgv
maximaal 14 ouE/m³
maximaal 8 ouE/m³
andere diercategorieën
minimaal 50 m t.o.v. geurgevoelig object
minimaal 50 m t.o.v. geurgevoelig object
Geurnormen Wgv De Wgv biedt gemeenten de mogelijkheid om afwijkende geurnormen vast te stellen voor (delen van) het grondgebied. Op deze wijze kan de gemeente een geurhinderbeleid vaststellen dat is afgestemd op de plaatselijke situatie. De gemeente Bergen beschikt over een dergelijke verordening in de vorm van de Verordening geurhinder en veehouderij 2007. Regeling geurhinder en veehouderij In de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) is de wijze vastgelegd waarop: de geurbelasting wordt bepaald; de afstand tussen veehouderij en geurgevoelig object) wordt gemeten. Activiteitenbesluit milieubeheer Per 1 januari 2013 zijn agrarische activiteiten onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit gebracht. In het Activiteitenbesluit zijn voor alle agrarische activiteiten, waaronder akkerbouwbedrijven en veehouderijen, eisen opgenomen. Voor de veehouderijen is aangesloten bij de systematiek uit de Wgv, dat wil zeggen dat in bepaalde gevallen een maximaal toegestane geurbelastingen geldt (diercategorieën waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld, bijvoorbeeld varkens en pluimvee) en in andere gevallen vaste afstandseisen gelden (diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld, waaronder melkrundvee). 4.6.2
Doorvertaling bestemmingsplan
Er is geen sprake van agrarische bedrijven in de directe omgeving met een geurcontour die (deels) over het plangebied gelegen is. Bovendien zijn tussen omliggende agrarische bedrijven en het plangebied al andere gevoelige (woon)bestemmingen gelegen, die maatgevend zijn voor de bedrijfsvoering van de betreffende agrarische bedrijven. Het aspect 'geur' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.7
Externe veiligheid
4.7.1
Regelgeving
Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's die ontstaan voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen als vuurwerk, lpg en munitie over weg, water en spoor en door buisleidingen. Het beleid rondom externe veiligheid is vastgelegd in circulaires, regelingen, AMvB's en wetten. In Nederland worden twee maten gehanteerd voor externe veiligheidsrisico's, namelijk het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Bij het plaatsgebonden risico (PR) gaat het om de kans per jaar dat een denkbeeldig persoon overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen als deze persoon zich onafgebroken en onbeschermd in de nabijheid van een risicovolle inrichting of transportas bevindt. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven als een contour rondom de risicovolle inrichting of de transportas.
28
bestemmingsplan "Moleneind 2a" (vastgesteld)
bestemmingsplan Moleneind 2a
Het groepsrisico (GR) is de cumulatieve kans dat een (werkelijk) aanwezige groep van 10, 100 of 1.000 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico moet verantwoord worden voor het gebied waarbinnen zich de gevolgen van een incident met gevaarlijke stoffen voordoen. Dit is de zogenaamde 1 %-letaliteitsgrens; de afstand vanaf een risicobedrijf waarop nog slechts 1 % van de blootgestelde mensen in de omgeving overlijdt bij een ongeval op het risicobedrijf (invloedsgebied). Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein, bijvoorbeeld rondom chemische fabrieken, LPG-tankstations en spoorwegemplacementen waar goederentreinen met gevaarlijke stoffen rangeren. Deze bedrijven verrichten soms risicovolle activiteiten dichtbij woningen, kantoren, ziekenhuizen, scholen of winkels. Het besluit verplicht gemeenten en provincies wettelijk vanaf de inwerkingtreding van het besluit bij het verlenen van milieuvergunningen en het maken van ruimtelijke plannen met externe veiligheid rekening te houden. Het gaat daarbij niet alleen om het oprichten van of veranderen van inrichtingen of projecteren van nieuwe bestemmingen. Ook bij het vaststellen of herzien van een bestemmingsplan moet de externe veiligheid worden beoordeeld.
In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) is geregeld hoe een gemeente moet omgaan met risico’s langs relevante buisleidingen. De hogedruk gasleidingen van Gasunie zijn het meest relevant. De risico’s worden vooral bepaald door de maximale druk en diameter van de leiding, maar ook door getroffen maatregelen. De Wet basisnet voorziet in een wijziging van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen ('Wvgs') ter verankering van een landelijk basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het basisnet is een samenstel van wegen, binnenwateren en hoofdspoorwegen waaraan een bepaalde risicoruimte voor het vervoer van gevaarlijke stoffen wordt toegekend. Als deze risicoruimte, de zogenaamde risicoplafonds, door een groei van het vervoer van gevaarlijke stoffen wordt overschreden of dreigt te worden overschreden, moet de minister maatregelen nemen. De risicoplafonds moeten daarnaast in acht worden genomen bij het toestaan van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van basisnetroutes. Op deze manier kan de veiligheid langs de transportroutes voor gevaarlijke stoffen in toenemende mate worden gegarandeerd. Gelijktijdig met de Wet Basisnet zijn ook andere regelingen in werking getreden zoals de wijziging van het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen (Bvgs), de Regeling basisnet en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt).
In het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) is een aandachtsgebied gedefinieerd waarbinnen het groepsrisico verantwoord moet worden (200 m). Buiten deze zone hoeft in het invloedsgebied alleen ingegaan te worden op de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid (beperkte verantwoording). 4.7.2
Doorvertaling bestemmingsplan
Op navolgende afbeelding is een uitsnede weergegeven van de provinciale risicokaart. Hierop is informatie weergegeven ten aanzien van inrichtingen met gevaarlijke stoffen, transportroutes en buisleidingen:
bestemmingsplan "Moleneind 2a" (vastgesteld)
29
bestemmingsplan Moleneind 2a
Uitsnede risicokaart met globale aanduiding plangebied (blauwe omkadering, bron: www.risicokaart.nl) Inrichtingen c.q. bedrijven Uit de provinciale risicokaart blijkt dat het plangebied niet is gelegen binnen het invloedsgebied van een risicovolle inrichting. Vervoer van gevaarlijke stoffen door een buisleiding Het plangebied is niet gelegen in de directe nabijheid van aardgastransportleidingen. Vervoer van gevaarlijke stoffen Ten aanzien van de veiligheidsrisico’s in het plangebied als gevolg van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg zijn in beginsel de A- en N-wegen van belang; over deze wegen is structureel vervoer van gevaarlijke stoffen in bulkvervoer toegestaan. Het plangebied ligt op een afstand van circa 45 m tot provinciale weg N271. De N271 is niet aangewezen als Basisnetroute. Op basis van de gegevens van de Risicokaart blijkt dat voor deze weg géén sprake is van PR 10-6-risicocontour. Daarnaast ligt de weg op een dermate afstand van het bouwvlak en het nieuwe woongebouw dat een eventueel aanwezig plasbrandaandachtsgebied niet relevant is. Het plangebied is wel gelegen binnen het invloedsgebied van de N271. Op basis van de vuistregels uit de HART is echter aangetoond dat zowel in de huidige situatie als in de toekomstige situatie de hoogte van het groepsrisico minder van 10 % van de oriëntatiewaarde.