CConstaterende datBergen
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting herstelbesluit BP Aijenseweg 7 Aijen

Gemeenteraad 12 mei 2026, gemeente BergenBij agendapunt: Voorstel tot het opnieuw gewijzigd vaststellen van het bestemmingsplan Aijenseweg 7 Aijen;15.137 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Bestemmingsplan ‘Aijenseweg 7 Bergen’ NL.IMRO.0893.BP23015AI07BUI-VA02 Gemeente Bergen (L)

Colofon Toelichting: Aijenseweg 7 Bergen Rapportnummer: 2022.2353 Status: Vastgesteld Datum: 25 maart 2026 Projectlocatie Aijenseweg 7, 7a, 7b en 7c 5854 PS Bergen (L) Opdrachtnemer Reland Bezoekadres: Monseigneur Bekkersstraat 56

Hurksestraat 60

5846 AJ Ledeacker

5652 AL Eindhoven

Correspondentieadres: Postbus 186 5830 AD Boxmeer www.reland.nl Projectleiding Reland 085 043 1949 info@reland.nl

© maart 2026 Reland Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd door middel van druk, fotokopie, microfilm, geluidsband, elektronisch of op welke andere wijze dan ook, en evenmin in een geautomatiseerd gegevensbestand worden opgeslagen, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Reland. Aan de inhoud van dit rapport kunnen geen rechten worden ontleend. Reland verwerpt elke aansprakelijkheid voor een ander gebruik van deze tekst dan voor de situatie waarvoor deze wordt uitgebracht. De informatie in deze tekst is onder voorbehoud en kan worden veranderd zonder voorafgaande kennisgeving.

Inhoudsopgave HOOFDSTUK 1 Inleiding ...........................................................................................1 1.1

Algemeen ............................................................................................................. 1

1.2

Doel ...................................................................................................................... 2

1.3

Plangebied ........................................................................................................... 3

1.4

Leeswijzer ............................................................................................................ 3

HOOFDSTUK 2 Gebieds- en projectprofiel ................................................................4 2.2

Gebiedsprofiel ...................................................................................................... 4

2.3

Huidige situatie plangebied .................................................................................. 4

2.4

Bestemmingsplan ................................................................................................ 6

HOOFDSTUK 3 Planbeschrijving ...............................................................................7 3.1

Beoogde ontwikkeling .......................................................................................... 7

3.2

Landschappelijke inpassing ................................................................................. 8

HOOFDSTUK 4 Beleidskader ..................................................................................10 4.1

Rijksbeleid .......................................................................................................... 10

4.1.1

Nationale Omgevingsvisie (NOVI) .............................................................. 10

4.1.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening ............................................. 10

4.1.3

Ladder voor duurzame ontwikkeling ........................................................... 11

4.2

Provinciaal en Regionaal Beleid ........................................................................ 12

4.2.1

Provinciale Omgevingsvisie Limburg (POVI) .............................................. 12

4.2.2

Omgevingsverordening Limburg 2014 ........................................................ 16

4.2.3

Regionale Woonvisie Noord-Limburg .......................................................... 18

4.3

Gemeentelijk Beleid ........................................................................................... 19

4.3.1

Omgevingsvisie Bergen 2030 ...................................................................... 19

HOOFDSTUK 5 Omgevingsaspecten ......................................................................22 5.1

Milieu .................................................................................................................. 22

5.1.1

M.e.r. plicht .................................................................................................. 22

5.1.2

Bodem ......................................................................................................... 23

5.1.3

Lucht ............................................................................................................ 24

5.1.4

Geur ............................................................................................................ 25

5.1.5

Geluid .......................................................................................................... 27

5.1.6

Externe veiligheid ........................................................................................ 27

5.1.7

Bedrijven en milieuzonering ........................................................................ 31

5.1.8

Kabels, leidingen en hoogspanningslijnen .................................................. 32

5.1.9

Volksgezondheid ......................................................................................... 33

5.2

Water.................................................................................................................. 33

5.2.1

Beleidskader ................................................................................................ 34

5.2.2

Huidige waterhuishoudkundige situatie ...................................................... 39

5.2.3

Toekomstige waterhuishoudkundige situatie en waterbergingsopgave ..... 41

5.2.4

Conclusie ..................................................................................................... 43

5.3

Natuur ................................................................................................................ 43

5.3.1

Gebiedsbescherming .................................................................................. 43

5.3.2

Soortenbescherming ................................................................................... 44

5.4

Archeologie ........................................................................................................ 44

5.5

Landschap en cultuurhistorie ............................................................................. 46

5.6

Verkeer .............................................................................................................. 47

5.6.1

Mobiliteit ...................................................................................................... 47

5.6.2

Parkeren ...................................................................................................... 48

HOOFDSTUK 6 Uitvoerbaarheid..............................................................................49 6.1

Economische uitvoerbaarheid ........................................................................... 49

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid ..................................................................... 49

Bijlagen: Bijlage I: Bijlage II: Bijlage III: Bijlage IV: Bijlage V: Bijlage VI: Bijlage VII:

Landschappelijke inpassing Vooronderzoek bodem Verkennend bodemonderzoek Geuronderzoek Quickscan Flora en Fauna Omgevingsdialoog Raadsbesluit 7 okt. 2025 incl. zienswijzennota

HOOFDSTUK

1 Inleiding

In dit hoofdstuk wordt de aanleiding, het plangebied en de leeswijzer van voorliggende toelichting nader omschreven.

1.1

Algemeen Initiatiefnemers hadden een melkrundveehouderij en zijn woonachtig in de boerderij ‘De Vorsthof’ (1746) aan Aijenseweg 7, 7a, 7b en 7c te Aijen (ook wel het plangebied genoemd). Het plangebied is gelegen in het Maasdal. In dit gebied hebben de afgelopen jaren diverse ontwikkelingen plaatsgevonden die de mogelijkheden om een florerend melkrundveebedrijf te exploiteren bemoeilijken. Aangezien er geen opvolging is voor het bedrijf en het grondeigendom, als gevolg van het Zandmaasproject, is afgenomen, is besloten de agrarische bedrijfsactiviteiten te beëindigen. Initiatiefnemers zijn hierdoor al enige tijd zoekende naar een toekomstgerichte oplossing voor het plangebied. De initiatiefnemer beoogd om het agrarisch bedrijf definitief te beëindigen, de ligboxenstal (ca. 500 m2) volledig te amoveren en de bedrijfswoning om te schakelen naar een burgerwoning. Gezien de financiële consequenties die de beëindiging en sanering van het agrarisch bedrijf met zich meebrengt, is men op zoek gegaan naar financiële dragers voor een dergelijke ontwikkeling. Zodoende is het idee ontstaan om in de bestaande bedrijfsbebouwing 2 levensloopbestendige te realiseren. Daarnaast blijven de 3 bestaande vakantiewoningen behouden.

De voornaamste overwegingen om meerdere woonfuncties te realiseren binnen het plangebied zijn de nabije ligging tot de kern Aijen, de beperkte uitbreidingsmogelijkheden van de kern Aijen gezien de ligging in het rivierbed van de Maas, de wens om een bijdrage te leveren aan het verminderen van het woningtekort voor jongeren en ouderen, het verzamelen van voldoende middelen om de monumentale hoeve, bijbehorende gronden en erfgoedwaarden te versterken en onderhouden en het vinden van een financiële drager om de (gedeeltelijke) sloop van de voormalige bedrijfsbebouwing te financieren. Dit allen ingegeven omdat het voeren van een gezonde agrarische bedrijfsvoering op deze locatie niet meer mogelijk is. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is een principeverzoek ingediend bij de gemeente Bergen. De gemeente Bergen heeft het verzoek beoordeeld en op 5 juli 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders besloten om in principe medewerking te verlenen aan voorliggend initiatief. Dit is per brief van 12 juli 2022 (kenmerk RD/MB/B-WABO-VO-2021-0291) gedeeld met de initiatiefnemers. De beoogde ontwikkeling is niet rechtstreeks mogelijk op basis van het vigerende bestemmingsplan. Om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk. Voorliggend document betreft de toelichting bij dit bestemmingsplan.

