Toelichting - regels - verbeelding
Tekst van het document
De aanvraag moet onderbouwd worden met een onderzoek naar het voorkomen van en de effecten op beschermde soorten. In de nieuwe wet is daarnaast een zogenaamde 'algemene zorgplicht' opgenomen. De zorgplicht is van toepassing op alle planten en dieren, ongeacht of ze wettelijk beschermd zijn. De zorgplicht houdt in dat er bij ingrepen, zoals bouwactiviteiten, altijd zorgvuldig moet worden omgegaan met aanwezige planten en dieren. Schadelijke activiteiten moeten zoveel mogelijk worden voorkomen. 4.3.1 Onderzoek In het voorliggend bestemmingsplan wordt het perceel Ericaweg 5 in Siebengewald voorzien van een nieuwe bestemmingsregeling voor de herontwikkeling van een bestaand bedrijfsperceel. De bestemming 'Bedrijf' wordt gewijzigd in de bestemming 'Wonen'. De bestaande bedrijfswoning wordt daarmee een reguliere burgerwoning, daarnaast wordt op het perceel een extra vrijstaande levensloopbestendige woning gerealiseerd. De aanwezige kassen (240 m2) op het perceel zijn daarvoor reeds gesloopt. In juni 2023 is er een
28
quickscan wet Natuurbescherming uitgevoerd (zie bijlage 2 van deze toelichting), het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 5 juni 2023. Soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie is per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. In de beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt. De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten (zie tabel hieronder).
Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Op een afstand van circa 1,4 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Maasduinen’. De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de realisatie van een woning. Ondanks dat deze buiten een Natura 2000-gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is om te resulteren in negatieve effecten. Stikstof In juni 2023 is er een stikstofberekening uitgevoerd (zie bijlage 2 van deze toelichting). Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen of leefgebieden binnen Natura 2000-gebieden. Middels een berekening met de AERIUS Calculator wordt rekenkundig inzichtelijk gemaakt of de voorgenomen ontwikkeling resulteert in een verhoging van stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden van Natura 2000-gebieden. Er is geen sprake van toename van stikstofdepositie ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep in de gebruiksfase. Er is geen sprake van toename van stikstofdepositie ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep in de aanlegfase.
De beoogde ontwikkeling is wat betreft stikstofdepositie en gebiedsbescherming gedurende de gebruiksfase en de aanlegfase uitvoerbaar in het kader van de Wet natuurbescherming. Derhalve is er geen vergunning nodig en zijn er voor stikstof geen verdere vervolgstappen noodzakelijk. Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming Algemene zorgplicht
29
Voor alle beschermde soorten, dus ook voor de soorten die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt wel een zogenaamde ‘algemene zorgplicht’ (art. 1.11 Wnb). Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan beschermde soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Dit betekent onder meer dat een initiatiefnemer zich tijdig op de hoogte stelt van de aanwezige natuurwaarden, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijke gevolgen van het plan. Bij de uitvoering moeten negatieve gevolgen zoveel mogelijk worden voorkomen dan wel beperkt of ongedaan gemaakt. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het voorkómen van verontrusting of verstoring in de kwetsbare perioden zoals de broed-/voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. 4.3.2 Conclusie Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
30
4.4 Watertoets 4.4.1 Inleiding Op grond van artikel 3.1.6 Bro dient in de toelichting op ruimtelijke plannen, een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin staat de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan op de waterhuishouding. In die paragraaf dient uiteengezet te worden of en in welke mate het plan gevolgen heeft voor de waterhuishouding (waaronder grondwater en waterveiligheid). Het is de schriftelijke weerslag van de zogenaamde watertoets: 'het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren (door de waterbeheerder), afwegen en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten'. Beleidskader Het waterbeleid wordt vanuit Europa in de vorm van kaderrichtlijnen aangestuurd en vertaald in Nederlands en regionaal waterbeleid. De uitvoering van het waterbeheer is in handen van Rijkswaterstaat en de Waterschappen. De gemeenten spelen naast de waterschappen een belangrijke rol in het beheer van de afvalwaterketen terwijl zij ook een belangrijke zorgplicht hebben bij grondwateroverlast en de inzameling en verwerking van regenwater. Het waterbeleid, de zorgplichten en concrete richtlijnen komen in deze paragraaf aan de orde. Europees en Nationaal beleid Water is geen gewoon handelswaar, maar een erfgoed dat moet worden beschermd en verdedigd (Europese Kaderrichtlijn Water, 2003).
Vanuit de Kaderrichtlijn Water wordt dan ook het kader gegeven voor de bescherming van landoppervlaktewater, overgangswater, kustwater en grondwater. Met als doel om de aquatische ecosystemen en gebieden die rechtstreeks afhankelijk zijn van deze ecosystemen, te behoeden voor verdere achteruitgang. Tevens om de emissies te verbeteren, duurzaam gebruik van water te bevorderen en te zorgen voor aanzienlijke vermindering van de verontreiniging van grondwater. Het Nationaal Waterprogramma (NWP 2022-2027) stelt als doel een veilige en klimaatbestendige delta, nu en in de toekomst. Het NWP is dan ook te lezen als een structuurvisie. Met water als ordenend principe. Water als ordenend principe loopt als een rode draad door al het Nederlandse waterbeleid. Met als doel een mooi, veilig, schoon, gezond en duurzaam (beheer van het) watersysteem. Provinciaal beleid De doelen voor het waterbeheer zijn vastgelegd in de Provinciale Omgevingsverordening. Net als de maatregelen die daarvoor nodig zijn en wie deze gaat uitvoeren. Regionaal en lokaal beleid Het plangebied ligt binnen het beheergebied van Waterschap Limburg. In het kader van het beleid van zowel de gemeente Bergen als het waterschap dient binnen het plangebied een duurzaam waterhuishoudkundig systeem gerealiseerd te worden.
Concreet betekent dit dat er sprake moet zijn van gescheiden schoon- en vuilwaterstromen die afzonderlijk worden verwerkt. Vanuit de gemeente Bergen en Waterschap Limburg gelden daarbij de volgende uitgangspunten: 1. Circa 10% van het plangebied reserveren voor water. Doorgaans zijn lager gelegen gebiedsdelen het meest geschikt. Nagaan of plangebied nodig is voor wateropgave van omliggende gebieden; zorgen dat geen logische waterstructuren worden geblokkeerd. 2. Rekening houden met hoogteverschillen in plangebied en omgeving. Voorkomen van wateroverlast en erosie door afstromend water vanuit de omgeving naar het plangebied en andersom. 3. Uitvoeren van bodem- en infiltratieonderzoek en bepalen grondwaterstand. Input voor ontwerpen van het hemelwatersysteem. Denk ook aan bodemverontreinigingen.
