Toelichting herstelbesluit BP Aijenseweg 7 Aijen
Tekst van het document
[1]
Waaronder Zaaknr:200909701/1/R1, Datum:1 september 2010
26
5.1.5
Geluid In de Wet geluidhinder (Wgh) is vastgesteld dat, indien binnen het plangebied geluidgevoelige functies zijn voorzien binnen de invloedssfeer/onderzoekszones van omliggende (spoor)wegen en/of industrieterreinen, een akoestisch onderzoek dient te worden uitgevoerd bij vaststelling of herziening van het bestemmingsplan of afwijking van het bestemmingsplan. Voor wat betreft wegverkeerslawaai geldt dit voor alle wegen, met uitzondering van: • wegen die in een als ‘woonerf’ aangeduid gebied liggen; • wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt. Het plangebied waarbinnen de woningen worden gerealiseerd ligt aan een doodlopende weg waar een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur geldt. Derhalve is het uitvoeren van een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai niet noodzakelijk. Er wordt geen onevenredige geluidshinder afkomstig van wegverkeerslawaai verwacht. Het aspect geluid vormt zodoende geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
5.1.6
Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico’s vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste besluiten zijn: • Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); • Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); • Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt).
Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Risiconormering In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijke harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde.
27
Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verwantwoord door het bevoegd gezag. Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico’s in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de ‘Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico’ zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Wanneer verantwoorden? Bron Inrichtingen (Bevi)
Wanneer groepsrisicoverantwoording? Altijd wanneer binnen invloedsgebied ruimtelijk besluit wordt genomen.
Buisleidingen (Bevb)1
Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen2.
Spoor-, (Bevt)
Rijks-
en
waterwegen
Wanneer sprake is van toename van het groepsrisico of overschrijding van de oriëntatiewaarde.
In artikel 7 van het Bevt is opgenomen dat bij het toevoegen van nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten een verantwoording van het groepsrisico dient plaats te vinden. Indien de verantwoordingsplicht niet juist is uitgewerkt terwijl dit wel verplicht is, kan dit tot vernietiging van het ruimtelijk besluit door de Raad van State leiden. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het ‘restrisico’ dat overblijft nadat benodigde veiligheidverhogende maatregelen genomen zijn. Overige wet- en regelgeving Tot slot wordt in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening’ (art. 3.1. Wro) ook getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit bijvoorbeeld het
1 Bij buisleidingen kan volstaan worden met een beperkte verantwoording wanneer:
1. Het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde of; 2. De toename minder is dan 0,1 keer oriëntatiewaarde of; 3. Personen zich buiten de 100% letaliteitgrens bevinden. 2 Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden
28
Activiteitenbesluit, effectafstanden uit de ‘Circulaire effectafstanden LPG-tankstations’ enzovoort. Toetsing Met behulp van de EV-signaleringskaart is beschouwd of risicobronnen in de omgeving van het plangebied een risico vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. In figuur 13 is een uitsnede van de EV-Signaleringskaart weergegeven.
Figuur 13: Uitsnede EV-signaleringskaart met plangebied rood omcirkeld
Risicovolle inrichtingen Ten noordoosten van het plangebied, op circa 1000 meter hemelsbreed, is een tankstation aanwezig waar onder andere LPG wordt aangeboden. Het plangebied is op ruime afstand, en buiten de contouren van het plaatsgebonden risico en groepsrisico, gelegen. De aanwezigheid van het tankstation vormt geen belemmering voor het planvoornemen. Risicovol transport over (spoor-/water) wegen In de nabije omgeving zijn geen wegen of spoorwegen aanwezig waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. De dichtstbijzijnde waterweg (de Maas) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd, is gelegen op een afstand van circa 400 meter. Het invloedsgebied van de Maas bedraagt 1.070 meter. Het plangebied ligt dus binnen het
29
invloedsgebied van de Maas, het plangebied is echter wel buiten de contouren van het plaatsgebonden risico gelegen. Aan het einde van deze paragraaf is een beperkte motivering van het groepsrisico opgenomen. Hier wordt ingegaan op de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid bij een incident. Met betrekking tot risicovol transport over (spoor-/water) waterwegen zijn verder geen belemmeringen te verwachten. Buisleidingen In de nabije omgeving van het plangebied bevinden zich geen buisleidingen waardoor gevaarlijke stoffen worden getransporteerd. Dit vormt dan ook geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Beperkte verantwoording groepsrisico De bestrijdbaarheid van de omvang van een incident Op deze afstand van de risicobron speelt het bestrijdbaarheidsvraagstuk niet of nauwelijks. De bestrijding vindt plaats bij de bron, op ruime afstand van het plangebied. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Omdat blootstelling aan een toxisch gas het bepalende scenario is, biedt ‘schuilen’ de beste wijze van zelfredzaamheid. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters.
Advies Veiligheidsregio Limburg-Noord Gelet op het vermeldde ten aanzien van de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid heeft de Veiligheidsregio Limburg-Noord het volgende advies gegeven: Initiatiefnemer: - Wanneer voor ventilatie een installatie nodig is, plaats dan op een makkelijk te bereiken plaats, een noodknop waarmee de installatie uitgezet kan worden zodat er geen ventilatielucht meer van buitenaf wordt ingebracht. De noodknop kan bijvoorbeeld in de meterkast of bij een brandmeldinstallatie worden geplaatst. - Bereikbaarheid. In de huidige situatie is het terrein (plangebied) en de op het terrein gelegen gebouwen vanaf één zijde bereikbaar voor hulpdiensten. Zorg voor een keerlus op het terrein, voor hulpdiensten op het terrein. - Bluswatervoorzieningen. Op het eigen terrein ontbreken zowel primaire als secundaire bluswatervoorzieningen. Leg een geboorde put aan met een debiet van 60m3/uur. Plaats en uitvoering in overleg met Brandweer Limburg-Noord. Gebruiker van het gebouw: - Algemeen. Zorg dat de gebruikers op de hoogte zijn van de risico’s van een toxisch incident met gevaarlijke stoffen, het handelingsperspectief: "binnenblijven, ramen en deuren sluiten en mechanische ventilatie uitzetten" en hiernaar wordt gehandeld.
