Rotonde Well N271 vastgesteld Toelichting
Tekst van het document
Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen die kans 10-5 (één op 100.000) en een contour waarbinnen deze kans 10-6 (één op 1.000.000) bedraagt. Binnen deze contour mogen in ieder geval geen kwetsbare objecten (onder andere scholen, gebouwen waar zich veel mensen bevinden en gebouwen waar zich minder zelfredzame personen kunnen bevinden) aanwezig zijn of geprojecteerd worden.
Groepsrisico Het groepsrisico is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Voor de contour van het groepsrisico geldt in ieder geval dat het niet wenselijk is om hier kwetsbare bestemmingen toe te staan. Het streven moet zijn om het aantal personen binnen het invloedsgebied onder de oriëntatiewaarde en waar mogelijk zo laag mogelijk te houden.
Met behulp van de provinciale risicokaart externe veiligheid is gekeken naar de risico's in de omgeving van het planinitiatief. In onderstaande afbeelding is de risicokaart opgenomen.
| bestemmingsplan Rotonde Well N271 | status: vastgesteld |
Pagina | 3 4
Figuur 16: uitsnede risicokaart
Risico's uit de omgeving In of in de directe omgeving van het plangebied zijn stationaire bronnen en/of mobiele bronnen aanwezig, namelijk een LPG-tankstation. Voor personen die zich bevinden op een transportas geldt dat deze niet worden meegeteld bij de bepaling van het plaatsgebonden en groepsrisico tenzij deze personen zich gedurende langere tijd op deze transportas bevinden. In dit geval is dit hiervan geen sprake. Het LPG-tankstation 'BP Well' heeft dus geen impact op de reconstructie van de N271.
Risico's als gevolg van reconstructie N271 De N271 zelf is echter ook een risicobron (route gevaarlijke stoffen). Om de vraag te beantwoorden of de reconstructie van de weg invloed heeft op het externe veiligheidsrisico, is door Lievense op 25 juni 2020 een onderzoek hiernaar uitgevoerd (integraal als bijlage toegevoegd aan het bestemmingsplan). Hierin is geconstateerd dat gezien de ligging van woningen ten opzichte van de N271 op basis van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) het groepsrisico dient te worden verantwoord. Op grond van Artikel 7 dient in te worden gegaan op de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op de weg: Zelfredzaamheid Voor zover bekend is er in de directe omgeving van de N271 ter plaatse geen sprake van de aanwezigheid van groepen beperkt zelfredzame personen. Zelfredzaamheid wordt daarom voldoende geacht. Daarnaast dient in geval van een calamiteit tijdig gewaarschuwd te worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het Waarschuwing Alarm Systeem (WAS) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding. Bestrijdbaarheid De infrastructuur wijzigt niet op een manier die het huidig niveau van bestrijdbaarheid verlaagt.
| bestemmingsplan Rotonde Well N271 | status: vastgesteld |
Pagina | 3 5
Risicocommunicatie Risicocommunicatie naar burgers vindt plaats via www.risicokaart.nl en via de ter inzage legging van het ruimtelijk plan. Onderdeel b. van Artikel 7 is in deze situatie niet van toepassing. Op grond van Artikel 8 lid 2 onderdeel a van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) hoeft het groepsrisico niet verder verantwoord te worden. Op grond van Artikel 9 van het Bevt dient het bevoegd gezag bij de voorbereiding van het bestemmingsplan of omgevingsvergunning het bestuur van de veiligheidsregio in wiens regio het gebied ligt waarop dit plan of de vergunning betrekking heeft, in de gelegenheid te stellen advies uit te brengen over bovengenoemde onderwerpen.
Conclusie Uit de toetsingen blijkt dat er zowel in de huidige als de toekomstige situatie geen sprake is van een 10-5 en 10-6 contour voor het plaatsgebonden risico. Tevens blijkt dat zowel in de huidige als in de toekomstige situatie het groepsrisico beduidend lager is dan 10% van de oriëntatiewaarde. Op basis van het bovenstaande kan er worden geconcludeerd dat het plan geen consequenties heeft voor de omgeving in relatie tot externe veiligheid. Ten aanzien van bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid is advies ingewonnen bij de Veiligheidsregio.
Advies Veiligheidsregio Limburg-Noord Op 1 maart 2022 heeft de Veiligheidsregio Limburg-Noord advies uitgebracht over het onderzoek. In het advies (dat integraal als bijlage is bijgevoegd) is het volgende geconcludeerd: Voor de reguliere incidentbestrijding in het gebied is het van belang dat het gebied zodanig ingericht wordt dat de hulpdiensten kunnen optreden. Daarnaast kunnen er maatregelen getroffen worden om de effecten van een incident in de omgeving van de N271 te beperken.
Wijzigen van de provinciale weg N271 en de aanleg van een rotonde N271 (Moleneind) Advies aan initiatiefnemer: • Onderzoek de mogelijkheid voor de aanleg van een greppel of zandwal om te voorkomen dat bij een incident met een brandbare vloeistof deze het omliggende gebied in kan stromen. • Voor een effectieve bestrijding van een brand in het gebied is aanvullend een bluswatervoorziening nodig. Advies is in de omgeving een geboorde put met een capaciteit van minimaal 90 m3/uur aan te leggen. Ga hiervoor in overleg met brandweer Limburg-Noord; • Verklein de kans op een ongeval door de snelheid op dit deel van de N271 (rotonde Knikkerdorp – Bosserheide) te verlagen.
| bestemmingsplan Rotonde Well N271 | status: vastgesteld |
Pagina | 3 6
Advies aan gemeente: •Zorg dat de personen in het plangebied op de hoogte zijn van de risico’s (incident met gevaarlijke stoffen) die op hen van toepassing zijn door toepassing van de risico communicatie; •Brandweerzorgnorm. Gaarne kennis te nemen van een overschrijding van de opkomsttijd van de tankautospuit Bergen van enkele minuten. Eventueel te nemen maatregelen zijn uiteengezet in het "Dekkingsplan werkexemplaar 1.06 gemeente Bergen".
Restrisico De beschouwde risicobronnen kunnen in relatie tot het plan leiden tot ongevallen met grote gevolgen voor de omgeving die voor hulpverleningsdiensten lastig beheersbaar zijn. De geadviseerde maatregelen bevorderen de zelfredzaamheid in het plangebied en kunnen de effecten van ongevallen sterk reduceren tot een omvang die beter beheersof bestrijdbaar wordt geacht door de hulpverleningsdiensten.
