CConstaterende datBergen
Koppel je AI →
Document · PDF

VA Motivering TAM-Omgevingsplan Elsteren 1a Well

Gemeenteraad 12 mei 2026, gemeente BergenBij agendapunt: Voorstel tot het gewijzigd vaststellen van het TAM omgevingsplan Elsteren 1a in Well;16.794 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Motivering ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ TAM-omgevingsplan Elsteren 1a Well Gemeente Bergen NL.IMRO.0893.TOP25005H22JEL1A-VA01

Colofon Motivering: ‘TAM-omgevingsplan Elsteren 1a Well’ Rapportnummer: 2023.2606 Status: Vastgesteld Datum: 12 mei 2026 Projectlocatie Elsteren 1a 5855 AS Well Opdrachtnemer Reland Adviseurs B.V.

Bezoekadres:

Mgr. Bekkersstraat 56 5846 AJ Ledeacker

Hurksestraat 60 5652 AL Eindhoven

Correspondentieadres: Postbus 186 5830 AD Boxmeer www.reland.nl Projectleiding Reland

Telefoon 085 043 1949

Email info@reland.nl

© maart 2026 Reland

Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd door middel van druk, fotokopie, microfilm, geluidsband, elektronisch of op welke andere wijze dan ook, en evenmin in een geautomatiseerd gegevensbestand worden opgeslagen, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Reland. Aan de inhoud van dit rapport kunnen geen rechten worden ontleend. Reland verwerpt elke aansprakelijkheid voor een ander gebruik van deze tekst dan voor de situatie waarvoor deze wordt uitgebracht. De informatie in deze tekst is onder voorbehoud en kan worden veranderd zonder voorafgaande kennisgeving.

Inhoud HOOFDSTUK 1 Inleiding..................................................................................................... 5 1.1

Aanleiding en doel ............................................................................................ 5

1.2

Plangebied ....................................................................................................... 5

1.3

Het omgevingsplan........................................................................................... 6

1.4

Leeswijzer ........................................................................................................ 7

HOOFDSTUK 2 Gebieds- en projectprofiel ......................................................................... 8 2.1

Inleiding .......................................................................................................... 8

2.2

Gebiedsprofiel................................................................................................. 8

2.3

Projectprofiel, huidige situatie plangebied ........................................................ 8

HOOFDSTUK 3 Voorgenomen ontwikkeling ....................................................................... 9 3.1

Projectbeschrijving .......................................................................................... 9

3.2

Landschappelijke inpassing .............................................................................. 9

HOOFDSTUK 4 Beleid en regelgeving ............................................................................... 12 4.1

Inleiding ......................................................................................................... 12

4.2

Rijksbeleid ...................................................................................................... 12

4.2.1

Nationale Omgevingsvisie (NOVI) ................................................................ 12

4.2.2

Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) .............................................................. 12

4.2.3

Ladder voor duurzame verstedelijking ......................................................... 13

4.2.4

Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) .......................................................... 14

4.3

Provinciaal beleid ........................................................................................... 14

4.3.1

Provinciale Omgevingsvisie Limburg ............................................................ 14

4.3.2

Omgevingsverordening Limburg 2021 .......................................................... 16

4.4 4.4.1 4.5 4.5.1 4.6

Regionaal beleid ............................................................................................. 19 Regionale Woonvisie Noord-Limburg ........................................................... 19 Gemeentelijk beleid ....................................................................................... 20 Omgevingsvisie gemeente Bergen .............................................................. 20 Waterbeleid ................................................................................................... 21

4.6.1

Waterschap Limburg ................................................................................... 21

4.6.2

Gemeentelijk beleid: gemeente Bergen .........................................................23

HOOFDSTUK 5 Fysieke leefomgeving .............................................................................. 26 5.1

Leeswijzer ..................................................................................................... 26

5.2

Erfgoed......................................................................................................... 26

5.2.1

Cultureel erfgoed ........................................................................................ 26

5.2.2

Archeologie .................................................................................................27

5.3

Beschermen van de gezondheid ......................................................................28

5.4

Bodem .......................................................................................................... 29

5.5

Water(systemen) ............................................................................................ 31

5.5.1

Huidige waterhuishoudkundige situatie.........................................................32

5.5.2

Kenmerken huidig watersysteem .................................................................32

5.5.3

Toekomstige waterhuishoudkundige situatie ................................................35

5.6

Ecologie ......................................................................................................... 37

5.6.1

Gebiedsbescherming ................................................................................... 37

5.6.2

Soortenbescherming ...................................................................................38

5.7

Geluid ........................................................................................................... 39

5.8

Kwaliteit van de buitenlucht ........................................................................... 40

5.9

Geur .............................................................................................................. 41

5.10

Omgevingsveiligheid ...................................................................................... 42

5.11

Milieubelastende activiteiten .......................................................................... 45

5.13

Kabels, leidingen en hoogspanningslijnen ........................................................ 46

5.13.1

Kabels en leidingen ..................................................................................... 46

5.13.2

Hoogspanningslijnen .................................................................................. 46

5.14

Mobiliteit ....................................................................................................... 47

5.15

Duurzaamheid en klimaatadaptatie ............................................................... 48

5.16

Trillingen ....................................................................................................... 49

5.17

Energietransitie ............................................................................................. 49

5.18

Lichthinder .................................................................................................... 50

5.19

Bezonning ..................................................................................................... 50

5.20

Project-mer-beoordeling ................................................................................ 51

HOOFDSTUK 6 Uitvoerbaarheid.......................................................................................53 6.1

Economische uitvoerbaarheid .........................................................................53

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid ..................................................................53

HOOFDSTUK 8 Belangenafweging en conclusie ................................................................55 8.1

Is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties? .............55

BIJLAGEN Bijlage I – Landschappelijke inpassing Bijlage II – Archeologisch onderzoek Bijlage III – Bodemonderzoek Bijlage IV - Watervergunning Bijlage V – Stikstofonderzoek Bijlage VI – Advies Veiligheidsregio Limburg-Noord Bijlage VII – Verslag omgevingsdialoog

4

HOOFDSTUK 1.1

1 Inleiding

Aanleiding en doel

Op de locatie aan Elsteren 1a te Well is een glastuinbouwbedrijf aanwezig. Ten behoeve van het bedrijf is een groot oppervlakte aan kassen aanwezig. Op de locatie is, naast een aanzienlijk oppervlakte aan kassen, tevens een bedrijfswoning met bijgebouwen, aanwezig. De initiatiefnemers zijn voornemens om de bedrijfsactiviteiten geleidelijk af te bouwen en zullen uiteindelijk geheel stoppen met de werkzaamheden. Na het beëindigen van de agrarische bedrijfslocatie zullen de glastuinbouwkassen volledig worden gesaneerd. Met het oog op de toekomst is gezocht naar een passende invulling van de locatie. De initiatiefnemers zijn voornemens om ter plaatse van de te slopen kassen een nieuwe woning voor henzelf te realiseren welke levensloopbestendig wordt uitgevoerd en daarnaast tevens een extra woonkavel te creëren. Op het extra woonkavel wordt tevens een levensloopbestendige woning gerealiseerd en de huidige bedrijfswoning wordt een reguliere burgerwoning. Gelet op het woningtekort, sluit dit aan bij de huidige ontwikkelingen op de woningmarkt waarbij de vraag naar levensloopbestendige woningen blijft toenemen. Daarnaast wordt de voormalige bedrijfswoning omgezet in een burgerwoning. Conform het geldende planologisch-juridische kader is op het plangebied een agrarische functie van toepassing ten behoeve van het glastuinbouwbedrijf.

