Uitspraak ELWM 24 december 2024
Tekst van het document
De Afdeling overweegt allereerst dat de Omgevingsverordening, zoals deze gold op het moment dat het bestemmingsplan werd vastgesteld op 9 december 2021, en gewijzigd en opnieuw werd vastgesteld op 25 april 2022, geen instructieregels bevatte over de zonneladder. In zoverre kan het bestemmingsplan op dat punt ook niet in strijd met de Omgevingsverordening zijn vastgesteld. Zoals de Afdeling ook al heeft overwogen in 24.1, is de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan niet gebonden aan provinciaal beleid, maar moet hij dat wel betrekken bij de belangenafweging. Dit geldt ook voor nationaal beleid, zoals de NOVI. 26.3. In de NOVI staat op pagina 87 en 88 dat er een voorkeursvolgorde is uitgewerkt om te
18
stimuleren dat locaties voor zonnepanelen zorgvuldig worden uitgekozen. Zonnepanelen op daken en gevels van gebouwen hebben de voorkeur. Daarna hebben onbenutte terreinen in bebouwd gebied de voorkeur. Om aan de gestelde energiedoelen te voldoen, kan blijken dat ook locaties in het landelijk gebied nodig zijn. Hoewel natuur- en landbouwgebieden niet volledig worden uitgesloten, ligt de voorkeur bij gronden met een andere primaire functie dan landbouw of natuur, zoals waterzuiveringsinstallaties, vuilnisbelten of bermen van spoor- en autowegen. In de zienswijzennota staat dat op basis hiervan in de notitie "Ruimte voor de zon" een (interim) voorstel is uitgewerkt voor een Limburgse "zonneladder". De vijf treden van de zonneladder zijn ook opgenomen in paragraaf 11.3 van de Provinciale Omgevingsvisie Limburg. De zonneladder kent een motiveringsplicht. De uitwerking hiervan wordt in de Omgevingsverordening opgenomen, zo staat in de Omgevingsvisie. De zonneladder bestaat uit de volgende treden voor de locatiekeuze: 1. Op daken en gevels van gebouwen; 2. Onbenutte terreinen in bebouwd gebied; 3. Gronden in buitengebied met een andere primaire functie dan landbouw of natuur; 4. Gronden in gebruik voor landbouw en gronden gelegen binnen de groenblauwe mantel. Voor deze gronden geldt een nee-tenzij principe; 5. Uitsluitingsgebieden (Natura 2000-gebieden en waterwingebieden). 26.4.
De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad bij het mogelijk maken van het zonnepark onvoldoende rekening heeft gehouden met de Limburgse zonneladder, als bedoeld in de Omgevingsvisie of de zonneladder die is opgenomen in de NOVI. Anders dan [appellant sub 4] ter zitting heeft betoogd, mocht de raad een zonnepark mogelijk maken op gronden die eerst gebruikt werden voor landbouw, voordat alle opties die hoger op de zonneladder staan, benut waren. In zowel de NOVI als de Omgevingsvisie Limburg staat namelijk dat de voorkeursvolgorde geen volgtijdelijkheid inhoudt, zodat daaruit niet volgt dat eerst alle locaties op trede 1 moeten zijn benut voordat mag worden toegekomen aan de locaties van de volgende trede. De treden hoeven in die zin niet steeds een voor een te worden afgelopen. 26.5. Ook heeft de raad voldoende gemotiveerd waarom gekozen is voor deze locatie. In paragraaf 3.3 van de zienswijzennota is toegelicht hoe de locatiekeuze voor de zonnevelden is bepaald. Daarin staat dat het Energielandgoed aansluit bij trede 4 uit de zonneladder. De raad heeft op de zitting toegelicht dat er ook wordt gewerkt aan opties die vallen in trede 1 en 2, maar dat dat onvoldoende is om in de energiebehoefte van de gemeente te voorzien.
Ook heeft de raad gewezen op het streven van de gemeente om 20% te besparen op het energieverbruik, 30% van de energiebehoefte op te wekken door kleinschalige projecten en innovatie en 50% op te wekken door grootschalige projecten. Omdat een groot deel van de gemeente Bergen bestaat uit natuurgebieden, zijn er weinig locaties geschikt voor grootschalige energieopwekking. Verder heeft de raad in de zienswijzenota toegelicht dat uit het MER bij de Structuurvisie Energielandgoed Wells Meer volgt dat het Wells Meer de meest geschikte locatie voor een energielandgoed is in de gemeente Bergen. Hierin zijn de volgende vier aspecten meegenomen: de opwekking van duurzame energie, de impact op het ruimtegebruik, de impact op de leefomgeving en de impact op het landschap. 26.6. Gelet op deze argumenten van de raad en wat daartegen is aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad in strijd met de Limburgse zonneladder of
19
de zonneladder uit het NOVI onvoldoende heeft gemotiveerd waarom ervoor is gekozen om het zonnepark toe te staan op landbouwgronden. Het betoog slaagt niet. Strijd met provinciale verordening Natuur 27. [appellante sub 1] en anderen en [appellant sub 3] en anderen betogen dat het bestemmingsplan in strijd is met de Omgevingsverordening. Allereerst leidt het plan ertoe dat een strook van 1.700 m2 Goudgroene natuurzone (nu: Natuurnetwerk Limburg) verloren gaat. Bovendien gaat onder meer een houtwal verloren en worden dassenburchten verstoord. Op grond van artikel 2.6.2 van de Omgevingsverordening zou dit moeten leiden tot de conclusie dat het project niet door kan gaan. [appellante sub 1] en anderen voeren ook aan dat het compensatieplan in de notitie van Pondera van 4 maart 2021 geen concrete gegevens bevat. Volgens [appellante sub 1] en anderen maakt dit ook dat de voorwaardelijke verplichting in artikel 15.3 van het bestemmingsplan betekenisloos is. 27.1. De Afdeling overweegt dat [appellante sub 1] en anderen uit natuurlijke personen en bedrijven bestaat. In de plantoelichting is toegelicht dat er in de zuidwesthoek van het plangebied zonnepanelen komen te liggen in een kleine strook van wat in de Omgevingsverordening was aangemerkt als Goudgroene natuurzone.
De kortste afstand tussen deze strook en de woning van de dichtstbijzijnde natuurlijke persoon uit [appellante sub 1] en anderen is ruim 1,5 km. De kortste afstand tussen deze strook en de woning van de dichtstbijzijnde persoon uit [appellant sub 3] en anderen is ruim 1,3 km. De kortste afstand tussen de woning van de dichtstbijzijnde natuurlijke persoon uit [appellante sub 1] en anderen en de gronden die in de Omgevingsverordening waren aangemerkt als Zilvergroene natuurzone en die in het bestemmingsplan de bestemming "Energielandgoed" hebben gekregen, is 1,2 km. Gelet op deze afstanden is de Afdeling van oordeel dat geen verwevenheid bestaat tussen het belang van de verschillende natuurlijke personen bestaande uit [appellante sub 1] en anderen en [appellant sub 3] en anderen bij het behoud van een goede kwaliteit van hun leefomgeving en de algemene belangen die de Omgevingsverordening beoogt te beschermen. Ook is niet gebleken dat de bedrijfseconomische belangen van de bedrijven van [appellante sub 1] en anderen verweven zijn met de algemene belangen die de Omgevingsverordening beoogt te beschermen. Deze beroepsgrond kan naar het oordeel van de Afdeling vanwege het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a van de Awb, niet leiden tot vernietiging van het bestemmingsplan. De Afdeling zal deze beroepsgrond daarom niet inhoudelijk bespreken. Het betoog slaagt niet.
