Rotonde Well N271 vastgesteld Toelichting Bijlage 14 Explosievenonderzoek
Tekst van het document
446-019-VO-02
Pagina 1 van 90
Vooronderzoek naar het risico op het aantreffen van Conventionele Explosieven in het onderzoeksgebied ‘N271 rotonde Well’.
446-019-VO-02
Pagina 2 van 90
ONDERZOEKSGEBIED: OPDRACHTGEVER: DATUM: TER ACCORDERING:
N271 rotonde Well Provincie Limburg 12 januari 2021
DOCUMENTCODE:
446-019-VO-02
VERSIE: DISTRIBUTIELIJST:
Concept Provincie Limburg Explosive Clearance Group BV
Copyright Explosive Clearance Group BV 2021©. Niets uit deze rapportage mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm, internet of welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de houders van het auteursrecht. De opdrachtgever mag voor intern gebruik duplicaten maken.
446-019-VO-02
Pagina 3 van 90
INHOUDSOPGAVE INHOUDSOPGAVE .................................................................................................................. 4 1 INLEIDING ..................................................................................................................... 6 1.1 ALGEMEEN ....................................................................................................................................... 6 1.2 AANLEIDING EN VERANTWOORDING...................................................................................................... 7 1.3 DOEL VAN HET INDICATIEONDERZOEK .................................................................................................. 10 1.4 BRONNEN....................................................................................................................................... 12 1.4.1 TOELICHTING VERPLICHTE BRONNEN WSCS-OCE ................................................................................. 13 1.4.2 TOELICHTING AANVULLENDE BRONNEN WSCS-OCE ............................................................................. 14 1.4.3 TOELICHTING AANVULLENDE BRONNEN ECG ........................................................................................ 15
2
HET INDICATIE ONDERZOEK ...............................................................................................16
2.1 OPZET INDELING .............................................................................................................................. 16 2.2 UITGANGSPUNTEN VOOR DE BEOORDELING VAN DE RELEVANTIE VAN EEN INDICATIE ................................... 16 2.3 HISTORISCH-GEOGRAFISCHE INFORMATIE ............................................................................................ 16 2.4 REEDS UITGEVOERDE RAPPORTAGES.................................................................................................... 19 2.5 INDICATIES AFKOMSTIG UIT GERAADPLEEGDE LITERATUUR ...................................................................... 19 2.6 INDICATIE ONDERZOEK GEMEENTELIJKE, REGIONALE EN PROVINCIALE ARCHIEVEN ...................................... 19 2.6.1 GEMEENTEARCHIEF BERGEN (L.) ........................................................................................................ 20 2.6.2 REGIONAAL HISTORISCH CENTRUM LIMBURG ....................................................................................... 20 2.7 LANDELIJKE ARCHIEVEN..................................................................................................................... 20 2.7.1 NATIONAAL ARCHIEF DEN HAAG ........................................................................................................
20 2.7.2 NIOD INSTITUUT VOOR OORLOGS- HOLOCAUST- EN GENOCIDENSTUDIES AMSTERDAM .............................. 21 2.7.3 NEDERLANDS INSTITUUT VOOR MILITAIRE HISTORIE DEN HAAG .............................................................. 21 2.8 INTERNATIONALE ARCHIEVEN ............................................................................................................. 22 2.8.1 THE NATIONAL ARCHIVES LONDEN ..................................................................................................... 22 2.8.1.1 Omgang en uitgangspunt ontlenen gegevens aan Daily Logs ..................................... 22 2.8.1.2 Geallieerden: Nord de Guerre coördinatenstelsel....................................................... 22 2.8.2 BUNDESARCHIV-MILITÄRARCHIV ........................................................................................................ 25 2.9 GEMELDE EN GERUIMDE EXPLOSIEVEN EOD EN M.M.O.D..................................................................... 25 2.9.1 ARCHIEF UITVOERINGSOPDRACHTEN EXPLOSIEVEN OPRUIMINGSDIENST DEFENSIE...................................... 26 2.9.2 ARCHIEF M.M.O.D. SEMISTATISCHE ARCHIEFDIENSTEN MINISTERIE DEFENSIE RIJSWIJK ............................. 28 2.9.3 MIJNENVELDREGISTER ......................................................................................................................
28 2.10 LUCHTFOTO INTERPRETATIE ............................................................................................................... 34 2.10.1 DOEL VAN DE LUCHTFOTO INTERPRETATIE ............................................................................................ 34 2.10.2 METHODIEK.................................................................................................................................... 34 2.10.3 GRENZEN EN MOGELIJKHEDEN VAN LUCHTFOTO INTERPRETATIE ............................................................... 34 2.10.4 INVENTARISATIE, SELECTIE EN INTERPRETATIE VAN HET GEHANTEERDE BEELDMATERIAAL .............................. 35 2.11 RESULTATEN INDICATIEONDERZOEK .................................................................................................... 36 2.11.1 OVERZICHTSTABEL OORLOGSHANDELINGEN UIT LITERATUUR, ARCHIEFMATERIAAL EN LUCHTFOTO’S............... 36 2.11.2 BEELD EN KAARTMATERIAAL INDICATIES ............................................................................................... 41
3
HET CONTRA-INDICATIE ONDERZOEK ...................................................................................49
3.1
KAARTVERGELIJKING......................................................................................................................... 49
446-019-VO-02
Pagina 4 van 90
3.2 3.3 3.4 3.5
BEELDVERGELIJKING ......................................................................................................................... 56 ARCHIEFBEZOEK BERGEN (L.)............................................................................................................. 58 ONDERGRONDSE INFRASTRUCTUUR .................................................................................................... 58 SAMENVATTING NAOORLOGSE WERKZAAMHEDEN ................................................................................. 61
4
AFBAKENING VERDACHT GEBIED .........................................................................................63
4.1 4.2 4.3 4.4
EVALUATIE AFWEGING INDICATIES EN CONTRA-INDICATIES ...................................................................... 63 HORIZONTALE AFBAKENING ............................................................................................................... 63 MOGELIJK AAN TE TREFFEN CONVENTIONELE EXPLOSIEVEN..................................................................... 67 VERTICALE AFBAKENING .................................................................................................................... 67
5 6 7 8
LEEMTEN IN KENNIS ........................................................................................................69 CONCLUSIE EN ADVIES .....................................................................................................70 OVERZICHT VAN GEHANTEERDE BRONNEN .............................................................................72 BIJLAGEN .....................................................................................................................81
BIJLAGE 1: VASTSTELLEN VERDACHT GEBIED EN AFBAKENING IN VOORONDERZOEK ................................................ 81 BIJLAGE 2: CE-BODEMBELASTINGKAART ........................................................................................................ 84 BIJLAGE 3: SYSTEEM CERTIFICATEN OPSPOREN CONVENTIONELE EXPLOSIEVEN .................................................... 86 BIJLAGE 4: PROTOCOL TOEVALSVONDST ........................................................................................................ 88
446-019-VO-02
Pagina 5 van 90
1
INLEIDING
Op een onbekend aantal plaatsen in Nederland liggen nog bommen, granaten en andere munitieartikelen uit de Tweede Wereldoorlog. Volgens mondiale, militaire inschatting is van al het explosieve materiaal dat gedurende de Tweede Wereldoorlog (1939-1945) is ingezet, verschoten of afgeworpen, tussen de zeven en vijftien procent om verschillende redenen niet tot uitwerking gekomen of gebracht.
1.1
ALGEMEEN
Hoofdrisico van het werkveld van het opsporen van Conventionele Explosieven (CE) is het onverhoeds aantreffen van deze CE bij het uitvoeren van werkzaamheden in de (water)bodem en/of de ondeskundige en onzorgvuldige omgang met aangetroffen CE. Hierdoor bestaat het gevaar op het ongewenst tot (uit)werking komen van CE en dat kan grote uitwerkingsgevolgen teweegbrengen. De belangrijkste daarvan zijn luchtdruk, schokgolf en scherfwerking, welke een groot gevaar vormen voor veiligheid en gezondheid. Het voornoemde risico doet zich voor indien voorafgaand aan (bouw)projecten geen of onvoldoende onderzoek wordt gedaan naar de kans op aanwezigheid van CE en/of het opsporen van CE op een onzorgvuldige of ondeskundige wijze plaatsvindt. In het laatstgenoemde geval doet het risico van het onverhoeds aantreffen van CE zich ook voor zodra na een opsporingsproject met de reguliere (bouw)werkzaamheden wordt gestart.1 Om spontane vondsten en eventuele daaruit voortvloeiende ongewilde gebeurtenissen te voorkomen, dient de opdrachtgever ervoor te zorgen (inspanningsverplichting) dat er in de ontwerpfase – als onderdeel van de Risico-Inventarisatie en Evaluatie (RI&E) – rekening wordt gehouden met (veiligheids)verplichtingen die gelden in de uitvoeringsfase.