Binnen deze bestemming is de gewenste ontwikkeling niet rechtstreeks toegestaan, waardoor er een wijziging van de functie dient plaats te vinden. Om de gewenste situatie mogelijk te maken dient een planologische procedure te worden doorlopen. De planologische procedure betreft in dit geval een wijziging van het omgevingsplan van de gemeente Bergen in de vorm van een TAM-Omgevingsplan. Onderhavig document betreft de ruimtelijke motivering behorende bij dit TAM-Omgevingsplan.

1.2

Plangebied

Het plangebied betreft de locatie aan de Elsteren 1a te Well en heeft betrekking op de gronden welke in gebruik zijn voor en bestemd zijn als glastuinbouwbedrijf. Het plangebied is gelegen binnen de percelen welke kadastraal bekend staan als gemeente Bergen Limburg, sectie S, nummers 1395, 3104 en 3105 (figuur 1). De oppervlakte van het plangebied bedraagt circa 11.702 m2.

5

Figuur 1 Plangebied Elsteren 1a Well (blauw omkaderd)

1.3

Het omgevingsplan

Voor het plangebied is het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Bergen geldend. Dit tijdelijke omgevingsplan bestaat uit de geldende bestemmingsplannen, aangevuld met regels van het Rijk, de zogenaamde bruidsschat. Voor het plangebied zijn derhalve de regels zoals vastgelegd in het bestemmingsplan ‘Maaspark Well’ van toepassing. Het plangebied heeft de enkelbestemming ‘Agrarisch – Glastuinbouw’ (figuur 2). Daarnaast zijn, al dan niet op een deel van het plangebied, enkele dubbelbestemmingen opgenomen, namelijk: - Waarde – Archeologie 4 - Waterstaat – Beschermingszone waterkering - Waterstaat – Waterbergend rivierbed De bebouwing is geheel binnen het bouwvlak gelegen. Tenslotte is ten aanzien van de aanwezige bedrijfswoning de functieaanduiding ‘bedrijfswoning’ van toepassing.

6

Figuur 2 Tijdelijk Omgevingsplan van gemeente Bergen

De gewenste ontwikkeling is niet rechtstreeks mogelijk conform de geldende planregels. Om deze gewenste situatie mogelijk te maken dient een planologische procedure te worden doorlopen. De planologische procedure betreft in dit geval een wijziging van het omgevingsplan van de gemeente Bergen in de vorm van een TAM-Omgevingsplan. Met de wijziging van het omgevingsplan wordt de bestemming ten behoeve van het glastuinbouwbedrijf geheel verwijderd. De gronden ter plaatse van de woonkavels krijgen de bestemmingen ‘Wonen’ en ‘Tuin’. De overige gronden krijgen, in overeenstemming met de aangrenzende percelen, de agrarische functie ‘agrarisch met waarden’ zonder bouwvlak.

1.4

Leeswijzer

De motivering van dit TAM-omgevingsplan bestaat uit zeven hoofdstukken. Na dit inleidende hoofdstuk volgt in hoofdstuk 2 het projectprofiel waarin de huidige situatie en de omgeving van het plangebied worden beschreven. Hoofdstuk 3 betreft een beschrijving van de beoogde situatie. Hoofdstuk 4 geeft een beschrijving van het relevante beleid op Rijks, - provinciaal en gemeentelijk niveau. Hoofdstuk 5 toetst het plan aan de milieutechnische uitvoerbaarheid. Vanuit verschillende omgevingsaspecten wordt bekeken of het plan effect heeft op deze aspecten en/of deze aspecten invloed hebben op de ontwikkeling. Ten slotte wordt in hoofdstuk 6 de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan getoetst en hoofdstuk 7 betreft de belangenafweging en conclusie. 7

HOOFDSTUK

2 Gebieds- en projectprofiel

2.1

Inleiding

2.2

Gebiedsprofiel

2.3

Projectprofiel, huidige situatie plangebied

In dit hoofdstuk is een beschrijving gegeven van de huidige situatie van het plangebied en de omgeving waarin het zich bevindt.

Het plangebied bevindt zich aan de Elsteren 1a te Well en maakt onderdeel uit van het buitengebied van Bergen. Ten zuiden van het plangebied is een natuurgebied en de Maas gelegen. Ten noorden van het plangebied zijn agrarische gronden gelegen. De omgeving van het plangebied kent een vrij open structuur. De kern van Well is gelegen op een afstand van ca. 700 meter ten zuidoosten van het plangebied. In de omgeving komen zowel agrarische functies als woonfuncties voor. Tenslotte is op een afstand van ca. 800 meter kasteel Well gelegen.

Op de projectlocatie is, naast een aanzienlijk oppervlakte aan kassen, een bedrijfswoning met bijhorende bijgebouwen aanwezig. De kassen hebben een gezamenlijke oppervlakte van circa. 5.500 m². In figuur 3 is de aanwezige bebouwing in de huidige situatie weergegeven. De overige gronden binnen het perceel bestaan onder andere uit verharding, tuin en een paardenweide.

Figuur 3 Foto huidige situatie plangebied met kassen en bedrijfswoning (links)

8

HOOFDSTUK 3.1

3 Voorgenomen ontwikkeling

Projectbeschrijving

De initiatiefnemer is voornemens om de tuinbouwkassen met een oppervlakte van circa 5.500 m2 te saneren, de bedrijfswoning om te zetten naar een burgerwoning en twee nieuwe vrijstaande woningen te realiseren. De twee nieuwe woningen zullen levensloopbestendige woningen betreffen. Eén van de nieuwe woningen zal worden ontwikkeld en bewoond door de initiatiefnemers. De huidige bedrijfswoning zal, na omzetting naar burgerwoning, worden bewoond door de zoon van de initiatiefnemers. Het tweede woonkavel voor een levensloopbestendige woning zal in de verkoop gaan. Bij de nieuwe woningen is, al dan niet vergunningsvrij, een oppervlakte van 150 m2 toegestaan. Bij de bedrijfswoning blijven de bestaande bijgebouwen behouden, waarbij deze waar nodig worden opgeknapt. De twee nieuwe woonkavels worden gesitueerd aan Elsteren, waarbij het achterste deel van de percelen niet mogen worden bebouwd. Om dit te borgen krijgen deze delen van de woonpercelen de bestemming ‘Tuin’. Aan de zuidzijde van het plangebied krijgt een strook een agrarische bestemming en wordt niet betrokken bij de woonkavels. Dit gezien deze gronden vrij moeten blijven van bebouwing en beplanting ten behoeve van het creëren van voldoende ruimte voor de dijk. De gronden ten oosten van de bedrijfswoning zijn in de huidige situatie ingericht en in gebruik als paardenweide.

Deze paardenweide blijft in de beoogde situatie ongewijzigd behouden.

3.2

Landschappelijke inpassing

Ten aanzien van het planvoornemen is een landschappelijke inpassing opgesteld. Onderstaand zijn de belangrijkste elementen weergegeven. De volledige rapportage is als bijlage opgenomen. De realisatie en instandhouding van de landschappelijke inpassing is verankerd in de planregels behorende bij het TAM-omgevingsplan. In de landschappelijke inpassing is rekening gehouden met de bestaande situatie en de omgeving waarin het plangebied ligt. Figuur 4 betreft het landschappelijk inpassingsvoorstel.

Ruimtelijk voorstel

Binnen de bestaande landschappelijke structuren is de nieuwe situatie ingepast. De huidige woning, bijgebouwen en inrit blijven behouden. De nieuwe woningen worden levensloopbestendig uitgevoerd en vormen samen met de huidige woning een cluster rondom de kringstructuur. Rondom een akker is een ‘kring’ van bebouwing ontstaan en één markante boerderij midden in de kring. Het cluster heeft de rooilijn op dezelfde afstand als de huidige woning, maar iedere woning heeft individuele vrijheid in architectuur en oriëntatie. Dat 9

betekent dat de woningen geen familie van elkaar zijn en daarmee ‘op elkaar lijken’. De inrit van zowel de bestaande woning als de inritten voor de nieuwe woningen zijn allen aan de noordoostzijde georiënteerd. Er is sprake van een optimale situatie voor de bezonning in de achtertuin. In combinatie met een eventuele overkapping, lamellen of parasol kan men het gehele jaar genieten van de (avond)zon). Op elke inrit is ruimte voor minimaal drie parkeerplaatsen op eigen terrein.