Kantoren en bedrijven 28. [appellante sub 1] en anderen betogen dat het bestemmingsplan in strijd is met artikel 2.4.4. en 2.4.5, eerste lid, van de Omgevingsverordening. In de plantoelichting staat dat er geen sprake is van een bedrijventerrein, omdat er slechts een bedrijfsverzamelgebouw mogelijk wordt gemaakt voor aan het Energielandgoed verbonden bedrijven die zijn gerelateerd aan de duurzame energiesectoren en noodzakelijker- of logischerwijs op het Energielandgoed gevestigd moeten zijn. Volgens [appellante sub 1] en anderen kan de constructie van een fictieve koppeling van een omvangrijk kantoor/bedrijfsverzamelgebouw met een windturbine en zonneveld het toepassingsbereik van de verordening en het provinciale beleid niet beperken. Uit het raadvoorstel bij het vaststellingsbesluit volgt dat het
20
hier niet gaat om een bijzonder bedrijventerrein dat uitsluitend bedoeld is voor de bedrijven die verbonden zijn aan het Energielandgoed. In het raadvoorstel staat dat de raad maximale flexibiliteit wilde met de invulling van deze zone, zodat er ook ruimte is voor toekomstige innovatieve ontwikkelingen. [appellante sub 1] en anderen wijzen hierbij op de afwijkingsmogelijkheid die is opgenomen in artikel 5.4.3 van de planregels. Dit bevat een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid op grond waarvan het college bij omgevingsvergunning ook andere bedrijven kan toestaan. 28.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de artikelen 2.4.4 en 2.4.5 van de Omgevingsverordening niet van toepassing zijn, omdat er geen (zelfstandige) kantoorruimte of bedrijventerrein wordt toegevoegd. De raad wijst er ook op dat de provincie in het vooroverleg geen opmerkingen heeft gemaakt of een zienswijze heeft ingediend naar aanleiding van het ontwerpbestemmingsplan. 28.2. De Afdeling is van oordeel dat de raad terecht tot de conclusie is gekomen dat artikel 2.4.4 (Kantoren) en artikel 2.4.5 (Bedrijventerrein) van de Omgevingsverordening niet van toepassing zijn omdat geen sprake is van de toevoeging van kantoorruimte of een bedrijventerrein.
In artikel 5.1.1, aanhef en onder f, onder 1, van de planregels, is bepaald dat er bij de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - bedrijfsverzamelgebouw" uitsluitend bedrijven ten behoeve van aan het energielandgoed verbonden bedrijven uit milieucategorie 1 en/of 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten zich mogen vestigen. In artikel 1.6 van de planregels is ‘aan het energielandgoed verbonden bedrijven’ gedefinieerd als bedrijven die verbonden zijn aan de duurzame energiesector en noodzakelijker- of logischerwijs op het energielandgoed gevestigd dienen te zijn. De afwijkingsbevoegdheid die is opgenomen in artikel 5.4.3 maakt alleen onder voorwaarden mogelijk dat bedrijven die niet voorkomen op de Staat van bedrijfsactiviteiten zich op het Energielandgoed mogen vestigen. Deze bepaling staat niet toe dat er wordt afgeweken van artikel 1.6 van de planregels. Dit is door de raad bevestigd op de zitting. Hierdoor blijft gelden dat er op deze locatie alleen specifieke bedrijven zich mogen vestigen, namelijk bedrijven die verbonden zijn aan de duurzame energiesector en noodzakelijker- of logischerwijs op het energielandgoed gevestigd dienen te zijn. Daarmee is voldoende toegelicht dat geen sprake is van de toevoeging van kantoorruimte of een bedrijventerrein als bedoeld in de Omgevingsverordening. Het betoog slaagt niet. Milieuaspecten: geluid 29.
Gelet op de samenhang met het hiervoor onder 16.4 gegeven oordeel dat de raad de in artikel 5.3.2, onder a, van de planregels gehanteerde norm van ten hoogste 47 dB Lden en 41 dB Lnight niet heeft voorzien van een actuele, deugdelijke, op zichzelf staande en op de aan de orde zijnde situatie toegesneden motivering, zal pas in de einduitspraak een oordeel kunnen worden gegeven over verschillende betogen over het aspect geluid van [appellant sub 4], [appellant sub 3] en anderen en [appellant sub 2]. Die betogen hangen namelijk allemaal samen met de keuze voor een specifieke geluidsnorm en de hoogte daarvan. Het gaat daarbij allereerst om het betoog van [appellant sub 4] en [appellant sub 3] en anderen dat de raad niet had mogen uitgaan van een normstelling van 47 dB Lden en 41 dB Lnight voor geluid, omdat die normstelling uitgaat van jaargemiddelden. Daarnaast gaat het om het betoog van [appellant sub 4] over de aanvaardbaarheid van het woon- en leefklimaat in de tuin en de woning aan de [locatie 1] als gevolg van de (cumulatieve) geluidbelasting ter plaatse. Ook over de betogen van [appellant sub 2] en [appellant sub 3] en anderen over (het onderzoek naar) de toename van de (cumulatieve) geluidbelasting, zal pas in de einduitspraak een oordeel kunnen worden gegeven.
21
30. [appellante sub 1] en anderen voeren aan dat geen rekening is gehouden met de geluidbelasting die zal worden veroorzaakt na realisatie van de Energieboulevard waar het bedrijfsverzamelgebouw is voorzien. Volgens [appellante sub 1] en anderen is daarbij ten onrechte alleen rekening gehouden met geluid door verkeersbewegingen. Dat in de planregels een maximale milieucategorie voor het bedrijfsverzamelgebouw is opgenomen maakt dat niet anders. Daarbij is ook ten onrechte geen rekening gehouden met de in artikel 5.4.3 van de planregels opgenomen afwijkingsbevoegdheid. Daarnaast betogen [appellante sub 1] en anderen dat ten aanzien van de woning aan de Wellsmeer 1a geen sprake is van een goede ruimtelijke ordening. 30.1. De raad heeft erop gewezen dat naar aanleiding van de zienswijze van [appellante sub 1] en anderen voor de functieaanduiding "specifieke vorm van bedrijf bedrijfsverzamelgebouw" in artikel 5.1.1, aanhef en onder f, van de planregels de beperking tot bedrijven uit milieucategorie 1 of 2, conform de Staat van bedrijfsactiviteiten in bijlage 1 van de planregels, is opgenomen. Bij die milieucategorieën geldt 30 meter als grootste richtafstand. De dichtstbijzijnde geluidgevoelige woning is op ongeveer 700 meter van de functieaanduiding voor het bedrijfsverzamelgebouw gelegen.
De dichtstbijzijnde (bedrijfs)woning van [appellante sub 1] en anderen is op ongeveer 1 kilometer van die functieaanduiding gelegen. Verder is in de in artikel 5.4.3 van de planregels opgenomen afwijkingsbevoegdheid slechts bepaald dat van artikel 5.1.1, onder f, van de planregels kan worden afgeweken in de zin dat een omgevingsvergunning kan worden verleend voor bedrijfsactiviteiten die niet onder de vermelde categorieën in voormelde Staat van Bedrijfsactiviteiten vallen en waarbij de voorwaarde geldt dat deze naar hun aard en invloed op de omgeving geacht kunnen worden te behoren tot de categorie die maximaal is toegestaan. Omdat daarmee nog steeds een beperking geldt tot bedrijven uit milieucategorie 1 of 2, dan wel bedrijven die geacht kunnen worden tot die categorieën te behoren, verandert die afwijkingsbevoegdheid dus niets aan de voor de toegestane bedrijven geldende richtafstanden. Anders dan [appellante sub 1] en anderen betogen, heeft de raad met het opnemen van de beperking tot milieucategorie 1 en 2 in artikel 5.1.1, aanhef en onder f, van de planregels, dus wel degelijk rekening gehouden met de geluidbelasting die zal worden veroorzaakt na realisatie van de Energieboulevard waar het bedrijfsverzamelgebouw is voorzien. Ook heeft de raad daarbij dus niet alleen rekening gehouden met geluid door verkeersbewegingen.