Dat wil onder andere zeggen dat de opdrachtgever (de initiatiefnemer van de werkzaamheden) het mogelijk moet maken dat de aannemer die het werk uitvoert, dat op een veilige en gezonde manier kan doen, onder naleving van wettelijke regels en door toepassing van maatregelen uit de voor dat werk geldende Arbo catalogus, brancherichtlijnen, stand der techniek en wetenschap.2 Als gevolg van het voorgaande, dient de opdrachtgever er vooraf zorg voor te dragen dat er bij grond- en/of waterbodemroerende activiteiten informatie beschikbaar is over de samenstelling van de (water)bodem. Zoals of er bijvoorbeeld sprake is van de vermoede aanwezigheid van CE en/of de identificatie van potentiële risicolocaties. Om het maatschappelijk belang (veiligheid en gezondheid van en rondom arbeid) te waarborgen, is door de overheid gekozen voor een wettelijk verplichte 1 Voor nadere info betreffende regelgeving etc. zie: www.explosievenopsporing.nl. 2 Zie ook voor achtergrond Nederland: Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Inspectie Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, Jaarplan 2015 (Den Haag 2014) 18 (https://www.inspectieszw.nl/binaries/inspectieszw/documenten/jaarplannen/2014/09/15/jaarplan-2015/JaarplanInspectieSZW-2015.pdf); De Inspectie blijft zich inzetten om bij de opdrachtgevers, inclusief gemeenten, indringend concrete aandacht en zorg te eisen voor hun verantwoordelijkheid bij de voorbereidingen voor GWW-projecten. Bijvoorbeeld het veilig opleveren van projectgrond – gevrijwaard van explosieven – en sturing op Arbo-aspecten in het opdrachtverleningstraject.
446-019-VO-02
Pagina 6 van 90
certificatieregeling voor de borging van de kwaliteit/veiligheid van het opsporen van Conventionele Explosieven. Dat wil zeggen dat opsporingswerkzaamheden met betrekking tot CE op grond van het Arbeidsomstandighedenbesluit (Arbobesluit) enkel uitgevoerd mogen worden door de Explosieven Opruimingsdienst Defensie (EOD) en bedrijven die in het bezit zijn van een certificaat voor het opsporen van Conventionele Explosieven. Om dit certificaat te verkrijgen dient het bedrijf (en de EOD) te voldoen aan de eisen zoals gesteld in het “Werkveld Specifiek certificatie Schema voor het Opsporen Conventionele Explosieven” (WSCSOCE). Het toepassingsgebied van het Certificatieschema is verdeeld in twee deelgebieden: A (Opsporing, inclusief vooronderzoek) en B (Civieltechnisch Opsporingsproces).3 Explosive Clearance Group (ECG) is voor beide deelgebieden (A+B) gecertificeerd. De doelstelling van dit door het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) vastgestelde certificatieschema is drieledig: 1. Bewerkstelligen dat risicovolle werkzaamheden voldoende veilig voor het eigen personeel en derden aanwezig op het project worden uitgevoerd; 2. Bewerkstelligen dat risicovolle werkzaamheden zodanig en met die deskundigheid worden uitgevoerd dat omwonenden veilig zijn en dat de openbare orde en publieke veiligheid wordt gewaarborgd; 3.
Bewerkstelligen dat het vooronderzoek en/of de opsporing volgens de gegunde opdracht wordt uitgevoerd en opgeleverd (vast te leggen in het proces-verbaal van oplevering).4 Een eerste stap in het opsporingsproces wordt doorgaans gevormd door een (historisch) vooronderzoek waarin beoordeeld wordt of een onderzoekgebied verdacht of onverdacht is op de mogelijke aanwezigheid van Conventionele Explosieven en (zo ja) om welke type en kaliber Conventionele Explosieven het gaat. Als er aanwijzingen worden achterhaald dat het onderzoeksgebied betrokken is geweest bij oorlogshandelingen en er geen sprake is van relevante contra-indicaties, dan zal de uiteindelijke afbakening van het ‘verdachte’ gebied in zowel horizontale (indien mogelijk aan de hand van bijlage 3 uit het WSCS-OCE) als verticale zin plaatsvinden (indien de in het WSCS-OCE weergegeven vereiste parameters aanwezig zijn).
1.2
AANLEIDING EN VERANTWOORDING
De Provincie Limburg heeft ECG opdracht gegeven een historisch vooronderzoek uit te voeren voor het projectgebied ‘N271 rotonde Well’. Het onderzoeksgebied is in het figuur op de volgende pagina
3 Het Werkveld Specifiek certificatie Schema voor het Opsporen Conventionele Explosieven (WSCS-OCE) is een verplicht
procescertificaat voor het opsporen van CE. Het stelt eisen aan de kwaliteit, veiligheid en deskundigheid van het bedrijf en/of organisatie. Het certificaat is opgenomen onder Bijlage 3. 4 Werkveldspecifieke certificatieschema voor het systeemcertificaat opsporing Conventionele Explosieven zoals opgenomen in bijlage XII van de Arbeidsomstandighedenregeling (WSCS-OCE) 2.
446-019-VO-02
Pagina 7 van 90
te zien (Figuur 1). Deze bureaustudie is uitgevoerd conform de offerte van 21 november 2019 met kenmerk ‘446-019-VO-02’ en het vigerende WSCS-OCE.
Figuur 1: Op de afbeelding is de door opdrachtgever aangeleverde kaart (Tekeningnummer: 18-083-TK-90TH-002) weergegeven met daarop de werkzaamheden N271 rotonde Well en het onderzoeksgebied.
Het onderzoeksgebied ‘N271 rotonde Well’ ligt in de gemeente Bergen (Limburg). Het onderzoeksgebied betreft een weg (Moleneind), een kruispunt en een rotonde. Onder andere de volgende functies/inrichtingen bevinden zich in het gebied: bermen, wegen, fietspaden, verkeersvoorzieningen, rotonde, parkeerplaatsen en een tankstation. De totale oppervlakte van het onderzoeksgebied beslaat bijna 3 hectare.
446-019-VO-02
Pagina 8 van 90
1.3
DOEL VAN HET INDICATIEONDERZOEK
Het onderzoeksdoel en de te volgen werkwijze betreffende een vooronderzoek zijn in het WSCS-OCE als volgt omschreven: ‘Het vooronderzoek heeft tot doel om te beoordelen of er indicaties zijn dat binnen het onderzoeksgebied CE aanwezig zijn, en zo ja, om het verdachte gebied in horizontale en verticale dimensie af te bakenen. Het vooronderzoek bestaat uit zowel het inventariseren als beoordelen (analyseren) van bronnenmateriaal en resulteert in een rapportage en een (eventueel daarbij behorende) CE bodembelastingskaart.’5 Het uitgangspunt van deze studie is, om door middel van het verzamelen en verwerken van relevant historisch feitenmateriaal, een gefundeerd antwoord te verkrijgen op de volgende drie kernvragen: 1. Is het onderzoeksgebied of een deel hiervan betrokken geweest bij oorlogshandelingen (indicaties) en is er daardoor sprake van een verhoogd risico op het aantreffen van Conventionele Explosieven oftewel van verdacht gebied? 2. Zijn er gebeurtenissen (contra-indicaties) die een aanwijzing vormen dat een (mogelijk verdacht) gebied of een deel hiervan als onverdacht kan worden aangemerkt? 3.
Indien er sprake is van verdacht gebied wat is dan de (sub)soort, hoeveelheid en verschijningsvorm van de vermoede Conventionele Explosieven? De resultaten van de bureaustudie zijn onder te verdelen naar: geografisch herleidbare gebeurtenissen met informatie die een aanwijzing vormen dat het gebied verdacht is op Conventionele Explosieven (indicaties) of geografisch herleidbare gebeurtenissen die een aanwijzing vormen dat het gebied als onverdacht kan worden aangemerkt (contra-indicaties). Met behulp van historisch feitenmateriaal als literatuur, archief- en luchtfotomateriaal wordt getracht te achterhalen of er een verhoogde kans bestaat op het aantreffen van achtergebleven explosieven in het onderzoeksgebied. Hierbij wordt specifiek en op basis van feitelijkheden bepaald of (en zo ja: waar) in het onderzoeksgebied explosieven verwacht kunnen worden en wat het risico is dat deze bij bodemingrepen worden aangetroffen. Een vooronderzoek naar de mogelijke aanwezigheid van Conventionele Explosieven blijft echter altijd indicatief van aard; het is immers geen exacte wetenschap. Door het opstellen van een vooronderzoek conform het WSCS-OCE wordt een inspanningsverplichting uitgevoerd om informatie te achterhalen (en beschikbaar te stellen) omtrent de mogelijke aanwezigheid van CE.
