CConstaterende datBergen (L)
Koppel je AI →
Document · PDF

VA Motivering TAM-Omgevingsplan Elsteren 1a Well

Gemeenteraad 12 mei 2026, gemeente Bergen (L)Bij agendapunt: Voorstel tot het gewijzigd vaststellen van het TAM omgevingsplan Elsteren 1a in Well;16.794 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

In een aanzienlijk deel van het plangebied is de bodem naar verwachting tot minimaal 50 cm onder maaiveld verstoord, voornamelijk door de aanleg van de huidige bebouwing en door intensief ploegen. Toch kunnen archeologische resten nog aanwezig zijn, vooral als verstoring heeft plaatsgevonden in een oud bouwlanddek dat mogelijk onderliggende sporen heeft afgeschermd. Gezien er in de huidige situatie sprake is van een hoogteverschil tussen de beoogde woonkavels en de weg, zal het huidige maaiveld worden opgehoogd. De verhoging van het maaiveld ter plaatse van de nieuwe woningen, zal tussen de 60 en 80 cm dik zijn. Wanneer bodemingrepen na ophoging van de grond niet dieper reiken dan 100 cm beneden het nieuwe maaiveld zullen er naar verwachting geen archeologische waarden worden verstoord en wordt geen nader onderzoek geadviseerd. Een en ander is geborgd in de planregels. In het kader van de aanvraag van een omgevingsvergunning luidt het advies dat er geen verdere maatregelen nodig zijn indien de bodemingrepen beperkt blijven tot de bestaande verstoringen. Indien bodemingrepen dieper reiken dan de bestaande verstoringen wordt geadviseerd om een vervolgonderzoek uit te voeren.

5.3

Beschermen van de gezondheid

Conform artikel 1.3 sub a van de Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. Hierbij spelen onder andere aspecten zoals geur, bodem, spuitzones, ligging ten opzichte van veehouderijen en omgevingsveiligheid een belangrijke rol. 28

Spuitzones

Kenmerkend voor de land- en tuinbouw zijn de intensieve teeltsystemen met een relatief hoog gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Bij het spuiten van gewasbeschermingsmiddelen komt drift vrij. Drift is een term die gebruikt wordt voor de spuitvloeistof die tijdens de bespuiting buiten het te behandelen gebied terecht komt als gevolg van wind- en luchtstromen. Drift is hoger bij toepassing in fruitteelt op stam (bijv. appels, peren etc.) dan bij de akkerbouw en lage fruitteelt bijvoorbeeld aardbeien en bessen), waarbij voornamelijk neerwaarts wordt gespoten. Derhalve dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening afstand worden gehouden tussen gevoelige objecten en teeltgebieden ten behoeve van boomteelt. Er zijn geen wettelijke bepalingen over de aan te houden afstand. Op basis van jurisprudentie wordt bij beoordeling van nieuwe ruimtelijke situaties vanwege drift een afstand van 50 meter aangehouden. De agrarisch bestemde gronden rondom het plangebied zijn in eigendom van de initiatiefnemers. Deze gronden zijn ingericht als grasland/weide en worden niet gebruikt ten behoeve van akkerbouw. Gelet op de beperkte ruimte en ligging nabij de Maas en de beoogde woningen, is het ook niet aannemelijk dat deze gronden al dan niet in de toekomst worden ingezet ten behoeve van akkerbouwactiviteiten. Dit vormt dan ook geen belemmering in het kader van spuitzones.

Ten zuiden van het plangebied loopt de Maas. De Maas kent, ten behoeve van onderhoud en bescherming, zones waarbinnen geen bestrijdingsmiddelen gebruikt mogen worden. De gronden aan weerszijden van de Maas hebben daarnaast de bestemming natuur. Binnen dit gebied is het gebruik van pesticiden en herbiciden niet toegestaan. Er geldt hier dan ook geen spuitzone. Gezien het feit dat de gronden tussen de Maas en de beoogde woonkavels in eigendom zijn van de initiatiefnemers en hier geen bestrijdingsmiddelen gebruikt mogen worden, kan worden gesteld dat dit in het kader van spuitzones op het gebied van gezondheid geen belemmering vormt. Ten noorden van het plangebied zijn, aan de overzijde van de weg Elsteren, agrarisch bestemde percelen gelegen. Op deze agrarische percelen mogen gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast. Hierdoor zou drift mogelijk in de voortuin van de woningen kunnen landen. Aangezien de voortuinen geen gebied betreft waar men gedurende langere tijd verblijft, zal dit echter geen invloed hebben op het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen. Daarnaast is er geen sprake van fruitteelt, waarbij opwaarts wordt gespoten, waardoor dit niet voor belemmeringen zorgt.

5.4

Bodem

In het kader van de Omgevingswet dient te worden aangegeven of de bodemkwaliteit geschikt is om een nieuwe functie te realiseren in de fysieke leefomgeving en hoe eventueel bodemverontreiniging kan worden voorkomen. De mate waarin beoordeling van de bodemkwaliteit aan de orde is, is met name afhankelijk van aard en omvang van de functiewijziging. Het is dan ook van belang om te bepalen of er bij het wijzigen van het gebruik van een perceel 29

sprake is van een voor de beoordeling van het aspect bodemkwaliteit al dan niet minder kritisch gebruik. Het onderdeel bodem dient getoetst te worden aan de volgende paragrafen uit artikel 2.34 Bkl: • §5.1.4 Beschermen van de gezondheid en van het milieu; ▪ §5.1.4.5 Bodemkwaliteit; - §5.1.4.5.1 Toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie; - §5.1.4.5.2 Nazorg (in stand houden afdeklagen en tijdelijke beschermingsmaatregelen om blootstelling aan bodemverontreiniging te voorkomen); - §5.1.4.5.3 Aanwijzing bodembeheergebieden en indeling landbodem in bodemfunctieklassen.

Toetsing initiatief

De te realiseren woningen zijn beoogd op een locatie waar in de huidige situatie reeds bebouwing (kassen) aanwezig is. Er is met de bouw van de woningen echter sprake van een gevoeliger gebruik. Dit betekent dat aangetoond dient te worden dat de bodem ter hoogte van de beoogde woningen en om te zetten bedrijfswoning geschikt is voor woondoeleinden. Hiervoor is een bodemonderzoek uitgevoerd. Hieronder zijn de belangrijkste conclusies weergegeven. De volledige onderzoeksrapportage is bijgevoegd in de bijlage. De opslaglocatie van bestrijdingsmiddelen is in principe een bodembedreigende activiteit. Door de aanwezige betonnen vloer en het feit dat de kast inpandig in de loods staat en is afgesloten, wordt de kans op bodemverontreiniging ingeschat als nihil . In het opgeboorde bodemmateriaal is plaatselijk onder de aanwezige klinkerverharding een laag menggranulaat aangetroffen tot circa 0,5 m -mv. Buiten dit menggranulaat zijn er zintuiglijk geen bijzonderheden waargenomen. Uit de analyseresultaten blijkt voor de gehele locatie dat zowel in de bovengrond als in de ondergrond geen overschrijding van de interventiewaarde gemeten is. In de tuinbouwkas zijn in de bovengrond lichte tot matig verhoogde concentraties aan bestrijdingsmiddelen aangetoond.