Bovenstaande adviezen van de Veiligheidsregio zijn in overweging genomen: - de rotonde is zo ingericht dat via een greppel voorkomen wordt dat brandbare vloeistof het omliggende gebied in kan stromen. - via het 'nutsoverleg' zal overleg met de Veiligheidsregio plaatsvinden over de mogelijkheden van plaatsing van een bluswatervoorziening - de realisatie van de rotonde is gericht op het vergroten van de verkeersveiligheid. De kans op een ongeval is in de nieuwe situatie dus afgenomen ten opzichte van de huidige situatie, en daarmee veiliger. - via deze paragraaf in het bestemmingsplan en het advies van de Veiligheidsregio dat als bijlage is opgenomen is de omgeving gewezen op de risico's op een incident met gevaarlijke stoffen. Het betreft een risico dat met realisatie van de rotonde afneemt. - De gemeente Bergen heeft kennis genomen van een overschrijding van de opkomsttijd van de tankautospuit. Deze constatering maakt niet dat we de rotonde niet gaan aanleggen.
Per saldo doet zich dus geen verhoogd risico voor met betrekking tot het aspect externe veiligheid, gerelateerd aan de huidige situatie binnen het plangebied en het aspect externe veiligheid geeft geen belemmeringen voor onderhavig project.
| bestemmingsplan Rotonde Well N271 | status: vastgesteld |
Pagina | 3 7
5.2
Waterparagraaf
5.2.1
Waterbeleid
Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Waterschap Limburg. In het kader van het beleid van zowel de gemeente Bergen als het waterschap dient binnen het plangebied een duurzaam waterhuishoudkundig systeem gerealiseerd te worden. Concreet betekent dit dat er sprake moet zijn van gescheiden schoon- en vuilwaterstromen die afzonderlijk worden verwerkt. Vanuit het waterschap Limburg gelden daarbij de volgende uitgangspunten: afkoppelen van 100% van het verhard oppervlak, waarbij de beslisboom verantwoord afkoppelen van toepassing is; de trits vasthouden-bergen-afvoeren is van toepassing, waarbij hergebruik dan wel infiltratie van schoon regenwater de voorkeur heeft; verontreiniging van het water dient door bronmaatregelen voorkomen te worden; grondwateroverlast dient voorkomen te worden; een gelimiteerde afvoer naar het oppervlaktewatersysteem is toegestaan.
5.2.2
Watertoets
Door Lievense is in een separate rapportage de watertoets uitgevoerd. Deze rapportage is als bijlage toegevoegd aan dit bestemmingsplan. Uit deze watertoets blijkt dat het afstromend hemelwater op adequate wijze wordt verwerkt. Het Waterschap Limburg heeft aangegeven te kunnen instemmen met de conclusies uit de watertoets.
5.3
Kabels en leidingen
Het plangebied is niet gelegen binnen een (hinder)zone of werkstrook van hoofdleidingen voor olie of water en hoogspanningsleidingen. Initiatiefnemer heeft in het najaar van 2018 een Klic-melding laten doen, zodat ook rekening gehouden kan worden met de ligging van de gebruikelijke leidingen en kabels.
Het plangebied is verder niet gelegen binnen een obstakelbeheer- of radarverstoringsgebied van een civiel of militair luchtvaartterrein en over het plangebied loopt geen straalpad van telecomaanbieders zodat er geen belemmeringen zijn voor dit bestemmingsplan.
5.4
Wet natuurbescherming
Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wn) in werking getreden. Deze vervangt drie wetten; de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. De gebiedsbescherming wordt geregeld in hoofdstuk 2 van de Wn. Met de Wn wordt een eind gemaakt aan de discussies over de implementatie van de Europese richtlijnen. Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijk voor het Natuurnetwerk Nederland. Het NNN van de provincie Limburg is vastgelegd in de Provinciale Omgevingsverordening 2021. In deze
| bestemmingsplan Rotonde Well N271 | status: vastgesteld |
Pagina | 3 8
verordening worden twee natuurzones onderscheiden: het natuurnetwerk en de groenblauwe mantel. Binnen het natuurnetwerk gelden als wezenlijke kenmerken en waarden, in bestaande en nog te realiseren natuurgebieden de aanwezige en potentiële natuurwaarden vertaald in natuurbeheertypen zoals vastgelegd op de natuurbeheertypenkaart en de ambitiekaart van het natuurbeheerplan. Verder behoren tot de wezenlijke kenmerken en waarden de beschermde soorten, de geomorfologische en aardkundige waarden en processen, het cultuurhistorisch erfgoed, de waterhuishouding, kwaliteit van bodem, water en lucht, rust, stilte, donkerte, openheid of juist geslotenheid van de landschapsstructuur. De kernkwaliteiten in de groenblauwe mantel betreffen: a. het groene karakter; b. het visueel-ruimtelijk karakter; c. het cultuurhistorisch erfgoed; d. het reliëf; e. ruimte voor water en waterberging in de laagten en beekdalen. In paragraaf 3.2.2 van deze plantoelichting is deze doelstelling binnen het natuurnetwerk al nader beschouwd; hiernaar wordt op deze plek dan ook verwezen. Het project ziet verder niet op nieuwe ontwikkelingen binnen de groenblauwe mantel.
Figuur 18: Uitsnede kaart provinciale Omgevingsverordening
Het plan grenst aan het Natura 2000-gebied de Maasduinen, maar is niet gelegen binnen de grenzen van het gebied. In de directe omgeving op ruim 4 km afstand ligt tevens het Natura
| bestemmingsplan Rotonde Well N271 | status: vastgesteld |
Pagina | 3 9
2000-gebied de Boschhuizerbergen. Met de inwerkingtreding van het Programma Aanpak Stikstof (PAS) dient het projecteffect van het plan op Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige natuur te worden bepaald. Het projecteffect van een weg wordt berekend door het verschil in stikstofdepositie tussen de toekomstige situatie en autonome ontwikkeling te bepalen. Afhankelijk van de hoogte van het projecteffect kan eventueel een melding of vergunning en nader onderzoek noodzakelijk zijn. Na de uitspraak van de Raad van State (d.d. 29 mei 2019) mag het Programma Aanpak Stikstof (PAS) niet meer als basis voor toestemming voor activiteiten die stikstof uitstoten worden gebruikt. Daarom moet per activiteit duidelijk worden gemaakt dat beschermde natuurgebieden daardoor niet worden aangetast. Het beoogde plan mag geen negatieve effecten veroorzaken op de omliggende Natura 2000-gebieden. Met het programma Aerius Calculator wordt de depositie van stikstofverbindingen in de vorm van ammoniak (NH3) en stikstofoxiden (NOx) op het oppervlak van de omliggende Natura 2000-gebieden inzichtelijk gemaakt. Bij een projecteffect van 0,00 mol/ha/jaar zorgt het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie en worden negatieve effecten uitgesloten.