Oorlogshandelingen (in dit geval gebeurtenissen die tot de mogelijke aanwezigheid van Conventionele Explosieven leiden) kunnen over het algemeen onderverdeeld worden naar een bepaald(e) oorzaak of scenario, zoals in het navolgend overzicht is weergegeven.
5 WSCS-OCE, 16.
446-019-VO-02
Pagina 10 van 90
MOGELIJKE OORZAKEN VOOR ACHTERGEBLEVEN CONVENTIONELE EXPLOSIEVEN
LUCHTAANVALLEN
Bombardement
Beschieting met boordwapens
Beschieting met raketten
Vliegtuigcrash
GRONDGEVECHTEN (SECUNDAIRE GEVOLGEN)
Blindgangers (bijv. artillerie beschieting)
In stellingen achtergelaten, gedumpt of bedolven
MUNITIE VERNIETIGING
MILITAIR GEBRUIK
MUNITIE OPSLAG
Springputten en dergelijke
Militair oefenterrein
Munitie fabricage en/of opslag
Munitiedump of stort
Stationering militairen
Munitie inrichtingen
Munitiedump in water
Vliegveld
(afzinking)
Vernielingsactiviteiten
Mijnenveld(en)
Figuur 2: Overzicht van mogelijk te achterhalen oorlogshandelingen in en rond een onderzoeksgebied.
Gebeurtenissen die mogelijk geleid hebben tot het uit de bodem verwijderen van Conventionele Explosieven (contra-indicaties) kunnen over het algemeen onderverdeeld worden naar een bepaald(e) oorzaak of scenario, zoals hieronder is weergegeven. MOGELIJKE OORZAKEN VOOR CONTRA-INDICATIES VAN CONVENTIONELE EXPLOSIEVEN
GRONDROERENDE WERKZAAMHEDEN
Ontgravingen
BAGGERWERKZAAMHEDEN
Gronddepositie
OPSPORINGSWERKZAAMHEDEN
EODD en voorgangers
Civiele opsporingsbedrijven
Figuur 3: Overzicht van mogelijk te achterhalen naoorlogse (bodem)activiteiten.
Deze rapportage omvat (naast de eerder genoemde zaken): ▪ Aanleiding van het vooronderzoek; ▪ omschrijving en doelstelling van de opdracht; 446-019-VO-02
Pagina 11 van 90
▪ begrenzing van het onderzoeksgebied; ▪ beschrijving van de uitvoering van het onderzoek (inclusief de betrokken, door het management van ECG bevoegde, personen); ▪ verantwoording van het bronnenmateriaal (inclusief bronverwijzing); ▪ resultaten van de beoordeling van het bronnenmateriaal; ▪ beschrijving leemten in kennis. Als er aanwijzingen worden achterhaald dat het onderzoeksgebied betrokken is geweest bij oorlogshandelingen en er geen sprake is van relevante contra-indicaties dan zal de uiteindelijke afbakening van het ‘verdachte’ gebied in zowel horizontale (indien mogelijk aan de hand van bijlage 3 uit het WSCS-OCE)6 als verticale zin plaatsvinden (indien de in het WSCS-OCE weergegeven vereiste parameters aanwezig zijn).
1.4
BRONNEN
Bij het indicatieonderzoek dienen volgens het vigerende WSCS-OCE een aantal bronnen verplicht te worden geraadpleegd. In het navolgende overzicht staat schematisch weergegeven welke bronnen dit zijn en of hieraan bij dit onderzoek gehoor is gegeven. Aanvullende bronnen dienen in bepaalde in het certificatieschema vastgelegde situaties te worden gehanteerd. De conclusie ‘verdacht’ wordt bij voorkeur vastgesteld op basis van twee of meer onafhankelijke bronnen. BRONNEN CONFORM WSCS-OCE: Literatuur Gemeente- en Provinciaal archief Nederlands Instituut voor Militaire Historie NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies Explosieven Opruimingsdienst Defensie Luchtfotocollectie Universiteit Wageningen Luchtfotocollectie Topografische Dienst Zwolle Luchtfotocollectie The Aerial Reconnaissance Archives/National Collection of Aerial Photography (Edinburgh) The National Archives (Londen) Bundesarchiv-Militärarchiv (Freiburg) The National Archives (Washington) Getuigen
RAADPLEGEN: Verplicht Optioneel ✓ ✓
GERAADPLEEGD
✓
Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja
✓ ✓ ✓ ✓
Ja Ja Nee Ja
✓ ✓ ✓ ✓ ✓
AANVULLEND BRONNENONDERZOEK ECG: Semistatisch Informatiebeheer Defensie te Rijswijk Nationaal Archief te Den Haag
Nvt. Nvt.
Ja Ja
Tabel 1: Overzicht van geraadpleegde bronnen.
6 Zie Bijlage 1 rapportage.
446-019-VO-02
Pagina 12 van 90
1.4.1
TOELICHTING VERPLICHTE BRONNEN WSCS-OCE
Literatuur Aan de start van het bronnenonderzoek wordt op basis van literatuuronderzoek een lijst opgesteld met oorlogshandelingen die relevant zijn voor de mogelijke aanwezigheid van CE in het onderzoeksgebied (indicaties). Deze lijst bevat tevens een verwijzing naar de data waarop de oorlogshandelingen hebben plaatsgevonden. Gemeentelijk en provinciaal archief Bij het raadplegen van het gemeentelijk en provinciaal archief dienen ten minste de stukken van de luchtbeschermingsdienst, de stukken over aangetroffen/geruimde CE en de oorlogsschaderapporten te worden geraadpleegd. Indien deze stukken niet aanwezig zijn, dient dit te worden vermeld in de rapportage. Explosieven Opruimings Dienst Defensie Bij het raadplegen van het archief van de Explosieven Opruimings Dienst Defensie (EOD) dient als eerste de database met meldingen van aangetroffen CE en de collectie mijnenveldkaarten te worden geraadpleegd. Indien in de database met meldingen van aangetroffen CE indicaties voor de aanwezigheid van CE worden aangetroffen, dient de collectie MORA’s/UO’s te worden geraadpleegd. Indien in de collectie mijnenveldkaarten indicaties voor de aanwezigheid van CE worden aangetroffen, dient de collectie mijnenveld ruimrapporten te worden geraadpleegd.
Luchtfotocollectie Wageningen Universiteit en Topografische Dienst De organisatie dient beschikbare luchtfoto’s betreffende de datum waarop de oorlogshandelingen hebben plaatsgevonden te inventariseren. Daaruit worden de bruikbare luchtfoto’s geselecteerd. Bij de selectie van luchtfoto’s dient rekening te worden gehouden met: opnamedatum in relatie tot oorlogshandelingen, kwaliteit van het fotobeeld en de schaal. De organisatie interpreteert de geselecteerde luchtfoto’s ten minste op schade aan het landschap als gevolg van oorlogshandelingen en de aanwezigheid van militaire werken. De interpretatie van luchtfoto’s dient te geschieden door een deskundige met ervaring in de interpretatie van luchtfoto’s uit het tijdvak 1940-1945. De organisatie dient de beschikbare luchtfoto’s te rapporteren en daarin tevens de selectie te motiveren. Indien er indicaties zijn voor de aanwezigheid van CE, dient de organisatie de luchtfoto’s en/of satellietbeelden te verzamelen met dekking van het onderzoeksgebied uit de naoorlogse periode. De organisatie vergelijkt de luchtfoto’s/satellietbeelden met luchtfoto’s uit het tijdvak 1940-1945, met als doel te inventariseren welke naoorlogse ontwikkelingen in het onderzoeksgebied hebben plaatsgevonden waarbij grond is geroerd of verzet.
Conform het gestelde in het WSCS-OCE dient er aanvullend in een aantal gevallen uitgeweken te worden naar de volgende bronnen:
446-019-VO-02
Pagina 13 van 90
1.4.2
TOELICHTING AANVULLENDE BRONNEN WSCS-OCE
NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies De organisatie raadpleegt de literatuurcollectie van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD) indien onvoldoende informatie aanwezig is om een totaalbeeld te vormen van oorlogshandelingen in het onderzoeksgebied. Nederlands Instituut voor Militaire Historie De collectie “Duitse verdedigingswerken in Nederland en rapporten van het Bureau Inlichtingen te Londen (1940–1945)” met collectienummer 575 van het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH) dient ten minste te worden geraadpleegd indien uit raadpleging van de verplichte bronnen blijkt dat er indicaties zijn dat Duitse militaire werken in het onderzoeksgebied aanwezig waren tijdens de Tweede Wereldoorlog. De collectie “Gevechtsverslagen en rapporten mei 1940” met collectienummer 409 van het Nederlands Instituut voor Militaire Historie dient ten minste te worden geraadpleegd indien uit raadpleging van de verplichte bronnen blijkt dat er indicaties zijn dat grondgevechten hebben plaatsgevonden in de periode mei 1940.