Met name in het westelijk deel van de tuinbouwkas is een matige verontreiniging aangetroffen met drins alsmede licht verhoogde concentraties aan DDE en DDT. In het oostelijk deel van de tuinbouwkas zijn licht verhoogde concentraties met drins en hexachloorbenzeen aangetroffen. Voor wat betreft de parameters vanuit het standaardpakket bodem zijn in de tuinbouwkas geen verhoogde gehaltes aangetoond. Voor de locatie rondom de tuinbouwkas blijkt dat er slechts licht verhoogde concentraties aan bestrijdingsmiddelen zijn aangetroffen. Tevens zijn er ter plaatse verhoogde concentraties met zware metalen en PCB aanwezig. Indicatief voldoet de bovengrond rondom de tuinbouwkas aan bodemkwaliteitsklasse ‘industrie’. 30

Conclusie bodemonderzoek

De bovengrond in het westelijk deel van de tuinbouwkas is matig verontreinigd met drins en is daarmee niet toepasbaar. Voor het overig deel van de locatie (ter plaatse van de geplande woningen) voldoet de bovengrond aan bodemkwaliteitsklasse ‘industrie’. In het oostelijk deel van de tuinbouwkas is dat op basis van drins en hexachloorbenzeen. Voor de locatie buiten de tuinbouwkas is dat op basis van cadmium en zink. De zandige ondergrond voldoet indicatief aan bodemkwaliteitsklasse ‘landbouw/natuur’. De kleiige ondergrond voldoet indicatief aan bodemkwaliteitsklasse ‘industrie’ op basis van de aangetroffen concentraties PCB, zink en cadmium. De waarde toelaatbare kwaliteit bodem wordt niet overschreden. Vanuit het oogpunt van milieuhygiënische bodemkwaliteit zijn er geen belemmeringen voor dit initiatief.

5.5

Water(systemen)

Op grond van artikel 5.37 van het Bkl moet bij een wijziging of afwijking van het planologisch regime rekening gehouden worden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Daarbij is aangegeven dat daarbij de opvattingen van de beheerder van deze watersystemen moeten worden betrokken. Er zijn diverse beleidsdocumenten op verschillende bestuursniveaus die ten grondslag liggen aan de uitgangspunten op het gebied van duurzaam waterbeheer. De relevante beleidsdocumenten zijn de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW), het Nationaal Waterplan (NW), het Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21), het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) en de Waterwet. Onder de Omgevingswet is het beleid van de waterschappen die de kwaliteit en veiligheid van watersystemen borgen opgenomen in de waterschapsverordeningen. Binnen de ruimtelijke planvorming vormt water een belangrijk aspect. De toename van verhard oppervlak zorgt voor hitte, verdroging en vergroot de kans op wateroverlast. Bij alle ruimtelijke plannen moeten de waterhuishoudkundige doelstellingen binnen het plangebied op een evenwichtige wijze beschouwd worden. Deze zogenaamde Watertoets is verplicht. In paragraaf 5.1.3 van het Bkl zijn aanvullende eisen gesteld ten aanzien van relevante waterhuiskundige elementen.

Toetsing initiatief

De projectlocatie is gelegen binnen het waterbergend rivierbed. Bij de beoordeling van activiteiten binnen het bergend regime wordt gekeken of er een compensatie noodzakelijk is van het verlies aan bergend vermogen (volume) als gevolg van activiteiten onder maatgevend hoogwater. Dit betekent dat bij een toename van het volume aan bebouwing/verharding een compensatie dient plaats te vinden. Vanuit het Rijkswaterstaat is het een vereiste dat de watercompensatie door een en dezelfde (rechts)persoon wordt behaald als de initiatiefnemer van de compensatie. 31

Het volume aan te saneren kassen is groter dan het maximale volume aan bebouwing en verharding welke worden gebouwd en aangelegd ten behoeve van de nieuwe woningen. Het volume aan bebouwing/verharding neemt als gevolg van de ontwikkeling af. In dit geval heeft het slopen van de tuinbouwkassen dan ook een positieve invloed op de waterberging. Gezien er sprake is van een afname van het volume aan bebouwing is er geen compensatie noodzakelijk. Ten behoeve van het bouwen van de nieuwe woningen na sanering van de kassen, is door Rijkswaterstaat een watervergunning verleend. Deze vergunning is bijgevoegd als separate bijlage. De vergunning heeft betrekking op het realiseren van drie nieuwe woningen in plaats van twee. Gelet op een wijziging van de planontwikkeling, is het aantal te realiseren woningen teruggebracht naar twee nieuwe woningen en het omzetten van de bestaande bedrijfswoning naar een reguliere burgerwoning. 5.5.1

Huidige waterhuishoudkundige situatie

Bestaande situatie bebouwing en verhard oppervlak

In het plangebied is sprake van bestaande bebouwing en verhardingen. De bebouwing bestaat uit kassen en de bedrijfswoning met bijgebouwen. Naast de bebouwing zijn er in totaal drie verharde in-/opritten aanwezig. In totaal bedraagt de hoeveelheid verharding en bebouwing circa 6.450 m2.

Ligging van beschermingszones, reserveringsgebieden

Het plangebied heeft de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterbergend rivierbed’ en deels de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’. Deze dubbelbestemmingen worden in dit TAM-Omgevingsplan overgenomen. De beoogde ontwikkeling is voorgelegd aan Rijkswaterstaat. Zij hebben aangeven geen belemmeringen te zien ten aanzien van onderhavige ontwikkeling. In het kader van het gemeentelijk vooroverleg is het ontwerp van het TAMOmgevingsplan (nogmaals) voorgelegd aan Rijkswaterstaat en het waterschap. 5.5.2

Kenmerken huidig watersysteem De kenmerken van de watersystemen, zoals die voorkomen in het plangebied en de omgeving, kunnen beschreven worden door een onderverdeling te maken in de soorten water die in het gebied aanwezig zijn. De belangrijkste zijn: grondwater, oppervlaktewater, afvalwater en hemelwater.

Grondwaterstand en maaiveldhoogte

De gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) binnen het plangebied varieert tussen 190 en 240 cm diepte (figuur 8) en de gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG) (figuur 9) ligt lager dan 250 cm diepte. Met de aanleg van de Groene Rivier wordt verwacht dat de grondwaterstanden in het omliggende gebied met circa 0,5 meter zullen stijgen. Dat zou betekenen dat er in de toekomst sprake is van een GHG tussen 140 en 190 cm diepte en een GLG lager dan 210 cm diepte.

32

Figuur 8 Kaart GHG conform BRO model met plangebied rood omcirkeld

Figuur 9 Kaart GLG conform BRO model met plangebied rood omcirkeld

Maaiveldhoogte

Ter plaatse van de glasopstanden bevindt het maaiveld zich op een hoogte van circa 14,7 m + NAP (figuur 10). De Maatgevende Hoogwaterstand bedraagt 14,35 m +NAP. Hiermee is de locatie geheel hoogwatervrij gelegen en zal de locatie droog blijven bij hoge waterstanden van de rivier.

33

Figuur 10 Kaart AHN hoogte maaiveld +NAP met plangebied rood omcirkeld

Binnen het plangebied is geen sprake van sterke wegzijging (figuur 11). Bij een sterke wegzijging kunnen sloten en greppels droogvallen omdat de grondwaterstand (te) laag is. Dit komt door de neerwaartse stroming van (grond-)water door een slecht doorlatende laag. Ter plaatse van het plangebied is de waterdoorlatendheid van de bodem zeer goed (figuur 12), waardoor dit geen belemmering vormt.