30
-
Indien gebouwen geheel of gedeeltelijk zijn voorzien van natuurlijke ventilatie is het advies om naar een ruimte te gaan waar ramen en deuren gesloten kunnen worden en de mechanische ventilatie uitgezet kan worden.
Gemeente: - Informeer de initiatiefnemer en de gebruikers van het plan over de risico’s van de risicobron en het daarbij horende handelingsperspectief en borg dit in overeenkomsten, voorschriften etc. voor zover dit (juridisch) mogelijk is. Conclusie Initiatiefnemer is bereid om te voldoen aan het advies van de veiligheidsregio. Indien gebruik wordt gemaakt van mechanische ventilatie, zal een noodknop worden geïnstalleerd. Tevens is er op het terrein voldoende ruimte om een keerlus aan te leggen. Tenslotte zal de bestaande put worden aangepast zodat deze geschikt is als blusvoorziening. Met inachtneming van het advies van de Veiligheidsregio vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
5.1.7
Bedrijven en milieuzonering Onder milieuzonering wordt verstaan een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Om het begrip hanteerbaar te maken is gebruik gemaakt van de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG. In deze publicatie zijn bedrijven ingedeeld in milieucategorieën. Per bedrijfstype is indicatief aangegeven wat de afstand tot een gevoelige functie dient te zijn (zogenaamde richtafstanden). De aan te houden afstanden hebben betrekking op stof, geluid, gevaar en geur. De beoogde woningen betreffen geen bedrijf of inrichting welke moet worden getoetst aan een minimumafstand tot andere gevoelige objecten. Omdat de beoogde woningen gevoelige objecten betreffen, is gekeken naar de omliggende functies en de bijbehorende aan te houden afstanden tot gevoelige objecten. De richtafstanden welke zijn opgenomen in de VNG-publicatie worden aangehouden om te bepalen of er genoeg ruimte zit tussen bedrijven en gevoelige objecten. In onderstaande tabel is getoetst of voldaan kan worden aan de VNG-afstanden. De afstanden zijn gemeten van het beoogde bestemmingsvlak ‘wonen’ tot het erf van de nabij gelegen functie. Adres
Functie
Aijenseweg 5
Akkerbouw/fruitteelt
Aijenseweg 9
Catering
VNGcat. 2 2
30 m
Werkelijke afstand 10 m
30 m
160 m
Richtafstand
Voldaan? Nee Ja
Er wordt niet voldaan aan de richtafstand ten aanzien van het akkerbouw/fruitteelt bedrijf aan de Aijenseweg 5. In de feitelijke situatie zijn er op deze locatie geen agrarische bedrijfsactiviteiten meer aanwezig. Dit is ook besproken in de gevoerde omgevingsdialoog die als bijlage bij deze toelichting is gevoegd. In de
31
omgevingsdialoog is door de bewoner van Aijenseweg 5 aangegeven dat men geen bezwaar heeft tegen de geplande ontwikkeling. Voor dit plan dient echter rekening gehouden te worden met de geldende planologische mogelijkheden. Voor dit bedrijf zijn derhalve de volgende richtafstanden van toepassing: - geur: 10 meter; - stof: 10 meter; - geluid: 30 meter; - gevaar: 10 meter. Gezien de afstand tot de woonbestemming, dient een nadere onderbouwing ten aanzien van het aspect geluid plaatst te vinden. De bedrijfsactiviteiten kunnen plaatsvinden binnen het bouwvlak en rond de bedrijfsbebouwing die op de meest noordelijke hoek van het perceel is geplaatst. Nieuwe bebouwing kan enkel binnen het bouwvlak worden gerealiseerd. De afstand tussen het bouwvlak en de beoogde woonbestemming bedraagt 35 meter. Ten opzichte van het bouwvlak en de bedrijfsbebouwing wordt dan ook aan de richtafstanden voldaan. Buiten het bouwvlak kunnen ook bedrijfsactiviteiten plaatsvinden op gronden die zijn aangeduid als erf. Conform het bestemmingsplan zijn deze gronden onder andere bedoeld voor opslag. Gesteld kan worden dat hier geen geluidproducerende werkzaamheden zullen plaatsvinden. Zodoende kan in dit geval voor de gronden aangeduid als erf, worden volstaan met een kleinere richtafstand.
Daarnaast bevinden zich op gronden behorende bij Aijenseweg 5, grenzend aan Aijenseweg 7, groenvoorzieningen en een inrit. Deze inrit bevindt zich in het verlengde van de enige toegangsweg naar deze locatie. De groenvoorzieningen en inrit scheiden de nieuwe woningen van de mogelijke bedrijfsactiviteiten. Doordat behoud van deze elementen voor de hand ligt, en in het geval van de inrit noodzakelijk is, kan worden gesteld dat de mogelijke bedrijfsactiviteiten niet op korte afstand van de nieuwe woningen plaatsvinden. Zodoende kan worden geconcludeerd dat het woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woningen niet in het geding is. Daarnaast wordt het bedrijf aan de Aijenseweg 5 niet in zijn mogelijkheden beperkt. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering.
5.1.8
Kabels, leidingen en hoogspanningslijnen Bij ontwikkelingen is het van belang om te kijken of erdoor of nabij het plangebied kabels, leidingen en hoogspanningslijnen zijn gelegen waar rekening mee gehouden moet worden. Kabels en leidingen Uit het bestemmingsplan en de risicokaart (paragraaf 5.1.6) komt naar voren dat er geen kabels in het plangebied aanwezig zijn die een beschermingszone in het kader van de te voeren planologische procedure hebben. Aanvragen hiervoor dienen
32
rechtstreeks ingediend te worden bij de nutsbedrijven. Voor onderhavige ontwikkeling is verder onderzoek niet noodzakelijk. Hoogspanningslijnen De dichtstbij gelegen hoogspanningslijn ligt op circa 5,5 kilometer van het plangebied. Door de ruime afstand tussen het plangebied en de hoogspanningslijn vormt deze geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
5.1.9
Volksgezondheid Nederland is een land waar mensen en vee dicht op elkaar leven. Het RIVM doet op verschillende manieren onderzoek naar de effecten van veehouderijen op de gezondheid, voor bijvoorbeeld omwonenden van veehouderijen, gezinnen van veehouderijen en mensen die op veehouderijen werken. Pluimvee- en varkenshouderijen In 2016 zijn verschillende onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stofemissie afkomstig van veehouderijen. Op basis van het ‘Endotoxine toetsingskader 2.0’ kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd gezondheidsrisico ten aanzien van pluimvee- en varkenshouderijen. Binnen 1 kilometer zijn geen varkenshouderijen aanwezig. Er zijn tevens geen pluimveebedrijven binnen deze afstand aanwezig. Geitenhouderijen Uit het VGO-2 en VGO-3 onderzoek is gebleken dat zich in een straal van 2 kilometer rondom geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet bij mensen die woonachtig zijn in de directe omgeving van geitenhouderijen. Binnen de beoogde ontwikkeling worden drie burgerwoningen toegestaan.