Landschappelijke inpassing

Zowel de bestaande als de nieuwe bebouwing wordt landschappelijk ingepast. Hierbij is rekening gehouden met de kenmerken van het omliggende gebied. Er wordt gebruik gemaakt van diverse landschapselementen, zoals hagen, bomen en singels, waarbij er voldoende zicht blijft op het omringende gebied (open structuur). Daarbij is het van belang dat tuinen groen worden afgeschermd door het gebruik van diverse landschapselementen en soorten beplanting. Dit komt ten guste van de biodiversiteit in het gebied. De tuinen bij de woningen worden omgeven door een haag met inheems bosplantsoen. Aan de voorzijde een lage haag en in de achtertuinen indien gewenst een hoge haag. Hiermee wordt voorkomen dat er een wildgroei ontstaat van hekjes en schuttingen in het buitengebied. Wel is er keuzevrijheid in type haag, waardoor de individualiteit van de woningen weer wordt versterkt. Elke inrit wordt gemarkeerd door een solitaire boom van inheemse soort, waardoor er een bomenrij ontstaat die fungeert als een laan. Achter in de tuin worden nieuwe bomen aangeplant voor meer biodiversiteit en versterking van de individualiteit van de kavels. Achter de tuinen ligt een zone die vrij moet blijven van bebouwing en beplanting en obstakels ten gunste van dijkverzwaring. Derhalve worden er binnen deze strook grond geen landschapselementen toegepast. Het cluster wordt ingesloten door agrarische kavels.

Om de kleinschaligheid van het gebied te versterken wordt aan de westzijde een hoogstamfruitgaard aangelegd met aan de westzijde een lage haag met gemengd inheems bosplantsoen. Aan de oostzijde worden enkele knotbomen langs de perceelsgrens geplant. Behoud van de openheid wordt hiermee gegarandeerd.

10

Figuur 4 Landschappelijk inpassingsvoorstel beoogde situatie plangebied

11

HOOFDSTUK

4 Beleid en regelgeving

4.1

Inleiding

4.2

Rijksbeleid

4.2.1

Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI bevat de hoofdzaken van het beleid voor de fysieke leefomgeving. Uit de Omgevingswet volgt dat al het strategische beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, én het nieuwe strategische beleid op het beleidsterrein van de fysieke leefomgeving worden opgenomen in de NOVI. Het gaat om het strategisch beleid, omdat de NOVI een visie is en de hoofdzaken bevat van het beleid voor de fysieke leefomgeving.

In dit hoofdstuk wordt onderhavige ontwikkeling getoetst aan het algemene Rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid en regelgeving. Aan het eind van iedere paragraaf is een conclusie/beschrijving van de doorwerking van het specifieke beleid en wet- en regelgeving voor het plangebied opgenomen.

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) richt zich op vier prioriteiten. Deze onderwerpen hebben onderling veel met elkaar te maken en ze hebben gevolgen voor hoe we onze fysieke leefomgeving inrichten. De Nationale Omgevingsvisie helpt bij het maken van de noodzakelijke keuzes: a) Ruimte maken voor de klimaatverandering en energietransitie; b) De economie van Nederland verduurzamen en ons groeipotentieel behouden; c) Onze steden en regio’s sterker en leefbaarder maken; d) Het landelijk gebied toekomstbestendig ontwikkelen. Bij kleinschalige ontwikkelingen op lokaal niveau dient rekening te worden gehouden met een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving. Wanneer aan deze voorwaarden wordt voldaan is een kleinschalig initiatief passend binnen de NOVI.

Toetsing initiatief

In hoofdstuk 5 van deze motivering is de beoogde ontwikkeling getoetst aan de van toepassing zijnde omgevingsaspecten en is beoordeeld of (en zo ja, in hoeverre) deze van invloed is op de fysieke leefomgeving. Op basis hiervan is gebleken dat er vanuit de NOVI geen belemmeringen bestaan voor het initiatief. 4.2.2

Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) Vanuit de algemene rijksregels voor de fysieke leefomgeving zijn vier algemene maatregelen van bestuur (AMvB’s) opgesteld. Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) geeft instructieregels van het Rijk voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Bovenlokale belangen werken daarmee door in de vaststelling en wijziging van een omgevingsplan. Deze 12

instructieregels (afdeling 5.1 Bkl) gelden ook voor de omgevingsverordening, het projectbesluit en de omgevingsvergunning (artikel 8.0b, 8.0c, 8.0d en 8.0e). Bij deze regels gaat het over normen voor geluid en geur van bedrijfsmatige activiteiten, omgevingsveiligheid en erfgoed.

Toetsing initiatief

In hoofdstuk 5 van deze motivering is de beoogde ontwikkeling getoetst aan deze rijksregels uit het Bkl en is beoordeeld of (en zo ja, in hoeverre) deze hieraan voldoet. Ten aanzien van de aspecten archeologie, bodem, water, geluid, kwaliteit van de buitenlucht en geur zijn de rijksregels uit het Bkl relevant voor deze ontwikkeling. Uit de toetsing aan deze aspecten blijkt dat er vanuit het Bkl geen belemmeringen bestaan voor de realisatie van de beoogde ontwikkeling. 4.2.3

Ladder voor duurzame verstedelijking De ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen in artikel 5.129g ‘zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand’ van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De ladder voor duurzame verstedelijking is een uitwerking van hetgeen is opgenomen in het NOVI en ziet op ‘zorgvuldig ruimtegebruik’. De ladder is er voor bedoeld dat zorgvuldig wordt nagedacht over nieuwe ontwikkelingen en de plek van de nieuwe ontwikkeling. Zo gaat bijvoorbeeld inbreiding voor uitbreiding. Voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen geldt daarom dat de ladder doorlopen dient te worden om te bepalen of sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik. In eerste instantie is het van belang om te bepalen of sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Jurisprudentie heeft ervoor gezorgd dat dit begrip steeds verder gedefinieerd werd en in sommige gevallen zelfs kwantitatief is. Een stedelijke ontwikkeling wordt gedefinieerd als een ‘ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. De tweede vraag is of het een nieuwe stedelijke ontwikkeling betreft. Om dit te bepalen moet een vergelijking worden gemaakt tussen de planologische mogelijkheden in de huidige en toekomstige situatie. In het Bkl is geen ondergrens voor de minimale omvang vastgelegd.

Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Op basis van jurisprudentie kan gesteld worden dat de grens in beginsel ligt op het toevoegen van 12 woningen of meer, dan wel 500 m² of meer voor andere ontwikkelingen.

Toetsing initiatief

In onderhavige ontwikkeling is er geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Er worden slechts twee woningbouwmogelijkheden gecreëerd en er wordt één bedrijfswoning omgezet naar burgerwoning. Derhalve is geen sprake van een Ladderplichtige ontwikkeling en is een nadere behoefteonderbouwing op dit punt niet noodzakelijk. De Ladder voor duurzame verstedelijking vormt geen belemmering voor dit planvoornemen.

13

4.2.4

Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) stelt het Rijk algemene regels voor activiteiten in de fysieke leefomgeving. Het Bal geldt voor alle partijen die actief zijn in de fysieke leefomgeving – burgers, bedrijven en overheid.