Figuur 11 Kaart mate van kwel en wegzijging met plangebied rood omcirkeld

34

Oppervlaktewater

Op circa 350 meter is rivier de Maas gelegen. In het plangebied zelf is geen oppervlaktewater aanwezig en er zal in de nieuwe situatie tevens geen vorm van oppervlaktewater worden gecreëerd. Ten aanzien van de Maas ligt het plangebied binnen de dubbelbestemmingen ‘Waterstaat – Beschermingszone waterkering’ en ‘Waterstaat – Waterbergend rivierbed’. Binnen deze gebieden gelden nadere regels voor het oprichten van bebouwing. Derhalve is een watervergunning gevraagd voor het toevoegen van woningen. Op 4 december 2024 is door Rijkswaterstaat de watervergunning verleend (bijlage IV), waardoor dit geen belemmering vormt.

Afvalwater In de huidige situatie wordt afvalwater geloosd op het riool. Er zijn geen aanwijzingen die erop wijzen dat er sprake is van een slechte waterkwaliteit.

Hemelwater

In de huidige situatie hebben de glasopstanden een gezamenlijk oppervlakte van circa 5.500 m2. In de huidige situatie wordt het hemelwater van de kassen opgevangen en opgeslagen in een waterbassin. Er wordt dan ook niet rechtstreeks geloosd op oppervlaktewater. 5.5.3

Toekomstige waterhuishoudkundige situatie

Hemelwater

In de huidige situatie wordt het hemelwater afkomstig van de kassen, onder de kassen, in de bodem geïnfiltreerd. Het volume aan bebouwing met bijbehorende erfverharding in de beoogde situatie is kleiner dan het huidige volume aan bebouwing en verharding. Dat wil zeggen dat er geen sprake is van bergingsverlies. In de toekomstige situatie wateren de nieuwe woningen af op eigen terrein. De afname van bebouwing heeft een positieve invloed op de hemelwaterafvoer in het plangebied. Er is namelijk meer ruimte om water direct te laten infiltreren in de grond. Doordat het plangebied hoger gelegen is dan omliggende stukken grond en dus hoogwatervrij ligt, heeft dit geen effect op de bergingscapaciteit van het gebied. Al met al is compensatie van het waterbergend vermogen dan ook niet nodig. Conform de bodemdoorlatendheidskaart van het waterschap Limburg heeft het grootste gedeelte van de bodem binnen het plangebied een zeer goede bodemdoorlaatbaarheid waardoor het water goed kan infiltreren (figuur 12). In de regels van dit bestemmingsplan is een bepaling opgenomen die erop toeziet dat bouwactiviteiten geen negatieve hydrologische gevolgen mogen hebben voor de omliggende gronden en dat de aanleg van een waterhuishoudkundige voorziening op eigen terrein dient plaats te vinden en in stand dient te worden gehouden.

Daarnaast dient rekening te worden gehouden met de eisen uit de Verordening fysieke leefomgeving gemeente Bergen, artikel 3:8. Deze stelt specifieke voorwaarden aan de berging van hemelwater, waaraan het plan moet voldoen. 35

Figuur 12 Uitsnede kaart bodemdoorlatendheid (plangebied blauw omkaderd)

Afvalwater

In de beoogde situatie zijn er binnen het plangebied 3 woningen aanwezig. Deze woningen worden aangesloten op het bestaande gemeentelijke rioleringssysteem. Voor het aansluiten van de twee nieuwe woningen zullen twee nieuwe aansluitingen moeten worden gemaakt. Een gemiddeld huishouden van 4 personen verbruikt circa 170 m³ water per jaar. Uitgaande van bewoning door een gezin van 4 personen zal de hoeveelheid afvalwater, afkomstig van het plangebied toenemen met 340 m³. Daarentegen komt het afvalwater van het te saneren tuinbouwbedrijf te vervallen. Naar alle verwachting is het bestaande rioleringsstelsel in staat deze hoeveelheid afvalwater zonder problemen te verwerken. In het kader van de omgevingsvergunning voor het bouwen, zal dit nader moeten uitgezocht en moeten worden afgestemd in overleg met de rioolbeheerder.

Grondwater

Het grondwater zit in de huidige situatie zodanig diep dat dit geen belemmering vormt voor het plan. Gezien de kleinschalige ontwikkeling en het feit dat er bebouwing wordt geamoveerd dan wordt teruggebouwd is er meer ruimte om water op te vangen en te bergen. Dit heeft tevens een gelijkblijvend dan wel positief effect op het grondwater. Hierbij dient wel rekening te worden gehouden met de verwachte stijging van het grondwater als gevolg van de aanleg van de Groene Rivier. Als de nieuwe woningen worden voorzien van een kelder kan dit wel invloed hebben op het grondwater. Dit betreft een aandachtpunt waardoor mogelijk aanvullende maatregelen moeten worden getroffen. In het kader van de bouwvergunning moet dit nader inzichtelijk worden gemaakt.

36

Waterkwaliteit en beheer

Aangezien de hoeveelheid bebouwing binnen het plangebied afneemt vormt onderhavige ontwikkeling geen belemmering ten aanzien van de bergingscapaciteit van het rivierbed van de Maas. Onderhavige ontwikkeling is tevens voorgelegd aan Rijkswaterstaat en er zijn geen belemmeringen ten aanzien van de ontwikkeling, Derhalve is een watervergunning afgegeven voor het realiseren van de ontwikkeling (bijlage IV).

Conclusie

Uit het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat onderhavige ontwikkeling (geen) belemmeringen vormt voor de afvoer, kwaliteit of infiltratie van water.

5.6

Ecologie

5.6.1

Gebiedsbescherming Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart te worden gebracht en te worden beoordeeld. Wanneer deze mogelijk een negatief effect hebben op beschermde natuur in een Natura 2000-gebied geldt een vergunningsplicht. In het kader van artikel 16:53c lid 1 van de Omgevingswet dient te worden aangetoond dat een plan geen significante effecten op Natura 2000-gebieden heeft.

De Omgevingswet regelt activiteiten die met natuur te maken hebben. Deze natuuractiviteiten gaan over dieren en planten in het wild en gebieden waarin ze leven. Het doel van de regels is onder meer het beschermen van soorten en gebieden. Het aspect ecologie kent dan ook twee subcategorieën: Natura 2000-gebieden en (beschermde) flora en fauna.

Toetsing initiatief

Het plangebied is niet binnen een Natura 2000-gebied gelegen. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden betreffen ‘Maasduinen’ en ‘Boschhuizerbergen' welke op een afstand van respectievelijk 1,3 en 3,3 kilometer van het plangebied zijn gelegen (figuur 13). Ontwikkelingen kunnen een significant negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden door onder andere een aanzienlijke toename van het aantal verkeersbewegingen en sloop- en bouwwerkzaamheden. Met AERIUS calculator is de stikstofdepositie voor de beoogde ontwikkeling in kaart gebracht. Voor de volledige rapportdagen wordt verwezen naar de bijlagen.