Gesteld kan worden dat sprake is van een gevoelige functie in het kader van geitenhouderijen en volksgezondheid, waardoor deze onderzoeken relevant zijn voor deze ontwikkeling. Het is daarom van belang om te weten of binnen een straal van 2 kilometer geitenhouderijen aanwezig zijn, en waar deze zijn gelegen ten opzichte van het plangebied. Er zijn binnen 2 kilometer vanaf het plangebied geen geitenhouderijen gesitueerd. Dit vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
5.2
Water Deze paragraaf vormt de toelichting hoe het waterbeleid en geldende normen zijn vertaald naar de waterhuishoudkundige inrichting in de bestemming. Het klimaat verandert. We verwachten meer hevige en meer langdurige neerslag in de toekomst. Daarom is de kern van het waterbeleid van de 21e eeuw: ‘ruimte maken voor water’. Naast de kans op meer wateroverlast neemt ook de kans op langdurige periodes van droogte toe.
33
5.2.1
Beleidskader Waterschap beleid: Waterschap Limburg Waterbeheerprogramma (WBP) Met het waterbeheerprogramma (WBP) geeft Waterschap Limburg richting aan het waterbeheer in de periode 2022 - 2027: - Programma Waterveiligheid: bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas. Het afgekoppelde regenwater zorgt voor minder vervuilende riooloverstorten. Het verbetert de doorstroming en daarmee de kwaliteit van stadswateren. Doordat een groot deel van het water lokaal infiltreert in groenstroken en tuinen, wordt voorkomen dat oppervlakkig afstromend regenwater onderweg vervuild raakt en zo het ontvangende oppervlaktewater belast. - Klimaatadaptatie: balans tussen water afvoeren én water vasthouden. Zo zorgt bijvoorbeeld verdamping in de stad voor minder hittestress. Daarmee zijn de sponswerking van de gebouwde omgeving en de kwaliteit van het oppervlaktewater vergroot. Ook op dit gebied moet samengewerkt worden om werk met werk te kunnen maken (efficiency), om instrumenten van derden te benutten teneinde onze eigen opgave te realiseren (zoals omgevingsplannen) en voor de inpassing in de omgeving. - Waterkwaliteit en ecologie: het water binnen de gemeente moet schoon zijn en wateren zijn natuurlijk ingericht. We maken een stevig begin met de (bron)aanpak van de problemen met medicijnresten en opkomende stoffen (zoals PFAS en microplastics) in het oppervlaktewater.
- Zuiveren en waterketen: zuiveren rioolwater en grondstoffen terugwinnen en gebruiken. Voor het plangebied is vooral klimaatadaptatie van belang. Om de klimaatverandering een stap voor te blijven, is nu het moment om de plannen gereed te hebben en te starten met de uitvoering. Daarom is klimaat adaptief denken en handelen de basis van al het werk van het Waterschap en dat verwacht zij ook van haar partners. De speerpunten zijn: - Samen klimaat adaptief inrichten van stad en land; - Aanpakken grootste wateroverlastknelpunten; - Risico gestuurd peilbeheer en onderhoud; - Elke druppel vasthouden en pas afvoeren als het moet. Bij nieuwbouw is het afkoppelen van regenwater inmiddels vanzelfsprekend. De voorkeursvolgorde bij afkoppelen is vasthouden - bergen - afvoeren, waarbij infiltreren in de bodem voorgaat op lozen op oppervlaktewater. Ook opvangen en gebruiken voor huis en tuin is een duurzame oplossing. In klei- en lössgronden en in sterk hellend gebied vraagt infiltreren een grotere inspanning. In kleine tuinen is dan vaak te weinig ruimte. Gezamenlijke centrale infiltratievoorzieningen in de wijk kunnen dan een oplossing bieden. Vanzelfsprekend geldt bij afkoppelen en infiltreren dat dit geen overlast elders mag veroorzaken. Ook belangrijk is de kwaliteit van het afgekoppelde regenwater.
Alleen met het doorlopen van de trits schoonhouden - scheiden - zuiveren is lozen op de bodem of op watergangen acceptabel.
34
Keur 2019 Per 1 april 2019 is er een nieuwe keur in werking getreden. In de keur staan regels over wat er wel en niet mag in en rondom het water in Limburg. Voor de meest voorkomende vergunningplichtige activiteiten zijn er beleidsregels. In deze beleidsregels staat met welke criteria een vergunningsaanvraag wordt beoordeeld. Volgens artikel 1.12 Uitvoeringsregels van het Keur van het Waterschap blijkt dat het waterschap het bevoegd gezag is vanaf 10 hectare. Het totale oppervlak van het plangebied is 7.900 m². Daarom is niet het Waterschap, maar de gemeente bevoegd gezag. Gemeentelijk beleid: gemeente Bergen Door de gevolgen van klimaatveranderingen wordt de gemeente Bergen kwetsbaarder voor verdroging, extreme hitte en extreme neerslag. In 2020 is het GRP Bergen (L) 2020-2025 vastgesteld waarin staat dat in de gemeente Bergen een natuurlijk en klimaatbestendig watersysteem willen creëren. Regenwater vasthouden en een impuls zijn belangrijke uitgangspunten hierbij. Dit beleid is ook verankerd in de gemeentelijke verordening ‘Verordening Fysieke leefomgeving gemeente Bergen (L) 2022’. Om wateroverlast door extreme neerslag te voorkomen en verdroging tegen te gaan is het van belang dat zowel op particulier terrein als in openbaar gebied voldoende waterberging wordt gerealiseerd. In de verordening zijn hiervoor concrete regels opgenomen.