31
4. Toepassen voorkeursvolgorde voor de waterkwaliteit. Schoonhouden, scheiden, zuiveren. 5. Toepassen voorkeursvolgorde voor de waterkwantiteit. Hergebruik water, vasthouden in de bodem (infiltratie), tijdelijk bergen, afvoeren naar oppervlaktewater, afvoeren naar gemengd of DWA-riool. 6. Toepassen voorkeurstabel afkoppelen. Verantwoorde systeemkeuze conform voorkeurstabel; maatwerk per situatie. Bij voorkeur toepassen van bovengrondse waterhuishoudkundige voorzieningen. Bij diepte-infiltratie gelden zeer strenge randvoorwaarden; liever geen diepte-infiltratie toepassen. 7. Voldoende opvangcapaciteit en een duurzame leegloop realiseren. Infiltratie- en bergingsvoorzieningen in het plan dimensioneren op 100 mm per etmaal voor Noord Limburg (ten noorden van Sittard) en 80 mm per twee uur ten zuiden van Sittard met een beschikbaarheid van de gehele berging binnen 24 uur. 8. Beheer en onderhoud regelen. Denk aan bereikbaarheid, controlemogelijkheid, verantwoordelijkheid 4.4.2 Onderzoek In het voorliggend bestemmingsplan wordt het perceel Ericaweg 5 in Siebengewald voorzien van een nieuwe bestemmingsregeling voor de herontwikkeling van een bestaand bedrijfsperceel. De bestemming 'Bedrijf' wordt gewijzigd in de bestemming 'Wonen'.
De bestaande bedrijfswoning wordt daarmee een reguliere burgerwoning, daarnaast wordt op het perceel een extra vrijstaande levensloopbestendige woning gerealiseerd. De aanwezige kassen (240 m2) op het perceel zijn daarvoor reeds gesloopt, daarnaast wordt een deel van de terreinverharding verwijderd (circa 310 m2). Het plan is voorzien van een landschappelijke inpassing, de natuurlijke poel op het perceel blijft daarbij behouden. In het plangebied of in de nabijheid van het plangebied zijn geen oppervlaktewateren aanwezig die van invloed zijn op de voorgenomen ontwikkeling. Er worden geen watergangen gedempt of anderszins werkzaamheden uitgevoerd met een negatief effect op het aspect water. Bestaande situatie Hemelwater In de huidige situatie wordt de neerslag die in het plangebied valt afgevoerd via het gemeentelijk riool. Afvalwater In de bestaande situatie wordt het afvalwater door middel van een drukriolering geloosd. Oppervlaktewater In het plangebied liggen geen belangrijke oppervlaktewateren (zogenaamde primaire of Awatergangen), waterkeringen of gebieden die zijn aangewezen voor regionale waterberging. Toekomstige situatie In de toekomstige situatie wordt er een extra woning op het perceel toegevoegd. De oppervlakte aan verharding neemt af met circa 560 m2 doordat er bestrating en bebouwing verwijderd wordt.
Er wordt minder verhard oppervlak toegevoegd, dan dat er verwijderd wordt. Type verharding Bebouwing
Bestaande situatie 584,5 m2
Terreinverharding
1245 m2
Totaal
1829,5 m2
Toekomstige situatie 570 m2 (incl. nieuwe woning en bijgebouw, max 275 m2) 700 m2 (incl. inrit en terras nieuwe woning) 1270 m2
32
Hemelwater De neerslag die in het plangebied valt wordt opgevangen en geïnfiltreerd op eigen terrein. De bestaande bebouwing blijft voor de afvoer van hemelwater aangesloten op het gemeentelijk riool. Afvalwater De nieuwe woning wordt aangesloten op het gemeentelijk riool. Het stelsel is voldoende van omvang om van slechts één woning en de daarmee gepaard gaande geringe toename aan afvalwater te kunnen verwerken. Met het aansluiten van de nieuwe woning dient voldaan te worden aan de uitgangspunten uit het GRP Bergen (L.) 2020-2025 uit 2019 en conform Afd 3 Verordening Fysieke Leefomgeving gemeente Bergen (L.) 2022. Oppervlaktewater Onderhavige ontwikkeling heeft geen invloed op het oppervlaktewater. 4.4.3 Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
33
4.5 Milieu 4.5.1 Inleiding In dit hoofdstuk komen de relevante milieu- en omgevingsaspecten aan bod. Het betreffen hier de randvoorwaarden en beperkingen die voorkomen uit het beleid en wetgeving op het gebied van: geluid (Wet geluidhinder), luchtkwaliteit (Wet luchtkwaliteit), bodem (Wet bodembescherming), bedrijvigheid (Wet milieubeheer) en externe veiligheid (BRZO, REVI, Bevi, Wet milieubeheer). 4.5.2 Geluidhinder De mate waarin geluid, veroorzaakt door het wegverkeer en/of door een industrieterrein, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder. In de Wet geluidhinder zijn normen opgenomen voor de toelaatbare geluidbelasting als gevolg van de verschillende geluidbronnen. De Wgh maakt een onderscheid tussen de voorkeursgrenswaarde en de hoogst toelaatbare geluidbelasting. Wanneer de geluidbelasting onder de voorkeursgrenswaarde valt, worden de effecten van geluid zonder meer toelaatbaar geacht. Indien de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden, maar de geluidbelasting de ten hoogste toelaatbare geluidwaarde niet te boven gaat, is de overschrijding na een afweging, toelaatbaar. Wegverkeerslawaai Verkeerswegen hebben volgens de Wet geluidhinder aan weerszijden zones. Een zone kan, afhankelijk van de situatie, een breedte hebben van 100 tot 600 m.
Binnen deze wettelijke zones geldt het grenswaardensysteem van de Wgh voor het toetsen van geluidsgevoelige bestemmingen zoals woningen. Akoestisch onderzoek is noodzakelijk, wanneer dergelijke bestemmingen nieuw in de wettelijke zones worden geprojecteerd. De voorkeursgrenswaarde voor wegverkeerslawaai is 48 dB en de ten hoogst toelaatbare waarde is 63 dB, voor binnenstedelijk gebied. Industrie Voor een zonering plichtig industrieterrein wordt de geluidszone voor ieder afzonderlijk industrieterrein vastgesteld. Deze geluidszone wordt vastgesteld door middel van zonebesluit en vastgelegd op een zonekaart of door middel van een bestemmingsplan, waarbij de zone wordt vastgelegd op de bestemmingsplankaart. Niet ieder industrieterrein is zoneplichtig. Zonering plichtig zijn alleen dié industrieterreinen waarop bepaalde soorten bedrijven die veel lawaai veroorzaken aanwezig zijn of zich kunnen vestigen. Deze categorieën zijn aangewezen in artikel 2.4 van het Inrichtingen en vergunningenbesluit Wet milieubeheer. De voorkeursgrenswaarde vanwege een gezoneerd industrieterrein is 50 dB(A) en de ten hoogste toelaatbare waarde is 55 dB(A). Spoorweg Langs alle spoorwegen bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones waarbinnen de geluidshinder vanwege de spoorweg getoetst moet worden.