37

Figuur 13 Dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden t.o.v. projectlocatie (bron: AERIUS calculator)

Uit de AERIUS berekening volgt dat geen toename (> 0,00 mol/ha/jaar) van stikstofdepositie ter plaatse van Natura 2000-gebieden plaatsvindt als gevolg van het plan. Hiermee vormt stikstof geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling aan Elsteren 1a te Well. 5.6.2

Soortenbescherming In de Omgevingswet wordt de bescherming en instandhouding van planten- en diersoorten die in het wild voorkomen geregeld. Daarnaast dienen alle in het wild levende planten en dieren in principe met rust te worden gelaten. Eventuele schade aan in het wild levende planten en dieren dient beperkt te worden middels het nemen van mitigerende maatregelen. Als mitigatie niet voldoende is om schade te voorkomen is het verplicht de resterende schade te compenseren. In dit geval is de definitie van een flora- en fauna-activiteiten een 'Activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten'. Door deze strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: • Er soorten aanwezig zijn; en • Welke soorten dat zijn. In artikel 11.27 van het Bal is opgenomen dat degene die een flora- en faunaactiviteit verricht en weet, of redelijkerwijs kan vermoeden, dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen (bedoeld in artikel 11.23 Bal), verplicht is:

38

a. Alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden

gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. Voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen c.

zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en Als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

Toetsing initiatief

Aangezien er binnen het plangebied kassen worden verwijderd en nieuwe bebouwing wordt gebouwd, is bekeken of het voornemen naar verwachting een negatief effect kan hebben op de staat van instandhouding van beschermde soorten. Door het verwijderen van de kassen zal er sprake zijn van een vermindering van lichtuitstraling en verharding. Doordat er veelal verharding aanwezig is en sprake is van kunstmatige verlichting, wordt het plangebied niet als geschikt habitat of foerageergebied voor diersoorten geacht. Er wordt naast de kassen geen andere bebouwing gesloopt en er worden tevens geen bomen gekapt, waardoor significant negatieve effecten op soortenbescherming niet zijn te verwachten. De nieuwe situatie is ten aanzien van flora en fauna dan ook een verbetering ten opzichte van de huidige situatie.

5.7

Geluid

Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van een of meerdere geluidgevoelige objecten, dient te worden getoetst aan de regels zoals die aangaande het aspect ‘geluid’ zijn opgenomen in de Omgevingswet. Deze regels in de Omgevingswet betreffen enerzijds ‘direct werkende regels’ (regels die rechtstreeks gelden voor bedrijven, burgers en initiatiefnemers bij het uitvoeren van een activiteit) en anderzijds ‘instructieregels’ (algemene regels waarmee een bestuursorgaan aan een ander bestuursorgaan aangeeft hoe een taak of bevoegdheid op het gebied van ‘geluid’ moet worden uitgeoefend). 1. Direct werkende regels omtrent ‘geluid’ zijn/worden door de gemeente vastgelegd in het gemeentelijk Omgevingsplan; 2. Instructieregels omtrent ‘geluid’ zijn terug te vinden in het Bkl en de Provinciale omgevingsverordening. Omdat de rijksoverheid in het kader van gezondheid en milieu mensen wil beschermen tegen geluid, zijn er voor wat betreft de verschillende situaties onder 1 en 2 in het Bkl concrete standaard- en grenswaarden vastgelegd. Voldoen aan de standaardwaarde is vanzelfsprekend het hoofduitgangspunt in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling. Als voldaan wordt aan de standaardwaarde, is het geluid in ieder geval aanvaardbaar en de kans op gezondheidsschade klein.

Het bevoegd gezag mag echter meer geluid dan de standaardwaarde als aanvaardbaar beoordelen.

Toetsing initiatief

Met onderhavige ontwikkeling worden twee nieuwe geluidsgevoelige objecten toegevoegd. In de omgeving zijn geen geluidgezoneerde bedrijven aanwezig, 39

waardoor het aspect ‘industrielawaai’ geen belemmering vormt. Daarnaast betreft de weg Elsteren een relatief rustige weg waarbij er geen sprake zal zijn van meer dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal. Voor wegen tot 1.000 motorvoertuigen per etmaal is het niet noodzakelijk om een akoestisch onderzoek uit te laten voeren gelet op de verwachte minimale geluidsbelasting door wegverkeerslawaai. Derhalve zal het aspect geluid geen belemmering vormen voor de ontwikkeling.

5.8

Kwaliteit van de buitenlucht

Om de risico's van luchtverontreiniging voor mens en natuur te beperken, zijn op Europees niveau normen vastgelegd. De Europese richtlijnen Luchtkwaliteit en Gevaarlijke stoffen in de lucht stellen grenswaarden en streefwaarden voor stoffen die de kwaliteit van de buitenlucht beïnvloeden. Deze zijn als rijksomgevingswaarden vastgelegd in paragraaf 2.2.1 van het Bkl. In Artikel 5.50 t/m 5.54 Bkl worden vervolgens de kaders gesteld waarbinnen al dan niet getoetst moet worden aan de luchtkwaliteitseisen. In het kader van een ruimtelijk plan dient het bevoegd gezag te toetsen of aan de (rijks)omgevingswaarden wordt voldaan. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor de beoogde planontwikkeling: a. Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. Een plan leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c. Een plan draagt ‘niet in betekende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging (een plan is ‘NIBM’ als dat blijkt uit de NIBM-Tool, of als deze valt onder de ‘standaardgevallen niet in betekenende mate luchtkwaliteit’ (artikel 5.54 Bkl).). d. Een plan betreft een locatie waarvoor in artikel 5.52 Bkl een uitzondering is opgenomen.

Ter plaatse van de te realiseren ontwikkeling dient sprake te zijn van een aanvaardbare luchtkwaliteit. Gemeenten kunnen zelf bepalen welke luchtkwaliteit zij aanvaardbaar vinden bij woningen. Dit kunnen de rijksomgevingswaarden zijn (40 μg/m3 (PM10) en 40 μg/m3 (NO²)), maar gemeenten kunnen ook strengere waarden hanteren. Hiervan zijn drie varianten: • een scherpere norm, bijvoorbeeld voor fijnstof; • Een resultaatsverplichting voor een rijksomgevingswaarde waar in het Bkl een inspanningsplicht voor geldt; • Voor de lokale omgevingswaarde geldt dezelfde getalswaarde op locaties waar de rijksomgevingswaarde niet geldt. Voor het vaststellen van de achtergrondconcentraties van fijnstof en stikstofdioxide is de grootschalige concentratiekaart van het RIVM geraadpleegd.

40

Fijnstof

De grens voor de jaargemiddelde concentratie bedraagt 40 μg/m3. Voor het plangebied blijkt dat de achtergrondconcentratie voor fijnstof circa 13,77 μ g/m3 (PM10) bedraagt. Er wordt dus voldaan aan de gestelde grenswaarden.

Stikstofdioxide

Voor stikstofdioxide (NO2) geldt een grenswaarde van 40μg/m3 voor een jaargemiddelde concentratie. De waarde voor stikstofdioxide ter plaatse van het plangebied bedraagt circa 10,31 μg/m3. Dit betekent dat de hoeveelheid stikstofdioxide ruim beneden de gestelde grenswaarden ligt.

Toetsing initiatief

Geconcludeerd wordt dat de hoeveelheid fijnstof en stikstofdioxide ter plaatse van het plangebied beneden de gestelde grenswaarden ligt, waardoor kan worden gesproken van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Daarnaast heeft de ontwikkeling geen onevenredig negatief effect op de omgeving, waardoor de kwaliteit van de buitenlucht door onderhavige ontwikkeling niet in het geding zal komen. Dit aspect levert geen belemmeringen op voor de voorgestane ontwikkeling.

5.9

Geur

De Omgevingswet heeft onder andere tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting vanwege dierenverblijven en veehouderijen. Door het opnemen van geurnormen en/of vaste afstanden in het Bkl, wordt er op dit punt gestreefd naar een acceptabel woon- en leefklimaat. Het is daarom noodzakelijk om tweeledig naar dit aspect te kijken. Enerzijds mag de ontwikkeling niet leiden tot een belemmering van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende veehouderijen. Anderzijds dient sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde ontwikkeling.