The National Archives Londen/Bundesarchiv-Militärarchiv/The National Archives Washington DC Er dient aanvullend bronnenonderzoek plaats te vinden indien uit raadpleging van de verplichte bronnen blijkt dat er indicaties zijn dat oorlogshandelingen hebben plaatsgevonden, waarbij mogelijk CE in het onderzoeksgebied terecht zijn gekomen, maar er onvoldoende informatie aanwezig is in de Nederlandse archieven en op de geraadpleegde luchtfoto’s over: ▪ De aard van de oorlogshandeling; ▪ Het aantal en de soort CE dat tijdens de oorlogshandeling is ingezet; ▪ De inslaglocaties van CE. Aanvullend onderzoek omvat één of meerdere van de onderstaande buitenlandse archieven:7 ▪ The National Archives te Londen; ▪ Bundesarchiv-Militärarchiv te Freiburg; ▪ The National Archives te Washington DC. Luchtfotocollectie The Aerial Reconnaissance Archives/National Collection of Aerial Photography Indien de verplichte luchtfotoarchieven onvoldoende resultaat opleveren, wordt aanvullend de Luchtfotocollectie The Aerial Reconnaissance Archives geraadpleegd.8 Op de inventarisatie en selectie van luchtfoto’s is hetgeen bepaald onder verplichte bronnen van toepassing.
7 De organisatie dient de keuze voor het te raadplegen archief/de te raadplegen archieven te motiveren in het rapport op
basis van het reeds verzamelde bronnenmateriaal. ECG beschikt over archiefbestanden uit The National Archives te Londen. Deze keuze is gebaseerd op de aanwezigheid van het aldaar aanwezige bronnenmateriaal welke betrekking heeft op de activiteiten van eenheden van de Royal Air Force (RAF) en het Britse leger. 8 De collectie The Aerial Reconnaissance Archives (TARA) is sinds 2014 ondergebracht bij de National Collection of Aerial Photography (NCAP).
446-019-VO-02
Pagina 14 van 90
Getuigenverklaringen In overleg met de opdrachtgever wordt bepaald of getuigen worden gehoord. Dit wordt gerapporteerd. Indien getuigen worden gehoord, dient een schriftelijke getuigenverklaring te worden opgesteld en getekend door de getuige en/ of door een vertegenwoordiger van de opdrachtgever die bij het horen van de getuige aanwezig is. De getuigenverklaring wordt opgenomen als bijlage bij het rapport. 1.4.3
TOELICHTING AANVULLENDE BRONNEN ECG
Nationaal Archief te Den Haag ECG raadpleegt de collectie “Binnenlandse Zaken” (toegangsnummer 2.04.53.15) waarin de berichten van gemeenten aan de Rijksinspectie Luchtbescherming te Den Haag in de periode 19401943 zijn ontsloten. NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies De organisatie raadpleegt de Collectie Departement van Justitie (toegangsnummer 216k) en de Collectie Generalkommissariat für das Sicherheitswesen – Höhere SS- und Polizeiführer Nord-West (toegangsnummer 077) uit het archief van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie. Semistatische archiefdiensten Ministerie Defensie te Rijswijk ECG raadpleegt de collectie van de Mijn- en Munitieopruimingsdienst (MMOD) waarin de ruimingen in de periode 1945-1947 zijn ontsloten. Wanneer uit het bronnenmateriaal relevante feiten naar voren komen, wordt met behulp van voetnoten en bronvermelding een verwijzing gegeven naar de vindplaats van de betreffende passages, afbeeldingen of documenten zodat alle gegevens desgewenst verifieerbaar zijn.9
9 ECG hanteert hiervoor de methodiek van onderzoek, annotatieregels en richtlijnen conform de systematiek van:
P. de Buck e.a., Zoeken en schrijven. Handleiding bij het maken van een historisch werkstuk (Rijswijk 1992).
446-019-VO-02
Pagina 15 van 90
2
HET INDICATIE ONDERZOEK
2.1
OPZET INDELING
In dit hoofdstuk wordt ten eerste het uitgangspunt voor de beoordeling van de relevantie van een indicatie toegelicht, waarna er met behulp van historisch kaartmateriaal een historisch-geografische situatie wordt gekenschetst van het onderzoeksgebied ten tijde van de oorlogsperiode. Hierop volgend wordt een inventarisatie uitgevoerd naar bij ECG bekende gegevens omtrent eerder uitgevoerd(e) onderzoek(en) naar de aanwezigheid van Conventionele Explosieven in of nabij het onderzoeksgebied.10 Vervolgens worden op basis van literatuuronderzoek de oorlogshandelingen die mogelijk relevant zijn voor de aanwezigheid van Conventionele Explosieven bestudeerd. Daarop volgt een overzicht van de bezochte archiefinstanties.11 Daarna zullen vanuit een combinatie van bronspecifieke en historische benadering de luchtfoto's uit de Tweede Wereldoorlog geanalyseerd worden. Na de literatuur- en archiefstudie en de luchtfotoanalyse zullen de indicaties die mogelijk relevant zijn voor zowel het onderzoeksgebied als de onderzoeksvraag in een chronologisch overzicht worden weergegeven.
2.2
UITGANGSPUNTEN VOOR DE BEOORDELING VAN DE RELEVANTIE VAN EEN INDICATIE
Bij het beoordelen of de bij het indicatieonderzoek achterhaalde informatie/indicatie relevant is/of kan zijn, wordt een selectiecriterium uit het WSCS-OCE toegepast: ‘Indicaties/contra-indicaties dienen een locatieverwijzing te hebben, aangezien deze essentieel is om te bepalen of de informatie relevant is voor de aanwezigheid van CE in het onderzoeksgebied.’12 Indien de locatieverwijzing niet verwijst naar de omgeving van het onderzoeksgebied of op een andere wijze een relatie met het onderzoeksgebied (bijvoorbeeld op basis van voorkennis) impliceert of van invloed kan zijn, dan wordt de desbetreffende informatie niet in de rapportage opgenomen of als niet relevant beoordeeld en wordt deze verder buiten beschouwing gelaten.
2.3
HISTORISCH-GEOGRAFISCHE INFORMATIE
Aangezien locatieverwijzingen een essentiële rol spelen bij het vaststellen van de relevantie van achterhaalde indicaties, wordt er gekeken naar de geografische situatie vóór of ten tijde van aanvang van de oorlog. Derhalve kunnen locatieverwijzingen die uit het huidige stratenbeeld zijn verdwenen toch worden achterhaald. De navolgende afbeelding (Figuur 4) toont een uitsnede van de volgende geallieerde stafkaart:
10 Onder onderzoek wordt door ECG bij voorkeur verstaan: een (opsporings)onderzoek uitgevoerd volgens de regels van de
voormalige Beoordelingsrichtlijn Opsporing Conventionele Explosieven (BRL-OCE) of het vigerende WSCS-OCE. 11 Bij het raadplegen van het gemeentelijk en provinciaal archief worden naargelang het gestelde in de WSCS-OCE tenminste de stukken van de Luchtbeschermingsdienst (LBD), de stukken over aangetroffen/geruimde explosieven en de oorlogsschaderapporten doorgenomen.. 12 WSCS-OCE, 18.
446-019-VO-02
Pagina 16 van 90
• Blitterswijk, sheet 4402, G.S.G.S. 4414 First Edition (AMS 1) 1944, Eastern Holland 1:25.000
Figuur 4: Uitsnede van de geallieerde stafkaart Blitterswijk, sheet 4402, G.S.G.S. 4414 First Edition (AMS 1) 1944, Eastern Holland 1:25.000 ter hoogte van het onderzoeksgebied.