De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal spoorstaven en van binnen- of buitenstedelijke ligging. De voorkeursgrenswaarde vanwege een spoorweg is 55 dB(A) en de ten hoogste toelaatbare waarde is 68 dB(A). 4.5.2.1 Onderzoek In het voorliggend bestemmingsplan wordt het perceel Ericaweg 5 in Siebengewald voorzien van een nieuwe bestemmingsregeling voor de herontwikkeling van een bestaand bedrijfsperceel. De bestemming 'Bedrijf' wordt gewijzigd in de bestemming 'Wonen'. De bestaande bedrijfswoning wordt daarmee een reguliere burgerwoning, daarnaast wordt op het perceel een extra vrijstaande levensloopbestendige woning gerealiseerd.
34
De Wet geluidhinder maakt geen onderscheid tussen een bedrijfswoning of een reguliere woning. Dit houdt in dat er voor de bestaande woning geen toetsing in het kader van de Wet geluidhinder plaats hoeft te vinden. Voor de nieuwe woning (geluidsgevoelig object) dient wel toetsing plaats te vinden in het kader van de Wet geluidhinder. Wegverkeerlawaai De toekomstige woning is niet gelegen binnen de geluidzone van wegen met een snelheidsregime van 50 km/u of hoger. De Ericaweg en de Callunastraat zijn wegen met een maximumsnelheid van 30 km/h. Deze wegen hebben geen geluidzone, nader onderzoek is niet noodzakelijk. Spoorweglawaai In de omgeving van het plangebied is geen spoorweg gelegen Industrielawaai In de omgeving van het plangebied is geen industrieterrein gelegen 4.5.2.2 Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
35
4.5.3 Luchtkwaliteit De Wet luchtkwaliteit (verankerd in de Wet Milieubeheer hoofdstuk 5, titel 2) is een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit, waarin ter bescherming van mens en milieu onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht (o.a. fijn stof en stikstofdioxide) zijn vastgesteld. De wet stelt bij een (dreigende) grenswaardenoverschrijding aanvullende eisen en beperkingen voor ruimtelijke plannen die "in betekenende mate" (IBM) leiden tot verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarnaast moet uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening afgewogen worden of het aanvaardbaar is het plan op deze plaats te realiseren. Hierbij speelt de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol, ook als het plan "niet in betekenende mate" (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. 4.5.3.1 Onderzoek In het voorliggend bestemmingsplan wordt het perceel Ericaweg 5 in Siebengewald voorzien van een nieuwe bestemmingsregeling voor de herontwikkeling van een bestaand bedrijfsperceel. De bestemming 'Bedrijf' wordt gewijzigd in de bestemming 'Wonen'. De bestaande bedrijfswoning wordt daarmee een reguliere burgerwoning, daarnaast wordt op het perceel een extra vrijstaande levensloopbestendige woning gerealiseerd. De verkeersaantrekkende werking in het plangebied zal iets toenemen.
Bestaande situatie Een loonbedrijf heeft een maximale verkeersgeneratie van 5,7 motorvoertuigbewegingen per etmaal per 100 m2 bvo (arbeidsextensief, bezoekersextensief, buitengebied, niet stedelijk). Het bestaande bedrijfspand heeft een oppervlakte van circa 160 m2, dit zijn circa 9,1 motorvoertuigbewegingen per etmaal. De bestaande bedrijfswoning heeft een maximale verkeersgeneratie van 8,6 motorvoertuigbewegingen per etmaal. In totaal zijn er in de bestaande situatie 17,7 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Toekomstige situatie De bestaande bedrijfswoning en de nieuw te bouwen woning hebben een maximale verkeersgeneratie van 8,6 motorvoertuigbewegingen per etmaal per woning. In totaal zijn er in de nieuwe situatie 17,2 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Het aantal verkeersbewegingen zal nagenoeg gelijk blijven t.o.v. de bestaande situatie, de bijdrage van het verkeer is bij het voorliggend plan in 'niet betekende mate'. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Dit zijn onder andere:
• • •
woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.
Gelet op de aard en omvang van dit project, in verhouding tot de categorieën van gevallen zoals hiervoor beschreven, kan worden gesteld dat voorliggend project ‘niet in betekenende mate bijdraagt’ aan de luchtverontreiniging. Goede ruimtelijke ordening Wat betreft de toets ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening worden bij woningen, op grond van de regeling Beoordeling luchtkwaliteit 2007, mensen blootgesteld aan luchtverontreiniging gedurende een significante periode ten opzichte van een etmaal. De Atlas Leefomgeving geeft een goede indicatie van de achtergrondconcentraties ter plekke.
36
Uit de kaarten blijkt dat de achtergrondconcentraties luchtvervuilende stoffen ter plaatse van het plangebied relatief laag te zijn. Ook liggen ze ver onder de grenswaarden. De cijfers zijn van 2020. Achtergrondconcentratie 2020
Grenswaarde
Fijnstof PM 2,5
8-9 ug/m3
25 ug/m3
Fijnstof PM 10
15-16 ug.m3
40 ug/m3
Stikstofdioxide
10-12 ug/m3
40 ug/m3
Een algemene trend is evenwel dat de emissiefactoren van wegverkeer en de concentratie fijn stof al jaren afnemen. Het RIVM verwacht dat dit ook in de komende jaren het geval zal zijn. De blootstelling aan luchtverontreiniging in het plangebied is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico's. Op grond van de Wet Luchtkwaliteit worden er binnen het plangebied geen grenswaarden overschreden ook zijn er geen dreigende grenswaardenoverschrijdingen. In het kader van dit bestemmingsplan worden er geen nieuwe ontwikkelingen of uitbreidingen mogelijk gemaakt, die in betekenende mate leiden tot een verbetering of verslechtering van de luchtkwaliteit. Zowel vanuit de Wet milieubeheer als vanuit een goede ruimtelijke ordening vormt de luchtkwaliteit geen belemmering voor het bestemmingsplan. 4.5.3.2 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
37
4.5.4 Bodemkwaliteit Ten aanzien van de bodemkwaliteit geldt de Wet bodembescherming (Wbb) en het (bijbehorende) Besluit bodemkwaliteit. Bij een ruimtelijk plan moet de bodemkwaliteit van het betreffende gebied inzichtelijk worden gemaakt. Hierbij is van belang te weten of er bodemverontreiniging is die de functiedoelen kan frustreren, of er gezondheidsrisico's of ecologische risico's daardoor zijn en wat de mogelijkheden zijn om er tijdig iets aan te doen. Hiervoor is wettelijk verplichte informatie over de bodemkwaliteit nodig. Er mogen namelijk geen nieuwe gevoelige functies op een zodanig verontreinigd terrein worden gerealiseerd, dat schade is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers of het milieu. Bovendien dient een bodemonderzoek uitgevoerd te worden indien gebouwen worden gerealiseerd voor menselijk verblijf. 4.5.4.1 Onderzoek In het voorliggend bestemmingsplan wordt het perceel Ericaweg 5 in Siebengewald voorzien van een nieuwe bestemmingsregeling voor de herontwikkeling van een bestaand bedrijfsperceel. De bestemming 'Bedrijf' wordt gewijzigd in de bestemming 'Wonen'. De bestaande bedrijfswoning wordt daarmee een reguliere burgerwoning, daarnaast wordt op het perceel een extra vrijstaande levensloopbestendige woning gerealiseerd. De aanwezige kassen (240 m2) op het perceel zijn daarvoor reeds gesloopt.