Individuele geurhinder

In het Bkl zijn in artikel 5.109 standaardwaarden opgenomen die gelden voor landbouwhuisdieren waarvoor (bij ministeriële regeling) geuremissiefactoren zijn opgenomen. Voor landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactoren gelden de vaste afstanden zoals opgenomen in artikel 5.112 van het Bkl. Gemeenten hebben de bevoegdheid om in hun omgevingsplan afwijkende geurnormen en afstanden op te nemen. Tot het moment dat een gemeente een omgevingsplan heeft vastgesteld, blijven (indien een geurverordening van kracht was onder de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv)), de geurnormen en afstanden uit de geurverordening van kracht. Indien een gemeente geen geurverordening onder de Wgv heeft vastgesteld, gelden de regels zoals opgenomen in artikel 5.109 en 5.112 van het Bkl. De geurhinder dient te worden berekend op geurgevoelige gebouwen. In artikel 5.91 van het Bkl is opgenomen welke gebouwen gedefinieerd zijn als geurgevoelig gebouw. Gemeenten mogen in hun omgevingsplan meerdere gebouwen definiëren als geurgevoelig.

41

Toetsing initiatief

De dichtstbij gelegen veehouderij betreft de vleesveehouderij aan Elsteren 15 te Well. Dit bedrijf is in feitelijke zin reeds beëindigd, waardoor er in feite geen sprake meer is van activiteiten met geuruitstoot. Echter wordt in het kader van dit aspect uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden, waardoor wordt uitgegaan van de mogelijke aanwezigheid van een vleesveehouderij. Dit bedrijf is gelegen op circa 540 meter afstand vanaf de beoogde woningen. Formeel geldt voor vleesvee een geuremissiefactor en geen vaste afstand. Gezien de ruime afstand tussen de veehouderij en het plangebied kan echter worden verondersteld dat deze veehouderij, en verder weg gelegen veehouderijen, geen negatief effect hebben op het woon- en leefklimaat binnen het plangebied. Tevens moet worden gekeken of de beoogde ontwikkeling niet zorgt voor beperkingen voor omliggende veehouderijen. Aangezien er geen geurcontour over het plangebied reikt, heeft de ontwikkeling geen belemmerende werking voor omliggende veehouderijen. Daarnaast zijn er reeds andere woningen aanwezig die dichter bij deze veehouderijen liggen. Deze bestaande woningen zijn maatgevend. Het aspect geur vormt dan ook geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.

5.10

Omgevingsveiligheid

Omgevingsveiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico’s vastgelegd in een wettelijk kader. De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: • Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Bal; • Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); • Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal; • Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal. Risiconormering In het beoordelingskader voor omgevingsveiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden.

Plaatsgebonden risico (PR)

Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergegeven met zogeheten 42

risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10 -6 contour (welke als wettelijke harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 106 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde.

Aandachtsgebieden

Aandachtsgebieden zijn gebeiden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Dat betekent dat zich binnen dat gebied bij een ongeval met gevaarlijke stoffen levensbedreigende gevaren voor personen in gebouwen kunnen voordoen. Ook al is de kans daarop klein. Het aandachtsgebied vormt een instrument om het gesprek over veiligheid en bescherming door het treffen van maatregelen te starten. Er is een onderscheid tussen drie soorten gevaren: warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Daarbij zijn er ook drie typen aandachtsgebieden: • brandaandachtsgebied; • explosieaandachtsgebied; • gifwolkaandachtsgebied.

Toetsing initiatief

Met behulp van de EV-Signaleringskaart (figuur 14) is gekeken welke risicobronnen in de nabijheid van het plangebied zijn gelegen.

Figuur 14 Atlas Leefomgeving plangebied blauw omcirkeld

43

Transport van gevaarlijke stoffen

Vervoer van gevaarlijke stoffen vindt sinds jaar en dag plaats via het spoor, over de weg en het water. Regels over vervoer van gevaarlijke stoffen zijn opgenomen in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. De regels met betrekking tot de ruimtelijke ordening vallen onder de Omgevingswet. • Risicovol transport over spoorwegen In de omgeving van het plangebied zijn geen spoorwegen aanwezig. Dit aspect vormt geen hinder ten aanzien van de ontwikkeling. • Risicovol transport over water- en autowegen In de omgeving van het plangebied vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats over rivier de Maas. Het plangebied ligt op circa 350 meter van de Maas. Het invloedsgebied van de Maas bedraagt 1070 meter, waardoor het plangebied hier binnen ligt. De plaatsgevonden risicocontour reikt echter niet tot buiten de oevers. Gelet op de ligging binnen het invloedsgebied, maar op een afstand groter dan 200 meter dient een beperkte verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. Indien er zich een ramp voordoet waarbij gevaarlijke stoffen zoals toxische gassen vrijkomen, zullen deuren en ramen worden gesloten en vindt het schuilen plaats binnen het bouwwerk. Bij het oprichten van de woningen zal ervoor worden gezorgd dat ramen en deuren in het pand goed afsluitbaar zijn, om de kans op mogelijke blootstelling aan giftige stoffen zo klein mogelijk te houden.

Dit aspect vormt derhalve geen hinder ten aanzien van de ontwikkeling. In andere gevallen is vluchten het handelingsperspectief. De locatie is goed ontsloten en zijn er vluchtroutes in verschillende richtingen aanwezig. Vluchten kan dan ook in alle gevallen van de bron af gebeuren. Ten slotte beoogt het plan niet specifiek een functie voor verminderd zelfredzame personen te realiseren. Binnen de ontwikkeling worden woningen gerealiseerd waar de bewoners naar verwachting voldoende zelfredzaam zijn en dan ook niet onder een kwetsbare doelgroep vallen. De aanwezige personen kunnen worden gealarmeerd door het luchtalarm en NL-alert en hierop zelfstandig reageren.

Risicovolle inrichtingen

Ten zuidoosten van het plangebied aan de Kooy 13-15, op circa 1,2 kilometer, is een bovengrondse propaantank gesitueerd. De propaantank ligt op ruime afstand aan de overzijde van de Maas en vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

Buisleidingen

Op ongeveer 795 meter ten westen van het plangebied ligt een buisleiding. Dit betreft de buisleiding Z-541-11. Deze hogedrukaardgasleiding kent een risicocontour van 190 meter. Het plan valt hierbuiten en dit aspect vormt geen hinder ten aanzien van de ontwikkeling.

44

Advies Veiligheidsregio Limburg-Noord

Ten aanzien van de ontwikkeling is advies gevraagd aan Veiligheidsregio Limburg-Noord. Het advies is bijgevoegd als separate bijlage VI. Ook uit het advies blijkt dat er geen belemmeringen zijn op het gebied van omgevingsveiligheid. Gelet op het voorgaande vormt het aspect omgevingsveiligheid geen belemmering voor het planvoornemen.