1

Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet inwerking getreden. De Omgevingswet heeft de wet- en regelgeving die betrekking had op de fysieke leefomgeving gebundeld. Wetten en regels waar in voorliggende toelichting naar verwezen wordt zullen deels door inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn vervallen. De bepalingen uit de vervallen wetten en regels zijn deels terug te vinden in het Besluit activiteiten leefomgeving, het Besluit bouwwerken leefomgeving en het Omgevingsplan gemeente Bergen (L). De wet- en regelgeving van voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet is te raadplegen op www.wetten.nl door bij [regeling geldig op] ‘31 december 2023’ in te voeren. Voor onderhavig plan is voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet een ontwerpplan ter inzage gelegd. Ingevolgde artikel 4.6, tweede lid, sub a, onder 1, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft het oude recht van toepassing tot het plan van kracht is. Het plan wordt, zodra het van kracht is, ingevolge artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet onderdeel van het gemeentelijk omgevingsplan.

1.2

Doel Het doel van dit bestemmingsplan is om de herziening van de bestemming ter plaatse van het plangebied planologisch-juridisch te borgen. Daarnaast wordt middels voorliggende toelichting behorende bij het bestemmingsplan de ruimtelijke aanvaardbaarheid aangetoond.

2

1.3

Plangebied Het plangebied bestaat uit twee delen; een agrarisch perceel aan de noordzijde van Aijenseweg en een agrarisch bedrijf aan de zuidzijde van de Aijenseweg (figuur 1). Het agrarische perceel ligt binnen het perceel dat kadastraal bekend staat als gemeente Bergen Limburg, sectie T, perceelnummer 2954 en heeft een oppervlakte van circa 2.820 m2. Het agrarisch bedrijf ligt binnen de percelen die kadastraal bekend staan als gemeente Bergen Limburg, sectie T, perceelnummers 3191, 3192 en 3212 en heeft een oppervlakte van circa 8.900 m2.

Figuur 1: Kadastrale situatie met plangebied blauw omkaderd

1.4

Leeswijzer De toelichting van dit bestemmingsplan bestaat uit zes hoofdstukken. Na dit inleidende hoofdstuk volgt in hoofdstuk 2 het gebieds- en projectprofiel waarin de huidige situatie en de omgeving van het plangebied wordt beschreven. Hoofdstuk 3 betreft een beschrijving van de beoogde situatie. Hoofdstuk 4 geeft een beschrijving van het relevante beleid op Rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk niveau. Binnen hoofdstuk 5 wordt de toets aan de verschillende omgevingsaspecten weergegeven. Ten slotte wordt in hoofdstuk 6 de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan omschreven.

3

HOOFDSTUK

2 Gebieds- en projectprofiel

In dit hoofdstuk wordt een beschrijving gegeven van de huidige situatie van het plangebied en de omgeving van het plangebied.

2.2

Gebiedsprofiel Het plangebied is gelegen aan Aijenseweg 7, 7a, 7b en 7c te Aijen en maakt onderdeel uit van het buitengebied van gemeente Bergen (L). Het plangebied bevindt zich nabij de kern Aijen, welke op een afstand van circa 100 meter ten westen en 450 meter ten zuiden van het plangebied is gelegen (figuur 2). Verder ten westen van het plangebied is de Maas gelegen. Ten noorden en oosten van het plangebied zijn voornamelijk agrarische gronden gelegen met hier en daar een burgerwoning. De omgeving rond het plangebied kent hierdoor een vrij open structuur. Tenslotte is het plangebied buitendijks in het stroomvoerend rivierbed van de Maas gelegen.

Figuur 2: Omgeving van het plangebied, plangebied rood omcirkeld.

2.3

Huidige situatie plangebied De huidige situatie is weergegeven in figuur 3. In de huidige situatie is de initiatiefnemer woonachtig in de bedrijfswoning aan de Aijenseweg 7. De locatie is lokaal beter bekend als hoeve ‘de Vorsthof’ en is aangewezen als gemeentelijk monument.

4

Naast de monumentale bedrijfswoning zijn diverse voormalige agrarische bedrijfsgebouwen aanwezig. Deze gebouwen worden door het staken van de bedrijfsactiviteiten niet meer voor agrarische doeleinden gebruikt. Het over de tijd afbouwen en uiteindelijk staken van de agrarische bedrijfsactiviteiten is het gevolg van diverse gebiedsontwikkelingen die in het gebied plaats hebben gevonden. Als gevolg hiervan is het grondeigendom van het bedrijf significant afgenomen. Al met al was het op deze locatie niet mogelijk een gezonde agrarische bedrijfsvoering te voeren. Gezien deze ontwikkelingen is de initiatiefnemer opzoek gegaan naar alternatieve inkomstenbronnen. Zodoende zijn drie vakantiewoningen (Aijenseweg 7a, 7b en 7c) gerealiseerd in de voormalige bedrijfsbebouwing die loodrecht aan de bedrijfswoning is gesitueerd. Deze worden aan toeristen verhuurd. De vakantiewoningen zijn vergund door de gemeente Bergen en Rijkswaterstaat. Op het perceel zijn naast de woning en de vakantie appartementen diverse voormalige agrarische bedrijfsgebouwen aanwezig. De voormalige bedrijfsgebouwen bestaan uit een machineberging en twee ligboxenstallen. Deze hebben een gezamenlijke oppervlakte van circa 1.135 m2. In beide stallen zijn momenteel geen dieren meer aanwezig. Ten westen van de ligboxenstal is een nutsvoorziening aanwezig. Tenslotte is er binnen het plangebied een tuinkamer aanwezig.

Ter plaatse van het westelijke deel van het plangebied is een schuurtje van circa 45 m2 aanwezig. Tevens zijn daar voorzieningen aanwezig voor de opslag van voer (kuilvoerplaat). De overige gronden binnen het plangebied bestaan uit verharding, tuin en agrarische productiegrond die in gebruik is ten behoeve van akkerbouwactiviteiten. In figuur 3 is het plangebied in de huidige situatie weergegeven.

Figuur 3: Huidige situatie binnen het plangebied

5

2.4

Bestemmingsplan Ter hoogte van het plangebied zijn de bestemmingsplannen ‘Buitengebied 2018’, vastgesteld op 12 november 2019, en ‘Buitengebied 2018, 1e herziening’, vastgesteld op 13 december 2022, vigerend. Conform deze bestemmingsplannen kent (een gedeelte van) het plangebied de enkelbestemming ‘Agrarisch met waarden’ en de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 4’, ‘Waterstaat – Stroomvoerend rivierbed’ en ‘Waterstaat – Waterkering’ (zie figuur 3). Daarnaast is er een bouwvlak aanwezig. Dit bouwvlak bestaat uit twee delen met een relatie ertussen. Tenslotte zijn er een aantal aanduidingen van toepassing binnen het plangebied: - Functieaanduiding: erf; - Functieaanduiding: ‘caravanstalling’; - Functieaanduiding: ‘Specifieke vorm van agrarisch met waarden – 3 vakantiewoningen toegestaan’; - Bouwaanduiding: ‘karakteristiek’. In het vigerende bestemmingsplan zijn geen wijzigingsbevoegdheden opgenomen die onderhavige ontwikkeling mogelijk maken. Derhalve is ervoor gekozen om een bestemmingsplanprocedure te doorlopen. Om onderhavige ontwikkeling mogelijk te maken wordt het bestemmingsplan ter hoogte van het plangebied herzien.