De kaart is afkomstig van het Kadaster en dekt het gehele onderzoeksgebied af. De kaart is gegeorefereerd in ArcGIS Pro, waardoor het huidige onderzoeksgebied op de oude situatie kan worden geprojecteerd. Ten tijde van de Tweede Wereldoorlog viel het huidige onderzoeksgebied binnen de gemeente Well. Op de voorgaande figuur staan enkele toponiemen weergeven. Voorbeeld hiervan is Halt. In de wetenschap van deze (voor een deel) uit de huidige topografie verdwenen locatieverwijzingen, zal het indicatieonderzoek worden uitgevoerd. De volgende afbeelding (Figuur 5) is een Defence Overprint. Dit zijn kaarten gemaakt voor de Geallieerde legers tijdens hun opmars door Europa. De kaarten werden samengesteld aan de hand 446-019-VO-02
Pagina 17 van 90
van luchtfoto’s en/of informatie uit het verzet en hielden de troepen op de hoogte van wat men aan verdedigingswerken en dergelijke kon tegenkomen. Op Figuur 5 is het onderzoeksgebied te zien op de Defence Overprint Blitterswijk, sheet 4402, G.S.G.S. 4414 Third Edition (A.E.F.) 1945, Eastern Holland 1:25.000 (06-02-1945). Op de Defence Overprint is te zien dat er zich nabij het onderzoeksgebied loopgraven bevonden. Ook zijn er nabij het onderzoeksgebied, aan de noordzijde, 6 grote (large) en 3 (small) kleine gebouwen, welke zijn aangeduid als zijnde een HQ (headquarter – hoofdkwartier) van de Duitsers.
Figuur 5: Uitsnede van de geallieerde Defence Overprint Blitterswijk, sheet 4402, G.S.G.S. 4414 Third Edition (A.E.F.) 1945, Eastern Holland 1:25.000 ter hoogte van het onderzoeksgebied.
446-019-VO-02
Pagina 18 van 90
2.4
REEDS UITGEVOERDE RAPPORTAGES
Conform de proceseisen vooronderzoek zoals opgenomen in het WSCS-OCE, heeft ECG een inventarisatie gemaakt van reeds uitgevoerde rapportages door zowel ECG als derden. De eventueel als relevant beoordeelde informatie uit eerder onderzoek wordt verwerkt in de voorliggende rapportage. Rapportage(s) Explosive Clearance Group ECG heeft in (de nabije omgeving van) het onderzoeksgebied geen onderzoek uitgevoerd. Rapportages derden Verder zijn er ECG geen rapportages achterhaald van derden die betrekking hebben op het onderzoeksgebied.
2.5
INDICATIES AFKOMSTIG UIT GERAADPLEEGDE LITERATUUR
Om een eerste indruk te krijgen van mogelijk relevante oorlogshandelingen in en nabij het onderzoeksgebied heeft ECG onder meer de onderstaande (locatiespecifieke) literatuur geraadpleegd. Een compleet overzicht van geraadpleegde literatuur is opgenomen in hoofdstuk 7. ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪
Blondel, M., Oorlog en herstel in Noord-Limburg (Venlo 1981). Cammaert, A.P.M., Tussen twee vuren: fronttijd en evacuatie van de oostelijke Maasoever in Noord- en Midden-Limburg: september 1944-mei 1945 (Assen 1983). Camps, R., De oorlog in Noord-Limburg: terug in de tijd 1940-1990 (Venlo 1981). Daemen, Jan, Op weg naar de bevrijding (Bergen 1995). Haumann, Jacques, Alle Wellse WOII geschriften (Well 2009). Haumann, Jacques, Well in de Tweede Wereldoorlog (Venray 2008). Levels, H. en M. Liefting, Waar blijven de bevrijders: frontperiode Noord- en Midden-Limburg (Roermond 2016). Liebrand, Rudi, Het verhaal van de Maas-Buurttram (Venlo 2013).
In de geraadpleegde literatuur kunnen verwijzingen naar oorlogshandelingen worden aangetroffen welke op basis van de locatiebeschrijvingen herleidbaar zijn naar het onderzoeksgebied. Deze feitelijk herleidbare indicaties zullen in het chronologisch overzicht in paragraaf 2.11 worden opgenomen. Verdere verificatie van de relevantie en herleidbaarheid vindt plaats middels archiefonderzoek en luchtfotoanalyse.
2.6
INDICATIE ONDERZOEK GEMEENTELIJKE, REGIONALE EN PROVINCIALE ARCHIEVEN
De nadruk bij het indicatieonderzoek ligt bij het raadplegen van de diverse archieven op het bestuderen van de stukken van de luchtbeschermingsdienst, de stukken over aangetroffen/geruimde CE en oorlogsschaderapporten.
446-019-VO-02
Pagina 19 van 90
2.6.1
GEMEENTEARCHIEF BERGEN (L.)
Voor dit onderzoek is het gemeentearchief van Bergen geraadpleegd. ECG heeft de archiefstukken van voorgaande archieven in het gemeentearchief Bergen geraadpleegd en geverifieerd. De voor dit specifieke onderzoek door ECG achterhaalde gebeurtenissen, worden in paragraaf 2.11 opgenomen. 2.6.2
REGIONAAL HISTORISCH CENTRUM LIMBURG
In het Regionaal Historisch Centrum Limburg (RHCL) is het archief 07.E09 Militair Gezag Limburg, 1944-1947 geraadpleegd. Het Militair Gezag (MG) was een orgaan dat in de bevrijde delen van Nederland een interim-bestuur moest vestigen zolang er een oorlogstoestand heerste en de regering het gezag nog niet kon overnemen. Het MG hield zich onder meer bezig met het herstel en handhaving van de veiligheid en het weer op gang brengen van het maatschappelijk leven. Dit hield ook in, dat men zich bezighield met luchtbescherming, het herstellen van oorlogsschade, explosievenopruiming etc. Stukken omtrent deze onderwerpen kunnen relevant zijn voor het vooronderzoek.
2.7
LANDELIJKE ARCHIEVEN
2.7.1
NATIONAAL ARCHIEF DEN HAAG
In het Nationaal Archief (NA) is archief 2.04.53.15 Ministerie van Binnenlandse Zaken: Inspectie Bescherming Bevolking tegen Luchtaanvallen, 1937-1946 geraadpleegd. De Inspectie Bescherming Bevolking tegen Luchtaanvallen werd naar aanleiding van de Wet tot Bescherming van de Bevolking tegen Luchtaanvallen, die in 1936 in werking trad, opgericht. De taak van dit overheidsorgaan was de gemeentelijke activiteiten op dit terrein te begeleiden en te controleren. Toen in 1942 de Duitse bezetter de wet verving door de Luchtbeschermingsverordening kwam de luchtbescherming sterker onder controle te staan van de bezetter. De archiefstukken beslaan diverse onderwerpen betreffende de luchtbeschermingsdienst, waaronder door gemeenten ingestuurde rapporten betreffende Geallieerde luchtactiviteiten. Tevens is archief 2.13.210 Commissie van Proefneming met hierin opgenomen afgedwaalde archiefbescheiden van onderdelen van de Artillerie-Inrichtingen en Artillerie onderdelen, (1814-) 1867-1942 geraadpleegd. De Commissie van Proefneming (CvP) was een instelling die zich bezighield met proeven betreffende wapens en artilleriegeschut. In de archiefstukken zijn ook staten opgenomen betreffende plaatsen waar mogelijk onontplofte projectielen zijn gevonden, die wel of niet geruimd zijn, in het begin van de oorlog.