Daarnaast heeft de gemeente Bergen het Gemeentelijk Rioleringsplan Bergen (L). De wettelijke basis van het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) is vastgelegd in drie wetten. De taken en verplichtingen die de gemeente op het gebied van riolering heeft, zijn vastgelegd in de Wet milieubeheer (Wm artikel 10.33). Een van de verplichtingen uit de Wet milieubeheer betreft het opstellen van een gemeentelijk rioleringsplan (GRP). In het GRP moet inzichtelijk zijn gemaakt welke voorzieningen op het gebied van riolering in beheer zijn, welke effecten deze voorzieningen op het milieu hebben en welke kosten met het beheer en onderhoud hiervan gemoeid zijn, rekening houdend met toekomstige vervanging en/of verbetering. In de Wet milieubeheer is ook de zorgplicht voor het inzamelen en transporteren van afvalwater vastgelegd. De Waterwet is sinds 2009 in werking getreden en beschrijft het brede pakket aan zorgtaken van de gemeente. Vanuit de Waterwet heeft de gemeente een zorgplicht voor afvalwater, hemelwater en grondwater. Verordening Fysieke leefomgeving gemeente Bergen (L) 2022 In artikel 3.8 van de verordening wordt bepaald dat in nieuwbouw geen aansluiting op het openbaar riool gerealiseerd mag worden, tenzij er een hemelwatervoorziening is. Deze hemelwatervoorziening moet 60 liter per m² kunnen bergen.
Uitgangspunt is dat als er een bui valt van 60 mm (is 60 liter per m2) dit geen afstroming veroorzaakt naar belendende percelen (inclusief de openbare ruimte). Al het hemelwater wordt vastgehouden op het eigen perceel.
35
Gemeentelijk Rioleringsplan Bergen (L) Ambitie en doelen In het nieuwe GRP wordt het beleid van de afgelopen jaren gecontinueerd. De doelstellingen voor de komende planperiode zijn: 1. Zorgen voor inzameling van het binnen gemeentelijk gebied geproduceerd afvalwater. 2. Zorgen voor doelmatige inzameling en verwerking van afvloeiend hemelwater (voor zover niet verzorgd door particulieren). 3. Beperken van structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming in het openbaar gemeentelijk gebied. 4. Zorgen voor het transport van het ingezamelde water naar een geschikt lozingspunt; hierbij: • Ongewenste emissies naar oppervlaktewater, bodem, grondwater voorkomen • Zo min mogelijk overlast voor de omgeving veroorzaken (in de breedste zin van het woord). 5. Doelmatig beheer en een goed gebruik van de riolering. 6. Zorgen voor het klimaat adaptief maken van de riolering in samenhang met de inrichting van de openbare ruimte. Afvoercapaciteit: Om gezondheidsrisico’s van rioolwater te beperken en wateroverlast te voorkomen, dient de gemengde riolering over voldoende afvoercapaciteit te beschikken om een regenbui te kunnen verwerken.
Het rioolstelsel moet dan ook hydraulisch op orde te zijn, wat betekent dat de riolering als systeem (theoretisch) voldoet aan de hydraulische norm (bui 09 Leidraad Riolering, een bui die eens per 5 jaar voorkomt) De gemeente Bergen blijft inzetten op het afkoppelen van verhard oppervlak van de riolering, daarnaast blijft zij ook particulieren stimuleren om af te koppelen. Met afkoppelen wordt het hemelwater van de gemengde riolering afgehaald en het systeem gescheiden in een schoon- en vuilwatersysteem. Het totaal aangesloten hemelwater op de gemengde riolering wordt hiermee verkleind en daarmee de kans op het intreden van vuilwater in gebouwen en het overstorten van vuilwater op het oppervlaktewater. Door afkoppelen neemt dan ook de kans op gezondheidsrisico’s voor mens en natuur af. Daarnaast biedt (grootschalig) afkoppelen een economisch voordeel voor de waterschappen door een kleiner aanbod van afvalwater (minder investering) en aanvoer van een constanter debiet en kwaliteit van afvalwater (zuiveringsrendement gaat omhoog). Tevens wordt de betrokkenheid van inwoners en het gevoel van verantwoordelijkheid ten aanzien van klimaatadaptatie hiermee vergroot. Bijkomend economisch voordeel voor de gemeente zijn minder transport kosten (lager energieverbruik gemalen).
Het intensief afkoppelen zorgt voor meer berging in het stelsel en dit creëert meer ruimte voor de zwaardere buien in de toekomst. - Het afvoeren van rioolvreemd water (Rioolvreemd water is water van een andere herkomst dan dat in dit type riool voor hoort te komen, zoals drainagewater en grondwater in een vuilwaterriool of vuilwater in een hemelwaterriool. Ook intredend oppervlaktewater via overstorten valt onder
36
rioolvreemd water) dient zoveel mogelijk voorkomen te worden daar dit ten koste gaat van de werking van de riolering en zuivering. Alleen indien op grond van klachten foutieve aansluitingen worden vermoed, wordt dit onderzocht. Het preventief opsporen van foutieve aansluitingen zonder dat daar aanwijzingen voor zijn, beschouwt de gemeente niet als doelmatig. Hemelwater (artikel 3.5 Waterwet): De verantwoordelijkheid voor de afvoer van hemelwater ligt in beginsel bij de burger. De burger draagt in eerste instantie zelf zorg voor het verwerken van hemelwater op het eigen perceel. Dit kan door hergebruik, infiltreren in de bodem, bergen in bijvoorbeeld een vijver of afvoeren naar oppervlaktewater. Waar dit redelijkerwijs niet mogelijk is, moet de gemeente de zorgplicht op een doelmatige manier overnemen. Nieuwbouw (zowel uitbreiding als inbreiding) Voor nieuwbouw (en herbouw) geldt dat het afvalwater en hemelwater gescheiden moet worden ingezameld. Hemelwater dient voor zover mogelijk op het eigen terrein verwerkt te worden. De gemeente hanteert de volgende beleidsregels voor zowel particulieren/ bedrijven als voor het openbaar gebied.