Toetsing initiatief

In hoofdstuk 5 van deze motivering is de beoogde ontwikkeling getoetst aan deze rijksregels uit het Bal en is beoordeeld of (en zo ja, in hoeverre) deze hieraan voldoet. Ten aanzien van de aspecten erfgoed, ecologie (gebieds- en soortenbescherming) en milieubelastende activiteiten zijn de rijksregels uit het Bal relevant voor deze ontwikkeling. Uit de toetsing aan deze aspecten blijkt dat er vanuit het Bal geen belemmeringen bestaan voor de realisatie van de beoogde ontwikkeling.

4.3

Provinciaal beleid

4.3.1

Provinciale Omgevingsvisie Limburg Op 1 oktober 2021 is de Provinciale Omgevingsvisie Limburg vastgesteld. In de Omgevingsvisie Limburg wordt de lange termijn visie voor de periode 2021 tot 2030- 2050 uitgewerkt en wordt richting gegeven aan toekomstbestendige ontwikkelingen. Hierbij wordt steeds de balans tussen het beschermen én benutten van de fysieke leefomgeving gezocht Hoofdstuk 3 Limburgse principes en algemene zonering In de Limburgse omgevingsvisie wordt het toekomstbeeld voor 2030-2050 geschetst voor de provincie. Het toekomstbeeld voor Limburg kan worden gevangen in een indicatieve zonering. De begrenzingen van de zoneringen en andere werkingsgebieden die voortkomen uit de Limburgse principes en de uitwerkingen in de thema’s in de Omgevingsvisie, zijn verankerd in het kaartmateriaal behorende bij de Omgevingsverordening Limburg (zie paragraaf 4.3.2.) De Provincie Limburg heeft de opgave om de leegstand van agrarische bedrijven in het landelijk gebied terug te dringen. Er wordt de komende jaren een toename aan vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing verwacht. Het proces van functieverlies speelt al langere tijd, maar het aanbod van leegstaand vastgoed blijft toenemen en de vraag blijft achterwege.

De Provincie streeft ernaar dat vrijkomende agrarische bebouwing zoveel mogelijk wordt hergebruikt door de land- en tuinbouw, ter voorkoming van verdere verstening in het buitengebied. Het is echter niet te verwachten dat alle leegstand op deze manier wordt opgelost. In dat geval is sloop (bijvoorbeeld van verouderde stallen, loodsen en overige voorzieningen) gewenst, om leegstand, verval en mogelijk ook illegaal gebruik te voorkomen. Er zijn drie hoofdopgaven opgesteld. De eerste uitdaging die wordt benoemd is het zorgen voor een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige leefomgeving, in zowel stedelijk als landelijk gebied. De tweede uitdaging is het zorgen voor een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie, inclusief een landbouwtransitie.

14

Volgens de Limburgse Omgevingsvisie dient er bij nieuwe ontwikkelingen de balans worden gezocht tussen het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving. Deze afweging wordt gemaakt op basis van de volgende Limburgse principes: - Er wordt gestreefd naar een inclusieve, gezonde en veilige samenleving; - De kenmerken en identiteit van gebieden staat centraal; - Meer stad en meer land; - Er wordt zorgvuldig omgegaan met de ruimte en voorraden bovengronds en ondergronds.

Toetsing initiatief

Onderhavige ontwikkeling vindt plaats binnen een reeds bebouwd perceel, waarbij door de sloop van de kassen plaats wordt gemaakt voor twee nieuwe woningen. Er wordt gebruik gemaakt van de beschikbare ruimte. Het initiatief sluit hiermee aan bij het concept van zorgvuldig ruimtegebruik. Door het saneren van de kassen en het inrichten van een op die plek passende functie (wonen) wordt bijgedragen aan de leefbaarheid en kwaliteit in de omgeving. De beoogde functie (wonen) is passend in het huidige karakter van de omgeving met onder andere woningen, waarbij de functiewijziging een positief effect heeft op het woon- en leefklimaat in de omgeving. De ontwikkeling is daarmee in lijn met de principes zoals opgenomen in hoofdstuk 3. Hoofdstuk 5 Wonen en leefomgeving

Provinciaal belang

De provincie Limburg beschouwt alle woningbouwontwikkelingen als een provinciaal belang. Daarnaast is het een provinciaal belang dat er sprake is van een woningaanbod/ planvoorraad waarbij vraag en aanbod in evenwicht zijn, zowel in kwalitatief en kwantitatief opzicht. Dat betekent dat er voldoende (betaalbare) woningen van de juiste kwaliteit op de juiste plek op het juiste moment beschikbaar zijn.

Opgave

De grootste opgave op de korte en middellange termijn zit in het toekomstgeschikt maken van de verouderde en niet-courante bestaande woningvoorraad. Het toevoegen van nieuwe woningen is noodzakelijk om de benodigde flexibiliteit op de woningmarkt te creëren die nodig is om vrijkomende verouderde woningen tijdelijk aan de markt te onttrekken ten behoeve van verduurzaming en het eventueel levensloopbestendig maken. Hiermee draagt het toevoegen van nieuwe woningen bij aan het weer toekomstbestendig maken van de huidige woningvoorraad. Getalsmatig zijn er voldoende woningen en staan er nog meer dan genoeg plannen op de planning. Echter, betreffen dit niet altijd de juiste woningen en plannen.

Ambitie

De provincie faciliteert flexibiliteit op de woningmarkt en stimuleert zowel in de bestaande bouw als nieuwbouw flexibele woonvormen om de veranderende woonwensen en -behoeften van een diversere groep mensen tegemoet te komen. Door in samenhang naar woonopgaves te kijken, wordt er op wijk- en buurt- niveau de juiste verbindingen gelegd tussen sociale en fysieke 15

woonopgaven (wonen, zorg, welzijn en leefbaarheid) en een duurzame, veilige en gezonde leefomgeving met gevarieerde woonmilieus. Voor de provincie is het belangrijk dat eerst de kwaliteit van het feitelijk bestaand bebouwd gebied op orde wordt gemaakt. Via het principe van de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ wordt de ruimte in bestaand bebouwd gebied optimaal benut. Dat betekent dat eerst leegstaand vastgoed hergebruikt en herbestemd wordt in lijn met de Limburgse principes. Dit vraagt een integrale aanpak van locaties en gebieden in de vorm van herstructurering en transformatie/herbestemming in centra, buurten, wijken, dorpen en het buitengebied.

Toetsing initiatief De beoogde ontwikkeling draagt bij aan de opgave die de provincie Limburg heeft om de leegstand van agrarische bedrijven in het landelijk gebied terug te dringen. Het herontwikkelen van dit glastuinbouwbedrijf waarbij kassen plaats maken voor nieuwe woningen, draagt bij aan de opgave en ambitie van de provincie Limburg om de woningvoorraad toekomstbestendig te maken. De locatie krijgt een nieuwe invulling met levensloopbestendige woningen. Met de ontwikkeling is sprake van het vergroten van het kwalitatieve woningaanbod waarbij er momenteel meer vraag is naar dit soort woningen dan het aanbod. De ontwikkeling is derhalve in lijn met dit hoofdstuk. Het planvoornemen is in lijn met het beleid conform de Provinciale Omgevingsvisie Limburg. 4.3.2

Omgevingsverordening Limburg 2021 Op 17 december 2021 is de Omgevingsverordening Limburg 2021 vastgesteld door Provinciale Staten en gewijzigd op 16 december 2022. De Omgevingsverordening is op 1 januari, gelijktijdig met de Omgevingswet per 1 januari 2024 in werking getreden. In de Omgevingsverordening legt de Provincie regels vast voor onder meer natuur, milieu, (grond-)water, ontgronding, wegen, ruimte (verstedelijking, woon- en werklocaties, agrarische bedrijven). Eén van de hoofdopgaven Limburg-breed is ‘Een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige leefomgeving in zowel stedelijk c.q. bebouwd gebied als in landelijk gebied. Conform de kaarten ‘Wonen, werken en recreëren’ is het plangebied gelegen binnen de zone ‘Groenblauwe mantel’ (figuur 5). Een plan moet een omschrijving van de aanwezige kernkwaliteiten geven en hoe deze worden beschermd dan wel versterkt of negatieve effecten worden gecompenseerd (artikel 7.6). Tevens geeft een plan een omschrijving van de ecologische waarden van het projectgebied en van de waarde van het projectgebied in het kader van de instandhouding van natuurdoeltypen in de aangrenzende goudgroene natuurzone. Tenslotte geeft een plan weer op welke wijze er rekening is gehouden met de aanwezige waarden.