De conclusie is dat de met het plan toegestane bedrijven op voldoende afstand van geluidsgevoelige objecten, waaronder woningen, liggen. Daarmee heeft de raad voldoende onderbouwd dat dit geen reden is het plan niet vast te stellen. Het betoog slaagt niet. 30.2. Voor zover [appellante sub 1] en anderen zich met betrekking tot de woning aan de Wellsmeer 1a beroepen op de norm van een goede ruimtelijke ordening, heeft die norm geen betrekking op hun eigen belangen. In artikel 8:69a van de Awb ligt besloten dat degene die vernietiging van een besluit beoogt zich in beginsel niet met succes kan beroepen op belangen van anderen. Het betoog van [appellante sub 1] en anderen over de woning aan de Wellsmeer 1a kan daarom, gelet op het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a van de Awb, niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Milieuaspecten: laagfrequent geluid 31. [appellant sub 4] betoogt dat de in het plan voorziene windturbines tot onaanvaardbare niveaus van laagfrequent geluid zullen leiden. [appellant sub 4] voert aan dat onvoldoende onderzoek naar het laagfrequent geluid is gedaan en dat de normen voor regulier geluid onvoldoende bescherming bieden tegen laagfrequent geluid. [appellant sub 4] verwijst
22
daartoe naar buitenlandse onderzoeken, waaronder het onderzoek van de Aalborg University uit 2012. Meer specifiek is ook onvoldoende onderzoek gedaan naar laagfrequent geluid bij windturbines van 250 meter hoog, zo betoogt [appellant sub 4]. 31.1. De Afdeling heeft in eerdere uitspraken, zoals de uitspraak van 25 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2821, onder 14.1, geoordeeld dat bij windturbines geen aparte beoordeling nodig is van laagfrequent geluid. De Afdeling ziet geen reden om daarover in deze zaak anders te oordelen. In het MER is voldoende ingegaan op het aspect van laagfrequent geluid. Ook is daarin voor het Voorkeursmodel uitgegaan van een maximale tiphoogte van 250 meter. Het betoog slaagt niet. Keuze Voorkeursmodel en MER 32. [appellante sub 1] en anderen, [appellant sub 4] en [appellant sub 3] en anderen voeren verschillende betogen aan over de keuze voor het Voorkeursmodel en het MER. [appellante sub 1] en anderen en [appellant sub 4] betogen dat het in het MER beschreven Voorkeursmodel en de daarbinnen gekozen inrichtingsvariant voor windenergie niet logischerwijs volgen uit de in het MER onderzochte onderzoeksmodellen. Ook is de gekozen inrichtingsvariant voor windenergie, namelijk de grote clustervariant, in het MER niet concreet, en daarom dus onvoldoende, onderzocht, zo betogen [appellante sub 1] en anderen en [appellant sub 4].
[appellant sub 4] betoogt daarbij dat de gekozen inrichtingsvariant voor windenergie onvoldoende is gemotiveerd en dat onvoldoende aandacht is besteed aan mogelijke alternatieven, zoals een winturbine minder of verplaatsing van een windturbine. Een windturbine minder is volgens [appellant sub 4] goed mogelijk omdat de windturbines niet noodzakelijk zijn om de gemeentelijke doelstellingen voor het opwekken van duurzame energie te behalen. [appellante sub 1] en anderen betogen verder dat in de plantoelichting is vermeld dat de in het MER vermelde mitigerende maatregelen bij de verdere planuitwerking zullen worden betrokken. Volgens [appellante sub 1] en anderen is onduidelijk wat daarmee wordt bedoeld en welke mitigerende maatregelen vervolgens daadwerkelijk bij de verdere planuitwerking zijn betrokken. De in het plan geborgde mitigerende maatregelen voor de cumulatieve geluidbelasting zijn ten onrechte beperkt tot de vier voorziene windturbines, terwijl die cumulatie juist is gelegen in verschillende andere geluidbronnen, zoals andere windparken. Daarnaast ontbreken mitigerende maatregelen voor het overige, zoals mitigerende maatregelen voor het behoud van de actieve dassenburcht, zo betogen [appellante sub 1] en anderen. [appellant sub 3] en anderen betogen dat de hoogte en het vermogen van de voorziene windturbines naar verloop van tijd steeds groter zijn geworden.
Ten tijde van het onderzoek naar de meest geschikte locatie werd nog uitgegaan van windturbines met een hoogte van 150 meter en een vermogen van 3 MW. In de aanvulling op dat onderzoek werd uitgegaan van windturbines met een hoogte van 200 meter en een vermogen van 4,5 MW en in het MER wordt uitgegaan van windturbines met een hoogte van 250 meter en een vermogen van 5,6 MW. Hierover is onvoldoende inspraak mogelijk geweest, zo betogen [appellant sub 3] en anderen. 32.1. De Afdeling stelt vast dat in het MER drie verschillende onderzoeksmodellen voor de opzet van het Energielandgoed op de relevante milieuaspecten zijn beoordeeld. Vervolgens is
23
in het MER gekomen tot een Voorkeursmodel. Dat dit Voorkeursmodel niet is ontstaan vanuit de keuze voor één van de drie onderzoeksmodellen, maar vanuit een combinatie van verschillende aspecten van de drie onderzoeksmodellen, betekent niet dat het Voorkeursmodel daarom niet logischerwijs volgt uit de in het MER onderzochte onderzoeksmodellen. De raad heeft de totstandkoming van het Voorkeursmodel daarnaast nog nader toegelicht in de Reactienota advies Commissie voor de milieueffectrapportage van 22 december 2020, welke als bijlage 5 bij de plantoelichting is gevoegd (hierna: de Reactienota). De Afdeling stelt daarnaast vast dat het Voorkeursmodel, met inbegrip van de drie verschillende inrichtingsvarianten voor windenergie, in het MER op de relevante milieuaspecten is beoordeeld. De conclusie in het MER is dat het Voorkeursmodel met toevoeging van mitigerende maatregelen kan worden gerealiseerd in de drie verschillende inrichtingsvarianten voor windenergie. Gelet daarop, bestaat geen aanleiding voor de conclusie dat de gekozen inrichtingsvariant voor windenergie, namelijk de grote clusteropstelling, in het MER onvoldoende is onderzocht. Verder is de keuze voor die inrichtingsvariant voor windenergie ook nog nader toegelicht in de Reactienota.
Anders dan [appellant sub 4] betoogt, heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling ook deugdelijk gemotiveerd waarom als inrichtingsvariant voor windenergie is gekozen voor de grote clusteropstelling. Daartoe heeft de raad erop gewezen dat is gebleken dat de windturbines bij een lijnopstelling te dicht op de omliggende woningen zouden komen te staan en dat bij een kleine clusteropstelling de onderlinge afstand tussen de windturbines te gering zou zijn. Daarnaast heeft de raad gemotiveerd dat plaatsing van een windturbine op de door [appellant sub 4] voorgestelde locatie binnen de gekozen variant niet mogelijk is, omdat ook daarbij de onderlinge afstand tussen de windturbines te gering zou zijn. Voor het betoog dat gelet op de gemeentelijke doelstelling voor duurzame energieopwekking ook met een windturbine minder zou kunnen worden volstaan, verwijst de Afdeling naar het onderdeel "Nut en noodzaak", onder 19 e.v. van deze uitspraak. Wat betreft de in het MER vermelde mitigerende maatregelen, waarover in de plantoelichting staat dat deze bij de verdere planuitwerking zullen worden betrokken, heeft de raad toegelicht dat daarmee de mitigerende maatregelen voor slagschaduw en geluidhinder door windturbines zijn bedoeld. Daartoe zijn de bepalingen van artikel 5.3.2 van de planregels opgenomen.
Dat daarnaast nog specifieke mitigerende maatregelen voor de cumulatieve geluidbelasting zijn vereist, volgt niet uit het MER en hebben [appellante sub 1] en anderen ook niet nader onderbouwd. Verder heeft de raad voor wat betreft de mitigerende maatregelen voor de dassenburcht verwezen naar de inrichtingsmaatregelen van het in bijlage 6 bij de planregels opgenomen compensatieplan, die met de in artikel 15.3 van de planregels opgenomen voorwaardelijke verplichting zijn geborgd. In wat [appellante sub 1] en anderen hebben aangevoerd, ziet de Afdeling daarom geen aanleiding voor het oordeel dat in het MER vermelde mitigerende maatregelen niet zullen worden getroffen of onvoldoende zijn geborgd. Dat verder in eerdere onderzoeken is uitgegaan van minder hoge windturbines met minder vermogen, betekent niet dat de raad daaraan gebonden was. Die onderzoeken zagen namelijk op de mogelijke locaties van het project. In het MER is rekening gehouden met de mogelijkheid van windturbines met een maximale tiphoogte van 250 meter en een vermogen van 5,6 MW. Anders dan [appellant sub 3] en anderen betogen bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat hierover onvoldoende inspraak mogelijk is geweest. De betogen slagen niet.