In juni 2023 is er door een milieukundig bureau een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd voor de ontwikkeling op het perceel aan de Ericaweg 5 (zie bijlage 3 van deze toelichting). Het verkennend bodemonderzoek heeft tot doel inzicht te verkrijgen in de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem en vast te stellen of er sprake is van bodemverontreiniging. Historisch onderzoek en locatiebezoek Op basis van het historisch onderzoek dient ten behoeve van de bestemmingsplanwijziging en/of herontwikkeling een verkennend onderzoek conform de NEN 5740 te worden uitgevoerd ter plaatse van de onderzoekslocatie. Hierbij vormen de voormalige vijver, het mogelijk voorkomen van OCB in de teeltlaag, de voormalige bebouwing, de elementverhardingen en de voormalige bodembedreigende activiteiten aandachtspunten. De eindsituatie van de voormalige (gegroepeerde) bodembedreigende activiteiten met kritische parameters wordt apart vastgesteld. Tevens dient er een verkennend onderzoek naar asbest conform de NEN 5707 en/of NEN 5897 te worden uitgevoerd. Hierbij vormen de bebouwing met asbestverdachte dakbedekking, de voormalige bebouwing en de elementverhardingen aandachtspunten. Hypothese Op basis van de beschikbare informatie wordt voor de onderzoekslocatie uitgegaan van verdachte locaties met betrekking tot het voorkomen van een bodem- en asbestverontreiniging.
Conclusies bodemonderzoeken Op basis van de onderzoeksresultaten kan de gestelde hypothese voor de algemene kwaliteit worden verworpen, aangezien in zowel de bovengrond als in het grondwater maximaal licht verhoogde gehalten voor de onderzochte parameters zijn aangetoond. De aangetoonde verhoogde gehalten betreffen overschrijdingen van de betreffende achtergrond/streefwaarden. In de ondergrond zijn geen verhoogde gehalten voor de onderzochte parameters aangetoond. Aangezien de (gestandaardiseerde) meetwaarden de indexwaarden van 0,5 en de interventiewaarden niet overschrijden, zijn geen vervolgstappen noodzakelijk in het kader van de Wbb. Ter plaatse van de onderzochte voormalige bodembedreigende activiteiten zijn met, uitzondering van de voormalige gifkast en voormalige machinale wasplaats, in de grond geen verhoogde gehalten voor de onderzochte parameters aangetoond. Ter plaatse van de gifkast
38
zijn licht verhoogde gehalten voor Drins, DDE en DDT in de bovengrond aangetoond en ter plaatse van de machinale wasplaats is een licht verhoogd gehalte voor kobalt. Aangezien er geen nulsituatie bodemonderzoek is uitgevoerd voorgaand aan de bodembedreigende activiteiten kan er geen goede vergelijking worden gemaakt. Tevens zijn bij het teeltlaagonderzoek ook licht verhoogde gehalten voor OCB aangetoond, waardoor deze verhoogde gehalten mogelijk ook zijn veroorzaakt door de teelt / kassen en niet duidelijk afkomstig zijn van de voormalige gifkast. Er zijn daarnaast geen sterk verhoogde gehalten aangetoond, waardoor kan worden geconcludeerd dat de voormalige activiteiten niet hebben geleid tot een sterke grondverontreiniging. In het grondwater zijn ter plaatse van de voormalige bodembedreigende activiteiten geen verhoogde gehalten voor de kritische parameters aangetoond. In de (oorspronkelijke) teeltlaag zijn maximaal licht verhoogde gehalten voor de OCBparameters aangetoond. De voormalige teelt / kassen hebben derhalve niet geleid tot een sterke bodemverontreiniging. Conclusie onderzoek naar asbest Aangezien ter plaatse van de onderzoekslocatie zowel zintuiglijk (fractie > 20 mm) als analytisch (fractie < 20 mm) geen asbest is aangetoond (< 2 mg/kg d.s.), kan de verdachte hypothese worden verworpen.
Algehele conclusie Met de uitgevoerde onderzoeken is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem en bodemvreemde laag ten behoeve van de voorgenomen herontwikkeling ter plaatse van de onderzoekslocatie en voormalige bodembedreigende activiteiten gelegen aan de Ericaweg 5 te Siebengewald in voldoende mate onderzocht. De eindsituatie van de voormalige bodembedreigende activiteiten is in voldoende mate vastgelegd. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt bestaan geen bezwaren tegen de voorgenomen herontwikkeling, rekening houdend met onderstaande aanbevelingen en opmerkingen. 4.5.4.2 Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
39
4.5.5 Bedrijven en milieuzonering Om bedrijfsvestigingen te kunnen toetsen op milieuhygiënische aspecten wordt het instrument milieu-zonering gehanteerd. Hieronder wordt verstaan een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds hindergevoelige functies, zoals woningen. Algemeen wordt hiervoor de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten gebruikt. Hierin zijn aan bedrijven milieucategorieën toegekend. Per bedrijf is aangegeven wat de gewenste afstand is tot een rustige woonwijk. Deze afstanden kunnen als basis worden gehanteerd, maar zijn indicatief. De feitelijke emissies (geluid, geur, stof et cetera) van een bedrijf kunnen aanleiding zijn om een andere afstand aan te houden. In de VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ wordt een tweetal gebiedstypen onderscheiden; ‘rustige woonwijk’ en ‘gemengd gebied’. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven.
Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevings-type gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor bijvoorbeeld geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningsplichtige veehouderijen, als het gaat om geurhinder. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven is het beoordelingskader voor geurhinder opgenomen in het Activiteitenbesluit. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odeur units per kubieke meter lucht mag bedragen.
Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odeur units per kubieke meter lucht. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden:
• •
ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.
40
4.5.5.1 Onderzoek In het voorliggend bestemmingsplan wordt het perceel Ericaweg 5 in Siebengewald voorzien van een nieuwe bestemmingsregeling voor de herontwikkeling van een bestaand bedrijfsperceel. De bestemming 'Bedrijf' wordt gewijzigd in de bestemming 'Wonen'. De bestaande bedrijfswoning wordt daarmee een reguliere burgerwoning, daarnaast wordt op het perceel een extra vrijstaande levensloopbestendige woning gerealiseerd. De aanwezige kassen (240 m2) op het perceel zijn daarvoor reeds gesloopt. Het plan voegt geen milieubelastende activiteiten toe. Het plangebied is in het geldende bestemmingsplan bestemd als ‘Bedrijf’ met de nadere aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – landbouwverwante functie’. De gronden zijn bestemd voor bedrijfsactiviteiten in milieucategorie 1 en 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf landbouwverwante functie' zijn de gronden tevens bestemd voor een landbouwverwant bedrijf. De richtafstand voor bedrijfsactiviteiten met milieucategorie 2 bedraagt 30 meter. Loonbedrijven kleiner dan 500 m2 hebben een richtafstand van 30 meter (geluid). Loonbedrijven groter dan 500 m2 hebben een richtafstand van 50 meter (geluid).
Rondom het plangebied is niet voldoende ruimtelijke scheiding aanwezig tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen (het loonbedrijf) en anderzijds hindergevoelige objecten en bestemmingen (woningen). Er is geen sprake van een goede ruimtelijke ordening. De voorgenomen ontwikkeling maakt het mogelijk dat de bedrijfsbestemming van het perceel Ericaweg 5 wordt gewijzigd in ‘Wonen’, hiermee vervalt de hindercontour (geluid) van 30 meter. Dit resulteert in een positieve bijdrage aan het woon- en leefklimaat van de omgeving. In de nabije omgeving van het plangebied zijn geen bedrijven die een belemmering vormen. De omliggende agrarische bedrijven liggen op een afstand van meer dan 300 meter. De wijziging leidt daarmee niet tot extra belemmeringen voor omliggende (agrarische) bedrijven. De wijziging is aanvaardbaar vanuit milieuhygiënisch oogpunt. 4.5.5.2 Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
41
4.5.6 Externe veiligheid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico op zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt. Het externe veiligheidsbeleid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet op de ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt binnen het werkveld van de externe veiligheid veelal het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gehanteerd.
Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf en transportas vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen deze kans 1x10-6 (één op de miljoen) bedraagt. Het groepsrisico (GR) is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) met de bijbehorende Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. Circulaire effectafstanden LPG tankstations In de circulaire is de effectbenadering uitgewerkt voor LPG-tankstations. In beginsel zijn geen (beperkt) kwetsbare objecten binnen een effectafstand van 60 meter en geen zeer kwetsbare objecten binnen een effectafstand van 160 meter toegestaan.
Naast de circulaire blijft ook de toetsing aan het Bevi noodzakelijk. Transport van gevaarlijke stoffen (water, spoor, weg) Voor de beoordeling van de risico’s vanwege transport van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet en de bijbehorende regeling Basisnet. Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Voor de beoordeling van de risico’s van transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb). Naast de toetsing aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico is hierin vastgelegd dat aan weerszijden van een buisleiding een bebouwingsvrije afstand moet worden aangehouden voor beheer en onderhoud aan de buisleidingen.
42
Beleidsvisie externe veiligheid In 2015 is de Beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld. Uitgangspunt van deze beleidsvisie is de toepassing van verschillende restrictieniveaus voor het al dan niet toestaan van risicovolle bedrijven op bedrijventerreinen. Elk bedrijventerrein is gekoppeld aan een restrictieniveau. Nieuwe risicobedrijven die onder het Bevi vallen worden dus niet per definitie uitgesloten, maar dit is wel als restrictieniveau opgenomen. Het oprichten van nieuwe risicovolle bedrijven buiten bedrijventerreinen wordt tevens niet per definitie uitgesloten, al moet wel rekening worden gehouden met een optimale ruimtelijke ordening en veiligheid. 4.5.6.1 Onderzoek In het voorliggend bestemmingsplan wordt het perceel Ericaweg 5 in Siebengewald voorzien van een nieuwe bestemmingsregeling voor de herontwikkeling van een bestaand bedrijfsperceel. De bestemming 'Bedrijf' wordt gewijzigd in de bestemming 'Wonen'. De bestaande bedrijfswoning wordt daarmee een reguliere burgerwoning, daarnaast wordt op het perceel een extra vrijstaande levensloopbestendige woning gerealiseerd. Het plan voegt geen gevaarlijke functies toe, er is wel sprake van de toevoeging van een kwetsbaar object (woning). Aan de hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied.
Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. Uit de inventarisatie blijkt:
• • • •
In de omgeving van het plangebied bevinden zich geen risicovolle inrichtingen; In de omgeving van het plangebied bevinden zich geen buisleidingen voor gevaarlijke stoffen; In de omgeving van het plangebied bevinden zich geen transportroutes voor gevaarlijke stoffen als spoor-, auto-, en waterwegen; Het plangebied is goed bereikbaar voor de hulpverleningsvoertuigen (waaronder ook ambulances).
Op basis van de hierboven genoemde overwegingen kan worden geconcludeerd dat er geen nadere eisen aan het plan worden gesteld in het kader van het milieuaspect externe veiligheid. 4.5.6.2 Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
43
4.5.7 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Algemeen Een milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om het milieu bij de voorbereiding van plannen en projecten een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Het daaruit voortvloeiende milieueffectrapport (MER) is een voorwaarde om het betreffende planologische beluit te kunnen nemen. Een m.e.r. is verplicht bij initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De Wet milieubeheer regelt de m.e.r.-procedure en het Besluit m.e.r. regelt welke activiteiten m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. In de C- en D-lijst in de Bijlage bij het Besluit m.e.r. staat of sprake is van een m.e.r.-plicht of m.e.r.-beoordelingsplicht. Per categorie van activiteiten is een drempelwaarde voor de omvang van activiteiten gegeven. Boven de C-drempel geldt een m.e.r.-plicht. Tussen de C- en D-drempel geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. Onder de D-drempel geldt een vormvrije m.e.r.beoordelingsplicht. Er is sprake van een vormvrije m.e.r.-beoordeling indien: 1. het gaat over één of meer activiteiten die voorkomen op de D-lijst van het Besluit m.e.r., 2. de omvang van die activiteit(en) ligt onder de drempelwaarde. Voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling geldt dat het bevoegd gezag toetst of de activiteit(en) belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu hebben.