Figuur 4: Uitsnede vigerend bestemmingsplan

6

HOOFDSTUK

3 Planbeschrijving

In dit hoofdstuk wordt de beoogde ontwikkeling toegelicht. In zowel functionele als ruimtelijke zin wordt beschreven wat de ontwikkeling inhoudt, hoe deze gevormd is en zich verhoudt tot de omgeving.

3.1

Beoogde ontwikkeling Aangezien er binnen het plangebied geen agrarische activiteiten meer plaatsvinden zijn de initiatiefnemers op zoek gegaan naar nieuwe mogelijkheden voor deze locatie. De initiatiefnemers hebben de wens om binnen de bestaande bebouwing van de boerderij ‘De Vorsthof’ twee nieuwe wooneenheden te realiseren. Concreet wordt de bestaande bedrijfswoning omgezet naar burgerwoning (1, figuur 5), blijven de bestaande vakantiewoningen behouden (2, 3 en 4) en worden in de voormalige bedrijfsgebouwen twee levensloopbestendige toegevoegd (5 en 6). Om in de parkeerbehoefte te voorzien worden er 13 parkeerplaatsen binnen het plangebied aangelegd.

Figuur 5: Beoogde situatie oostelijk gedeelte van het plangebied

Ten behoeve van deze transformatie wordt de bestaande ligboxenstal met een oppervlakte van circa 500 m2 gesloopt. Tevens wordt de kuilvoerplaat en het schuurtje op het westelijke gedeelte van het plangebied gesaneerd. De te slopen bebouwing is weergegeven in figuur 6. De aanwezige nutsvoorziening ten westen van de toekomstige vrijstaande woning blijft behouden.

7

Figuur 6: Te saneren bebouwing en verharding

Om onderhavige ontwikkeling mogelijk te maken wordt onder andere de huidige bestemming ‘Agrarisch met waarden’ gedeeltelijk herzien naar de bestemmingen ‘Tuin’ en ‘Wonen’. Ten aanzien van de nutsvoorziening wordt de bestemming ‘Bedrijf – Nutsvoorziening’ opgenomen.

3.2

Landschappelijke inpassing De ontwikkeling zoals hiervoor beschreven wordt landschappelijk ingepast in de omgeving. Hiervoor is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Onderstaand worden de belangrijkste punten uit het landschappelijke inpassingsplan aangehaald. Voor de volledige rapportage en een visuele weergave wordt verwezen naar bijlage I. De visie is om vanuit de nieuwe situatie met het bestaande groen het landschappelijke decor te vervolmaken in een landelijke sfeer. Hierbij is het authentieke landschap een mooie basis en kijkend naar een groter geheel in het landschap. De nieuwe situatie is een woonboerderij met meerdere (recreatie)wooneenheden, welke in een decor van een boerenerf in het landschap liggen. Door een opsplitsing te maken tussen de tuinerf-landschap kun je naast landschap, cultuurhistorie ook door middel van het toevoegen van biodiversiteit een meerwaarde bieden. Vanuit het verleden was het erf Vorsthof gelegen op een driesplitsing aan de voet van de dijk (figuur 7). In de nieuwe situatie kan deze driesplitsing weer terugkomen. Met dit als hoofdstructuur en de bebouwing die wordt omkaderd met een haag en bomen, ontstaat een boerenerf zoals voorheen aanwezig. Met de bomenrij langs de wegen wordt de hoofdstructuur geaccentueerd. De invulling met hagen en fruitbomen geven het erf een aankleding en mooie doorzichten en openheid naar de omgeving.

De verdere tuininrichting met hagen geeft een meer cultuurlijkere schil rond de directe

8

bebouwing en biedt privacy voor de verschillende wooneenheden. De overgang naar omliggende open landschap met grasweide, boomweide en de knotbomenrij maakt het tot een halfopen ingekleed geheel. Met het juiste beheer vormt het een oase voor vele flora en fauna.

Figuur 7: Uitsnede van historische kaart waarop de driesplitsing duidelijk herkenbaar is.

Het landschappelijk inpassingsplan is reeds besproken met Rijkswaterstaat en het Waterschap aangezien het plangebied is gelegen binnen het ‘stroomvoerend regime’. Op basis hiervan is het landschappelijk inpassingsplan op enkele punten nog aangepast. Voor de beoogde opzet zijn er vanuit rivierkundig oogpunt geen bezwaren.

Figuur 8: Landschappelijk inpassingsplan

9

HOOFDSTUK

4 Beleidskader

In dit hoofdstuk wordt het beleidskader op rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau nader toegelicht.

4.1

Rijksbeleid

4.1.1

Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) naar de Tweede Kamer gestuurd. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan grote opgaven waardoor Nederland de komen 30 jaar verandert. Nederland staat voor een aantal urgente maatschappelijke opgaven, die zowel lokaal als regionaal, nationaal en internationaal spelen. Grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland flink veranderen. Deze opgaven worden benut om vooruit te komen en tegelijkertijd het mooie van Nederland te behouden voor de toekomstige generaties. De NOVI biedt perspectief om deze grote opgaven aan te pakken, om samen Nederland mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. Omgevingskwaliteit is het kernbegrip: dat wil zeggen ruimtelijke kwaliteit én milieukwaliteit. Met inachtneming van maatschappelijke waarden en inhoudelijke normen voor bijvoorbeeld gezondheid, veiligheid en milieu. In dat samenspel van normen, waarden en collectieve ambities, stuurt de NOVI op samenwerking tussen alle betrokken partijen. Bij kleinschalige ontwikkelingen op lokaal niveau dient rekening gehouden te worden met een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving.

Wanneer aan deze voorwaarden wordt voldaan is een kleinschalig initiatief passend binnen de nationale omgevingsvisie NOVI. Uit hoofdstuk 5 blijkt dat de genoemde omgevingsaspecten geen belemmering vormen voor het planvoornemen. Er bestaan vanuit de Nationale omgevingsvisie NOVI geen belemmeringen voor het initiatief.

4.1.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van bestemmingsplannen voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. Het Barro voorziet zo in de juridische borging van het nationaal ruimtelijk beleid. Het bevat regels die de beleidsruimte van andere overheden ten aanzien van de inhoud van ruimtelijke plannen inperken, daar waar nationale belangen dat noodzakelijk maken. De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over bestemmingsplannen moeten de regels worden gerespecteerd. Het merendeel van de regels legt beperkingen op, daarin is een gradatie te onderkennen. Deze zijn geformuleerd als een 'ja-mits', een 'ja, voor zover', een 'nee-tenzij', een 'nee-als' of een stringente 'nee' bepaling.