Ook 2.13.71 Archieven van het Ministerie van Defensie te Londen [1940-1941]; Ministerie van Oorlog te Londen [1941-1945]; Departement van Oorlog: Bureau Londen [1945-1947], (1933) 1940-1947 (1974) is geraadpleegd met betrekking tot mogelijk relevante gegevens voor het onderzoeksgebied. Dit betreft het archief van het ministerie van Defensie (later Oorlog) dat vanaf 14 mei 1940 in Londen was gevestigd. Het hield zich onder meer bezig met luchtvaart, militaire operaties en inlichtingen uit Nederland. Ook een onderzoek naar het verloop van de Meidagen van 1940 en de voorbereiding van 446-019-VO-02
Pagina 20 van 90
de terugkeer naar Nederland behoorde tot het takenpakket. Het Bureau Londen hield zich na de bevrijding bezig met de afwikkeling van zaken in Engeland, waarna het in 1947 werd opgeheven. In het NA is het archief 2.04.110 Korps Hulpverleningsdienst van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, 1945-1974 geraadpleegd. Het Korps Hulpverleningsdienst (HVD) nam vanaf juli 1947 de taken van de Mijn- en Munitieopruimingsdienst (M.M.O.D.) over. Eind juli 1947 werd de H.V.D. verantwoordelijk voor het ruimen van explosieven die in de civiele sector werden aangetroffen en vanaf januari 1948 ook voor het ruimen op militaire objecten en terreinen. In 1971 werd de taak van de H.V.D. overgedragen aan de EOD.13 Door middel van het raadplegen van delen van het archief van de Hulpverleningsdienst is getracht inzicht te verkrijgen in mogelijke ruimingen van CE in de periode van ca. 1947 tot en met het begin van de jaren ’70 van de vorige eeuw. Tot slot is 2.13.25 Archief van het Militair Gezag, (1939) 1943-1946 (1956) geraadpleegd. Dit betreft het archief van het overkoepelende orgaan van de Provinciale Militaire Gezagen, zoals toegelicht in paragraaf 2.6.2. De eventueel achterhaalde indicaties worden in paragraaf 2.11 beoordeeld op relevantie en herleidbaarheid. 2.7.2
NIOD INSTITUUT VOOR OORLOGS- HOLOCAUST- EN GENOCIDENSTUDIES AMSTERDAM
Aangezien er uit de literatuurcollectie bij het NIOD geen (niet reeds in de literatuurlijst opgenomen) mogelijk relevante boektitels naar voren kwamen, is het interesseveld voor dit archief naar een aantal aldaar gedeponeerde archieven verschoven. In het NIOD zijn het archief van ‘Generalkommissar für das Sicherheitswesen en Höhere SS- und Polizeiführer’ Hanns Albin Rauter (1892-1949), die was belast met ‘de openbare orde en veiligheid’ in Nederland, en het archief van het Departement van Justitie tussen 1940 en 1945 geraadpleegd, respectievelijk archief 077 Generalkommissariat für das Sicherheitswesen (Höhere SS-und Polizeiführer Nord-West), (1938) 1940-1945 en 216k Departement van Justitie (1935) 1940-1945 (1950). Daarnaast is archief 226B Bureau Inlichtingen – Hoofdbureau London, 1940-1945 en collectie 249-0421 Luchtaanvallen ingezien. De achterhaalde en als relevant beoordeelde indicaties worden in paragraaf 2.11 nader beoordeeld en afgebakend. 2.7.3
NEDERLANDS INSTITUUT VOOR MILITAIRE HISTORIE DEN HAAG
De collecties 575 Duitse verdedigingswerken en inundaties van Nederlands Grondgebied in de oorlog/ Rapporten van militaire aard vanuit bezet Nederland aan Bureau Inlichtingen Londen (collectie 575) 1940-1945 en 409 Gevechtsverslagen en rapporten mei 1940 van het Nederlands
13 J. van Woensel, Vrij van explosieven. De geschiedenis van het EOCKL en zijn voorgangers, 1944-2004 (Meppel 2004) 107
en 142.
446-019-VO-02
Pagina 21 van 90
Instituut voor Militaire Historie (NIMH) in Den Haag zijn geraadpleegd. Er zijn geen gegevens aangetroffen die verwijzen naar (de directe omgeving van) het onderzoeksgebied.
2.8
INTERNATIONALE ARCHIEVEN
ECG beschikt over gegevens uit internationale archieven welke voor dit onderzoek zijn geraadpleegd. Het betreft historische informatie afkomstig uit The National Archives (TNA) te Londen en het Bundesarchiv-Militärarchiv (BAMA) te Freiburg im Breisgau. 2.8.1
THE NATIONAL ARCHIVES LONDEN
ECG beschikt o.a. over de Daily Logs van de Geallieerde 2nd Tactical Airforce (2nd TAF – een Geallieerd luchtleger welke veelvuldig in de periode september 1944-april 1945 boven Nederland actief was). Deze gegevens zijn afkomstig uit The National Archives te Londen. Uit deze gegevens kan in de meeste gevallen (onder andere) informatie worden gehaald omtrent de aanvalsdoelen, het verloop van de gebeurtenissen/gevechtshandelingen en de gehanteerde wapens en/of gebruikte CE. Verder zijn er uit The National Archives archiefstukken bekeken uit AIR 27 Air Ministry And Successors: Operations Record Books, Squadrons en uit WO 171 War Office: Allied Expeditionary Force, North West Europe (British Element): War Diaries, Second World War. In dit laatste archief zijn een aantal War Diaries ingezien van eenheden die mogelijk betrokken zijn geweest bij gebeurtenissen in (de omgeving van) het onderzoeksgebied. 2.8.1.1
OMGANG EN UITGANGSPUNT ONTLENEN GEGEVENS AAN DAILY LOGS
Alvorens de gegevens de Daily Logs verwerkt worden, dienen de volgende zaken opgemerkt te worden. De ervaring leert dat enige terughoudendheid bij het hanteren van de gegevens hieruit op zijn plaats is. Coördinaat aanduidingen, informatie over bommenlast en gevechts-/ bombardementsbeschrijvingen kunnen door allerlei oorzaken niet overeenkomen met de werkelijke gebeurtenissen en/of locaties. Door middel van ander bronnenmateriaal (zoals de Operation Record Books van de betrokken RAF-squadrons) en luchtfotoanalyse zal ECG trachten de (beschreven locaties van de) oorlogshandelingen te verifiëren en (indien relevant) te herleiden. Vermeldingen uit de Daily Logs welke op basis van de omschrijvingen niet kunnen worden herleid naar (de directe omgeving van) het onderzoeksgebied worden buiten beschouwing gelaten. 2.8.1.2
GEALLIEERDEN: NORD DE GUERRE COÖRDINATENSTELSEL
De Geallieerden hanteerden gedurende de Tweede Wereldoorlog onder andere het zogeheten Nord de Guerre coördinatenstelsel. De gegevens uit de Daily Logs, Operation Record Books en War Diaries met de eventueel daarin aangehaalde coördinaten zijn door middel van Geallieerde stafkaarten herleidbaar naar een locatie. Een met vier cijfers aangeduid coördinaat beslaat een kaartvierkant van 1000 bij 1000 meter. Indien een locatie met zes (100 meter) of acht cijfers (10 meter) wordt 446-019-VO-02
Pagina 22 van 90
aangeduid, is het in de meeste gevallen mogelijk een specifiekere positie binnen het desbetreffende kaartvierkant aan te geven. De volgende kaartvierkanten zijn bij het doornemen van de Daily Logs en War Diaries gehanteerd: NORD DE GUERRE COÖRDINAAT:
LOCATIE:
QE8629 QE8630
Onderzoeksgebied Onderzoeksgebied
Tabel 2: Het gehanteerde kaartvierkant met basis coördinaat bij het doornemen van de Daily Logs en War Diaries.
Op de volgende pagina zijn in tekening 446-019-TE-02 de Nord de Guerre-kaartvierkanten ingetekend welke betrekking hebben op het onderzoeksgebied. De eventueel achterhaalde en als relevant beoordeelde indicaties uit geraadpleegde archiefdelen uit The National Archives worden in paragraaf 2.11 nader beoordeeld en afgebakend.
446-019-VO-02
Pagina 23 van 90
2.8.2
BUNDESARCHIV-MILITÄRARCHIV
Het Militärarchiv is een onderdeel van het Duitse Bundesarchiv en is gehuisvest in Freiburg im Breisgau. Deze instelling beheert onder meer het archiefmateriaal en documenten van de Duitse strijdkrachten en het Ministerie van Defensie. Uit de periode van het Deutsches Reich 1933-1945, beheert het onder meer de archieven van de Reichswehr, Wehrmacht en Waffen-SS. Opgemerkt dient te worden dat de archieven door verschillende oorlogsactiviteiten ernstig hebben geleden. De schade aan de collecties wordt als volgt omschreven door het Militärarchiv: “Die Überlieferungen aus der Zeit bis 1945 haben durch Kriegseinwirkungen erhebliche Verluste erlitten. Die Unterlagen der zentralen Dienststellen der Wehrmacht und der Heeresführung, der Dienststellen und der Truppen des Heeres unterhalb der Divisionsebene sowie der Luftwaffe und der Waffen-SS sind weitgehend verlorengegangen. Dagegen haben die Masse der Kriegstagebücher der Kommandobehörden des Heeres und der Divisionsstäbe bis 1943 sowie das Archivgut der Marine den Krieg überdauert. Ebenso blieb das Archivgut der wehrtechnischen Einrichtungen und Dienststellen der Wehrmacht nahezu vollständig erhalten. Der größte Teil der Akten der Preußischen Armee wurde 1945 mit dem Brand des Heeresarchivs Potsdam vernichtet.”14 ECG heeft de beschikking over een aantal Lageberichten van de Duitse Luftwaffenführungsstab uit de periode 1940-1941.
In deze rapporten, die per dag werden opgesteld, werd informatie verzameld omtrent de voortgang van de strijd in de verschillende oorlogsgebieden. Een overzicht van de geraadpleegde archiefstukken is opgenomen in Hoofdstuk 7. De achterhaalde indicaties worden in Paragraaf 2.11 beoordeeld op relevantie en herleidbaarheid.
2.9
GEMELDE EN GERUIMDE EXPLOSIEVEN EOD EN M.M.O.D.