Met behulp van het rekenprogramma Aerius Calculator is door Lievense de depositiebijdrage vanwege de beoogde situatie berekend ter plaatse van nabijgelegen gevoelige habitattypen in de voor het plan relevante Natura 2000-gebieden. Deze rapportage is integraal als bijlage 8 bij de planstukken gevoegd. Uit deze rapportage blijkt dat de in het onderzoek voorgestelde mitigatie tot gevolg heeft dat het oppervlak van het leefgebied van de zwarte specht waar een toename van stikstofdepositie wordt berekend, aanzienlijk afneemt. Zwarte spechten beschikken over grote territoria, daarnaast zijn in het gebied met een toename van de depositie slecht een beperkt aantal mierennesten waargenomen. Daarom is het uitgesloten dat een lichte verslechtering van kwaliteit van dit onderdeel binnen het mogelijk aanwezige territorium leidt tot een significant negatief effect. Het huidige territorium, indien dit aanwezig is, dat overlapt met het gebied waarin de invloedssfeer van de verhoogde depositie plaatsvindt, blijft gehandhaafd. Hierdoor is geen sprake van een significant negatief effect. De nachtzwaluw kent een gunstige staat van instandhouding, de instandhoudingsdoelstelling wordt sinds 2016 ruimschoots gehaald. Het leefgebied is van voldoende kwaliteit met het oog op de instandhoudingsdoelstelling van de nachtzwaluw.
Een lichte verslechtering van een klein deel van het leefgebied van de nachtzwaluw heeft geen gevolgen voor de instandhoudingsdoelstelling. Hierdoor is geen sprake van een significant negatief effect. Door het extern salderen (naar aanleiding van overleg tussen de gemeente Bergen en de Provincie Limburg is het veehouderijbedrijf aan de Elsteren 13 aangedragen als saldogevend bedrijf ten behoeve van extern salderen) is er daarnaast geen sprake van een toename van de stikstofdepositie op de aanwezige habitattypen. Ter aanvulling kan de volgende maatregel worden ingezet om de kwaliteit van het leefgebied op kleine schaal te verbeteren: Gekapte bomen deels inzetten om de aanwezigheid van liggend dood hout in het aangrenzende bosgedeelte te verhogen. Liggende stammen of takkenrillen zijn gunstig voor de insectenfauna, waaronder ook boktorren en mieren. Dit dient uitgevoerd te worden in overleg met de gebiedsbeheerder.
| bestemmingsplan Rotonde Well N271 | status: vastgesteld |
Pagina | 4 0
Voor de bouwfase geldt dat op een groter gebied een tijdelijke toename van de stikstofdepositie wordt berekend. De gevolgen van een tijdelijke depositie van maximaal 0,1 mol N/ha/jaar, zijn te verwaarlozen en leiden niet tot significant negatieve gevolgen voor de ontwikkeling van stuifzandheiden met struikhei, zuur ven,hoogveenbossen, zure vennen, vochtige heiden (hogere zandgronden), oude eikenbossen, kamgrasweiden & bloemrijk weidevogelgrasland van het zand en veengebied, pioniersvegetaties met snavelbiezen of vochtige alluciale bossen (beekbegeleidende bossen). Voor de leefgebieden zijn ook in de bouwfase significant negatieve effecten uitgesloten. Voor de habitattypen Zandverstuivingen en Droge Heiden geldt dat de geringe en eenmalige toename van de depositie niet leidt niet tot negatieve effecten op deze habitattypen. De aanleg van de rotonde bij Well leidt in de toekomst niet tot een verzwaring van de uitbreidingsopgave voor zowel oppervlak als kwaliteit. Daarnaast neemt de beheeropgave niet toe. Negatieve effecten zijn uit te sluiten. Daarnaast geldt dat in de gebruiksfase, als gevolg van de saldering, sprake van een afname aan stikstofdepositie bij diverse habitattypen binnen het Natura 2000-gebied Maasduinen. Hierdoor draagt de toekomstige situatie juist bij aan het herstel van aanwezige habitattypes.
Geconcludeerd wordt dat, mede als gevolg van het extern salderen, het aspect stikstofdepositie niet aan de ontwikkeling in de weg staat, mits de hiertoe benodigde vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming wordt verleend en de milieuvergunning van het bedrijf aan Elsteren 13 hierop wordt aangepast en het maximaal te houden aantal dieren wordt gereduceerd. Om te waarborgen dat deze externe saldering ook zal plaatsvinden, is een voorwaardelijke verplichtinmg opgenomen in de planregels.
5.5
Flora en fauna
In artikel 3.1 Wn wordt direct een link gelegd met de Vogelrichtliijn. Alle vogels die beschermd zijn op grond van artikel 1 Vogelrichtlijn vallen onder het beschermingsregime van de artikel 3.1 Wn, voor zover deze vogels van nature in Nederland voorkomen. Artikel 3.1 eerste lid Wn ziet op het verbod om vogels te doden of vangen. De verboden in de Wn zijn vrijwel letterlijk overgenomen uit de artikelen 5 en 6 Vogelrichtlijn. Net als de in de Vogelrichtlijn zijn de verboden beperkt tot opzettelijke handelingen. Het beschermingsregime voor vogels is iets versoepeld ten opzichte van het systeem onder de Flora en faunawet. Het verbod op het opzettelijk verstoren van vogels is beperkt tot verstoringen die van “wezenlijke invloed” zijn op de staat van instandhouding van de soort. Onder wezenlijke invloed wordt verstaan: “een wezenlijke negatieve invloed op een beschermde soort”. Of daar sprake van is hangt af van de populatie van de diersoort. Hoe zeldzamer de soort hoe groter de kans dat naar bijvoorbeeld een lokale populatie moet worden gekeken. Daarnaast is van belang of de populatie een negatief effect zelf teniet kan doen, bijvoorbeeld of er voldoende uitwijkmogelijkheden zijn naar een volwaardig leefgebied elders. Als een populatie het effect niet zelf teniet kan doen is de kans groter dat het effect als wezenlijke invloed kan worden aangemerkt.
Bij vogels is verstoring tijdens het broedseizoen niet langer verboden als de gunstige staat van instandhouding niet in gevaar is. De wet voorziet in ruime mogelijkheden voor het verlenen van vrijstellingen, ook voor vogels en strikt beschermde soorten. Bij het verlenen van de vrijstelling moet aan dezelfde voorwaarden
| bestemmingsplan Rotonde Well N271 | status: vastgesteld |
Pagina | 4 1
worden voldaan als bij het verlenen van de vroegere ontheffing. Een ontheffing van een verbod ex artikel 3.1 Wn kan slechts worden verleend indien: er geen andere bevredigende oplossing voorhanden is; er geen sprake is van verslechtering van de staat van instandhouding van de soort; en er een limitatief opgesomde ontheffingsgrond aan de ontheffing ten grondslag kan worden gelegd. Natuurtoets Op 8 maart 2019 is door Econsultancy BV een natuurtoets uitgevoerd. De natuurtoets is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging en heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen in-greep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. De initiatiefnemer is voornemens de openbare wegen Sterrenbos, Moleneind, Wezerweg en Kasteellaan middels een te realiseren rotonde te verbinden. De Wezerweg dient hiervoor verlegd te worden waardoor diverse bomen gekapt moeten worden.