10

Doordat het plangebied is gelegen binnen de begrenzing van het rivierbed van de Maas, is het Rijksbelang ‘Grote rivieren’ relevant. In artikel 2.4 van het Barro is de ruimtelijke doorwerking van de Beleidslijn grote rivieren en het Nationaal Waterplan (voor zover het gebieden betreft die daarin worden gereserveerd voor mogelijke toekomstige rivierverruimende maatregelen) geregeld. De artikelen 2.4.1. t/m 2.4.5 Barro stellen algemene eisen aan de inhoud van nieuwe bestemmingsplannen die betrekking hebben op gronden die in het rivierbed zijn gelegen met als doel te voorkomen dat plannen worden ontwikkeld die een bedreiging vormen voor de waterafvoer of die vergroting van de afvoercapaciteit feitelijk kunnen belemmeren. Met onderhavige ontwikkeling neemt de totale oppervlakte aan bebouwing binnen het plangebied af. Er is derhalve geen sprake van een belemmering van de afvoercapaciteit van de rivier. Dit is reeds afgestemd met Rijkswaterstaat. Daarnaast vindt de functieverandering (grotendeels) plaats binnen de bestaande bebouwing. Derhalve wordt voldaan aan de voorwaarden uit artikel 2.4 van het Barro. Ter bescherming van de afvoercapaciteit in de toekomst wordt in onderhavig bestemmingsplan (conform het bestaande bestemmingsplan) de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Stroomvoerend rivierbed’ opgenomen. Het Barro is dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.1.3

Ladder voor duurzame ontwikkeling De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instrument voor efficiënt ruimtegebruik, met een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt. Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt. Deze systematiek is opgenomen in artikel 3.1.6 Bro. De Ladder voor duurzame verstedelijking is in principe een uitwerking van Nationaal belang 4, efficiënt gebruik van de ondergrond, oftewel zorgvuldig ruimtegebruik. De Ladder is ervoor bedoeld dat zorgvuldig wordt nagedacht over nieuwe ontwikkelingen en de plek van de nieuwe ontwikkeling. Zo gaat bijvoorbeeld inbreiding voor uitbreiding. Voor nieuwe stedelijke functies geldt daarom dat de Ladder doorlopen dient te worden om te bepalen of sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik. In eerste instantie is het van belang om te bepalen of sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Jurisprudentie heeft ervoor gezorgd dat dit begrip steeds verder gedefinieerd werd en in sommige gevallen zelfs kwantitatief is. Voor woningbouw geldt dat het niet nodig is om de Ladder te doorlopen, wanneer er sprake is van de ontwikkeling van 11 of minder woningen en het dus geen stedelijke ontwikkeling betreft.

Binnen de beoogde ontwikkeling worden slechts twee wooneenheden toegevoegd, waardoor dit geen stedelijke ontwikkeling betreft. De Ladder voor duurzame verstedelijking is daarom niet relevant voor dit plan.

11

4.2

Provinciaal en Regionaal Beleid

4.2.1

Provinciale Omgevingsvisie Limburg (POVI) Op 1 oktober 2021 is de Provinciale Omgevingsvisie Limburg vastgesteld. Deze visie bouwt deels voort op eerder gemaakte beleidskeuzes uit het Provinciaal Omgevingsplan (POL2014) en op andere onderdelen zijn er nieuwe keuzes gemaakt. In de Omgevingsvisie Limburg wordt de lange termijnvisie tot 2030-2050 uitgewerkt en wordt richting gegeven aan toekomstbestendige ontwikkelingen. Hierbij wordt steeds de balans tussen het beschermen én benutten van de fysieke leefomgeving gezocht. In de provinciale omgevingsvisie zijn diverse provinciale belangen opgenomen. De provincie Limburg heeft, in haar zienswijze, te kennen gegeven dat de volgende provinciale belangen relevant zijn voor onderhavige ontwikkeling: - Wonen: Een woningaanbod/ planvoorraad waarbij vraag en aanbod in evenwicht zijn, in kwalitatief en kwantitatief opzicht. Derhalve voldoende (betaalbare) woningen van de juiste kwaliteit op de juiste plek op het juiste moment beschikbaar. - Water: Een integrale en realistische benadering van hoogwaterbescherming, wateroverlast, watertekort, verdroging en de verbetering van de waterkwaliteit in het gehele stroomgebied van de Maas. En een ecologisch gezond, veerkrachtig en adaptief watersysteem om weersextremen zoveel mogelijk op een natuurlijke wijze op te vangen.

- Natuur: Het in stand houden en waar mogelijk versterken van de biodiversiteit. Aanvullend op bovenstaande belangen kan ook worden gesteld dat onderstaande provinciale belangen van toepassing zijn op onderhavige ontwikkeling: - Landschap: Het behouden en versterken van kenmerkende kwaliteiten en afwisseling van het Limburgse landschap, waaronder de groenblauwe mantel, (verbrede) Nationale Parken, Nationaal Landschap-Zuid Limburg en stadlandzones. - Gezondheid en veiligheid: Een gezonde en veilige leefomgeving voor iedere Limburg. - Cultureel erfgoed: Het behoud en (her)gebruik van cultureel erfgoed en monumenten in hun omgeving (erfgoedensembles). - Land- en tuinbouw: Een betekenisvolle transitie in de agrofoodsector. Wonen Limburg kent een relatief oude, incourante woning- en planvoorraad. Het toekomstgeschikt maken van deze woningen is een grote opgave. Deze woningen voldoen niet aan de huidige (en toekomstige) vraag. Zodoende is er een grote vraag naar woningen in specifieke sectoren, waaronder woningen voor ouderen en starters. Om aan het provinciaal belang ‘realiseren van een woningaanbod waarbij vraag en aanbod in evenwicht zijn’ te kunnen realiseren dienen voornamelijk woningen die geschikt zijn voor deze specifieke doelgroepen te worden gerealiseerd.

12

De provincie Limburg bekijkt woningbouwontwikkelingen vanuit een brede maatschappelijke context. Dit vraagt een integrale aanpak van locaties en gebieden in de vorm van, onder andere, transformatie/herbestemmingen in centra, buurten, wijken, dorpen en het buitengebied. De provincie houdt rekening met samenhangende belangen zoals leegstand bij detailhandel, kantoren, maatschappelijk vastgoed, monumenten, etc. De provincie Limburg vindt verder dat eerst de kwaliteit van het feitelijk bestaand bebouwd gebied op orde moet worden gemaakt. Dat betekent dat eerst leegstaand vastgoed hergebruikt en herbestemd wordt in lijn met de Limburgse principes. Wonen is in beginsel alleen maar toegestaan in bestaand bebouwd gebied. Hierop kunnen uitzonderingen worden gemaakt in de vorm van flexibele woonvormen of het herbestemmen van monumentale bebouwing in het buitengebied. Veiligheid en gezondheid Gezondheid wordt voor een deel beïnvloed door omgevings- en milieukwaliteit. Denk aan de luchtkwaliteit, geuroverlast en geluidhinder rondom industrie, wegen of veehouderijen. Dit laatste speelt met name in Noord- en Midden-Limburg. Een gezonde leefomgeving heeft een positieve invloed op gezondheid. Erfgoed Door transities in de fysieke leefomgeving kan benutting van cultureel erfgoed houvast bieden.

Oók in landelijke gebieden waar door demografische ontwikkelingen leegstand en verloedering van monumentale panden dreigt. Gebiedskenmerken en lessen uit het verleden kunnen inspiratie bieden om oude waarden een plek te geven in de leefomgeving van de toekomst. Limburg kent een diversiteit aan cultureel erfgoed, zoals de historische cultuurlandschappen, kastelen en boerderijen, industrieel en religieus erfgoed. Daarnaast zijn in Limburg veel archeologische waarden aanwezig. Samen vormen zij de biografie van onze leefomgeving. Het is van belang dat de (eigentijdse) Rijks- of gemeentelijk beschermde monumenten hergebruikt worden. Zo kunnen we het verhaal doorvertellen en verbindt het hergebruik de inwoners met hun omgeving. Bij herbestemming is het van belang om het monument als ensemble te behouden, inclusief zijn historische inbedding in het landschap. Het is voor heel Limburg een generieke opgave om de historische gelaagdheid van het landschap te behouden en dit te benutten bij het ontwerpen van opgaven en transities. De provincie Limburg zet zich in voor het herbestemmen van zowel religieuze als nietreligieuze beschermde monumenten om zo dat deel van ons Limburgs erfgoed te behouden. Land- en tuinbouw Er was en is veel aandacht voor de leefkwaliteit rondom (intensieve) veehouderijen en overige land- en tuinbouwbedrijven.