Deze ontwerpnormen zijn conform afspraken uit het samenwerkingsverband Noord en Midden-Limburg: - Bij nieuwbouw dient het regen- en afvalwater altijd gescheiden aangeboden te worden, conform bouwbesluit 2012; - Bij ruimtelijke ontwikkelingen van meer dan 2.000 m2 verhard oppervlak, dient altijd overleg te worden gepleegd met gemeente, waterbeheerders en initiatiefnemer via de watertoets; - In nieuwbouwwijken is afkoppelen verplicht. Bij bouwplannen met een verhard oppervlak van meer dan 2.000 m2 worden door de gemeente een programma van eisen, randvoorwaarden en ontwerpgrondslagen voor de waterhuishouding vastgesteld; - Bij inbreidingslocaties dient in eerste instantie het hemelwater op eigen terrein geïnfiltreerd te worden. De voorziening dient over voldoende berging te beschikken, waarbij een overloop op maaiveld richting straat of naar oppervlaktewater is toegestaan, mits geen verslechtering ten opzichte van de huidige situatie ontstaat; - Bij alle nieuwbouw of uitbreidingsplannen moet een risicoanalyse opgesteld worden waarbij wordt aangegeven wat de risico’s zijn bij een extreme bui gelijk aan 84 mm; - Bij alle bouwplannen dienen de bouwpeilen op 0,3 m boven wegniveau te zijn zodat water niet vanuit de straat de woning kan bereiken.
- In gebieden waar een druk- of persriool aanwezig is (vooral buiten de bebouwde kom) bedoeld voor de inzameling van alleen afvalwater, is het niet toegestaan om hemelwater op de riolering aan te sluiten. De pompcapaciteit en de afmetingen van de druk- en persleidingen zijn niet berekend op de afvoer
37
van hemelwater. Perceeleigenaren moeten het hemelwater op eigen terrein verwerken. Klimaat: De gemeente Bergen richt zich op: - Het bovenstrooms treffen van maatregelen om benedenstrooms overlast en/of hinder te voorkomen van afstromend water. Afstromend water kan hierbij zowel hemelwater als vuilwater zijn. - Het afkoppelen en vasthouden van hemelwater op locaties waar het niet tot overlast of schade leidt. - Groenvoorzieningen inzetten als bergingsvoorziening voor afstromend hemelwater, door de groenvoorziening lager te plaatsen dan de weg en banden eventueel de verlagen. - Een aandachtspunt hierbij is de relatie met strooiroutes en de hogere beheer en onderhoudsfrequentie. - Toepassen van waterpasseerbare verharding bij parkeervoorzieningen. - Het zo veel mogelijk vervangen van niet-functionele verharding door groen (waar doelmatig) - Waar doelmatig speeltuinen inzetten voor waterberging, aandachtspunt hierbij is de kwaliteit van het water (geen afvalwater af laten stromen naar speeltuinen) en het water mag slechts gedurende een korte periode aanwezig zijn. De opgave van het waterschap is om te voldoen aan een beschermingsnorm van 1x per 100 jaar voor bebouwde kernen voor wat betreft inundaties uit het regionale oppervlaktewatersysteem (Nationaal Bestuursakkoord Water). Afhankelijk van een maatschappelijke kosten-baten afweging kan een lagere bescherming worden geboden.
De provincie stelt het beschermingsniveau vast. Bestemmingsplanfase Als een bestemmingsplan wordt gewijzigd, dient er een Watertoets uitgevoerd te worden. Bij elk nieuw bestemmingsplan wordt de grondwatersituatie meegenomen in de waterparagraaf. De benodigde maatregelen om grondwaterproblemen te voorkomen worden daarbij vastgelegd in regels voor diverse bestemmingen. De gemeente staat geen bebouwing toe op locaties waar dit vanuit het watersysteem tot schade leidt of beperkingen geeft aan het natuurlijke watersysteem. Het gaat daarbij niet alleen om regels ten aanzien van zetting en drooglegging, maar ook ten aanzien van drainagesystemen en ontwateringsdiepte. Het streven van de gemeente is om bij nieuwbouw ‘grondwaterneutraal’ te bouwen. Dit houdt in dat het grondwaterpeil niet beïnvloed mag worden. Beheer rioleringsgegevens bij nieuw aanleg De revisiegegevens van nieuw aangelegde riolering zullen uiterlijk twee weken na de oplevering van een nieuwbouwproject worden verwerkt. Hiermee voldoet de gemeente aan de regels van WION. De beheergegevens zijn actueel.
38
5.2.2
Huidige waterhuishoudkundige situatie Bestaande situatie bebouwing en verhard oppervlak Bij onderhavig plangebied is sprake van bestaande bebouwing en verhardingen, zie figuur 14. De bebouwing bestaat uit een bedrijfswoning, vakantiewoningen en agrarische bedrijfsbebouwing. Verder is er sprake van verschillende wegen en paden die verhard zijn uitgevoerd en is er een verharde voorziening voor de opslag van veevoer aanwezig. Gezamenlijk is er sprake van circa 4.450 m2 aan verharding aanwezig.
Figuur 14: Verharding in de huidige situatie.
Ligging van beschermingszones, reserveringsgebieden. Het plangebied is gelegen binnen de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Stroomvoerend rivierbed’ en ‘Waterstaat – Waterkering’, zie figuur 3. Deze dubbelbestemmingen worden in onderhavig bestemmingsplan overgenomen. Onderhavige ontwikkeling is voorgelegd aan Rijkswaterstaat. Zij hebben aangeven geen belemmeringen te zien ten aanzien van onderhavige ontwikkeling. In het kader van het gemeentelijk vooroverleg en zienswijzen is het ontwerpbestemmingsplan nogmaals voorgelegd aan Rijkswaterstaat en het waterschap. Naar aanleiding van een zienswijze van Rijkswaterstaat met betrekking tot de oppervlakte bijgebouwen is het plan gewijzigd conform de wens van Rijkswaterstaat. Huidige verwerking hemelwater In de huidige situatie wordt het regenwater verwerkt via de gierputten en wordt er afgewaterd op de omliggende gronden die in eigendom van de initiatiefnemer zijn.