Daarbij worden enkele bomen ter plaatse van de parkeerplaats verwijderd en mogelijk 1 tot 2 zomereiken op het centrale deel van de onderzoekslocatie. De initiatiefnemer is voornemens om de bushaltes langs de Moleneind te verplaatsen. Tevens zal het fietspad op het zuidoostelijke deel van de onderzoekslocatie verwijderd worden. De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in tabel I. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningtrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen.
| bestemmingsplan Rotonde Well N271 | status: vastgesteld |
Pagina | 4 2
Op basis van deze natuurscan dient voor uitvoering van de plannen duidelijkheid te zijn verkregen omtrent het gebruik van de onderzoekslocatie door das en steenmarter. Dit kan middels een aanvullend veldbezoek waarbij het terreindeel behorende bij de woningen aan Moleneind 9 en Moleneind 7 wordt onderzocht op de aanwezigheid van de betreffende soorten. Indien tijdens dit veldbezoek de aanwezigheid van de das en/of steenmarter op de onderzoekslocatie niet kan worden uitgesloten, zal een aanvullend soortenspecifiek onderzoek met cameravallen moeten worden uitgevoerd om de functie van de onderzoekslocatie voor deze soorten vast te stellen. Ten aanzien van algemene broedvogels geldt dat overtreding op voorhand kan worden voorkomen door de te kappen bomen, takkenhopen en begroeiing buiten het broedseizoen te | bestemmingsplan Rotonde Well N271 | status: vastgesteld |
Pagina | 4 3
verwijderen. Indien gewenst om de werkzaamheden toch binnen het broedseizoen uit te voeren, wordt geadviseerd een broedvogelcheck te laten uitvoeren voorafgaand de werkzaamheden. Ten aanzien van eekhoorns dient het verwijderen van eventuele nestgelegenheden in de vrijstellingsperiode plaats te vinden of dient er een inspectie van nestlocaties voorafgaand aan de werkzaamheden te worden uitgevoerd of de voorgenomen plannen worden aangepast waardoor de betreffende bomen blijven staan. Ten aanzien van hazelworm en levendbarende hagedis dient het verwijderen van eventuele vaste rust- en verblijfplaatsen binnen de vrijstellingsperiode te gebeuren of dient aanvullend soortenspecifiek onderzoek te worden uitgevoerd. Verder dient te allen tijde de algemene zorgplicht in acht te worden genomen.
Naar aanleiding van voornoemde natuurscan, waaruit blijkt dat de aanwezigheid van das en steenmarter nader onderzocht moet worden, is door Lievense op 25 juni 2020 een quickscan ecologie opgesteld waarbij tijdens het veldbezoek de twee terreinen (Moleneind 7 en 9) wel betreden konden worden en voornamelijk aandacht is besteed aan das en steenmarter. In deze quick scan is het volgende geconcludeerd: '- De omgeving van het plangebied heeft een (potentiele) functie voor de strikt beschermde boom- en steenmarter, hazelworm en levendbarende hagedis; - Negatieve effecten op deze soorten worden uitgesloten aangezien de werkzaamheden zich beperken tot 10 meter vanaf het plangebied en daardoor essentiële functies behouden blijven; - Het plangebied heeft een functie voor algemene broedvogels. Voor deze soorten dient buiten het broedseizoen (globaal half maart t/m half augustus) gewerkt te worden. Als dit niet mogelijk is dienen aanvullende maatregelen genomen te worden (zie paragraaf 6.2); - Het voorkomen van nationale (vrijgestelde) amfibieen en grondgebonden zoogdiersoorten wordt verwacht in het plangebied. Voor deze soorten geldt net als voor alle in het wild levende planten en dieren de zorgplicht; - Het plangebied heeft geen functie voor broedvogels met een jaarrond beschermd nest (waaronder steenuil).
Das, eekhoorn, ongewervelden, planten, vissen, vaatplanten en vleermuizen worden in het plangebied uitgesloten; - Het plangebied ligt deels in- en direct langs Natura 2000-gebied. Aangetoond is dat de grenswaarde van stikstofdepositie in de gebruiksfase overschreden wordt, daarom is een vergunning Wet Natuurbescherming nodig; - Het plangebied ligt deels in- en direct langs de Goudgroene natuurzone (GNN). Uit de nee-tenzij toets blijkt dat negatieve effecten door areaalverlies, licht, stikstofdepositie, geluidverstoring en openheid van terrein te verwachten zijn, maatregelen in overleg met de provincie zijn nodig om het plan doorgang te laten vinden; - Ten slotte geldt een meldings- en herplantingsplicht ten aanzien van beschermde houtopstanden.
Algemeen advies Zorgvuldig werken (zorgplicht) Voor alle aanwezige soorten, ook die niet beschermd zijn via de Wnb, geldt altijd de
| bestemmingsplan Rotonde Well N271 | status: vastgesteld |
Pagina | 4 4
zorgplicht (artikel 1.11). In de zorgplicht wordt gesteld dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Dit betekent dat tijdens de werkzaamheden rekening dient te worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van diverse algemene soorten. Aanwezige dieren dienen de gelegenheid te krijgen om het terrein zelfstandig te verlaten. Indien deze dieren het terrein niet zelfstandig kunnen verlaten, dienen deze te worden verplaatst naar geschikt habitat buiten de ingreep. Voor algemene broedvogels gaat de voorkeur uit om buiten het broedseizoen te werken. Algemene broedvogels Het plangebied biedt mogelijkheden als broedlocatie van diverse algemene vogelsoorten. Werkzaamheden die tijdens het broedseizoen worden uitgevoerd kunnen leiden tot verstoring of vernietiging van (nesten van) broedende vogels. Dergelijke verstoring is niet toegestaan en hier wordt geen ontheffing voor verleend. Door buiten het broedseizoen te werken, kunnen negatieve effecten worden voorkomen. Voor het broedseizoen (verschilt per soort) wordt in de wet geen standaardperiode aangehouden, doorgaans kan globaal uitgegaan worden van 15 maart tot 15 augustus. Dit betreft echter een globale periode; ook broedgevallen buiten deze periode zijn beschermd. Aanbevolen wordt om de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren.
Mocht dit niet mogelijk zijn, dan wordt aanbevolen om voor aanvang van de werkzaamheden een broedvogelcheck uit te laten voeren door een deskundige (ecologisch begeleider). Eventuele nesten worden dan gemarkeerd, en er wordt een advies gegeven hoe te werken zonder dusdanig verstorend te zijn dat het nest permanent wordt verlaten. Het is niet uit te sluiten dat gedurende de werkzaamheden alsnog een vogel tot broeden komt, een uitwerking van de maatregelen ten aanzien van broedvogels kan daarmee het beste worden uitgewerkt in een ecologisch werkprotocol waarin de te nemen maatregelen in dergelijke scenario's worden uitgewerkt. Geldigheid onderzoeksgegevens Dit onderzoek is uitgevoerd conform de landelijk geldende richtlijnen. Het bevoegd gezag hanteert over het algemeen de volgende definitie voor de geldigheid van onderzoeken naar beschermde soorten: "Onderzoeksgegevens mogen maximaal 3 jaar oud zijn in gebieden waar weinig of geen ruimtelijke of kwalitatieve veranderingen zijn opgetreden in de afgelopen drie jaar. In gebieden waar dit niet voor geldt, moeten de gegevens recenter zijn. Ook deze quick scan is als bijlage toegevoegd aan dit bestemmingsplan.