Geuroverlast, fijnstof, ammoniakemissie en mogelijke gezondheidsrisico’s zorgen voor maatschappelijke onrust. Ook de belasting op natuurgebieden door onder andere stikstofdepositie, vraagt om maatregelen.

13

Het landelijk gebied is steeds minder een productieruimte en steeds meer een consumptieruimte waar gewoond, gewerkt en gerecreëerd wordt. Deze verwevenheid vraagt maatregelen om de omgevingskwaliteit te verbeteren en ruimtelijke keuzes over vestiging, uitbreiding, herbestemming en sanering van leegstaand agrarisch vastgoed. Water Het hoogwaterveiligheidsbeleid voor de Limburgse Maas kent een aantal uitdagingen; de impact van maatregelen op het bestaande Maaslandschap is vaak groot en de kosten zijn zeer hoog. Natuur De natuur is niet vanzelfsprekend. Door de hoge bevolkingsdichtheid, vergaande verstedelijking, het intensief landgebruik en de daarmee gepaard gaande emissies, versnippering, verdroging en verstoring komen de natuur en de biodiversiteit steeds meer onder druk te staan. De afname van biodiversiteit is groot, vooral in het landelijk gebied buiten de natuurgebieden. Voor het behouden en herstellen van natuur en biodiversiteit is ruimte en robuustheid nodig. Daarmee concurreert natuur met de toenemende ruimtevraag vanuit andere functies zoals landbouw, wonen, energieopwekking, economie en recreatie. Het streven van de provincie Limburg is de biodiversiteit in stand houden en waar mogelijk versterken door het realiseren van een robuust grensoverschrijdend natuuren waternetwerk van goede kwaliteit én door het realiseren van een groen dooraderd landelijk gebied.

Landschap Limburg is een groene provincie met karakteristieke landschappen. Aantrekkelijke natuurgebieden worden afgewisseld met dorpskernen en grondgebonden landbouw. Het landschap was van oudsher dooraderd met hagen, houtkanten, beekjes, poelen en andere cultuurhistorische elementen. Echter, in de afgelopen decennia is het landgebruik in Limburg ingrijpend veranderd, net als elders in Nederland. Hierdoor is het unieke karakter van het Limburgse landschap onder druk komen te staan. Ook in het licht van een aantal grote maatschappelijke opgaven is het behoud en de ontwikkeling van dit landschap in de toekomst niet vanzelfsprekend. De opgave is om de beoogde transities te benutten voor een ruimtelijke kwaliteitsimpuls en het landschap voor bewoners en bezoekers beter beleefbaar te maken. Een generieke opgave voor heel Limburg is hierbij het behoud, beheer, ontwikkeling en beleving van de landschappelijke, cultuurhistorische, natuurlijke en waterhuishoudkundige kernkwaliteiten van het landschap. Toetsing initiatief Onderhavige ontwikkeling ziet toe op de herontwikkeling van de monumentale boerderij ‘de Vorsthof’. Het bestaande agrarische bouwvlak en bijbehorende bouw- en gebruiksmogelijkheden komen te vervallen. Tevens wordt een deel van de agrarische bedrijfsbebouwing gesaneerd.

14

Het beëindigen van de agrarische bedrijfsactiviteiten houdt in dat bijbehorende emissies van stikstof, ammoniak geur, en (fijn)stof komen te vervallen. Dit heeft een gunstig effect op de doelstellingen die de provincie stelt ten aanzien van natuur, water, de toekomstige ontwikkeling van de agrofoodsector en de gezondheid van burgers. Het verminderen van de emissies zorgt immers voor een afname van de hoeveelheid stikstof die in natuurgebieden terecht komt. Dit zal ervoor zorgen dat de kwaliteit van het natuurgebied verbeterd kan worden. Op termijn biedt een dalende stikstofuitstoot ook ruimte voor de transitie en mogelijke groei van toekomstbestendige ondernemingen in de agrofoodsector. Tevens heeft een afname van emissies, gezien de nabije ligging ten opzichte van de kern Aijen, een positief effect op de gezondheid van de inwoners. Daarnaast levert deze ontwikkeling door een reductie van de bouwmogelijkheden en de sloop van bebouwing een positieve bijdrage aan de stroomvoerende functie binnen het rivierbed van de Maas. Onderdeel van het toekomstbestendig maken van de agrofoodsector is ook het beëindigen van bedrijven die door hun ligging en de verwevenheid met de omgeving niet kunnen voortbestaan. Het toekennen van een nieuwe passende functie is dan van belang. In de beoogde situatie worden twee levensloopbestendige woningen toegevoegd.

Tevens wordt de bestaande bedrijfswoning omgezet naar burgerwoning. De nieuwe woningen passen binnen de vraag naar woningen die specifiek geschikt zijn voor ouderen. Het toevoegen van deze woningen heeft zodoende een positief effect op het in balans brengen van vraag en aanbod op de woningmarkt. De unieke woonvorm (combinatie van levensloopbestendige woningen in een landelijke setting, nabij een bestaande woonkern) biedt mensen de kans om in een unieke woonomgeving die past bij hun levensfase te kunnen wonen. Deze herontwikkeling is des te belangrijk aangezien de kern Aijen, gezien de ligging ten opzichte van de Maas, nauwelijks tot geen uitbreidingsmogelijkheden kent. Gezien de korte afstand ten opzichte van het dorp, beperkingen door de ligging in het rivierbed van de Maas en de behoefte aan andere type woonvormen biedt dit plan interessante kansen voor herontwikkeling van de locatie. Hierbij is meegewogen dat de bestaande bedrijfswoning is aangeduid als gemeentelijk monument. Conform de omgevingsvisie is het van belang om bij transities monumentale panden te behouden. Het behoud is niet gelimiteerd tot enkel het monumentale pand, maar ook het ensemble en inbedding in het landschap dient behouden te blijven. Met onderhavige ontwikkeling wordt een nieuwe gebruiksfunctie gegeven aan een bestaand boerenerf.

Historische elementen, zoals de voormalige weg en gebiedseigen erfbeplanting, worden in ere hersteld. De belevening van het voormalige boerenerf blijft zodoende in stand. Naast het terugbrengen van historische elementen heeft de landschappelijke inpassing die is opgesteld ten behoeve van de uitvoering van dit plan een positieve invloed op de landschappelijke en ecologische waarden van het gebied.

15

De provincie Limburg bekijkt woningbouwontwikkelingen vanuit een brede maatschappelijke context. Er wordt vanuit dit perspectief veel belang gehecht aan een integrale aanpak. Aangezien onderhavige ontwikkeling bijdraagt aan het realiseren van een evenwichtig aanbod van woningen, het realiseren van een gezonde leefomgeving, voorziet in het hergebruik van cultureel erfgoed, het realiseren van een betekenisvolle transitie in de agrofoodsector, een veerkrachtig en adaptief watersysteem, het versterken van de biodiversiteit en het behouden en versterken van het Limburgse landschap wordt gesteld dat, wanneer het plan integraal wordt bekeken, het voldoet aan de Limburgse omgevingsvisie.