24
Gezondheidsrisico’s en artikel 22 van de Grondwet 33. [appellant sub 3] en anderen betogen dat de gemeente door het vaststellen van het bestemmingsplan niet voldoet aan de zorgplicht die is vastgelegd in artikel 22 van de Grondwet en het voorzorgsbeginsel uit de SMB-richtlijn. Er had vooraf met wetenschappelijke zekerheid vastgesteld moeten worden dat de te verwachten effecten geen afbreuk doen aan de bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu en de bescherming van de gezondheid van de mens. Volgens [appellant sub 3] en anderen ontkent de gemeente dat er een directe relatie bestaat tussen windturbines op relatief korte afstand (bijvoorbeeld 10 keer de tiphoogte) van woningen en de gezondheidseffecten hiervan op de direct omwonenden. [appellant sub 3] en anderen verwijzen hierbij naar het rapport "Voorkom het windturbine syndroom" van het Democratisch Energie Initiatief (hierna: DEI) van 18 januari 2021. 33.1. Het DEI-rapport bevat onder meer een beschrijving van de achtergrond van laagfrequent geluid en verschillende gezondheidsklachten. Het DEI-rapport bevat geen zelfstandig onderzoek naar het verband tussen deze twee, maar verwijst naar eerder verschenen publicaties. Op de zitting hebben [appellant sub 3] en anderen toegelicht dat DEI geen wetenschappelijk instituut is, maar een stichting die probeert om omwonenden van windparken te verenigen. 33.2.
Voor zover [appellant sub 3] en anderen betogen dat het voorzorgsbeginsel vereist dat nader onderzoek had moeten worden gedaan naar de gezondheidsrisico’s, overweegt de Afdeling het volgende. Het DEI-rapport is een publicatie waarin slechts een mogelijk verband wordt gelegd tussen windturbines en gezondheidsklachten. Het voorzorgsbeginsel strekt niet zo ver dat de raad op basis van deze publicatie van de vaststelling van het bestemmingsplan had moeten afzien (zie ook de uitspraken van de Afdeling van 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:616 [De Drentse Monden en Oostermoer] en 18 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4210 [Greenport Venlo]). Het betoog slaagt niet. Veiligheid Luchtveiligheid 34. [appellante sub 1] en anderen betogen dat de windturbines de luchtveiligheid verstoren. Volgens [appellante sub 1] en anderen kan de ontwikkeling die het bestemmingsplan mogelijk maakt allereerst leiden tot radarverstoring. Uit het onderzoek van TNO, dat de raad ten grondslag heeft gelegd aan het bestemmingsplan, volgt dat er toelaatbare hinder op de werking van de defensieradar optreedt. Het Ministerie van Defensie heeft echter nog geen verklaring afgegeven. Er is daarom in de planregels een voorwaardelijke verplichting opgenomen in artikel 5.2.3, maar deze is volgens [appellante sub 1] en anderen onhoudbaar.
[appellante sub 1] en anderen wijzen daarbij ook op de conclusies in het TNO-rapport, dat als bijlage 2 bij de plantoelichting is gevoegd. Daarin staat dat het bouwplan niet voldoet aan de thans gehanteerde 2020-norm. Ook staat er dat de MASS radar in Volkel schaduwhinder ondervindt na realisatie van het bouwplan, wat leidt tot een verlies aan bereik van maximaal circa 1,5 km. Omdat dat verlies volledig buiten de landsgrenzen valt, wordt de 1000 voetnorm niet overschreden en voldoet het plan aan de thans gehanteerde 2020-norm. In de tweede plaats kan de maximaal toegestane hoogte van de windturbines leiden tot problemen. In het onderzoek van TNO is uitgegaan van een maximale ashoogte van 150 m en een maximale rotordiameter van 140 m. In dit bestemmingsplan is echter een maximale
25
ashoogte van 165 m en een maximale rotordiameter van 170 m opgenomen. De conclusies van TNO leveren dus een onderschatting van de werkelijkheid op. Daarnaast is er bij deze maximaal toegestane hoogtes ten onrechte geen rekening gehouden met de aanvliegroutes naar het vliegveld van Weeze in Duitsland. Het bestemmingsplan staat toe dat de windturbines maximaal 250 m hoog worden. Wanneer de noordoostelijke windturbine hoger wordt dan 180 m, kunnen er gevaarlijke situaties ontstaan omdat vliegtuigen niet meer kunnen uitwijken. Weeze Airport heeft hier ook op gewezen in hun bijdrage bij de commissievergadering van 20 januari 2021. 34.1. [appellante sub 1] en anderen komen met deze betogen niet op voor hun eigen belangen, maar voor die van het Ministerie van Defensie en Weeze Airport. Omdat artikel 8:69a van de Awb in de weg staat aan de vernietiging van het bestemmingsplan op deze grond, zal de Afdeling dit betoog niet inhoudelijk bespreken. Het betoog slaagt niet. Brandveiligheid 35. [appellant sub 3] en anderen betogen dat er een risico bestaat op brand door de zonnepanelen. Als de (zeer droge) ondergrond vlam vat, zijn de gevolgen voor het Energielandgoed, de omringende bossen en de aangrenzende woningen waarschijnlijk niet te overzien. 35.1. [appellant sub 3] en anderen hebben dit betoog niet nader onderbouwd.
De raad heeft gewezen op de ruime afstand tussen het Energielandgoed en de woningen van [appellant sub 3] en anderen. [appellant sub 3] en anderen wonen allemaal minstens 800 m van het plangebied. Tussen hun woningen en het plangebied ligt het Natura 2000-gebied Maasduinen. De afstanden tussen hun woningen en de gronden die in het bestemmingsplan zijn voorzien voor de zonnevelden zijn ongeveer 1,2 tot 1,6 km. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het bestemmingsplan leidt tot een onaanvaardbare verhoogde kans op brandgevaar bij de woningen van [appellant sub 3] en anderen. Het betoog slaagt niet. Natuur en groen: dassenburcht 36. [appellante sub 1] en anderen betogen dat de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) in de weg staat aan de uitvoering van het bestemmingsplan. Uit de zienswijzenota volgt dat de plannen moeten worden aangepast, omdat er een actieve dassenburcht is. Er is echter niet toegelicht hoe die aanpassing er uit moet zien. Het aangepaste compensatieplan, waarin de dassenburcht genoemd wordt, is volgens [appellante sub 1] en anderen ondeugdelijk. Uit het compensatieplan volgt dat er voor de realisatie van het zonnepark een nieuwe verbindingsstrook moet worden aangelegd, maar in artikel 15.3 van de planregels is bepaald dat dat pas hoeft drie jaar nadat het zonnepark in gebruik is genomen.
Het is daarom niet aannemelijk dat het college van Gedeputeerde Staten een ontheffing zal verlenen, aldus [appellante sub 1] en anderen. 36.1. De raad mag het plan niet vaststellen als en voor zover hij op voorhand redelijkerwijs had moeten inzien dat het wettelijke soortenbeschermingsregime aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. De Afdeling stelt allereerst vast dat artikel 15.3 van de planregels is gewijzigd toen de raad het bestemmingsplan opnieuw heeft vastgesteld op 25 april 2022. In deze bepaling is nu geen termijn van 3 jaar meer opgenomen voor het uitvoeren van het compensatieplan.