Voor deze bureaustudie is ten behoeve van verder inzicht betreffende eerdere gedocumenteerde ruimingen van Conventionele Explosieven in of nabij het onderzoeksgebied het archief van de Explosieven Opruimings Dienst Defensie (EOD) te Soesterberg bestudeerd. De EOD is eigenaar van twee archieven: het Mijnenveldregister en het archief met de ‘Uitvoeringsopdrachten (UO’s)’ – ook betiteld als ‘Melding Opdracht Ruimrapportage Afdoening (MORA’s)’; de zgn. ruimrapporten. Dit laatstgenoemde archief bevindt zich in het Semistatisch archiefdiensten Ministerie Defensie (SSA) te Rijswijk. Een nadeel van deze bron is dat deze niet volledig is: over de meldingen/ruimingen tussen 1940-1944 en 1947/1948-1971 zijn bij de EOD en het SSA nauwelijks gegevens beschikbaar. Eventuele meldingen of ruimingen van (vermoede) explosieven in of direct grenzend aan het onderzoeksgebied over de periode medio 2010-2019 zijn digitaal raadpleegbaar bij de EOD.
14 https://www.bundesarchiv.de/DE/Content/Artikel/Benutzen/Hinweise-zur-Benutzung/benutzen-hinweise-militaerische-
unterlagen.html (geraadpleegd: november 2019).
446-019-VO-02
Pagina 25 van 90
2.9.1
ARCHIEF UITVOERINGSOPDRACHTEN EXPLOSIEVEN OPRUIMINGSDIENST DEFENSIE
Een bron bij het beantwoorden van de vraag of er in (de directe omgeving van) het onderzoeksgebied vanaf de jaren ’70 mogelijk al Conventionele Explosieven zijn aangetroffen, is het meldingsarchief van de Explosieven Opruimingsdienst Defensie in Rijswijk. In dit archief worden de meldingen bewaard van vermoede/geruimde explosieven uit de omgeving van het onderzoeksgebied, zoals die bij de EOD tot op heden bekend zijn.15 MELDING NR.: DATUM:16
LOCATIE:
AANGETROFFEN:
19721551 19741060 19742300 19742428 19742463 19780766 19801873 19801968 19802917 19803558
06-07-1972 18-04-1974 30-08-1974 11-09-1974 15-09-1974 03-04-1978 04-06-1980 11-06-1980 12-09-1980 10-11-1980
Wezerweg Sterrenbos 53 Kasteel Kasteellaan 5 Wezerweg Kasteellaan 11 Wezerweg Rijksweg Wezerweg Wezerweg
19812945
24-09-1981
Knikkerdorp 6
19812979 19831615
28-09-1981 02-06-1983
Wezerweg Wezerweg 9
19833744
17-11-1983
Rijksweg
19840039 19842155 19850532
04-01-1984 25-06-1984 18-03-1985
Wezerweg 12 Knikkerdorp Wezerweg 20
19860698
02-04-1986
Knikkerdorp
19864028 19871424 19981499 20011554 20020306
02-12-1986 26-05-1987 20-07-1998 01-10-2001 16-03-2002
Kasteellaan Knikkerdorpweg 8 Moleneind 15 Knikkerdorpweg 1 Wezenweg 24
20050610 20051633
03-05-2005 08-11-2005
Papenbeek 31 Wezerweg 9a te Well.
20061409 20070896
15-09-2006 30-05-2007
Kasteellaan 20 Knikkerdorp/Rijksweg
Een aantal projectielen 1x handgranaat, Mills 36, met slagpijp en slagpen 1x mortiergranaat van 25 cm lang, met vinnen 1x granaat van 10 cm lang 1x brisantgranaat; 3,7” met tijdschokbuis 1x rookgranaat; 25 pond, leeg Geen explosief aangetroffen 50x klein kaliber munitie 1x brisantgranaat van 3,7”, met mechanische tijdsbuis 1x brisant pantsergranaat van 75 mm, met bodembuis, M66-serie 1x brisantgranaat van 25 pond, met schokbuis, nr. 117, (verschoten) VZA 1x brisantgranaat van 3,7”, met mechanische tijdsbuis, Nr. 207/208 1x brisantgranaat van 5,5”, met schokbuis 117, (verschoten) 1x Pantserfaust 4x tijdschokbuis, nr.222 1x brisantgranaat van 3,7”, met restant ontsteker, (verschoten) 1x brisantgranaat van 10 cm mortier, met WGRZ 6x brisantgranaat van 10 cm mortier, zonder ontsteker Geen explosief aangetroffen 1x rookgranaat; 25 pond, leeg 1x handgranaat, Mills 36, zonder vertragende slagpin 1x geweergranaat, nr30, (verschoten) 2x brisantgranaat van 75 mm, met schokbuis M48, niet (verschoten) 2x rookgranaat; 25 pond, leeg, met restant tijdsbuis 1x brisantgranaat van 3,7”, met restant ontsteker, (verschoten) 2x rookgranaat; 25 pond, leeg, met restant tijdsbuis 1x brisantgranaat van 2” mortier, met schokbuis nr151/161, zonder staartstuk
15 Om een zo nauwkeurig mogelijk beeld te kunnen schetsen of een gebied bloot heeft gestaan aan een bepaald soort
oorlogshandelingen (beschietingen, bombardementen etc.), hanteert ECG een ruimere afbakening rondom het onderzoeksgebied bij het aanvragen van de meldings- en ruimrapporten. 16 Meldingsdatum.
446-019-VO-02
Pagina 26 van 90
MELDING NR.: DATUM:16
LOCATIE:
AANGETROFFEN:
20101600
02-11-2010
Wezerweg 9a
20131097
25-06-2013
Weezerweg
20131437
21-08-2013
Wezerweg
20140134
12-01-2014
Wezerweg
20170914
20-05-2017
Papenbeek 47
1x rookgranaat; 25 pdr met tijdschokbuis No 221 serie (verschoten) 1x brisantgranaat; 40 mm Mk 11 met restant schokbuis M64 (US) (niet verschoten) 1x brisantgranaat; 3.7 inch met restant mechanische tijdbuis No 208 (UK) (verschoten) 1x lichtgranaat; 2 inch mortier (verschoten) 1x pantserbrandgranaat; 20 mm (UK) (verschoten) 1x scherfhandgranaat; No 36 (Mills) zonder slagpin 1x brisantpantsergranaat; 5 cm G39 met bodembuis BdZ 5103 (D) (niet verschoten)
Tabel 3: Meldingen en ruimingen van mogelijke Conventionele Explosieven in het onderzoeksgebied.
Uit het overzicht komt naar voren dat er vooral granaten zijn aangetroffen in de nabijheid van het onderzoeksgebied. In Figuur 6 op de volgende pagina worden de te herleiden ruimingen weergegeven op een kaart.
446-019-VO-02
Pagina 27 van 90
Figuur 6: De geografisch herleidbare ruimingen, verkenningen en zoekacties nabij het onderzoeksgebied.
2.9.2
ARCHIEF M.M.O.D. SEMISTATISCHE ARCHIEFDIENSTEN MINISTERIE DEFENSIE RIJSWIJK
In het Semistatisch Archief van Defensie te Rijswijk bevindt zich eveneens het archief van de Mijn- en Munitieopruimingsdienst (M.M.O.D). Deze dienst was in de periode 1945-1947 verantwoordelijk voor het opruimen van mijnen en achtergelaten munitie. Het archief bestaat uit meldingen, kaarten, plattegronden en ruimingrapporten uit diverse Nederlandse gemeenten. De achterhaalde indicaties worden in paragraaf 2.11 beoordeeld op relevantie en herleidbaarheid. 2.9.3
MIJNENVELDREGISTER
Gedurende de oorlog zijn door de strijdende partijen mijnenvelden ingericht. Deze velden werden voor verschillende doeleinden aangelegd: bescherming, verdediging, het stoppen of desorganiseren 446-019-VO-02
Pagina 28 van 90
van de vijandelijke opmars. Daarnaast werden zogenaamde “schijnmijnenvelden” aangelegd. Een dergelijk veld bevatte geen explosieven en had ten doel de vijandelijke opmars te vertragen. Het soort (antitank- of antipersoneelmijnen) en aantal gelegde mijnen binnen een mijnenveld was afhankelijk van de functie van het veld. Na de oorlog zijn de mijnenvelden in Nederland (voor zover bekend) in kaart gebracht in zogenaamde “mijnenboeken”. Deze mijnenkaarten zijn in het bezit van de EOD. ECG heeft bij de EOD navraag gedaan of er voor de onderzoeksgebieden mijnenvelden zijn gedocumenteerd. Indien er mijnenvelden zijn geregistreerd, dan zijn deze met rood ingetekend op de kaart. Uit de door de EOD aangeleverde gegevens blijkt dat er mijnenvelden in en nabij het onderzoeksgebied was geregistreerd. De betreffende mijnenvelden zijn in het verleden geruimd, zoals blijkt uit Tabel 4. Naar aanleiding van de gegevens in de ruimrapporten wordt er daarom geen verdacht gebied afgebakend met betrekking tot het aantreffen van mijnen. In het figuur op de volgende pagina (Figuur 7) is het onderzoeksgebied geprojecteerd op de mijnenkaarten 4402 Blitterswijk.