4.2.2

Omgevingsverordening Limburg 2014 Gelijktijdig met het Provinciaal Omgevingsplan 2014 (POL2014) is de Omgevingsverordening Limburg 2014 vastgesteld. Daarin is de juridische doorwerking van het omgevingsbeleid uit het POL2014 verankerd. Hoewel in oktober 2021 inmiddels de nieuwe Omgevingsvisie Limburg is vastgesteld en voorsorterend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet ook al de nieuwe Omgevingsverordening Limburg (2021) is vastgesteld, geldt vooralsnog de Omgevingsverordening Limburg 2014. De nieuwe verordening treedt pas in werking na bekendmaking, hetgeen wordt gekoppeld aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Op dat moment vervalt de Omgevingsverordening Limburg 2014. De Omgevingsverordening Limburg 2014 is voor het laatst gewijzigd en geconsolideerd op 16 december 2022. Conform de gebiedsindeling van de omgevingsverordening ligt het plangebied in het Landelijk gebied en de Bronsgroene landschapszone. Landelijk gebied In het hoofdstuk Ruimte zijn voor een beperkt aantal onderdelen van het provinciale beleid regels opgenomen. In de verordening is onder andere bepaald dat nieuwe stedelijke ontwikkelingen in beginsel een plaats moeten krijgen binnen het bestaande stedelijk gebied (overeenkomstig de Ladder voor duurzame verstedelijking).

Zoals blijkt uit de toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking is er geen sprake van een stedelijke ontwikkeling, gezien de kleinschaligheid van de beoogde ontwikkeling. Daarnaast neemt het bebouwd oppervlak op de locatie af en wordt verpaupering en leegstand van een agrarisch bedrijf voorkomen. Hierdoor draagt de beoogde ontwikkeling bij aan de doelstellingen van het provinciale beleid (o.a. voorkomen leegstand en verpaupering) en is onderhavige ontwikkeling passend binnen de regels die gelden voor het Landelijk gebied. Bronsgroene landschapszone In het hoofdstuk Ruimte zijn tevens regels opgenomen waar ontwikkelingen in de bronsgroene landschapszone aan moeten voldoen. Een ruimtelijk plan dient te voorzien in een beschrijving van de kernkwaliteiten die binnen het plangebied voorkomen, de wijze waarop deze kernkwaliteiten beschermd, dan wel versterkt worden en hoe negatieve effecten worden gecompenseerd. In algemene zin zijn de kernkwaliteiten binnen de bronsgroene landschapszone het groene karakter, het visueel-ruimtelijk karakter, het cultuurhistorisch erfgoed en het reliëf. Meer specifiek ligt het plangebied

16

in het rivierdal (figuur 9). Het rivierdal kent een half open karakter en de randen van de open gebieden worden bepaald door groene elementen. Rondom het plangebied zien we dit karakter ook terug. Rondom het plangebied zijn namelijk veel open akkers aanwezig. Deze open akkers worden middels groene erfafscheidingen gescheiden van de aanwezige bebouwing. Daarnaast is er een weg die ouder is dan 1806 binnen het plangebied aanwezig.

Figuur 9: Uitsnede Kwaliteitskaart landschap met plangebied rood omcirkeld

Onderhavige ontwikkeling wordt middels een landschappelijk inpassingsplan ingepast in de omgeving. Een belangrijk deel van deze inpassing is het in ere herstellen van de oude weg die door het plangebied loopt. Daarnaast wordt ingezet op het aanbrengen van streekeigen erfbeplanting. Conform de kaart ‘kwaliteitsimpuls’ uit het Landschapskader Noord- en Midden-Limburg blijkt dat het versterken van gebiedseigen erfbeplanting een van de speerpunten in dit gebied is (figuur 10). De landschappelijke inpassing, waarbij gebiedseigen beplanting wordt toegevoegd, is zodoende passend in de beoogde ontwikkeling van het landschap in dit gebied. Daarnaast vindt er geen verdere verstening van het plangebied plaats. Op deze wijze wordt er met onderhavige ontwikkeling geen schade aangebracht aan de kernkwaliteiten van het gebied. Onderhavige ontwikkeling is derhalve passend in de regels omtrent de bronsgroene landschapszone.

17

Figuur 10: Uitsnede kaart Kwaliteitsimpuls landschap. Plangebied rood omcirkeld

Gezien het bovenstaande is onderhavige ontwikkeling passend binnen de regels die worden gesteld in de Omgevingsverordening 2014.

4.2.3

Regionale Woonvisie Noord-Limburg De Regionale Woonvisie Noord-Limburg, zoals vastgesteld op 20 oktober 2020, betreft een visie waarmee verschillende gemeenten, waaronder gemeente Bergen, sturing geven aan de regionale woningmarkt. Deze visie vervangt de Regionale Structuurvisie Wonen uit 2016. In deze geactualiseerde visie wordt teruggekeken op de vorige structuurvisie en is bekeken wat meegenomen wordt naar de huidige visie. Zo blijft de regio inzetten op de samenwerking en afstemming met haar partners (corporaties, huurderbelangenverenigingen, ontwikkelaars, makelaars, zorginstellingen etc.). Uit de analyse van de trends en ontwikkelingen zijn twee belangrijke opgaven voor de periode 2020-2024 naar voren gekomen: - Mismatch van woningbehoefte en woningvoorraad, zowel bestaande woningvoorraad als nieuwbouw; - Zoektocht om alle doelgroepen een plek te geven binnen onze woningmarkt. Doordat er verschuivingen plaatsvinden in de demografische samenstelling van de bevolking van Noord-Limburg, verandert ook de kwalitatieve woonbehoefte. Door de veranderende samenstelling van huishoudens ontstaat een stijgende woonbehoefte aan nultredenwoningen en appartementen. Door in te zetten op de juiste kwaliteit woningen, wordt er geprobeerd om de langste keten op het gebied van doorstroming

18

op de woningmarkt te creëren. De Regionale woonvisie hanteert een aantal uitgangspunten voor de kwalitatieve richtlijn: • Toevoegen van woningen in principe alleen in de kernen; • Creëren van koppelkansen; • Toevoegen van woningen leidt niet tot het vergroten van het kwetsbare woningoverschot; • Het type toe te voegen woning moet passen binnen de kwalitatieve behoefte; • Het nastreven van sociaal duurzame woonconcepten; • Het aansluiting zoeken op de duurzaamheidsdoelen die landelijk, regionaal en lokaal gesteld zijn. Met de beoogde ontwikkeling wordt binnen een historisch boerenerf een nieuw woonconcept ontwikkeld. Het woonconcept bestaat uit de bestaande bedrijfswoning die wordt omgezet naar een burgerwoning en twee nieuwe levensloopbestendige woningen. Met deze ontwikkeling is sprake van diverse koppelkansen. Zo blijft de bestaande monumentale bedrijfswoning behouden, ontstaat ruimte om te investeren in het terugbrengen van historische elementen van het boerenerf, wordt het geheel landschappelijk ingepast en wordt een bijdrage geleverd aan de gezondheid van de omgeving middels het beëindigen van het huidige agrarische bedrijf. Uit de woonvisie blijkt dat er vooral behoefte is aan woningen die geschikt zijn voor ouderen en starters. Met onderhavige ontwikkeling worden twee levensloopbestendige woningen toegevoegd.