26
Verder heeft de raad aangegeven dat volgens hem de Wnb niet in de weg staat aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De raad heeft toegelicht dat er mitigerende maatregelen nodig zijn, maar deze kunnen en zullen worden getroffen. Dit is niet weersproken door [appellante sub 1] en anderen. Daarom heeft de raad zich redelijkerwijs op het standpunt kunnen stellen dat het wettelijke soortenbeschermingsregime op voorhand niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Het betoog slaagt niet. Natuur en groen: Natura 2000 / stikstof 37. Het Natura 2000-gebied Maasduinen grenst aan en ligt gedeeltelijk in het plangebied. [appellant sub 4], [appellante sub 1] en anderen en [appellant sub 3] en anderen hebben beroepsgronden aangevoerd die gaan over de uitstoot van stikstof en de gevolgen die dat kan hebben op het Natura 2000-gebied. Toetsingskader 38. Uit artikel 2.8 van de Wnb, in samenhang gelezen met artikel 2.7 van de Wnb, volgt dat een passende beoordeling moet worden gemaakt als een plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Dat is het geval als een plan voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling die ten opzichte van de referentiesituatie significante gevolgen kan hebben. Onder referentiesituatie wordt de feitelijke, planologisch legale situatie voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan verstaan. 39.
Als een plan ten opzichte van de referentiesituatie leidt tot een toename van de stikstofdepositie op reeds overbelaste stikstofgevoelige natuurwaarden in een Natura 2000gebied, dan dienen de gevolgen van die toename voor de vaststelling van het plan verder te worden onderzocht. Als daaruit volgt dat significante gevolgen niet op voorhand op grond van objectieve gegevens kunnen worden uitgesloten (voortoets), dient een passende beoordeling te worden gemaakt. Het plan kan in dat geval worden vastgesteld als en nadat het college uit de aldus gemaakte passende beoordeling de zekerheid heeft verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 22 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:212). Relativiteit 40. De bepalingen in de Wnb over de beoordeling van plannen die gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied zijn daarin opgenomen ter bescherming van het behoud van de natuurwaarden in deze gebieden.
Uit de uitspraak van de Afdeling van 13 juli 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR1412, volgt dat de individuele belangen van burgers bij het behoud van een goede kwaliteit van hun leefomgeving, waarvan een Natura 2000-gebied deel uitmaakt, zo verweven kunnen zijn met het algemene belang dat de Wnb bedoelt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen van de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen. 40.1. Het Natura 2000-gebied Maasduinen is gelegen op ongeveer 470 m van de woning van [appellant sub 4]. Gelet op deze afstand maakt dit Natura 2000-gebied naar het oordeel van de Afdeling geen deel uit van de leefomgeving van [appellant sub 4]. De Afdeling is daarom van oordeel dat er geen duidelijke verwevenheid bestaat tussen het individuele belang van [appellant sub 4] bij het behoud van een goede kwaliteit van zijn leefomgeving en het algemene belang dat de Wnb beoogt te beschermen. Dit betekent dat hij zich, gelet op
27
artikel 8:69a van de Awb, niet op schending van de normen in de Wnb kan beroepen. Omdat het relativiteitsvereiste in de weg staat aan een vernietiging van het bestreden besluit vanwege deze beroepsgrond, ziet de Afdeling af van een inhoudelijke bespreking van zijn beroepsgronden over dit onderwerp. 40.2. [appellante sub 1] en anderen bestaat uit natuurlijke personen en bedrijven. Bij een van deze personen, [appellant sub 1F], is de afstand van zijn woning tot het Natura 2000-gebied ongeveer 240 m. Er ligt geen bebouwing tussen de woning en het Natura 2000-gebied. [appellant sub 3] en anderen bestaat uit natuurlijke personen. Bij een van deze personen, [appellant sub 3A], omringt het Natura 2000-gebied zijn perceel. Gelet hierop maakt het Natura 2000-gebied Maasduinen wel onderdeel uit van de leefomgeving van [appellante sub 1] en anderen en [appellant sub 3] en anderen. Gelet hierop staat artikel 8:69a van de Awb niet in de weg aan een inhoudelijke beoordeling van het betoog van [appellante sub 1] en anderen en [appellant sub 3] en anderen. Gebreken in het stikstofonderzoek 41. [appellante sub 1] en anderen en [appellant sub 3] en anderen betogen dat er ten onrechte geen passende beoordeling ten grondslag ligt aan de besluiten.
Er is weliswaar een voortoets gemaakt aan de hand van berekeningen in de AERIUS-Calculator (zie bijlage 7 bij de toelichting bij het bestemmingsplan en bijlage 8 voor de toelichting op de berekeningen, hierna: het stikstofonderzoek), maar omdat daarin van verkeerde uitgangspunten is uitgegaan, kan daaruit niet de conclusie worden getrokken dat er geen passende beoordeling gemaakt hoefde te worden. Ook zijn er bepaalde punten ten onrechte niet meegenomen in het stikstofonderzoek. Zij wijzen daarbij op de volgende punten. Aanlegfase windturbines 41.1. [appellante sub 1] en anderen betogen dat in het stikstofonderzoek is uitgegaan van een aanlegfase van 5 jaar. De stikstofdepositie die gepaard gaat met de aanleg is daarom verdeeld over 5 jaar. In de toelichting bij de aanvraag omgevingsvergunning voor windturbines staat echter dat de aanleg start in het eerste kwartaal van 2022 en zal eindigen in het vierde kwartaal van 2022. Volgens [appellante sub 1] en anderen zou het daarom meer overeenkomen met de werkelijkheid als de stikstof die vrijkomt bij de aanleg van de windturbines in het model alleen was neergelegd in 2022 en niet was verspreid over 5 jaar. 41.1.1. Het stikstofonderzoek heeft niet alleen betrekking op de aanleg van de windturbines, maar ook van de zonnevelden en de andere met het plan beoogde voorzieningen.
Anders dan [appellante sub 1] en anderen stellen, gaat het dus niet alleen over het oprichten van de windturbines. Dat die windturbines in één jaar kunnen worden gebouwd, betekent dus niet dat de aanleg van het gehele energielandgoed niet langer duurt. De raad is er daarbij vanuit gegaan dat voor de aanleg van het energielandgoed als geheel vijf jaar nodig is. [appellante sub 1] en anderen hebben geen aanknopingspunten gegeven dat deze aanname niet reëel en aannemelijk is. Het betoog slaagt niet. Het verkeer in de aanlegfase 41.2. [appellante sub 1] en anderen stellen dat de stikstofemissie die vrijkomt door de transportbewegingen in de aanlegfase verdeeld zijn over 5 jaar. Volgens [appellante sub 1] en anderen is het echter niet duidelijk of in deze berekeningen de heen- en terugweg van het verkeer is meegenomen en wanneer de verkeersbewegingen zijn opgenomen in het heersende verkeersbeeld.
28
41.2.1. In bijlage 8 bij de plantoelichting zijn in tabel 4.4 en 4.7 de emissies door transportbewegingen door de aanleg van de windturbines en de zonnepanelen opgenomen. De raad heeft toegelicht dat hierin de heen- en terugweg is meegenomen. Verder staat op pagina 7 in deze bijlage: "Het punt waarop de transporten opgaan in het heersende verkeersbeeld ligt op 1,0 km afstand na het oprijden van de Wezerweg (zie figuur 4)". [appellante sub 1] heeft deze toelichting niet weersproken. Het betoog slaagt niet. Werkzaamheden watergang 41.3. [appellante sub 1] en anderen betogen dat de stikstofemissies die vrijkomen bij het dempen van de watergang en het aanleggen van de nieuwe watergang ten onrechte niet inzichtelijk zijn gemaakt in het stikstofonderzoek. 41.3.1. De Afdeling overweegt dat de raad onbetwist heeft gesteld dat deze werkzaamheden onderdeel uitmaken van de aanlegfase. Deze werkzaamheden worden namelijk tegelijk uitgevoerd met het bouwrijp maken van de grond en zijn daarom niet apart benoemd. De Afdeling kan het standpunt van de raad hier volgen. Het betoog slaagt niet. Het gebruik van STAGE IV werktuigen 41.4. Volgens [appellante sub 1] en anderen is er in het stikstofonderzoek ten onrechte van uitgegaan dat er gebruik zal worden gemaakt van mobiele werktuigen klasse STAGE IV, zonder dat er is gemotiveerd waarom daarvan gebruik zal worden gemaakt.