5.11

Milieubelastende activiteiten

Onder een milieubelastende activiteit wordt verstaan: een activiteit die

nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit. In het Bal worden in

hoofdstuk 3 de hoofdcategorieën van milieubelastende activiteiten benoemd en worden de procedureregels vastgesteld. In hoofdstuk 4 worden voor deze hoofdcategorieën en daarbij behorende nevengeschikte milieubelastende activiteiten de gedragsregels vastgesteld. Daarnaast zijn in het Bal regels opgenomen over thematische onderwerpen, zoals bodem, luchtkwaliteit en industrielawaai, activiteiten bij rijkswaterstaatswerken en -infrastructuur, activiteiten die de natuur beïnvloeden en overige activiteiten van nationaal belang. De beoogde woningen betreffen geen milieubelastende activiteit zoals bedoeld in hoofdstuk 3 van het Bal. Derhalve is toetsing aan de (gedrags-)regels niet aan de orde. Daarnaast is er bepaald of er voldoende ruimtelijke scheiding aanwezig is tussen enerzijds de beoogde woningen en anderzijds functies in de omgeving. Om een en ander hanteerbaar te maken is gebruik gemaakt van de handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering’ van de VNG. In deze handreiking zijn bedrijven ingedeeld in milieucategorieën. Per bedrijfstype is indicatief aangegeven wat de afstand tot een gevoelige functie dient te zijn (zogenaamde richtafstanden). De aan te houden afstanden hebben betrekking op stof, geluid, gevaar en geur.

Het ruimtelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen heeft als doel om: • Het al in het ruimtelijk spoor voorkomen, danwel het zoveel mogelijk beperken, van hinder en gevaar voor omliggende gevoelige objecten zoals woningen; • Het voldoende zekerheid bieden aan bedrijven om de gewenste milieubelastende activiteit uit te voeren. De afstanden uit de VNG-handreiking zijn gebaseerd op het omgevingstype ‘rustig buitengebied/woonwijk’. Indien er sprake is van een ‘gemengd gebied’ mogen de richtafstanden met 1 stap worden verkleind. De beoogde ontwikkeling is gelegen in een rustig buitengebied bestaande uit voornamelijk burgerwoningen en natuur. De aan te houden afstanden conform de VNGhandreiking mogen daarom niet met 1 stap worden verkleind.

45

Toetsing initiatief

In de directe omgeving van het plangebied is een glastuinbouwbedrijf gelegen. Dit bedrijf is in feitelijke zin reeds beëindigd, waardoor er in feite geen sprake meer is van milieubelastende activiteiten. Echter wordt in het kader van dit aspect uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden, waardoor wordt getoetst aan de indicatieve richtafstanden voor een glastuinbouwbedrijf. In onderstaande tabel is de toets aan de van toepassing zijnde afstanden weergegeven. De werkelijke afstand heeft betrekking op de afstand tussen de beoogde woonkavels en de grens van het bouwvlak van de bedrijfslocatie.

Afstanden tot plangebied Elsteren 1a, Well Adres

Soort bedrijf

Milieu- RichtWerkelijke Voldaan? cat. afstand Afstand

Elsteren 11a

Glastuinbouwbedrijf

2

30 m

155 m

Ja

Aan de indicatieve richtafstand wordt ruimschoots voldaan. Hieruit kan worden geconcludeerd dat omliggende bedrijven niet in hun ontwikkelmogelijkheden worden beperkt. Daarnaast is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter hoogte van de nieuwe woningen.

5.13

Kabels, leidingen en hoogspanningslijnen

5.13.1

Kabels en leidingen Ondergrondse kabels en leidingen zijn belangrijk voor het transport van data, elektriciteit en stoffen zoals gas en water. Sommige ondergrondse leidingen kunnen een risico zijn voor de omgeving. In het gemeentelijk Omgevingsplan zijn normaliter geen of zeer beperkte gebruiksregels voor ondergrondse kabels en leidingen opgenomen aangaande ligging, type leiding en gebruikskenmerken. In het kader van een voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling is het echter wel belangrijk om te bezien of er in de omgeving kabels en/of leidingen (al dan niet met veiligheidszone) aanwezig zijn.

Bij ontwikkelingen is het van belang om te kijken of er door of nabij het plangebied kabels, leidingen en/of hoogspanningslijnen zijn gelegen waar rekening mee gehouden dient te worden.

Toetsing initiatief

Op ongeveer 795 meter ten westen van het plangebied ligt een buisleiding. Dit betreft de buisleiding Z-541-11. Deze hogedrukaardgasleiding kent een risicocontour van 190 meter. Het plan valt hierbuiten en dit aspect vormt geen hinder ten aanzien van de ontwikkeling.

5.13.2

Hoogspanningslijnen Hoogspanningsverbindingen zijn essentieel voor het energienetwerk, maar hebben ook effect op (ontwikkelingen in) de omgeving. Zo is vanwege de magneetvelden rondom een hoogspanningsverbinding afstand nodig tot gevoelige functies zoals woningen.

46

Toetsing initiatief

In de directe omgeving van het plangebied zijn geen hoogspanningslijnen aanwezig. Hoogspanningslijnen zullen bij de realisatie van de beoogde ontwikkeling dan ook geen belemmeringen vormen.

5.14

Mobiliteit

Het Bkl bevat verschillende rijkinstructieregels voor de instandhouding van de rijksinfrastructuur. Mobiliteit is daarnaast ook een belangrijk aspect dat meeweegt in het kader van de afweging of er sprake is van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Bij nieuwe ontwikkelingen moet in acht genomen worden dat er geen belemmeringen zullen ontstaan voor de omliggende wegen. Daarnaast moeten er ook voldoende parkeerplaatsen voor (deel)auto’s en voor fietsen gerealiseerd worden. Wat voldoende is, is afhankelijk van de locatie en gemeentelijk beleid. Vanuit de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zijn er twee nationale belangen gericht op mobiliteit: - Waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; - In stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit. Het toevoegen of veranderen van een functie heeft in veel gevallen effect op het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen er optreden en of dit een effect heeft op het wegverkeer en het parkeren.

Verkeersgeneratie

Op basis van gemeentelijk beleid of de kencijfers van kennisplatform CROW kan berekend worden of er sprake is van een wijziging van het aantal verkeersbewegingen afkomstig van de locatie en kan worden bepaald of dit gevolgen heeft met betrekking tot de infrastructuur.

Toetsing initiatief

In de huidige situatie zijn er verkeersbewegingen afkomstig van de locatie als gevolg van het gebruik van de bedrijfswoning en het tuinbouwbedrijf. In de beoogde situatie vinden er geen bedrijfsmatige verkeersbewegingen meer plaats. De verkeersbewegingen die plaatsvinden in de nieuwe situatie bestaan uit licht verkeer ten behoeve van de 3 woningen. Conform de kencijfers van kennisplatform CROW dient bij een vrijstaande koopwoning in een niet stedelijk gebied in het buitengebied gerekend te worden met maximaal 8,6 verkeersbewegingen per woning per etmaal. Dit resulteert voor de ontwikkeling in maximaal 8,6 * 3 = afgerond 26 verkeersbewegingen per etmaal. Het aantal verkeersbewegingen ten behoeve van de woningen is slechts beperkt. Gelet op het feit dat de bestaande infrastructuur het aantal 47

verkeersbewegingen ten behoeve van het bedrijf in de huidige situatie zonder problemen kan verwerken, worden er voor de beoogde situatie eveneens geen problemen verwacht. Derhalve behoeft de bestaande infrastructuur geen aanpassingen. Dit aspect vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling

Parkeren

Op basis van gemeentelijk parkeerbeleid of de kencijfers van kennisplatform CROW kan berekend worden hoeveel (extra) parkeerplaatsen er nodig zijn voor de beoogde ontwikkeling. De gemeente Bergen gaat uit van een eigen Nota parkeernormen.