De toe te voegen woningen passen dan ook in de kwalitatieve behoefte. Gezien het bovenstaande sluit de ontwikkeling aan bij de uitgangspunten van de Regionale Woonvisie Noord-Limburg.

4.3

Gemeentelijk Beleid

4.3.1

Omgevingsvisie Bergen 2030 Op 23 april 2019 heeft de gemeenteraad van de gemeente Bergen de ‘Omgevingsvisie Bergen 2030’ vastgesteld. Deze visie bepaalt in welke richting de gemeente zich wil ontwikkelen. De Omgevingsvisie heeft betrekking op het hele grondgebied van de gemeente Bergen, met uitzondering van het gebied Wells Meer. Concrete aanvragen van overheden, organisaties, ondernemers en burgers toetst de gemeente aan de tien navolgende uitgangspunten uit deze visie: 1. Waterbeheer op maat; 2. Voorzieningen bereikbaar houden; 3. Verder bouwen aan een gezonde leefomgeving; 4. Energie onafhankelijk in 2030; 5. Woningvoorraad op maat; 6. Versterken natuurwaarden en biodiversiteit; 7. De meest toekomstbestendige gemeente; 8. Leefklimaat in de dorpen verbeteren; 9. Landschap en landbouw in balans;

19

10. Kwaliteitsslag en zonering recreatievoorzieningen. De beoogde ontwikkeling sluit aan bij de uitgangspunten woningvoorraad op maat, versterken natuurwaarden en biodiversiteit, verder bouwen aan een gezonde leefomgeving, waterbeheer op maat, de meest toekomstbestendige gemeente en landschap en landbouw in balans. De ontwikkeling van woningen vindt namelijk plaats op een locatie waar de omgevingskwaliteit toeneemt door het staken en saneren van een agrarisch bedrijf. Tevens worden er woningen gerealiseerd die aansluiten bij de vraag naar levensloopbestendige woningen in het buitengebied. Dit sluit aan bij het uitgangspunt ‘woningvoorraad op maat’. Daarnaast zal een deel van de bebouwing binnen het plangebied worden gesaneerd en wordt het plangebied landschappelijk ingepast. Hierbij worden historische elementen van het voormalige boerenerf in ere hersteld. Dit draagt bij aan de uitgangspunten ‘versterken natuurwaarden en biodiversiteit’ en ‘Landschap en landbouw in balans’. Door de toename van de bergingscapaciteit sluit het initiatief ook aan bij het uitgangspunt ‘waterbeheer op maat’. Door de functiewijziging van de veehouderij zullen bijbehorende emissies komen te vervallen. Dit heeft een positief effect op de gezondheid en leefomgeving in de nabijheid van het plangebied. Zodoende wordt ook aan het uitgangspunt ‘verder bouwen aan een gezonde leefomgeving’ voldaan.

Tenslotte wordt aan een agrarische bedrijfslocatie die, door de ligging ten opzichte van de omgeving en het afstaan van diverse gronden ten behoeve van het Zandmaasproject, onvoldoende potentieel heeft om duurzaam in stand te blijven een nieuwe toekomstbestendige functie toegekend. Dit draagt bij aan het uitgangspunt ‘de meest toekomstbestendige gemeente’. Volgens de gebiedsindeling is het plangebied (figuur 11) gelegen in het Maasdal. Op landschappelijk vlak wordt hier gestreefd naar een versterkt contrast tussen open en dichte landschappen. Daarnaast wordt beoogd de aanwezige steilranden te versterken. Op termijn zijn deze gronden enkel bedoeld voor natuurinclusieve landbouw en landschapsherstel. Onderhavig plan wordt landschappelijk ingepast. Met deze landschappelijke inpassing wordt rekening gehouden met de uitgangspunten voor het Maasdal, waardoor onderhavige ontwikkeling passend is binnen dit gebied. De beoogde ontwikkeling is in lijn met de ‘Omgevingsvisie Bergen 2030’.

20

Figuur 11: Visiekaart Bergen 2030

21

HOOFDSTUK

5 Omgevingsaspecten

De verschillende omgevingsaspecten worden hier nader onderbouwd en getoetst.

5.1

Milieu

5.1.1

M.e.r. plicht Een ruimtelijke ontwikkeling kan leiden tot een m.e.r.(beoordelings)-plicht. Om te bepalen of een m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk is dient bepaald te worden of de ontwikkeling voorkomt in lijst C of lijst D van het Besluit, of de drempelwaarden worden overschreden, of de ontwikkeling in een kwetsbaar gebied ligt en of er belangrijke milieugevolgen zijn. In het plangebied worden 5 woningen, per saldo, toegevoegd. Het realiseren daarvan komt niet voor in bijlage C van het besluit m.e.r. Er is dus geen sprake van de verplichting om een m.e.r. procedure te doorlopen. Op grond van categorie D11.2 geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht voor onder andere de aanleg of wijziging van ‘een stedelijk ontwikkelingsproject’, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: • een oppervlakte van 100 hectare of meer; • een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen bevat, of; • een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Volgens de nota van toelichting bij het Besluit m.e.r. kan het bij een stedelijk ontwikkelingsproject gaan om “bouwprojecten als woningen, parkeerterreinen, bioscopen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan”. Aangezien in dit geval sprake is van een gebied dat aanzienlijk kleiner is dan 100 ha en het plan aanzienlijk minder dan 2.000 woningen omvat, is geen sprake van een m.e.r.-beoordelingsplicht.

Vormvrije m.e.r.-beoordeling Aanvullend op het voorgaande is op 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Daarin is een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling opgenomen. Die geldt nu voor iedere activiteit die is opgenomen op de D-lijst, ongeacht of de activiteit onder of boven de drempelwaarde van de D-lijst valt. Woningbouw kan vallen onder onderdeel D (11.2): “de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.” Het voorliggende initiatief betreft slechts de realisatie van twee woningen in bestaande bebouwing. Een dergelijk kleinschalig initiatief heeft geen aanzienlijke negatieve milieueffecten als gevolg. De ontwikkeling betreft dan ook geen stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit milieueffectrapportage. Als gevolg hiervan hoeft voor de ontwikkeling van de wooneenheden en woningen dan ook geen vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden doorlopen.

22

5.1.2

Bodem In het kader van de bestemmingsplanprocedure vormt de bodemkwaliteit bij de ontwikkeling van ruimtelijke functies een belangrijke afweging. Om te kunnen beoordelen of het perceel aanvaardbaar wordt geacht om te wonen is er een vooronderzoek bodem (conform NEN5725 standaard) uitgevoerd. Onderstaand zijn de conclusies uit dit onderzoek weergegeven. Voor het volledige onderzoeksrapport wordt verwezen naar bijlage II. Uit het verrichte vooronderzoek zijn (voormalige) potentiële bronnen vastgesteld die bodemverontreiniging tot gevolg kunnen hebben daarnaast wordt de afbakening van de onderzoekslocatie als voldoende beschouwd. Het betreft de bovengrondse dieseltank, voormalige bovengrondse dieseltank, voormalige ondergrondse hbo-tank met naastgelegen opslag van olie en afgewerkte olie in drums en een voormalige bovengrondse hbo-tank. In het kader van beëindiging van bedrijfsactiviteiten worden deze beschouwd als verdachte locatie met een plaatse bodembelasting met een duidelijke verontreinigingskern (VEP/VEP-OO). In het kader van de bestemmingswijziging van agrarisch naar wonen komt de toekomstige woonbestemming in aanmerking voor verkennend bodemonderzoek.