Dit materiaal moet wel daadwerkelijk beschikbaar zijn en worden gebruikt. 41.4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat er inderdaad gebruik gemaakt zal gaan worden van nieuwe machines en verwijst daarbij naar de toelichting bij de stikstofberekeningen in bijlage 8 bij de plantoelichting. Pondera is gespecialiseerd in en betrokken bij de realisatie van vele windparken en bij die windparken wordt gebruik gemaakt van relatief nieuwe machines. Dit is een kwestie van uitvoering en hoeft niet in het plan te worden voorgeschreven, aldus de raad. 41.4.2. Zoals de Afdeling ook al heeft geoordeeld in de uitspraak van 1 september 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:1960, onder 17.1), is dit primair een kwestie van uitvoering. In een onderzoek naar de gevolgen van een bestemmingsplan moet worden uitgegaan van reële en aannemelijke uitgangspunten, maar die uitgangspunten hoeven niet per se in het bestemmingsplan te worden geborgd. In de toelichting op de stikstofberekeningen is in paragraaf 4.2 ingegaan op het materieel dat gebruikt gaat worden in de aanlegfase. Hieruit blijkt dat mobiele werktuigen STAGE IV worden gebruikt. [appellante sub 1] en anderen hebben geen aanknopingspunten gegeven voor het oordeel dat het niet reëel en aannemelijk is dat mobiele werktuigen klasse STAGE IV worden of kunnen worden gebruikt. Het betoog slaagt niet. De gasloze gebruiksfase 41.5.
[appellante sub 1] en anderen betogen dat er in het stikstofonderzoek van is uitgegaan dat de gebruiksfase gasloos is, zonder dat dat in de planregels is geborgd. Dat dit wel had moeten gebeuren, volgt volgens [appellante sub 1] en anderen uit de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:880).
29
41.5.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het reëel en aannemelijk is dat het bedrijfsverzamelgebouw en het bezoekerscentrum emissieloos zullen zijn. De raad wijst hierbij op artikel 10, zevende lid, onder a, van de Gaswet, waarin is bepaald dat nieuwbouwprojecten niet worden aangesloten op het gasnet. Volgens de raad is het niet aannemelijk dat er een uitzondering zal worden gemaakt voor deze ontwikkeling, omdat een aansluiting op het gastransportnet strikt noodzakelijk moet zijn om zwaarwegende redenen van algemeen belang. Volgens de raad heeft het energielandgoed een voorbeeldfunctie en de energie die zal worden opgewekt wordt gebruikt voor de bedrijfsbebouwing. Dit is een harde voorwaarde bij de ontwikkeling van het plan. 41.5.2. De Afdeling stelt voorop dat in de uitspraak van 25 maart 2020 waar [appellante sub 1] en anderen naar verwijzen niet is bepaald dat altijd in de planregels geborgd moet worden dat een nieuw bouwwerk geen gasaansluiting heeft. Zoals de Afdeling ook al heeft bepaald in de uitspraak van 1 september 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:1960), is in artikel 10, zevende lid, onder a, van de Gaswet als wettelijk uitgangspunt opgenomen dat nieuwbouwprojecten niet worden aangesloten op het gastransportnet. Niet aannemelijk is dat voor deze ontwikkeling op dit wettelijke uitgangspunt een uitzondering zal worden gemaakt.
Voor zo’n uitzondering dient sprake te zijn van een situatie waarin aansluiting op het gastransportnet strikt noodzakelijk is om zwaarwegende redenen van algemeen belang. De raad heeft toegelicht dat het de bedoeling is dat het Energielandgoed een voorbeeldfunctie vervult in de energietransitie. De energie die wordt opgewekt, zal worden gebruikt voor de gebouwen in het Energielandgoed. De Afdeling acht het niet aannemelijk dat het college een dergelijke uitzondering zal maken voor deze ontwikkeling. De raad was in dit geval dan ook niet verplicht om in het plan vast te leggen dat de toekomstige bouwwerken niet op het gastransportnet zullen worden aangesloten. De raad kon er bij het stikstofonderzoek dus vanuit gaan dat de met het plan beoogde voorzieningen in de gebruiksfase gasloos zijn. Het betoog slaagt niet. Stikstofemissie door file 41.6. [appellante sub 1] en anderen betogen dat er in het stikstofonderzoek bij de transportbewegingen ten onrechte geen percentage file is opgenomen door bijvoorbeeld het parkeren van personenauto’s. 41.6.1. De raad is ervan uitgegaan dat er geen file zal ontstaan. In het verkeersmemo dat is opgesteld door Antea Group van 20 maart 2020 en is bijgevoegd in bijlage 17 bij de plantoelichting (hierna: het verkeersmemo), staat dat de toegangsweg Wezerweg een restcapaciteit van 2.000 motorvoertuigbewegingen per dag heeft.
Er wordt verwacht dat het bezoekerscentrum jaarlijks 20.000 bezoekers trekt, wat neerkomt op 385 bezoekers per week. Er is als uitgangspunt genomen dat er gemiddeld 2,5 personen per motorvoertuig reizen, wat leidt tot 310 verkeersbewegingen per week. Wanneer ervan wordt uitgegaan dat 75% van de bezoekers in het weekend komt, komt dat neer op 233 verkeersbewegingen in het weekend. In het verkeersmemo is daarom geconcludeerd dat de verkeerstoename gering is en dat er geen doorstromingsproblemen zullen ontstaan. Ook is er berekend dat, rekening houdend met seizoensinvloeden er ongeveer 258 parkeerplaatsen nodig zijn voor de drukste momenten. De raad heeft toegelicht dat het plangebied meer dan voldoende ruimte biedt om deze te realiseren. Gelet op deze toelichting, die niet door [appellante sub 1] en anderen is betwist, heeft de raad ervan mogen uitgaan dat er geen file zal ontstaan. Het betoog slaagt niet.
30
Buitenlandse Natura 2000-gebieden 41.7. [appellante sub 1] en anderen betogen dat de gevolgen van de stikstofemissie op buitenlandse natuurgebieden betrokken hadden moeten worden in het stikstofonderzoek. 41.7.1. De bepalingen in de Wnb over de beoordeling van plannen die gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied zijn daarin opgenomen ter bescherming van het behoud van de natuurwaarden in deze gebieden. Uit de uitspraak van de Afdeling van 13 juli 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR1412, volgt dat de individuele belangen van burgers bij het behoud van een goede kwaliteit van hun leefomgeving, waarvan een Natura 2000-gebied deel uitmaakt, zo verweven kunnen zijn met het algemene belang dat de Wnb bedoelt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen van de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen. Dat is hier het geval. De kortste afstand tussen het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied in Duitsland is het gebied Fleuthkuhlen, dat op ongeveer 12 km van het plangebied ligt. Gelet op het relativiteitsvereiste uit artikel 8:69a van de Awb, kan dit betoog niet leiden tot vernietiging van het bestemmingsplan. De Afdeling zal dit betoog daarom niet bespreken. Onderhoud 41.8. [appellant sub 3] en anderen betogen dat er ten onrechte geen rekening is gehouden met de stikstofemissie door het onderhoud van de windturbines. 41.8.1.
Uit het stikstofonderzoek volgt dat de stikstofemissies als gevolg van het beheer en onderhoud van de windturbines niet zijn meegenomen in de berekeningen. In het stikstofonderzoek staat hierover dat de emissies geen gevolgen hebben voor het Natura 2000 gebied. [appellant sub 3] en anderen hebben dit niet betwist. Voor zover [appellant sub 3] en anderen zich richten op de verkeersbewegingen die gepaard gaan met het beheer en onderhoud, overweegt de Afdeling dat er in de planregels een maximum is gesteld aan het aantal voertuigen met verbrandingsmotor dat het plangebied jaarlijks mag bezoeken. Dat geldt dus ook voor eventuele voertuigen die gebruikt worden voor het beheer en onderhoud van de windturbines. Het betoog slaagt niet. Demontage 41.9. [appellant sub 3] en anderen betogen dat er ten onrechte geen rekening is gehouden met de stikstofemissie door de demontage van de windturbines aan het einde van hun levensduur. 41.9.1. Zoals de Afdeling ook al heeft overwogen in haar uitspraak van 11 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2339 (onder 22.2), kan de ontmanteling van de windturbines gezien worden als een project op zichzelf. De raad hoefde hier dus geen rekening mee te houden in het stikstofonderzoek. Omzetting stikstof rotorbladen 41.10.