39
Huidige verwerking afvalwater en waterkwaliteit Het bedrijfsmatige afvalwater wordt in de putten onder de bedrijfsbebouwing geloosd en de bestaande (vakantie-)woning(en) lozen het afvalwater op het riool. Op het terrein is een particulier rioolgemaal aanwezig. Er zijn geen gevolgen voor de waterkwaliteit. Aanwezig oppervlaktewater Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Grondwaterstanden en maaiveldhoogte De gemiddelde grootste grondwaterdiepten voor het besluitgebied variëren tussen 208 en 254 cm diepte. De gemiddelde kleinste grondwaterdiepten variëren tussen 117 en 180 cm diepte (figuur 15).
Figuur 15 grondwaterstanden met plangebied rood omcirkeld.
Figuur 16: Uitsnede hoogtekaart.
40
Het plangebied is gelegen op een omdijkte donk. De hoogte binnen het plangebied varieert van ruim 13 meter tot bijna 15 meter (figuur 16).
5.2.3
Toekomstige waterhuishoudkundige situatie en waterbergingsopgave Beschrijving plan De beoogde situatie ziet toe op het amoveren van ca. 500 m² bedrijfsbebouwing. Daarnaast worden twee nieuwe woningen gerealiseerd in de bestaande bebouwing en wordt de huidige bedrijfswoning omgeschakeld naar een burgerwoning. Hierbij blijven de bestaande vakantiewoningen behouden. Per saldo zal het verhard oppervlak afnemen. Het hemelwater afkomstig van bebouwing en verharding binnen het plangebied zal binnen het plangebied worden opgevangen en verwerkt. Aangezien de hoeveelheid verharding en bebouwing significant afneemt zijn er vanuit het oogpunt van hydrologisch neutraal ontwikkelen geen verdere maatregelen noodzakelijk. De nieuwe woningen worden aangesloten op de reeds aanwezige riolering. Via deze riolering zal het afvalwater worden afgevoerd. Ontwerp nieuw watersysteem Hemelwater In de toekomstige situatie neemt het verhard oppervlak af aangezien er ca. 500 m² bedrijfsbebouwing wordt geamoveerd. Dit heeft een positieve invloed op de hemelwaterafvoer in het plangebied. In de beoogde situatie wordt het hemelwater op eigen terrein opgevangen (onder andere in de te behouden putten onder de te behouden stal). Het hemelwater zal getrapt worden afgevoerd zodat het op eigen terrein kan infiltreren. Door de afname van bebouwing is meer ruimte om water direct te laten infiltreren in de grond.
Verder zal de hemelwaterafvoer worden losgekoppeld van het gemeentelijk rioleringsstelsel. Aangezien de bodemdoorlatendheid binnen het plangebied grotendeels als zeer goed kan worden beschouwd (zie figuur 17) kan het regenwater direct in de grond infiltreren.
41
Figuur 17: Bodemdoorlatendheid binnen het plangebied (rood omcirkeld).
Afvalwater De verwerking van afvalwater vindt plaats via het bestaande particuliere rioolgemaal. Indien aanpassingen noodzakelijk zijn aan het particuliere rioolgemaal komen deze voor rekening van de initiatiefnemer. Grondwater Gezien de kleinschalige ontwikkeling en het feit dat er bebouwing wordt geamoveerd is er meer ruimte om water op te vangen en te bergen. Dit heeft tevens een gelijkblijvend dan wel positief effect op het grondwater.
Waterkwaliteit & beheer Aangezien de hoeveelheid bebouwing binnen het plangebied afneemt vormt onderhavige ontwikkeling geen belemmering ten aanzien van de bergingscapaciteit van het rivierbed van de Maas. Onderhavige ontwikkeling is tevens voorgelegd aan Rijkswaterstaat. Zij geven aan geen belemmeringen te zien ten aanzien van onderhavige ontwikkeling. In het kader van het gemeentelijk vooroverleg en het zienswijzeperiode is het ontwerpbestemmingsplan nogmaals voorgelegd aan Rijkswaterstaat. Naar aanleiding van een zienswijze van Rijkswaterstaat met betrekking op de oppervlakte bijgebouwen is het plan aangepast conform de wens van Rijkswaterstaat.
42
5.2.4
Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
5.3
Natuur
5.3.1
Gebiedsbescherming Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming het geldend wettelijk kader wanneer het gaat om natuurbescherming. Deze wet heeft drie wetten vervangen, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, Boswet en de Flora- en faunawet. De Wet natuurbescherming heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijnen Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart te worden gebracht en te worden beoordeeld. Wanneer deze mogelijk een negatief effect hebben op beschermde natuur in een Natura 2000-gebied geldt een vergunningsplicht. Daarnaast is de specifieke soortenbescherming geëvalueerd en gemonitord. Op basis daarvan is de soortbescherming voor sommige soorten gewijzigd. Sommige soorten worden daardoor beter beschermd, andere soorten komen in een lager beschermingsregime of worden nieuw toegevoegd. De algemene zorgplicht blijft bestaan voor alle inheemse flora- en fauna. (Nieuwe) ontwikkelingen kunnen namelijk negatieve gevolgen hebben voor beschermde flora- en faunasoorten.