Conclusie: Zoals eerder beschreven in paragraaf 3.2.2 wordt het areaalverlies Natuurnetwerk Limburg (voorheen: Goudgroene Zone) gecompenseerd, gecorrigeerd met een kwaliteitstoeslag en het geldende normbedrag voor 2022 (€ 84.943,-- per ha); de financiële compensatie is bepaald op € 11.883,53 (1.399 m2 x € 8,4943). Verder zullen de houtopstanden die ter plaatse van de oostelijke oksel van de rotonde gekapt zullen worden, ruimschoots worden gecompenseerd door de aanplant van nieuwe bomen aan de noord-, zuid- en westzijde van de rotonde. Door de zorgplicht in acht te nemen wordt verder de kans op verstoringen tot een minimum beperkt. Het aspect flora en fauna staat hierdoor niet aan het project in de weg. | bestemmingsplan Rotonde Well N271 | status: vastgesteld |
Pagina | 4 5
5.6
Archeologie en cultuurhistorie
Ten aanzien van archeologie is het uitgangspunt dat het archeologisch erfgoed moet worden beschermd op de plaats waar het wordt aangetroffen. Dit vloeit voort uit het Europese Verdrag van Valetta (1992) inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed en de Wet op de archeologische monumentenzorg die de Monumentenwet 1988 deels heeft aangepast. Gezien dit uitgangspunt mogen bekende archeologische monumenten niet aangetast worden en moet in geval van voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen in gebieden met een hoge of middelhoge archeologische verwachtingswaarde, in principe een inventariserend en waarderend vooronderzoek plaatsvinden. Eventueel aangetroffen waarden dienen primair ter plekke (in situ) beschermd te worden dan wel - indien dat redelijkerwijs niet mogelijk is- door een opgraving (ex situ) te worden veilig gesteld. In gebieden met een lage indicatieve archeologische waarde is er een geringe kans op het aantreffen van archeologische waarden. Op 13 november 2012 heeft de gemeenteraad de “Nota Archeologiebeleid Bergen” vastgesteld. Hiermee is de Wet op de archeologische monumentenzorg geïmplementeerd in het gemeentelijke beleid. Op basis van de inventarisaties is een archeologisch en cultuurhistorisch verwachtingsmodel opgesteld.
Op de cultuurhistorische waardenkaart wordt het plangebied grotendeels gekenmerkt als 'historische kern anno 1800'.
Figuur 19: Cultuurhistorischewaardenkaart
Deze waarden zijn doorvertaald naar de archeologische beleidskaart. Op de archeologische beleidskaart (zie onderstaand) is het grootste deel van het plangebied aangeduid als categorie 3 en een klein deel als categorie 5.
| bestemmingsplan Rotonde Well N271 | status: vastgesteld |
Pagina | 4 6
Figuur 20: Archeologische beleidskaart
Categorie 3-gebieden zijn gebieden van hoge archeologisch waarde. Er geldt een onderzoeksplicht bij een verstoringsdiepte van meer dan 40 cm en een verstoringsoppervlakte van meer dan 250 m2. De ondergrenzen voor oppervlakten zijn gebaseerd op de omvang van het gebied waarbinnen de bodemverstorende ingreep plaatsvindt (inclusief de te verwachten bijkomende verstoring van bijvoorbeeld kabels en leidingen. Indien de ondergrens overschreden wordt en archeologisch vooronderzoek dus noodzakelijk is, dient wel het gehele plangebied inventariserend onderzocht te worden. Gelet op het feit dat er voor de aanleg van de rotonde circa 380 m2 aan gronden van derden verworven is, is het evident dat de te verstoren oppervlakte de ondergrens van 250 m2 overschrijdt. Het stabiliteitspakket en ondergrondse leidingen onder de rotonde reikt tot een diepte van meer dan 40 cm onder het maaiveld. Categorie 5-gebieden hebben een middelhoge archeologisch verwachting of betreffen naoorlogse woonwijken en industrieterreinen met hoge verwachting. Er geldt een onderzoeksplicht bij een verstoringsdiepte van meer dan 40 cm en een verstoringsoppervlakte van meer dan 2500 m2. Het uitvoeren van een archeologisch onderzoek voor het hele plangebied is noodzakelijk.
Econsultancy heeft in opdracht van Ducot Engineering & Advies in maart-april 2020 een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd ter plaatse van het plangebied betreft voor de nieuwe Rotonde N271 te Well. Hierin is het volgende geconstateerd: "Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Dit wordt uitgevoerd door middel van het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende en verwachte archeologische waarden. Met de resultaten van het archeologisch onderzoek kan worden vastgesteld of binnen het plangebied archeologische waarden aanwezig (kunnen) zijn en of vervolgonderzoek dan wel planaanpassing noodzakelijk is. Gespecificeerde archeologische verwachting bureauonderzoek
| bestemmingsplan Rotonde Well N271 | status: vastgesteld |
Pagina | 4 7
In het hele plangebied kunnen archeologische resten voorkomen uit alle archeologische perioden. De kans op het voorkomen van de resten is middelhoog tot hoog voor de perioden Neolithicum tot en met Nieuwe tijd en laag voor de perioden Paleolithicum en Mesolithicum. Advies Op basis van de gespecificeerde archeologische verwachting is vervolgonderzoek noodzakelijk. Aangezien het plangebied, in verband met aanwezige verhardingen, niet door middel van een booronderzoek dan wel een proefsleuvenonderzoek kan worden onderzocht is de meest geschikte onderzoeksmethode een opgraving, variant archeologische begeleiding. Hierbij begeleidt de archeoloog de civieltechnische graafwerkzaamheden waarbij archeologische waarden bij het aantreffen direct geborgen worden en daarmee ex-situ worden behouden. Voor dit onderzoek dient een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen te zijn opgesteld waarin is vastgelegd waaraan het onderzoek moet voldoen. Er wordt geadviseerd het onderzoek binnen de huidige wegen/parkeerplaats te beperken tot die bo-demingrepen die dieper gaan dan de huidige stollaag. Voor grootschalige ingrepen in de bermen wordt geadviseerd om de ontgravingen vanaf het maaiveld archeologisch te laten onderzoeken.
De precieze strategie kan worden vastgelegd in het Programma van Eisen waarbij het essentieel is dat de precieze bodemingrepen, diepte en omvang, vastliggen voordat dit Programma van Eisen wordt opgesteld. Bovenstaand betreft een advies, opgesteld door Econsultancy. Het advies dient ter goedkeuring voorgelegd te worden aan de bevoegde overheid (gemeente Bergen). Na beoordeling wordt door de bevoegde overheid een besluit genomen."