16

Figuur 5 Uitsnede kaart 'Wonen, werken en recreëren' plangebied blauw omkaderd

De kernkwaliteiten van de Groenblauwe mantel zijn het groene karakter, het visueel-ruimtelijk karakter, het cultuurhistorisch erfgoed, het reliëf en ruimte voor water en waterberging in de laagten en beekdal (artikel 7.5). Het plangebied ligt in een rivierdal, aan de rand van buurtschap Elsteren. Kenmerkend voor een rivierdal is dat de bebouwing geconcentreerd ligt op de hogere delen, vaak parallel aan het water. Het rivierdal heeft een (half)open karakter door groen en is bebouwingsarm. Het buurtschap heeft daarentegen een besloten karakter door de bebouwing. Het plangebied ligt op de overgang van deze gebieden. Door het situeren van de nieuwe woning ter plaatse van de huidige kassen, wordt er geen afbreuk gedaan aan dit karakter, gezien er geen open delen worden dichtbebouwd, maar er sprake is van een bebouwd buurtschap waar in de beoogde situatie sprake van blijft. De huidige open delen, blijven in de beoogde situatie open. Voor het gedeelte van het plangebied, bestemd voor het woon- en tuingedeelte van de woningen, is het uitgangspunt om het gebied open te houden, maar wel erfbeplanting te stimuleren en de groenstructuren de versterken. Voor het overige gedeelte is het uitgangspunt om het gebied open te houden, en op de lagere gronden is de visie om het rivierdal te ontwikkelen.

Hier is bij het opstellen van de landschappelijke inpassing (Bijlage I) dan ook rekening mee gehouden. In de Groenblauwe mantel blijft de grondgebonden landbouw een belangrijke functie en is de agrarische sector een belangrijke beheerder. De provincie biedt de mogelijkheid voor agrarisch natuur- en landschapsbeheer die bijdragen aan de instandhouding en versterking van de landschappelijke kernkwaliteiten. De focus ligt hier op het versterken van het klimaatadaptieve karakter met meer 17

ruimte voor de beken en Maas, de biodiversiteit en kernkwaliteiten van het landschap. Met de beoogde ontwikkeling zal de agrarische functie in dit gebied niet worden belemmerd. Het natuur- en landschapsbeheer in de omgeving, zal geen hinder ondervinden van de ontwikkeling. De beoogde woningen worden ter plaatse van de te verwijderen bebouwing gerealiseerd en het plangebied wordt landschappelijk ingepast (zie bijlage I). Er wordt geen afbreuk gedaan aan de kernkwaliteiten van het landschap, omdat er meer ruimte voor de Maas wordt gecreëerd en door het toepassen van een diversiteit aan landschapselementen en soorten beplanting wat de biodiversiteit ten gunste komt. De beoogde ontwikkeling is daarmee passend binnen de zone Groenblauwe mantel. In de omgevingsverordening zijn onder andere instructieregels opgenomen voor het aspect wonen. Een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op woningbouw moet worden getoetst aan de instructieregels zoals opgenomen in hoofdstuk 12. Hoofdstuk 12 Wonen, werken en recreëren Artikel 12.1 Instructieregels nieuwe planvoorraad wonen De motivering bij een omgevingsplan dat betrekking heeft op de realisatie van een of meerdere woningen beschrijft dat: a. rekening is gehouden met de hoofdstukken 3 (Limburgse principes en algemene zonering) en 5 (wonen en leefomgeving) van de provinciale omgevingsvisie;

In de voorgaande paragraaf 4.3.1 is nader beschreven hoe rekening wordt gehouden met deze twee hoofdstukken. b. sprake is van behoefte in kwaliteit en kwantiteit op basis van actueel onafhankelijk regionaal behoefteonderzoek;

De ontwikkeling sluit aan bij de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte naar dit soort woningen. Er is sprake van een steeds groter wordende vraag naar levensloopbestendige woningen dan het aanbod. Met de ontwikkeling wordt hieraan gehoor gegeven, waarbij er elders woningen vrijkomen wat de doorstroming op de woningmarkt stimuleert. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. c. over de behoefte aan realisatie van deze woningen overeenstemming bestaat binnen de regio Noord-Limburg of Midden-Limburg of ZuidLimburg. De regio’s bepalen eigenstandig de regionale overeenstemming, organiseren hun eigen regionale overleggen en dragen zorg voor actuele regionale woonvisies en regionale onderzoeken;

Uit paragraaf 4.4.1 blijkt dat onderhavige ontwikkeling in lijn is met de Structuurvisie Wonen Noord-Limburg. Derhalve worden geen belemmeringen verwacht voor de realisatie van de beoogde wooneenheden.

d. het omgevingsplan is opgenomen in de Limburgse systematiek van monitoring, bedoeld in afdeling 14.5;

Het plan wordt, conform afdeling 14.5 van de Omgevingsverordening, opgenomen in de provinciale systematiek van monitoring. 18

e. realisatie van de woningen beoogd is binnen 5 jaar na vaststelling van het omgevingsplan en dat, als deze termijn niet wordt gehaald, hoe en wanneer de mogelijkheid tot realisatie van deze woningen komt te vervallen.

Het streven is om de beoogde situatie binnen 5 jaar na vergunningverlening te realiseren. Dit is tevens afhankelijk van de sanering van de locatie en het verkrijgen van de benodigde (bouw)vergunningen. Toetsing initiatief

Gelet op het voorgaande kan worden geconcludeerd dat de ontwikkeling passend is binnen de Groenblauwe mantel en in lijn is met het beleid met betrekking tot wonen zoals opgenomen in de Omgevingsverordening Limburg. Vanuit de omgevingsverordening Limburg 2021 zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.4

Regionaal beleid

4.4.1

Regionale Woonvisie Noord-Limburg De Regionale Woonvisie Noord-Limburg, zoals vastgesteld op 21 september 2020 door de gemeenteraad van Bergen, betreft een visie waarmee verschillende gemeenten, waaronder gemeente Bergen, sturing geven aan de regionale woningmarkt. Deze visie vervangt de Regionale Structuurvisie Wonen uit 2016. In deze geactualiseerde visie wordt teruggekeken op de vorige structuurvisie en is bekeken wat meegenomen wordt naar de huidige visie. Zo blijft de regio inzetten op de samenwerking en afstemming met haar partners (corporaties, huurderbelangenverenigingen, ontwikkelaars, makelaars, zorginstellingen etc.). Uit de analyse van de trends en ontwikkelingen zijn twee belangrijke opgaven voor de periode 2020-2024 naar voren gekomen: • Mismatch van woningbehoefte en woningvoorraad, zowel bestaande woningvoorraad als nieuwbouw; • Zoektocht om alle doelgroepen een plek te geven binnen onze woningmarkt. Doordat er verschuivingen plaatsvinden in de demografische samenstelling van de bevolking van Noord-Limburg, verandert ook de kwalitatieve woonbehoefte. Door de veranderende samenstelling van huishoudens ontstaat een stijgende woonbehoefte aan nultredenwoningen en appartementen. Door in te zetten op de juiste kwaliteit woningen, wordt er geprobeerd om de langste keten op het gebied van doorstroming op de woningmarkt te creëren.