Toetsing initiatief Conform de Nota parkeernormen Bergen, vastgesteld op 25 april 2023, geldt dat bij de toevoeging van een vrijstaande woning in het buitengebied uitgegaan moet worden van 2,4 parkeerplaatsen. Dat wil zeggen dat er per woning afgerond 3 parkeerplaatsen moeten worden gerealiseerd. Parkeren dient plaats te vinden op eigen terrein en van de drie parkeerplaatsen dienen er minimaal twee naast elkaar te worden gerealiseerd. Het plangebied is voldoende groot om deze parkeerplaatsen op eigen terrein te realiseren. In de landschappelijke inpassing zijn de parkeerplaatsen weergegeven. Dit vormt dan ook geen belemmering.

5.15

Duurzaamheid en klimaatadaptatie

De Nationale klimaatadaptatiestrategie (NAS) is in 2016 opgesteld. In 2022 is de NAS in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat geëvalueerd. Om de NAS te versnellen is in 2023 het Nationaal Uitvoeringsprogramma Klimaatadaptatie (NUPKA) verschenen. Het NUPKA laat zien welke aanpak al in gang is gezet voor de komende jaren én welke extra maatregelen er nodig zijn. Het document laat daarmee zien hoe de uitvoering van de NAS wordt aangepakt en wat nodig is om te versnellen. Zo dient er bij elke ontwikkeling in Nederland standaard rekening te worden gehouden met zeespiegelstijging, toenemende hitte, langere periodes van droogte en meer extreme neerslag. Verder moet het beleid om Nederland op tijd klimaatbestendig te maken slimmer, intensiever en inclusiever. Naast de NAS geldt voor alle nieuwbouw sinds 1 januari 2021 dat vergunningen moeten voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). De energieprestatie bij BENG wordt bepaald aan de hand van 3 individueel te behalen eisen: 1. De maximale energiebehoefte in kWh per m2 gebruiksoppervlak per jaar (kWh/m2 .jr); 2. Het maximale primair fossiel energiegebruik, eveneens in kWh per m2 gebruiksoppervlak per jaar (kWh/m2 .jr); 3. Het minimale aandeel hernieuwbare energie in procenten (%).

Toetsing initiatief

Gezien het in dit geval gaat om nieuwbouwactiviteiten, dient er in het kader van de omgevingsvergunning voor het bouwen rekening te worden gehouden met 48

de voorwaarden en eisen welke worden gesteld voor nieuwbouw. Dit aspect vormt ten aanzien van onderhavig TAM-omgevingsplan geen belemmering.

5.16

Trillingen

Ten behoeve van de bescherming van de fysieke leefomgeving, kunnen gemeenten regels opnemen ten aanzien van trillingen. In paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl staan de instructieregels voor trillingen door activiteiten. Deze instructieregels zijn gericht op de bescherming van trillinggevoelige ruimten in trillinggevoelige gebouwen. Deze instructieregels gelden voor het op een locatie toelaten van een activiteit en/of een trillinggevoelig gebouw en/of het aanpassen daarvan.

De centrale beoordelingsregel voor trillingen door activiteiten is geformuleerd in artikel 5.83 van het Bkl: • In een omgevingsplan (of in het kader van een wijziging of afwijking daarvan) wordt rekening gehouden met trillingen door activiteiten in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen; • Een omgevingsplan (of in het kader van een wijziging of afwijking daarvan) voorziet erin dat trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. In artikel 5.87 en 5.87a van het Bkl staan de standaardwaarden voor continue en herhaald voorkomende trillingen. De gemeente hanteert deze standaardwaarden bij het opnemen van waarden voor trillingen door activiteiten voor een bepaald gebied in haar omgevingsplan. Niet op alle locaties leiden de voornoemde standaardwaarden voor een activiteit die trillingen genereert tot het gewenste evenwicht tussen ‘beschermen’ en ‘benutten’. Een gemeente kan dan ook gemotiveerd kiezen voor andere waarden voor specifieke locaties. Zo kan een gemeente, uit het oogpunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, bijvoorbeeld een lagere waarde vaststellen voor een activiteit op een bedrijventerrein om hiermee een woonwijk te beschermen.

Toetsing initiatief

De woningen betreffen trillinggevoelige objecten. Echter vinden er in de omgeving geen activiteiten plaats waar trilhinder van ervaren kan worden. Het aspect trillingen zal voor het realiseren van de beoogde ontwikkeling geen belemmeringen vormen.

5.17

Energietransitie

In navolging van de hogere overheden, werkt ook de gemeente in haar omgevingsplan haar visie op het gebied van energietransitie uit in regels voor haar grondgebied. Bijvoorbeeld door (al dan niet in navolging van het Rijksen/of provinciaal beleid) regels te stellen over de aanwijzing van functies of locaties die windparken mogelijk maken of een verbod op houtstook. De ruimte in de fysieke leefomgeving die de energietransitie vraagt, maakt dit een belangrijk onderwerp voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het gaat daarbij deels over fysieke ingrepen bovengronds, zoals de aanleg van windmolens, 49

zonneparken of schakelstations. Maar de energietransitie heeft ook gevolgen voor de ondergrond. Denk bijvoorbeeld aan de aanleg van warmtenetten, geothermie of de ondergrondse opslag van warmte voor verwarming van gebouwen. Gemeenten dienen conform de artikelen in paragraaf 5.1.7.3 Bkl rekening te houden met de elektriciteitsvoorziening. In Bijlage XV bij het Bkl staan de van rijkswege gemarkeerde locaties voor ontwikkelingen binnen de energietransitie, maar daarnaast kunnen gemeenten zelf ook locaties reserveren voor deze doeleinden.

Toetsing initiatief

Onderhavige locatie ligt niet binnen een aangewezen gebied voor ontwikkelingen binnen de energietransitie. Hierdoor vormt dit aspect geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.18

Lichthinder

Er zijn veel locaties met kunstmatige verlichting. Afhankelijk van de positionering van deze verlichting en de functies in de omgeving kan er sprake zijn van lichthinder. Dit kan verschillende soorten negatieve effecten veroorzaken: - hinder voor de mens; - hinder langs wegen; - verstoring van de natuur; - horizonvervuiling. Voorbeelden hiervan zijn verstoring voor verkeer door het optreden van reclameverlichting, of natuurimpact als gevolg van onvoldoende duisternis. Lichthinder is dan ook een thema dat decentrale overheden moeten afwegen. Rijksregels zijn er alleen voor kunstlicht in de tuinbouw bij kassen.

Toetsing initiatief

Binnen het plangebied is in de beoogde situatie geen sprake meer van kunstmatige verlichting. Hierdoor zal de ontwikkeling geen hinder veroorzaken voor de omgeving. Door het verwijderen van de kassen is er op het gebied van lichthinder juist sprake van een verbeterde situatie. Daarnaast zijn er in de directe omgeving geen kassen of andere functies met kunstmatige verlichting aanwezig waardoor het woongenot van de nieuwe woningen zouden kunnen worden belemmerd. Het aspect lichthinder zorgt dan ook niet voor hinder voor onderhavige ontwikkeling.