Bij negatieve effecten van ontwikkelingen kan onder andere gedacht worden aan: optische verstoring door het toevoegen van bebouwing, verlies van oppervlakte, verdroging of vernatting, vermesting en verzuring, verstoring door licht, geluid, trilling en dergelijke. Bij ruimtelijke planvorming is daarom een toetsing aan de natuurwetgeving verplicht. Natura 2000 Het plangebied is niet binnen een Natura 2000-gebied gelegen. Het dichtstbijzijnde Nederlandse Natura 2000-gebied betreft ‘de Maasduinen’. Dit gebied is gelegen op een afstand van circa 1,75 kilometer ten oosten van het plangebied. Daarnaast is op een afstand van circa 3,5 kilometer ten zuidwesten van het plangebied het Natura 2000gebied ‘Boschhuizerbergen’ gelegen. Gelet op de aard en omvang van de maximale ruimtelijke ontwikkelingen die de regels van het plan mogelijk maken, in relatie met de afstand tot Natura 2000-gebieden in de omgeving, zijn significante effecten voor die gebieden bij voorbaat uitgesloten. Hiermee vormt stikstof geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
43
5.3.2
Soortenbescherming De Wet natuurbescherming regelt de bescherming en instandhouding van planten- en diersoorten die in het wild voorkomen. Daarnaast dienen alle in het wild levende planten en dieren in principe met rust te worden gelaten. Eventuele schade aan in het wild levende planten en dieren dient beperkt te worden middels het nemen van mitigerende maatregelen. Als mitigatie niet voldoende is om schade te voorkomen is het verplicht de resterende schade te compenseren. Op 24 juli 2023 en 23 november 2023 is door Exlan een Quickscan Flora en Fauna uitgevoerd. Hieronder zijn de conclusies uit het onderzoek weergegeven. Voor het volledige onderzoeksrapport wordt verwezen naar bijlage V. Het voornemen zal naar verwachting geen negatief effect hebben op de staat van instandhouding van beschermde soorten. Binnen het plangebied zijn geen (verblijfplaatsen van) strikt beschermde soorten aangetroffen die door de werkzaamheden worden beïnvloed. Uit de effectenbeschrijving blijkt dat er geen onevenredige directe of indirecte gevolgen zijn van de voorgenomen activiteiten op de voortplanting en instandhouding van beschermde dier- en/of plantsoorten. Lokaal zullen mogelijk algemene soorten uit het plangebied trekken op zoek naar een vervangende biotoop. De voormalige bedrijfsgebouwen dienen bij voorkeur gesloopt te worden buiten het broedseizoen.
Voor aanvang van de werkzaamheden dient derhalve geen aanvullend onderzoek plaats te vinden. Een ontheffing met betrekking tot aantasting van beschermde soorten is niet nodig. De werkzaamheden kunnen leiden tot een beschadiging of vernietiging van mogelijke verblijfplaatsen en/of verstoring van eventueel aanwezige algemene soorten. Een algehele vrijstelling op basis van de Verordening natuurbescherming voor ruimtelijke ontwikkelingen is hierop van toepassing. De algemene zorgplicht blijft onverminderd van toepassing. Het aspect soortenbescherming vormt derhalve geen belemmering ten aanzien van onderhavige ontwikkeling.
5.4
Archeologie De Erfgoedwet is per 1 juli 2016 ingegaan. Deze wet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. In een bestemmingsplan of andersoortige planologische regeling dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. In dit plan dient aangetoond te worden dat de ontwikkeling geen negatieve effecten heeft op de archeologische en/of cultuurhistorische waarden. In deze toelichting is een splitsing gemaakt tussen archeologie en cultuurhistorie. Archeologie is in de bodem
44
aanwezig en is meestal niet beleefbaar, terwijl cultuurhistorie zichtbaar en beleefbaar is in de omgeving. In de volgende paragraaf wordt verder ingegaan op het aspect ‘landschap en cultuurhistorie’. Conform de gemeentelijke archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart is het plangebied gelegen binnen een gebied met een hoge archeologische verwachting (4) (figuur 18). Beleidslijn in de zone met een hoge archeologische verwachting is om het archeologisch erfgoed 'in situ' te bewaren. Als dit niet mogelijk is, wordt geadviseerd om vroegtijdig in de planvorming een archeologisch onderzoek in de vorm van een bureau- en inventariserend veldonderzoek (verkennende fase) te laten uitvoeren. Tijdens dit onderzoek zal informatie worden verzameld op basis waarvan belangenafweging en verdere besluitvorming kan plaatsvinden. Voor gebieden met een middelhoge of hoge archeologische verwachtingswaarde geldt een onderzoekplicht bij een verstoringsdiepte van meer dan 40 cm en een verstoringsoppervlakte van meer dan 250 m².
Figuur 18: Archeologische beleidskaart Bergen. Plangebied wit omcirkeld
Aangezien onderhavige ontwikkeling niet gepaard gaat met het toevoegen van nieuwe bebouwing met een grotere oppervlakte dan 250 m2, wordt de bodem niet dermate
45
verstoord dat de ontheffingsvrije voet wordt overschreden. Derhalve is het niet noodzakelijk om een archeologisch onderzoek uit te voeren. Het aspect archeologie vormt geen belemmering ten aanzien van onderhavige ontwikkeling.
5.5
Landschap en cultuurhistorie Met de komst van de Erfgoedwet is het verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en ensembles van een grotere schaal. Conform het vigerende bestemmingsplan is de bestaande boerderij aangeduid als karakteristiek. Dit houdt in dat de boerderij wordt gezien als herkenbaar, markant, wegens schoonheid en/of cultuurhistorische en/of architectonische waarde van belang. Op de cultuurhistorische/landschapskaart van de gemeente Bergen is de boerderij en het erf ook aangeduid als cultuurhistorisch waardevolle elementen, zie figuur 19.
Figuur 19: Cultuurhistorische/landschappelijke waardenkaart Bergen. Plangebied rood omcirkeld
De beoogde ontwikkeling houdt rekening met de aanwezige cultuurhistorische elementen. Door middel van het landschappelijk inpassingsplan en het terugbrengen
46
van historische elementen zoals de driesprong, worden deze elementen zelfs versterkt. Het toestaan van meerdere woonvormen zorgt er tevens voor dat er meer middelen beschikbaar zijn om in het onderhoud van het pand en erf te voorzien. Onderhavige ontwikkeling heeft een positief effect op het aspect cultuurhistorie. .
5.6
Verkeer Het toevoegen of veranderen van een functie heeft in veel gevallen een effect op het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen er optreden en of dit een effect heeft op het wegverkeer en het parkeren.