[appellant sub 3] en anderen betogen dat er ten onrechte geen rekening mee is gehouden dat windturbines zoals die mogelijk worden gemaakt in dit bestemmingsplan circa 64 ton aan ammoniumnitraat uitstoten door omzetting van stikstofdioxide (NO2) door de rotorbladen. 41.10.1. [appellant sub 3] en anderen hebben dit betoog niet onderbouwd of nader
31
geconcretiseerd, zodat de Afdeling dan ook geen aanknopingspunten heeft voor het oordeel dat het stikstofonderzoek op dit punt niet goed of incompleet is. Uitstoot werkzaamheden kabeltracé 41.11. Volgens [appellant sub 3] en anderen ontbreken in het stikstofonderzoek de stikstofemissies door de aanleg van het kabeltracé buiten het plangebied. 41.11.1. De raad hoefde in dit geval de gevolgen van de aanleg van het kabeltracé niet te betrekken in het stikstofonderzoek. De Afdeling overweegt hierover het volgende. Het kabeltracé dat [appellant sub 3] en anderen bedoelen betreft het tracé voor de aansluiting van het wind- en zonnepark van Energielandgoed Wells Meer op het hoogspanningsnet. Het gaat om een kabeltracé dat ligt buiten het plangebied. Uit het rapport Energielandgoed Wells Meer; Verkenning naar techniek, economie en organisatie, van 27 november 2018 van Antea Group, dat als bijlage 11 is bijgevoegd bij het MER, volgt dat ten behoeve van een passende netaansluiting het 150 kV-hoogspanningsnet mogelijk moet worden verzwaard en het koppelstation in Venray mogelijk moet worden uitgebreid.
Uit bijlage 11 bij het MER volgt ook dat de regionale netbeheerder Enexis, in afstemming met de landelijke netbeheerder TenneT, de mogelijkheden voor de aansluiting van het wind- en zonnepark op het hoogspanningsnet en de daarmee samenhangende aanpassingen die in het hoogspanningsnet moeten plaatsvinden onderzoekt. Blijkens bijlage 11 bij het MER bestaan daarvoor verschillende opties en mogelijkheden en is de keuze die daarover uiteindelijk door de netbeheerders zal worden gemaakt niet zozeer afhankelijk van het Energielandgoed Wells Meer, maar van de wijze waarop de inpassing in het hoogspanningsnet het beste kan plaatsvinden. Op het moment dat het bestemmingsplan werd vastgesteld, had hier nog geen besluitvorming over plaatsgevonden. Het kabeltracé voor de aansluiting van het wind- en zonnepark op het hoogspanningsnet ligt daarnaast buiten het plangebied van Energielandgoed Wells Meer en wordt ontwikkeld en uitgevoerd door de daarvoor verantwoordelijke netbeheerders, op een in beginsel door hen te bepalen moment. De effecten hiervan, waaronder de door [appellant sub 3] en anderen genoemde gevolgen van de aanleg van het kabeltracé, zijn in zoverre geen gevolg van het nu voorliggende plan en hoefden daarom niet in het stikstofonderzoek voor dit plan te worden betrokken.
Op de uitvoerbaarheid van het voorliggende bestemmingsplan in verband met de noodzakelijke aansluiting op het hoogspanningsnet, wordt hierna onder 51 ingegaan. Het betoog slaagt niet. De beperking van voertuigen met verbrandingsmotor 41.12. [appellante sub 1] en anderen betogen dat in het stikstofonderzoek bij het bepalen van de stikstofemissie ten onrechte het uitgangspunt is gehanteerd dat het Energielandgoed jaarlijks door maximaal 30.000 voertuigen met een verbrandingsmotor wordt bezocht. Die beperking is in het plan opgenomen in de artikelen 5.3.3 en 5.4.4 van de planregels. Volgens [appellante sub 1] en anderen is er geen juridische grondslag voor het opnemen van deze beperking en is deze daarom niet handhaafbaar. Ook is deze beperking niet realistisch. Bij het bezoekerscentrum en het bedrijfsverzamelgebouw zijn 258 parkeerplaatsen beschikbaar. Volgens [appellante sub 1] en anderen komt dit bij een volledige bezetting neer op 130.000 verkeersbewegingen. De 258 parkeerplaatsen waar van uit is gegaan, is gebaseerd op een recreatiegebied met 20.000 verkeersbewegingen. Volgens deze berekeningen zijn er dan 387 parkeerplaatsen nodig, maar dit is ten onrechte niet als voorwaarde opgenomen in de
32
afwijkingsbevoegdheid in artikel 5.4.4. 41.12.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de gemeente eigenaar is van de gronden en daarom zeggenschap heeft over de toegankelijkheid. Het gemaximeerde aantal voertuigen met verbrandingsmotor is volgens de raad in lijn met de duurzaamheidsgedachte van het plan. Dat in de planregels een hoog maximum is opgenomen, zorgt er volgens de raad voor dat het plan beter uitvoerbaar is. Over vijf jaar of na de realisatie van het Energielandgoed zal het aandeel voertuigen met een verbrandingsmotor verder zijn gedaald en zal de beperking minder voertuigen raken, aldus de raad. De raad stelt zich daarnaast op het standpunt dat het plangebied en specifiek de innovatieve zone meer dan voldoende ruimte bieden voor een eventuele vergroting van het parkeerterrein. 41.12.2. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het niet mogelijk is om in een bestemmingsplan regels op te nemen die de toegankelijkheid van een bepaald gebied reguleren. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat het mogelijk is met behulp van een slagboom en nummerplaatherkenning bij te houden hoeveel voertuigen met een verbrandingsmotor het plangebied bezoeken. Ook zal het Energielandgoed goed toegankelijk zijn voor fietsers.
Gelet op de toelichting van de raad, ziet de Afdeling geen reden voor het oordeel dat de beperking van het aantal voertuigen met een verbrandingsmotor dat het plangebied mag bezoeken, die in de planregels is opgenomen, niet handhaafbaar is. De raad mocht bij het beoordelen van de gevolgen voor de stikstofdepositie dus ook met de in het plan opgenomen maximale hoeveelheid voertuigen met verbrandingsmotor rekenen. Overigens heeft de raad ook toegelicht dat de gemeente aan de toekomstige gebruikers van bedrijfsgebouwen de voorwaarde zal stellen dat zij geen gebruik maken van auto’s met een verbrandingsmotor. Voor zover [appellante sub 1] en anderen betogen dat in de planregels een voorwaarde opgenomen had moeten worden die ziet op een vergroting van het aantal parkeerplaatsen, staat het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a van de Awb in de weg aan de beoordeling van dit betoog. De Afdeling ziet niet in dat eventuele parkeeroverlast als gevolg van een mogelijk tekort aan parkeerplaatsen zal plaatsvinden op of rond de gronden van [appellante sub 1] en anderen. 41.13. [appellant sub 3] en anderen betogen dat het onduidelijk is waar de raad in het herstelbesluit mee heeft ingestemd.