De Regionale woonvisie hanteert een aantal uitgangspunten voor de kwalitatieve richtlijn: • Toevoegen van woningen in principe alleen in de kernen; • Creëren van koppelkansen; • Toevoegen van woningen leidt niet tot het vergroten van het kwetsbare woningoverschot; • Het type toe te voegen woning moet passen binnen de kwalitatieve behoefte; • Het nastreven van sociaal duurzame woonconcepten; 19

•

Het aansluiting zoeken op de duurzaamheidsdoelen die landelijk, regionaal en lokaal gesteld zijn.

Toetsing initiatief

Onderhavige ontwikkeling voorziet in de realisatie van twee vrijstaande woningen welke levensloopbestendig worden uitgevoerd. Eén van de twee nieuwe woningen wordt door de initiatiefnemers gebouwd en bewoond. De huidige bedrijfswoning zal, na omzetting naar burgerwoning, worden bewoond door de zoon van de initiatiefnemers waardoor deze niet leeg komt te staan. Het tweede nieuwe kavel zal worden verkocht. Gezien er ter plaatse een levensloopbestendige woning wordt gerealiseerd en er meer vraag is naar dit soort woningen zijn dan het aanbod, is de ontwikkeling in lijn met de kwalitatieve woningbehoefte. Het toevoegen van twee levensloopbestendige woningen leidt dan ook niet tot het vergroten van een woningoverschot in dit segment. Gelet op het voorgaande sluit de ontwikkeling aan bij de uitgangspunten van de Regionale Woonvisie Noord-Limburg.

4.5

Gemeentelijk beleid

4.5.1

Omgevingsvisie gemeente Bergen Op 23 april 2019 heeft de gemeenteraad van de gemeente Bergen de ‘Omgevingsvisie Bergen 2030’ vastgesteld. Deze visie bepaalt in welke richting de gemeente zich wil ontwikkelen. De Omgevingsvisie heeft betrekking op het hele grondgebied van de gemeente Bergen, met uitzondering van het gebied Wells Meer. Concrete aanvragen van overheden, organisaties, ondernemers en burgers toetst de gemeente aan de tien navolgende uitgangspunten uit deze visie: 1. Waterbeheer op maat; 2. Voorzieningen bereikbaar houden; 3. Verder bouwen aan een gezonde leefomgeving; 4. Energie onafhankelijk in 2030; 5. Woningvoorraad op maat; 6. Versterken natuurwaarden en biodiversiteit; 7. De meest toekomstbestendige gemeente; 8. Leefklimaat in de dorpen verbeteren. 9. Landschap en landbouw in balans; 10. Kwaliteitsslag en zonering recreatievoorzieningen. Volgens de gebiedsindeling is het plangebied (figuur 6) gelegen binnen de integrale gebiedsontwikkeling dijkversterking en -verlegging rond Well & Nieuw Bergen welke met een kromme blauwe lijn is aangegeven is. Verdere relevante aanduidingen in de omgeving van het plangebied zijn: • Blauwe bolletjes: Realiseren groene rivier (hoogwatergeulen) i.c.m.

natuurinclusief boeren tussen ‘oud’ en ‘nieuwe’ Well & bij Afferden (indicatief); • Lichtgroene kleur: Maasdal; behouden en versterken contrast open/dicht & steilranden op termijn alleen natuurinclusief boeren & landschapsherstel. • Bruinwitgeblokte lijn: Steilranden; accentueren in het landschap. 20

Figuur 6 Visiekaart Omgevingsvisie Bergen 2030. Plangebied rood omcirkeld.

Toetsing initiatief

De beoogde ontwikkeling sluit (onder andere) aan bij de uitgangspunten ‘woningvoorraad op maat’ en ‘versterken natuurwaarden en biodiversiteit’. De ontwikkeling van woningen vindt namelijk plaats op een locatie waar de omgevingskwaliteit toeneemt door het staken en saneren van een agrarisch bedrijf waarbij de kassen worden gesloopt. Gezien het woningtekort met betrekking tot passende woningen voor senioren sluit het toevoegen van levensloopbestendige woningen aan bij de huidige woningmarkt. De vergrijzing houdt nog steeds aan waardoor de verwachting is dat ook de vraag naar passende seniorenwoningen blijft toenemen. Derhalve is het realiseren van de beoogde woningen een passend initiatief. Daarnaast zal het plangebied landschappelijk worden ingepast waarbij rekening wordt gehouden met het landschapskarakter in de omgeving, wat aansluit bij het uitgangspunt ‘versterken natuurwaarden en biodiversiteit’. Door de afname van het oppervlakte aan kassen, is er meer ruimte om de locatie in te passen in het landschap waardoor de omgevingskwaliteit toeneemt. De beoogde ontwikkeling is hiermee in lijn met de ‘Omgevingsvisie Bergen 2030’.

4.6

Waterbeleid

4.6.1

Waterschap Limburg

Waterbeheerprogramma (WBP)

Met het waterbeheerprogramma (WBP) geeft Waterschap Limburg richting aan het waterbeheer in de periode 2022-2027: • Programma Waterveiligheid: bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas. Het afgekoppelde regenwater zorgt voor minder vervuilende riooloverstorten. Het verbetert de doorstroming en daarmee de kwaliteit van 30 stadswateren. Doordat een groot deel van 21

•

• •

het water lokaal infiltreert in groenstroken en tuinen, wordt voorkomen dat oppervlakkig afstromend regenwater onderweg vervuild raakt en zo het ontvangende oppervlaktewater belast. Klimaatadaptatie: balans tussen water afvoeren én water vasthouden. Zo zorgt bijvoorbeeld verdamping in de stad voor minder hittestress. Daarmee zijn de sponswerking van de gebouwde omgeving en de kwaliteit van het oppervlaktewater vergroot. Ook op dit gebied moet samengewerkt worden om werk met werk te kunnen maken (efficiency), om instrumenten van derden te benutten teneinde onze eigen opgave te realiseren (zoals omgevingsplannen) en voor de inpassing in de omgeving. Waterkwaliteit en ecologie: het water binnen de gemeente moet schoon zijn en wateren zijn natuurlijk ingericht. We maken een stevig begin met de (bron)aanpak van de problemen met medicijnresten en opkomende stoffen (zoals PFAS en microplastics) in het oppervlaktewater. Zuiveren en waterketen: zuiveren rioolwater en grondstoffen terugwinnen en gebruiken

Voor het plangebied is vooral klimaatadaptatie van belang. Om de klimaatverandering een stap voor te blijven, is nu het moment om de plannen gereed te hebben en te starten met de uitvoering. Daarom is klimaat adaptief denken en handelen de basis van al het werk van het Waterschap en dat verwacht zij ook van haar partners. De speerpunten zijn: - Samen klimaat adaptief inrichten van stad en land; - Aanpakken grootste wateroverlastknelpunten; - Risico gestuurd peilbeheer en onderhoud; - Elke druppel vasthouden en pas afvoeren als het moet. Bij nieuwbouw is het afkoppelen van regenwater inmiddels vanzelfsprekend. De voorkeursvolgorde bij afkoppelen is vasthouden - bergen - afvoeren, waarbij infiltreren in de bodem voorgaat op lozen op oppervlaktewater. Ook opvangen en gebruiken voor huis en tuin is een duurzame oplossing. In klei- en lössgronden en in sterk hellend gebied vraagt infiltreren een grotere inspanning. In kleine tuinen is dan vaak te weinig ruimte. Gezamenlijke centrale infiltratievoorzieningen in de wijk kunnen dan een oplossing bieden. Vanzelfsprekend geldt bij afkoppelen en infiltreren dat dit geen overlast elders mag veroorzaken. Ook belangrijk is de kwaliteit van het afgekoppelde regenwater.