Het archologisch onderzoeksrapport is als bijlage bij de planstukken gevoegd.
Hierna is er een second opinion uitgevoerd door RAAP (RAAP-adviesdocument 1104, 19-06-2020). Uit dat onderzoek blijkt dat: 'de kans reëel is dat tijdens graafwerkzaamheden die gepaard gaan met de aanleg van de geplande rotonde in de N271 archeologische resten aangesneden worden. Archeologisch booronderzoek is tot op een zekere hoogte een geschikte methode om dit te concretiseren. Hier-bij moet wel de kanttekening gemaakt worden dat booronderzoek vooral geschikt is voor het vaststellen van archeologische vindplaatsen met vondstlagen en grondsporen en het bepalen van de eventuele diepteligging en conservering daarvan. Het gaat dan concreet om vindplaatsen uit de tijdspanne van de prehistorie, de Romeinse tijd en de middeleeuwen. Voor resten van wegtracés (bundels karrensporen) en vooral voor resten van bebouwing uit de nieuwe tijd is booronderzoek als onderzoekmethode minder geschikt. Bundels karrensporen zullen zich in de boor manifesteren als een verrommeld lagen pakket. Wanneer puin wordt aangeboord is het moeilijk te beoordelen of dit van verdwenen bebouwing afkomstig is of verband houdt met een onderlaag van een weg of parkeerplaats. Hiervoor zou eigenlijk de voorkeur moeten uitgaan naar een gravend onderzoek in de vorm van een of meerdere proefsleuven, eventueel met een doorstart naar een opgraving om de doorlooptijd van het onderzoek te beperken.
Het gaat dan met name om het deel van het plangebied dat samenvalt met de huidige parkeerplaats tussen de N271 en het Sterrebos. Indien echter het graven van sleuven in dit stadium van de planvor-ming niet mogelijk of ongewenst is, is booronderzoek een alternatief (met beperkingen) om enig inzicht te krijgen in de bodemopbouw en de aard, diepteligging en verspreiding van eventuele archeologische resten. Boringen kunnen verricht worden in de bermen ter weerszijden van de weg, voor zover hier en
| bestemmingsplan Rotonde Well N271 | status: vastgesteld |
Pagina | 4 8
waar geen sprake is van kabels en leidingen. Waar kabels en leidingen boringen verhinderen, kan eventueel uitgeweken worden naar direct aangrenzende percelen, als aanwonenden daar tenminste toestemming voor willen verlenen. De mate van verstoring van een handmatige boring is namelijk zeer gering. Voor de bermen kan volstaan worden met circa vijftien boringen op een regelmatige afstand (25 m) van el-kaar (eventueel verspringend ter weerzijden van de weg en inclusief de zijwegen). Deze boringen zul-len met name gericht zijn op het verzamelen van contextinformatie waarmee de kan op de aanwezig-heid van oudere, intacte archeologische sporen/resten uit de prehistorie tot en met de middeleeuwen beoordeeld kan worden. Op het terrein van de parkeerplaats heeft gezien de aard van de daar verwachte archeologische resten een gravend onderzoek de voorkeur. Als dit niet mogelijk is, kan gekozen worden voor een enkele boorraai van minimaal vijf boringen in de lengterichting van de parkeerplaats, waarbij om de tien meter wordt geboord. Voorwaarde hiervoor is wel dat ter plaatse van de geplande boringen het aanwezige wegdek wordt verwijderd. Aanbevolen wordt tenslotte om de mogelijkheid te bieden voor verrichten van tussenboringen, waar dat gewenst is. Hiervoor zouden nog eens vijf boringen gereserveerd kunnen worden.'
Op basis hiervan is op 14 augustus 2020 een advies opgesteld door ArchAeO (bijgevoegd als bijlage 4). Op grond van het bureauonderzoek van Econsultancy en de second opinion van RAAP kan vastgesteld worden dat in het plangebied relevante archeologische resten aanwezig kunnen zijn die bij de graafwerkzaamheden ten behoeve van de herinrichting kunnen worden aangetroffen en verstoord. Over de precieze aard en betekenis, en vooral ook de 'behoudenswaardigheid' van deze resten, kan op voorhand en op basis van dit bureauonderzoek weinig worden gezegd. Of een archeologisch booronderzoek hierin meer (en vooral voldoende) duidelijkheid kan verschaffen is echter zeer de vraag. De kans is erg groot dat in het plangebied - een omgeving waar de afgelopen eeuwen al behoorlijk wat grondverzet heeft plaatsgevonden – in een aantal boorkernen verstoorde bodemprofielen worden geconstateerd. Dit zou er logischerwijs op uitlopen dat het onderzoeksbureau op basis van de boorresultaten tot de conclusie moet komen dat het terrein (als geheel) zwaar verstoord is en dat de kans klein is dat nog behoudenswaardige resten worden aangetroffen. Indien het doel is ook 18de eeuwse sporen en oude wegprofielen te documenteren, moet men erop bedacht zijn dat in boringen die als 'verstoord' worden geregistreerd, juist dergelijke resten kunnen zijn aangeboord.
Waar het gaat om bewoningssporen uit oudere perioden (prehistorie – middeleeuwen), is het vooral een sterk wensdenken om in het onderhavige plangebied met boringen vindplaatsen op te sporen. Die kans acht ArchAeO zeer gering en een laag met een toevallig opgeboord scherfje aardewerk maakt nog geen vindplaats. Een booronderzoek voegt weinig toe in dit proces. Geconcludeerd wordt dan ook dat er afgezien kan worden van een verder booronderzoek.
5.7
Verkeer en parkeren
Het bestemmingsplan beoogt een verbeterde en veiligere verkeersdoorstroming, In hoofdstuk 4 is het gehele plan beschreven en is op onderstaande afbeelding nogmaals gevisualiseerd:
| bestemmingsplan Rotonde Well N271 | status: vastgesteld |
Pagina | 4 9
Figuur 21: rotonde N271 met aansluitendewegen
In bovenstaand ontwerp worden de wegaansluitingen op de N271 gerealiseerd door de aanleg van een rotonde. Deze rotonde zal de verkeersveiligheid van de weggebruikers ten goede komen. Door het afsluiten van de directe aansluiting van de Kasteellaan op de N271 en het aanbrengen van een nieuwe aansluiting van het Sterrenbos op de N271 wordt ervoor gezorgd dat de oversteek van de N271 op één punt wordt geconcentreerd en ter plaatse van de rotonde daardoor een vloeiendere verkeersafwikkeling plaatsvindt. Ditzelfde geldt ook voor de verschuiving van de bushalte aan de oostzijde van de N271; de verhoogde bushaltes zullen nu aan weerszijden van de N271 recht tegenover elkaar worden gerealiseerd. Ter hoogte van deze bushaltes is een oversteek voor buspassagiers voorzien. De fietsenstalling voor de busgebruikers is fysiek afgescheiden van de rijbaan, om op die manier de veiligheid van deze weggebruikers te waarborgen. Om de veiligheid voor gebruikers van het fietspad te garanderen zijn de fietspaden voor beide richtingen samengevoegd en geprojecteerd aan de zuidzijde van de N271, aan de kant van de woonbebouwing van Well. De oversteek in de richting van de Wezerweg is aan de noordzijde van de rotonde gepland.