5.6.1
Mobiliteit In de huidige situatie zijn er al verkeersbewegingen afkomstig van het plangebied. Deze zijn weergegeven in onderstaande tabel. De kencijfers zijn afkomstig uit CROWpublicatie nummer 381 en gaan uit van een locatie in het buitengebied van een niet stedelijk gebied. Functie Hoekwoning Vakantie appartement Agrarisch bedrijf Totaal
Aantal/omvang 1 3
Kengetal 7,8 * 2,8 *
Verkeersbewegingen 7,8 8,4
1.135 m2
5,7 **
64,7 80,9
* verkeersbewegingen op basis van het aantal ** verkeersbewegingen per 100 m2 bvo De beoogde ontwikkeling ziet toe op de realisatie van drie nieuwe hoek/tussenwoningen, één geschakelde woning en één nieuwe vrijstaande woning en de omschakeling van de voormalige bedrijfswoning naar een burgerwoning. De verkeersbewegingen afkomstig van het agrarische bedrijf en de vakantie appartementen komen te vervallen. Het aantal verkeersbewegingen per etmaal in de beoogde situatie is weergegeven in onderstaande tabel. Functie Vakantie appartement Hoek-/tussenwoning Geschakelde woning Vrijstaande woning Totaal
Aantal 3
Kengetal 2,8
Verkeersbewegingen 7,8
1 1 1
7,8 * 8,2 * 8,6 *
7,8 8,2 8,6 32,4
Uit bovenstaande tabellen blijkt dat het aantal verkeersbewegingen afkomstig van het plangebied afneemt met maximaal 80,9 – 32,4 = 48,5 verkeersbewegingen per etmaal. De toegangsweg naar het plangebied bestaat uit een overzichtelijke rechte weg. Het is een smalle weg waar passeren niet overal goed mogelijk is. Op de plekken waar nu de inritten liggen voor de kuilvoerplaten is wel ruimte om elkaar te passeren. Deze inritten fungeren in dit geval als passeervak (figuur 20). Er is voldoende zicht om dit veilig te
47
kunnen doen. In de beoogde situatie blijven deze passeervakken behouden. Zodoende kan worden verondersteld dat de bestaande infrastructuur in de omgeving en ter plaatse van het plangebied in staat is dit aantal verkeersbewegingen te verwerken. Het aspect mobiliteit vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
Figuur 20: Passeervakken zichtbaar op de voorgrond.
5.6.2
Parkeren Parkeren zal plaatsvinden op eigen terrein. Conform de Nota parkeernormen Bergen, vastgesteld op 25 april 2023, geldt dat bij de toevoeging van een vrijstaande woning in het buitengebied uitgegaan moet worden van 2,4 parkeerplaatsen. Voor het toevoegen van een geschakelde woning moet worden uitgegaan van 2,2 parkeerplaatsen. Tevens moet er voor het toevoegen van de tussen-/hoekwoningen worden uitgegaan van 2,0 parkeerplaatsen. In de nota zijn geen specifieke kencijfers opgenomen voor de vakantiewoningen. Zodoende wordt aangesloten bij de kencijfers die gelden voor een bungalowpark. De geldende parkeernorm hiervoor is 2,1 parkeerplaats per huisje. Er is een gezamenlijke parkeerbehoefte van 2,4 + 2,2 + 2,0 + (2,1 x 3) = 12,9. Onderhavige ontwikkeling voorziet in de realisatie van 13 parkeerplaatsen. Er wordt zodoende voldaan aan het beleid uit de Nota parkeernormen van de gemeente Bergen. Het aspect parkeren vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
48
HOOFDSTUK
6 Uitvoerbaarheid
In dit hoofdstuk wordt de haalbaarheid van het bestemmingsplan aangetoond. De ontwikkeling moet zowel in financieel als in maatschappelijk opzicht haalbaar zijn.
6.1
Economische uitvoerbaarheid De kosten die gemaakt worden bij de uitvoering van de ontwikkeling zijn voor rekening van de initiatiefnemer. De initiatiefnemer beschikt over voldoende middelen om deze ontwikkeling mogelijk te maken. Wanneer een bouwplan, zoals gedefinieerd in artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro), mogelijk wordt gemaakt, dient conform artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening een exploitatieplan te worden opgesteld. Deze eis geldt niet indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd. Onderhavige ontwikkeling voldoet niet aan de kenmerken van een bouwplan zoals omschreven in het Bro. Derhalve hoeft geen exploitatieplan te worden opgesteld. Wel wordt een planschadeovereenkomst opgesteld tussen de gemeente en de initiatiefnemers.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid Omgevingsdialoog Vooruitlopend op de formele procedure heeft de initiatiefnemer zijn plannen kenbaar gemaakt aan de directe omgeving middels een omgevingsdialoog. Een verslag van de omgevingsdialoog is in bijlage VI opgenomen. In het kader van het herstelbesluit is de directe omgeving opnieuw geïnformeerd over de beoogde ontwikkeling. Ontwerp Het bestemmingsplan ‘Aijenseweg 7 Aijen’ is ingevolge artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening gedurende 6 weken ter visie gelegd, waarbij gelegenheid wordt geboden tot het indienen van zienswijzen. Tijdens de inzageperiode zijn twee zienswijzen tegen het ontwerpbestemmingsplan ingediend. De zienswijzen zijn afkomstig van de Gedeputeerde Staten van de provincie Limburg en Rijkswaterstaat. Naar aanleiding van de zienswijzen is het plan op diverse punten aangepast. Dit is nader toegelicht in de zienswijzennota (bijlage VII). Vaststelling Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal 6 weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Herstelbesluit artikel 6.19 Awb Bij besluit van 7 oktober 2025 is het bestemmingsplan ‘Aijenseweg 7 Aijen’ vastgesteld.
Met dit bestemmingsplan werd voor het reeds beëindigde agrarische bedrijf aan de Aijenseweg 7 een passende herbestemming geregeld. Deze herbestemming bestond
49
uit de sloop van een deel van de voormalige agrarische bebouwing, herbestemmen van de (voormalige) bedrijfswoning en het toevoegen van 5 woningen (1 vrijstaande woning en 4 aaneengebouwde woningen) in de resterende bestaande bebouwing. Tegen het vaststellingsbesluit is beroep aangetekend. Naar aanleiding van het beroep is gebleken dat het bestemmingsplan op een aantal punten aanpassing behoeft. Hiertoe is een herstelbesluit artikel 6:19 Awb genomen. De aanpassingen die in dit besluit zijn meegenomen zijn opgenomen in het raadsvoorstel t.b.v. deze gewijzigde vaststelling.
50