Dit gebeurt aan de hand van de volgende inhoudelijke beoordelingscriteria: 1. De kenmerken van de activiteit. 2. De plaats van de activiteit. 3. De kenmerken van mogelijke effecten. In Bijlage III van de Europese M.e.r.-richtlijn staan bij deze drie criteria verschillende subcriteria, zoals 'cumulatie met andere projecten'. 4.5.7.1 Onderzoek In het voorliggend bestemmingsplan wordt het perceel Ericaweg 5 in Siebengewald voorzien van een nieuwe bestemmingsregeling voor de herontwikkeling van een bestaand bedrijfsperceel. De bestemming 'Bedrijf' wordt gewijzigd in de bestemming 'Wonen'. De bestaande bedrijfswoning wordt daarmee een reguliere burgerwoning, daarnaast wordt op het perceel een extra vrijstaande levensloopbestendige woning gerealiseerd. Deze onderbouwing voorziet in de planologische kaders voor een te bouwen woning en voldoet daarmee aan de definitie van een ‘besluit’ als bedoeld in het Besluit m.e.r. Dit betekent dat dit bestemmingsplan m.e.r.(beoordelings)plichtig is indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden. In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn.
Wel is sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. Daarom dient te worden getoetst of er sprake is van
44
m.e.r-beoordelingsplicht. Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Gezien de drempelwaarden wordt geconcludeerd dat voor dit plan geen sprake is van een m.e.r. beoordelingsplicht. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich ervan te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Gelet op de aard- en omvang van de voorgenomen ontwikkeling is het de vraag of er sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' als bedoeld in onderdeel D 11.2 van het Bestluit milieueffectrapportage. Uit jurisprudentie (ABRvS 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:694) volgt dat het antwoord op deze vraag afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan.
Gelet op de kenmerken van het project (zoals het karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r., de verwachte milieuhinder en cumulatie met andere projecten), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden. Eén en ander is tevens bevestigd in de in dit hoofdstuk opgenomen milieu- en omgevingsaspecten en de daarvoor, indien van toepassing, uitgevoerde onderzoeken. Deze paragraaf wordt in dit geval beschouwd als de vormvrije m.e.r.- toets. 4.5.7.2 Conclusie Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.-plichtig. Tevens zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan.
45
4.6 Kabels en leidingen In het kader van het bestemmingsplan dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van ondergrondse planologisch relevante leidingen (hoofdtransportleidingen). Indien daartoe aanleiding bestaat dient rondom een leiding een zone te worden aangegeven waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Aardgastransportleidingen In het plangebied of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen aardgastransportleidingen. Hoogspanningsleidingen In het plangebied of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen hoogspanningsleidingen. Rioolleidingen De rioolleidingen leiden voor dit plan leidt dit niet tot enige belemmering. Watertransportleidingen In het plangebied of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen watertransportleidingen. Straalverbindingen In het plangebied of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen straalverbindingen Kabels en niet-planologisch relevante leidingen Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt de wettelijk verplichte KLIC-melding uitgevoerd. Een dergelijke melding zorgt ervoor dat netbeheerders van kabels en leidingen een melding krijgen van geplande werkzaamheden in de ondergrond. Aan de hand van de melding sturen netbeheerders tekeningen naar de aanvrager. De tekeningen kunnen vervolgens gebruikt worden om na te gaan of er kabels en leidingen aanwezig zijn op de plaats waar gegraven gaat worden.
Tijdens het bouwrijp maken van het plangebied worden deze bestaande kabels en leidingen verwijderd dan wel omgelegd. 4.6.1 Conclusie In en nabij het projectgebied zijn geen planologisch relevante leidingen en/of verbindingen aanwezig. Er zijn derhalve geen belemmeringen te verwachten. Bij graafwerkzaamheden op het terrein dient wel rekening te worden gehouden met eventueel aanwezige kabels en nietplanologische leidingen.
46
4.7 Verkeer en parkeren In het voorliggend bestemmingsplan wordt het perceel Ericaweg 5 in Siebengewald voorzien van een nieuwe bestemmingsregeling voor de herontwikkeling van een bestaand bedrijfsperceel. De bestemming 'Bedrijf' wordt gewijzigd in de bestemming 'Wonen'. De bestaande bedrijfswoning wordt daarmee een reguliere burgerwoning, daarnaast wordt op het perceel een extra vrijstaande levensloopbestendige woning gerealiseerd. Bij het opstellen van bestemmingsplannen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte die ontstaat door een nieuwe ontwikkeling. Hiertoe kunnen berekeningen worden uitgevoerd op basis van parkeerkencijfers van het CROW. Het CROW ontwikkelt en publiceert kennis onder andere op het gebied van verkeer en parkeren. Deze kencijfers zijn gebaseerd op literatuuronderzoek en praktijkervaringen van gemeenten. De kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeergeneratie en het benodigde aantal parkeerplaatsen. Deze voorgenoemde CROW-kencijfers zijn doorvertaald in de gemeentelijke parkeernota. Verkeer Een loonbedrijf heeft een maximale verkeersgeneratie van 5,7 motorvoertuigbewegingen per etmaal per 100 m2 bvo (arbeidsextensief, bezoekersextensief, buitengebied, niet stedelijk).