Keur 2019

Per 1 april 2019 is er een nieuwe keur in werking getreden. In de keur staan regels over wat er wel en niet mag in en rondom het water in Limburg. Voor de meest voorkomende vergunningplichtige activiteiten zijn er beleidsregels. In deze beleidsregels staat met welke criteria een vergunningsaanvraag wordt beoordeeld. Volgens artikel 1.12 Uitvoeringsregels van het Keur van het Waterschap blijkt dat het waterschap het bevoegd gezag is vanaf 10 hectare. Het totale oppervlak van het plangebied is 11.702 m². Daarom is niet het Waterschap, maar de gemeente bevoegd gezag.

22

4.6.2

Gemeentelijk beleid: gemeente Bergen Door de gevolgen van klimaatveranderingen wordt de gemeente Bergen kwetsbaarder voor verdroging, extreme hitte en extreme neerslag. In 2020 is het GRP Bergen 2020-2025 vastgesteld waarin staat dat in de gemeente Bergen een natuurlijk en klimaatbestendig watersysteem willen creëren. Regenwater vasthouden en een impuls zijn belangrijke uitgangspunten hierbij. Dit beleid is ook verankerd in de gemeentelijke verordening ‘Verordening Fysieke leefomgeving gemeente Bergen 2022’. Om wateroverlast door extreme neerslag te voorkomen en verdroging tegen te gaan is het van belang dat zowel op particulier terrein als in openbaar gebied voldoende waterberging wordt gerealiseerd. In de verordening zijn hiervoor concrete regels opgenomen. Daarnaast heeft de gemeente Bergen het Gemeentelijk Rioleringsplan Bergen.

Verordening Fysieke leefomgeving gemeente Bergen 2022

In artikel 3.8 van de verordening wordt bepaald dat in nieuwbouw geen aansluiting op het openbaar riool gerealiseerd mag worden, tenzij er een hemelwatervoorziening is. Deze hemelwatervoorziening moet 60 liter per m² kunnen bergen. Uitgangspunt is dat als er een bui valt van 60 mm (is 60 liter per m2) dit geen afstroming veroorzaakt naar belendende percelen (inclusief de openbare ruimte). Al het hemelwater wordt vastgehouden op het eigen perceel.

Gemeentelijk Rioleringsplan Bergen

Ambitie en doelen In het nieuwe GRP wordt het beleid van de afgelopen jaren gecontinueerd. De doelstellingen voor de komende planperiode zijn: 1. Zorgen voor inzameling van het binnen gemeentelijk gebied geproduceerd afvalwater. 2. Zorgen voor doelmatige inzameling en verwerking van afvloeiend hemelwater (voor zover niet verzorgd door particulieren). 3. Beperken van structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming in het openbaar gemeentelijk gebied. 4. Zorgen voor het transport van het ingezamelde water naar een geschikt lozingspunt; hierbij: - Ongewenste emissies naar oppervlaktewater, bodem, grondwater voorkomen - Zo min mogelijk overlast voor de omgeving veroorzaken (in de breedste zin van het woord). 5. Doelmatig beheer en een goed gebruik van de riolering. 6. Zorgen voor het klimaat adaptief maken van de riolering in samenhang met de inrichting van de openbare ruimte. Afvoercapaciteit: Om gezondheidsrisico’s van rioolwater te beperken en wateroverlast te voorkomen, dient de gemengde riolering over voldoende afvoercapaciteit te beschikken om een regenbui te kunnen verwerken. Het rioolstelsel moet dan ook hydraulisch op orde te zijn, wat betekent dat de riolering als systeem (theoretisch) voldoet aan de hydraulische norm.

De gemeente Bergen blijft inzetten op het afkoppelen van verhard oppervlak van de riolering, daarnaast blijft zij ook particulieren stimuleren om af te koppelen. Met afkoppelen wordt 23

het hemelwater van de gemengde riolering afgehaald en het systeem gescheiden in een schoon- en vuilwatersysteem. Het totaal aangesloten hemelwater op de gemengde riolering wordt hiermee verkleind en daarmee de kans op het intreden van vuilwater in gebouwen en het overstorten van vuilwater op het oppervlaktewater. Door afkoppelen neemt dan ook de kans op gezondheidsrisico’s voor mens en natuur af. Daarnaast biedt (grootschalig) afkoppelen een economisch voordeel voor de waterschappen door een kleiner aanbod van afvalwater en aanvoer van een constanter debiet en kwaliteit van afvalwater. Tevens wordt de betrokkenheid van inwoners en het gevoel van verantwoordelijkheid ten aanzien van klimaatadaptatie hiermee vergroot. Het intensief afkoppelen zorgt voor meer berging in het stelsel en dit creëert meer ruimte voor de zwaardere buien in de toekomst. Hemelwater (artikel 3.5 Waterwet): De verantwoordelijkheid voor de afvoer van hemelwater ligt in beginsel bij de burger. De burger draagt in eerste instantie zelf zorg voor het verwerken van hemelwater op het eigen perceel. Dit kan door hergebruik, infiltreren in de bodem, bergen in bijvoorbeeld een vijver of afvoeren naar oppervlaktewater. Waar dit redelijkerwijs niet mogelijk is, moet de gemeente de zorgplicht op een doelmatige manier overnemen.

Nieuwbouw (zowel uitbreiding als inbreiding) Voor nieuwbouw (en herbouw) geldt dat het afvalwater en hemelwater gescheiden moet worden ingezameld. Hemelwater dient voor zover mogelijk op het eigen terrein verwerkt te worden. De gemeente hanteert de volgende beleidsregels voor zowel particulieren / bedrijven als voor het openbaar gebied. Deze ontwerpnormen zijn conform afspraken uit het samenwerkingsverband Noord en Midden Limburg: - Bij nieuwbouw dient het regen- en afvalwater altijd gescheiden aangeboden te worden, conform bouwbesluit 2012; - Bij ruimtelijke ontwikkelingen van meer dan 2.000 m2 verhard oppervlak, dient altijd overleg te worden gepleegd met gemeente, waterbeheerders en initiatiefnemer via de watertoets; - In nieuwbouwwijken is afkoppelen verplicht. Bij bouwplannen met een verhard oppervlak van meer dan 2.000 m2 worden door de gemeente een programma van eisen, randvoorwaarden en ontwerpgrondslagen voor de waterhuishouding vastgesteld; - Bij inbreidingslocaties dient in eerste instantie het hemelwater op eigen terrein geïnfiltreerd te worden.

De voorziening dient over voldoende berging te beschikken, waarbij een overloop op maaiveld richting straat of naar oppervlaktewater is toegestaan, mits geen verslechtering ten opzichte van de huidige situatie ontstaat; - Bij alle nieuwbouw of uitbreidingsplannen moet een risicoanalyse opgesteld worden waarbij wordt aangegeven wat de risico’s zijn bij een extreme bui gelijk aan 84 mm; - Bij alle bouwplannen dienen de bouwpeilen op 0,3 m boven wegniveau te zijn zodat water niet vanuit de straat de woning kan bereiken. 24

-

In gebieden waar een druk- of persriool aanwezig is (vooral buiten de bebouwde kom) bedoeld voor de inzameling van alleen afvalwater, is het niet toegestaan om hemelwater op de riolering aan te sluiten. De pompcapaciteit en de afmetingen van de druk- en persleidingen zijn niet berekend op de afvoer van hemelwater. Perceeleigenaren moeten het hemelwater op eigen terrein verwerken.