In het raadsvoorstel staat: "Aerius berekeningen hebben uitgewezen dat het mogelijk is om in de gebruiksfase meer verkeersbewegingen door voertuigen met een verbrandingsmotor toe te staan namelijk 30.000." In het oorspronkelijke bestemmingsplan was bepaald dat het plangebied door maximaal 15.000 voertuigen met een verbrandingsmotor mocht worden bezocht. Dat bestemmingsplan stond dus al 30.000 verkeersbewegingen toe. 41.13.1. De Afdeling overweegt dat het bestemmingsplan op dit punt voldoende duidelijk is. Hoewel de zin waar [appellant sub 3] en anderen naar verwijzen duidelijker geformuleerd had kunnen worden, volgt uit het raadsvoorstel wel duidelijk dat er in de planregels een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid wordt toegevoegd die het mogelijk maakt om het aantal voertuigen met verbrandingsmotor dat het plangebied jaarlijks mag bezoeken te verhogen naar 30.000. Deze bepaling is opgenomen in artikel 5.4.4, onder a, van de planregels. Het betoog slaagt niet. Conclusie stikstofonderzoek 41.14. Uit het voorgaande volgt dat er in zoverre in het stikstofonderzoek geen relevante
33
bronnen ontbreken en dat de raad zich heeft gebaseerd op reële en aannemelijke uitgangspunten. Het betoog slaagt niet. Geactualiseerde AERIUS-berekeningen ontbreken 42. [appellante sub 1] en anderen en [appellant sub 3] en anderen betogen dat bij het herstelbesluit van 25 april 2022 ten onrechte geen geactualiseerde AERIUS-berekening is gevoegd. In het herstelbesluit is artikel 5.4.4 toegevoegd, dat het onder voorwaarden mogelijk maakt om het aantal toegestane voertuigen met verbrandingsmotor te verhogen van 15.000 naar 30.000. Het is niet duidelijk of de extra verkeersbewegingen die dit kan veroorzaken, in overeenstemming zijn met de Wnb. 42.1. Bij besluit van 25 april 2022 heeft de gemeenteraad het bestemmingsplan "Energielandgoed Wells Meer" gewijzigd vastgesteld. Hierin is, ten opzichte van het oude bestemmingsplan "Energielandgoed Wells Meer" (vastgesteld door de raad op 9 februari 2021) onder meer artikel 5.4.4 toegevoegd aan de planregels. Deze bepaling verleent het college de bevoegdheid om een vergunning te verlenen zodat in plaats van maximaal 15.000, maximaal 30.000 voertuigen met een verbrandingsmotor het plangebied kunnen bezoeken. 42.2. De Aerius-berekeningen die de raad in het aanvullende verweerschrift heeft ingediend, zijn gedateerd van voor het raadbesluit van 25 april 2022 tot wijziging en opnieuw vaststellen van het bestemmingsplan.
In het raadsvoorstel staat: "Aerius berekeningen hebben uitgewezen dat het mogelijk is om in de gebruiksfase meer verkeersbewegingen door voertuigen met een verbrandingsmotor toe te staan namelijk 30.000." De Afdeling begrijpt hieruit dat de Aerius-berekeningen van 20 en 22 maart 2022 wel zijn betrokken bij de voorbereiding van het herstelbesluit, maar daar per abuis geen onderdeel van uitmaken. In zoverre bevat het herstelbesluit een gebrek, maar dit is hersteld doordat de Aeriusberekeningen alsnog zijn overgelegd. Daarbij is niet gebleken dat belanghebbenden door dit gebrek zijn benadeeld. De Afdeling ziet daarom aanleiding om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren. Het betoog slaagt niet. Wateraspecten: waterberging 43. [appellante sub 1] en anderen betogen dat niet duidelijk is waar de in artikel 15.4 van de planregels bedoelde extra waterberging moet worden gerealiseerd en wat daarvan de hydrologische effecten zijn, in het bijzonder voor de percelen van [appellante sub 1] en anderen. 43.1. Volgens de raad wordt de waterberging op de gronden van het plangebied gerealiseerd. De gronden met de bestemming "Energielandgoed" zijn mede bestemd voor waterhuishoudkundige voorzieningen en waterpartijen en waterlopen, zodat op deze gronden waterberging kan worden gerealiseerd. 43.2.
In artikel 15.4 van de planregels is bepaald dat de gronden met de bestemming "Energielandgoed" niet in gebruik mogen worden genomen zonder dat er een waterberging is gerealiseerd. Doordat dit artikel in een gebruiksverbod voorziet, hoefde de raad naar het oordeel van de Afdeling niet in het bestemmingsplan te regelen waar de waterberging precies in het plangebied wordt aangelegd. Voldoende is dat het plan waterberging op gronden met de bestemming "Energielandgoed" mogelijk maakt en dus in voldoende waterbergingsmogelijkheden voorziet. In de plantoelichting, in paragraaf 4.10.2, en in de
34
toelichting bij de watertoets, die als bijlage 11 bij de plantoelichting is gevoegd, zijn de hydrologische effecten van het plan toegelicht. Het betoog slaagt niet. Archeologie 44. [appellante sub 1] en anderen betogen dat artikel 11.3 van de planregels in strijd is met de vereiste rechtszekerheid, vanwege de daarin opgenomen (te) algemene verwijzing naar het archeologiebeleid van de gemeente Bergen. 44.1. Bij de vaststelling van het bestemmingsplan op 25 april 2022 is artikel 11.3 gewijzigd ten opzichte van het bestemmingsplan dat is vastgesteld op 9 februari 2021. Dit artikel luidt nu: "Burgemeester en wethouders kunnen bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 11.2.1 en bepalen dat archeologisch onderzoek achterwege kan blijven indien dit in overeenstemming is met het archeologiebeleid van de gemeente Bergen zoals neergelegd in de Nota Archeologiebeleid Bergen van 24 september 2012 en door de raad vastgesteld op 13 november 2012." Naar het oordeel van de Afdeling is voldoende duidelijk naar welk gemeentelijk beleid er wordt verwezen. Er is geen sprake van strijd met de rechtszekerheid. Het betoog slaagt niet. Belangenafweging [appellante sub 1] en anderen 45. [appellante sub 1] en anderen betogen dat de raad hun belangen onvoldoende bij de planvorming heeft betrokken.
[appellante sub 1] en anderen pachten namelijk een groot deel van de gronden in het plangebied. Die gronden hebben nu nog een agrarische bestemming en staan ten dienste van de bedrijven van [appellante sub 1] en anderen. Dit heeft de raad volgens [appellante sub 1] en anderen in het geheel niet bij de planvorming betrokken. Dat de locatiekeuze zorgvuldig tot stand zou zijn gekomen, zoals in de zienswijzennota vermeld, betekent volgens [appellante sub 1] en anderen nog niet dat de raad daarmee ook hun (bedrijfs)belangen heeft betrokken. Dat bij de locatiekeuze is meegenomen dat de agrarische gronden in de toekomst niet meer als zodanig zouden kunnen worden gebruikt, zoals in de zienswijzennota vermeld, hebben [appellante sub 1] en anderen niet in de stukken kunnen terugvinden. Zij benadrukken dat het gaat om 210 hectare van de in totaal 280 hectare aan gronden die zij in de directe omgeving beschikbaar hebben voor hun bedrijfsexploitatie die in het plan zijn aangewezen als energielandgoed. Daarop bevinden zich verschillende gepachte bedrijfsgebouwen. Die gronden en gebouwen zullen niet langer voor de bedrijfsvoering kunnen worden gebruikt, terwijl deze het hart van de agrarische exploitatie vormen. Deze gronden zijn namelijk op zeer korte afstand van de verwerkingslocatie gelegen, waardoor de bewerking van deze gronden het meest efficiënt is.
Ook zijn deze gronden volgens [appellante sub 1] en anderen buitengewoon geschikt voor de teelt van groenten, mede door de aangelegde beregeningsinstallaties. Al deze belangen heeft de raad niet bij de planvorming betrokken, zo betogen [appellante sub 1] en anderen. 45.1. De raad stelt dat aan de keuze voor de locatie van het Energielandgoed een zorgvuldige afweging ten grondslag ligt, waarbij meerdere locaties aan de hand van een MER zijn onderzocht. Gelet op de aspecten energieopbrengst, ruimtegebruik, leefomgeving en landschap is de keuze gevallen op de locatie Wells Meer. Volgens de raad zal de realisatie van het energielandgoed uitsluitend mogelijk zijn na beëindiging van de bedrijfsvoering van [appellante sub 1] en anderen. De belangen van [appellante sub 1] en anderen zijn volgens de raad betrokken bij de belangenafweging die aan het plan ten grondslag ligt. De raad heeft