Het bestaande bedrijfspand heeft een oppervlakte van circa 160 m2, dit zijn circa 9,1 motorvoertuigbewegingen per etmaal. De bestaande bedrijfswoning heeft een maximale verkeersgeneratie van 8,6 motorvoertuigbewegingen per etmaal. In totaal zijn er in de bestaande situatie 17,7 motorvoertuigbewegingen per etmaal. De bestaande bedrijfswoning en de nieuw te bouwen woning hebben een maximale verkeersgeneratie van 8,6 motorvoertuigbewegingen per etmaal per woning. In totaal zijn er in de nieuwe situatie 17,2 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Het aantal verkeersbewegingen blijft nagenoeg gelijk t.o.v. de bestaande situatie. Ontsluiting van het perceel wordt niet gewijzigd, inritten blijven gesitueerd op de twee bestaande locaties aan de west- en zuidzijde van het plangebied. De bijdrage van het verkeer zal geen verkeersproblemen geven in de omgeving van het plangebied. Parkeren Het parkeren vindt plaats op eigen erf. In het plangebied is voldoende ruimte voor de benodigde parkeerruimte van drie parkeerplaatsen (parkeernorm 2,8 parkeerplaatsen per burgerwoning). Conclusie Het plan wordt niet belemmerd vanuit het aspect verkeer en parkeren
47
5.Juridische aspecten 5.1 Inleiding 5.1.1 Informatie bestemmingsplan Ingevolge de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de daarbij behorende ministeriele regelingen, dienen bestemmingsplannen op vergelijkbare wijze opgebouwd, gepresenteerd en tevens digitaal uitwisselbaar gemaakt te worden. De regeling is afgestemd op de Wro, Bro en daarbij behorende ministeriele regelingen. Hiermee wordt de rechtsgelijkheid en de uniformiteit binnen de gemeentelijke c.q. landelijke bestemmingsplannen gediend. Het bestemmingsplan is tevens afgestemd op de terminologie en regelgeving zoals opgenomen in de op 1 oktober 2010 in werking getreden Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Een bestemmingsplan kan echter niet alles regelen. Via het Besluit omgevingsrecht is het bijvoorbeeld mogelijk om in bepaalde situaties vergunningvrij te bouwen ondanks dat het bestemmingsplan die bebouwing niet toestaat. In die gevallen gaat hetgeen bij wet vergunningvrij gebouwd kan worden voor op de bepalingen van het bestemmingsplan. Het gemeentelijke bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening volgt een belangrijk principe: het gaat om toelatingsplanologie.
Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder etc.) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan geeft uit te oefenen. Dit houdt in dat: 1. de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een in het bestemmingsplan aangewezen bestemming ook daadwerkelijk te realiseren, en 2. de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen in strijd met de gegeven bestemming (het overgangsrecht is hierbij mede van belang).
Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (voorheen: bouwvergunning) en regels voor het verrichten van 'werken' (voorheen: aanlegvergunning). Een bestemmingsplan regelt derhalve:
•
het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen);
en een bestemmingsplan kan daarbij regels geven voor:
• •
het bebouwen van de gronden; het verrichten van werken (aanleggen).
5.1.2 Verbeelding, regels en toelichting Een bestemmingsplan moet worden opgezet volgens de eisen die de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in samenhang met het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) daaraan stelt en de wettelijk voorgeschreven opzet en vormgeving van de 'RO-standaarden 2012'. Een bestemmingsplan bestaat uit drie onderdelen, te weten een 'toelichting', de 'regels' en een 'verbeelding'. De verbeelding (voorheen bekend als 'plankaart') en de regels (voorheen bekend als 'voorschriften') vormen samen het juridische deel van het bestemmingsplan. Alleen deze twee zijn bindend voor de burger en de overheid. Beide onderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast.
48
Op de verbeelding is aangegeven welke bestemming gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemming met een bestemmingsvlak en soms via aanduidingen. De planregels van het bestemmingsplan bevatten de juridische verklaring, middels maximale bouw- en gebruiksmogelijkheden, van de op de verbeelding weergegeven bestemmingen en aanduidingen. Die toegekende gebruiks- en bouwmogelijkheden aan gronden kunnen, naast de rechtstreekse bestemming, op de verbeelding op twee manieren nader worden ingevuld: 1. Via een dubbelbestemming. Een dubbelbestemming is, zoals de naam al zegt, een bestemming die óók aan de gronden wordt toegekend. Voor gronden kunnen dus meerdere bestemmingen gelden. Er geldt altijd één 'enkelbestemming' (dat is dé bestemming) en soms geldt er een dubbelbestemming (soms zelfs meerdere). In de regels van de dubbelbestemming wordt omschreven wat er voor de onderliggende gronden geldt aan extra bepalingen in aanvulling, of ter beperking, van de mogelijkheden van de onderliggende bestemmingen. 2. Via een aanduiding. Een aanduiding is een teken op de verbeelding dat betrekking heeft op een vlak op die kaart. Via een aanduiding wordt in de regels 'iets' geregeld. Dat 'iets' kan betrekking hebben op extra mogelijkheden of extra beperkingen voor het gebruik en/of de bebouwing en/of het aanleggen van werken.
Aanduidingen kunnen voorkomen in een bestemmingsregel, in meerdere bestemmingsregels en kunnen ook een eigen regel hebben. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van een bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan, indien de regels en de verbeelding hier ruimte voor laten. Hoofdstukopbouw van de regels De regels zijn, zoals voorgeschreven in de 'RO-standaarden 2012', verdeeld over 4 hoofdstukken: Inleidende regels In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de regels te waarborgen. Ook is de wijze bepaald waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2). Bestemmingsregels In dit tweede hoofdstuk zijn de bepalingen van de bestemmingen opgenomen. Per bestemming is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouw- en gebruiksregels en, eventueel, ook regels voor het 'uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden' opgenomen. Als er dubbelbestemmingen zijn worden die ook in dit hoofdstuk opgenomen.
Die komen, ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsbepalingen. Ieder artikel van de hoofdbestemmingen kent, eveneens conform de 'RO-standaarden 2012', een vaste opzet. Algemene regels In dit hoofdstuk zijn bepalingen opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het hele plan. Het zijn achtereenvolgens: 1. antidubbeltelregel: Deze bepaling regelt dat grond die reeds eerder bij een verleende bouw- of omgevingsvergunning is meegenomen, niet nog eens bij de verlening van een nieuwe omgevingsvergunning mag worden meegenomen. Deze regel is wettelijk
49
verplicht om op te nemen in een bestemmingsplan en is rechtstreeks overgenomen uit het Bro; 2. algemene bouwregels: Hierin worden algemene bouwregels opgenomen die gelden voor alle bestemmingen in het bestemmingsplan. Zo wordt hierin het ondergronds bouwen geregeld en worden bouwwerken die afwijken van de regeling in het bestemmingsplan, maar wel met een vergunning zijn gebouwd, 'positief' bestemd; 3. algemene gebruiksregels: In dit artikel wordt een algemeen gebruiksverbod gegeven, wat geldt voor alle bestemmingen in het bestemmingsplan, voor gebruik in strijd met de bestemming; 4. algemene afwijkingsregels: In dit artikel wordt aangegeven in hoeverre met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het plan voor algemene en geringe afwijkingen van de bouwregels (maatvoering) voor zover al elders in de planregels in afwijkingen is voorzien. Hiermee kan in specifieke situaties maatwerk worden geboden en biedt het bestemmingsplan voldoende flexibiliteit. Overgangs- en slotregels In het laatste hoofdstuk zijn respectievelijk het overgangsrecht en een slotregel opgenomen. 1. overgangsregels: Deze regel is wettelijk verplicht om op te nemen in een bestemmingsplan en is rechtstreeks overgenomen uit het Bro. Dit artikel bevat regels die als doel hebben bestaande situaties (gebruik of bouwwerken), welke niet in overeenstemming zijn met het bestemmingsplan, te regelen.
Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebruik en bouwen. Het overgangsrecht met betrekking tot bouwen en bouwwerken regelt dat bouwwerken die aanwezig waren ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan, maar in strijd zijn met het bestemmingsplan, onder overgangsrechtelijke bescherming vallen. Dat wil zeggen dat deze bouwwerken mogen blijven bestaan. Deze bescherming geldt ook voor bouwwerken die op deze peildatum legaal kunnen worden gebouwd, maar nog niet zijn gebouwd. De regeling bevat voorts een bevoegdheid voor burgemeester en wethouders om bij een omgevingsvergunning af te wijken ten behoeve van een beperkte uitbreiding (maximaal 10%) van het niet in het nieuwe bestemmingsplan passende bouwwerk. Bouwwerken die wel bestonden op de genoemde peildatum, maar zijn gebouwd zonder (omgevings)vergunning, zijn expliciet uitgesloten van de beschermende werking van het overgangsrecht. Het overgangsrecht voor met het nieuwe bestemmingsplan strijdig gebruik regelt dat het gebruik van gronden dat bestaat op het moment dat het nieuwe bestemmingsplan van kracht wordt, mag worden voortgezet. Het bestaande gebruik dat (ook) in strijd was met het voorgaande bestemmingsplan, is echter van deze beschermende werking van het overgangsrecht uitgesloten, indien het op grond van het recht nog mogelijk is om hiertegen op te treden. 2.
slotregel: Dit artikel bevat de titel (naam) van het vast te stellen bestemmingsplan.
5.2 Bestemmingsbepalingen In de regels is het beschreven beleid vertaald in de bestemmingsbepalingen. De volgende bestemmingen worden in het plan onderscheiden:
•
Wonen;
5.2.1 Wonen Binnen deze bestemming vormt wonen de hoofdfunctie. Er is geen onderscheid gemaakt tussen tuin en erfgedeelte. De inhoud van de woning mag niet bedragen dan 800 m3, tenzij de inhoud van de bestaande woning reeds groter is in welk geval de bestaande vergunde inhoud als maximum geldt. De maximale goot- en bouwhoogte van de woning bedraagt 6,5 meter en 10 meter. De maximale oppervlakte aan bijgebouwen bedraagt 125 m2, tenzij de inhoud van de bestaande vrijstaande bijbehorende bouwwerken reeds groter is in welk geval de bestaande vergunde inhoud als maximum geldt.
50
Daarnaast wordt er ruimte gegeven aan het uitoefenen van beroepen en bedrijven aan huis en zijn er enkele afwijkingsregels opgenomen voor o.a. het vergroten van de woning en bijbehorende bouwwerken, zonnepanelen en horeca als nevenactiviteit. In de algemene gebruiksregels van het bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing opgenomen. Hiermee wordt de landschappelijke inpassing gewaarborgd.
51
6.Economische uitvoerbaarheid 6.1 Kostenverhaal Uitgangspunt voor de beoogde ontwikkeling is dat deze voor de overheid budgetneutraal wordt ontwikkeld. Op grond van artikel 6.12 lid 1 Wet ruimtelijke ordening (Wro) in samenhang met artikel 6.12 lid 4 Wro is de gemeenteraad verplicht om de kosten te verhalen en een exploitatieplan vast te stellen gelijktijdig met het besluit waarop het exploitatieplan betrekking heeft. Niet in alle gevallen is de gemeenteraad verplicht een exploitatieplan vast te stellen. Op grond van artikel 6.12, lid 2 kan de gemeenteraad besluiten geen exploitatieplan vast te stellen als aan de cumulatieve bepalingen van artikel 6.12, lid 2 sub a, b en c is voldaan. Met onderhavig plan wordt op het perceel Ericaweg 5 een bouwplan in de zin van artikel 6.2.1 Bro mogelijk gemaakt. De financiële kosten worden verzekerd door het heffen van leges en het aangaan van een planschadeovereenkomst met de initiatiefnemer. Hiermee zijn de kosten anderszins verzekerd en is een exploitatieplan niet noodzakelijk.
6.2 Financiële haalbaarheid Het plan wordt uitgevoerd en bekostigd door initiatiefnemer. De gemeente heeft geen kosten voor de realisatie van dit plan. Initiatiefnemer beschikt over voldoende middelen om de voorgestane ontwikkeling te kunnen realiseren. Er zijn geen onvoorziene hoge kosten te verwachten. Ook is er geen sprake van onzekere financiële bijdragen van anderen. De financieel-economische haalbaarheid is hiermee in voldoende mate aangetoond.
52
7. Inspraak, overleg en zienswijzen 7.1 Inspraak De procedures voor de vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Met betrekking tot de inspraak bevat de Wet ruimtelijke ordening (Wro) geen procedureregels en is in de Wro zelf niet verplicht gesteld. Het betreft een ontwikkeling op slechts één perceel, die passend is binnen het provinciaal en gemeentelijk beleid. Het onderhavig plangebied is gering van omvang en de ruimtelijke consequenties zijn beperkt. Daarom is geen gelegenheid tot inspraak. Besloten is om het bestemmingsplan als ontwerp ter inzage te leggen, uiteraard wel met behoud van de mogelijkheid tot het indienen van zienswijzen. Ook wordt het plan voorgelegd aan de overlegpartners in het kader van art. 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Overigens heeft er overleg plaatsgevonden met direct omwonenden van de Ericaweg 7, Callunastraat 5, Callunastraat 8, Heidestraat 12 en Heidestraat 14. Het bouwplan heeft instemming van de direct omwonenden.
7.2 Vooroverleg Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan moet in het kader van het overleg als bedoeld in art. 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening overleg worden gepleegd met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Tegelijkertijd wordt het bestemmingsplan voorgelegd aan andere relevante instanties.
7.3 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan Ericaweg 5 heeft van XX XXXXX voor zes weken ter inzage gelegen. Er zijn in deze periode wel/geen zienswijzen ingediend.
53
Bijlagen bij de toelichting Bijlage 1 – Landschapsplan Bijlage 2 – Quickscan Natuur en stikstofberekening Bijlage 3 – Bodemonderzoek
54
Bestemmingsplan Ericaweg 5 Overheid Document Datum Planstatus Plan identificatie
Gemeente Bergen (L) Regels 06/10/2023 Ontwerp NL.IMRO.0893.BP23011ER5BUI-ON01
Inhoudsopgave 1 Inleidende regels..................................................................3 Artikel 1 Begrippen ..................................................................................... 3 Artikel 2 Wijze van meten ........................................................................ 10
2 Bestemmingsregels ............................................................11 Artikel 3 Wonen ........................................................................................ 11