5.19

Bezonning

Voor gebouwen, tuinen, terrassen en speelplekken is het belangrijk dat er voldoende zonlicht of juist voldoende schaduw aanwezig is. Een toename van schaduw – door beplanting, nieuwbouw of andere ruimtelijke ontwikkelingen – kan ongewenst zijn. Het is belangrijk om ervoor te zorgen dat er voldoende bezonning en schaduw is en blijft. De Rijksoverheid heeft voor dit aspect van de fysieke leefomgeving echter geen instructieregels opgesteld, waardoor de gemeente deze regels zelf in kan vullen. 50

Het onafhankelijke onderzoeksinstituut TNO (Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek) heeft een norm voor bezonning bepaald: De bezonningsliniaal – een eenvoudig hulpmiddel voor de beoordeling van de bezonning en de dagverlichting. Veel gemeenten hanteren deze TNOnorm, maar dit is niet verplicht. Een aantal gemeenten heeft haar beleid op het gebied van bezonning gebaseerd op deze norm. Zo kan een gemeente er eventueel voor kiezen om een verplichting voor een onderzoek volgens deze TNO-norm in het omgevingsplan (of wijziging of afwijking daarvan) op te nemen.

TNO kent een 'lichte' en een 'strenge' norm: • De 'lichte' TNO-norm: ten minste 2 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari – 21 oktober (gedurende 8 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam; • De 'strenge' TNO-norm: ten minste 3 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode 21 januari – 22 november (gedurende 10 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam. Om voldoende zonlicht en schaduw te borgen kunnen gemeenten bouwregels opnemen in het omgevingsplan (of wijziging of afwijking daarvan). Ook behoren een omgevingsvergunningplicht en/of een meldingsplicht voor het bouwen van hoge gebouwen tot de mogelijkheden.

Toetsing initiatief

Aangezien in de toekomstige situatie geen hoge bebouwing en/of hoogopgaand groen zal worden geplaatst en er sprake is van een ruime afstand ten opzichte van omliggende woningen, zal het woongenot van omwonenden niet worden aangetast. Daarnaast zijn er in de omgeving van het plangebied tevens geen hoge bebouwing op groen aanwezig, waardoor ook het woongenot ter plaatse van de woningen binnen het plangebied aanvaardbaar is. Dit aspect zorgt derhalve niet voor belemmeringen.

5.20

Project-mer-beoordeling

Een milieueffectrapportage (mer) is een hulpmiddel bij het nemen van besluiten. In het milieueffectrapport (MER) worden de effecten van een plan of project, en de effecten van alternatieven, op het milieu beschreven. Het doel van een mer is het milieubelang een volwaardige plaats geven in de besluitvorming. Het gaat dan om besluitvorming over plannen en programma’s en projecten die duidelijke milieueffecten kunnen hebben. Milieu is een breed begrip. Het gaat onder andere om water, bodem, lucht, afval, natuur, gezondheid en archeologisch erfgoed. Een project kan op twee manieren leiden tot een project-mer-plicht: 1. de generieke aanwijzing geldt voor plannen waarvoor direct een projectmer-plicht geldt. 2. de project-mer-beoordeling geldt voor een project dat kaderstellend is Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen projecten die al dan niet in bijlage V bij het Omgevingsbesluit zijn opgenomen. Staat het project niet in 51

bijlage V dan geldt geen project-mer-(beoordelings-)plicht. Staat het project wel in kolom 1, dan dient te worden gekeken of de ondergrenzen voor een (beoordelings-)plicht al dan niet worden overschreden.

Toetsing initiatief

Met onderhavige ontwikkeling worden slechts twee nieuwe wooneenheden gerealiseerd in het buitengebied. Hierdoor wordt geen aanzet gedaan tot een grotere ontwikkeling. Het planvoornemen betreft een kleinschalige ontwikkeling met geen grote milieueffecten tot gevolg. Onderhavig voornemen betreft geen stedelijk ontwikkelingsproject. Er geldt in dit geval geen sprake van een m.e.r.-plicht.

52

HOOFDSTUK

6 Uitvoerbaarheid

6.1

Economische uitvoerbaarheid

6.1.1

Financieel economische haalbaarheid De kosten die gemaakt worden voor het opstellen van een wijziging omgevingsplan komen voor rekening van de initiatiefnemer, waarbij de initiatiefnemer beschikt over voldoende middelen om dit initiatief mogelijk te maken.

6.1.2

Kostenverhaal Op basis van artikel 13.18 wordt het publiekrechtelijke kostenverhaal verrekend en wordt een kostenverhaalsovereenkomst gesloten (artikel 13.18 Ow). Hiermee is het kostenverhaal in voldoende mate geborgd.

6.1.3

Nadeelcompensatie Op basis van art. 4.5 Awb wordt voor iedere wijziging van het omgevingsplan een overeenkomst nadeelcompensatie gesloten.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.2.1

Participatie Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is door de initiatiefnemers een omgevingsdialoog gevoerd. De omgevingsdialoog heeft op 9, 10 en 13 april 2025 plaatsgevonden in de vorm van keukentafelgesprekken. In de bijlage is een verslag van de omgevingsdialoog bijgevoegd.

In deze paragraaf wordt de wijze van bekostiging van het initiatief beschreven.

Deze motivering evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt ingevolge artikel 16.66 van de Omgevingswet gedurende zes weken te inzage gelegd, waarbij gelegenheid is geboden tot het indienen van zienswijzen.

Tijdens de keukentafelgesprekken is de gewenste situatie nader uitgelegd en is het inrichtingsvoorstel gepresenteerd. Vanuit de deelnemers aan de omgevingsdialoog zijn geen vragen of opmerkingen gekomen en er is aangegeven dat er geen bezwaren zijn tegen het planvoornemen. 6.2.2

Procedure De procedures voor vaststelling van een TAM-omgevingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het TAM-omgevingsplan van start gaan.

53

7.2.3

Bezwaar/ Beroep Gedurende de terinzagelegging van de ontwerpversie van het TAMomgevingsplan is gelegenheid geboden tot het indienen van zienswijzen. Tot slot kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

54

HOOFDSTUK 8.1

8 Belangenafweging en conclusie

Is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties?

Op de locatie Elsteren 1a in Well is het voornemen om de glastuinbouwkassen volledig te amoveren en ter plaatse van de kassen twee vrijstaande woningen te realiseren. Daarnaast wordt de voormalige bedrijfswoning omgezet naar een burgerwoning. Met de sanering van het tuinbouwbedrijf wordt leegstand dan wel ongewenst gebruik van agrarische bebouwing in het buitengebied voorkomen. Ook heeft de ontwikkeling een positieve invloed op het waterbergend vermogen van het gebied doordat het oppervlakte aan bebouwing en verharding afneemt. Met de realisatie van de nieuwe woningen wen het omzetten van de bedrijfswoning worden geen omliggende functies belemmerd dan wel beperkt in hun bedrijfsvoering of woongenot. Bestaande zichtlijnen blijven behouden waarbij het straatbeeld juist positief wordt beïnvloed door het verwijderen van de kassen en het landschappelijk inpassen van de locatie. Daarnaast wordt er ingespeeld op de behoefte aan levensloopbestendige woningen. De vraag naar dit soort woningen is groter dan het aanbod, waardoor met de realisatie van de levensloopbestendige woningen wordt aangesloten bij de behoefte. Middels onderhavige motivering is in beeld gebracht dat de ontwikkeling niet wordt belemmerd door aanwezige, storende milieuaspecten en de benodigde voorzieningen zijn reeds in het plangebied aanwezig.

Bovendien zal, gezien de bestaande situatie, geen schade worden toegebracht aan natuur- of landschapselementen en -structuren. De ontwikkeling heeft op verschillende gebieden een positieve invloed en er worden geen belangen van derden onevenredig geschaad. Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling vanuit het oogpunt van een goede fysieke leefomgeving aanvaardbaar en haalbaar is. Derhalve is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

55

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16809124/1