De afsluiting van de verbinding tussen de Kasteellaan en de N271 en het aanbrengen van de nieuwe verbinding tussen het Sterrenbos en de N271 als onderdeel van de rotonde, zal tot gevolg hebben dat er meer verkeer dichter langs de panden aan het Moleneind 10, Sterrenbos 1 en 1a komt. Wat dit akoestisch betekent, is aan de orde gekomen in paragraaf 5.1.3 van deze plantoelichting.
De binnen het plangebied aanwezige bushalte in noordelijke richting zorgt voor het vervoer van personen via lijn 83 (Nijmegen-Mook-Milsbeek-Gennep-Bergen-Arcen-Venlo). In zuidelijke richting stopt niet alleen lijn 83 bij de bushalte 'Kasteellaan Well', maar ook de lijnen 81 en 683. Lijn 81 is de verbinding tussen Venray-Wanssum-Well. Lijn 683 betreft een schoolbus die,
| bestemmingsplan Rotonde Well N271 | status: vastgesteld |
Pagina | 5 0
uitsluitend op schooldagen, vanaf de Kasteellaan te Well in de richting van het station Venlo rijdt.
Als gevolg van het vervallen van de aangrenzende (buiten het plangebied vallende) horecagelegenheid is ervoor gekozen om de daaraan gerelateerde parkeerplaatsen in het openbaar gebied ook te laten vervallen; de voorziening voor het stallen van fietsen zal worden verbeterd. Geconcludeerd kan worden dat onderhavig project als geheel de verkeersveilige doorstroming van alle verkeer rondom dit knooppunt bevordert.
5.8
Niet gesprongen explosieven
Het grondgebied van Well heeft in de 2e wererldoorlog zwaar onder vuur gelegen. Op basis van de bodembelastingskaart is te zien dat de omgeving van de nieuw te realiseren rotonde verdacht is op aanwezigheid van (niet gesprongen) explosieven. Bij ontwikkelingen in dit gebied, waar na de 2e wereldoorlog nog niet in de grond werd geroerd en er geen nadere onderzoeken hebben plaatsgevonden, dient er uit het oogpunt van veiligheid en zorgvuldigheid gezocht te worden naar NGE (detectieonderzoek). In januari 2021 is het 'Vooronderzoek naar het risico op het aantreffen van Conventionele Explosieven in het onderzoeksgebied 'N271 rotonde Well''uitgevoerd door ECG. Het doel van deze studie was het verkrijgen van een gefundeerd antwoord op de volgende drie kernvragen: 1. Is het onderzoeksgebied of delen hiervan betrokken geweest bij oorlogshandelingen (indicaties) en is er daardoor sprake van een verhoogd risico op het aantreffen van Conventionele Explosieven oftewel van VERDACHT-gebied? Uit het indicatie-onderzoek is gebleken dat het onderzoeksgebied zich vanaf september 1944 tot en met maart 1945 in het frontgebied bevond, waarbij het gebied betrokken is geweest bij granaatbeschietingen, boordwapenbeschietingen en raketbeschietingen. De sporen van de granaatbeschietingen en de raketbeschietingen zijn middels luchtfotoanalyse feitelijk herleidbaar tot het onderzoeksgebied.
Ook is er middels luchtfoto-interpretatie in werking gestelde vernielingsladingen zichtbaar. Op luchtfoto's is er eveneens een loopgraaf zichtbaar in het onderzoeksgebied, deze bevindt zich nabij de huidige rotonde op de N271. 2. Zijn er gebeurtenissen (contra-indicaties) die een aanwijzing vormen dat een (mogelijk VERDACHT) gebied als ONVERDACHT kan worden aangemerkt? Op basis van het contra-indicatieonderzoek is vastgesteld dat er in de naoorlogse periode de navolgende werkzaamheden binnen en nabij het onderzoeksgebied hebben plaatsgevonden, waarbij grondroerende werkzaamheden hebben plaatsgevonden: - Er is een nieuwe rotonde is aangelegd; - Verwijdering tramrails en emplacement; - Er zijn diverse infrastructurele aanpassingen zijn verricht op het Moleneind, waaronder de aanleg van de Rijksweg, het tankstation en de parkeerplaats;
| bestemmingsplan Rotonde Well N271 | status: vastgesteld |
Pagina | 5 1
- Aanleg riolering; - Het wegdek van het Moleneind is vernieuwd; - Er zijn na de oorlog kabels en leidingen aangelegd.
De plaatsen waar grondroerende werkzaamheden hebben plaatsgevonden in het onderzoeksgebied zijn onverdacht voor achtergebleven Conventionele Explosieven. De uitzonderingen hierop zijn de randen van de rotonde op de N271 en parkeerplaats op de kruising van het Sterrenbos en het Moleneind, de ingrepen hier hebben slechts invloed gehad op de bovenste laag grond, hieronder is nog een restrisico op het aantreffen van Conventionele Explosieven. 3. Indien er sprake is van VERDACHT-gebied wat is dan de (sub)soort, hoeveelheid en verschijningsvorm van de vermoede Conventionele Explosieven? Op basis van het uitgevoerde onderzoek dient geconcludeerd te worden dat er binnen het onderzoeksgebied gerede kans is op het aantreffen van verschoten munitie van Geallieerde troepen. Veel voorkomende kalibers in de betreffende regio zijn granaten van 25 pond, 75 mm, 3" mortier, 2"mortier, 37 mm, 76 mm, 5,5", 57 mm, 20 mm, 60 mm, 81 mm mortier, 6 pond, 40 mm, 90 mm, 4,2" mortier, 17 pond, 155 mm, 105 mm, 3.7". In het onderzoeksgebied is er ook een kans op het aantreffen van raketten, hierbij gaat het om de 60-ponders. Ook is er mogelijk in het onderzoeksgebied gedumpte Duitse infanteriemunitie aan te treffen. De te verwachten soorten infanterie munitie zijn steelhandgranaten, Klein Kaliber Munitie, geweer-granaten, pantser-schreck en panzerfausten.