Met het oog op het voormalig agrarisch en bedrijfsmatig gebruik wordt de toekomstige woonbestemming beschouwd als diffuus belaste niet-lijnvormige locatie met heterogeen verdeelde verontreinigde stof op schaal van monsterneming (VED-HE). Conform het voorgeschreven advies uit het vooronderzoek bodem is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Onderstaand zijn de conclusies uit dit onderzoek opgenomen. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar bijlage III. In de bodem ter plaatse van meetpunten 1 en 2 is een bijmenging van puin aangetroffen. De herkomst van dit puin is onbekend. Als gevolg van deze puinbijmenging is de bodem plaatselijk verdacht op aanwezigheid van asbest in bodem. De bijmenging vormt aanleiding voor het verrichten van verkennend asbestonderzoek. Ter plaatse van meetpunt 4 en 16 zijn verontreinigingen met respectievelijk asbest en koper aangetoond die aanleiding vormen voor het uitvoeren van aanvullend bodemonderzoek. De resultaten van het overig vormen geen aanleiding tot aanpassing van de onderzoeksstrategie. Naar aanleiding van het verkennend bodemonderzoek is een afweging gemaakt of nader onderzoek noodzakelijk is. Aangezien de huidige betonvloer (meetpunt 4) en de huidige bestrating (meetpunten 1 en 2) niet worden verwijderd is het onderliggende asbestverdacht materiaal beheersbaar en is een nader onderzoek, in dit stadium, niet noodzakelijk.

De toekomstige bewoners zullen op de hoogte worden gebracht van de resultaten van het bodemonderzoek en dat er in de toekomst mogelijk nader onderzoek moet worden uitgevoerd.

23

5.1.3

Lucht Sinds 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en staan de hoofdlijnen rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (Wm). Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a. er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. een plan leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c. een plan draagt ‘niet in betekende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; d. een plan past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Ter plaatse van de te realiseren woning dient sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van de luchtkwaliteit. In de Wet Milieubeheer zijn daarom grenswaarden gesteld met betrekking tot fijnstof (PM 10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2). Fijnstof De grens voor de jaargemiddelde concentratie bedraagt 40 μg/m 3 en de grens voor de daggemiddelde concentratie bedraagt 50 μg/m3. Voor het vaststellen van de achtergrondconcentratie van fijnstof is de grootschalige concentratiekaart van het RIVM geraadpleegd.

Voor het plangebied blijkt dat de achtergrondconcentratie voor fijnstof circa 13,41 μg/m3 (PM10) bedraagt. Er wordt dus ruimschoots voldaan aan de wettelijk gestelde grenswaarden. Voor fijnstof waarbij de deeltjes kleiner zijn dan 2,5 micrometer doorsnee (PM 2,5) geldt een richtwaarde van 25 microgram per m3 als jaargemiddelde concentratie. De waarde voor fijnstof (PM2,5) ter plaatse van het plangebied bedraagt circa 7,48 µg/m3. Dat betekent dat dit ruim beneden de gestelde grenswaarde volgens de Wm ligt. Stikstofdioxide Voor stikstofdioxide (NO 2) geldt een grenswaarde van 40 μg/m3 voor een jaargemiddelde concentratie en 200 μg/m3 voor een daggemiddelde concentratie. De waarde voor stikstofdioxide ter plaatse van het plangebied bedraagt circa 9,81 μg/m3. Dit betekent dat ook de hoeveelheid stikstofdioxide ruim beneden de wettelijk gestelde grenswaarden ligt. Initiatief Een ruimtelijke ontwikkeling kan invloed hebben op het aantal verkeersbewegingen dat uiteindelijk effect heeft op de luchtkwaliteit. In de beoogde situatie zijn er per etmaal 32,4 verkeersbewegingen afkomstig van het plangebied. Uit invoer van deze gegevens in de NIBM-tool (figuur 12) blijkt dat dit aantal verkeersbewegingen in niet betekenende

24

mate bijdraagt aan luchtverontreiniging. Onderhavige ontwikkeling zal derhalve geen negatieve effecten hebben voor de luchtkwaliteit rond het plangebied. Nader onderzoek naar luchtkwaliteit is derhalve niet noodzakelijk. Conclusie

Figuur 12: NIBM-tool.

Zowel op het gebied van fijnstof als stikstofdioxide is in de huidige situatie sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Daarnaast is er sprake van een afname van het aantal verkeersbewegingen. Een nader onderzoek is dan ook niet noodzakelijk. Het aspect lucht vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling

5.1.4

Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt sinds 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv is bedoeld om mensen te beschermen tegen geuroverlast vanuit veehouderijbedrijven. In principe bepaalt de Wgv de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijbedrijven op het gebied van geurbelasting. In de Wgv wordt alleen de ontwikkeling of belemmering van veehouderijbedrijven gereguleerd en vormt daarmee het toetsingskader van de veehouderijbedrijven. De wet vormt geen toetsingskader van de toelaatbaarheid van andere functies. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening (Wro), is aangegeven dat sprake dient te zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat. Het is daarom noodzakelijk om tweeledig naar dit aspect te kijken. Enerzijds mag de ontwikkeling niet leiden tot een belemmering van veehouderijbedrijven, en anderzijds dient sprake te zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat.

25

De Wgv geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (in dit geval de nieuwe woningen). De geurbelasting wordt berekend en getoetst met een verspreidingsmodel. In de Wgv is een definitie opgenomen voor geurgevoelige objecten. Deze definitie in combinatie met verschillende uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State [1] heeft tot gevolg dat gesteld kan worden dat alle bebouwing waar mensen kunnen verblijven, en ook als zodanig bestemd is, als gevoelig object beschouwd kunnen worden. Hierdoor is in de beoogde situatie sprake van de realisatie en omschakeling naar geurgevoelige(re) objecten. Om in te kunnen schatten of de geurcontouren van omliggende agrarische bedrijven over het plangebied zijn gelegen is een geuronderzoek uitgevoerd. Onderstaand zijn de belangrijkste conclusies uit dit onderzoek opgenomen. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar bijlage III. De meest nabijgelegen veehouderij waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor geen emissiefactor is vastgesteld is de melkrundveehouderij aan de Holshaeg 8 op een afstand van circa 250 meter. Hiermee wordt ruimschoots voldaan de geldende afstand van 50 meter voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom uit artikel 4, lid 1b van de Wgv.

De meest nabijgelegen veehouderij waar (ook) dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor een emissiefactor is vastgesteld is de rundveehouderij aan Aijen 1 in de bebouwde kom van Aijen op een afstand van circa 750 meter, met een vergunde geuremissie van 356 ou/s. De meest nabijgelegen veehouderij met een geuremissie van enige betekenis is de vleesveehouderij aan de Staaiweg 25 in Vierlingsbeek op een afstand van circa 1.550 meter, met een vergunde geuremissie van 26.486,4 ou/s. Op voorhand worden er dan ook géén belemmeringen op basis van de voorgrondbelasting verwacht. Gezien de berekende achtergrondbelasting van ten hoogste 0,39 ouE/m3, op de alle 6 de beoogde woningen omvattende 4 hoekpunten, kan een berekening van de voorgrondbelasting achterwege gelaten worden. Deze biedt namelijk geen toegevoegde waarde meer. Op basis van de milieukwaliteitscriteria is er ter plaatse van de 6 beoogde woningen vanuit de achtergrondbelasting sprake van een “Zeer goed” woon- en leefklimaat. Op basis van de conclusies uit het geuronderzoek is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en worden omliggende veehouderijen niet belemmerd in hun bedrijfsvoering. Het aspect geur vormt dan ook geen belemmering ten aanzien van onderhavige ontwikkeling.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16809402/1