Klimaat: De gemeente Bergen richt zich op: - Het bovenstrooms treffen van maatregelen om benedenstrooms overlast en/of hinder te voorkomen van afstromend water. Afstromend water kan hierbij zowel hemelwater als vuilwater zijn. - Het afkoppelen en vasthouden van hemelwater op locaties waar het niet tot overlast of schade leidt. - Groenvoorzieningen inzetten als bergingsvoorziening voor afstromend hemelwater, door de groenvoorziening lager te plaatsen dan de weg en banden eventueel de verlagen. - Een aandachtspunt hierbij is de relatie met strooiroutes en de hogere beheer en onderhoudsfrequentie. - Toepassen van waterpasseerbare verharding bij parkeervoorzieningen. - Het zo veel mogelijk vervangen van niet-functionele verharding door groen (waar doelmatig) - Waar doelmatig speeltuinen inzetten voor waterberging, aandachtspunt hierbij is de kwaliteit van het water (geen afvalwater af laten stromen naar speeltuinen) en het water mag slechts gedurende een korte periode aanwezig zijn. De opgave van het waterschap is om te voldoen aan een beschermingsnorm van 1x per 100 jaar voor bebouwde kernen voor wat betreft inundaties uit het regionale oppervlaktewatersysteem (Nationaal Bestuursakkoord Water). Afhankelijk van een maatschappelijke kosten-baten afweging kan een lagere bescherming worden geboden. De provincie stelt het beschermingsniveau vast.

Omgevingsplanfase

Bij nieuwe ontwikkelingen wordt de grondwatersituatie meegenomen in de waterparagraaf. De benodigde maatregelen om grondwaterproblemen te voorkomen worden daarbij vastgelegd in regels voor diverse bestemmingen dan wel functies. De gemeente staat geen bebouwing toe op locaties waar dit vanuit het watersysteem tot schade leidt of beperkingen geeft aan het natuurlijke watersysteem. Het gaat daarbij niet alleen om regels ten aanzien van zetting en drooglegging, maar ook ten aanzien van drainagesystemen en ontwateringsdiepte. Het streven van de gemeente is om bij nieuwbouw ‘grondwaterneutraal’ te bouwen. Dit houdt in dat het grondwaterpeil niet beïnvloed mag worden. In paragraaf 5.5 van deze motivering wordt nader ingegaan op de waterhuishoudkundige situatie en de beoogde invloed met betrekking tot het aspect water. Uit deze paragraaf wordt geconcludeerd dat er ten aanzien van het wateraspect geen belemmeringen zijn. 25

HOOFDSTUK

5 Fysieke leefomgeving

5.1

Leeswijzer

5.2

Erfgoed

De Omgevingswet gaat over de ruimte waarin mensen wonen, werken en ontspannen. In deze wet zijn meerdere wetten en regels gebundeld. Er zijn vier AMvB's (Algemene Maatregel van Bestuur) vastgesteld: Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en het omgevingsbesluit over bevoegd gezag.

Vanuit hoofdstuk 13 van het Bal gelden Rijksregels met betrekking tot cultureel erfgoed. In het Bal staan regels die te maken hebben met erfgoed. Artikelen 13.7 en 13.8 geven gemeenten de mogelijkheid om in het omgevingsplan maatwerkregels en -voorschriften te stellen ter invulling van de specifieke zorgplicht. Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet de gemeente rekening houden met bepaalde uitgangspunten. Het Rijk geeft hiervoor instructieregels (art. 5.130 lid 2 Bkl) over: ▪ Ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; ▪ Verplaatsing van beschermde monumenten; ▪ Gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; ▪ Aantasting van de omgeving van een beschermd monument; ▪ Aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen; ▪ Conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.

Uitgaande van de wettelijke begripsbepaling kan cultureel erfgoed in het stelsel van de Omgevingswet worden gezien als een soort ‘schijf van vijf’ die bestaat uit de volgende elementen: 1. Monumenten (gebouwd en aangelegd (groen) cultureel erfgoed); 2. Archeologische monumenten; 3. Stads- en dorpsgezichten; 4. Cultuurlandschappen; 5. Roerend en immaterieel erfgoed, voor zover in het omgevingsplan aan een locatie te verbinden. Voor de ontwikkeling dient te worden aangetoond dat er geen negatieve effecten zijn ten aanzien van cultureel erfgoed. Wanneer een van de bovenstaande elementen voorkomt in het ontwikkelingsgebied, dient te worden bekeken welke mogelijkheden er zijn tot bescherming van het cultureel erfgoed. 5.2.1

Cultureel erfgoed Het is verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. 26

Conform de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg zijn er geen monumenten of cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig binnen het plangebied. Met onderhavige ontwikkeling zijn de cultuurhistorische en landschappelijke kenmerken dan ook niet in het geding. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. 5.2.2

Archeologie Vanuit artikel 5.130 lid 3, 4 en 5 van het Bkl kan een gemeente lokale regels opstellen over archeologisch onderzoek. Deze regels worden dan opgesteld om archeologische monumenten in de bodem te beschermen of om deze deskundig te laten opgraven. Voor projecten kleiner dan 100 m2 moet een gemeente in beginsel vrijstelling verlenen van de archeologische onderzoeksplicht (art 5.130 lid 4 Bkl). Echter kan de gemeente er voor kiezen een grotere of kleinere vrijstellingsgrens vast te leggen in het omgevingsplan. Dit kan gelden voor bijvoorbeeld historische binnensteden.

Toetsing initiatief

Conform de archeologische beleidskaart van de gemeente Bergen (figuur 7) is het plangebied gelegen binnen een gebied met een hoge archeologische verwachting (4).

Figuur 7 Archeologische beleidskaart gemeente Bergen (L). Plangebied blauw omcirkeld

De beleidslijn in de zone met een hoge archeologische verwachting is om het archeologisch erfgoed ‘in situ’ te bewaren. Als dit niet mogelijk is, wordt geadviseerd om vroegtijdig in de planvorming een archeologisch onderzoek in de vorm van een bureau- en inventariserend veldonderzoek (verkennende fase) te laten uitvoeren. Voor gebieden met een hoge archeologische verwachtingswaarde (4) geldt een onderzoekplicht bij een verstoringsdiepte van meer dan 40 cm en een verstoringsoppervlakte van meer dan 250 m². Om de archeologische verwachting, de bestaande verstoringen en de bepaling in hoeverre de voorgenomen ingrepen in het kader van de planvorming effect 27

hebben op eventuele archeologische resten in het gebied te bepalen, is een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. Hieronder zijn de belangrijkste conclusies uit het onderzoek weergegeven. Het volledige onderzoeksrapport is bijgevoegd al separate bijlage. Op basis van het bureauonderzoek vormde het onderzoeksgebied tijdens het Jonge Dryas een actieve riviervlakte. Hierdoor geldt een lage verwachting voor het aantreffen van resten uit het Laat-Paleolithicum. De ligging op een relatief hoog en droog dalvlakteterras nabij de Maas maakt het gebied wel geschikt voor nederzettingen van jager-verzamelaars uit het Mesolithicum tot en met het Vroeg-Neolithicum en voor landbouwnederzettingen uit het MiddenNeolithicum tot en met de Vroege Middeleeuwen. Direct ten zuidwesten en zuidoosten van het plangebied zijn twee vindplaatsen aangetroffen met vondsten die dateren tot in de Middeleeuwen. Voor het onderzoeksgebied zelf geldt een lage verwachting voor het aantreffen van een vindplaats daterend uit de periode Late-Middeleeuwen tot en met Nieuwe tijd. Historische kaarten geven aan dat het onderzoeksgebied in deze periode in gebruik was als bouwland en hooiland, zonder sporen van bewoning. Voor vindplaatsen gerelateerd aan militair erfgoed geldt dat dergelijke resten op circa 600 meter ten noorden van het plangebied aanwezig waren, maar niet in het plangebied zelf.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16809124/1