Ook is er mogelijk in het onderzoeksgebied boordwapenmunitie aan te treffen, het gaat hier om 20 mm munitie. Verder is er in het onderzoeksgebied mogelijk springlading aan te treffen. Het kaliber hiervan is onbekend. ECG adviseert om de locaties waar gebouwd gaat worden nader te onderzoeken op de aanwezigheid van mogelijk aanwezige objecten die voldoen aan het voorgenoemde zoekdoel.
| bestemmingsplan Rotonde Well N271 | status: vastgesteld |
Pagina | 5 2
Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid 6.1
Kostenverhaal
De realisatie van het project geschiedt voor rekening van initiatiefnemer. De gronden zijn in eigendom van de gemeente Bergen en de provincie Limburg. Het kostenverhaal en de verantwoordelijkheid van de betrokken bevoegde gezagen is middels een overeenkomst tussen de provincie Limburg en de gemeente Bergen duidelijk vastgelegd.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Procedure Elk nieuw bestemmingsplan ontstaat uit een initiatief. De totstandkoming begint met de beslissing dat een bestemmingsplan zal worden opgesteld. Conform artikel 3.1.1. Bro worden de provincie Limburg, de wegbeheerder en Waterschap Limburg in het kader van dit bestemmingsplan betrokken in het vooroverleg. Artikel 3.8 Wro regelt de procedure van het bestemmingsplan. Op de voorbereiding van een bestemmingsplan is afdeling 3.4 van de Awb van toepassing. Hierbij zijn een aantal aanvullingen: 1. kennisgeving, zoals bedoeld in artikel 3:12 Awb, dient tevens te worden gepubliceerd in de Staatscourant en langs elektronische weg te worden verzonden; 2. het ontwerpbestemmingsplan dient te worden verstuurd aan het Rijk, provincie, waterschappen en aan de besturen van bij het plan een belang hebbende gemeenten; 3. kennisgeving aan de eigenaren van percelen welke de bestemming in de naaste toekomst zal worden verwezenlijkt; 4. door een ieder kunnen zienswijzen naar voren worden gebracht; 5. de gemeenteraad dient binnen 12 weken, na de ter inzage termijn beslissen omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan. Binnen twee weken wordt het besluit tot vaststelling bekend gemaakt. Indien door de Gedeputeerde Staten (GS) of de inspecteur een zienswijze is ingediend en deze niet volledig is overgenomen, dan vindt bekendmaking plaats binnen zes weken na vaststelling.
Dit geldt tevens indien de gemeenteraad wijzigingen aanbrengt in het ontwerp. In deze gevallen zend het college na vaststelling onverwijld een afschrift van het raadsbesluit aan de GS en/of de inspecteur. Indien het Rijk of de provincie gebruik wil maken van haar aanwijzingsbevoegdheid gaat deze termijn niet op. Het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan wordt dan, met uitsluiting van het onderdeel waarop het aanwijzingsbesluit ziet, samen met het aanwijzingsbesluit bekend gemaakt. Het besluit treedt in werking 1 dag na afloop van de beroepstermijn.
Overleg In het kader van het project zal onder meer overleg plaatsvinden met het Waterschap Limburg
| bestemmingsplan Rotonde Well N271 | status: vastgesteld |
Pagina | 5 3
(provincie Limburg is initiatiefnemer, dus overleg is overbodig).
Inspraak en zienswijzen ontwerp-bestemmingsplan Het ontwerp-besluit tot herziening van het bestemmingsplan heeft van 29 september 2022 tot en met 9 november 2022 voor een ieder ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn geen zienswijzen ingediend.
| bestemmingsplan Rotonde Well N271 | status: vastgesteld |
Pagina | 5 4
Hoofdstuk 7 Juridische toelichting 7.1
Planstukken
Het bestemmingsplan heeft als doel het planologisch-juridisch kader te geven voor de ontwikkeling van het beschreven plan. De nadere juridische invulling is gedetailleerd geregeld. Dit bestemmingsplan bestaat uit de volgende onderdelen: plantoelichting planregels; verbeelding. Bij het opstellen van het onderhavige bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Waar dat noodzakelijk was , is afgeweken van de standaard en is het plan specifiek toegesneden op de feitelijke situatie in het onderhavige plangebied. De plansystematiek voldoet aan de volgende RO-standaarden 2012: Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (SVBP) 2012; PraktijkRichtlijn BestemmingsPlannen (PRBP) 2012; Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten (STRI) 2012.
7.2
Toelichting op de verbeelding
In de analoge en digitale verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis ingevolge het voorliggende plan, indien en voor zover deze in de regels daaraan wordt gegeven. Als een aanduiding juridisch gezien geen enkele betekenis heeft, is deze niet opgenomen in de verbeelding. Ten behoeve van de leesbaarheid is het plan wel op een topografische ondergrond gelegd. De bestemmingen en de aanduidingen zijn ingedeeld in de hoofdgroepen volgens de SVBP2012 en zijn bij de verbeelding opgenomen in een renvooi.
7.3
Toelichting op de regels
De planregels zijn ondergebracht in inleidende regels, in bestemmingsregels, in algemene regels en in overgangs- en slotregels.
INLEIDENDE REGELS Dit hoofdstuk bevat twee artikelen. In artikel 1 is een aantal noodzakelijke begripsbepalingen opgenomen welke worden gebruikt in de regels. In artikel 2 wordt uiteengezet op welke wijze gemeten dient te worden.
BESTEMMINGSREGELS Dit hoofdstuk bestaat uit een beschrijving van de bestemmingen. De bestemmingen betreffen: | bestemmingsplan Rotonde Well N271 | status: vastgesteld |
Pagina | 5 5
Artikel 3: Natuur Om de uitbreiding van de bestemming Wonen richting noordwesten te motiveren, is de woonbestemming welke zich over feitelijke natuurwaarden uitstrekt, ter plaatse gewijzigd in de bestemming Natuur. Inhoudelijk is de vigerende bestemmingsregeling uit het bestemmingsplan Buitengebied 2018 zoveel mogelijk overgenomen.
Artikel 4: Verkeer Hierin is geregeld dat de gronden met deze bestemming bedoeld zijn voor wegen, voet- en fietspaden, parkeervoorzieningen, bermen en groenvoorzieningen, water, geluidwerende voorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen, waterstaatkundige voorzieningen, straatmeubilair, kunstwerken, beeldende kunst, nutsvoorzieningen, waaronder ook overdekte bushaltes, (ondergrondse) kabels en leidingen, verlichting, een pinautomaat, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - pinautomaat' en behoud en herstel van landschappelijke waarden.
Artikel 5: Wonen Hierin is de vigerende bestemmingsregeling uit het bestemmingsplan Buitengebied 2018 zoveel mogelijk overgenomen; qua omvang van de bestemming Wonen heeft een aanpassing plaatsgevonden.
De volgende artikelen zijn van conserverende aard, en betreffen: Artikel 6: Waarde - Archeologie 3 Artikel 7: Waarde - Archeologie 5
De regels van de voorgaande bestemmingsplannen 'Well' en 'Buitengebied' zijn hierin doorvertaald.
ALGEMENE, SLOT- EN OVERGANGSREGELS Deze artikelen bevatten de bepalingen die op het hele plangebied betrekking hebben en burgemeester en wethouders de mogelijkheid bieden flexibiliteit in het plangebied te betrachten.
| bestemmingsplan Rotonde Well N271 | status: vastgesteld |