446-019-VO-02
Pagina 29 van 90
Figuur 7: De door de EOD aangeleverde gegevens omtrent mijnenvelden in (de buurt van) het onderzoeksgebied.
446-019-VO-02
Pagina 30 van 90
NUMMER/ KAART MIJNENVELD:
TYPE BRON:
DATUM WAAROP
ONDERDEEL DAT
AANTAL EN
AANTAL EN
WAAROP HET
MIJNENVELD
AANTAL EN TYPE MIJNEN GELEGD:
MIJNENVELD
MIJNEN HEEFT
TYPE MIJNEN
TYPE MIJNEN
MIJNENVELD
LEGDE/ BRON VAN INLICHTINGEN: 2 coy engineer btl 46 R-mines 43 180
WERD GERUIMD:
GERUIMD:
GERUIMD:
VERMIST:
22G/4402
RR
03-02-1945
21-09-1945
3 coy engineer btl 346
None
RR
?
?
?
?
RR
03-02-1945
2 coy engineer btl 20 R-mines 43 180 15 schu-mines 42
21-09-1945
RR
?
?
?
17
PLATTEGROND MIJNENVELD UIT RUIMINGRAPPORT:18
DATUM
ONDERDEEL DAT
WERD GELEGD:
78G/4402
?
?
OPMERKINGEN:
RELEVANTIE ONDERZOEKSGEBIED:
46 R-mines 43
All the area has been checked and nothing found.
Niet relevant: Middels een aanwijzing, niet zijnde een mijnenlegrapport, op landmijnen verdacht verklaard gebied. Bij ruiming zijn geen landmijnen aangetroffen.
?
?
Die Minenfelder nr. 22 und nr. 23 wurden am 21.9.45 durch 3.Pi.Btl.346 nachgesucht. Die waren bereits geraumt.
3 coy engineer btl 346
None
20 R-mines 43 15 schumines 42
All the area has been checked and nothing found.
?
?
?
Die Minenfelder nr. 78 wurde am 21.9.45 durch 3.Pi.Btl.346 nachgesucht. Er war bereits geraumt.
17 RR=mijnenruimrapport, LR=mijnenlegrapport. Alle in de tabel geanalyseerde ruiminggegevens zijn aangeleverd door de EOD. 18 Doordat sommige op mijnen verdachte gebieden in fases werden geruimd, kunnen de mijnenvelden zoals weergegeven op de voorgaande overzichtskaarten afwijken van de plattegronden zoals in de tabel opgenomen.
446-019-VO-02
Pagina 31 van 90
Niet relevant: Middels een aanwijzing, niet zijnde een mijnenlegrapport, op landmijnen verdacht verklaard gebied. Bij ruiming zijn geen landmijnen aangetroffen.
NUMMER/ KAART MIJNENVELD:
TYPE BRON:
DATUM WAAROP
ONDERDEEL DAT
AANTAL EN
AANTAL EN
WAAROP HET
MIJNENVELD
AANTAL EN TYPE MIJNEN GELEGD:
MIJNENVELD
MIJNEN HEEFT
TYPE MIJNEN
TYPE MIJNEN
MIJNENVELD
LEGDE/ BRON VAN INLICHTINGEN: 2 coy engineer btl 8 R-mines 43 180
WERD GERUIMD:
GERUIMD:
GERUIMD:
VERMIST:
85G/4402
RR
10-02-1945
21-09-1945
3 coy engineer btl 346
None
RR
?
?
?
?
RR
10-02-1945
2 coy engineer btl 24 T-Mines 42 180 12 Schu-mines 42
21-09-1945
RR
-
-
20-08-1945
17
PLATTEGROND MIJNENVELD UIT RUIMINGRAPPORT:18
DATUM
ONDERDEEL DAT
WERD GELEGD:
86G/4402
446-019-VO-02
?
-
Pagina 32 van 90
OPMERKINGEN:
RELEVANTIE ONDERZOEKSGEBIED:
8 R-mines 43
All the area has been checked and nothing found.
Niet relevant: Middels een aanwijzing, niet zijnde een mijnenlegrapport, op landmijnen verdacht verklaard gebied. Bij ruiming zijn geen landmijnen aangetroffen.
?
?
Die Minenfelder nr. 85 wurde am 21.9.45 durch 3.Pi.Btl.346 nachgesucht. Er war bereits geraumt.
3 coy engineer btl 346
None
24 T-Mines 42 12 Schumines 42
All the area has been checked and nothing found.
Dutch B. D. section 21/22
4 Schuminen
-
-
Niet relevant: Middels een aanwijzing, niet zijnde een mijnenlegrapport, op landmijnen verdacht verklaard gebied. Bij ruiming zijn geen landmijnen aangetroffen.
NUMMER/ KAART MIJNENVELD:
TYPE BRON: 17
PLATTEGROND MIJNENVELD UIT RUIMINGRAPPORT:18
DATUM
ONDERDEEL DAT
WAAROP HET
MIJNENVELD
MIJNENVELD
RR
?
LEGDE/ BRON VAN INLICHTINGEN: ?
RR
Unknown
Unknown
WERD GELEGD:
97G/4402
AANTAL EN TYPE MIJNEN GELEGD:
DATUM WAAROP
ONDERDEEL DAT
AANTAL EN
AANTAL EN
MIJNENVELD
MIJNEN HEEFT
TYPE MIJNEN
TYPE MIJNEN
WERD GERUIMD:
GERUIMD:
GERUIMD:
VERMIST:
?
?
?
?
?
Die Minenfelder nr. 86 wurde am 21.9.45 durch 3.Pi.Btl.346 nachgesucht. Er war bereits geraumt.
Unknown
22-11-1945
1 coy engineer btl 346
1 R-mine
Unknown
At 66/235: 26 T-mines and 4 Pz.-fäuste unburried.
Tabel 4: Analyse van de door de EOD aangeleverde gegevens betreffende de mijnenvelden nabij het onderzoeksgebied.
446-019-VO-02
Pagina 33 van 90
OPMERKINGEN:
RELEVANTIE ONDERZOEKSGEBIED:
Niet relevant: Middels een aanwijzing, niet zijnde een mijnenlegrapport, op landmijnen verdacht verklaard gebied. Bij ruiming zijn geen landmijnen aangetroffen.
2.10 LUCHTFOTO INTERPRETATIE Luchtfoto’s uit de Tweede Wereldoorlog kunnen in een aantal gevallen een bruikbare bron vormen bij het vergaren van informatie betreffende de mogelijke aanwezigheid van Conventionele Explosieven. 2.10.1
DOEL VAN DE LUCHTFOTO INTERPRETATIE Het primaire doel van de luchtfoto interpretatie is het vaststellen of een gebied zichtbaar betrokken is geweest bij oorlogshandelingen. Met andere woorden: zijn er sporen waarneembaar van kraters, stellingen (militaire werken), vernielde of beschadigde bebouwing en andere oorlog gerelateerde handelingen. Ten gevolge van deze constatering kan een inschatting worden gemaakt of er een verhoogde kans bestaat op het aantreffen van achtergebleven Conventionele Explosieven. Luchtfoto’s kunnen in de meeste gevallen als een betrouwbare bron worden geclassificeerd, waarmee tevens indicaties geografisch herleid en geverifieerd kunnen worden.
2.10.2
METHODIEK Er zijn meerdere typen luchtfoto’s hetgeen onder andere te maken heeft met de opnamehoek. De meest bruikbare voor interpretatie zijn de zgn. verticals. Het interpreteren van deze luchtfoto’s gebeurt op diverse manieren. Eenvoudig gesteld: de foto’s worden zo nauwkeurig mogelijk geanalyseerd op zichtbare verstoringen die mogelijk in verband staan met oorlogshandelingen. Een aantal van de geselecteerde foto’s heeft de overlapping en kwaliteit om het stereoscopisch interpreteren (creëren van diepte voor dimensionaal inzicht door middel van het gebruik beeldparen) mogelijk te maken. Vervolgens worden middels georeferentie en georectificatie (door middel van ArcGIS Pro) de luchtfoto's zo exact mogelijk gepositioneerd op een recente ondergrond om de analyseresultaten te transponeren naar de hedendaagse situatie.19
2.10.3
GRENZEN EN MOGELIJKHEDEN VAN LUCHTFOTO INTERPRETATIE Het hanteren van luchtfoto’s bij explosievenonderzoek wordt sterk beïnvloed door een aantal kwaliteits- en randvoorwaarden: ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